Hoofdstuk XXII.

Hoofdstuk XXII.Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigenVan Aartheimhandelt.Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan de beeldschoone Anglaise uit hetHôtel Colbertdacht, en zich voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,—als hij beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om haar tot zulk een stap te doen besluiten,—dan kon hij bemerken, dat zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij, twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving.Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim’s wijze van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve tevreden was. “Ik ben zeer gelukkig,” schreef hij onder anderen, “dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan,door haar tot een stap te bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie, heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten verlaten,—dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,—en dat ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik totMissCleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten; maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig.” Hij eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met regt kwade vermoedens had opgevat.“Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem,” zei Pols, toen Torteltak den brief had voorgelezen.“Maar zij komt beroerd laat,” gromde De Morder.“Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn,” zei Pols, die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn noteerboekje niet voor zich had,waarop de boeten en kosten in een geregtelijk proces de grootste post waren; “ik zou dien Mijnheer Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch schijnt te praten.”“Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten,” merkte Torteltak aan; “ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken.”“Ik voorzie een ongelukkig einde,” zei Holstaff, “ik houd het er voor, dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt.”“Kom, kom!” zei Veervlug: “alles komt te regt. Ik stel mij liever voor, nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten al tot den begrafenispas exerceer.”Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten; want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: “Wij hebben toch alles gedaan wat wij vermogten.”SirWilliam Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen, waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannenmet haar had, was aanMissCleford duidelijk geworden, toen hij haar een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest; want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school derdébauchestot die betrekking gevormd, en de Franschman, die op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een, die na een welbesteden jeugd volgt.Wij zijn intusschen genoodzaaktMissCleford met haren minnaar aan hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld.Hoofdstuk XXIII.Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon moet verzuchten.De invloed van het ligchaam op den geest, en vice versa, behoort tot die dingen, die volstrekt niet meer in twijfel getrokken, maar toch veelvuldig betoogd worden. Het levert, even als de onsterfelijkheid der ziel en het pligtmatige der deugd, sinds eeuwen her, aan verhandelaars en schrijvers ruime stof, om veel in het midden te brengen, dat volkomen overeenkomt met hetgeen anderen reeds hebben gezegd. Het onderwerp is trouwens even zoo goed als een ander, in zoover het alleen dient om den schrijver of spreker te amuseren en te stichten; en vooral is het uitnemend geschikt, zoo als het ook heel veel gebruikt wordt, om tot inleiding te dienen, en den spreker of auteur op den weg te helpen, daar het, als het met het eigenlijke onderwerp niet in het minste verband staat, kan blijven liggen voor hetgeen het is.De invloed, dien de toestand des ligchaams op de stemming der ziel uitoefent, blijkt, zoo als onder alle omstandigheden, ook na het gebruik van een goeddiner. Als men heel gezellig en vrij lang getafeld heeft, als de verschillende zintuigen van gezigt, reuk en smaak aangenaam zijn gestreeld, en men door keur van spijs of drank eene behoorlijke voeding, vulling en verkwikking heeft bewerkstelligd, zonder daarin tot overladens toe te zijn voortgegaan, dan deelt de aangename toon, die in het ligchaam heerscht, zich ook aan de ziel mede, en hoewel in dientoestand de geest misschien niet tot bijzondere inspanning geschikt is, hij is vatbaar voor genot en ontvankelijk en gevoelig voor de indrukken, die zich aan hem voordoen.Het was na een goed diner inle Croix blanchete Vevay (en hier eindigt de inleiding van dit XXXIIIste Hoofdstuk), dat Pols en zijne vrienden zich op eene wandelingderrière l’aileaan het oostelijk gedeelte van het meer van Genève begonnen te oriënteren. Het was een heerlijke namiddag; het blaauw des hemels, hier reeds schoon, als de hemel van Italië, scheen in helderheid en doorschijnendheid met dat van de watervlakte te wedijveren; ongestoord wierp het licht, dat reeds begon naar het westen te dalen, zijne stralen op het meer, slechts aan het zuidelijk gedeelte door de schaduwen van het hoog gebergte bepaald. De koude der sneeuwtoppen in het verschiet scheen door de zachtheid der kleuren, waarvan zij schitterden, getemperd; en het duister der schaduw, die de groene heuvels digt aan den oever op het water wierpen, werd door lichtstralen, door de rotsopeningen heendringende, gebroken.Het verwondert u niet, wanneer gij in de lieflijke wandeldreven van Vevay dit heerlijk uitzigt geniet, dat de dichterlijke verbeelding van Jean Jacques hier de helden van zijnen roman ten tooneele voerde; ja het kost uwe minder dichterlijke verbeelding weinig moeite, als gij op deze door de natuur begunstigde plaats aan uwe linkerzijde Chillon en Clarens en tegenover u de rotsen van Meillerie ziet, ze wederom met die personen te bevolken, wier bestaan gij hier bijna niet in twijfel zoudt durven trekken, schoon gij ook zeker weet dat zij er nooit bestonden. “Allez à Vevay,” zoo beroept er zich de auteur zelf op,“visitez le pays, examines les sites, promenez vous sur le lac, et dites si la nature n’a pas fait ce beau pays pour une Julie, pour une Claire et pour un Saint Preux;—mais ne les y cherchez pas.”Onder den invloed van al dat schoon, dat zij zagen, enook van hetgene zij niet zagen, maar zich aan den leiddraad van Rousseau’s verbeelding voorstelden, maakten onze vrienden den tour over Clarens, Montreux, Chillon en Villeneuve naar Meillerie. Torteltak zocht met belangstelling naar het plaatsje, waar de beroemdste aller eerste kussen werd gegeven, en gevoelde zich sterk om hetzelfde effect te sorteren en even opgewonden te worden als de minnaar van Julie, zoo er maar eene even lieflijke dame te vinden was, die het met hem wilde wagen; Holstaff treurde op de rotsen van Meillerie, en gluurde even gevoelig en met hetzelfde succes, als de heer die er vroeger logeerde, naar den overkant van het meer; met diepen weemoed betastte hij zijn geluk, met dezelfde versierselen pronkende, die eens de trots en het gelaat van Saint Preux uitmaakten; maar helaas! hij had ze op de Fransche school overgeërfd, terwijl de ander ze aan deInoculation de l’Amourdankte. Beide, hij en Torteltak, werden minzaam maar ernstig door Pols aangevallen, die verklaarde, dat deNouvelle Heloiseeen heel overdreven boek was, en dat hij al die kunsten van den minnaar van Julie heel leelijke dingen vond, die niet te pas kwamen; dat hij nooit zoo ver had moeten gaan van haar zijne liefde te verklaren, ja zelfs dat hij haar nooit lief had moeten hebben; en dat hij, Pols, wel altijd zou oppassen, een meisje, dat hij toch nooit kon trouwen, zulke dingen in het hoofd te brengen. De Morder, schoon zich heel weinig interesseerende in de historie, kon toch niet nalaten tegen de koude berekenende nutbeoogers te ijveren, die, om den weg over den Simplon te repareren, de rotsen van Meillerie zoo jammerlijk hadden geschonden, en zich eenige niet zeer vleijende uitdrukkingen te veroorloven tegen de monniken van den Saint Bernard die het bosquet van Julie tot het tooneel eener houtveiling hadden vernederd.Het begon intusschen avond te worden; de zon was al tot eene redelijke diepte neergedaald, en de maan, diereeds eenigen tijd aan den hemel had post gevat, wachtte met haar gewone geduld het oogenblik af, waarop het licht des dags geheel zou zijn verdwenen om haar minder schoon maar toch lief en vriendelijk aangezigt over de aarde te doen lichten. Zij scheen niet jaloersch op de magt, die de koningin des dags over al wat leeft uitoefent, en den schittergloed, waardoor deze haar flaauweren glans overschenen en haar bijzijn naauwelijks deed vermoeden; evenmin als menig eene dier lieve, oudere zusters, die op weinig schoonheid kunnen roemen, en die, terwijl de beeldschoone jongste alsReine du Balde feestzaal rondzweeft, met kalmte en gelatenheid tapisserie maakt, totdat de vermoeide danser hare zuster eenen anderencavalieroverlevert, en aan hare zijde komt uitrusten. De vrienden, die tot St. Gingouph per rijtuig waren teruggekeerd, klommen hier af, om over het meer naar Chillon te worden gevoerd. Dat zij nog steeds in opgewonden stemming verkeerden, bleek aan de wijze, waarop zij zich tot de schippers wendden, en als eene gunst verzochten, in hunne vaartuigen de blaauwe wateren van het meer te mogen doorklieven, en de gereedheid, waarmede zij den hoogen prijs betaalden dien deze Savoyardsche natuurkinderen, in hunne naïve begeerte naar vreemd goud, eischten; daar zij het heiligschennis zouden hebben geacht, met de bewoners van dit aardsche Paradijs over een zoo nietig ding, als geld, te twisten.Wanneer in onze dagen reizigers het kasteel van Chillon binnentreden, dan bekommeren zij zich gewoonlijk weinig om het doel, waarmeê Amedeus IV het vóór zes eeuwen stichtte, en geven zij zich naauwelijks de moeite om op te merken, waarom het door zijne ligging en sterkte voor de Graven van Savoye van zooveel belang was. Met weinig opgewondenheid bezoekt men de ruime vertrekken, waar nog sporen der weelde en grootheid van het vorstelijk huis te ontdekken zijn, omdat men in de geheele reeks vanGraven en Hertogen minder belang stelt, dan in den edelen staatsgevangene, in wiens kerker men met weemoed vertoeft.“Chillon! thy prison is a holy place,And thy sad floor an altar—for ’t was trod,Until his very steps have left a trace,Worn, as if thy cold pavement were a sod,By Bonnivard!—May none those marks efface!For they appeal from tyranny to God.”1’t Was al vrij duister, toen ons reisgezelschap den trap naar den onderaardschen kerker afdaalde. Door de naauwe opening, hoog in den muur van het gewelf, drong evenwel nog juist zooveel licht door, als noodig was om al de akeligheid van het verblijf te vertoonen.“’tIs hier een beroerde inrigting voor een gevangenis,” zei De Morder: “je kunt waarachtig geen hand voor oogen zien.”“Ik vind het een allermelancholiekst verblijf,” zei Pols.“Kunt gij u begrijpen,” viel Veervlug in, “dat Bonnivald zich hier zes jaren heeft kunnen amuseren?”Holstaff stond reeds met de hand aan den ring, die den gevangene aan den pilaar had vastgekluisterd, en betastte de steenen zuil, door de wrijving der steenen uitgehold. Zijn medegevoel in het lot van Bonnivald was bij deze gelegenheid zoo sterk, dat hij later aan zijne vrienden verklaarde, in de vijf minuten, die hij aan dien pilaar doorbragt, al de smarten, angsten en verschrikkingen geconcentreerd te hebben gesmaakt, die de voorstander van Genève’s privilegiën en vrijheid in zes jaren gevoelde, en die “zijne hairen vergrijsden en zijn wenkbraauwbogen vergraauwden.”Ons reisgezelschap was evenwel niet het eenige in desouterrainvan Chillon. Een heer en twee dames waren eenige oogenblikken vroeger, geleid door de cipiersvrouw, neêrgedaald. De heer was een Geneefsch geleerde, van omtrent veertig jaren, waarvan hij er vijfentwintig onafgebrokenhad doorgebragt in het verzamelen vanbouwstoffenvoor een allerbelangrijkst werk over den grooten Johannes Calvinus, dat, behalve eene uitvoerige uiteenzetting van ’s mans handelingen met betrekking tot de Hervorming, ook een allerherderst licht zou werpen over zijne daden en lotgevallen, die daarmede niet in betrekking stonden. Twee jaren had hij besteed in onderzoekingen, of de groote man in den morgen of in den namiddag van den 10 Juli 1509 was geboren, en vervolgens had hij eene reis ondernomen, om uit te vorschen, welke de juiste ouderdom zijner moeder was, toen zij hem ter wereld bragt; iets dat hij, na zeven jaren omwandelens en voor 20,000 francs onkosten, thans met vrij groote waarschijnlijkheid wist te bepalen. Op die reis had hij echter, behalve deze belangrijke aanwinst voor de wetenschap, ook nog eene merkwaardige aanwinst voor zichzelven gedaan, daar hij juist te Nojon, in Picardye, een meisje had leeren kennen, dat hem geschikt voorkwam den roem met hem te deelen, dien hij zich door zijne geleerde schriften zou verwerven. Sedert zeven jaren was deze vrouw aan hem verbonden, en nog steeds naar de lauweren wachtende. Zij was hem in dien tusschentijd eene bijna even trouwe hulpe geweest, als wijlen de gade Trommii haren gemaal. Zij was eene dier lieflijken, die den pligt om haren echtgenooten hunne gebreken onder het oog te brengen, zoo ver drijven, dat zij hen van den morgen tot den avond met aantijgingen en verwijten overladen, en die meesterlijk de kunst verstaan, om op het pad harer geliefden de rozen zóó te strooijen, dat de doornen hun de voeten kwetsen moeten. Zij was ruim dertig jaren oud en niet misdeeld van schoonheid, hoewel op haar gelaat minder aantrekkende bevalligheid gevonden werd, dan wel een zeker iets, dat respect inboezemde en aanried, een betamelijken afstand te houden, en denken deed aan de triviale uitdrukking van katjes, die men niet zonder handschoenen moet aanraken.—Deandere dame, die bij dit gelukkige echtpaar behoorde, was eene nicht, een zacht jong meisje van achttien jaren, die door tante uit louter goedgunstigheid en medelijden was opgenomen, daar deze zich om harentwil de opoffering getroost had eene meid minder te houden, en die door den lieven toon, waarop zij bejegend werd, meermalen tot tranen toe werd geroerd, en alzoo tot de overtuiging kon komen, dat het zoogenaamd genadebrood geen droog eten is.“En was Bonnivard getrouwd?” vroeg de Geneefsche geleerde aan de cipiersvrouw.“Ik heb ten minste een romantisch verhaal gelezen,” antwoordde deze, “waarin vermeld stond van zijne gade, die van verdriet stierf.”De Geneefsche geleerde had op zijne lippen om te zeggen: “Dan had zijne gevangenschap ten minste ééne goede zijde!” Maar gelukkig hield hij het binnen, en zei liever: “Het was dan toch ook verschrikkelijk hard voor die vrouw!”“Ten minste als hij haar gelukkig maakte,” merkte zijne gade aan. “Daar zijn anders wel echtgenooten, wier bijzijn, eerder dan hun afzijn, hunne vrouwen in het graf zou helpen.”De geleerde glimlachte pijnlijk: “Dat zal wel zoo zijn, vrouwtje!”“Neen, dat zal zoo niet zijn, maar dat is zoo,” zei zijne beminnelijke wederhelft wier kenmerkende eigenschap was, dat zij bij tegenspraak boos werd, maar als zij niet werd tegengesproken, woedend.“Hebt u den naam van Byron al op den pilaar daarginds gezien,” vroeg Veervlug, die het papier in de handen hield, waarop hij in groote opgewondenheid de letters had nagetrokken.“Daar heb ik ten minste mijne oogen voor,” was het antwoord.Veervlug gebruikte de zijnen in deze oogenblikken om op zijn neus te kijken.“Ik dacht niet dat die Byron zoo beroerd leelijk schreef,” zei de Morder, het papier in handen nemende.“Wat leelijk!” riep zijn vriend verontwaardigd. “Is dat leelijk? had hij de letters dan in de zuil moeten beitelen, als een steenhouwersknecht het op een zerk doet? Is er niet juist genie in de scheefheid van die Y? In ieder der letters, zoo als zij daar staan, ligt een idée; wie eenigszins poëtisch gestemd is, kan er zijn geheel gedichtthe Prisonerin lezen.“Dat is juist als in de handteekening van Calvyn,” zei de geleerde. “Ik heb er te huis een, die zonder eenigen twijfel echt is; maar al wist ik niets van hem, dan dat hij deze letters geschreven had, zou ik overtuigd wezen, dat hij de grootste man van zijne eeuw geweest was. Als de heeren te Genève komen, noodig ik ze uit, om het eens te komen zien.”“Het zal mij aangenaam zijn, lieve,” viel de huisvrouw in, “als je niet zoo maar iedereen uitnoodigt, om wegens zulke nesterijen mijn huis te overloopen.”De lieve herhaalde zijne uitnoodiging niet, maar zeide: “Je hebt gelijk, goede vrouw! Hoe gaarne ik de heeren zien zou, ik heb het tegenwoordig nog al druk met mijn werk over den grooten Hervormer.”“Je weet heel goed, dat ik het daarom niet zeg,” antwoordde de goede: “jou getreuzel gaat mij niets aan; maar ik heb aan één man in mijn huis al meer dan genoeg.”Het kostte den gelukkigen gemaal bij deze gelegenheid heel veel moeite om over dit lieve gezegde te glimlagchen, en den vrienden heel weinig, om bij hun besluit van geene visites meer op reis te maken, te volharden.Daar komt aan alle genoegens een einde: dit ondervond Bonnivard, toen de Berners in 1536 zijnen kerker openden en zijne ketens losmaakten; dit ondervonden ook de tegenwoordigebezoekers van Chillon, daar een gendarme, uitmakende de helft der bezetting van het kasteel, kwam waarschuwen, dat het bijna negen uur was, en dat de poorten dan moesten gesloten worden. “’t Is de moeite naauwelijks waard om al die trappen af te klimmen,” zei de Morder, die al tweemaal geproponeerd had om heen te gaan.“Wil jij nog wat blijven?” zei Veervlug: “je kunt hier misschien wel logeren; het steenen bed van den gevangene ligt nog gespreid.”“Julie, waar zit je toch?” riep de gade van den geleerde.“Hier ben ik, tante!” zei Julie, die met Torteltak over het voor en tegen van gevangen zijn gesproken had, bij welke gelegenheid de jongeling iets heel aardigs had gezegd van zachtere en tevens sterkere boeijen, dan die uit ijzer waren gesmeed.“Je komt ook altijd achteraan,” zei de tante tot de nicht, die voor haar uit de trappen opging.De vrienden volgden; alleen Holstaff was nog zoo in gepeins verzonken, tegen de zuil leunende, dat hij niet scheen te bemerken, dat het gezelschap aftrok.“Kom dan toch, droomer!” riep Pols, terugkeerende en zijn vriend aan den arm trekkende.Doch naauwelijks had de vriend deze manoeuvre in het werk gesteld, toen hij op eens een dreigend gebrom vernam, en terstond daarop een allervervaarlijkste bulhond, die tot nu toe achter de cipiersvrouw had gestaan, tegen zich zag opspringen en de scherpte der tanden van dit vreeselijke dier in zijn vleesch boven den linker elleboog gevoelde.“Hemel, wat is dat?” riep de vriend verschrikt uit.