Hoofdstuk XXXI.Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het geval was aan deneilwagen, die des namiddags ten vier ure uit Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen, toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten; dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en aarde, boven op de postkoets.De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat deeilwagennu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield, waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke landstreek, die al vruchtbaarderen bloeijender werd, hoe verder zij voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap, waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk; en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling, dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld, dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat hij toch well’enfant chéri des damesmogt genoemd worden. Bij Van Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename en gewigtige ontdekkingen te doen.Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen, die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van 8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever, tot hunne bestemming worden opgeleid.Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg, die meesterstukken uit deszelfs fabrieken?Paté de foie gras!gij zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzelwegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij zijt zacht,foie gras, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte.En toch, daar zijn er die u miskennen,foie gras! daar zijn er die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade, uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt niet hadden begrepen, wat het zegt,gekooktte worden.—Maar wie u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats aan hunnen disch in te ruimen.Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd, toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder; evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen, alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa, waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit, dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L, geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.)Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in hetHôtel de Paris, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren voor den geest. “Wel ja!” roept hij uit: “zij zijn het! Wie kan het ook anders wezen?”“Wie?” vroeg Van Aartheim, die naast hem zat.“Wel, Darmold en Emma, wie anders?” zegt Torteltak.“Hoe, wat?” zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: “hoe weet gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?” Dit was het begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te veel om op te noemen.“Wat! kent gij die ook al?” vroeg Torteltak. “Heeft zij bij u ook voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij zijne dochter was.”“Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold gezien?” vroeg Van Aartheim met drift.“Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd hebt.”“Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden, en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem te Constants en ik verzuim mijn kans.”“Dan moet ge ze hier beter waarnemen,” zeide Torteltak. “Garçon! waar logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?”“In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist hetdejeunergebragt.”“De Hemel zij gedankt!” riep Van Aartheim, en met ongewone drift sprong hij door de kamer rond.“Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?” zei Torteltak glimlagchende; “want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne schaakpartij wel genoeg.”Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt, niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hijdeeldehem toen in vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had, en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte.In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen, waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat hij niet veel tijd te verliezen had.“Hij komt of hij geroepen was!” zegt Darmold. “Verzoek Mijnheer hier te komen.”Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op zeer hoogen toon toe: “Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer VanAartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb.”“Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt haar in veiligheid te brengen.”“Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!”“Nooit!” zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid.“Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!” roept de Engelschman woedend.De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn.“Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!” zegt Darmold, zich omkeerende en hem strak aanziende: “ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke gezegden, ontraden.”Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: “Wie zijt gij, Mijnheer, die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat, die u niet aangaan?”“Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold.”De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en in stukken scheurt, roept hij uit: “In uwe magt ben ik niet; de bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd.”“Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt.”“Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!”“Dat kan er naar wezen, als het noodig is,” zegt de ander koel.“Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?” zegt Lurgrave, terwijl hij zijn partij angstig aanziet.“Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar vanMissCleford.”“Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op ’t schavot.”En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor de deur wacht.“Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer Darmold!” roept Van Aartheim uit.“Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij,” zegt de oude heer; “maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal nog heel wat moeite in hebben, de zaak metMissCleford in orde te brengen; want hij is listig en slecht.”“Maar mijne lieve moeder is gered,” riep Van Aartheim. “De Hemel zij gedankt!”Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest, en dat hij werkelijk alaccesgevraagd en dat dan ook verkregen had.“Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was,” zegt Torteltak verbaasd in zichzelven. “Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te wezen.” Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen, en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal ontmoeten, kunnen geschieden.Hoofdstuk XXXII.Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder.“’t Neêrland, Neêrland is ’t, dat in de rei der volken’t Gelauwerd hoofd verheft door ’t dundoek van de wolken,En tot Europa roept: “Het licht dat u bestraalt,De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald.De lievling der Natuur zag op mijn’ grond het leven!Ik kweekte uw’ Koster op! ’k heb hem aan de aard’ gegeven.”Met deze regelen heeft de Heer J.F. Helmers, die te Amsterdam, bij andere zaken, ook de dichtkunst waarnam anno 1804 de questie uitgemaakt, waar en door wien de Drukkunst werd uitgevonden. Hij laat het evenwel hierbij niet blijven; want nadat hij Haarlem verzocht heeft te juichen,“Juich, Haarlem, die hem ’t eerst’ mogt in uw’ arm ontvangen!Hem als een’ zuigeling zaagt aan uw’ boezem hangen!”gaat hij over tot de mededeeling der mirakelen, die bij de geboorte van den kleinen Koster plaats grepen; hoe de Natuur hem met een lach begroette, en hoe het Spaarne, meer trotsch, de kruin opstak; hoe ook de zwanen met opgestoken hals terstond driemaal de stad rondzwommen, slaande met de vlerken en schaterende van vreugd; en hoe de bladen in den Haarlemmerhout puur van wellust begonnen te fluiten en te gorgelen; en hoe de Lente op zulk eene gelegenheid gewacht had om te komen; en“Nooit steeg de Zonnegod met zulk een’ gloed ten wagen,En de uren, om zijn kar in ’t bloemgareel geslagen,Verspreidden als een’ vloed van rozen in den wind,En bloemen regenden op ’t wiegje van het kind.”Hij maakt echter geen gewag van den klopper voor de deur, die zeker ook wel opmerkelijk fraai zal zijn geweest. Te bejammeren is het, dat hij van de verbazing der goede Haarlemmers, en in het bijzonder van de oudelui Koster over al dat spectakel, geene andere melding maakt, dan in de woorden:“En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om.”Door een zamenloop van omstandigheden waren evenwel deze regelen in den jare 1837 nog niet te Maints bekend, en in deze gelukkige onwetendheid hebben onze Duitsche naburen met opgewondenheid het Gutenbergsfeest gevierd. ’t Is nu maar te hoopen, daar de zaak toch niet meer te verhelpen is, dat de gedichten van Helmers nooit in het Duitsch worden vertaald; want de inwoners vanMoguntinumzouden zeker dood confuus worden, en te laat doen, wat Vondel nog in tijds van hen eischte:“De Keurstadt kloppe op haer mont,Als Haerlem spreekt: de fiere RijnGeef d’eere aan ’t Sparen, met dien schijnVan Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter,En Gutenberghs geroofde letter.”Maar wat hier ook van zij, in den vroegen morgen van den 15denAugustus deden vijf Hollandsche jongelingen hun intrede in het “Stolze Maintz, von Rom gegründet,” en kwamen dus juist in tijds om te zien, hoe de Duitschers Laurens Janszoon Koster van Haarlem miskennen en verguizen. Het was wel hard, voor menschen, wie Neêrlandsch bloed door d’adren vloeide, van dit schandelijk feit getuigen te zijn; maar sommigen hunner kwam het nog harder voor, de stad, die er in haar feestelijken dos regt sierlijk en vrolijk uitzag, zoo maar terstond weêr te verlaten. Daarom besloten zij het doel der feestviering uit de gedachten te zetten, iets dat eigenlijk altijd bij zulke gelegenheden tweederde der zaamgevloeide menigte doet, en zoo veel moois te zien, en zooveel plaisir te hebben, als zij maar grijpen en vangen konden. En hiertoe werden zij al dadelijk in de gelegenheid gesteld; want zij hadden het genoegen, met pak en zak beladen, de gansche stad Maintz in alle rigtingen te doorkruisen, en aan alle logementen te vernemen, dat er zelfs voor geen muis meer plaats was, iets dat iedereen die uit de algemeene menschenliefde die tot kasteleins niet uitsluit, om den wil van dezen hartelijk aangenaam moet wezen. Het deed intusschen den vrienden wel leed, dat ook zij niet in de gelegenheid werden gesteld om degastgebersvoordeel te verschaffen, door etende en slapende geld te verteren; maar men had maar een blik op al de logementen te slaan, om te zien, dat zij van de vliering tot den kelder waren gevuld. In het eind arriveerden zij aan een hôtel veertienden rang. Hier waren zij gelukkiger; want de heer des huizes had nog juist gelegenheid om vijf personen te logeren op twee stoelen met kussens en drie dito met matten, in een soort van afgeschoten salon, of eigenlijk eenesuitevan de keuken.Hoewel nu zulk een apartement en zulke slaapplaatsen in gewone omstandigheden niet bijzonder naar den zin van reizigers zijn, in zulk een tijd is zoo iets nog eene verhooging van het genoegen: voor sommigen, die zich om die reden verpligt gevoelen den ganschen dag door te slenteren, en ook den nacht tot dag te maken; voor anderen, omdat zij naderhand, bij de opsomming van de genoegens, die zij gesmaakt hebben, ook zonder zich aan liegen te bezondigen, kunnen vertellen dat zij zich armelijk moesten behelpen, of in geen twee dagen een knie hebben gebogen. Voor onze vrienden had de situatie van dat apartementje, dat aan de andere zijde in het bureau uitkwam waar de juffrouw de notaas bijhield, dit nut, dat zij er een weinig door ingewijd werden in de logementsgeheimen. Zoo kwamen zij er in een half uur, dat zij met kleeden doorbragten,achter, hoe het toch komt, dat nooit iets, zelfs niet de geringste kleinigheid, op een nota vergeten is, daar de juffrouw, niet regt verstaande, of de koffij en het brood, dat naar boven gebragt werd, voor Nr.8 of 18 was, dezen post op beide rekeningen boekte. Te gelijk leerden zij doorgronden, waarom de knechts zoo dikwijls denken, dat er op eene andere kamer dan de uwe gescheld was, en dus niet komen voordat gij de manoeuvre een dozijnmalen herhaald hebt; want toen de schel van Nr. 4 herhaalde malen vervaarlijk klingelde, vergenoegde zich dekellner, wien deze schel aanging, met zoo lang te zeggen “wacht je beurt af,” tot hij op zijn gemak zijndejeunerhad gebruikt.Maar daar de vrienden niet bepaaldelijk te Maintz waren gekomen om zich met dit gewigtig onderwerp bezig te houden, haastten zij zich hun hôtel te verlaten, om in tijds op deLiebfrauplatzete wezen, waar de onthulling van het Gutenbergs monument zou plaats hebben; zij hadden het geluk eene uitmuntende staanplaats te verkrijgen, waar de trein, uit den Domkerk komende, hen moest passeren, en tevens door een paar uren wachtens hunne verwachting behoorlijk te spannen. Daar klinken op eens hoornen en trompetten; zij komen; daar is reeds de voorwacht, een aantal jolende knapen en deftig voortstappende kerels, met vuile buizen aan het lijf, en dito handen in den zak. Met uitgerekte halzen zien onze vrienden den optogt te gemoet; maar juist in dien oogenblik komen de kurassiers om plaats te maken en rust te bewaren, en deze heeren beginnen zulke vreemde manoeuvres met paarden en sabels tegen al de belangstellende vreemdelingen, dat iedereen een goed heenkomen zoekt. Pols en de zijnen bleven echter zeer vooraan, en hadden dus het genoegen, toen de trein passeerde en de kurassiers zich in linie van bataille schaarde, in zeer naauwe aanraking met verscheiden regimentspaarden te komen en een rij blinkende kurassen te aanschouwen.Dit was echter alles; zij zagen niets van denBurgemeister und der Gemeinderath, vandie Polizei-Commissäre und die Mitglieder des Literatuur-Vereins und der naturforschende Gesellschaft, geen enkele derBuchdrucker,Schriftgiesser,Buchhändler, en niet een der vele dozijnen Duitsche Vorsten, die allen in rokken, glinsterend door de nieuwheid van het laken of den rijkdom van het verguldsel, voor de kurassiers heentrokken.Wij zouden intusschen niet gaarne beweren, dat de teleurstelling onzer vrienden, die niets van den optogt gezien hadden, grooter was dan die der andere vreemdelingen, die het wel gezien hadden. Gewoonlijk toch valt zoo iets, waarvan een wijdloopig programma reeds dagen bekend is geweest, voor iemand, die zich goude galons en purper fluweel en veelkleurig laken, ook zonder het te zien, kan voorstellen, niet erg in de hand. Maar zeker is het, dat zij nu bewaard bleven voor het uiten van opinies omtrent de uitstekende schoonheid van dezen of genen rok, over het vreemde fatsoen der mutsjes, die de letterzetters op hun hoofd hadden, over de vriendelijkheid, waarmeê de burgemeester groette, en over meer dergelijke belangrijke zaken, waarmede men zich op de afgehuurde kamers, nadat de trein gepasseerd was, bezig hield.Maar toen nu al deze deftige personaadjes hunne eergestoelten hadden ingenomen, en het ook Pols en zijnen vrienden gelukt was, op de trappen der tribune plaats te krijgen, en de muziek ophield, nam de President derGutenbergs-CommissiondeRednerbühnein, en bragt eene groote rol papier te voorschijn, aan alle zijden volgeschreven, tot wanhoop van al die het zagen, en die het meenden te moeten aanhooren. Maar die wanhoop was te voorbarig; want de redenaar was niet wreed genoeg om zoo veel van hunne aandacht te vergen. Hij sprak zoo zacht, dat slechts drie à vier menschen, wier ooren bijna in aanraking met zijn mond kwamen, door zijne verhandelingslaperig werden; terwijl het al den anderen aanschouwers vrijstond, door welke middelen zij zelve verkozen, tot dien toestand te geraken. In minder dan twee uren sprak hij zijne geheele verhandeling uit, waarin hij het volgende had trachten aan te toonen: “Die Kunst, welche den Griechen und Römern verborgen blieb, brachte eines Deutschen erfinderischer Geist an das Licht, und alles, was die Alten und Neuen erdacht haben und wissen, haben sie jetzt nicht mehr für sich, sondern für alle Völker erdacht;”en toen hij dit bewezen had, boog hij, en het publiek applaudiseerde van vreugd, omdat het begreep wat die buiging beduidde, en de trompetten begonnen te schallen, en door het verbranden van het chemisch geprepareerd doek werd het Monument onthult, en allen die zamengevloeid waren om het te aanschouwen, begonnen te juichen, met uitzondering van drie individus, die door het verbazend gedrang onder den voet waren geraakt en vertrapt, en voor wie het dus jammer was, dat zij niet tot den volgenden dag gewacht hadden, om het beeld te gaan zien, dat waarschijnlijk vooreerst niet zou wegloopen, omdat zij het nu zeker nooit zouden zien.Toen nu deze plegtigheid zoo schoon en aandoenlijk was afgeloopen, en ook onze vrienden nog een geruimen tijd het heerlijk monument voor Gutenberg hadden aangegaapt, en Pols bij die gelegenheid gevraagd had, of het standbeeld in den Haarlemmerhout ook niet van Thorwaldsen was, begreep men elders fortuin te moeten zoeken. Dit fortuin zoeken beteekent eigenlijk op zulke feestdagen niets anders, dan al de uren, die niet aan openbare vermakelijkheden gewijd zijn, met flaneren doorbrengen, en zich door den prikkel van sterken drank in een betamelijk opgewonden stemming houden. Bij zulke gelegenheden merkt men eerst regt op, hoe nuttige inrigtingen koffiehuizen zijn, en hoe zeer men ze onregt doet, door ze niet bij de het een of ander schoons en edels bedoelende Gestichten of Maatschappijenop te sommen. Want waar wordt de vermoeide vreemdeling vriendelijker opgenomen? waar stelt men sterker en geestrijker maatregelen in het werk, om hem van geestdrift te doen gloeijen? waar hoort men ooit in opgewondener taal vaderlands- en vorstenliefde, en warm medegevoel voor al wat schoon en edel is, uiten? Als u dan de oogen schemeren, feestvierders, van al de vlaggen, die uit de huizen wapperen,—als uw mond lusteloos toevalt, van het aangapen van al de pracht en weelde,—als u de knieën knikken van de vermoeienis, die gij staande en loopende hebt opgedaan,—naar de koffiehuizen dan, naar de koffiehuizen! Ziet gij dien stoet daar uit de deur komen? Zij waren even uitgeput als gij thans; en welk een gloed is nu in hunne oogen! tot hoe vrolijk gejuich openen zich hunne lippen! hoe luchtig en sierlijk zwaaien zij u voorbij! Naar binnen dan, feestelingen! één glas, één bokaal, één toast, en gij zijt hun gelijk, en uwe insluimerende belangstelling voor het feest, tot welks viering gij u hier onder de vele duizende vreemdelingen hebt geschaard, zal weêr ontwaken.Dank zij deze maatregelen van voorzigtigheid, kwam ’s avonds het gezelschap van Polsbroekerwoud, zeer luchtig en vrolijk gestemd, voor de deur van het Maintzer Theater, en offerde met de grootste bereidwilligheid een aanzienlijk aantalThalers, om door vele kelen den lof van Gutenberg te hooren uitgalmen. Het was nog aan een bijzonder geluk te danken, dat zij werden binnengelaten, want reeds dagen te voren waren natuurlijk alle kaartjes opgekocht; maar daar men nu eerst vernomen had, dat er zestien Duitsche Vorsten minder zouden komen dan men gewacht had, werd een der voor hen bestemde loges aan de vrienden afgestaan, die daar nu op eene waardige wijze de Hollandsche Natie konden representeren.Weldra kwam het gewigtig moment. Tweehonderd heeren in ’t zwart en tweehonderd dames in ’t wit, metvierhonderd paar witte glacé handschoenen en vierhonderd bleeke gezigten, namen hunne plaats op het tooneel in. Op de voorste rij zetten zich vier andere heeren en ééne dame, in ’t zelfde kostuum als de vorigen, doch met een extra strik van lichtblaauw versierd, en iets meer pommade in ’t haar dan de anderen, waaruit bleek, dat zij Adolph von Nassau, Gutenberg,Der Kläger im Erzbischöflichen Gerichten Maria Faust’sTochtervoorstelden. De Orchestmeester had intusschen al zijnen onderhoorigen de noodige wenken gegeven; de instrumenten waren gestemd; met het tooverstokje werd op den lessenaar getikt, de arm in de hoogte gezwaaid, en in een oogenblik zwollen al de wangen der blazers op, al de armen der strijkers bewogen zich naar denzelfden kant. Het voorspel is geëindigd: Gutenberg staat uit zijn fauteuil op, manoeuvreert eenige oogenblikken met een schitterendefoularden op eens begint hij te zingen:“O lichte Mainz,” enz.en toen hij zesmaal zijn coupletje herhaald heeft, staan al de heeren op, en daverend klinkt het door de zaal:“O Stolze Mainz,” enz.maar naauwelijks hebben die heeren hunne vier regels uit, of Gutenberg begint weêr van voren af aan:“O lichte Mainz,”en eer hij nog een halven regel ver is, vallen de anderen weêr in:“O Stolze Mainz,”en zonder dat een der partijen het opgaf, zongen zij nu ieder om het hardst, totdat zij dood af waren, en weêr op hunne stoelen gingen zitten, waarop het publiek luid begon te juichen, en zeide dat de woorden en de muziek beiden heerlijk mooi waren.Maar naauwelijks gezeten, staan zij weêr op, en al de heeren zingen vragenderwijze:“Klang hier nicht noch eine Stimme?Steht nicht jemand dort im Dunkel?”waarop Faust begrijpt zich met het geval te moeten bemoeien, en ook opstaande, zingt:“Halt! Wer bist du? Nenne dich!”En nu staat ook Gutenberg weêr op, en galmt uit!