“Die hond lijkt wel dol!” viel de cipiersvrouw in, terwijl zij het dier bij den halsband terugtrok. “U moet het mij niet kwalijk nemen, Mijnheer! maar hij is op den man geleerd, en daar u dien anderen heer bij den arm trokt...”“Wat zeg je daar, vrouw?” riep Pols verbleekende, daarhet epithetondol, op een hond toegepast, die hem zoo even eene bloedige wond had gebeten, hem niet geruststellend in de ooren klonk.“Waarlijk, Mijnheer! ik kan het niet helpen; anders is de hond zoo goed als een lam, maar sedert een paar dagen heb ik niets meer over hem te zeggen. Gisteren nog, toen ik met hem om het slot voer, springt hij in eens uit het bootje, in het diepste van het meer.“Als hij dan in ’s Hemels naam de watervrees maar niet heeft!” riep onze vriend, terwijl hij met afgrijzen het bloed zag, dat zijn lichtblaauw jasje reeds begon te verven. “Zegt mij, mijne vrienden! wat zal ik beginnen?”“Ik zou er maar een compres met azijn en water omleggen,” zei Torteltak, “dan zal het wel schikken.”“Wat beginnen zijne oogen raar te staan!” fluisterde Holstaff, zijne handen wringende, Veervlug in.“Drink een glas water,” zei deze, terwijl hij zijn vriend den trap naar boven op geleidde, “dan kunnen wij meteen eens zien, of gij de watervrees soms ook al hebt.”“Neen maar, zonder gekheid,” zei Pols, “die hond schijnt toch niet te wezen zoo als hij behoort.”“Hij heeft je ten minste onbehoorlijk gebeten.”“Ik weet wel, dat ik nog niet dol ben,” ging Pols voort, en zich vermannende, voegde hij er pijnlijk glimlagchende bij: “en ik weet wel, dat ik er niet razend van zal worden; maar zou je hier nergens van die Biltsche dranken kunnen krijgen? dat kan toch nooit kwaad.”Het viel evenwel den vrienden zeer moeijelijk om aan dezen wensch van Pols te voldoen, daar de gevraagde drank tot die soort van geheime geneesmiddelen behoort, wier uitwerking, volgens de verklaring der erfelijke eigenaars, allerheilzaamst is, maar die zeker, indien men, aan de inspraak der algemeene menschlievendheid gehoor gevende, ze algemeen bekend maakte, die heilzame kracht zouden verliezen.De kerker van Chillon.De kerker van Chillon.De raad van Torteltak omtrent het verband van azijn en water werd opgevolgd; de nicht van den geleerde stond met veel liefde haren fijnen linnen zakdoek voor ’t verband af, daar het roodgeruite katoentje van Pols evenmin als de foulards zijner vrienden kon dienen. Hare tante vond het evenwel gepast iets over de verregaande roekeloosheid van sommige dames te zeggen, die zeker rijk genoeg moesten zijn, om zoo maar een fijnen doek op te offeren, en tevens eene lieve aanmerking te maken over menschen, die niet veel behoefden te veranderen om voor dol te worden gehouden.“Als Hieronymus Bolzec nog leefde of Michaël Servede,” merkte de geleerde aan, “die zouden er wel raad voor weten; want zij waren zeer kundigemedici, schoon zij ook in ’t godsdienstige aan de allerverfoeijlijkste ketterijen schuldig stonden.”Het was geen wonder dat de Geneefsche theoloog deze namen zoo terstond bij de hand had, daar hij juist in deze dagen tot het hoofdstuk genaderd was, waarin over Johannes Calvini zachtzinnigheid en verdraagzaamheid gehandeld werd (de geleerde heer zou zijn werk onvolledig hebben geacht, indien hij zijnen held niet alle mogelijke deugden toekende), en waarin hij de opgemelde heeren, benevens Castalio, Ochinus en anderen, als baarlijke duivels had leeren kennen.“Je bent onverdragelijk, lieve!” voegde des geleerden vrouw hem toe, “met altijd over dien Calvijn en zijne vrienden te spreken. Wat weten die vreemde heeren van hem?”“Met uw verlof, vrouwtje! Servetus en die anderen kunnen niet direct gezegd worden, vrienden van Calvijn te zijn geweest.”“Maar uw beroemde landgenoot,” viel Veervlug in, “is ons in ’t geheel zoo onbekend niet, als Mevrouw veronderstelt. Wij zijn Hervormde Nederlanders, en in ons landkomen daarenboven veelsoortige boeken over de Hervormers uit. ’t Zou mij dus in ’t geheel niet verwonderen, als Calvinus nu ook aan een beurt lag. In allen gevalle, daar is bij ons veel over hem geschreven. Ik herinner mij, bij voorbeeld, nog een heel lief vers van Vondel: ’tdecretum horribile.”“’t Doet mij plaisir dit te vernemen,” zei de geleerde.“En ’t zal mij nog meer plaisir doen, als ik er geen woord meer over behoef te hooren,” viel zijne teedere wederhelft in, door deze phrase het gesprek over den Hervormer en alle de gesprekken, binnen de muren van Chillon gehouden, besluitende.Toen men aan den voet van het slot weêr in ’t schuitje stapte, was het geheel avond geworden. De maan wierp nu haren zachten en lieven glans over het meer, en scheen over ’t geheele landschap nog meer rust en kalmte te verspreiden, schoon ook de dag stil en zoel was voorbijgegaan. De maan doet zich eigenlijk zelden schoon voor, en als zij mooi is, dan is zij, zoo als Veervlug beweerde, kaarsmooi; maar toch trekt zij aan, toch is er iets zoets en liefelijks in haar aangezigt; maar zeker is haar effect heerlijk en aantrekkend, als zij met hare imposante kalmte, als beheerscheres der nacht, door glinsterende sterren gelijfstaffierd, van hoog uit de lucht op het meer van Genève neêrziet.Voor al de vrienden was het dus een verrukkelijk gezigt, toen zij, uit de duisternis van den kerker tot het licht terugkeerende, over het meer hunne oogen deden weiden. Torteltak haalde zeer gepast Byron’s woorden aan:“Lake Leeman woos me with its crystal face,The mirror where the stars and mountains viewThestillnessof their aspect in each trace,Its clear depth yields of their far height and hue.”2Alleen Pols, die in den wijdgeopenden stand zijner oogen, door den schrik veroorzaakt, te gelijk de maan enhetwater zag, werd er treurig door gestemd, en begon over het verband tusschen maanziekte en watervrees te peinzen.Het was reeds tien ure, toen men te Villeneuve aankwam, waar men dien nacht het kwartier besteld had. Voordat men zich evenwel ter ruste begaf, bragt men nog eene visite aan de familie Champal, die, tijdens het bezoek van Byron te Chillon wonende, gezegd wordt allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent den beroemden dichter te kunnen mededeelen.“Het is heel aangenaam voor ons,” zei de oudste der dames, van haren stoel afspringende en zich in hare volle lengte van ongeveer vier voeten vertoonende, “het is aangenaam en vereerend tevens, zoo naauw in aanraking te zijn geweest met den grooten man. Ik had hem de trappen af in den kerker geleid, en hij had den geheelen tijd met zijne gewone bescheidenheid en respect voor de sekse gezwegen,toenhij mij op eens minzaam bij den arm nam en verzocht hem alleen te laten.”“En toen hij terugkwam,” ging hare zuster voort, wier oogleden in plaats van met wimpers, met roode randen waren versierd, “toen stiet hij, in zijne dichterlijke gedachten verzonken, met zijn elleboog een tafelbord van den schoorsteen. Ik heb de scherven bewaard, en zou ze voor geen goud willen missen. Die lieve, groote man!”“Wij waren toen jonge meisjes,” zei de oudste, “mijne zuster vijfendertig en ik vierendertig; maar wij hebben niets van zijne losheid en ondeugendheid met vrouwen gezien. Dat is allemaal vast laster.”“Ziet eens hier, Mijnheeren!” zei de jongste; “kijkt eens goed naar dat portret.” Zij wees hun op een kop, met rood en zwart krijt geteekend, waarvan de trekken door grofheid en geesteloosheid uitmuntten: “die lieve man, als ik nog aan hem denk!”“Wien moet dat voorstellen?” vroeg Torteltak.“Wel, mijn zaligen broeder,” zei de oudste dameChampal; “die geleek bij zijn leven sprekend op Byron.”“Op Byron?” riep Veervlug in verbazing.“Ja toch, Mijnheer!” viel de jongste zuster in. “Wij vonden het allebei; maar eigenlijk niet zoo zeer in zijn gezigt en postuur, als wel in zijn gang. Mijn broeder trok ook zoo ’n beetje met zijn eene been, net als de lieve groote man.”“Dat is heel merkwaardig,” zei Pols.“Maar heeft Byron toen terstond zijn gedicht geschreven?” vroeg Torteltak: “nog in Chillon zelve?”“Neen,” was het antwoord; “van het schrijven heb ik niets gezien; maar ik heb anders het boek gedrukt in eigendom.”“Eén ding is maar jammer in dat vers,” zei de oudste zuster; “dat plagt altijd mijn zalige broeder te zeggen, die ook heel knap was. Hij heeft het gedicht alleen voorgelezen aan Mijnheer Hobhouse, en niet aan ons. Mijn broeder had hem anders van veel belang kunnen wezen: want Byron dacht, dat Bonnivard maar zes jaren had gevangen gezeten, en mijn broeder wist zeker, dat het er zeven waren. Als hij dit nu in tijds geweten had, zou het vers nog wat langer hebben kunnen worden.”Het spreekt van zelve, dat de vrienden dit ook heel bejammerden; maar verwonderlijk is het, dat de belangrijke mededeelingen van de dames Champal het effect van eennarcoticumop hen hadden. Zij maakten hunne visite wat kort, om den nacht wat te verlengen.Den volgenden avond kwamen Pols en zijne reisgenooten, na eenen aangenamen stoomboot-togt over het lac Leeman, te Genève aan, en namen hunnen intrek in het beroemdeHotel des Bergues.1Lord Byron,Sonnet on Chillon, inThe Works of Lord Byron, vol. 4.—J.H.2Lord Byron,Childe Harold’s PilgrimageinThe Works of Lord Byron, vol. 2.—J.H.Hoofdstuk XXIV.Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl geschreven.Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite hem voor den geest terug te roepen, dien edelenGastgeberin hetFreyenhof, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde, en die zich eenmonumentum aere perenniusheeft opgerigt in de harten van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland, welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij, die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te zorgen,—die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,—en die in zijn pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen, zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.—Zoo was het vroeger in hetFreyenhofte Thun, maar zoo is het nu niet meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij erwel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht’s plan werd met een goeden uitslag bekroond, en hetHotel des Bergueste Genève verrees als eene eerezuil voor zijn genie.Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen, hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen; zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa, De Saussure, Necker,Rousseauen Bautte!En met dat al, wij rekenden ons verpligt van hetHotel des Bergueste spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève, noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het meer voor hen en de hooge bergketen in ’t verschiet aanbood. De vriendenverkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis, helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goeddineren een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware, waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd.In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun gezelschap zittende, den avond door te brengen.Torteltakbejammerde het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buitenGenèvede zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij tegen den avond, uit wanhoop op hetIle de Rousseauronddwalende, op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand vanMissEmma in de zijne gevoelde.Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: “En uw vriend is met mijne schoone landgenoot doorgegaan?”Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveeléclatgemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: “Hij is mij voor geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd.”De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij op vergenoegden toon: “Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven.”De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave zeer slechte dingen metMissCleford voorhad; dat Van Aartheim, door haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan.Voor het overige openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant, bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij, na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu eens het beeld van Jenny,dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine, dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten, maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat.Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden, wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen, zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje, zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde.De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse leverteene heerlijke afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige, dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was, op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en kostbaar moesten wezen.Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen, van waar men deGrotte de Balmeingaat. De ingang van dit hol is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan, huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt.“Hier,” zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, “had vóór twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis methet graf van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had:‘Honneur à l’immortel; mort au traitre.’ Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl hij bezig was deze woorden uit te wisschen. ‘Mort au traitre!’ riep Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. “Bereid u tot den dood,” voegde hij er bij; “want hier zult gij sterven.” Hudson Lowe bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik, om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in ’t boek geschreven had, met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit.”“Dat is verbazend belangrijk!” riep Pols.“Oui, le conte est fort bon,Il faut en rire.”neuriede Torteltak.“Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen,” zei de vrouw. “Voor in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad uitgescheurd is.”Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen.“’t Is een fatiguante tour,” zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen; “maar ’t is mooi.”“’t Zou mij heel wat meer bevallen,” zei Mijnheer Van der Wieken, die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond struikelde, “als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen.”Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men uit den duisteren nacht in de koudegrot, op den helderen dag in de liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de smaakvolle woningen van Maglan.Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd.“Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!—welk een genot!” riep Torteltak uit.“Hier te mogen sterven!” zuchtte Holstaff.“Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?” riep Van der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees.Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer.In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk geven. “Maar,” voegde hij er bij, “als Mijnheer van der Beek bij ons te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik Van der Wieken heet. Hij zou zoo’n grot op zijn buitenplaats laten aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor hebt ge maarde spinnende vrouwenden blaffenden hondin het boerenhuisje, enden Dominéin den Chineschen tempel te zien.”De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel, waar zij gedineerd hadden, wenddezich smeekend tot Torteltak, om zich een half uur langer rijdens te getroosten, enen passantte Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen; want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er het genoegen aan te danken, dat zijerde heerlijke ligging en de uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen, en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde, door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld, en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.—Het verwonderde de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig bekend is en zoo weinig bezocht wordt.Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen heen, en bereikte tegen het vallen van den avond dePrieurévan Chamounix.“Deze vallei is toch zeer merkwaardig,” zei Pierre Marie Payot tot de vrienden, die hij als gids naar den Montanvertgeleidde. “Het is dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit alle landen.”“Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien,” viel Van der Wieken in, “zoo als wij bij ons.”“Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt heeft als van mijn ongelukkigen broeder.”“Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!” riep Veervlug verrukt uit. “Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw broeder afgeloopen?”“Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood, toen hij hier terugkwam?”“Was het dan toch waarheid?” vroeg Veervlug. “Ik meende dat het tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal behoorde.”“Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven,” antwoordde de gids: “als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd.”“Is dat nu die fontein?” vroeg Van der Wieken, die de Fransche litteratuur tot op Florian had bijgehouden. “Is het anders niet dan dit straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt.”“Die groeijen zoo bij ons te land niet,” zeide de guide, die juist zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud:Marie Gabriel Payot,mort an 1833, a prai son retour dan Gleterre tombes aus es callié de la Couronne.Pierre Marie Payot,votre Guyde.“Ik geloof niet,” voegde hij er zuchtend bij, “dat hij van de trappen zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had; maar dit blijft onder ons.”Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest; maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet.Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de sneeuwvallei uit, in ongelijke massa’s opgehoopt, en tegenover u ziet gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee, in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold.Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar den hemel opsloegen.“Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?” riep Pols verbaasd uit.“Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?” vroeg hem Pierre Marie Payot.“Neen,” riep Van der Wieken; “want... Hemel, ziet gij dat daar voor u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is toch maar een ijsklomp.”Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een tour over deMer de Glace, en daarna, opgewonden door wat zij gezien hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug.En toen zij den volgenden dag over deTête Noiretot Martigny waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren, gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker deMer de Glacezou gesmolten zijn.