“Gutenberg—Du kennst mich, Faust!”waarop deze beide heeren aan het redeneren raken, en elkander herhaalde malen dezelfde tweeregelige vragen en antwoorden toevoegen, totdat ook de dame met den blaauwen strik er bijkomt, en voor de variatie een aria zingt.De eerste afdeeling liep ten einde. Het geraas en geweld nam steeds toe, en ook onze vrienden waren reeds half doof, toen Pols, die intusschen zijne oogen over het schoone publiek had laten weiden, op eens een gil geeft, en zijn buurman in den arm knijpt. Het eerste werd gelukkig niet opgemerkt; want juist bulderde het koor met vreeselijke kracht:“Du taufst das Kind im Traume;Du taufest das Metall.”Maar het laatste, dat ongelukkig een stalmeester van een regerend Vorst getroffen had, werd met een zeer barsch gezigt achtervolgd en met de vraag: “Wat beteekent dat?”“Ik vraagje excus, Mijnheer!” zegt Pols, “maar ik zag een neef en nichten van mij zitten.”“Als je dan nog meer familie ziet, verzoek ik je aan den anderen kant te knijpen.”En Pols maakte bij zichzelven de opmerking, dat die heer heel kwalijknemend was en zeker weinig familiezwak had; maar toen nu eindelijk “das Kind im Traume getaufet was,” en er een moment van stilte volgde, nam Pols deze gelegenheid waar, om zijn bovenlijf over de balie der loge te buigen, en te kugchen en te hemmen, om deaandachtte trekken van de familie Blumengarten, die schuins tegenover hem in een andere loge zat; en toen dit nogniet gelukte, haalde hij zijn geruiten zakdoek voor den dag en begon te wuiven, en te gelijk rond te zien, waarover het publiek toch zoo lachte. Maar zijnvondsthad effect: de familie Blumengarten knikte neef toe, en nicht wenkte zelfs, dat hij bij hen moest komen, waarop Pols eenige kamerheeren en kamerdienaren bijna omverliep en de corridor doorsnelde, om zijne familie op te zoeken. Van descèneder ontmoeting werd evenwel de aandacht van het publiek afgetrokken, omdat de tweede afdeeling begonnen was, en de heeren met nieuwen moed aanhieven:“Du taufst das Kind im Traume;Du taufest das Metall;An deines Mantels SaumeLiegt friedenreich das All.”Het ware voor Pols en zijne familie te wenschen geweest, dat zij elkander wat later in den avond ontmoet hadden; want zij kregen het zoo druk met praten, dat de heerlijkste stukken van het Oratorium voor hen verloren gingen, en onze vriend was zoo oplettend voor zijne jonge nicht, dat hij geene oogen had voor de tweehonderd zangeressen, die onder aanvoering van Maria ook zeer aan het galmen raakten. Hij begreep niets van het discours tusschen denKurfürsten denKläger, dat toch ook heel mooi was. Hij merkte naauwelijks of erAriososofChörewerden uitgevoerd; en eerst toen al de heeren en dames op het tooneel opstonden, en hunne laatste krachten inspanden, voor het“Dreimal gesegneteStimmen der Scheidenden,Stimmen der BleibendenPreisen dich laut, du gewallige Mainz!”en toen daarna een applaudissement volgde, zoo luid, dat een aardbeving hare inferioriteit zou hebben moeten toegeven, begreep hij, dat het einde dáár was van een zeer aangenaam doorgebragten avond.De familie Blumengarten en Polsbroekerwoud schenen elkander goed bevallen te zijn; althans den volgenden daghaalde onze vriend zijne bloedverwanten af, om de volksfeesten bij te wonen. Dit soort van amusement viel geheel in den smaak dier goede menschen; zij lachten zich dood, terwijl de Mainzers van de smalle gemeente allerlei vergeefsche sprongen maakten, om den hangende aal te vangen; zij juichten van plaisir bij hetSchifferstechen, en gilden het uit van pret bij denEntenfang. Hiertoe droeg bij, dat de oude heer volstrekt niet hield van op een droogje te zitten, en dus verscheiden flesschen goeden wijn liet ontkurken. Pols glom van genoegen, en verklaarde, zijne jonge nicht helder aanziende, dat hij wel alle dagen zulke feesten zou willen vieren; waardoor hij toonde volstrekt niet meer boos te zijn, dat Maintz zich een regt aanmatigde het welke deze stad in het geheel niet toekwam.Het gevolg van dit alles was, dat toen Pols gearmd met zijn jonge nichtje, deallgemeine Illuminationin de stad en op de rivier bezigtigde, na zeer vele belangrijke aanmerkingen gemaakt te hebben over schoone sterren, door groene en gele en roode en blaauwe lampions verlicht, en over het sierlijke van latten met glaasjes om een geheel raam, en over licht in zulke vierkante, poort- en kolomvormige gedaanten, als alleen de kunst kan voortbrengen, geheel uitgepraat, misschien alleen om het discours op een anderen boog te wenden, begon te zeggen:“Lieve nicht Caroline, ik ben niet heel jong meer.”“Dat is waar, neef!” antwoordde Caroline.“En ook niet schoon.”De nicht zei niets, maar knikte toestemmend.“Ik ben niet rijk.”“Zoo!” zei Caroline.“Maar ik heb toch een aardig stuivertje geld.”“Dat is altijd een groot geluk!” merkte nicht aan.“En ik wou, dat gij met mij deeldet.”“Maar, neef! hoe kom je nu zoo? ik heb immers volstrekt geen geld noodig.”“Je begrijpt me niet, lieve nicht!” zei Pols: “ik wou nog meer. Ik heb wel eens gedacht, om te trouwen!”“Wel dat is goed!” zei Caroline, schoon toch eenigzins bevende, misschien door eene verwonderlijk sterkeDevinationsgabebegrijpende, waar het heen wilde. En toen voegde zij er bij: “Daar zijn vast in Holland meisjes genoeg.”“Ja,” zei Pols, “maar geen een zoo lief als jij!”“Heere, neef! wat praat je rare dingen!”“Ja, maar, lieve nicht! ik moet het je nu maar zeggen. Ik ben sinds gisteren avond zoo raar, en al sedert verleden maand, toen ik je voor het eerst zag. Je zoudt me een groot plaisir doen, als gij met mij trouwen wildet.”“Maar neef Joachim! ik ken u nog zoo weinig.”“Ach! noem mij niet meer neef, maar alleen Jochem; en als ge met mij trouwt, zult gij me wel beter leeren kennen.”Toen zei het meisje een heel langen tijd geen woord, maar keek voor zich op den grond, en Pols begreep, dat hij nu een voetval zou moeten doen, maar het was zoo schrikkelijk vol op de straten, dat hij er geen plaats toe vond. In het eind, toen Pols haar zoo in de hand kneep, dat zij er misschien pijn van kreeg, zei het meisje:“Maar, neef! spreek er dan eens met papa en mama over.”Toen zei Pols verrukt: “O mijne geliefde! noem mij dan maar eens bij mijn naam.”En het meisje zeide, hoog blozende: “Jochem!” Maar juist toen onze vriend haar in verrukking de hand wilde kussen, kwam er een voetzoeker, door een jong en dartel Maintzenaartje afgestoken, tusschen zijn mond en haar hand, en Pols riep uit: “Dat is verduiveld onaangenaam!” en het meisje: “Foei! is dat schrikken!”De jongeling bragt zijn meisje zeer zedig naar haar logement, en toen hij afscheid van haar had genomen, verzocht hij de oude lieden nog een woordje, en legdezijn belangen bloot. Neef en nicht vonden de propositie zeer vereerend; maar daar zij zich verpligt gevoelden, eerst de noodige informatiën te nemen, beloofden zij, zoo spoedig zulks geschieden kon, hun antwoord schriftelijk te zullen meêdeelen.En toen Pols bij zijne vrienden terugkwam, deelde hij hun mede, dat zijne nicht Caroline een engel was, en hij hoopte hun spoedig nog iets te zullen meêdeelen, maar wat dat was, zouden zij nooit kunnen raden.Hoofdstuk XXXIII.Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het titelvignet voorstelt.Daar zijn weinig zintuigen, die den menschen over het algemeen meer geld kosten, dan de smaak. Het ligt toch in de menschelijke natuur, om ze allen ten behoorlijken, en soms ook ten onbehoorlijken tijde in gelegenheid te stellen, om gestreeld te worden. Nu kan men de overige zintuigen nog al eens gratis het een of ander genoegen verschaffen. Het gezigt, bij voorbeeld, verlustigt zich kosteloos in een schoon landschap, op eene gepaste wijze door de zon verlicht, of, zoo dit niet in zijngenrevalt, in den windwijzer op de nieuwe Willemspoort te Amsterdam en de klok, waarvan de plaat, voor de variatie, in plaats van den wijzer ronddraait. Het gehoor wordt even kosteloos gestreeld, als de nachtegaal zijne minneliederen kweelt, of als de Secretaris van de pui van het stadhuis afleest. De genietingen des reuks in de geuren, die de bloemen des velds of de grachten (burgwallen) der hoofdstad uitwasemen, behoeven nooit te worden betaald, evenmin als die van het gevoel, bij de aanraking van een paar malsche lipjes (ieder heeft toch wel één paar in zijne familie), of van stuifzand, dat zich van den straatweg in het menschelijk oog verplaatst. Maar nu de smaak! Ik bid u, welke amusement kunt gij dit zintuig verschaffen, waarbij niet te gelijk uwe beurs in het spel komt? Een dikke, vochtige mist is misschien het eenige, dat zich tot dit doel geheel belangeloos bij u aanmeldt, daar hij aan den smaak vanstervelingen die gewaarwordingen meêdeelt, welke buiten hem slechts Soester knolletjes vermogen op te wekken. Maar ook dit genoegen is slechts weggelegd voor weinigen, die de daartoe vereischte gelukkige en beminnelijke habitude hebben van altijd met een open mond te wandelen; ieder ander is genoodzaakt dagelijks van zijn rijkdom of zijne armoede ten offer te brengen, om niet door de blijken van ontevredenheid zijns smaaks te worden gekweld.Meestal is het de overtuiging en ondervinding hiervan, die velen zoo hevig doet ijveren tegen de genietingen, die men den smaak bereidt, en laag doet neêrzien op dezulken, die daarvoor nu en dan nog wel eens wat over hebben, terwijl dezelfde menschen veel verdraagzamer zijn omtrent de amusementen der overige zintuigen. Het denkbeeld “het genot is kort, en ieder voorwerp kan slechts eenmaal dat genot verschaffen” doet gewoonlijk dien ijver ontbranden en die minachting geboren worden. Bij de minsten dezer berispers komt het ooit op, dat deze genietingen de meest dierlijke, ja soms niets dan dierlijk zijn.Zonder zich echter in eenig opzigt met deze of dergelijke bespiegelingen in te laten, bestelden Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den top van den Johannisberg gekomen, eene flesch goudlak, en zonder zich aan den onmatig hoogen prijs van deze genieting te ergeren, savoureerden zij den eêlsten en beroemdsten van alle Rijnsche wijnen. Het spreekt dan ook van zelve, dat zij met zekeren eerbied de gevulde glazen opnamen, en deze op de reis naar den mond een kleinen omweg lieten maken langs den neus, die van hetbouquetgenieten moest, en dat toen reeds de vrienden elkander veelbeteekenend toeknikten; ook dat toen de eerste teug in aanraking kwam met het verhemelte, eene soort van verrukking allen aangreep, zoo als ieder, die den duren kabinetswijn proeft en betaalt, gevoelt, of zich althans verpligt rekent te gevoelen. Het is opmerkelijk, dat eene flesch van dezen wijn, die toch waarlijk zooveelkrachtiger niet is dan andere fijne Rijnwijnen, in staat is om een geheel gezelschap tot een hoogen trap van verheuging op te voeren, en dat reizigers, die voor een paar flesschen Bourgogne niet staan, na het gebruik van twee glazen Schloss-Johannisberger-kabinet-goudlak, wel weergaas goed gevoelden, dat zij wat gedronken hadden. Te meer nog verdient het de aandacht, dat de keldermeester als er wat veel bezoekers van den berg zijn, zich vaak genoodzaakt ziet een zeer gewonen ligten Rijnwijn in die goudlakflesschen op te disschen, en dat de verrukking en het bedwelmend effect altijd dezelfde blijven.Wat hier ook van zij, onze vrienden geraakten bij het gebruik van twee flesschen in eene vrolijk opgewonden stemming, zoo zelfs, dat Pols het meisje, dat licht voor de sigaren bragt, tweemaal vriendelijk toeknikte, en daarna zachtjes onder de kin streelde, waarop Torteltak aanmerkte, dat zijn vriend aanmerkelijke vorderingen had gemaakt in de kunst van minnekozen.“Ik hoop er wel spoedig in volleerd te worden,” dacht Pols; doch hij zeide het niet, want zoolang de zaak van zijn engagement nog niet gedecideerd was, had hij besloten het diepste stilzwijgen te bewaren. Maar hij zag er geen gevaar in, zichzelven op te wiegen in vrolijke verwachtingen en hoop op geluk, als hij met zijne Caroline in den Oppert zou wonen, en hij haar gedurig zou verrassen, door wekelijks het houtvlotje van nieuwe bloemen te voorzien, en door zelf beste springlevende visch van de markt te halen. Hoe lief zouden zij daar zamen in de tuinkamer zitten—zij in den gemakkelijken stoel van zijn vader, hij op een stoofje aan hare voeten! Hoe zouden zij zich daar verbeelden buiten te wonen, als de geur der bloemen hun van het houtvlot tegenwoei, terwijl de leeuwerik en de vinken in kooijen sloegen en kweelden! Hoe veel vergoeding zou dit alles aan zijne jonge vrouw geven, die om hem haar schoon land verliet, en hoe verheugde hethem, dat hij juist daar woonde, waar hij, als zijne lieve van hare Rijn dweepte, met billijken trots op de Rotte kon wijzen, die langs zijn huis haren arm tot aan de boerenvischmarkt uitstrekte! Neen, zoo gelukkig was hij nooit geweest; zooveel geluk kon Mijntje hem niet geven, hoeveel zij ook van hem hield. En zelfs met Leentje, de dochter van den droogist uit Utrecht, die zoovele weken bij zijne nicht Van Schalen had gelogeerd, had hem zijn huis zulk een tempel vanhuwelijksgelukniet kunnen worden. Het is waar, hij had dit Leentje meenen te beminnen; hij had zelfs bij den ouden droogist om hare hand aangehouden: maar hoe koel was dat antwoord geweest, dat zij hem wel hoogachtte, maar niet tot eene eerlijke verkeering met hem kon besluiten! Een nacht had hij er niet van kunnen slapen, schoon ook Mijntje, om hem over het verlies van dat meisje te troosten, zulke heerlijke varkenskarbonaden voor hem gebraden had. Maar hij had spoedig leeren inzien, waarom het meisje niet bevallen kon. Zij wilde hooger op; zij moest schitteren in de wereld; en daarom gaf zij kort daarna hare hand aan een tweeden Luitenant bij de Infanterie.Hoeveel beter dan deze was zijne tweede liefde!Carolinewas nietcocquet, niet zoo ijdel; zij was naif, onschuldig, teerder; zij had hem uit achting haar hart geschonken; hij haar uit achting en liefde zijn hand aangeboden. Deze verbindtenis moest gelukkig wezen. Het was hier geheel anders toegegaan, dan met dezulken, die onder de hedendaagsche jongelieden op een bal gesloten worden, waar de liefde uit een wals geboren wordt, en waarvan de zinnelijkheid door gedurig herhaalde genietingen wordt onderhouden. Neen, hij had zijne beminde leeren kennen in de vrije natuur op een concert; hij had het eerstontdekt, dat hij haar liefhad, bij een hartverheffend oratorium; hij had zijne plannen gevormd, om met haar gelukkig te zijn, terwijl zij zich zamen onder onschuldigevolksspelen verlustigden, en bij eene vertrouwelijke avondwandeling hadden zij elkander hunne liefde beleden. Hij kende haar alzoo onder verschillende omstandigheden; hij had haar ook in den huiselijken kring gadegeslagen, toen hij met zijne vrienden bij de Blumengartens soupeerde. Zoo dus zulk eene liefde niet de bron werd van ongestoord huwelijksgeluk, dan kon er nooit huwelijksgeluk op de wereld bestaan.Onder den invloed van deze en dergelijke redeneringen, die allen tot dezelfde gelukkige resultaten leidden, volgde Pols zijne vrienden, die luidruchtig, vrolijk en dartel den berg afhuppelden, als wilden zij aan de geheele wereld toonen, dat zij niet maar voor de leus, of om het uitzigt, naar boven geklommen waren. Maar om aan den anderen kant te toonen, dat zij niet ongezind waren, om ook met andere wijnen kennis te maken, hielden zij stil voor de kleine herberg in het dorp, en riepen den kastelein toe, hun eene flesch Johannisdorfer voor de deur te brengen.Een paar boomen, voor het huis geplaatst, waarschijnlijk niet om binnen beschutting te geven tegen de brandende zon, iets waarvoor de kleine tralievenstertjes genoegzaam zorgden, maar meer, om door zekere kunstige leiding een prieel na te bootsen, boden den warmen reizigers eene koele rustplaats aan. De bewoners van de herberg schenen hieraan evenwel geen behoefte te gevoelen; want een driejarig knaapje zat, met een houten kolonel in de armen, zich in de hitte des middags te verlustigen, en zocht zich misschien daardoor schadeloos te stellen voor het gebrek aan waschwater, waarvan zijn gezigtje, handjes en beentjes duidelijke sporen droegen; de magere hond, met gesloten oogen den kop vooruitstekende, ving de stralen op, die de zon dien kant verkoos uit te zenden; en zelfs de dikke kastelein, met wien de vrienden een praatje maakten, plaatste zich zoodanig, dat het bladerrijk geboomte hem niet al de warmte ontroofde.“Wat een heerlijk land bewoont ge hier toch!” zei Veervlug, nadat hij eene poos zijne oogen had laten weiden over den schoonenRheingegend, naar den kant van het nabijgelegen Bingen en Rüdesheim.“Dat schikt wel genoeg,” zei de kastelein, “ten minste voor deze streken. ’t Zou evenwel anders mijne verkiezing niet wezen.”“Ge schijnt niet heel gemakkelijk te voldoen,” zei de ander. “Laat eens hooren, waar zoudt gij het dan zoeken?”“Wel, ik koos het liever beneden Keulen, of nog lager. Het liefst van allen was ik in Holland.”“Dat is ook een best land,” zei Pols, in triomf zijne vrienden aanziende.“Men heeft er ten minste beter, wat een mensch toekomt,” ging de kastelein voort: “maar dat heb ik hier ook; ik moet niet klagen. Maar, weet ge, het land is daar meer zoo als het behoort; ik wil zeggen, dat het er vlak en effen is, en dat ge er zoo met geen bergen te worstelen hebt.”“Benijdt ge ons daarom?” riep Veervlug; “ik wou hartelijk, dat ge ons daarover beklaagdet. Het is misschien het eenige, dat mijn vriend in Holland anders zou wenschen; niet waar, Pols?”“En waarom?” zei onze vriend, die in dit gezegde al iets revolutionnairs meende op te merken: “wij hebben immers bij ons de duinen; en als ge iets uit de hoogte wilt zien, kunt ge op een toren klimmen.”“Ge hebt een mooi land, Mijnheer!” viel de kastelein in: “ik ken het door en door; ik ben er menigmalen met de kar met glaswerk geweest. Ik vraag je, waar vindt ge in heel Duitschland zoo’n schoonen weg, als tusschen Gouda en Rotterdam, zoo effen en vlak, en waar men alles om zich heen ziet, juist zoo als het is. Ik vraag je, wat hebben wij aan al die bergen? Niets dan last en ongemak. Waarlijk, een mensch is niet op dat klimmen gemaakt;dan moest hij een ander fatsoen hebben, en niets zoo regtstandig. Ik weet wel, dat ik het niet zeggen mag, maar ik begrijp mij niet, waar al die bergen voor dienen, behalve voor de steenbokken en de eekhorentjes. Maar het minst van allen begrijp ik mij, wat al die reizigers er aan vinden, die als katten tegen die bergenopklauteren; want wat ze van al die ruime gezigten praten, dat is voor de vaak; een mensch kan maar één ding te gelijk zien; en de rest ziet er allemaal in de verte heel anders uit, dan het is. Ik zie liever de zaken in haar natuurlijken staat.”“Ge moet volstrekt eens in Leyden komen, vriendje, en daar, ’s avonds bij het quadrilletafeltje inde Paauw, wat gaan zitten koeteren. Ge doet daar zeker opgeld; ’t is of ik een van dat partijtje hoor praten,” zei Torteltak. “Maar ik vind toch je land zoo kwaad niet, en daar groeit betere wijn, dan bij ons tusschen Gouda en Rotterdam. Vooral die van uw buurman, boven op den berg, is uitmuntend.”“Daar hebt ge ’t alweêr,” zei de kastelein. “Nu is die wijn boven weêr beter; dat komt van die bergen. Nu doe ik en een ander evenveel moeite aan den wijnbouw; maar Prins Metternich krijgt toch den besten, en maakt grof geld, terwijl onze wijn in de vaten kan liggen verzuren.”“Dat merk ik,” zei Veervlug, terwijl hij een klein slokje van den wrangen landwijn opslurpte.“Nu, wees maar tevreden,” zei Torteltak; “wij zullen er u wel wat doorhelpen. Als ik eens trouw, dan kom ik u nog eens opzoeken; dan wil ik met plaisir een paar dagen bij u logeren.”“Ja,” zei Pols, “dat is een goede inval; het moet hier wel aardig wezen, om met een jong vrouwtje een paar stille en rustige dagen door te brengen.”“Pas maar op, dat het u geen ongeluk aanbrengt,” zei de kastelein. “Ik heb eens een paartje hier bij mij gehad; daar is het niet best meê afgeloopen.”“En laat eens hooren hoe?” vroegen de vrienden.“’t Is hier wel juist niet gebeurd,” zei degastgeber; “daarom kan ik het des te geruster vertellen, zonder dat het mij schade doet, maar toch, de jongelieden waren de eerste dagen hier aan huis. Gij moet dan weten, dat ik vroeger zooveel als eerste knecht was in een heerenhuis te Frankfort, bij Mijnheer Schmallheim.”“Schmallheim? dien ken ik wel!” riep een der vrienden. “Hij heeft zijn buiten aan den Main.”“Nu ja, dezelfde. Dan zult ge wel weten, dat hij drie dochters heeft, engelen van kinderen; maar daar wilde ik nu niet van spreken. Ik heb ze ook in geen tien jaren gezien; want het gaat nu aanstaande voorjaar al in ’t elfde jaar, dat ik er uit huis trouwde met mijne tegenwoordige vrouw, die er zooveel als derde meid was. En toen wij getrouwd waren, trokken wij hier naar toe, in deze affaire, die Mijnheer voor ons gekocht had.”“En waart gijlui toen dat ongelukkige paartje?” vroeg Veervlug lagchend.“Wel neen; daar zijn wij nog niet aan toe; dat zou ook wat moois wezen; dat is wel vijf jaren later geweest. Laat eens zien! Tien jaren ben ik nu van Mijnheer van daan, en het is nu metterhaast vijf jaar geleden, dat... Ja, het zal vijf jaar later geweest zijn, toen ik een brief van Mijnheer ontving.”“Dan ging de correspondentie niet druk,” merkte Torteltak aan.“Neen; maar dat wou ik ook niet zeggen. Weet ge, Mijnheer schreef mij, dat ik twee dagen later, met een rijtuig, digt bij zijn buiten te Frankfort moest wezen. Of het nu op een Donderdag of op een Vrijdag was, is mij ontschoten; maar dat zou ik nog kunnen nazien in den almanak, want het is nu vijf jaren geleden, en het was een schrikkeljaar.”“Ga maar voort; dat kunnen wij straks nazien.”“Nu dan! ik maakte, dat ik er was; want ik deed altijdalles wat Mijnheer mij zeide, of het goed was en of het kwaad was; maar kwaads gelastte hij mij nooit, in al de vijftien jaar, dat ik bij hem gewoond heb, en de tien jaren, die ik nu al van hem weg ben, dat in het voorjaar al elf jaar wordt.—Nu, zoo als ik zeide: ik stond ’s avonds met het rijtuig op mijn post, en oude Johann kwam bij mij en zei: “Wilhelm, je krijgt straks een jonggetrouwd paar; maar je rijdt maar met hen door, tot je t’huis bent, en je logeert ze maar bij je, hoor!”—“Goed,” zei ik, “als ze zich met mijn buitenherberg willen vergenoegen. Ik zal ze het beste geven wat ik heb.”—En ik wachtte nog een uurtje, misschien wel anderhalf,—en ja wel, daar kwamen ze.—“Voort maar!” riep Johann, toen hij het rijtuig toegemaakt had, en ik lei er de zweep over, en ik reed door, of er niemand in zat, en ik zag niets van hen, en ik hoorde niets, want ik had er geen boodschap meê, wat zulke jongelui malkaêr te vertellen hadden. En zelfs onderweg, als ik water gaf, hield ik me maar, of ik niemand bij me in den wagen had; behalve te Beberich, toen kwam er de jonge Heer uit, en ik zei hem goeden avond; maar ik kende hem niet, en het stond mij niet voor, dat ik hem ooit bij Mijnheer aan huis gezien had; maar ik ontgaf het mij, want het was al vijf jaar, dat ik van Mijnheer weg was, en met het voorjaar wordt het er al elf; en ik reed weêr verder, en het was al heel laat in den nacht, toen ik hier stilhield, juist op het plekje, waar ik nu sta. En ik riep tegen mijne vrouw, dat ze met licht zou komen, en zij kwam ook, maar zonder licht, en zij hielp er het volk uit: en ik bragt de paarden naar den stal, en ik kwam weêr binnen. Maar toen kwam de jonge Juffrouw naar mij toe, en ze zei tegen mij, of ze mij mijn heele leven gekend had: “Ken je me dan niet meer, Wilhelm?”—“Wel neen,” zei ik, “hoe wou ik je kennen?”—Maar toen ik ze eens regt aangekeken had, toen zei ik toch: “Het ontschiet me, ofje haalt na Elize van Mijnheer Furchtbach.”—En toen mijne vrouw ook: “Heden ja, het is Jufvrouw Elize, die zoo veel bij ons aan huis verkeerd heeft,” altijd bij Mijnheer aan huis; maar het was al vijf jaar, dat ik bij Mijnheer van daan was, en ik moest ze altijd om zeven uur ’s avonds te huis brengen; want Mijnheer was wat gestreng, en die wou nooit, dat zijne dochter of Juffrouw Elize nachtliepen.—Maar hoe wij allebei nu stonden te kijken, toen ze daar in het midden van den nacht voor onze oogen stond, en zoo groot geworden, waarlijk eene heele juffrouw, en toen ik dezen Mijnheer aankeek, en toen ik dacht, watJohanntegen mij gezeid had, dat zij zamen getrouwd waren!—Maar toen deed zij er ons de uitlegging van, hoe die Mijnheer uit Holland gekomen was, en haar gezien had, toen hij bij oom Furchtbach aan huis kwam, om een wissel te incasseren; maar dat was alles na mijn tijd, want ik was toen al vijf jaren bij Mijnheer van daan. En toen was de Juffrouw goed aan Mijnheer bevallen, en zoo wederkeerig; en hij zocht verkeering over haar; maar haar oom had veel tegen hem, omdat hij geene zaken aan de hand had, en hij had toch geld genoeg om te leven, en goed ook; dus dat was onredelijk; en de mama van Juffrouw Elize had er niets tegen, maar zij zat ook al onder dien oom, en zij woonde daar in huis. En dus had de jonge Mijnheer geene gelegenheid om de Juffrouw te zien, dan als hij met een wisseltje kwam, om den hoek van de deur; want bij mijn Mijnheer, daar hij ze meer ontmoette, mogt ze ook al geen voet meer zetten; en toen kwam hij tweemaal in de week met een wissel; en toen had Mijnheer nog veel meer tegen hem, en zei, dat hij een doorbrenger was; en de jonge Juffrouw wierd er ziek van, maar dat kon niet baten; en Mevrouw had evenwel alleen regt over hare dochter, maar zij was te bang voor haren broeder. Maar toen moest Mijnheer Furchtbach op reis voor zijne affaires, en toen kwam mijn Mijnheerer bij, en die wist het met den jongen Mijnheer zoo mooi te praten, dat de mama toestond, dat zij nu in stilte zouden trouwen, terwijl de oom weg was, en mijn Mijnheer maakte de papieren in orde; en ik zou dat alles zeker bezorgd hebben, maar ik was toen al vijf jaren bij Mijnheer van daan. En toen gingen de mama en Juffrouw Elize ’s morgens uit, en de jonge Mijnheer wachtte ze op op straat, en zij trouwden, zonder dat er een haan naar kraaide; en zij schreven een briefje aan Mevrouw Furchtbach, dat zij op reis gingen, maar die was er ook zoo niet tegen als Mijnheer; en toen was er bruiloft bij mijn Mijnheer buiten, en ’s avonds—dat ik mij nu maar niet herinneren kan, of het Donderdag was of Vrijdag!—althans ’s avonds moest ik met het rijtuig komen, en ik bragt ze bij mij in de herberg, zoo als ik u straks verteld heb—Maar nu zult gij misschien vragen, wat Mijnheer Furchtbach zei, toen hij te huis kwam?—Maar hij kwam niet te huis, althans niet voordat hij ze gezien had, want den tweeden dag, dat zij hier waren,—laat eens zien! dat was op een Zondag; nu, dan was het ook op een Vrijdag, dat ik ze gehaald heb; dat ik daar zoo even niet op kon komen!—gingen zij eens wandelen. Nu, dat mogten zij wel doen, want zij waren even wettig getrouwd, en zij verscholen zich maar hier, omdat Mijnheer Furchtbach in het begin zeker te veel geweld zou maken. Maar juist waren zij op den straatweg aan den overkant, en daar komt de oom in een rijtuig aan, en hij hield ze staande ook en hij schold den jongen Heer uit voor een maagdenroover; maar deze had de papieren in zijn zak, dat hij getrouwd was, en de oom moest optrekken, woedend van drift; maar hij kon er niets meer aan doen; en toen zijn de jonge luidjes nog twee dagen bij mij geweest—laat eens zien! ja, het was op een Dinsdag, toen zij heengingen; ’t is nu al over de vijf jaren geleden,—waar blijft de tijd!—en toen zijn ze naarAken gaan wonen, totdat het zoo bitter ellendig met die lieve, goede menschen is afgeloopen.”“Ja, wij kennen de historie,” viel Torteltak in, die in het begin het verhaal opmerkzaam had aangehoord, maar langzamerhand in treurig gepeins verzonken was. “Wij hebben haar op den St. Gothard ontmoet.”“Zoo! dan weet gij het, hoe akelig het met haar gesteld is. Gij zoudt haar dan ook niet meer kennen, als gij haar nu zaagt.”“Waar is zij dan?” vroeg Torteltak; “is zij al te Frankfort? Ik heb ten minste toen maatregelen genomen, om haar daarheen te transporteren.”“Wel, zij is hier, hier in mijn huis,” zei de kastelein, “al sedert eergisteren,—neen, laat eens zien! al sedert vooreergisteren; maar zij is geheel onnoozel. Toen zij te Frankfort kwam bij Mijnheer Schmallheim—want haar oom wou nu zelfs nog niets van haar weten, en hij zeide, dat het haar eigen schuld was; de arme vrouw—toen zou mijn Mijnheer haar zeker bij zich gehouden hebben; maar de pokken waren bij hem aan huis, en Juffrouw Clementine is er deerlijk van geschonden; en de doctor vond het goed, dat de arme Mevrouw Sindenton weêrgebragt werd naar de plaats, waar zij het eerst gelukkig geweest was, omdat zij misschien dan van hare verdooving zou terugkomen; maar het heeft niets geholpen; want zij was niets getroffen van de plaats, en zij kende mij niet meer, en mijne vrouw ook niet; en toch, wij hebben zoo veel jaren met haar verkeerd, en toen die vier dagen ook nog, dat nu vijf jaren geleden is; en zij zit maar stil; en wij hebben ze de boerinnenplunje maar aangetrokken, omdat zij dan minder in het oog zou vallen; maar ook daar heeft ze niets van gemerkt. Het eenige, daar zij nog meê bezig is, is met mijn jongetje, dat daar zit; somtijds streelt zij het nog wel eens, en zegt dan: Anton! maar als die er niet is, houdt zij zich met niets bezig en spreekt geen woord.Terwijl de kastelein deze laatste woorden zeide, zagen de vrienden eene boerin achter het huis aankomen. Verschrikt keken zij op. Torteltaks oogen ontmoetten de haren, die hem een oogenblik wezenloos aanstaarden. Maar zij ontroerde niet, en naderde zachtjes naar het kind, dat steeds aan den boomstam leunde. Zij kuste het voor het voorhoofd, en zette zich toen naast hem, en begon met den houten kolonel te spelen.De vrienden stonden spoedig op, en verlieten met ontroering de plaats.Twee maanden na hunne terugkomst ontving Torteltak een brief van den Heer Schmallheim, bij wien hij zich naar de weduwe zijns vriends geïnformeerd had, en die hem meldde, dat op zekeren avond, terwijl zij weêr met het kind en den houten kolonel speelde, een flaauwe gil den kastelein uit het huis had doen komen, en dat hij haar, tegen den boomstam gezonken, dood had gevonden.
Hoofdstuk XXXI.Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het geval was aan deneilwagen, die des namiddags ten vier ure uit Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen, toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten; dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en aarde, boven op de postkoets.De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat deeilwagennu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield, waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke landstreek, die al vruchtbaarderen bloeijender werd, hoe verder zij voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap, waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk; en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling, dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld, dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat hij toch well’enfant chéri des damesmogt genoemd worden. Bij Van Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename en gewigtige ontdekkingen te doen.Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen, die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van 8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever, tot hunne bestemming worden opgeleid.Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg, die meesterstukken uit deszelfs fabrieken?Paté de foie gras!gij zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzelwegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij zijt zacht,foie gras, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte.En toch, daar zijn er die u miskennen,foie gras! daar zijn er die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade, uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt niet hadden begrepen, wat het zegt,gekooktte worden.—Maar wie u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats aan hunnen disch in te ruimen.Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd, toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder; evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen, alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa, waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit, dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L, geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.)Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in hetHôtel de Paris, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren voor den geest. “Wel ja!” roept hij uit: “zij zijn het! Wie kan het ook anders wezen?”“Wie?” vroeg Van Aartheim, die naast hem zat.“Wel, Darmold en Emma, wie anders?” zegt Torteltak.“Hoe, wat?” zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: “hoe weet gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?” Dit was het begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te veel om op te noemen.“Wat! kent gij die ook al?” vroeg Torteltak. “Heeft zij bij u ook voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij zijne dochter was.”“Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold gezien?” vroeg Van Aartheim met drift.“Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd hebt.”“Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden, en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem te Constants en ik verzuim mijn kans.”“Dan moet ge ze hier beter waarnemen,” zeide Torteltak. “Garçon! waar logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?”“In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist hetdejeunergebragt.”“De Hemel zij gedankt!” riep Van Aartheim, en met ongewone drift sprong hij door de kamer rond.“Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?” zei Torteltak glimlagchende; “want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne schaakpartij wel genoeg.”Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt, niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hijdeeldehem toen in vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had, en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte.In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen, waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat hij niet veel tijd te verliezen had.“Hij komt of hij geroepen was!” zegt Darmold. “Verzoek Mijnheer hier te komen.”Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op zeer hoogen toon toe: “Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer VanAartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb.”“Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt haar in veiligheid te brengen.”“Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!”“Nooit!” zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid.“Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!” roept de Engelschman woedend.De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn.“Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!” zegt Darmold, zich omkeerende en hem strak aanziende: “ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke gezegden, ontraden.”Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: “Wie zijt gij, Mijnheer, die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat, die u niet aangaan?”“Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold.”De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en in stukken scheurt, roept hij uit: “In uwe magt ben ik niet; de bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd.”“Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt.”“Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!”“Dat kan er naar wezen, als het noodig is,” zegt de ander koel.“Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?” zegt Lurgrave, terwijl hij zijn partij angstig aanziet.“Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar vanMissCleford.”“Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op ’t schavot.”En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor de deur wacht.“Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer Darmold!” roept Van Aartheim uit.“Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij,” zegt de oude heer; “maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal nog heel wat moeite in hebben, de zaak metMissCleford in orde te brengen; want hij is listig en slecht.”“Maar mijne lieve moeder is gered,” riep Van Aartheim. “De Hemel zij gedankt!”Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest, en dat hij werkelijk alaccesgevraagd en dat dan ook verkregen had.“Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was,” zegt Torteltak verbaasd in zichzelven. “Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te wezen.” Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen, en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal ontmoeten, kunnen geschieden.
Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.
Waarin een heer zeer vrolijk en een ander zeer melancholiek wordt.
Nog nooit zoo veel te vroeg was Pols of een zijner vrienden aan eenige diligence, stoomboot of trekschuit gekomen, als heden het geval was aan deneilwagen, die des namiddags ten vier ure uit Constants vertrok. Was het daarom, dat zij zoo vergenoegd zagen, toen de postillon met zijn horen het sein tot vertrekken gaf? of was het, omdat zij smachtten eene plaats te verlaten, waar zij niets dan verveling en ergernis hadden ondervonden? Genoeg is het te melden, dat zij allen, naarmate zij zich van de oude en vervallen stad verwijderden, in vrolijkheid en opgewondenheid toenamen, en dat zij, toen in den laten avond in Stokach de diligence een uur van zijn eentoonig en vermoeijend rollen uitrustte, al het leed hadden vergeten; dat zij heden hadden gevoeld, en zich zelfs genoegen durfden beloven van een nog vierentwintig uren lang verblijf, als tusschen hemel en aarde, boven op de postkoets.