Hoofdstuk XXII.Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigenVan Aartheimhandelt.Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan de beeldschoone Anglaise uit hetHôtel Colbertdacht, en zich voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,—als hij beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om haar tot zulk een stap te doen besluiten,—dan kon hij bemerken, dat zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij, twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving.Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim’s wijze van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve tevreden was. “Ik ben zeer gelukkig,” schreef hij onder anderen, “dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan,door haar tot een stap te bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie, heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten verlaten,—dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,—en dat ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik totMissCleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten; maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig.” Hij eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met regt kwade vermoedens had opgevat.“Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem,” zei Pols, toen Torteltak den brief had voorgelezen.“Maar zij komt beroerd laat,” gromde De Morder.“Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn,” zei Pols, die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn noteerboekje niet voor zich had,waarop de boeten en kosten in een geregtelijk proces de grootste post waren; “ik zou dien Mijnheer Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch schijnt te praten.”“Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten,” merkte Torteltak aan; “ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken.”“Ik voorzie een ongelukkig einde,” zei Holstaff, “ik houd het er voor, dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt.”“Kom, kom!” zei Veervlug: “alles komt te regt. Ik stel mij liever voor, nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten al tot den begrafenispas exerceer.”Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten; want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: “Wij hebben toch alles gedaan wat wij vermogten.”SirWilliam Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen, waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannenmet haar had, was aanMissCleford duidelijk geworden, toen hij haar een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest; want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school derdébauchestot die betrekking gevormd, en de Franschman, die op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een, die na een welbesteden jeugd volgt.Wij zijn intusschen genoodzaaktMissCleford met haren minnaar aan hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld.

Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigenVan Aartheimhandelt.

Een zeer kort hoofdstuk, dat voornamelijk over den voortvlugtigenVan Aartheimhandelt.

Eene schaakhistorie kan onaangename gevolgen hebben; dit ondervonden onze vrienden. Maar dat er toch ook tallooze genoegens en veel genietingen aan verbonden zijn, meende Torteltak, schoon hij nooit geschaakt had, gerust te kunnen gelooven; en dus, als hij aan de beeldschoone Anglaise uit hetHôtel Colbertdacht, en zich voorstelde, hoe aardig Van Aartheim, die nu toch waarlijk bleek de schaker te zijn, den tijd met haar zou doorbrengen,—als hij beredeneerde, hoe sterk hare liefde voor zijn vriend moest wezen, om haar tot zulk een stap te doen besluiten,—dan kon hij bemerken, dat zijn hart niet alleen voor heel veel liefde, maar ook voor evenveel jaloezie vatbaar was. Dat hij zich, in hetgeen hij van hare liefde dacht, niet vergiste, maar wel in hetgeen hij van ongestoord geluk bij Van Aartheim veronderstelde, bleek hem uit een brief, dien hij, twee dagen na zijn vertrek uit Bern, te Lausanne ontving.

Hoewel nu dit schrijven veel licht over de zaak verspreidde, en dus voor den Bernschen Policie-Commissaris van het hoogste belang zou zijn geweest, bleef er over vele zaken, en vooral over Van Aartheim’s wijze van handelen, nog zoo veel duisters, dat Torteltak maar ten halve tevreden was. “Ik ben zeer gelukkig,” schreef hij onder anderen, “dat ik mijne geliefde heb kunnen redden van de gevaren, die haar bedreigden. Ik heb mijn pligt gedaan,door haar tot een stap te bewegen, die evenwel de oorzaak zal wezen, dat velen haar en mij zullen veroordeelen. Nu, daar ik haar steeds aan mijne zijde zie, heb ik daaraan een onuitsprekelijk genot te danken; maar het wordt vergald door het denkbeeld, dat ik haar spoedig weêr zal moeten verlaten,—dat ik door heilige pligten gedrongen word, wat mij het liefst op de wereld is, aan nieuwe gevaren bloot te stellen,—en dat ik haar, die zoozeer bescherming behoeft, de mijne moet onttrekken. Ik kan u in deze vlugtige oogenblikken niet meêdeelen, hoe al die zaken tot elkander in verband staan; maar dit moet ik u zeggen, dat ik totMissCleford in de naauwste betrekking sta, dat ik haar gedurende mijn vijfjarig verblijf in Engeland heb leeren kennen en dus moeten beminnen, en dat ik waarschijnlijk nu reeds haar gelukkige echtgenoot zou zijn, zoo niet de dood harer moeder haar onder de voogdijschap van een wreed, slecht mensch had gesteld. Helaas, dat ik niet kan voortgaan, zoo als ik begonnen ben, om mij tegen zijne schandelijke en willekeurige handelwijze te verzetten! Ik word hiertoe aan den eenen kant gedrongen door mijne lieve Jenny, die niets vuriger verlangt, dan zich, op welke wijze ook, van haren voogd te ontslaan, en die behalve dat bereid zou zijn, zich elke opoffering om mijnentwil te getroosten; maar aan den anderen kant... Helaas! ik ben zeer ongelukkig.” Hij eindigde zijnen brief met de vrienden tegen den Engelschman te waarschuwen, tegen wien hij had opgemerkt, dat Polsbroekerwoud met regt kwade vermoedens had opgevat.

“Die waarschuwing verzoent mij weêr geheel met hem,” zei Pols, toen Torteltak den brief had voorgelezen.

“Maar zij komt beroerd laat,” gromde De Morder.

“Ik wou toch dat ik den goeden jongen van dienst kon zijn,” zei Pols, die al de onaangenaamheden van Bern weêr vergat, en gelukkig zijn noteerboekje niet voor zich had,waarop de boeten en kosten in een geregtelijk proces de grootste post waren; “ik zou dien Mijnheer Lurgrave wel eens willen spreken. Ik geloof dat ik hem, door bedaard redeneren en door hem eens goed aan te tasten, wel tot betere gedachten zou kunnen brengen. Jammer maar, dat die kerel niets dan Engelsch schijnt te praten.”

“Ik vind dat Van Aartheim wat beter door moest tasten,” merkte Torteltak aan; “ik wou wel eens zien, als ik het met het meisje eens was, dat een voogd mij belette het doel mijner wenschen te bereiken.”

“Ik voorzie een ongelukkig einde,” zei Holstaff, “ik houd het er voor, dat wij onzen vriend voor het laatst gezien hebben, tenzij wij hem nog eenmaal aantreffen, door verraad omgebragt, terwijl de schoone Interlaaksche bij zijn lijk nederknielt.”

“Kom, kom!” zei Veervlug: “alles komt te regt. Ik stel mij liever voor, nog eens op zijne bruiloft te galopperen, dan dat ik nu mijne voeten al tot den begrafenispas exerceer.”

Het was jammer voor Van Aartheim, dat de goede wil zijner vrienden hem niet dienen kon; maar gelukkig, dat zij niet in de gelegenheid gesteld werden, om te beproeven wat zij bij Lurgrave vermogten; want het zou misschien in dezen gegaan zijn, zoo als het dikwijls in de wereld loopt: door al te groote lievigheid en zucht om ons van dienst te wezen, bereiden dikwijls onze vrienden, die weinig inzigt in de zaken hebben, en even weinig menschenkennis, den weg, die ons lijnregt naar den afgrond leidt; en als wij dan in de diepte zijn neêrgevallen, troosten zij zichzelven en ons met: “Wij hebben toch alles gedaan wat wij vermogten.”

SirWilliam Lurgrave was er niet direct de man na, om zich door den eerzamen Rotterdamschen burgerman te laten ompraten. De redenen, waarom hij het huwelijk zijner nicht met Van Aartheim belette, waren aan weinigen buiten hem bekend; maar dat hij andere plannenmet haar had, was aanMissCleford duidelijk geworden, toen hij haar een zwaar gekneveld Franschman als zijn vriend had voorgesteld, tot wien hij hoopte nog eenmaal in nadere betrekking te zullen staan. De verloopen vriend was evenwel voor Van Aartheim niet gevaarlijk geweest; want Jenny was niet bijzonder gesteld op een echtgenoot, in de school derdébauchestot die betrekking gevormd, en de Franschman, die op zijn dertigste jaar reeds afgeleefd was, kwam haar daarom niet achtingswaardiger voor. Zij behoorde tot die dames, die in haar gemaal minder ophebben met een prématuren ouderdom, dan met een, die na een welbesteden jeugd volgt.

Wij zijn intusschen genoodzaaktMissCleford met haren minnaar aan hun goed fortuin over te geven, en hopen dat zij hunnen vervolger steden ver achter zich zullen laten; want te Lausanne vinden wij in de aanteekeningen onzer vrienden nog niets naders omtrent hun lot vermeld.