De tour door het Schwartzwald, dien zij nu, door handelbaarder weder begunstigd, aflegden, wekte aangename herinneringen bij onze reizigers op. Indien Pols dus afgetrokken was, hij dacht misschien aan zijne schoone Ohlsbachsche, en het speet hem zeker, dat deeilwagennu zeer weinig notitie nam van de boerenherberg, waar zij zoo goed waren onthaald geworden, en slechts aan de gewone stations stilhield, waar men zeer weinig met zeer veel geld moest betalen. De heerlijke landstreek, die al vruchtbaarderen bloeijender werd, hoe verder zij voortreisden, hield hen allen in eene zeer opgeruimde stemming, en zoo sommigen hunner reikhalzend naar Straatsburg uitzagen, het was heden niet, omdat zij iets tegen de landstreek, of het gezelschap, waarin zij zich bevonden, hadden in te brengen. Maar Torteltak brandde van verlangen om het schoone meisje van Constants weêr te zien; nog voelde hij den lieven druk harer vingeren; nog zag hij den vriendelijken en vertrouwelijken blik, dien zij hem schonk; en schoon hij dat alles danken moest aan hare veronderstelling, dat hij met een ander meisje geëngageerd was, ook dat denkbeeld, dat men hem bij die schoone reeds zoo ver geavanceerd hield, deed hem genoeglijk glimlagchen, en bevestigde hem in zijne opinie, dat hij toch well’enfant chéri des damesmogt genoemd worden. Bij Van Aartheim was het verlangen naar de Fransche grensstad althans niet minder dan bij zijn vriend, schoon hij volstrekt niet aan drukjes en blikjes dacht, maar toch in vrolijke hoop leefde, daar zeer aangename en gewigtige ontdekkingen te doen.
Twee dingen zijn er, die den reiziger naar Straatsburg reeds in tijds te kennen geven, dat hij de stad nadert; het eerste is de domtoren, die van wege zijne hoogte van zeshonderd voet boven al zijne medetorens uitsteekt; het tweede zijn de veelvuldige tamme ganzen, die in troepjes van honderd, onder het kommando van een jongsken van 8 of 10 jaren, over de velden patrouilleren, waar zij niet zoozeer door de vorming van verstand en hart, als wel door die hunner lever, tot hunne bestemming worden opgeleid.
Wie kent ze niet, die voortreffelijke producten van Straatsburg, die meesterstukken uit deszelfs fabrieken?Paté de foie gras!gij zijt schoon; ja schoon zijt gij en heerlijk om te aanschouwen! Als van de terrine, waarin gij verscholen ligt, het sierlijke deksel wordt afgewenteld, en eene dartele hand den sluijer van sneeuwwitten reuzelwegrukt, dan vertoont zich, met een zedigen blos bedekt, uw liefelijk aangezigt; dan vervult gij allen, die u omringen niet met strengen eerbied, maar met warme liefde, met een zoet en nameloos verlangen! Gij zijt zacht,foie gras, als het dons; zacht voor het gevoel en zacht voor het oog! Het sneeuwwit hermelijn moge schitteren, en zijn glans moge verhoogd worden door de zwarte vlokken, waarmeê het bestrooid is; hoeveel liefelijker is uw rooskleurige gloed! hoeveel bevalliger wordt die verhoogd door uwe vereeniging met den edelen truffel, in het statig zwart gedost! Maar wat beteekent het u te zien, voor hem die u kent? Neen, gij verheft u niet op ijdele schoonheid, maar schittert door innerlijke waarde. Gij stelt de hoop niet te leur van hem, die verlangend zijnen mond ontsluit! Zacht en malsch als de liefdekus raakt gij de lippen aan; als een dauwdrop in een bloemkelk voor de zon, versmelt gij op de tong, die u verwarmt en koestert; en als de toonen des nachtegaal het oor, zoo streelt uwe geur het gehemelte.
En toch, daar zijn er die u miskennen,foie gras! daar zijn er die u met smaad en schimp zouden willen beladen. Of heb ik het niet gehoord, dat men uw uitzigt vergeleek met dat der geestelooze pommade, uw smaak met dien van walgelijk kaarsvet? Ik ken er, die u niet willen zien, omdat gij uwe frischheid en uwe mollige rondheid gedeeltelijk dankt aan den wreeden ganzendans op de gloeijende roosters, schoon ik diezelfde beestenvriendinnen in kwade luim heb gezien, omdat de garnalen alweêr niet met koud water waren opgezet, en dus volstrekt niet hadden begrepen, wat het zegt,gekooktte worden.—Maar wie u ook beleedigen of zijne verachting toonen moge, blijf niet terug uit Nederland, edele wezens, in Straatsburg geboren en gewonnen! Gij vindt er ook hier als elders, wie gij altijd welkom zijt, en die het zich steeds tot geluk en vreugde zullen rekenen, u eene eereplaats aan hunnen disch in te ruimen.
Met deze en dergelijke bespiegelingen kortte Veervlug zich den tijd, toen hij zichzelven en zijne vrienden moê geredeneerd had. Hij liet zich niet uit zijne aangename stemming brengen door den vallenden avond en een opkomenden mist, of door vermoeijenis en vrees, dat men te laat zou aankomen, om goed te souperen, zoo als zijn vriend De Morder; evenmin matte hij zich af in wiskundige berekeningen, hoe veel menschen er zouden omkomen als de toren van Straatsburg eens onverwacht naar beneden kwam, zoo als zijn vriend Holstaff; maar moeijelijk viel het hem om vrolijk te blijven, toen de diligence meer dan twee uren voor de poort der stad moest ophouden, omdat de douanen, om de belangen der schatkist te bevorderen en hun eigen nieuwsgierigheid te voldoen, alle koffers en doozen uitpakten, en zelfs onder jassen en mantels onderzoek deden, wat er al zoo de stad werd ingevoerd. Daar is bijna geen treuriger reisinconveniënt dan een grenscommies, zonder zelfs muskieten en ander meer Noordelijk ongedierte uit te zonderen; en onaangenaam is het er bij, dat men zich eigenlijk billijkerwijze over dit ongemak niet beklagen kan. Als de wet spreekt, dient de onderdaan der wet te zwijgen; maar nergens gevoelt men als eerlijk man meer verdriet, dat er zooveel schurken zijn, als daar, waar men van het principe uitgaat dat iedereen een schurk is, of tracht te wezen. Ik geloof dan ook niet dat er iemand sterker aan de algemeene bedorvenheid van het menschengeslacht kan gelooven, dan zij, die als commiezen hun leven doorbrengen. Daar zijn intusschen weinig landen in Europa, waar men zich meer tegen den invoer van verboden zaken wapent en te weer stelt dan Frankrijk; misschien omdat men de overtuiging bezit, dat daar reeds genoeg verboden zaken plaats vinden. (Men vergelijke dit laatste gezegde met den brief van Veervlug aan zijn vriend L, geschreven te Straatsburg, den 11den Augustus 1837.)
Een der eerste merkwaardigheden van Straatsburg, die Torteltak den volgenden morgen wenschte te zien, was de vreemdenlijst in hetHôtel de Paris, omdat hij daaruit hoopte te kunnen ontdekken of gissen, hoe de naam van het meisje was, dat hem hier verwachtte. Maar naauwelijks heeft hij de lijst in handen, of daar gaat een licht voor hem op, en hij noemt zichzelf een domkop, omdat hij vroeger niet op die gedachte gekomen was. Hij las namelijk den naam Darmold, en het verhaal van den ouden Heer Korenaar kwam hem in al deszelfs kleuren voor den geest. “Wel ja!” roept hij uit: “zij zijn het! Wie kan het ook anders wezen?”
“Wie?” vroeg Van Aartheim, die naast hem zat.
“Wel, Darmold en Emma, wie anders?” zegt Torteltak.
“Hoe, wat?” zegt zijn vriend, van zijn stoel opspringende: “hoe weet gij het? heb ik ze genoemd? kent gij ze? waar zijn ze?” Dit was het begin van een serie andere vragen, in éénen adem uitgestort en te veel om op te noemen.
“Wat! kent gij die ook al?” vroeg Torteltak. “Heeft zij bij u ook voor waarzegster gespeeld? Ik kon mij ook al niet begrijpen, dat zij zijne dochter was.”
“Neen, maar, ik bid u, waar hebt gij dien Mijnheer Darmold gezien?” vroeg Van Aartheim met drift.
“Wel te Constants, daar gij hem ook hebt gezien, en waar ge nog een heel interessant discours over de Koningin Hortense met hem gevoerd hebt.”
“Wel, dat is vreeselijk! Was hij dat? En was ik dan met blindheid geslagen? Verbeeld u! ik reis maanden lang, alleen om hem te vinden, en ik kreeg tijding dat hij te Straatsburg zal komen; en ik zie hem te Constants en ik verzuim mijn kans.”
“Dan moet ge ze hier beter waarnemen,” zeide Torteltak. “Garçon! waar logeert dat gezelschap, dat het laatst is aangekomen?”
“In Nr. 9 en 10. Ik heb ze juist hetdejeunergebragt.”
“De Hemel zij gedankt!” riep Van Aartheim, en met ongewone drift sprong hij door de kamer rond.
“Ge doet het immers niet om dat Emmaatje?” zei Torteltak glimlagchende; “want, vriend! dan komt ge te laat; maar neen, ge hebt aan ééne schaakpartij wel genoeg.”
Weinige oogenblikken later werd Van Aartheim bij den Heer Darmold aangediend, en na eenige preliminairen openbaarde de jongeling hem, dat hij hoop had om van hem belangrijke inlichtingen te zullen inwinnen, omtrent zekere schuldbekentenissen van zijn vader, waarbij de Heer Darmold als getuige moest gediend hebben. De oude heer liet den jongeling alles uiteenzetten, en gaf hem toen hoop die zaak gemakkelijk te kunnen schikken, daar de papieren, door den Heer Lurgrave gebruikt, niet anders dan valsche stukken konden zijn. Hijdeeldehem toen in vele woorden mede, hoe goed hij den ouden Heer Van Aartheim gekend had, en hoe hij zelf bij zijne komst in Oost-Indië aan dien waardigen man veel te danken had, en sprak in zulke bewoordingen van Mevrouw Van Aartheim, dat de jongeling hem met warmte de hand drukte.
In het midden van dat gesprek bragt een bediende een kaartje binnen, waarop onze vriend met verbazing den naam Lurgrave vond. De knecht had in commissie, dat de heer van dien naam terstond Mijnheer Van Aartheim verlangde te spreken, maar dat hij geen lang uitstel verzocht, omdat hij niet veel tijd te verliezen had.
“Hij komt of hij geroepen was!” zegt Darmold. “Verzoek Mijnheer hier te komen.”
Sir Lurgrave kwam binnen, en zonder zich aan den ouden heer, die een weinig ter zijde was gegaan, te storen, rigtte hij zich tot den jongeling, wien hij niet veel met complimenten, informatiën naar welstand en meer dergelijke zaken lastig viel, maar voegde hem op zeer hoogen toon toe: “Gij hebt ons contract verbroken, Mijnheer VanAartheim, nu weet ook ik, waaraan ik mij te houden heb.”
“Ik heb alleen Miss Cleford voor uwe lagen behoed, Sir Lurgrave! Gij hebt haar en mij beiden misleid; ik rekende mij geregtigd en verpligt haar in veiligheid te brengen.”
“Noem mij de plaats, waar gij haar gebragt hebt!”
“Nooit!” zegt Van Aartheim bedaard, maar met vastheid.
“Dan haalt gij vloek over u, en ongeluk over uwe moeder!” roept de Engelschman woedend.
De jongeling werd bleek, niet van angst, maar van toorn.
“Zoo spoedig niet, Sir Lurgrave!” zegt Darmold, zich omkeerende en hem strak aanziende: “ik kan u zulke maatregelen, evenzeer als zulke gezegden, ontraden.”
Lurgrave ziet den vreemdeling aan, en heeft een brutaal antwoord voor hem klaar; maar toch eene zekere onrust overmeestert hem; misschien sprak zijn geweten, misschien een duister voorgevoel. Maar in het eind verzamelt hij al zijn moed en zegt: “Wie zijt gij, Mijnheer, die zulken toon tot mij durft voeren, en die u met zaken inlaat, die u niet aangaan?”
“Gij zoudt echter wel wenschen dat zekere handteekening mij wat meer aanging. Herkent gij mij niet, Lurgrave? Mijn naam is Darmold.”
De Engelschman staat alsof hij door den donder getroffen is, en alsof de schrik al zijne leden verlamd heeft. Zijne oogen zijn onbewegelijk gevestigd op den man, die hem dus heeft toegesproken. Maar op eens springt hij op en terwijl hij een papier te voorschijn haalt en in stukken scheurt, roept hij uit: “In uwe magt ben ik niet; de bewijsstukken tegen mij zijn vernietigd.”
“Maar nog niet in zekere zaak van een voogd, die zich van het vermogen zijner pupillen op een onwettige wijze heeft meester gemaakt.”
“Gij zijt een vreeselijk mensch, Mijnheer Darmold!”
“Dat kan er naar wezen, als het noodig is,” zegt de ander koel.
“Kan ik u een oogenblik alleen spreken, Mijnheer?” zegt Lurgrave, terwijl hij zijn partij angstig aanziet.
“Mijnheer Van Aartheim is hier niet te veel; want de zaak gaat ook hem aan. Naar ik hoor, is hij de minnaar vanMissCleford.”
“Maar hij krijgt haar nooit. Gaat nu beiden u gang en brengt mij op ’t schavot.”
En ijlings vliegt hij de kamer uit en in de postchais, die hem voor de deur wacht.
“Hoe zal ik u ooit genoeg dankbaar zijn, mijn goede, lieve Mijnheer Darmold!” roept Van Aartheim uit.
“Gij hebt zoo heel veel verpligting niet aan mij,” zegt de oude heer; “maar ik wenschte dat ik meer voor u had kunnen doen. Want het zal nog heel wat moeite in hebben, de zaak metMissCleford in orde te brengen; want hij is listig en slecht.”
“Maar mijne lieve moeder is gered,” riep Van Aartheim. “De Hemel zij gedankt!”
Kalmer dan het bovenstaande gesprek liep dat tusschen Torteltak en Emma aan de publieke tafel af. Want na hem eerst wat geplaagd te hebben, deelde het meisje hem mede, dat zij uit een brief van Mevrouw Korenaar vernomen had, dat zekere Mijnheer Torteltak, een heel lief jongmensch (dit zeggende keek Emma rijkelijk spottend genoeg, naar der jongelings zin), te Kleef al zeer lief met Ambrosine was geweest, en dat hij werkelijk alaccesgevraagd en dat dan ook verkregen had.
“Ik wist waarlijk niet, dat ik al zoo ver gegaan was,” zegt Torteltak verbaasd in zichzelven. “Mama Korenaar schijnt niet voor uitstel te wezen.” Maar daar hij heel gaarne op den voet van intimiteit met de lieve Emma wilde blijven, hield hij al zijne aanmerkingen binnen, en bepaalde zich tot het maken van zoo veel lieve complimentjes, die ook weer zoo aardig beantwoord werden, als beide deze zaken aan eene publieke tafel en tusschen menschen, die elkaêr voor de tweedemaal ontmoeten, kunnen geschieden.