Hoofdstuk XXIII.Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon moet verzuchten.De invloed van het ligchaam op den geest, en vice versa, behoort tot die dingen, die volstrekt niet meer in twijfel getrokken, maar toch veelvuldig betoogd worden. Het levert, even als de onsterfelijkheid der ziel en het pligtmatige der deugd, sinds eeuwen her, aan verhandelaars en schrijvers ruime stof, om veel in het midden te brengen, dat volkomen overeenkomt met hetgeen anderen reeds hebben gezegd. Het onderwerp is trouwens even zoo goed als een ander, in zoover het alleen dient om den schrijver of spreker te amuseren en te stichten; en vooral is het uitnemend geschikt, zoo als het ook heel veel gebruikt wordt, om tot inleiding te dienen, en den spreker of auteur op den weg te helpen, daar het, als het met het eigenlijke onderwerp niet in het minste verband staat, kan blijven liggen voor hetgeen het is.De invloed, dien de toestand des ligchaams op de stemming der ziel uitoefent, blijkt, zoo als onder alle omstandigheden, ook na het gebruik van een goeddiner. Als men heel gezellig en vrij lang getafeld heeft, als de verschillende zintuigen van gezigt, reuk en smaak aangenaam zijn gestreeld, en men door keur van spijs of drank eene behoorlijke voeding, vulling en verkwikking heeft bewerkstelligd, zonder daarin tot overladens toe te zijn voortgegaan, dan deelt de aangename toon, die in het ligchaam heerscht, zich ook aan de ziel mede, en hoewel in dientoestand de geest misschien niet tot bijzondere inspanning geschikt is, hij is vatbaar voor genot en ontvankelijk en gevoelig voor de indrukken, die zich aan hem voordoen.Het was na een goed diner inle Croix blanchete Vevay (en hier eindigt de inleiding van dit XXXIIIste Hoofdstuk), dat Pols en zijne vrienden zich op eene wandelingderrière l’aileaan het oostelijk gedeelte van het meer van Genève begonnen te oriënteren. Het was een heerlijke namiddag; het blaauw des hemels, hier reeds schoon, als de hemel van Italië, scheen in helderheid en doorschijnendheid met dat van de watervlakte te wedijveren; ongestoord wierp het licht, dat reeds begon naar het westen te dalen, zijne stralen op het meer, slechts aan het zuidelijk gedeelte door de schaduwen van het hoog gebergte bepaald. De koude der sneeuwtoppen in het verschiet scheen door de zachtheid der kleuren, waarvan zij schitterden, getemperd; en het duister der schaduw, die de groene heuvels digt aan den oever op het water wierpen, werd door lichtstralen, door de rotsopeningen heendringende, gebroken.Het verwondert u niet, wanneer gij in de lieflijke wandeldreven van Vevay dit heerlijk uitzigt geniet, dat de dichterlijke verbeelding van Jean Jacques hier de helden van zijnen roman ten tooneele voerde; ja het kost uwe minder dichterlijke verbeelding weinig moeite, als gij op deze door de natuur begunstigde plaats aan uwe linkerzijde Chillon en Clarens en tegenover u de rotsen van Meillerie ziet, ze wederom met die personen te bevolken, wier bestaan gij hier bijna niet in twijfel zoudt durven trekken, schoon gij ook zeker weet dat zij er nooit bestonden. “Allez à Vevay,” zoo beroept er zich de auteur zelf op,“visitez le pays, examines les sites, promenez vous sur le lac, et dites si la nature n’a pas fait ce beau pays pour une Julie, pour une Claire et pour un Saint Preux;—mais ne les y cherchez pas.”Onder den invloed van al dat schoon, dat zij zagen, enook van hetgene zij niet zagen, maar zich aan den leiddraad van Rousseau’s verbeelding voorstelden, maakten onze vrienden den tour over Clarens, Montreux, Chillon en Villeneuve naar Meillerie. Torteltak zocht met belangstelling naar het plaatsje, waar de beroemdste aller eerste kussen werd gegeven, en gevoelde zich sterk om hetzelfde effect te sorteren en even opgewonden te worden als de minnaar van Julie, zoo er maar eene even lieflijke dame te vinden was, die het met hem wilde wagen; Holstaff treurde op de rotsen van Meillerie, en gluurde even gevoelig en met hetzelfde succes, als de heer die er vroeger logeerde, naar den overkant van het meer; met diepen weemoed betastte hij zijn geluk, met dezelfde versierselen pronkende, die eens de trots en het gelaat van Saint Preux uitmaakten; maar helaas! hij had ze op de Fransche school overgeërfd, terwijl de ander ze aan deInoculation de l’Amourdankte. Beide, hij en Torteltak, werden minzaam maar ernstig door Pols aangevallen, die verklaarde, dat deNouvelle Heloiseeen heel overdreven boek was, en dat hij al die kunsten van den minnaar van Julie heel leelijke dingen vond, die niet te pas kwamen; dat hij nooit zoo ver had moeten gaan van haar zijne liefde te verklaren, ja zelfs dat hij haar nooit lief had moeten hebben; en dat hij, Pols, wel altijd zou oppassen, een meisje, dat hij toch nooit kon trouwen, zulke dingen in het hoofd te brengen. De Morder, schoon zich heel weinig interesseerende in de historie, kon toch niet nalaten tegen de koude berekenende nutbeoogers te ijveren, die, om den weg over den Simplon te repareren, de rotsen van Meillerie zoo jammerlijk hadden geschonden, en zich eenige niet zeer vleijende uitdrukkingen te veroorloven tegen de monniken van den Saint Bernard die het bosquet van Julie tot het tooneel eener houtveiling hadden vernederd.Het begon intusschen avond te worden; de zon was al tot eene redelijke diepte neergedaald, en de maan, diereeds eenigen tijd aan den hemel had post gevat, wachtte met haar gewone geduld het oogenblik af, waarop het licht des dags geheel zou zijn verdwenen om haar minder schoon maar toch lief en vriendelijk aangezigt over de aarde te doen lichten. Zij scheen niet jaloersch op de magt, die de koningin des dags over al wat leeft uitoefent, en den schittergloed, waardoor deze haar flaauweren glans overschenen en haar bijzijn naauwelijks deed vermoeden; evenmin als menig eene dier lieve, oudere zusters, die op weinig schoonheid kunnen roemen, en die, terwijl de beeldschoone jongste alsReine du Balde feestzaal rondzweeft, met kalmte en gelatenheid tapisserie maakt, totdat de vermoeide danser hare zuster eenen anderencavalieroverlevert, en aan hare zijde komt uitrusten. De vrienden, die tot St. Gingouph per rijtuig waren teruggekeerd, klommen hier af, om over het meer naar Chillon te worden gevoerd. Dat zij nog steeds in opgewonden stemming verkeerden, bleek aan de wijze, waarop zij zich tot de schippers wendden, en als eene gunst verzochten, in hunne vaartuigen de blaauwe wateren van het meer te mogen doorklieven, en de gereedheid, waarmede zij den hoogen prijs betaalden dien deze Savoyardsche natuurkinderen, in hunne naïve begeerte naar vreemd goud, eischten; daar zij het heiligschennis zouden hebben geacht, met de bewoners van dit aardsche Paradijs over een zoo nietig ding, als geld, te twisten.Wanneer in onze dagen reizigers het kasteel van Chillon binnentreden, dan bekommeren zij zich gewoonlijk weinig om het doel, waarmeê Amedeus IV het vóór zes eeuwen stichtte, en geven zij zich naauwelijks de moeite om op te merken, waarom het door zijne ligging en sterkte voor de Graven van Savoye van zooveel belang was. Met weinig opgewondenheid bezoekt men de ruime vertrekken, waar nog sporen der weelde en grootheid van het vorstelijk huis te ontdekken zijn, omdat men in de geheele reeks vanGraven en Hertogen minder belang stelt, dan in den edelen staatsgevangene, in wiens kerker men met weemoed vertoeft.“Chillon! thy prison is a holy place,And thy sad floor an altar—for ’t was trod,Until his very steps have left a trace,Worn, as if thy cold pavement were a sod,By Bonnivard!—May none those marks efface!For they appeal from tyranny to God.”1’t Was al vrij duister, toen ons reisgezelschap den trap naar den onderaardschen kerker afdaalde. Door de naauwe opening, hoog in den muur van het gewelf, drong evenwel nog juist zooveel licht door, als noodig was om al de akeligheid van het verblijf te vertoonen.“’tIs hier een beroerde inrigting voor een gevangenis,” zei De Morder: “je kunt waarachtig geen hand voor oogen zien.”“Ik vind het een allermelancholiekst verblijf,” zei Pols.“Kunt gij u begrijpen,” viel Veervlug in, “dat Bonnivald zich hier zes jaren heeft kunnen amuseren?”Holstaff stond reeds met de hand aan den ring, die den gevangene aan den pilaar had vastgekluisterd, en betastte de steenen zuil, door de wrijving der steenen uitgehold. Zijn medegevoel in het lot van Bonnivald was bij deze gelegenheid zoo sterk, dat hij later aan zijne vrienden verklaarde, in de vijf minuten, die hij aan dien pilaar doorbragt, al de smarten, angsten en verschrikkingen geconcentreerd te hebben gesmaakt, die de voorstander van Genève’s privilegiën en vrijheid in zes jaren gevoelde, en die “zijne hairen vergrijsden en zijn wenkbraauwbogen vergraauwden.”Ons reisgezelschap was evenwel niet het eenige in desouterrainvan Chillon. Een heer en twee dames waren eenige oogenblikken vroeger, geleid door de cipiersvrouw, neêrgedaald. De heer was een Geneefsch geleerde, van omtrent veertig jaren, waarvan hij er vijfentwintig onafgebrokenhad doorgebragt in het verzamelen vanbouwstoffenvoor een allerbelangrijkst werk over den grooten Johannes Calvinus, dat, behalve eene uitvoerige uiteenzetting van ’s mans handelingen met betrekking tot de Hervorming, ook een allerherderst licht zou werpen over zijne daden en lotgevallen, die daarmede niet in betrekking stonden. Twee jaren had hij besteed in onderzoekingen, of de groote man in den morgen of in den namiddag van den 10 Juli 1509 was geboren, en vervolgens had hij eene reis ondernomen, om uit te vorschen, welke de juiste ouderdom zijner moeder was, toen zij hem ter wereld bragt; iets dat hij, na zeven jaren omwandelens en voor 20,000 francs onkosten, thans met vrij groote waarschijnlijkheid wist te bepalen. Op die reis had hij echter, behalve deze belangrijke aanwinst voor de wetenschap, ook nog eene merkwaardige aanwinst voor zichzelven gedaan, daar hij juist te Nojon, in Picardye, een meisje had leeren kennen, dat hem geschikt voorkwam den roem met hem te deelen, dien hij zich door zijne geleerde schriften zou verwerven. Sedert zeven jaren was deze vrouw aan hem verbonden, en nog steeds naar de lauweren wachtende. Zij was hem in dien tusschentijd eene bijna even trouwe hulpe geweest, als wijlen de gade Trommii haren gemaal. Zij was eene dier lieflijken, die den pligt om haren echtgenooten hunne gebreken onder het oog te brengen, zoo ver drijven, dat zij hen van den morgen tot den avond met aantijgingen en verwijten overladen, en die meesterlijk de kunst verstaan, om op het pad harer geliefden de rozen zóó te strooijen, dat de doornen hun de voeten kwetsen moeten. Zij was ruim dertig jaren oud en niet misdeeld van schoonheid, hoewel op haar gelaat minder aantrekkende bevalligheid gevonden werd, dan wel een zeker iets, dat respect inboezemde en aanried, een betamelijken afstand te houden, en denken deed aan de triviale uitdrukking van katjes, die men niet zonder handschoenen moet aanraken.—Deandere dame, die bij dit gelukkige echtpaar behoorde, was eene nicht, een zacht jong meisje van achttien jaren, die door tante uit louter goedgunstigheid en medelijden was opgenomen, daar deze zich om harentwil de opoffering getroost had eene meid minder te houden, en die door den lieven toon, waarop zij bejegend werd, meermalen tot tranen toe werd geroerd, en alzoo tot de overtuiging kon komen, dat het zoogenaamd genadebrood geen droog eten is.“En was Bonnivard getrouwd?” vroeg de Geneefsche geleerde aan de cipiersvrouw.“Ik heb ten minste een romantisch verhaal gelezen,” antwoordde deze, “waarin vermeld stond van zijne gade, die van verdriet stierf.”De Geneefsche geleerde had op zijne lippen om te zeggen: “Dan had zijne gevangenschap ten minste ééne goede zijde!” Maar gelukkig hield hij het binnen, en zei liever: “Het was dan toch ook verschrikkelijk hard voor die vrouw!”“Ten minste als hij haar gelukkig maakte,” merkte zijne gade aan. “Daar zijn anders wel echtgenooten, wier bijzijn, eerder dan hun afzijn, hunne vrouwen in het graf zou helpen.”De geleerde glimlachte pijnlijk: “Dat zal wel zoo zijn, vrouwtje!”“Neen, dat zal zoo niet zijn, maar dat is zoo,” zei zijne beminnelijke wederhelft wier kenmerkende eigenschap was, dat zij bij tegenspraak boos werd, maar als zij niet werd tegengesproken, woedend.“Hebt u den naam van Byron al op den pilaar daarginds gezien,” vroeg Veervlug, die het papier in de handen hield, waarop hij in groote opgewondenheid de letters had nagetrokken.“Daar heb ik ten minste mijne oogen voor,” was het antwoord.Veervlug gebruikte de zijnen in deze oogenblikken om op zijn neus te kijken.“Ik dacht niet dat die Byron zoo beroerd leelijk schreef,” zei de Morder, het papier in handen nemende.“Wat leelijk!” riep zijn vriend verontwaardigd. “Is dat leelijk? had hij de letters dan in de zuil moeten beitelen, als een steenhouwersknecht het op een zerk doet? Is er niet juist genie in de scheefheid van die Y? In ieder der letters, zoo als zij daar staan, ligt een idée; wie eenigszins poëtisch gestemd is, kan er zijn geheel gedichtthe Prisonerin lezen.“Dat is juist als in de handteekening van Calvyn,” zei de geleerde. “Ik heb er te huis een, die zonder eenigen twijfel echt is; maar al wist ik niets van hem, dan dat hij deze letters geschreven had, zou ik overtuigd wezen, dat hij de grootste man van zijne eeuw geweest was. Als de heeren te Genève komen, noodig ik ze uit, om het eens te komen zien.”“Het zal mij aangenaam zijn, lieve,” viel de huisvrouw in, “als je niet zoo maar iedereen uitnoodigt, om wegens zulke nesterijen mijn huis te overloopen.”De lieve herhaalde zijne uitnoodiging niet, maar zeide: “Je hebt gelijk, goede vrouw! Hoe gaarne ik de heeren zien zou, ik heb het tegenwoordig nog al druk met mijn werk over den grooten Hervormer.”“Je weet heel goed, dat ik het daarom niet zeg,” antwoordde de goede: “jou getreuzel gaat mij niets aan; maar ik heb aan één man in mijn huis al meer dan genoeg.”Het kostte den gelukkigen gemaal bij deze gelegenheid heel veel moeite om over dit lieve gezegde te glimlagchen, en den vrienden heel weinig, om bij hun besluit van geene visites meer op reis te maken, te volharden.Daar komt aan alle genoegens een einde: dit ondervond Bonnivard, toen de Berners in 1536 zijnen kerker openden en zijne ketens losmaakten; dit ondervonden ook de tegenwoordigebezoekers van Chillon, daar een gendarme, uitmakende de helft der bezetting van het kasteel, kwam waarschuwen, dat het bijna negen uur was, en dat de poorten dan moesten gesloten worden. “’t Is de moeite naauwelijks waard om al die trappen af te klimmen,” zei de Morder, die al tweemaal geproponeerd had om heen te gaan.“Wil jij nog wat blijven?” zei Veervlug: “je kunt hier misschien wel logeren; het steenen bed van den gevangene ligt nog gespreid.”“Julie, waar zit je toch?” riep de gade van den geleerde.“Hier ben ik, tante!” zei Julie, die met Torteltak over het voor en tegen van gevangen zijn gesproken had, bij welke gelegenheid de jongeling iets heel aardigs had gezegd van zachtere en tevens sterkere boeijen, dan die uit ijzer waren gesmeed.“Je komt ook altijd achteraan,” zei de tante tot de nicht, die voor haar uit de trappen opging.De vrienden volgden; alleen Holstaff was nog zoo in gepeins verzonken, tegen de zuil leunende, dat hij niet scheen te bemerken, dat het gezelschap aftrok.“Kom dan toch, droomer!” riep Pols, terugkeerende en zijn vriend aan den arm trekkende.Doch naauwelijks had de vriend deze manoeuvre in het werk gesteld, toen hij op eens een dreigend gebrom vernam, en terstond daarop een allervervaarlijkste bulhond, die tot nu toe achter de cipiersvrouw had gestaan, tegen zich zag opspringen en de scherpte der tanden van dit vreeselijke dier in zijn vleesch boven den linker elleboog gevoelde.“Hemel, wat is dat?” riep de vriend verschrikt uit.“Die hond lijkt wel dol!” viel de cipiersvrouw in, terwijl zij het dier bij den halsband terugtrok. “U moet het mij niet kwalijk nemen, Mijnheer! maar hij is op den man geleerd, en daar u dien anderen heer bij den arm trokt...”“Wat zeg je daar, vrouw?” riep Pols verbleekende, daarhet epithetondol, op een hond toegepast, die hem zoo even eene bloedige wond had gebeten, hem niet geruststellend in de ooren klonk.“Waarlijk, Mijnheer! ik kan het niet helpen; anders is de hond zoo goed als een lam, maar sedert een paar dagen heb ik niets meer over hem te zeggen. Gisteren nog, toen ik met hem om het slot voer, springt hij in eens uit het bootje, in het diepste van het meer.“Als hij dan in ’s Hemels naam de watervrees maar niet heeft!” riep onze vriend, terwijl hij met afgrijzen het bloed zag, dat zijn lichtblaauw jasje reeds begon te verven. “Zegt mij, mijne vrienden! wat zal ik beginnen?”“Ik zou er maar een compres met azijn en water omleggen,” zei Torteltak, “dan zal het wel schikken.”“Wat beginnen zijne oogen raar te staan!” fluisterde Holstaff, zijne handen wringende, Veervlug in.“Drink een glas water,” zei deze, terwijl hij zijn vriend den trap naar boven op geleidde, “dan kunnen wij meteen eens zien, of gij de watervrees soms ook al hebt.”“Neen maar, zonder gekheid,” zei Pols, “die hond schijnt toch niet te wezen zoo als hij behoort.”“Hij heeft je ten minste onbehoorlijk gebeten.”“Ik weet wel, dat ik nog niet dol ben,” ging Pols voort, en zich vermannende, voegde hij er pijnlijk glimlagchende bij: “en ik weet wel, dat ik er niet razend van zal worden; maar zou je hier nergens van die Biltsche dranken kunnen krijgen? dat kan toch nooit kwaad.”Het viel evenwel den vrienden zeer moeijelijk om aan dezen wensch van Pols te voldoen, daar de gevraagde drank tot die soort van geheime geneesmiddelen behoort, wier uitwerking, volgens de verklaring der erfelijke eigenaars, allerheilzaamst is, maar die zeker, indien men, aan de inspraak der algemeene menschlievendheid gehoor gevende, ze algemeen bekend maakte, die heilzame kracht zouden verliezen.De kerker van Chillon.De kerker van Chillon.De raad van Torteltak omtrent het verband van azijn en water werd opgevolgd; de nicht van den geleerde stond met veel liefde haren fijnen linnen zakdoek voor ’t verband af, daar het roodgeruite katoentje van Pols evenmin als de foulards zijner vrienden kon dienen. Hare tante vond het evenwel gepast iets over de verregaande roekeloosheid van sommige dames te zeggen, die zeker rijk genoeg moesten zijn, om zoo maar een fijnen doek op te offeren, en tevens eene lieve aanmerking te maken over menschen, die niet veel behoefden te veranderen om voor dol te worden gehouden.“Als Hieronymus Bolzec nog leefde of Michaël Servede,” merkte de geleerde aan, “die zouden er wel raad voor weten; want zij waren zeer kundigemedici, schoon zij ook in ’t godsdienstige aan de allerverfoeijlijkste ketterijen schuldig stonden.”Het was geen wonder dat de Geneefsche theoloog deze namen zoo terstond bij de hand had, daar hij juist in deze dagen tot het hoofdstuk genaderd was, waarin over Johannes Calvini zachtzinnigheid en verdraagzaamheid gehandeld werd (de geleerde heer zou zijn werk onvolledig hebben geacht, indien hij zijnen held niet alle mogelijke deugden toekende), en waarin hij de opgemelde heeren, benevens Castalio, Ochinus en anderen, als baarlijke duivels had leeren kennen.“Je bent onverdragelijk, lieve!” voegde des geleerden vrouw hem toe, “met altijd over dien Calvijn en zijne vrienden te spreken. Wat weten die vreemde heeren van hem?”“Met uw verlof, vrouwtje! Servetus en die anderen kunnen niet direct gezegd worden, vrienden van Calvijn te zijn geweest.”“Maar uw beroemde landgenoot,” viel Veervlug in, “is ons in ’t geheel zoo onbekend niet, als Mevrouw veronderstelt. Wij zijn Hervormde Nederlanders, en in ons landkomen daarenboven veelsoortige boeken over de Hervormers uit. ’t Zou mij dus in ’t geheel niet verwonderen, als Calvinus nu ook aan een beurt lag. In allen gevalle, daar is bij ons veel over hem geschreven. Ik herinner mij, bij voorbeeld, nog een heel lief vers van Vondel: ’tdecretum horribile.”“’t Doet mij plaisir dit te vernemen,” zei de geleerde.“En ’t zal mij nog meer plaisir doen, als ik er geen woord meer over behoef te hooren,” viel zijne teedere wederhelft in, door deze phrase het gesprek over den Hervormer en alle de gesprekken, binnen de muren van Chillon gehouden, besluitende.Toen men aan den voet van het slot weêr in ’t schuitje stapte, was het geheel avond geworden. De maan wierp nu haren zachten en lieven glans over het meer, en scheen over ’t geheele landschap nog meer rust en kalmte te verspreiden, schoon ook de dag stil en zoel was voorbijgegaan. De maan doet zich eigenlijk zelden schoon voor, en als zij mooi is, dan is zij, zoo als Veervlug beweerde, kaarsmooi; maar toch trekt zij aan, toch is er iets zoets en liefelijks in haar aangezigt; maar zeker is haar effect heerlijk en aantrekkend, als zij met hare imposante kalmte, als beheerscheres der nacht, door glinsterende sterren gelijfstaffierd, van hoog uit de lucht op het meer van Genève neêrziet.Voor al de vrienden was het dus een verrukkelijk gezigt, toen zij, uit de duisternis van den kerker tot het licht terugkeerende, over het meer hunne oogen deden weiden. Torteltak haalde zeer gepast Byron’s woorden aan:“Lake Leeman woos me with its crystal face,The mirror where the stars and mountains viewThestillnessof their aspect in each trace,Its clear depth yields of their far height and hue.”2Alleen Pols, die in den wijdgeopenden stand zijner oogen, door den schrik veroorzaakt, te gelijk de maan enhetwater zag, werd er treurig door gestemd, en begon over het verband tusschen maanziekte en watervrees te peinzen.Het was reeds tien ure, toen men te Villeneuve aankwam, waar men dien nacht het kwartier besteld had. Voordat men zich evenwel ter ruste begaf, bragt men nog eene visite aan de familie Champal, die, tijdens het bezoek van Byron te Chillon wonende, gezegd wordt allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent den beroemden dichter te kunnen mededeelen.“Het is heel aangenaam voor ons,” zei de oudste der dames, van haren stoel afspringende en zich in hare volle lengte van ongeveer vier voeten vertoonende, “het is aangenaam en vereerend tevens, zoo naauw in aanraking te zijn geweest met den grooten man. Ik had hem de trappen af in den kerker geleid, en hij had den geheelen tijd met zijne gewone bescheidenheid en respect voor de sekse gezwegen,toenhij mij op eens minzaam bij den arm nam en verzocht hem alleen te laten.”“En toen hij terugkwam,” ging hare zuster voort, wier oogleden in plaats van met wimpers, met roode randen waren versierd, “toen stiet hij, in zijne dichterlijke gedachten verzonken, met zijn elleboog een tafelbord van den schoorsteen. Ik heb de scherven bewaard, en zou ze voor geen goud willen missen. Die lieve, groote man!”“Wij waren toen jonge meisjes,” zei de oudste, “mijne zuster vijfendertig en ik vierendertig; maar wij hebben niets van zijne losheid en ondeugendheid met vrouwen gezien. Dat is allemaal vast laster.”“Ziet eens hier, Mijnheeren!” zei de jongste; “kijkt eens goed naar dat portret.” Zij wees hun op een kop, met rood en zwart krijt geteekend, waarvan de trekken door grofheid en geesteloosheid uitmuntten: “die lieve man, als ik nog aan hem denk!”“Wien moet dat voorstellen?” vroeg Torteltak.“Wel, mijn zaligen broeder,” zei de oudste dameChampal; “die geleek bij zijn leven sprekend op Byron.”“Op Byron?” riep Veervlug in verbazing.“Ja toch, Mijnheer!” viel de jongste zuster in. “Wij vonden het allebei; maar eigenlijk niet zoo zeer in zijn gezigt en postuur, als wel in zijn gang. Mijn broeder trok ook zoo ’n beetje met zijn eene been, net als de lieve groote man.”“Dat is heel merkwaardig,” zei Pols.“Maar heeft Byron toen terstond zijn gedicht geschreven?” vroeg Torteltak: “nog in Chillon zelve?”“Neen,” was het antwoord; “van het schrijven heb ik niets gezien; maar ik heb anders het boek gedrukt in eigendom.”“Eén ding is maar jammer in dat vers,” zei de oudste zuster; “dat plagt altijd mijn zalige broeder te zeggen, die ook heel knap was. Hij heeft het gedicht alleen voorgelezen aan Mijnheer Hobhouse, en niet aan ons. Mijn broeder had hem anders van veel belang kunnen wezen: want Byron dacht, dat Bonnivard maar zes jaren had gevangen gezeten, en mijn broeder wist zeker, dat het er zeven waren. Als hij dit nu in tijds geweten had, zou het vers nog wat langer hebben kunnen worden.”Het spreekt van zelve, dat de vrienden dit ook heel bejammerden; maar verwonderlijk is het, dat de belangrijke mededeelingen van de dames Champal het effect van eennarcoticumop hen hadden. Zij maakten hunne visite wat kort, om den nacht wat te verlengen.Den volgenden avond kwamen Pols en zijne reisgenooten, na eenen aangenamen stoomboot-togt over het lac Leeman, te Genève aan, en namen hunnen intrek in het beroemdeHotel des Bergues.1Lord Byron,Sonnet on Chillon, inThe Works of Lord Byron, vol. 4.—J.H.2Lord Byron,Childe Harold’s PilgrimageinThe Works of Lord Byron, vol. 2.—J.H.

Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon moet verzuchten.

Waarin de lezer een geruimen tijd in het kerkerhol van Chillon moet verzuchten.

De invloed van het ligchaam op den geest, en vice versa, behoort tot die dingen, die volstrekt niet meer in twijfel getrokken, maar toch veelvuldig betoogd worden. Het levert, even als de onsterfelijkheid der ziel en het pligtmatige der deugd, sinds eeuwen her, aan verhandelaars en schrijvers ruime stof, om veel in het midden te brengen, dat volkomen overeenkomt met hetgeen anderen reeds hebben gezegd. Het onderwerp is trouwens even zoo goed als een ander, in zoover het alleen dient om den schrijver of spreker te amuseren en te stichten; en vooral is het uitnemend geschikt, zoo als het ook heel veel gebruikt wordt, om tot inleiding te dienen, en den spreker of auteur op den weg te helpen, daar het, als het met het eigenlijke onderwerp niet in het minste verband staat, kan blijven liggen voor hetgeen het is.

De invloed, dien de toestand des ligchaams op de stemming der ziel uitoefent, blijkt, zoo als onder alle omstandigheden, ook na het gebruik van een goeddiner. Als men heel gezellig en vrij lang getafeld heeft, als de verschillende zintuigen van gezigt, reuk en smaak aangenaam zijn gestreeld, en men door keur van spijs of drank eene behoorlijke voeding, vulling en verkwikking heeft bewerkstelligd, zonder daarin tot overladens toe te zijn voortgegaan, dan deelt de aangename toon, die in het ligchaam heerscht, zich ook aan de ziel mede, en hoewel in dientoestand de geest misschien niet tot bijzondere inspanning geschikt is, hij is vatbaar voor genot en ontvankelijk en gevoelig voor de indrukken, die zich aan hem voordoen.

Het was na een goed diner inle Croix blanchete Vevay (en hier eindigt de inleiding van dit XXXIIIste Hoofdstuk), dat Pols en zijne vrienden zich op eene wandelingderrière l’aileaan het oostelijk gedeelte van het meer van Genève begonnen te oriënteren. Het was een heerlijke namiddag; het blaauw des hemels, hier reeds schoon, als de hemel van Italië, scheen in helderheid en doorschijnendheid met dat van de watervlakte te wedijveren; ongestoord wierp het licht, dat reeds begon naar het westen te dalen, zijne stralen op het meer, slechts aan het zuidelijk gedeelte door de schaduwen van het hoog gebergte bepaald. De koude der sneeuwtoppen in het verschiet scheen door de zachtheid der kleuren, waarvan zij schitterden, getemperd; en het duister der schaduw, die de groene heuvels digt aan den oever op het water wierpen, werd door lichtstralen, door de rotsopeningen heendringende, gebroken.

Het verwondert u niet, wanneer gij in de lieflijke wandeldreven van Vevay dit heerlijk uitzigt geniet, dat de dichterlijke verbeelding van Jean Jacques hier de helden van zijnen roman ten tooneele voerde; ja het kost uwe minder dichterlijke verbeelding weinig moeite, als gij op deze door de natuur begunstigde plaats aan uwe linkerzijde Chillon en Clarens en tegenover u de rotsen van Meillerie ziet, ze wederom met die personen te bevolken, wier bestaan gij hier bijna niet in twijfel zoudt durven trekken, schoon gij ook zeker weet dat zij er nooit bestonden. “Allez à Vevay,” zoo beroept er zich de auteur zelf op,“visitez le pays, examines les sites, promenez vous sur le lac, et dites si la nature n’a pas fait ce beau pays pour une Julie, pour une Claire et pour un Saint Preux;—mais ne les y cherchez pas.”

Onder den invloed van al dat schoon, dat zij zagen, enook van hetgene zij niet zagen, maar zich aan den leiddraad van Rousseau’s verbeelding voorstelden, maakten onze vrienden den tour over Clarens, Montreux, Chillon en Villeneuve naar Meillerie. Torteltak zocht met belangstelling naar het plaatsje, waar de beroemdste aller eerste kussen werd gegeven, en gevoelde zich sterk om hetzelfde effect te sorteren en even opgewonden te worden als de minnaar van Julie, zoo er maar eene even lieflijke dame te vinden was, die het met hem wilde wagen; Holstaff treurde op de rotsen van Meillerie, en gluurde even gevoelig en met hetzelfde succes, als de heer die er vroeger logeerde, naar den overkant van het meer; met diepen weemoed betastte hij zijn geluk, met dezelfde versierselen pronkende, die eens de trots en het gelaat van Saint Preux uitmaakten; maar helaas! hij had ze op de Fransche school overgeërfd, terwijl de ander ze aan deInoculation de l’Amourdankte. Beide, hij en Torteltak, werden minzaam maar ernstig door Pols aangevallen, die verklaarde, dat deNouvelle Heloiseeen heel overdreven boek was, en dat hij al die kunsten van den minnaar van Julie heel leelijke dingen vond, die niet te pas kwamen; dat hij nooit zoo ver had moeten gaan van haar zijne liefde te verklaren, ja zelfs dat hij haar nooit lief had moeten hebben; en dat hij, Pols, wel altijd zou oppassen, een meisje, dat hij toch nooit kon trouwen, zulke dingen in het hoofd te brengen. De Morder, schoon zich heel weinig interesseerende in de historie, kon toch niet nalaten tegen de koude berekenende nutbeoogers te ijveren, die, om den weg over den Simplon te repareren, de rotsen van Meillerie zoo jammerlijk hadden geschonden, en zich eenige niet zeer vleijende uitdrukkingen te veroorloven tegen de monniken van den Saint Bernard die het bosquet van Julie tot het tooneel eener houtveiling hadden vernederd.

Het begon intusschen avond te worden; de zon was al tot eene redelijke diepte neergedaald, en de maan, diereeds eenigen tijd aan den hemel had post gevat, wachtte met haar gewone geduld het oogenblik af, waarop het licht des dags geheel zou zijn verdwenen om haar minder schoon maar toch lief en vriendelijk aangezigt over de aarde te doen lichten. Zij scheen niet jaloersch op de magt, die de koningin des dags over al wat leeft uitoefent, en den schittergloed, waardoor deze haar flaauweren glans overschenen en haar bijzijn naauwelijks deed vermoeden; evenmin als menig eene dier lieve, oudere zusters, die op weinig schoonheid kunnen roemen, en die, terwijl de beeldschoone jongste alsReine du Balde feestzaal rondzweeft, met kalmte en gelatenheid tapisserie maakt, totdat de vermoeide danser hare zuster eenen anderencavalieroverlevert, en aan hare zijde komt uitrusten. De vrienden, die tot St. Gingouph per rijtuig waren teruggekeerd, klommen hier af, om over het meer naar Chillon te worden gevoerd. Dat zij nog steeds in opgewonden stemming verkeerden, bleek aan de wijze, waarop zij zich tot de schippers wendden, en als eene gunst verzochten, in hunne vaartuigen de blaauwe wateren van het meer te mogen doorklieven, en de gereedheid, waarmede zij den hoogen prijs betaalden dien deze Savoyardsche natuurkinderen, in hunne naïve begeerte naar vreemd goud, eischten; daar zij het heiligschennis zouden hebben geacht, met de bewoners van dit aardsche Paradijs over een zoo nietig ding, als geld, te twisten.

Wanneer in onze dagen reizigers het kasteel van Chillon binnentreden, dan bekommeren zij zich gewoonlijk weinig om het doel, waarmeê Amedeus IV het vóór zes eeuwen stichtte, en geven zij zich naauwelijks de moeite om op te merken, waarom het door zijne ligging en sterkte voor de Graven van Savoye van zooveel belang was. Met weinig opgewondenheid bezoekt men de ruime vertrekken, waar nog sporen der weelde en grootheid van het vorstelijk huis te ontdekken zijn, omdat men in de geheele reeks vanGraven en Hertogen minder belang stelt, dan in den edelen staatsgevangene, in wiens kerker men met weemoed vertoeft.

“Chillon! thy prison is a holy place,And thy sad floor an altar—for ’t was trod,Until his very steps have left a trace,Worn, as if thy cold pavement were a sod,By Bonnivard!—May none those marks efface!For they appeal from tyranny to God.”1

“Chillon! thy prison is a holy place,

And thy sad floor an altar—for ’t was trod,

Until his very steps have left a trace,

Worn, as if thy cold pavement were a sod,

By Bonnivard!—May none those marks efface!

For they appeal from tyranny to God.”1

’t Was al vrij duister, toen ons reisgezelschap den trap naar den onderaardschen kerker afdaalde. Door de naauwe opening, hoog in den muur van het gewelf, drong evenwel nog juist zooveel licht door, als noodig was om al de akeligheid van het verblijf te vertoonen.

“’tIs hier een beroerde inrigting voor een gevangenis,” zei De Morder: “je kunt waarachtig geen hand voor oogen zien.”

“Ik vind het een allermelancholiekst verblijf,” zei Pols.

“Kunt gij u begrijpen,” viel Veervlug in, “dat Bonnivald zich hier zes jaren heeft kunnen amuseren?”

Holstaff stond reeds met de hand aan den ring, die den gevangene aan den pilaar had vastgekluisterd, en betastte de steenen zuil, door de wrijving der steenen uitgehold. Zijn medegevoel in het lot van Bonnivald was bij deze gelegenheid zoo sterk, dat hij later aan zijne vrienden verklaarde, in de vijf minuten, die hij aan dien pilaar doorbragt, al de smarten, angsten en verschrikkingen geconcentreerd te hebben gesmaakt, die de voorstander van Genève’s privilegiën en vrijheid in zes jaren gevoelde, en die “zijne hairen vergrijsden en zijn wenkbraauwbogen vergraauwden.”

Ons reisgezelschap was evenwel niet het eenige in desouterrainvan Chillon. Een heer en twee dames waren eenige oogenblikken vroeger, geleid door de cipiersvrouw, neêrgedaald. De heer was een Geneefsch geleerde, van omtrent veertig jaren, waarvan hij er vijfentwintig onafgebrokenhad doorgebragt in het verzamelen vanbouwstoffenvoor een allerbelangrijkst werk over den grooten Johannes Calvinus, dat, behalve eene uitvoerige uiteenzetting van ’s mans handelingen met betrekking tot de Hervorming, ook een allerherderst licht zou werpen over zijne daden en lotgevallen, die daarmede niet in betrekking stonden. Twee jaren had hij besteed in onderzoekingen, of de groote man in den morgen of in den namiddag van den 10 Juli 1509 was geboren, en vervolgens had hij eene reis ondernomen, om uit te vorschen, welke de juiste ouderdom zijner moeder was, toen zij hem ter wereld bragt; iets dat hij, na zeven jaren omwandelens en voor 20,000 francs onkosten, thans met vrij groote waarschijnlijkheid wist te bepalen. Op die reis had hij echter, behalve deze belangrijke aanwinst voor de wetenschap, ook nog eene merkwaardige aanwinst voor zichzelven gedaan, daar hij juist te Nojon, in Picardye, een meisje had leeren kennen, dat hem geschikt voorkwam den roem met hem te deelen, dien hij zich door zijne geleerde schriften zou verwerven. Sedert zeven jaren was deze vrouw aan hem verbonden, en nog steeds naar de lauweren wachtende. Zij was hem in dien tusschentijd eene bijna even trouwe hulpe geweest, als wijlen de gade Trommii haren gemaal. Zij was eene dier lieflijken, die den pligt om haren echtgenooten hunne gebreken onder het oog te brengen, zoo ver drijven, dat zij hen van den morgen tot den avond met aantijgingen en verwijten overladen, en die meesterlijk de kunst verstaan, om op het pad harer geliefden de rozen zóó te strooijen, dat de doornen hun de voeten kwetsen moeten. Zij was ruim dertig jaren oud en niet misdeeld van schoonheid, hoewel op haar gelaat minder aantrekkende bevalligheid gevonden werd, dan wel een zeker iets, dat respect inboezemde en aanried, een betamelijken afstand te houden, en denken deed aan de triviale uitdrukking van katjes, die men niet zonder handschoenen moet aanraken.—Deandere dame, die bij dit gelukkige echtpaar behoorde, was eene nicht, een zacht jong meisje van achttien jaren, die door tante uit louter goedgunstigheid en medelijden was opgenomen, daar deze zich om harentwil de opoffering getroost had eene meid minder te houden, en die door den lieven toon, waarop zij bejegend werd, meermalen tot tranen toe werd geroerd, en alzoo tot de overtuiging kon komen, dat het zoogenaamd genadebrood geen droog eten is.

“En was Bonnivard getrouwd?” vroeg de Geneefsche geleerde aan de cipiersvrouw.

“Ik heb ten minste een romantisch verhaal gelezen,” antwoordde deze, “waarin vermeld stond van zijne gade, die van verdriet stierf.”

De Geneefsche geleerde had op zijne lippen om te zeggen: “Dan had zijne gevangenschap ten minste ééne goede zijde!” Maar gelukkig hield hij het binnen, en zei liever: “Het was dan toch ook verschrikkelijk hard voor die vrouw!”

“Ten minste als hij haar gelukkig maakte,” merkte zijne gade aan. “Daar zijn anders wel echtgenooten, wier bijzijn, eerder dan hun afzijn, hunne vrouwen in het graf zou helpen.”

De geleerde glimlachte pijnlijk: “Dat zal wel zoo zijn, vrouwtje!”

“Neen, dat zal zoo niet zijn, maar dat is zoo,” zei zijne beminnelijke wederhelft wier kenmerkende eigenschap was, dat zij bij tegenspraak boos werd, maar als zij niet werd tegengesproken, woedend.

“Hebt u den naam van Byron al op den pilaar daarginds gezien,” vroeg Veervlug, die het papier in de handen hield, waarop hij in groote opgewondenheid de letters had nagetrokken.

“Daar heb ik ten minste mijne oogen voor,” was het antwoord.

Veervlug gebruikte de zijnen in deze oogenblikken om op zijn neus te kijken.

“Ik dacht niet dat die Byron zoo beroerd leelijk schreef,” zei de Morder, het papier in handen nemende.

“Wat leelijk!” riep zijn vriend verontwaardigd. “Is dat leelijk? had hij de letters dan in de zuil moeten beitelen, als een steenhouwersknecht het op een zerk doet? Is er niet juist genie in de scheefheid van die Y? In ieder der letters, zoo als zij daar staan, ligt een idée; wie eenigszins poëtisch gestemd is, kan er zijn geheel gedichtthe Prisonerin lezen.

“Dat is juist als in de handteekening van Calvyn,” zei de geleerde. “Ik heb er te huis een, die zonder eenigen twijfel echt is; maar al wist ik niets van hem, dan dat hij deze letters geschreven had, zou ik overtuigd wezen, dat hij de grootste man van zijne eeuw geweest was. Als de heeren te Genève komen, noodig ik ze uit, om het eens te komen zien.”

“Het zal mij aangenaam zijn, lieve,” viel de huisvrouw in, “als je niet zoo maar iedereen uitnoodigt, om wegens zulke nesterijen mijn huis te overloopen.”

De lieve herhaalde zijne uitnoodiging niet, maar zeide: “Je hebt gelijk, goede vrouw! Hoe gaarne ik de heeren zien zou, ik heb het tegenwoordig nog al druk met mijn werk over den grooten Hervormer.”

“Je weet heel goed, dat ik het daarom niet zeg,” antwoordde de goede: “jou getreuzel gaat mij niets aan; maar ik heb aan één man in mijn huis al meer dan genoeg.”

Het kostte den gelukkigen gemaal bij deze gelegenheid heel veel moeite om over dit lieve gezegde te glimlagchen, en den vrienden heel weinig, om bij hun besluit van geene visites meer op reis te maken, te volharden.

Daar komt aan alle genoegens een einde: dit ondervond Bonnivard, toen de Berners in 1536 zijnen kerker openden en zijne ketens losmaakten; dit ondervonden ook de tegenwoordigebezoekers van Chillon, daar een gendarme, uitmakende de helft der bezetting van het kasteel, kwam waarschuwen, dat het bijna negen uur was, en dat de poorten dan moesten gesloten worden. “’t Is de moeite naauwelijks waard om al die trappen af te klimmen,” zei de Morder, die al tweemaal geproponeerd had om heen te gaan.

“Wil jij nog wat blijven?” zei Veervlug: “je kunt hier misschien wel logeren; het steenen bed van den gevangene ligt nog gespreid.”

“Julie, waar zit je toch?” riep de gade van den geleerde.

“Hier ben ik, tante!” zei Julie, die met Torteltak over het voor en tegen van gevangen zijn gesproken had, bij welke gelegenheid de jongeling iets heel aardigs had gezegd van zachtere en tevens sterkere boeijen, dan die uit ijzer waren gesmeed.

“Je komt ook altijd achteraan,” zei de tante tot de nicht, die voor haar uit de trappen opging.

De vrienden volgden; alleen Holstaff was nog zoo in gepeins verzonken, tegen de zuil leunende, dat hij niet scheen te bemerken, dat het gezelschap aftrok.

“Kom dan toch, droomer!” riep Pols, terugkeerende en zijn vriend aan den arm trekkende.

Doch naauwelijks had de vriend deze manoeuvre in het werk gesteld, toen hij op eens een dreigend gebrom vernam, en terstond daarop een allervervaarlijkste bulhond, die tot nu toe achter de cipiersvrouw had gestaan, tegen zich zag opspringen en de scherpte der tanden van dit vreeselijke dier in zijn vleesch boven den linker elleboog gevoelde.

“Hemel, wat is dat?” riep de vriend verschrikt uit.

“Die hond lijkt wel dol!” viel de cipiersvrouw in, terwijl zij het dier bij den halsband terugtrok. “U moet het mij niet kwalijk nemen, Mijnheer! maar hij is op den man geleerd, en daar u dien anderen heer bij den arm trokt...”

“Wat zeg je daar, vrouw?” riep Pols verbleekende, daarhet epithetondol, op een hond toegepast, die hem zoo even eene bloedige wond had gebeten, hem niet geruststellend in de ooren klonk.

“Waarlijk, Mijnheer! ik kan het niet helpen; anders is de hond zoo goed als een lam, maar sedert een paar dagen heb ik niets meer over hem te zeggen. Gisteren nog, toen ik met hem om het slot voer, springt hij in eens uit het bootje, in het diepste van het meer.

“Als hij dan in ’s Hemels naam de watervrees maar niet heeft!” riep onze vriend, terwijl hij met afgrijzen het bloed zag, dat zijn lichtblaauw jasje reeds begon te verven. “Zegt mij, mijne vrienden! wat zal ik beginnen?”

“Ik zou er maar een compres met azijn en water omleggen,” zei Torteltak, “dan zal het wel schikken.”

“Wat beginnen zijne oogen raar te staan!” fluisterde Holstaff, zijne handen wringende, Veervlug in.

“Drink een glas water,” zei deze, terwijl hij zijn vriend den trap naar boven op geleidde, “dan kunnen wij meteen eens zien, of gij de watervrees soms ook al hebt.”

“Neen maar, zonder gekheid,” zei Pols, “die hond schijnt toch niet te wezen zoo als hij behoort.”

“Hij heeft je ten minste onbehoorlijk gebeten.”

“Ik weet wel, dat ik nog niet dol ben,” ging Pols voort, en zich vermannende, voegde hij er pijnlijk glimlagchende bij: “en ik weet wel, dat ik er niet razend van zal worden; maar zou je hier nergens van die Biltsche dranken kunnen krijgen? dat kan toch nooit kwaad.”

Het viel evenwel den vrienden zeer moeijelijk om aan dezen wensch van Pols te voldoen, daar de gevraagde drank tot die soort van geheime geneesmiddelen behoort, wier uitwerking, volgens de verklaring der erfelijke eigenaars, allerheilzaamst is, maar die zeker, indien men, aan de inspraak der algemeene menschlievendheid gehoor gevende, ze algemeen bekend maakte, die heilzame kracht zouden verliezen.

De kerker van Chillon.De kerker van Chillon.

De kerker van Chillon.

De raad van Torteltak omtrent het verband van azijn en water werd opgevolgd; de nicht van den geleerde stond met veel liefde haren fijnen linnen zakdoek voor ’t verband af, daar het roodgeruite katoentje van Pols evenmin als de foulards zijner vrienden kon dienen. Hare tante vond het evenwel gepast iets over de verregaande roekeloosheid van sommige dames te zeggen, die zeker rijk genoeg moesten zijn, om zoo maar een fijnen doek op te offeren, en tevens eene lieve aanmerking te maken over menschen, die niet veel behoefden te veranderen om voor dol te worden gehouden.

“Als Hieronymus Bolzec nog leefde of Michaël Servede,” merkte de geleerde aan, “die zouden er wel raad voor weten; want zij waren zeer kundigemedici, schoon zij ook in ’t godsdienstige aan de allerverfoeijlijkste ketterijen schuldig stonden.”

Het was geen wonder dat de Geneefsche theoloog deze namen zoo terstond bij de hand had, daar hij juist in deze dagen tot het hoofdstuk genaderd was, waarin over Johannes Calvini zachtzinnigheid en verdraagzaamheid gehandeld werd (de geleerde heer zou zijn werk onvolledig hebben geacht, indien hij zijnen held niet alle mogelijke deugden toekende), en waarin hij de opgemelde heeren, benevens Castalio, Ochinus en anderen, als baarlijke duivels had leeren kennen.

“Je bent onverdragelijk, lieve!” voegde des geleerden vrouw hem toe, “met altijd over dien Calvijn en zijne vrienden te spreken. Wat weten die vreemde heeren van hem?”

“Met uw verlof, vrouwtje! Servetus en die anderen kunnen niet direct gezegd worden, vrienden van Calvijn te zijn geweest.”

“Maar uw beroemde landgenoot,” viel Veervlug in, “is ons in ’t geheel zoo onbekend niet, als Mevrouw veronderstelt. Wij zijn Hervormde Nederlanders, en in ons landkomen daarenboven veelsoortige boeken over de Hervormers uit. ’t Zou mij dus in ’t geheel niet verwonderen, als Calvinus nu ook aan een beurt lag. In allen gevalle, daar is bij ons veel over hem geschreven. Ik herinner mij, bij voorbeeld, nog een heel lief vers van Vondel: ’tdecretum horribile.”

“’t Doet mij plaisir dit te vernemen,” zei de geleerde.

“En ’t zal mij nog meer plaisir doen, als ik er geen woord meer over behoef te hooren,” viel zijne teedere wederhelft in, door deze phrase het gesprek over den Hervormer en alle de gesprekken, binnen de muren van Chillon gehouden, besluitende.

Toen men aan den voet van het slot weêr in ’t schuitje stapte, was het geheel avond geworden. De maan wierp nu haren zachten en lieven glans over het meer, en scheen over ’t geheele landschap nog meer rust en kalmte te verspreiden, schoon ook de dag stil en zoel was voorbijgegaan. De maan doet zich eigenlijk zelden schoon voor, en als zij mooi is, dan is zij, zoo als Veervlug beweerde, kaarsmooi; maar toch trekt zij aan, toch is er iets zoets en liefelijks in haar aangezigt; maar zeker is haar effect heerlijk en aantrekkend, als zij met hare imposante kalmte, als beheerscheres der nacht, door glinsterende sterren gelijfstaffierd, van hoog uit de lucht op het meer van Genève neêrziet.

Voor al de vrienden was het dus een verrukkelijk gezigt, toen zij, uit de duisternis van den kerker tot het licht terugkeerende, over het meer hunne oogen deden weiden. Torteltak haalde zeer gepast Byron’s woorden aan:

“Lake Leeman woos me with its crystal face,The mirror where the stars and mountains viewThestillnessof their aspect in each trace,Its clear depth yields of their far height and hue.”2

“Lake Leeman woos me with its crystal face,

The mirror where the stars and mountains view

Thestillnessof their aspect in each trace,

Its clear depth yields of their far height and hue.”2

Alleen Pols, die in den wijdgeopenden stand zijner oogen, door den schrik veroorzaakt, te gelijk de maan enhetwater zag, werd er treurig door gestemd, en begon over het verband tusschen maanziekte en watervrees te peinzen.

Het was reeds tien ure, toen men te Villeneuve aankwam, waar men dien nacht het kwartier besteld had. Voordat men zich evenwel ter ruste begaf, bragt men nog eene visite aan de familie Champal, die, tijdens het bezoek van Byron te Chillon wonende, gezegd wordt allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent den beroemden dichter te kunnen mededeelen.

“Het is heel aangenaam voor ons,” zei de oudste der dames, van haren stoel afspringende en zich in hare volle lengte van ongeveer vier voeten vertoonende, “het is aangenaam en vereerend tevens, zoo naauw in aanraking te zijn geweest met den grooten man. Ik had hem de trappen af in den kerker geleid, en hij had den geheelen tijd met zijne gewone bescheidenheid en respect voor de sekse gezwegen,toenhij mij op eens minzaam bij den arm nam en verzocht hem alleen te laten.”