Hoofdstuk XXXII.Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder.“’t Neêrland, Neêrland is ’t, dat in de rei der volken’t Gelauwerd hoofd verheft door ’t dundoek van de wolken,En tot Europa roept: “Het licht dat u bestraalt,De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald.De lievling der Natuur zag op mijn’ grond het leven!Ik kweekte uw’ Koster op! ’k heb hem aan de aard’ gegeven.”Met deze regelen heeft de Heer J.F. Helmers, die te Amsterdam, bij andere zaken, ook de dichtkunst waarnam anno 1804 de questie uitgemaakt, waar en door wien de Drukkunst werd uitgevonden. Hij laat het evenwel hierbij niet blijven; want nadat hij Haarlem verzocht heeft te juichen,“Juich, Haarlem, die hem ’t eerst’ mogt in uw’ arm ontvangen!Hem als een’ zuigeling zaagt aan uw’ boezem hangen!”gaat hij over tot de mededeeling der mirakelen, die bij de geboorte van den kleinen Koster plaats grepen; hoe de Natuur hem met een lach begroette, en hoe het Spaarne, meer trotsch, de kruin opstak; hoe ook de zwanen met opgestoken hals terstond driemaal de stad rondzwommen, slaande met de vlerken en schaterende van vreugd; en hoe de bladen in den Haarlemmerhout puur van wellust begonnen te fluiten en te gorgelen; en hoe de Lente op zulk eene gelegenheid gewacht had om te komen; en“Nooit steeg de Zonnegod met zulk een’ gloed ten wagen,En de uren, om zijn kar in ’t bloemgareel geslagen,Verspreidden als een’ vloed van rozen in den wind,En bloemen regenden op ’t wiegje van het kind.”Hij maakt echter geen gewag van den klopper voor de deur, die zeker ook wel opmerkelijk fraai zal zijn geweest. Te bejammeren is het, dat hij van de verbazing der goede Haarlemmers, en in het bijzonder van de oudelui Koster over al dat spectakel, geene andere melding maakt, dan in de woorden:“En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om.”Door een zamenloop van omstandigheden waren evenwel deze regelen in den jare 1837 nog niet te Maints bekend, en in deze gelukkige onwetendheid hebben onze Duitsche naburen met opgewondenheid het Gutenbergsfeest gevierd. ’t Is nu maar te hoopen, daar de zaak toch niet meer te verhelpen is, dat de gedichten van Helmers nooit in het Duitsch worden vertaald; want de inwoners vanMoguntinumzouden zeker dood confuus worden, en te laat doen, wat Vondel nog in tijds van hen eischte:“De Keurstadt kloppe op haer mont,Als Haerlem spreekt: de fiere RijnGeef d’eere aan ’t Sparen, met dien schijnVan Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter,En Gutenberghs geroofde letter.”Maar wat hier ook van zij, in den vroegen morgen van den 15denAugustus deden vijf Hollandsche jongelingen hun intrede in het “Stolze Maintz, von Rom gegründet,” en kwamen dus juist in tijds om te zien, hoe de Duitschers Laurens Janszoon Koster van Haarlem miskennen en verguizen. Het was wel hard, voor menschen, wie Neêrlandsch bloed door d’adren vloeide, van dit schandelijk feit getuigen te zijn; maar sommigen hunner kwam het nog harder voor, de stad, die er in haar feestelijken dos regt sierlijk en vrolijk uitzag, zoo maar terstond weêr te verlaten. Daarom besloten zij het doel der feestviering uit de gedachten te zetten, iets dat eigenlijk altijd bij zulke gelegenheden tweederde der zaamgevloeide menigte doet, en zoo veel moois te zien, en zooveel plaisir te hebben, als zij maar grijpen en vangen konden. En hiertoe werden zij al dadelijk in de gelegenheid gesteld; want zij hadden het genoegen, met pak en zak beladen, de gansche stad Maintz in alle rigtingen te doorkruisen, en aan alle logementen te vernemen, dat er zelfs voor geen muis meer plaats was, iets dat iedereen die uit de algemeene menschenliefde die tot kasteleins niet uitsluit, om den wil van dezen hartelijk aangenaam moet wezen. Het deed intusschen den vrienden wel leed, dat ook zij niet in de gelegenheid werden gesteld om degastgebersvoordeel te verschaffen, door etende en slapende geld te verteren; maar men had maar een blik op al de logementen te slaan, om te zien, dat zij van de vliering tot den kelder waren gevuld. In het eind arriveerden zij aan een hôtel veertienden rang. Hier waren zij gelukkiger; want de heer des huizes had nog juist gelegenheid om vijf personen te logeren op twee stoelen met kussens en drie dito met matten, in een soort van afgeschoten salon, of eigenlijk eenesuitevan de keuken.Hoewel nu zulk een apartement en zulke slaapplaatsen in gewone omstandigheden niet bijzonder naar den zin van reizigers zijn, in zulk een tijd is zoo iets nog eene verhooging van het genoegen: voor sommigen, die zich om die reden verpligt gevoelen den ganschen dag door te slenteren, en ook den nacht tot dag te maken; voor anderen, omdat zij naderhand, bij de opsomming van de genoegens, die zij gesmaakt hebben, ook zonder zich aan liegen te bezondigen, kunnen vertellen dat zij zich armelijk moesten behelpen, of in geen twee dagen een knie hebben gebogen. Voor onze vrienden had de situatie van dat apartementje, dat aan de andere zijde in het bureau uitkwam waar de juffrouw de notaas bijhield, dit nut, dat zij er een weinig door ingewijd werden in de logementsgeheimen. Zoo kwamen zij er in een half uur, dat zij met kleeden doorbragten,achter, hoe het toch komt, dat nooit iets, zelfs niet de geringste kleinigheid, op een nota vergeten is, daar de juffrouw, niet regt verstaande, of de koffij en het brood, dat naar boven gebragt werd, voor Nr.8 of 18 was, dezen post op beide rekeningen boekte. Te gelijk leerden zij doorgronden, waarom de knechts zoo dikwijls denken, dat er op eene andere kamer dan de uwe gescheld was, en dus niet komen voordat gij de manoeuvre een dozijnmalen herhaald hebt; want toen de schel van Nr. 4 herhaalde malen vervaarlijk klingelde, vergenoegde zich dekellner, wien deze schel aanging, met zoo lang te zeggen “wacht je beurt af,” tot hij op zijn gemak zijndejeunerhad gebruikt.Maar daar de vrienden niet bepaaldelijk te Maintz waren gekomen om zich met dit gewigtig onderwerp bezig te houden, haastten zij zich hun hôtel te verlaten, om in tijds op deLiebfrauplatzete wezen, waar de onthulling van het Gutenbergs monument zou plaats hebben; zij hadden het geluk eene uitmuntende staanplaats te verkrijgen, waar de trein, uit den Domkerk komende, hen moest passeren, en tevens door een paar uren wachtens hunne verwachting behoorlijk te spannen. Daar klinken op eens hoornen en trompetten; zij komen; daar is reeds de voorwacht, een aantal jolende knapen en deftig voortstappende kerels, met vuile buizen aan het lijf, en dito handen in den zak. Met uitgerekte halzen zien onze vrienden den optogt te gemoet; maar juist in dien oogenblik komen de kurassiers om plaats te maken en rust te bewaren, en deze heeren beginnen zulke vreemde manoeuvres met paarden en sabels tegen al de belangstellende vreemdelingen, dat iedereen een goed heenkomen zoekt. Pols en de zijnen bleven echter zeer vooraan, en hadden dus het genoegen, toen de trein passeerde en de kurassiers zich in linie van bataille schaarde, in zeer naauwe aanraking met verscheiden regimentspaarden te komen en een rij blinkende kurassen te aanschouwen.Dit was echter alles; zij zagen niets van denBurgemeister und der Gemeinderath, vandie Polizei-Commissäre und die Mitglieder des Literatuur-Vereins und der naturforschende Gesellschaft, geen enkele derBuchdrucker,Schriftgiesser,Buchhändler, en niet een der vele dozijnen Duitsche Vorsten, die allen in rokken, glinsterend door de nieuwheid van het laken of den rijkdom van het verguldsel, voor de kurassiers heentrokken.Wij zouden intusschen niet gaarne beweren, dat de teleurstelling onzer vrienden, die niets van den optogt gezien hadden, grooter was dan die der andere vreemdelingen, die het wel gezien hadden. Gewoonlijk toch valt zoo iets, waarvan een wijdloopig programma reeds dagen bekend is geweest, voor iemand, die zich goude galons en purper fluweel en veelkleurig laken, ook zonder het te zien, kan voorstellen, niet erg in de hand. Maar zeker is het, dat zij nu bewaard bleven voor het uiten van opinies omtrent de uitstekende schoonheid van dezen of genen rok, over het vreemde fatsoen der mutsjes, die de letterzetters op hun hoofd hadden, over de vriendelijkheid, waarmeê de burgemeester groette, en over meer dergelijke belangrijke zaken, waarmede men zich op de afgehuurde kamers, nadat de trein gepasseerd was, bezig hield.Maar toen nu al deze deftige personaadjes hunne eergestoelten hadden ingenomen, en het ook Pols en zijnen vrienden gelukt was, op de trappen der tribune plaats te krijgen, en de muziek ophield, nam de President derGutenbergs-CommissiondeRednerbühnein, en bragt eene groote rol papier te voorschijn, aan alle zijden volgeschreven, tot wanhoop van al die het zagen, en die het meenden te moeten aanhooren. Maar die wanhoop was te voorbarig; want de redenaar was niet wreed genoeg om zoo veel van hunne aandacht te vergen. Hij sprak zoo zacht, dat slechts drie à vier menschen, wier ooren bijna in aanraking met zijn mond kwamen, door zijne verhandelingslaperig werden; terwijl het al den anderen aanschouwers vrijstond, door welke middelen zij zelve verkozen, tot dien toestand te geraken. In minder dan twee uren sprak hij zijne geheele verhandeling uit, waarin hij het volgende had trachten aan te toonen: “Die Kunst, welche den Griechen und Römern verborgen blieb, brachte eines Deutschen erfinderischer Geist an das Licht, und alles, was die Alten und Neuen erdacht haben und wissen, haben sie jetzt nicht mehr für sich, sondern für alle Völker erdacht;”en toen hij dit bewezen had, boog hij, en het publiek applaudiseerde van vreugd, omdat het begreep wat die buiging beduidde, en de trompetten begonnen te schallen, en door het verbranden van het chemisch geprepareerd doek werd het Monument onthult, en allen die zamengevloeid waren om het te aanschouwen, begonnen te juichen, met uitzondering van drie individus, die door het verbazend gedrang onder den voet waren geraakt en vertrapt, en voor wie het dus jammer was, dat zij niet tot den volgenden dag gewacht hadden, om het beeld te gaan zien, dat waarschijnlijk vooreerst niet zou wegloopen, omdat zij het nu zeker nooit zouden zien.Toen nu deze plegtigheid zoo schoon en aandoenlijk was afgeloopen, en ook onze vrienden nog een geruimen tijd het heerlijk monument voor Gutenberg hadden aangegaapt, en Pols bij die gelegenheid gevraagd had, of het standbeeld in den Haarlemmerhout ook niet van Thorwaldsen was, begreep men elders fortuin te moeten zoeken. Dit fortuin zoeken beteekent eigenlijk op zulke feestdagen niets anders, dan al de uren, die niet aan openbare vermakelijkheden gewijd zijn, met flaneren doorbrengen, en zich door den prikkel van sterken drank in een betamelijk opgewonden stemming houden. Bij zulke gelegenheden merkt men eerst regt op, hoe nuttige inrigtingen koffiehuizen zijn, en hoe zeer men ze onregt doet, door ze niet bij de het een of ander schoons en edels bedoelende Gestichten of Maatschappijenop te sommen. Want waar wordt de vermoeide vreemdeling vriendelijker opgenomen? waar stelt men sterker en geestrijker maatregelen in het werk, om hem van geestdrift te doen gloeijen? waar hoort men ooit in opgewondener taal vaderlands- en vorstenliefde, en warm medegevoel voor al wat schoon en edel is, uiten? Als u dan de oogen schemeren, feestvierders, van al de vlaggen, die uit de huizen wapperen,—als uw mond lusteloos toevalt, van het aangapen van al de pracht en weelde,—als u de knieën knikken van de vermoeienis, die gij staande en loopende hebt opgedaan,—naar de koffiehuizen dan, naar de koffiehuizen! Ziet gij dien stoet daar uit de deur komen? Zij waren even uitgeput als gij thans; en welk een gloed is nu in hunne oogen! tot hoe vrolijk gejuich openen zich hunne lippen! hoe luchtig en sierlijk zwaaien zij u voorbij! Naar binnen dan, feestelingen! één glas, één bokaal, één toast, en gij zijt hun gelijk, en uwe insluimerende belangstelling voor het feest, tot welks viering gij u hier onder de vele duizende vreemdelingen hebt geschaard, zal weêr ontwaken.Dank zij deze maatregelen van voorzigtigheid, kwam ’s avonds het gezelschap van Polsbroekerwoud, zeer luchtig en vrolijk gestemd, voor de deur van het Maintzer Theater, en offerde met de grootste bereidwilligheid een aanzienlijk aantalThalers, om door vele kelen den lof van Gutenberg te hooren uitgalmen. Het was nog aan een bijzonder geluk te danken, dat zij werden binnengelaten, want reeds dagen te voren waren natuurlijk alle kaartjes opgekocht; maar daar men nu eerst vernomen had, dat er zestien Duitsche Vorsten minder zouden komen dan men gewacht had, werd een der voor hen bestemde loges aan de vrienden afgestaan, die daar nu op eene waardige wijze de Hollandsche Natie konden representeren.Weldra kwam het gewigtig moment. Tweehonderd heeren in ’t zwart en tweehonderd dames in ’t wit, metvierhonderd paar witte glacé handschoenen en vierhonderd bleeke gezigten, namen hunne plaats op het tooneel in. Op de voorste rij zetten zich vier andere heeren en ééne dame, in ’t zelfde kostuum als de vorigen, doch met een extra strik van lichtblaauw versierd, en iets meer pommade in ’t haar dan de anderen, waaruit bleek, dat zij Adolph von Nassau, Gutenberg,Der Kläger im Erzbischöflichen Gerichten Maria Faust’sTochtervoorstelden. De Orchestmeester had intusschen al zijnen onderhoorigen de noodige wenken gegeven; de instrumenten waren gestemd; met het tooverstokje werd op den lessenaar getikt, de arm in de hoogte gezwaaid, en in een oogenblik zwollen al de wangen der blazers op, al de armen der strijkers bewogen zich naar denzelfden kant. Het voorspel is geëindigd: Gutenberg staat uit zijn fauteuil op, manoeuvreert eenige oogenblikken met een schitterendefoularden op eens begint hij te zingen:“O lichte Mainz,” enz.en toen hij zesmaal zijn coupletje herhaald heeft, staan al de heeren op, en daverend klinkt het door de zaal:“O Stolze Mainz,” enz.maar naauwelijks hebben die heeren hunne vier regels uit, of Gutenberg begint weêr van voren af aan:“O lichte Mainz,”en eer hij nog een halven regel ver is, vallen de anderen weêr in:“O Stolze Mainz,”en zonder dat een der partijen het opgaf, zongen zij nu ieder om het hardst, totdat zij dood af waren, en weêr op hunne stoelen gingen zitten, waarop het publiek luid begon te juichen, en zeide dat de woorden en de muziek beiden heerlijk mooi waren.Maar naauwelijks gezeten, staan zij weêr op, en al de heeren zingen vragenderwijze:“Klang hier nicht noch eine Stimme?Steht nicht jemand dort im Dunkel?”waarop Faust begrijpt zich met het geval te moeten bemoeien, en ook opstaande, zingt:“Halt! Wer bist du? Nenne dich!”En nu staat ook Gutenberg weêr op, en galmt uit!“Gutenberg—Du kennst mich, Faust!”waarop deze beide heeren aan het redeneren raken, en elkander herhaalde malen dezelfde tweeregelige vragen en antwoorden toevoegen, totdat ook de dame met den blaauwen strik er bijkomt, en voor de variatie een aria zingt.De eerste afdeeling liep ten einde. Het geraas en geweld nam steeds toe, en ook onze vrienden waren reeds half doof, toen Pols, die intusschen zijne oogen over het schoone publiek had laten weiden, op eens een gil geeft, en zijn buurman in den arm knijpt. Het eerste werd gelukkig niet opgemerkt; want juist bulderde het koor met vreeselijke kracht:“Du taufst das Kind im Traume;Du taufest das Metall.”Maar het laatste, dat ongelukkig een stalmeester van een regerend Vorst getroffen had, werd met een zeer barsch gezigt achtervolgd en met de vraag: “Wat beteekent dat?”“Ik vraagje excus, Mijnheer!” zegt Pols, “maar ik zag een neef en nichten van mij zitten.”“Als je dan nog meer familie ziet, verzoek ik je aan den anderen kant te knijpen.”En Pols maakte bij zichzelven de opmerking, dat die heer heel kwalijknemend was en zeker weinig familiezwak had; maar toen nu eindelijk “das Kind im Traume getaufet was,” en er een moment van stilte volgde, nam Pols deze gelegenheid waar, om zijn bovenlijf over de balie der loge te buigen, en te kugchen en te hemmen, om deaandachtte trekken van de familie Blumengarten, die schuins tegenover hem in een andere loge zat; en toen dit nogniet gelukte, haalde hij zijn geruiten zakdoek voor den dag en begon te wuiven, en te gelijk rond te zien, waarover het publiek toch zoo lachte. Maar zijnvondsthad effect: de familie Blumengarten knikte neef toe, en nicht wenkte zelfs, dat hij bij hen moest komen, waarop Pols eenige kamerheeren en kamerdienaren bijna omverliep en de corridor doorsnelde, om zijne familie op te zoeken. Van descèneder ontmoeting werd evenwel de aandacht van het publiek afgetrokken, omdat de tweede afdeeling begonnen was, en de heeren met nieuwen moed aanhieven:“Du taufst das Kind im Traume;Du taufest das Metall;An deines Mantels SaumeLiegt friedenreich das All.”Het ware voor Pols en zijne familie te wenschen geweest, dat zij elkander wat later in den avond ontmoet hadden; want zij kregen het zoo druk met praten, dat de heerlijkste stukken van het Oratorium voor hen verloren gingen, en onze vriend was zoo oplettend voor zijne jonge nicht, dat hij geene oogen had voor de tweehonderd zangeressen, die onder aanvoering van Maria ook zeer aan het galmen raakten. Hij begreep niets van het discours tusschen denKurfürsten denKläger, dat toch ook heel mooi was. Hij merkte naauwelijks of erAriososofChörewerden uitgevoerd; en eerst toen al de heeren en dames op het tooneel opstonden, en hunne laatste krachten inspanden, voor het“Dreimal gesegneteStimmen der Scheidenden,Stimmen der BleibendenPreisen dich laut, du gewallige Mainz!”en toen daarna een applaudissement volgde, zoo luid, dat een aardbeving hare inferioriteit zou hebben moeten toegeven, begreep hij, dat het einde dáár was van een zeer aangenaam doorgebragten avond.De familie Blumengarten en Polsbroekerwoud schenen elkander goed bevallen te zijn; althans den volgenden daghaalde onze vriend zijne bloedverwanten af, om de volksfeesten bij te wonen. Dit soort van amusement viel geheel in den smaak dier goede menschen; zij lachten zich dood, terwijl de Mainzers van de smalle gemeente allerlei vergeefsche sprongen maakten, om den hangende aal te vangen; zij juichten van plaisir bij hetSchifferstechen, en gilden het uit van pret bij denEntenfang. Hiertoe droeg bij, dat de oude heer volstrekt niet hield van op een droogje te zitten, en dus verscheiden flesschen goeden wijn liet ontkurken. Pols glom van genoegen, en verklaarde, zijne jonge nicht helder aanziende, dat hij wel alle dagen zulke feesten zou willen vieren; waardoor hij toonde volstrekt niet meer boos te zijn, dat Maintz zich een regt aanmatigde het welke deze stad in het geheel niet toekwam.Het gevolg van dit alles was, dat toen Pols gearmd met zijn jonge nichtje, deallgemeine Illuminationin de stad en op de rivier bezigtigde, na zeer vele belangrijke aanmerkingen gemaakt te hebben over schoone sterren, door groene en gele en roode en blaauwe lampions verlicht, en over het sierlijke van latten met glaasjes om een geheel raam, en over licht in zulke vierkante, poort- en kolomvormige gedaanten, als alleen de kunst kan voortbrengen, geheel uitgepraat, misschien alleen om het discours op een anderen boog te wenden, begon te zeggen:“Lieve nicht Caroline, ik ben niet heel jong meer.”“Dat is waar, neef!” antwoordde Caroline.“En ook niet schoon.”De nicht zei niets, maar knikte toestemmend.“Ik ben niet rijk.”“Zoo!” zei Caroline.“Maar ik heb toch een aardig stuivertje geld.”“Dat is altijd een groot geluk!” merkte nicht aan.“En ik wou, dat gij met mij deeldet.”“Maar, neef! hoe kom je nu zoo? ik heb immers volstrekt geen geld noodig.”“Je begrijpt me niet, lieve nicht!” zei Pols: “ik wou nog meer. Ik heb wel eens gedacht, om te trouwen!”“Wel dat is goed!” zei Caroline, schoon toch eenigzins bevende, misschien door eene verwonderlijk sterkeDevinationsgabebegrijpende, waar het heen wilde. En toen voegde zij er bij: “Daar zijn vast in Holland meisjes genoeg.”“Ja,” zei Pols, “maar geen een zoo lief als jij!”“Heere, neef! wat praat je rare dingen!”“Ja, maar, lieve nicht! ik moet het je nu maar zeggen. Ik ben sinds gisteren avond zoo raar, en al sedert verleden maand, toen ik je voor het eerst zag. Je zoudt me een groot plaisir doen, als gij met mij trouwen wildet.”“Maar neef Joachim! ik ken u nog zoo weinig.”“Ach! noem mij niet meer neef, maar alleen Jochem; en als ge met mij trouwt, zult gij me wel beter leeren kennen.”Toen zei het meisje een heel langen tijd geen woord, maar keek voor zich op den grond, en Pols begreep, dat hij nu een voetval zou moeten doen, maar het was zoo schrikkelijk vol op de straten, dat hij er geen plaats toe vond. In het eind, toen Pols haar zoo in de hand kneep, dat zij er misschien pijn van kreeg, zei het meisje:“Maar, neef! spreek er dan eens met papa en mama over.”Toen zei Pols verrukt: “O mijne geliefde! noem mij dan maar eens bij mijn naam.”En het meisje zeide, hoog blozende: “Jochem!” Maar juist toen onze vriend haar in verrukking de hand wilde kussen, kwam er een voetzoeker, door een jong en dartel Maintzenaartje afgestoken, tusschen zijn mond en haar hand, en Pols riep uit: “Dat is verduiveld onaangenaam!” en het meisje: “Foei! is dat schrikken!”De jongeling bragt zijn meisje zeer zedig naar haar logement, en toen hij afscheid van haar had genomen, verzocht hij de oude lieden nog een woordje, en legdezijn belangen bloot. Neef en nicht vonden de propositie zeer vereerend; maar daar zij zich verpligt gevoelden, eerst de noodige informatiën te nemen, beloofden zij, zoo spoedig zulks geschieden kon, hun antwoord schriftelijk te zullen meêdeelen.En toen Pols bij zijne vrienden terugkwam, deelde hij hun mede, dat zijne nicht Caroline een engel was, en hij hoopte hun spoedig nog iets te zullen meêdeelen, maar wat dat was, zouden zij nooit kunnen raden.
Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder.
Hetwelk tooneelen behelst, zeer ergerlijk voor de Nederlanders in het algemeen, en voor de Haarlemieten in het bijzonder.
“’t Neêrland, Neêrland is ’t, dat in de rei der volken’t Gelauwerd hoofd verheft door ’t dundoek van de wolken,En tot Europa roept: “Het licht dat u bestraalt,De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald.De lievling der Natuur zag op mijn’ grond het leven!Ik kweekte uw’ Koster op! ’k heb hem aan de aard’ gegeven.”
“’t Neêrland, Neêrland is ’t, dat in de rei der volken
’t Gelauwerd hoofd verheft door ’t dundoek van de wolken,
En tot Europa roept: “Het licht dat u bestraalt,
De kunstrei die u volgt, is van mij afgedaald.
De lievling der Natuur zag op mijn’ grond het leven!
Ik kweekte uw’ Koster op! ’k heb hem aan de aard’ gegeven.”
Met deze regelen heeft de Heer J.F. Helmers, die te Amsterdam, bij andere zaken, ook de dichtkunst waarnam anno 1804 de questie uitgemaakt, waar en door wien de Drukkunst werd uitgevonden. Hij laat het evenwel hierbij niet blijven; want nadat hij Haarlem verzocht heeft te juichen,
“Juich, Haarlem, die hem ’t eerst’ mogt in uw’ arm ontvangen!Hem als een’ zuigeling zaagt aan uw’ boezem hangen!”
“Juich, Haarlem, die hem ’t eerst’ mogt in uw’ arm ontvangen!
Hem als een’ zuigeling zaagt aan uw’ boezem hangen!”
gaat hij over tot de mededeeling der mirakelen, die bij de geboorte van den kleinen Koster plaats grepen; hoe de Natuur hem met een lach begroette, en hoe het Spaarne, meer trotsch, de kruin opstak; hoe ook de zwanen met opgestoken hals terstond driemaal de stad rondzwommen, slaande met de vlerken en schaterende van vreugd; en hoe de bladen in den Haarlemmerhout puur van wellust begonnen te fluiten en te gorgelen; en hoe de Lente op zulk eene gelegenheid gewacht had om te komen; en
“Nooit steeg de Zonnegod met zulk een’ gloed ten wagen,En de uren, om zijn kar in ’t bloemgareel geslagen,Verspreidden als een’ vloed van rozen in den wind,En bloemen regenden op ’t wiegje van het kind.”
“Nooit steeg de Zonnegod met zulk een’ gloed ten wagen,
En de uren, om zijn kar in ’t bloemgareel geslagen,
Verspreidden als een’ vloed van rozen in den wind,
En bloemen regenden op ’t wiegje van het kind.”
Hij maakt echter geen gewag van den klopper voor de deur, die zeker ook wel opmerkelijk fraai zal zijn geweest. Te bejammeren is het, dat hij van de verbazing der goede Haarlemmers, en in het bijzonder van de oudelui Koster over al dat spectakel, geene andere melding maakt, dan in de woorden:
“En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om.”
“En nieuwe levenskracht vloog door elks aadren om.”
Door een zamenloop van omstandigheden waren evenwel deze regelen in den jare 1837 nog niet te Maints bekend, en in deze gelukkige onwetendheid hebben onze Duitsche naburen met opgewondenheid het Gutenbergsfeest gevierd. ’t Is nu maar te hoopen, daar de zaak toch niet meer te verhelpen is, dat de gedichten van Helmers nooit in het Duitsch worden vertaald; want de inwoners vanMoguntinumzouden zeker dood confuus worden, en te laat doen, wat Vondel nog in tijds van hen eischte:
“De Keurstadt kloppe op haer mont,Als Haerlem spreekt: de fiere RijnGeef d’eere aan ’t Sparen, met dien schijnVan Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter,En Gutenberghs geroofde letter.”
“De Keurstadt kloppe op haer mont,
Als Haerlem spreekt: de fiere Rijn
Geef d’eere aan ’t Sparen, met dien schijn
Van Recht, en zwijgh van Vuist, den zetter,
En Gutenberghs geroofde letter.”
Maar wat hier ook van zij, in den vroegen morgen van den 15denAugustus deden vijf Hollandsche jongelingen hun intrede in het “Stolze Maintz, von Rom gegründet,” en kwamen dus juist in tijds om te zien, hoe de Duitschers Laurens Janszoon Koster van Haarlem miskennen en verguizen. Het was wel hard, voor menschen, wie Neêrlandsch bloed door d’adren vloeide, van dit schandelijk feit getuigen te zijn; maar sommigen hunner kwam het nog harder voor, de stad, die er in haar feestelijken dos regt sierlijk en vrolijk uitzag, zoo maar terstond weêr te verlaten. Daarom besloten zij het doel der feestviering uit de gedachten te zetten, iets dat eigenlijk altijd bij zulke gelegenheden tweederde der zaamgevloeide menigte doet, en zoo veel moois te zien, en zooveel plaisir te hebben, als zij maar grijpen en vangen konden. En hiertoe werden zij al dadelijk in de gelegenheid gesteld; want zij hadden het genoegen, met pak en zak beladen, de gansche stad Maintz in alle rigtingen te doorkruisen, en aan alle logementen te vernemen, dat er zelfs voor geen muis meer plaats was, iets dat iedereen die uit de algemeene menschenliefde die tot kasteleins niet uitsluit, om den wil van dezen hartelijk aangenaam moet wezen. Het deed intusschen den vrienden wel leed, dat ook zij niet in de gelegenheid werden gesteld om degastgebersvoordeel te verschaffen, door etende en slapende geld te verteren; maar men had maar een blik op al de logementen te slaan, om te zien, dat zij van de vliering tot den kelder waren gevuld. In het eind arriveerden zij aan een hôtel veertienden rang. Hier waren zij gelukkiger; want de heer des huizes had nog juist gelegenheid om vijf personen te logeren op twee stoelen met kussens en drie dito met matten, in een soort van afgeschoten salon, of eigenlijk eenesuitevan de keuken.
Hoewel nu zulk een apartement en zulke slaapplaatsen in gewone omstandigheden niet bijzonder naar den zin van reizigers zijn, in zulk een tijd is zoo iets nog eene verhooging van het genoegen: voor sommigen, die zich om die reden verpligt gevoelen den ganschen dag door te slenteren, en ook den nacht tot dag te maken; voor anderen, omdat zij naderhand, bij de opsomming van de genoegens, die zij gesmaakt hebben, ook zonder zich aan liegen te bezondigen, kunnen vertellen dat zij zich armelijk moesten behelpen, of in geen twee dagen een knie hebben gebogen. Voor onze vrienden had de situatie van dat apartementje, dat aan de andere zijde in het bureau uitkwam waar de juffrouw de notaas bijhield, dit nut, dat zij er een weinig door ingewijd werden in de logementsgeheimen. Zoo kwamen zij er in een half uur, dat zij met kleeden doorbragten,achter, hoe het toch komt, dat nooit iets, zelfs niet de geringste kleinigheid, op een nota vergeten is, daar de juffrouw, niet regt verstaande, of de koffij en het brood, dat naar boven gebragt werd, voor Nr.8 of 18 was, dezen post op beide rekeningen boekte. Te gelijk leerden zij doorgronden, waarom de knechts zoo dikwijls denken, dat er op eene andere kamer dan de uwe gescheld was, en dus niet komen voordat gij de manoeuvre een dozijnmalen herhaald hebt; want toen de schel van Nr. 4 herhaalde malen vervaarlijk klingelde, vergenoegde zich dekellner, wien deze schel aanging, met zoo lang te zeggen “wacht je beurt af,” tot hij op zijn gemak zijndejeunerhad gebruikt.
Maar daar de vrienden niet bepaaldelijk te Maintz waren gekomen om zich met dit gewigtig onderwerp bezig te houden, haastten zij zich hun hôtel te verlaten, om in tijds op deLiebfrauplatzete wezen, waar de onthulling van het Gutenbergs monument zou plaats hebben; zij hadden het geluk eene uitmuntende staanplaats te verkrijgen, waar de trein, uit den Domkerk komende, hen moest passeren, en tevens door een paar uren wachtens hunne verwachting behoorlijk te spannen. Daar klinken op eens hoornen en trompetten; zij komen; daar is reeds de voorwacht, een aantal jolende knapen en deftig voortstappende kerels, met vuile buizen aan het lijf, en dito handen in den zak. Met uitgerekte halzen zien onze vrienden den optogt te gemoet; maar juist in dien oogenblik komen de kurassiers om plaats te maken en rust te bewaren, en deze heeren beginnen zulke vreemde manoeuvres met paarden en sabels tegen al de belangstellende vreemdelingen, dat iedereen een goed heenkomen zoekt. Pols en de zijnen bleven echter zeer vooraan, en hadden dus het genoegen, toen de trein passeerde en de kurassiers zich in linie van bataille schaarde, in zeer naauwe aanraking met verscheiden regimentspaarden te komen en een rij blinkende kurassen te aanschouwen.Dit was echter alles; zij zagen niets van denBurgemeister und der Gemeinderath, vandie Polizei-Commissäre und die Mitglieder des Literatuur-Vereins und der naturforschende Gesellschaft, geen enkele derBuchdrucker,Schriftgiesser,Buchhändler, en niet een der vele dozijnen Duitsche Vorsten, die allen in rokken, glinsterend door de nieuwheid van het laken of den rijkdom van het verguldsel, voor de kurassiers heentrokken.
Wij zouden intusschen niet gaarne beweren, dat de teleurstelling onzer vrienden, die niets van den optogt gezien hadden, grooter was dan die der andere vreemdelingen, die het wel gezien hadden. Gewoonlijk toch valt zoo iets, waarvan een wijdloopig programma reeds dagen bekend is geweest, voor iemand, die zich goude galons en purper fluweel en veelkleurig laken, ook zonder het te zien, kan voorstellen, niet erg in de hand. Maar zeker is het, dat zij nu bewaard bleven voor het uiten van opinies omtrent de uitstekende schoonheid van dezen of genen rok, over het vreemde fatsoen der mutsjes, die de letterzetters op hun hoofd hadden, over de vriendelijkheid, waarmeê de burgemeester groette, en over meer dergelijke belangrijke zaken, waarmede men zich op de afgehuurde kamers, nadat de trein gepasseerd was, bezig hield.
Maar toen nu al deze deftige personaadjes hunne eergestoelten hadden ingenomen, en het ook Pols en zijnen vrienden gelukt was, op de trappen der tribune plaats te krijgen, en de muziek ophield, nam de President derGutenbergs-CommissiondeRednerbühnein, en bragt eene groote rol papier te voorschijn, aan alle zijden volgeschreven, tot wanhoop van al die het zagen, en die het meenden te moeten aanhooren. Maar die wanhoop was te voorbarig; want de redenaar was niet wreed genoeg om zoo veel van hunne aandacht te vergen. Hij sprak zoo zacht, dat slechts drie à vier menschen, wier ooren bijna in aanraking met zijn mond kwamen, door zijne verhandelingslaperig werden; terwijl het al den anderen aanschouwers vrijstond, door welke middelen zij zelve verkozen, tot dien toestand te geraken. In minder dan twee uren sprak hij zijne geheele verhandeling uit, waarin hij het volgende had trachten aan te toonen: “Die Kunst, welche den Griechen und Römern verborgen blieb, brachte eines Deutschen erfinderischer Geist an das Licht, und alles, was die Alten und Neuen erdacht haben und wissen, haben sie jetzt nicht mehr für sich, sondern für alle Völker erdacht;”en toen hij dit bewezen had, boog hij, en het publiek applaudiseerde van vreugd, omdat het begreep wat die buiging beduidde, en de trompetten begonnen te schallen, en door het verbranden van het chemisch geprepareerd doek werd het Monument onthult, en allen die zamengevloeid waren om het te aanschouwen, begonnen te juichen, met uitzondering van drie individus, die door het verbazend gedrang onder den voet waren geraakt en vertrapt, en voor wie het dus jammer was, dat zij niet tot den volgenden dag gewacht hadden, om het beeld te gaan zien, dat waarschijnlijk vooreerst niet zou wegloopen, omdat zij het nu zeker nooit zouden zien.
Toen nu deze plegtigheid zoo schoon en aandoenlijk was afgeloopen, en ook onze vrienden nog een geruimen tijd het heerlijk monument voor Gutenberg hadden aangegaapt, en Pols bij die gelegenheid gevraagd had, of het standbeeld in den Haarlemmerhout ook niet van Thorwaldsen was, begreep men elders fortuin te moeten zoeken. Dit fortuin zoeken beteekent eigenlijk op zulke feestdagen niets anders, dan al de uren, die niet aan openbare vermakelijkheden gewijd zijn, met flaneren doorbrengen, en zich door den prikkel van sterken drank in een betamelijk opgewonden stemming houden. Bij zulke gelegenheden merkt men eerst regt op, hoe nuttige inrigtingen koffiehuizen zijn, en hoe zeer men ze onregt doet, door ze niet bij de het een of ander schoons en edels bedoelende Gestichten of Maatschappijenop te sommen. Want waar wordt de vermoeide vreemdeling vriendelijker opgenomen? waar stelt men sterker en geestrijker maatregelen in het werk, om hem van geestdrift te doen gloeijen? waar hoort men ooit in opgewondener taal vaderlands- en vorstenliefde, en warm medegevoel voor al wat schoon en edel is, uiten? Als u dan de oogen schemeren, feestvierders, van al de vlaggen, die uit de huizen wapperen,—als uw mond lusteloos toevalt, van het aangapen van al de pracht en weelde,—als u de knieën knikken van de vermoeienis, die gij staande en loopende hebt opgedaan,—naar de koffiehuizen dan, naar de koffiehuizen! Ziet gij dien stoet daar uit de deur komen? Zij waren even uitgeput als gij thans; en welk een gloed is nu in hunne oogen! tot hoe vrolijk gejuich openen zich hunne lippen! hoe luchtig en sierlijk zwaaien zij u voorbij! Naar binnen dan, feestelingen! één glas, één bokaal, één toast, en gij zijt hun gelijk, en uwe insluimerende belangstelling voor het feest, tot welks viering gij u hier onder de vele duizende vreemdelingen hebt geschaard, zal weêr ontwaken.
Dank zij deze maatregelen van voorzigtigheid, kwam ’s avonds het gezelschap van Polsbroekerwoud, zeer luchtig en vrolijk gestemd, voor de deur van het Maintzer Theater, en offerde met de grootste bereidwilligheid een aanzienlijk aantalThalers, om door vele kelen den lof van Gutenberg te hooren uitgalmen. Het was nog aan een bijzonder geluk te danken, dat zij werden binnengelaten, want reeds dagen te voren waren natuurlijk alle kaartjes opgekocht; maar daar men nu eerst vernomen had, dat er zestien Duitsche Vorsten minder zouden komen dan men gewacht had, werd een der voor hen bestemde loges aan de vrienden afgestaan, die daar nu op eene waardige wijze de Hollandsche Natie konden representeren.
Weldra kwam het gewigtig moment. Tweehonderd heeren in ’t zwart en tweehonderd dames in ’t wit, metvierhonderd paar witte glacé handschoenen en vierhonderd bleeke gezigten, namen hunne plaats op het tooneel in. Op de voorste rij zetten zich vier andere heeren en ééne dame, in ’t zelfde kostuum als de vorigen, doch met een extra strik van lichtblaauw versierd, en iets meer pommade in ’t haar dan de anderen, waaruit bleek, dat zij Adolph von Nassau, Gutenberg,Der Kläger im Erzbischöflichen Gerichten Maria Faust’sTochtervoorstelden. De Orchestmeester had intusschen al zijnen onderhoorigen de noodige wenken gegeven; de instrumenten waren gestemd; met het tooverstokje werd op den lessenaar getikt, de arm in de hoogte gezwaaid, en in een oogenblik zwollen al de wangen der blazers op, al de armen der strijkers bewogen zich naar denzelfden kant. Het voorspel is geëindigd: Gutenberg staat uit zijn fauteuil op, manoeuvreert eenige oogenblikken met een schitterendefoularden op eens begint hij te zingen:
“O lichte Mainz,” enz.
“O lichte Mainz,” enz.
en toen hij zesmaal zijn coupletje herhaald heeft, staan al de heeren op, en daverend klinkt het door de zaal:
“O Stolze Mainz,” enz.
“O Stolze Mainz,” enz.
maar naauwelijks hebben die heeren hunne vier regels uit, of Gutenberg begint weêr van voren af aan:
“O lichte Mainz,”
“O lichte Mainz,”
en eer hij nog een halven regel ver is, vallen de anderen weêr in:
“O Stolze Mainz,”
“O Stolze Mainz,”
en zonder dat een der partijen het opgaf, zongen zij nu ieder om het hardst, totdat zij dood af waren, en weêr op hunne stoelen gingen zitten, waarop het publiek luid begon te juichen, en zeide dat de woorden en de muziek beiden heerlijk mooi waren.
Maar naauwelijks gezeten, staan zij weêr op, en al de heeren zingen vragenderwijze:
“Klang hier nicht noch eine Stimme?Steht nicht jemand dort im Dunkel?”
“Klang hier nicht noch eine Stimme?
Steht nicht jemand dort im Dunkel?”
waarop Faust begrijpt zich met het geval te moeten bemoeien, en ook opstaande, zingt:
“Halt! Wer bist du? Nenne dich!”
“Halt! Wer bist du? Nenne dich!”
En nu staat ook Gutenberg weêr op, en galmt uit!
“Gutenberg—Du kennst mich, Faust!”
“Gutenberg—Du kennst mich, Faust!”
waarop deze beide heeren aan het redeneren raken, en elkander herhaalde malen dezelfde tweeregelige vragen en antwoorden toevoegen, totdat ook de dame met den blaauwen strik er bijkomt, en voor de variatie een aria zingt.
De eerste afdeeling liep ten einde. Het geraas en geweld nam steeds toe, en ook onze vrienden waren reeds half doof, toen Pols, die intusschen zijne oogen over het schoone publiek had laten weiden, op eens een gil geeft, en zijn buurman in den arm knijpt. Het eerste werd gelukkig niet opgemerkt; want juist bulderde het koor met vreeselijke kracht:
“Du taufst das Kind im Traume;Du taufest das Metall.”
“Du taufst das Kind im Traume;
Du taufest das Metall.”
Maar het laatste, dat ongelukkig een stalmeester van een regerend Vorst getroffen had, werd met een zeer barsch gezigt achtervolgd en met de vraag: “Wat beteekent dat?”
“Ik vraagje excus, Mijnheer!” zegt Pols, “maar ik zag een neef en nichten van mij zitten.”
“Als je dan nog meer familie ziet, verzoek ik je aan den anderen kant te knijpen.”