“En toen hij terugkwam,” ging hare zuster voort, wier oogleden in plaats van met wimpers, met roode randen waren versierd, “toen stiet hij, in zijne dichterlijke gedachten verzonken, met zijn elleboog een tafelbord van den schoorsteen. Ik heb de scherven bewaard, en zou ze voor geen goud willen missen. Die lieve, groote man!”

“Wij waren toen jonge meisjes,” zei de oudste, “mijne zuster vijfendertig en ik vierendertig; maar wij hebben niets van zijne losheid en ondeugendheid met vrouwen gezien. Dat is allemaal vast laster.”

“Ziet eens hier, Mijnheeren!” zei de jongste; “kijkt eens goed naar dat portret.” Zij wees hun op een kop, met rood en zwart krijt geteekend, waarvan de trekken door grofheid en geesteloosheid uitmuntten: “die lieve man, als ik nog aan hem denk!”

“Wien moet dat voorstellen?” vroeg Torteltak.

“Wel, mijn zaligen broeder,” zei de oudste dameChampal; “die geleek bij zijn leven sprekend op Byron.”

“Op Byron?” riep Veervlug in verbazing.

“Ja toch, Mijnheer!” viel de jongste zuster in. “Wij vonden het allebei; maar eigenlijk niet zoo zeer in zijn gezigt en postuur, als wel in zijn gang. Mijn broeder trok ook zoo ’n beetje met zijn eene been, net als de lieve groote man.”

“Dat is heel merkwaardig,” zei Pols.

“Maar heeft Byron toen terstond zijn gedicht geschreven?” vroeg Torteltak: “nog in Chillon zelve?”

“Neen,” was het antwoord; “van het schrijven heb ik niets gezien; maar ik heb anders het boek gedrukt in eigendom.”

“Eén ding is maar jammer in dat vers,” zei de oudste zuster; “dat plagt altijd mijn zalige broeder te zeggen, die ook heel knap was. Hij heeft het gedicht alleen voorgelezen aan Mijnheer Hobhouse, en niet aan ons. Mijn broeder had hem anders van veel belang kunnen wezen: want Byron dacht, dat Bonnivard maar zes jaren had gevangen gezeten, en mijn broeder wist zeker, dat het er zeven waren. Als hij dit nu in tijds geweten had, zou het vers nog wat langer hebben kunnen worden.”

Het spreekt van zelve, dat de vrienden dit ook heel bejammerden; maar verwonderlijk is het, dat de belangrijke mededeelingen van de dames Champal het effect van eennarcoticumop hen hadden. Zij maakten hunne visite wat kort, om den nacht wat te verlengen.

Den volgenden avond kwamen Pols en zijne reisgenooten, na eenen aangenamen stoomboot-togt over het lac Leeman, te Genève aan, en namen hunnen intrek in het beroemdeHotel des Bergues.

1Lord Byron,Sonnet on Chillon, inThe Works of Lord Byron, vol. 4.—J.H.2Lord Byron,Childe Harold’s PilgrimageinThe Works of Lord Byron, vol. 2.—J.H.

1Lord Byron,Sonnet on Chillon, inThe Works of Lord Byron, vol. 4.—J.H.

2Lord Byron,Childe Harold’s PilgrimageinThe Works of Lord Byron, vol. 2.—J.H.

Hoofdstuk XXIV.Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl geschreven.Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite hem voor den geest terug te roepen, dien edelenGastgeberin hetFreyenhof, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde, en die zich eenmonumentum aere perenniusheeft opgerigt in de harten van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland, welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij, die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te zorgen,—die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,—en die in zijn pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen, zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.—Zoo was het vroeger in hetFreyenhofte Thun, maar zoo is het nu niet meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij erwel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht’s plan werd met een goeden uitslag bekroond, en hetHotel des Bergueste Genève verrees als eene eerezuil voor zijn genie.Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen, hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen; zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa, De Saussure, Necker,Rousseauen Bautte!En met dat al, wij rekenden ons verpligt van hetHotel des Bergueste spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève, noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het meer voor hen en de hooge bergketen in ’t verschiet aanbood. De vriendenverkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis, helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goeddineren een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware, waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd.In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun gezelschap zittende, den avond door te brengen.Torteltakbejammerde het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buitenGenèvede zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij tegen den avond, uit wanhoop op hetIle de Rousseauronddwalende, op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand vanMissEmma in de zijne gevoelde.Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: “En uw vriend is met mijne schoone landgenoot doorgegaan?”Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveeléclatgemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: “Hij is mij voor geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd.”De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij op vergenoegden toon: “Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven.”De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave zeer slechte dingen metMissCleford voorhad; dat Van Aartheim, door haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan.Voor het overige openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant, bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij, na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu eens het beeld van Jenny,dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine, dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten, maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat.Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden, wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen, zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje, zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde.De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse leverteene heerlijke afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige, dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was, op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en kostbaar moesten wezen.Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen, van waar men deGrotte de Balmeingaat. De ingang van dit hol is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan, huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt.“Hier,” zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, “had vóór twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis methet graf van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had:‘Honneur à l’immortel; mort au traitre.’ Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl hij bezig was deze woorden uit te wisschen. ‘Mort au traitre!’ riep Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. “Bereid u tot den dood,” voegde hij er bij; “want hier zult gij sterven.” Hudson Lowe bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik, om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in ’t boek geschreven had, met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit.”“Dat is verbazend belangrijk!” riep Pols.“Oui, le conte est fort bon,Il faut en rire.”neuriede Torteltak.“Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen,” zei de vrouw. “Voor in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad uitgescheurd is.”Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen.“’t Is een fatiguante tour,” zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen; “maar ’t is mooi.”“’t Zou mij heel wat meer bevallen,” zei Mijnheer Van der Wieken, die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond struikelde, “als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen.”Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men uit den duisteren nacht in de koudegrot, op den helderen dag in de liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de smaakvolle woningen van Maglan.Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd.“Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!—welk een genot!” riep Torteltak uit.“Hier te mogen sterven!” zuchtte Holstaff.“Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?” riep Van der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees.Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer.In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk geven. “Maar,” voegde hij er bij, “als Mijnheer van der Beek bij ons te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik Van der Wieken heet. Hij zou zoo’n grot op zijn buitenplaats laten aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor hebt ge maarde spinnende vrouwenden blaffenden hondin het boerenhuisje, enden Dominéin den Chineschen tempel te zien.”De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel, waar zij gedineerd hadden, wenddezich smeekend tot Torteltak, om zich een half uur langer rijdens te getroosten, enen passantte Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen; want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er het genoegen aan te danken, dat zijerde heerlijke ligging en de uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen, en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde, door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld, en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.—Het verwonderde de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig bekend is en zoo weinig bezocht wordt.Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen heen, en bereikte tegen het vallen van den avond dePrieurévan Chamounix.“Deze vallei is toch zeer merkwaardig,” zei Pierre Marie Payot tot de vrienden, die hij als gids naar den Montanvertgeleidde. “Het is dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit alle landen.”“Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien,” viel Van der Wieken in, “zoo als wij bij ons.”“Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt heeft als van mijn ongelukkigen broeder.”“Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!” riep Veervlug verrukt uit. “Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw broeder afgeloopen?”“Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood, toen hij hier terugkwam?”“Was het dan toch waarheid?” vroeg Veervlug. “Ik meende dat het tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal behoorde.”“Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven,” antwoordde de gids: “als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd.”“Is dat nu die fontein?” vroeg Van der Wieken, die de Fransche litteratuur tot op Florian had bijgehouden. “Is het anders niet dan dit straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt.”“Die groeijen zoo bij ons te land niet,” zeide de guide, die juist zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud:Marie Gabriel Payot,mort an 1833, a prai son retour dan Gleterre tombes aus es callié de la Couronne.Pierre Marie Payot,votre Guyde.“Ik geloof niet,” voegde hij er zuchtend bij, “dat hij van de trappen zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had; maar dit blijft onder ons.”Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest; maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet.Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de sneeuwvallei uit, in ongelijke massa’s opgehoopt, en tegenover u ziet gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee, in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold.Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar den hemel opsloegen.“Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?” riep Pols verbaasd uit.“Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?” vroeg hem Pierre Marie Payot.“Neen,” riep Van der Wieken; “want... Hemel, ziet gij dat daar voor u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is toch maar een ijsklomp.”Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een tour over deMer de Glace, en daarna, opgewonden door wat zij gezien hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug.En toen zij den volgenden dag over deTête Noiretot Martigny waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren, gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker deMer de Glacezou gesmolten zijn.

Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl geschreven.

Geleidt de reizigers van Genève over Sallenches naar Chamounix en van daar naar Martigny, en is eenigzins in afgebroken journaalstijl geschreven.

Reizigers, die vóór eenige jaren Thun hebben bezocht, herinneren zich zeker met aandoening de aangename uren, die zij aan den edelen A. E. Rufenacht te danken hadden. Het kost hun gewis geene moeite hem voor den geest terug te roepen, dien edelenGastgeberin hetFreyenhof, voor den werkkring geboren, waaraan hij zijn leven wijdde, en die zich eenmonumentum aere perenniusheeft opgerigt in de harten van wie maar eén nacht onder zijn dak huisvestten, of eens aan zijne tafel aanzaten. Niemand hunner zal het tegenspreken, dat aan hem de eerste plaats toekomt onder zijne ambtgenooten in Zwitserland, welligt in de geheele bewoonde wereld; wien toch zou men kunnen aanwijzen, die zoovele kasteleinsdeugden in zich vereenigt, als hij, die zoo ieder het zijne weet te geven en tevens voor zichzelven te zorgen,—die zoo de kunst verstaat de zwakheden zijner begunstigers te vleijen, en die zijner onderhoorigen te straffen,—en die in zijn pogen om u het logementsleven zóó aangenaam te maken, dat gij vergeet in een hotel en niet bij vrienden te verkeeren, volkomen zou slagen, zoo hij zich niet verpligt rekende u bij het vertrek eene kleine Nota te overhandigen, die u van het tegendeel overtuigt.—Zoo was het vroeger in hetFreyenhofte Thun, maar zoo is het nu niet meer. Nog zal u de inrigting behagen van het hotel, nog zult gij erwel en op uw gemak wezen, maar hem, den edelen kastelein, zult gij er niet meer vinden. Rufenacht heeft Thun verlaten, en de directie van het etablissement aan Knoerr overgedragen. De werkkring was voor den grooten man te klein. Reeds lang had hij zwanger gegaan van een ontwerp, welks volvoering in het eerst aan onoverkomelijke zwarigheden onderhevig was; maar wat vermogten die bezwaren tegen zijn sterken wil en zijn ondernemenden geest? Rufenacht’s plan werd met een goeden uitslag bekroond, en hetHotel des Bergueste Genève verrees als eene eerezuil voor zijn genie.

Het gesticht van den gastvrijen Zwitser is belangrijk, en voor menschen van het vak de reis naar Genève overwaardig. Aanzienlijker personen kunnen het natuurlijk niet tot het doel van hunnen togt maken; neen, hunner is het, den dorst naar geleerdheid te voldoen, door de Akademie van Calvyn te bezoeken en de leerstoelen te bezigtigen, ja somtijds een geheel uur te wijden aan het opdoen van grondige kennis; hunner is het rondom het standbeeld van Jean Jaques te wandelen en in den stoel van Voltaire uit te rusten, en alzoo veel dieper in den geest dier auteurs in te dringen, dan die te huis hunne werken bestuderen; zij mogen hunne mechanische kennis vermeerderen door horlogieradertjes te zien slijpen en wijzerplaten polijsten. Hoeveel aangenamer en belangrijker zijn hunne souvenirs dan die men zich in gezelligen kring, onder vrolijke gesprekken, in het hotel vergadert! Hoe zoudt gij den naam van Rufenacht durven noemen, daar zij u spreken van Besa, De Saussure, Necker,Rousseauen Bautte!

En met dat al, wij rekenden ons verpligt van hetHotel des Bergueste spreken, omdat ons reisgezelschap, bij hunne aankomst te Genève, noch aan de schatten van geleerdheid en kunst dacht, die deze stad bevat, noch zelfs oogen had voor het heerlijke panorama, dat het meer voor hen en de hooge bergketen in ’t verschiet aanbood. De vriendenverkeerden in dien toestand, dien men zich, als men te huis aan reizen denkt, niet kan voorstellen, doch dien men op reis, helaas! meermalen leert kennen, waarin men minder gevoelig is voor al de schoonheden van natuur en kunst, dan voor een goeddineren een gemakkelijken fauteuil. Het is eene wel treurige, maar toch stellige waarheid, dat niet alleen het ligchaam uitgeput wordt, maar ook de geest te veel vermoeid en oververzadigd door de veelvuldige indrukken van schoonheid. Maar in zulk eene positie is het misschien best te doen zoo als ons vijftal deed. Zij etabliseerden zich in het hotel, en aten en dronken, alsof dit het eenig doel geweest ware, waarmede zij zich honderde uren van hunne woonplaats hadden verwijderd.

In deze stemming van opgewondenheid zou het sommigen der vrienden zeer aangenaam geweest zijn eenige hunner goede kennissen, vrolijker en minder vermoeid dan zij, te hebben mogen aantreffen, om, in hun gezelschap zittende, den avond door te brengen.Torteltakbejammerde het zeer, dat Van Aartheim het adres der Hunshows, die buitenGenèvede zomermaanden doorbragten, niet vóór zijn subiet vertrek aan hen had afgegeven. Aangenaam was hem dus de verrassing, toen hij tegen den avond, uit wanhoop op hetIle de Rousseauronddwalende, op eens zijnen naam hoorde noemen en de hand vanMissEmma in de zijne gevoelde.

Onze vriend brandde van verlangen om de Engelschen het gebeurde met Van Aartheim meê te deelen, en hij zocht reeds naar zachte termen om het gedrag van den jongeling in een niet al te ongunstig licht voor te dragen, toen Hunshow hem voorkwam: “En uw vriend is met mijne schoone landgenoot doorgegaan?”

Torteltak zag hem verbaasd aan; hij dacht niet dat het geval zooveeléclatgemaakt had en reeds in Genève bekend was; maar hij begreep er niets meer van, toen de Engelschman er bijvoegde: “Hij is mij voor geweest. Ik ben met hetzelfde plan naar Interlaken gereisd.”

De jongeling sloeg onwillekeurig het oog op Mevrouw Hunshow, maar zag niets van verstoordheid in hare blikken. Integendeel zeide zij op vergenoegden toon: “Van Aartheim heeft zeer edel gehandeld, en onze geheele familie zal er hem altijd erkentelijk voor blijven.”

De blikken der jonge dames bevestigden dit gezegde harer zuster. Torteltaks verbazing groeide meer en meer aan. Hij verzocht om nadere inlichtingen. Hij vernam evenwel niets anders, dan dat Lurgrave zeer slechte dingen metMissCleford voorhad; dat Van Aartheim, door haar aan zijne magt te onttrekken, dit plan had verijdeld, en daarin op de meestmogelijk kiesche manier was te werk gegaan.Voor het overige openbaarde Hunshow zijne vreugde dat hij den jongeling toevallig had leeren kennen, die zulke gewigtige diensten had bewezen aan de schoone Jenny, welke hij zijne lieve bloedverwant noemde, en bleek uit zijne discoursen, dat ook het tegenwoordig verblijf der vlugtelingen hem bekend was, schoon hij het niet geraden scheen te vinden, dit aan iemand te openbaren. Het was onzen vriend wel aangenaam zooveel tot regtvaardiging van zijnen voormaligen reisgenoot te hooren, in wien hij zich meende bedrogen te hebben; maar hij had, aan den anderen kant, bijna liever niets vernomen dan deze halve mededeeling, die zijne nieuwsgierigheid op eene zware proef stelde. Peinzend verliet hij, na een paar aangename uren in hun gezelschap te hebben doorgebragt, de Engelschen. Het zou hem moeielijk geweest zijn zichzelven rekenschap te geven van de gewaarwordingen, die in zijn binnenste oprezen. Hoe vriendschappelijk hij omtrent Van Aartheim gezind was, hij misgunde hem toch wel een weinig de naauwe betrekking, waarin hij tot de schoone Cleford stond; hij misgunde hem verder de toejuiching van de bevallige Emma. Waarom wist hij zelf niet; maar hij had oogenblikken, waarin hij zich verbeeldde verliefd te zijn, en in die oogenblikken stond hem nu eens het beeld van Jenny,dan eens dat van Emma, dan eens Ambrosine, dan weêr een ander landgenootje, voor den geest. Torteltak behoorde tot die menschen, die eenen schat van liefde in hun hart bezitten, maar van die soort, waarvan de bron misschien in eigenliefde en ijdelheid te zoeken is, en die dan ook, wat de gehalte betreft om duurzaam geluk aan te bieden, wel wat te wenschen overlaat.

Toen de reizigers hunne krachten weêr wat hersteld hadden, kwam de lust ook terug om verder te gaan. Nadat zij dus van Genève gezien hadden, wat hun behaagde of behagelijk was voorgekomen, namen zij een rijtuig aan naar Sallenches, om vandaar nog denzelfden dag naar Chamounix voort te reizen. Zij hadden bij deze gelegenheid het genoegen partij te maken met een Hollandsch heer, met wien Pols den vorigen avond aan de publieke tafel zeer gelieerd was geraakt, door een warm en hartelijk gesprek over het lieve en schoone Vaderland. Deze heer was Mijnheer Cornelis van der Wieken van Zaandam, trotsch op zijn naam, die al lang het eigendom zijner familie was; trotsch op zijne geboorteplaats, die hij als een door de natuur begunstigd plekje gronds beschouwde. Zijn goed gevuld ligchaam, zijne ruime, stevige en glanzende kleederen, zijne massief gouden overhemdsversierselen, zijn zwaar horlogie in drie kasten, en meer andere uiterlijkheden, deden vermoeden dat hij een welgesteld man was, en zoo het niet hollend met den man is achteruitgegaan, zou het ons zeer verwonderen, als de Prijsvraag over het verval van een en ander te Zaandam onlangs ten zijnen behoeve was uitgeschreven. De man was voor het overige zijn gezelschap wel waard; want behalve dat hij zeer onderhoudend over het houtzagen en olieslaan sprak, betaalde hij zijn zesde gedeelte in het rijtuig nog voordat men afreed, en vergenoegde hij zich met het zuidwesterhoekje, zoo als hij de plaats achteruit tegen den bok aan, noemde.

De weg naar Sallenches over Bonneville en Cluse leverteene heerlijke afwisseling van schoone gezigtspunten op. Het zachte schilderachtige, dat de omstreken van Genève aan de andere zijde hebben, neemt hier langzamerhand af, en maakt plaats voor woester en trotscher natuurtooneelen. Een der vrienden maakte de opmerking, dat hij nergens schooner boschpartijen gezien had; maar Mijnheer Van der Wieken deed hem opmerken, dat er veel te weinig zuiver regtopgaande stammen te vinden waren, en nam hieruit aanleiding om eene lofrede te houden op de Noorsche juffers en deelen en andere houtsoorten, waarvan hij eene belangrijke collectie te huis had. Hij loste overigens de bedenking van Pols, waarom deze landstreek zoo weinig bewoond was, op, door hem te doen opmerken, dat de grond ongeschikt was tot het aanleggen van kanalen, en dus de verhuizingen zeer moeijelijk en kostbaar moesten wezen.

Men zou zich onderweg niet lang hebben opgehouden zoo men zich niet verpligt had gerekend den achthonderd voet hoogen heuvel te beklimmen, van waar men deGrotte de Balmeingaat. De ingang van dit hol is vrij ruim; maar wanneer men eenige voetstappen is voortgegaan, huivert men bijna om verder door te dringen. Uw voet glijdt uit op den glibberigen ongebaanden grond; zware steenklompen boven u dreigen u te verpletteren, of, door achter u neêr te storten, den toegang tot de bewoonde wereld af te sluiten. In het midden der grot ontdekt uw oog eenen afgrond, die in een bodemloozen waterkolk eindigt.

“Hier,” zeide de vrouwelijke guide tot de reizigers, “had vóór twee jaren de ontmoeting plaats tusschen Hudson Lowe en Lascases en Bertrand. Deze laatsten kwamen in den namiddag in de grot, en zagen in het boek de naam van den Cipier van St. Helena. In woedende drift zochten zij hem op, en vonden hem bij deze versteening, waar Mevrouw Bertrand, een jaar vroeger eenige gelijkenis methet graf van Napoleon vindende, deze woorden geschreven had:‘Honneur à l’immortel; mort au traitre.’ Zij troffen Hudson Lowe aan, terwijl hij bezig was deze woorden uit te wisschen. ‘Mort au traitre!’ riep Bertrand en greep den Engelschman bij den kraag. “Bereid u tot den dood,” voegde hij er bij; “want hier zult gij sterven.” Hudson Lowe bragt verontschuldigingen in, en ik smeekte, half dood van schrik, om zijn leven. Ik bad den Franschman te bedenken, dat hij een moord zou begaan. De vrienden van Napoleon gaven aan mijn smeeken gehoor, en vergenoegden zich met hem te doen neêrknielen voor de beeldtenis van het graf, en vergiffenis te vragen aan de schim des Keizers. Daarna lieten zij hem zijn eigen naam, dien hij in ’t boek geschreven had, met eigen hand verbranden, en joegen hem voor zich de grot uit.”

“Dat is verbazend belangrijk!” riep Pols.

“Oui, le conte est fort bon,Il faut en rire.”

“Oui, le conte est fort bon,

Il faut en rire.”

neuriede Torteltak.

“Ik zal u de echtheid van mijn verhaal bewijzen,” zei de vrouw. “Voor in de grot heb ik nog het boek, en gij zult zien, dat er een blad uitgescheurd is.”

Torteltak kon bij zulke evidente bewijzen niet blijven twijfelen.

“’t Is een fatiguante tour,” zei Pols, toen zij den terugtogt aannamen; “maar ’t is mooi.”

“’t Zou mij heel wat meer bevallen,” zei Mijnheer Van der Wieken, die van tijd tot tijd over den ongelijken en glibberigen grond struikelde, “als zij hier een effen baan maakten en dien smerigen grond wat afschrobden. Bij ons zouden er die muren ook zoo haveloos niet uitzien. Een groen verfje zou ze heel wat opknappen.”

Men was weêr aan den uitgang der grot genaderd; en op eens was men uit den duisteren nacht in de koudegrot, op den helderen dag in de liefelijke natuur overgeplaatst. Van de hoogte van Balme zag men de vruchtbare landstreek in een licht, zoo als zich anders nooit aan het oog voordoet, schitterend en helder, en te gelijk zacht en blauw. Jammer dat de oogen zich weêr langzamerhand aan het licht gewenden, en alles dus weêr de gewone tinten verkreeg; maar toch het uitzigt was schilderachtig schoon over de frissche korenvelden door welig hout begroeid, en in het verschiet op den spitsen toren en de smaakvolle woningen van Maglan.

Het liefelijke dorp trok de aandacht van al de vrienden; maar het oog van den Zaandammer bleef strak op de korenvelden gevestigd.

“Hier met eene geliefde in den arm te mogen leven!—welk een genot!” riep Torteltak uit.

“Hier te mogen sterven!” zuchtte Holstaff.

“Is het niet of de grond met geboende matjes is belegd?” riep Van der Wieken uit, terwijl hij Pols de korenvelden in de vallei aanwees.

Pols stemde volkomen in met de opmerking van den Zaandammer.

In stille overpeinzing over alles wat men gezien had, vervolgde men den togt. Pols merkte nog eens met juistheid aan, dat men zulke dingen toch in Holland niet vond, en zijn Zaandamsche vriend moest hem gelijk geven. “Maar,” voegde hij er bij, “als Mijnheer van der Beek bij ons te Broek het zag, dan zoudt ge toch iets zien gebeuren, zoo waar ik Van der Wieken heet. Hij zou zoo’n grot op zijn buitenplaats laten aanleggen, want hij durft geld besteden voor wat moois; daarvoor hebt ge maarde spinnende vrouwenden blaffenden hondin het boerenhuisje, enden Dominéin den Chineschen tempel te zien.”

De vrienden hadden plan, om van Sallenches den naasten weg door te reizen naar Chamounix; maar een arm dienstmeisje uit het hotel, waar zij gedineerd hadden, wenddezich smeekend tot Torteltak, om zich een half uur langer rijdens te getroosten, enen passantte Saint Gervais een drankje af te geven, dat zij voor haren zieken minnaar had bereid. De schoone oogen van het meisje wekten bij onze vrienden menschlievendheid genoeg op, om zich dit voorstel te doen welgevallen. En waarlijk, zij hadden reden er zich over te verheugen; want behalve dat de zieke minnaar heel dankbaar was, hadden zij er het genoegen aan te danken, dat zijerde heerlijke ligging en de uitmuntende inrigting der baden van Saint Gervais door leerden kennen, en dat de ongunstige opinie, die zij na hun bezoek te Baden-Baden tegen alle badplaatsen hadden opgevat, eenigzins werd gewijzigd. Want hier ontsproot de heilzame bron niet, opdat de grond, die ze omringde, door menschelijke boosheid zou worden ontheiligd. Hier werden niet naast het gedenkteeken der Hemelsche goedheid, gedenkteekenen van wereldsche ondankbaarheid opgerigt. Hier werd het geneesmiddel, dat de natuur aanbood, niet door de weelde krachteloos gemaakt. Het was een zondagmiddag; de vrienden gingen de hoofddeur van het Badhuis in, en meenden weder eene courzaal te zien. Daar zagen zij de vromen neêrgeknield in het huis Gods, en hoorden zij den zegen des Hemels afsmeeken in het zacht gezang, dat lijdenden aanhieven. Eene kleine schaar was in de kerk en in de nabijzijnde vertrekken verzameld, en ook daar lag het Woord des Heeren opengeslagen.—Het verwonderde de vrienden niet langer, dat de badplaats Saint Gervais zoo weinig bekend is en zoo weinig bezocht wordt.

Langs den nu geheel ongebaanden weg reed men in de kleine ijzeren rijtuigen over rotsklompen en naast afgronden en door bergstroomen heen, en bereikte tegen het vallen van den avond dePrieurévan Chamounix.

“Deze vallei is toch zeer merkwaardig,” zei Pierre Marie Payot tot de vrienden, die hij als gids naar den Montanvertgeleidde. “Het is dan ook de bewondering en verrukking van alle reizigers, en wij zien op dit heerlijkste plekje der wereld de aanzienlijkste menschen uit alle landen.”

“Maar gij hebt toch Czaar Peter hier nooit gezien,” viel Van der Wieken in, “zoo als wij bij ons.”

“Dien juist niet, maar wel Alexandre Dumas; ik heb zelf de eer gehad zijn guide te zijn, schoon hij van mij zooveel melding niet gemaakt heeft als van mijn ongelukkigen broeder.”

“Zijt gij waarlijk de broeder van Gabriel Payot!” riep Veervlug verrukt uit. “Vertel mij dan toch eens het regte: hoe is het met uw broeder afgeloopen?”

“Hoe! hebt gij het verhaal dan niet gelezen, dat Mijnheer Dumas op mijn broeder gemaakt heeft van zijn reis naar Engeland en zijn dood, toen hij hier terugkwam?”

“Was het dan toch waarheid?” vroeg Veervlug. “Ik meende dat het tragisch eind een zuiver verdichtsel was, dat zoo bij het verhaal behoorde.”

“Ik zal u de waarheid met mijn eigen hand opschrijven,” antwoordde de gids: “als gij dan ook eens een boek schrijft, komt er mijn eigen handteekening in gedrukt; als gij maar niet zoo doet als Mijnheer Dumas, en mij vergeet. Hier zijn wij juist aan de bekende fontein van de schoone Claudine, die rijkelijk laat Mevrouw Belton wierd.”

“Is dat nu die fontein?” vroeg Van der Wieken, die de Fransche litteratuur tot op Florian had bijgehouden. “Is het anders niet dan dit straaltje, dat uit den grond opkomt? Men had er meer partij van kunnen trekken, als men er bij voorbeeld een bronzen walvisch op had gemaakt.”

“Die groeijen zoo bij ons te land niet,” zeide de guide, die juist zijn autograaph aan Veervlug overhandigde, van den volgenden inhoud:

Marie Gabriel Payot,mort an 1833, a prai son retour dan Gleterre tombes aus es callié de la Couronne.Pierre Marie Payot,votre Guyde.

Marie Gabriel Payot,mort an 1833, a prai son retour dan Gleterre tombes aus es callié de la Couronne.

Pierre Marie Payot,votre Guyde.

“Ik geloof niet,” voegde hij er zuchtend bij, “dat hij van de trappen zou zijn gevallen, als hij niet zooveel geld bij zich gehad had; maar dit blijft onder ons.”

Tot hiertoe was de weg gebaand en de opklimming gemakkelijk geweest; maar nu ging het verder langs smalle paden, door sneeuwvallen in de rotsen uitgehold. Van tijd tot tijd vertoonde zich in de openingen in het geboomte, dat bijna den geheelen berg bedekt, de schoone vallei van Chamounix, die tot in het midden der vorige eeuw door de omgevende bergketen van de bewoonde wereld afgescheiden en voor ieder menschelijk oog verscholen bleef; maar toch was het reeds vroeger een door de natuur begunstigd plekje, en toen de eerste bewoners in het dal neêrdaalden, vonden zij den grond bereid, en vruchtbaarder dan het land, dat zij verlieten. Sedert heeft de vallei een gansch ander aanzien verkregen, schoon er de weelde nog minder dan elders is doorgedrongen, en de natuur zich nog in hare eenvoudigheid voordoet.

Op den top van den Montanvert zijn de grasvelden welig, en de alpenrozen bloeijen er mild en overvloedig; maar ziet, op eens opent zich voor uwe oogen de grond, en ziet gij in een diepte neder, met ijs bedekt; zoover uw oog reikt, strekt zich ter linker en regter zijde de sneeuwvallei uit, in ongelijke massa’s opgehoopt, en tegenover u ziet gij steile bergtoppen, naakt en dor; het is als eene uitgestrekte zee, in het midden van een woedenden storm op een oogenblik tot ijs gestold.

Onze reizigers staarden in stomme verbazing dit treffend en majestueus schouwspel aan. Gewaarwordingen kwamen in hen op, die zij vroeger niet hadden gekend. Daar waren er, wie de tranen langs de wangen stroomden, en die hunne oogen van de zee beneden hen eerbiedig naar den hemel opsloegen.

“Je zoudt zeggen, waar komt al dat ijs zoo op eens van daan?” riep Pols verbaasd uit.

“Kent gij een sterker bewijs voor Gods almagt?” vroeg hem Pierre Marie Payot.

“Neen,” riep Van der Wieken; “want... Hemel, ziet gij dat daar voor u? Zoudt gij niet zweren, dat dit een oliemolen was, en ziet, het is toch maar een ijsklomp.”

Huiverend en niet zonder angst volgden de vrienden den gids op een tour over deMer de Glace, en daarna, opgewonden door wat zij gezien hadden, naar het hotel van Charlet en Simond in de vallei terug.

En toen zij den volgenden dag over deTête Noiretot Martigny waren voortgereisd en door een aanhoudenden regen doornat waren, gaf Pols zijne vrees te kennen, dat nu zeker deMer de Glacezou gesmolten zijn.


Back to IndexNext