En Pols maakte bij zichzelven de opmerking, dat die heer heel kwalijknemend was en zeker weinig familiezwak had; maar toen nu eindelijk “das Kind im Traume getaufet was,” en er een moment van stilte volgde, nam Pols deze gelegenheid waar, om zijn bovenlijf over de balie der loge te buigen, en te kugchen en te hemmen, om deaandachtte trekken van de familie Blumengarten, die schuins tegenover hem in een andere loge zat; en toen dit nogniet gelukte, haalde hij zijn geruiten zakdoek voor den dag en begon te wuiven, en te gelijk rond te zien, waarover het publiek toch zoo lachte. Maar zijnvondsthad effect: de familie Blumengarten knikte neef toe, en nicht wenkte zelfs, dat hij bij hen moest komen, waarop Pols eenige kamerheeren en kamerdienaren bijna omverliep en de corridor doorsnelde, om zijne familie op te zoeken. Van descèneder ontmoeting werd evenwel de aandacht van het publiek afgetrokken, omdat de tweede afdeeling begonnen was, en de heeren met nieuwen moed aanhieven:
“Du taufst das Kind im Traume;Du taufest das Metall;An deines Mantels SaumeLiegt friedenreich das All.”
“Du taufst das Kind im Traume;
Du taufest das Metall;
An deines Mantels Saume
Liegt friedenreich das All.”
Het ware voor Pols en zijne familie te wenschen geweest, dat zij elkander wat later in den avond ontmoet hadden; want zij kregen het zoo druk met praten, dat de heerlijkste stukken van het Oratorium voor hen verloren gingen, en onze vriend was zoo oplettend voor zijne jonge nicht, dat hij geene oogen had voor de tweehonderd zangeressen, die onder aanvoering van Maria ook zeer aan het galmen raakten. Hij begreep niets van het discours tusschen denKurfürsten denKläger, dat toch ook heel mooi was. Hij merkte naauwelijks of erAriososofChörewerden uitgevoerd; en eerst toen al de heeren en dames op het tooneel opstonden, en hunne laatste krachten inspanden, voor het
“Dreimal gesegneteStimmen der Scheidenden,Stimmen der BleibendenPreisen dich laut, du gewallige Mainz!”
“Dreimal gesegnete
Stimmen der Scheidenden,
Stimmen der Bleibenden
Preisen dich laut, du gewallige Mainz!”
en toen daarna een applaudissement volgde, zoo luid, dat een aardbeving hare inferioriteit zou hebben moeten toegeven, begreep hij, dat het einde dáár was van een zeer aangenaam doorgebragten avond.
De familie Blumengarten en Polsbroekerwoud schenen elkander goed bevallen te zijn; althans den volgenden daghaalde onze vriend zijne bloedverwanten af, om de volksfeesten bij te wonen. Dit soort van amusement viel geheel in den smaak dier goede menschen; zij lachten zich dood, terwijl de Mainzers van de smalle gemeente allerlei vergeefsche sprongen maakten, om den hangende aal te vangen; zij juichten van plaisir bij hetSchifferstechen, en gilden het uit van pret bij denEntenfang. Hiertoe droeg bij, dat de oude heer volstrekt niet hield van op een droogje te zitten, en dus verscheiden flesschen goeden wijn liet ontkurken. Pols glom van genoegen, en verklaarde, zijne jonge nicht helder aanziende, dat hij wel alle dagen zulke feesten zou willen vieren; waardoor hij toonde volstrekt niet meer boos te zijn, dat Maintz zich een regt aanmatigde het welke deze stad in het geheel niet toekwam.
Het gevolg van dit alles was, dat toen Pols gearmd met zijn jonge nichtje, deallgemeine Illuminationin de stad en op de rivier bezigtigde, na zeer vele belangrijke aanmerkingen gemaakt te hebben over schoone sterren, door groene en gele en roode en blaauwe lampions verlicht, en over het sierlijke van latten met glaasjes om een geheel raam, en over licht in zulke vierkante, poort- en kolomvormige gedaanten, als alleen de kunst kan voortbrengen, geheel uitgepraat, misschien alleen om het discours op een anderen boog te wenden, begon te zeggen:
“Lieve nicht Caroline, ik ben niet heel jong meer.”
“Dat is waar, neef!” antwoordde Caroline.
“En ook niet schoon.”
De nicht zei niets, maar knikte toestemmend.
“Ik ben niet rijk.”
“Zoo!” zei Caroline.
“Maar ik heb toch een aardig stuivertje geld.”
“Dat is altijd een groot geluk!” merkte nicht aan.
“En ik wou, dat gij met mij deeldet.”
“Maar, neef! hoe kom je nu zoo? ik heb immers volstrekt geen geld noodig.”
“Je begrijpt me niet, lieve nicht!” zei Pols: “ik wou nog meer. Ik heb wel eens gedacht, om te trouwen!”
“Wel dat is goed!” zei Caroline, schoon toch eenigzins bevende, misschien door eene verwonderlijk sterkeDevinationsgabebegrijpende, waar het heen wilde. En toen voegde zij er bij: “Daar zijn vast in Holland meisjes genoeg.”
“Ja,” zei Pols, “maar geen een zoo lief als jij!”
“Heere, neef! wat praat je rare dingen!”
“Ja, maar, lieve nicht! ik moet het je nu maar zeggen. Ik ben sinds gisteren avond zoo raar, en al sedert verleden maand, toen ik je voor het eerst zag. Je zoudt me een groot plaisir doen, als gij met mij trouwen wildet.”
“Maar neef Joachim! ik ken u nog zoo weinig.”
“Ach! noem mij niet meer neef, maar alleen Jochem; en als ge met mij trouwt, zult gij me wel beter leeren kennen.”
Toen zei het meisje een heel langen tijd geen woord, maar keek voor zich op den grond, en Pols begreep, dat hij nu een voetval zou moeten doen, maar het was zoo schrikkelijk vol op de straten, dat hij er geen plaats toe vond. In het eind, toen Pols haar zoo in de hand kneep, dat zij er misschien pijn van kreeg, zei het meisje:
“Maar, neef! spreek er dan eens met papa en mama over.”
Toen zei Pols verrukt: “O mijne geliefde! noem mij dan maar eens bij mijn naam.”
En het meisje zeide, hoog blozende: “Jochem!” Maar juist toen onze vriend haar in verrukking de hand wilde kussen, kwam er een voetzoeker, door een jong en dartel Maintzenaartje afgestoken, tusschen zijn mond en haar hand, en Pols riep uit: “Dat is verduiveld onaangenaam!” en het meisje: “Foei! is dat schrikken!”
De jongeling bragt zijn meisje zeer zedig naar haar logement, en toen hij afscheid van haar had genomen, verzocht hij de oude lieden nog een woordje, en legdezijn belangen bloot. Neef en nicht vonden de propositie zeer vereerend; maar daar zij zich verpligt gevoelden, eerst de noodige informatiën te nemen, beloofden zij, zoo spoedig zulks geschieden kon, hun antwoord schriftelijk te zullen meêdeelen.
En toen Pols bij zijne vrienden terugkwam, deelde hij hun mede, dat zijne nicht Caroline een engel was, en hij hoopte hun spoedig nog iets te zullen meêdeelen, maar wat dat was, zouden zij nooit kunnen raden.
Hoofdstuk XXXIII.Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het titelvignet voorstelt.Daar zijn weinig zintuigen, die den menschen over het algemeen meer geld kosten, dan de smaak. Het ligt toch in de menschelijke natuur, om ze allen ten behoorlijken, en soms ook ten onbehoorlijken tijde in gelegenheid te stellen, om gestreeld te worden. Nu kan men de overige zintuigen nog al eens gratis het een of ander genoegen verschaffen. Het gezigt, bij voorbeeld, verlustigt zich kosteloos in een schoon landschap, op eene gepaste wijze door de zon verlicht, of, zoo dit niet in zijngenrevalt, in den windwijzer op de nieuwe Willemspoort te Amsterdam en de klok, waarvan de plaat, voor de variatie, in plaats van den wijzer ronddraait. Het gehoor wordt even kosteloos gestreeld, als de nachtegaal zijne minneliederen kweelt, of als de Secretaris van de pui van het stadhuis afleest. De genietingen des reuks in de geuren, die de bloemen des velds of de grachten (burgwallen) der hoofdstad uitwasemen, behoeven nooit te worden betaald, evenmin als die van het gevoel, bij de aanraking van een paar malsche lipjes (ieder heeft toch wel één paar in zijne familie), of van stuifzand, dat zich van den straatweg in het menschelijk oog verplaatst. Maar nu de smaak! Ik bid u, welke amusement kunt gij dit zintuig verschaffen, waarbij niet te gelijk uwe beurs in het spel komt? Een dikke, vochtige mist is misschien het eenige, dat zich tot dit doel geheel belangeloos bij u aanmeldt, daar hij aan den smaak vanstervelingen die gewaarwordingen meêdeelt, welke buiten hem slechts Soester knolletjes vermogen op te wekken. Maar ook dit genoegen is slechts weggelegd voor weinigen, die de daartoe vereischte gelukkige en beminnelijke habitude hebben van altijd met een open mond te wandelen; ieder ander is genoodzaakt dagelijks van zijn rijkdom of zijne armoede ten offer te brengen, om niet door de blijken van ontevredenheid zijns smaaks te worden gekweld.Meestal is het de overtuiging en ondervinding hiervan, die velen zoo hevig doet ijveren tegen de genietingen, die men den smaak bereidt, en laag doet neêrzien op dezulken, die daarvoor nu en dan nog wel eens wat over hebben, terwijl dezelfde menschen veel verdraagzamer zijn omtrent de amusementen der overige zintuigen. Het denkbeeld “het genot is kort, en ieder voorwerp kan slechts eenmaal dat genot verschaffen” doet gewoonlijk dien ijver ontbranden en die minachting geboren worden. Bij de minsten dezer berispers komt het ooit op, dat deze genietingen de meest dierlijke, ja soms niets dan dierlijk zijn.Zonder zich echter in eenig opzigt met deze of dergelijke bespiegelingen in te laten, bestelden Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den top van den Johannisberg gekomen, eene flesch goudlak, en zonder zich aan den onmatig hoogen prijs van deze genieting te ergeren, savoureerden zij den eêlsten en beroemdsten van alle Rijnsche wijnen. Het spreekt dan ook van zelve, dat zij met zekeren eerbied de gevulde glazen opnamen, en deze op de reis naar den mond een kleinen omweg lieten maken langs den neus, die van hetbouquetgenieten moest, en dat toen reeds de vrienden elkander veelbeteekenend toeknikten; ook dat toen de eerste teug in aanraking kwam met het verhemelte, eene soort van verrukking allen aangreep, zoo als ieder, die den duren kabinetswijn proeft en betaalt, gevoelt, of zich althans verpligt rekent te gevoelen. Het is opmerkelijk, dat eene flesch van dezen wijn, die toch waarlijk zooveelkrachtiger niet is dan andere fijne Rijnwijnen, in staat is om een geheel gezelschap tot een hoogen trap van verheuging op te voeren, en dat reizigers, die voor een paar flesschen Bourgogne niet staan, na het gebruik van twee glazen Schloss-Johannisberger-kabinet-goudlak, wel weergaas goed gevoelden, dat zij wat gedronken hadden. Te meer nog verdient het de aandacht, dat de keldermeester als er wat veel bezoekers van den berg zijn, zich vaak genoodzaakt ziet een zeer gewonen ligten Rijnwijn in die goudlakflesschen op te disschen, en dat de verrukking en het bedwelmend effect altijd dezelfde blijven.Wat hier ook van zij, onze vrienden geraakten bij het gebruik van twee flesschen in eene vrolijk opgewonden stemming, zoo zelfs, dat Pols het meisje, dat licht voor de sigaren bragt, tweemaal vriendelijk toeknikte, en daarna zachtjes onder de kin streelde, waarop Torteltak aanmerkte, dat zijn vriend aanmerkelijke vorderingen had gemaakt in de kunst van minnekozen.“Ik hoop er wel spoedig in volleerd te worden,” dacht Pols; doch hij zeide het niet, want zoolang de zaak van zijn engagement nog niet gedecideerd was, had hij besloten het diepste stilzwijgen te bewaren. Maar hij zag er geen gevaar in, zichzelven op te wiegen in vrolijke verwachtingen en hoop op geluk, als hij met zijne Caroline in den Oppert zou wonen, en hij haar gedurig zou verrassen, door wekelijks het houtvlotje van nieuwe bloemen te voorzien, en door zelf beste springlevende visch van de markt te halen. Hoe lief zouden zij daar zamen in de tuinkamer zitten—zij in den gemakkelijken stoel van zijn vader, hij op een stoofje aan hare voeten! Hoe zouden zij zich daar verbeelden buiten te wonen, als de geur der bloemen hun van het houtvlot tegenwoei, terwijl de leeuwerik en de vinken in kooijen sloegen en kweelden! Hoe veel vergoeding zou dit alles aan zijne jonge vrouw geven, die om hem haar schoon land verliet, en hoe verheugde hethem, dat hij juist daar woonde, waar hij, als zijne lieve van hare Rijn dweepte, met billijken trots op de Rotte kon wijzen, die langs zijn huis haren arm tot aan de boerenvischmarkt uitstrekte! Neen, zoo gelukkig was hij nooit geweest; zooveel geluk kon Mijntje hem niet geven, hoeveel zij ook van hem hield. En zelfs met Leentje, de dochter van den droogist uit Utrecht, die zoovele weken bij zijne nicht Van Schalen had gelogeerd, had hem zijn huis zulk een tempel vanhuwelijksgelukniet kunnen worden. Het is waar, hij had dit Leentje meenen te beminnen; hij had zelfs bij den ouden droogist om hare hand aangehouden: maar hoe koel was dat antwoord geweest, dat zij hem wel hoogachtte, maar niet tot eene eerlijke verkeering met hem kon besluiten! Een nacht had hij er niet van kunnen slapen, schoon ook Mijntje, om hem over het verlies van dat meisje te troosten, zulke heerlijke varkenskarbonaden voor hem gebraden had. Maar hij had spoedig leeren inzien, waarom het meisje niet bevallen kon. Zij wilde hooger op; zij moest schitteren in de wereld; en daarom gaf zij kort daarna hare hand aan een tweeden Luitenant bij de Infanterie.Hoeveel beter dan deze was zijne tweede liefde!Carolinewas nietcocquet, niet zoo ijdel; zij was naif, onschuldig, teerder; zij had hem uit achting haar hart geschonken; hij haar uit achting en liefde zijn hand aangeboden. Deze verbindtenis moest gelukkig wezen. Het was hier geheel anders toegegaan, dan met dezulken, die onder de hedendaagsche jongelieden op een bal gesloten worden, waar de liefde uit een wals geboren wordt, en waarvan de zinnelijkheid door gedurig herhaalde genietingen wordt onderhouden. Neen, hij had zijne beminde leeren kennen in de vrije natuur op een concert; hij had het eerstontdekt, dat hij haar liefhad, bij een hartverheffend oratorium; hij had zijne plannen gevormd, om met haar gelukkig te zijn, terwijl zij zich zamen onder onschuldigevolksspelen verlustigden, en bij eene vertrouwelijke avondwandeling hadden zij elkander hunne liefde beleden. Hij kende haar alzoo onder verschillende omstandigheden; hij had haar ook in den huiselijken kring gadegeslagen, toen hij met zijne vrienden bij de Blumengartens soupeerde. Zoo dus zulk eene liefde niet de bron werd van ongestoord huwelijksgeluk, dan kon er nooit huwelijksgeluk op de wereld bestaan.Onder den invloed van deze en dergelijke redeneringen, die allen tot dezelfde gelukkige resultaten leidden, volgde Pols zijne vrienden, die luidruchtig, vrolijk en dartel den berg afhuppelden, als wilden zij aan de geheele wereld toonen, dat zij niet maar voor de leus, of om het uitzigt, naar boven geklommen waren. Maar om aan den anderen kant te toonen, dat zij niet ongezind waren, om ook met andere wijnen kennis te maken, hielden zij stil voor de kleine herberg in het dorp, en riepen den kastelein toe, hun eene flesch Johannisdorfer voor de deur te brengen.Een paar boomen, voor het huis geplaatst, waarschijnlijk niet om binnen beschutting te geven tegen de brandende zon, iets waarvoor de kleine tralievenstertjes genoegzaam zorgden, maar meer, om door zekere kunstige leiding een prieel na te bootsen, boden den warmen reizigers eene koele rustplaats aan. De bewoners van de herberg schenen hieraan evenwel geen behoefte te gevoelen; want een driejarig knaapje zat, met een houten kolonel in de armen, zich in de hitte des middags te verlustigen, en zocht zich misschien daardoor schadeloos te stellen voor het gebrek aan waschwater, waarvan zijn gezigtje, handjes en beentjes duidelijke sporen droegen; de magere hond, met gesloten oogen den kop vooruitstekende, ving de stralen op, die de zon dien kant verkoos uit te zenden; en zelfs de dikke kastelein, met wien de vrienden een praatje maakten, plaatste zich zoodanig, dat het bladerrijk geboomte hem niet al de warmte ontroofde.“Wat een heerlijk land bewoont ge hier toch!” zei Veervlug, nadat hij eene poos zijne oogen had laten weiden over den schoonenRheingegend, naar den kant van het nabijgelegen Bingen en Rüdesheim.“Dat schikt wel genoeg,” zei de kastelein, “ten minste voor deze streken. ’t Zou evenwel anders mijne verkiezing niet wezen.”“Ge schijnt niet heel gemakkelijk te voldoen,” zei de ander. “Laat eens hooren, waar zoudt gij het dan zoeken?”“Wel, ik koos het liever beneden Keulen, of nog lager. Het liefst van allen was ik in Holland.”“Dat is ook een best land,” zei Pols, in triomf zijne vrienden aanziende.“Men heeft er ten minste beter, wat een mensch toekomt,” ging de kastelein voort: “maar dat heb ik hier ook; ik moet niet klagen. Maar, weet ge, het land is daar meer zoo als het behoort; ik wil zeggen, dat het er vlak en effen is, en dat ge er zoo met geen bergen te worstelen hebt.”“Benijdt ge ons daarom?” riep Veervlug; “ik wou hartelijk, dat ge ons daarover beklaagdet. Het is misschien het eenige, dat mijn vriend in Holland anders zou wenschen; niet waar, Pols?”“En waarom?” zei onze vriend, die in dit gezegde al iets revolutionnairs meende op te merken: “wij hebben immers bij ons de duinen; en als ge iets uit de hoogte wilt zien, kunt ge op een toren klimmen.”“Ge hebt een mooi land, Mijnheer!” viel de kastelein in: “ik ken het door en door; ik ben er menigmalen met de kar met glaswerk geweest. Ik vraag je, waar vindt ge in heel Duitschland zoo’n schoonen weg, als tusschen Gouda en Rotterdam, zoo effen en vlak, en waar men alles om zich heen ziet, juist zoo als het is. Ik vraag je, wat hebben wij aan al die bergen? Niets dan last en ongemak. Waarlijk, een mensch is niet op dat klimmen gemaakt;dan moest hij een ander fatsoen hebben, en niets zoo regtstandig. Ik weet wel, dat ik het niet zeggen mag, maar ik begrijp mij niet, waar al die bergen voor dienen, behalve voor de steenbokken en de eekhorentjes. Maar het minst van allen begrijp ik mij, wat al die reizigers er aan vinden, die als katten tegen die bergenopklauteren; want wat ze van al die ruime gezigten praten, dat is voor de vaak; een mensch kan maar één ding te gelijk zien; en de rest ziet er allemaal in de verte heel anders uit, dan het is. Ik zie liever de zaken in haar natuurlijken staat.”“Ge moet volstrekt eens in Leyden komen, vriendje, en daar, ’s avonds bij het quadrilletafeltje inde Paauw, wat gaan zitten koeteren. Ge doet daar zeker opgeld; ’t is of ik een van dat partijtje hoor praten,” zei Torteltak. “Maar ik vind toch je land zoo kwaad niet, en daar groeit betere wijn, dan bij ons tusschen Gouda en Rotterdam. Vooral die van uw buurman, boven op den berg, is uitmuntend.”“Daar hebt ge ’t alweêr,” zei de kastelein. “Nu is die wijn boven weêr beter; dat komt van die bergen. Nu doe ik en een ander evenveel moeite aan den wijnbouw; maar Prins Metternich krijgt toch den besten, en maakt grof geld, terwijl onze wijn in de vaten kan liggen verzuren.”“Dat merk ik,” zei Veervlug, terwijl hij een klein slokje van den wrangen landwijn opslurpte.“Nu, wees maar tevreden,” zei Torteltak; “wij zullen er u wel wat doorhelpen. Als ik eens trouw, dan kom ik u nog eens opzoeken; dan wil ik met plaisir een paar dagen bij u logeren.”“Ja,” zei Pols, “dat is een goede inval; het moet hier wel aardig wezen, om met een jong vrouwtje een paar stille en rustige dagen door te brengen.”“Pas maar op, dat het u geen ongeluk aanbrengt,” zei de kastelein. “Ik heb eens een paartje hier bij mij gehad; daar is het niet best meê afgeloopen.”“En laat eens hooren hoe?” vroegen de vrienden.“’t Is hier wel juist niet gebeurd,” zei degastgeber; “daarom kan ik het des te geruster vertellen, zonder dat het mij schade doet, maar toch, de jongelieden waren de eerste dagen hier aan huis. Gij moet dan weten, dat ik vroeger zooveel als eerste knecht was in een heerenhuis te Frankfort, bij Mijnheer Schmallheim.”“Schmallheim? dien ken ik wel!” riep een der vrienden. “Hij heeft zijn buiten aan den Main.”“Nu ja, dezelfde. Dan zult ge wel weten, dat hij drie dochters heeft, engelen van kinderen; maar daar wilde ik nu niet van spreken. Ik heb ze ook in geen tien jaren gezien; want het gaat nu aanstaande voorjaar al in ’t elfde jaar, dat ik er uit huis trouwde met mijne tegenwoordige vrouw, die er zooveel als derde meid was. En toen wij getrouwd waren, trokken wij hier naar toe, in deze affaire, die Mijnheer voor ons gekocht had.”“En waart gijlui toen dat ongelukkige paartje?” vroeg Veervlug lagchend.“Wel neen; daar zijn wij nog niet aan toe; dat zou ook wat moois wezen; dat is wel vijf jaren later geweest. Laat eens zien! Tien jaren ben ik nu van Mijnheer van daan, en het is nu metterhaast vijf jaar geleden, dat... Ja, het zal vijf jaar later geweest zijn, toen ik een brief van Mijnheer ontving.”“Dan ging de correspondentie niet druk,” merkte Torteltak aan.“Neen; maar dat wou ik ook niet zeggen. Weet ge, Mijnheer schreef mij, dat ik twee dagen later, met een rijtuig, digt bij zijn buiten te Frankfort moest wezen. Of het nu op een Donderdag of op een Vrijdag was, is mij ontschoten; maar dat zou ik nog kunnen nazien in den almanak, want het is nu vijf jaren geleden, en het was een schrikkeljaar.”“Ga maar voort; dat kunnen wij straks nazien.”“Nu dan! ik maakte, dat ik er was; want ik deed altijdalles wat Mijnheer mij zeide, of het goed was en of het kwaad was; maar kwaads gelastte hij mij nooit, in al de vijftien jaar, dat ik bij hem gewoond heb, en de tien jaren, die ik nu al van hem weg ben, dat in het voorjaar al elf jaar wordt.—Nu, zoo als ik zeide: ik stond ’s avonds met het rijtuig op mijn post, en oude Johann kwam bij mij en zei: “Wilhelm, je krijgt straks een jonggetrouwd paar; maar je rijdt maar met hen door, tot je t’huis bent, en je logeert ze maar bij je, hoor!”—“Goed,” zei ik, “als ze zich met mijn buitenherberg willen vergenoegen. Ik zal ze het beste geven wat ik heb.”—En ik wachtte nog een uurtje, misschien wel anderhalf,—en ja wel, daar kwamen ze.—“Voort maar!” riep Johann, toen hij het rijtuig toegemaakt had, en ik lei er de zweep over, en ik reed door, of er niemand in zat, en ik zag niets van hen, en ik hoorde niets, want ik had er geen boodschap meê, wat zulke jongelui malkaêr te vertellen hadden. En zelfs onderweg, als ik water gaf, hield ik me maar, of ik niemand bij me in den wagen had; behalve te Beberich, toen kwam er de jonge Heer uit, en ik zei hem goeden avond; maar ik kende hem niet, en het stond mij niet voor, dat ik hem ooit bij Mijnheer aan huis gezien had; maar ik ontgaf het mij, want het was al vijf jaar, dat ik van Mijnheer weg was, en met het voorjaar wordt het er al elf; en ik reed weêr verder, en het was al heel laat in den nacht, toen ik hier stilhield, juist op het plekje, waar ik nu sta. En ik riep tegen mijne vrouw, dat ze met licht zou komen, en zij kwam ook, maar zonder licht, en zij hielp er het volk uit: en ik bragt de paarden naar den stal, en ik kwam weêr binnen. Maar toen kwam de jonge Juffrouw naar mij toe, en ze zei tegen mij, of ze mij mijn heele leven gekend had: “Ken je me dan niet meer, Wilhelm?”—“Wel neen,” zei ik, “hoe wou ik je kennen?”—Maar toen ik ze eens regt aangekeken had, toen zei ik toch: “Het ontschiet me, ofje haalt na Elize van Mijnheer Furchtbach.”—En toen mijne vrouw ook: “Heden ja, het is Jufvrouw Elize, die zoo veel bij ons aan huis verkeerd heeft,” altijd bij Mijnheer aan huis; maar het was al vijf jaar, dat ik bij Mijnheer van daan was, en ik moest ze altijd om zeven uur ’s avonds te huis brengen; want Mijnheer was wat gestreng, en die wou nooit, dat zijne dochter of Juffrouw Elize nachtliepen.—Maar hoe wij allebei nu stonden te kijken, toen ze daar in het midden van den nacht voor onze oogen stond, en zoo groot geworden, waarlijk eene heele juffrouw, en toen ik dezen Mijnheer aankeek, en toen ik dacht, watJohanntegen mij gezeid had, dat zij zamen getrouwd waren!—Maar toen deed zij er ons de uitlegging van, hoe die Mijnheer uit Holland gekomen was, en haar gezien had, toen hij bij oom Furchtbach aan huis kwam, om een wissel te incasseren; maar dat was alles na mijn tijd, want ik was toen al vijf jaren bij Mijnheer van daan. En toen was de Juffrouw goed aan Mijnheer bevallen, en zoo wederkeerig; en hij zocht verkeering over haar; maar haar oom had veel tegen hem, omdat hij geene zaken aan de hand had, en hij had toch geld genoeg om te leven, en goed ook; dus dat was onredelijk; en de mama van Juffrouw Elize had er niets tegen, maar zij zat ook al onder dien oom, en zij woonde daar in huis. En dus had de jonge Mijnheer geene gelegenheid om de Juffrouw te zien, dan als hij met een wisseltje kwam, om den hoek van de deur; want bij mijn Mijnheer, daar hij ze meer ontmoette, mogt ze ook al geen voet meer zetten; en toen kwam hij tweemaal in de week met een wissel; en toen had Mijnheer nog veel meer tegen hem, en zei, dat hij een doorbrenger was; en de jonge Juffrouw wierd er ziek van, maar dat kon niet baten; en Mevrouw had evenwel alleen regt over hare dochter, maar zij was te bang voor haren broeder. Maar toen moest Mijnheer Furchtbach op reis voor zijne affaires, en toen kwam mijn Mijnheerer bij, en die wist het met den jongen Mijnheer zoo mooi te praten, dat de mama toestond, dat zij nu in stilte zouden trouwen, terwijl de oom weg was, en mijn Mijnheer maakte de papieren in orde; en ik zou dat alles zeker bezorgd hebben, maar ik was toen al vijf jaren bij Mijnheer van daan. En toen gingen de mama en Juffrouw Elize ’s morgens uit, en de jonge Mijnheer wachtte ze op op straat, en zij trouwden, zonder dat er een haan naar kraaide; en zij schreven een briefje aan Mevrouw Furchtbach, dat zij op reis gingen, maar die was er ook zoo niet tegen als Mijnheer; en toen was er bruiloft bij mijn Mijnheer buiten, en ’s avonds—dat ik mij nu maar niet herinneren kan, of het Donderdag was of Vrijdag!—althans ’s avonds moest ik met het rijtuig komen, en ik bragt ze bij mij in de herberg, zoo als ik u straks verteld heb—Maar nu zult gij misschien vragen, wat Mijnheer Furchtbach zei, toen hij te huis kwam?—Maar hij kwam niet te huis, althans niet voordat hij ze gezien had, want den tweeden dag, dat zij hier waren,—laat eens zien! dat was op een Zondag; nu, dan was het ook op een Vrijdag, dat ik ze gehaald heb; dat ik daar zoo even niet op kon komen!—gingen zij eens wandelen. Nu, dat mogten zij wel doen, want zij waren even wettig getrouwd, en zij verscholen zich maar hier, omdat Mijnheer Furchtbach in het begin zeker te veel geweld zou maken. Maar juist waren zij op den straatweg aan den overkant, en daar komt de oom in een rijtuig aan, en hij hield ze staande ook en hij schold den jongen Heer uit voor een maagdenroover; maar deze had de papieren in zijn zak, dat hij getrouwd was, en de oom moest optrekken, woedend van drift; maar hij kon er niets meer aan doen; en toen zijn de jonge luidjes nog twee dagen bij mij geweest—laat eens zien! ja, het was op een Dinsdag, toen zij heengingen; ’t is nu al over de vijf jaren geleden,—waar blijft de tijd!—en toen zijn ze naarAken gaan wonen, totdat het zoo bitter ellendig met die lieve, goede menschen is afgeloopen.”“Ja, wij kennen de historie,” viel Torteltak in, die in het begin het verhaal opmerkzaam had aangehoord, maar langzamerhand in treurig gepeins verzonken was. “Wij hebben haar op den St. Gothard ontmoet.”“Zoo! dan weet gij het, hoe akelig het met haar gesteld is. Gij zoudt haar dan ook niet meer kennen, als gij haar nu zaagt.”“Waar is zij dan?” vroeg Torteltak; “is zij al te Frankfort? Ik heb ten minste toen maatregelen genomen, om haar daarheen te transporteren.”“Wel, zij is hier, hier in mijn huis,” zei de kastelein, “al sedert eergisteren,—neen, laat eens zien! al sedert vooreergisteren; maar zij is geheel onnoozel. Toen zij te Frankfort kwam bij Mijnheer Schmallheim—want haar oom wou nu zelfs nog niets van haar weten, en hij zeide, dat het haar eigen schuld was; de arme vrouw—toen zou mijn Mijnheer haar zeker bij zich gehouden hebben; maar de pokken waren bij hem aan huis, en Juffrouw Clementine is er deerlijk van geschonden; en de doctor vond het goed, dat de arme Mevrouw Sindenton weêrgebragt werd naar de plaats, waar zij het eerst gelukkig geweest was, omdat zij misschien dan van hare verdooving zou terugkomen; maar het heeft niets geholpen; want zij was niets getroffen van de plaats, en zij kende mij niet meer, en mijne vrouw ook niet; en toch, wij hebben zoo veel jaren met haar verkeerd, en toen die vier dagen ook nog, dat nu vijf jaren geleden is; en zij zit maar stil; en wij hebben ze de boerinnenplunje maar aangetrokken, omdat zij dan minder in het oog zou vallen; maar ook daar heeft ze niets van gemerkt. Het eenige, daar zij nog meê bezig is, is met mijn jongetje, dat daar zit; somtijds streelt zij het nog wel eens, en zegt dan: Anton! maar als die er niet is, houdt zij zich met niets bezig en spreekt geen woord.Terwijl de kastelein deze laatste woorden zeide, zagen de vrienden eene boerin achter het huis aankomen. Verschrikt keken zij op. Torteltaks oogen ontmoetten de haren, die hem een oogenblik wezenloos aanstaarden. Maar zij ontroerde niet, en naderde zachtjes naar het kind, dat steeds aan den boomstam leunde. Zij kuste het voor het voorhoofd, en zette zich toen naast hem, en begon met den houten kolonel te spelen.De vrienden stonden spoedig op, en verlieten met ontroering de plaats.Twee maanden na hunne terugkomst ontving Torteltak een brief van den Heer Schmallheim, bij wien hij zich naar de weduwe zijns vriends geïnformeerd had, en die hem meldde, dat op zekeren avond, terwijl zij weêr met het kind en den houten kolonel speelde, een flaauwe gil den kastelein uit het huis had doen komen, en dat hij haar, tegen den boomstam gezonken, dood had gevonden.
Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het titelvignet voorstelt.
Hetwelk misschien voor sommige lezers zal ophelderen, wat het titelvignet voorstelt.
Daar zijn weinig zintuigen, die den menschen over het algemeen meer geld kosten, dan de smaak. Het ligt toch in de menschelijke natuur, om ze allen ten behoorlijken, en soms ook ten onbehoorlijken tijde in gelegenheid te stellen, om gestreeld te worden. Nu kan men de overige zintuigen nog al eens gratis het een of ander genoegen verschaffen. Het gezigt, bij voorbeeld, verlustigt zich kosteloos in een schoon landschap, op eene gepaste wijze door de zon verlicht, of, zoo dit niet in zijngenrevalt, in den windwijzer op de nieuwe Willemspoort te Amsterdam en de klok, waarvan de plaat, voor de variatie, in plaats van den wijzer ronddraait. Het gehoor wordt even kosteloos gestreeld, als de nachtegaal zijne minneliederen kweelt, of als de Secretaris van de pui van het stadhuis afleest. De genietingen des reuks in de geuren, die de bloemen des velds of de grachten (burgwallen) der hoofdstad uitwasemen, behoeven nooit te worden betaald, evenmin als die van het gevoel, bij de aanraking van een paar malsche lipjes (ieder heeft toch wel één paar in zijne familie), of van stuifzand, dat zich van den straatweg in het menschelijk oog verplaatst. Maar nu de smaak! Ik bid u, welke amusement kunt gij dit zintuig verschaffen, waarbij niet te gelijk uwe beurs in het spel komt? Een dikke, vochtige mist is misschien het eenige, dat zich tot dit doel geheel belangeloos bij u aanmeldt, daar hij aan den smaak vanstervelingen die gewaarwordingen meêdeelt, welke buiten hem slechts Soester knolletjes vermogen op te wekken. Maar ook dit genoegen is slechts weggelegd voor weinigen, die de daartoe vereischte gelukkige en beminnelijke habitude hebben van altijd met een open mond te wandelen; ieder ander is genoodzaakt dagelijks van zijn rijkdom of zijne armoede ten offer te brengen, om niet door de blijken van ontevredenheid zijns smaaks te worden gekweld.
Meestal is het de overtuiging en ondervinding hiervan, die velen zoo hevig doet ijveren tegen de genietingen, die men den smaak bereidt, en laag doet neêrzien op dezulken, die daarvoor nu en dan nog wel eens wat over hebben, terwijl dezelfde menschen veel verdraagzamer zijn omtrent de amusementen der overige zintuigen. Het denkbeeld “het genot is kort, en ieder voorwerp kan slechts eenmaal dat genot verschaffen” doet gewoonlijk dien ijver ontbranden en die minachting geboren worden. Bij de minsten dezer berispers komt het ooit op, dat deze genietingen de meest dierlijke, ja soms niets dan dierlijk zijn.
Zonder zich echter in eenig opzigt met deze of dergelijke bespiegelingen in te laten, bestelden Polsbroekerwoud en zijne vrienden, op den top van den Johannisberg gekomen, eene flesch goudlak, en zonder zich aan den onmatig hoogen prijs van deze genieting te ergeren, savoureerden zij den eêlsten en beroemdsten van alle Rijnsche wijnen. Het spreekt dan ook van zelve, dat zij met zekeren eerbied de gevulde glazen opnamen, en deze op de reis naar den mond een kleinen omweg lieten maken langs den neus, die van hetbouquetgenieten moest, en dat toen reeds de vrienden elkander veelbeteekenend toeknikten; ook dat toen de eerste teug in aanraking kwam met het verhemelte, eene soort van verrukking allen aangreep, zoo als ieder, die den duren kabinetswijn proeft en betaalt, gevoelt, of zich althans verpligt rekent te gevoelen. Het is opmerkelijk, dat eene flesch van dezen wijn, die toch waarlijk zooveelkrachtiger niet is dan andere fijne Rijnwijnen, in staat is om een geheel gezelschap tot een hoogen trap van verheuging op te voeren, en dat reizigers, die voor een paar flesschen Bourgogne niet staan, na het gebruik van twee glazen Schloss-Johannisberger-kabinet-goudlak, wel weergaas goed gevoelden, dat zij wat gedronken hadden. Te meer nog verdient het de aandacht, dat de keldermeester als er wat veel bezoekers van den berg zijn, zich vaak genoodzaakt ziet een zeer gewonen ligten Rijnwijn in die goudlakflesschen op te disschen, en dat de verrukking en het bedwelmend effect altijd dezelfde blijven.
Wat hier ook van zij, onze vrienden geraakten bij het gebruik van twee flesschen in eene vrolijk opgewonden stemming, zoo zelfs, dat Pols het meisje, dat licht voor de sigaren bragt, tweemaal vriendelijk toeknikte, en daarna zachtjes onder de kin streelde, waarop Torteltak aanmerkte, dat zijn vriend aanmerkelijke vorderingen had gemaakt in de kunst van minnekozen.
“Ik hoop er wel spoedig in volleerd te worden,” dacht Pols; doch hij zeide het niet, want zoolang de zaak van zijn engagement nog niet gedecideerd was, had hij besloten het diepste stilzwijgen te bewaren. Maar hij zag er geen gevaar in, zichzelven op te wiegen in vrolijke verwachtingen en hoop op geluk, als hij met zijne Caroline in den Oppert zou wonen, en hij haar gedurig zou verrassen, door wekelijks het houtvlotje van nieuwe bloemen te voorzien, en door zelf beste springlevende visch van de markt te halen. Hoe lief zouden zij daar zamen in de tuinkamer zitten—zij in den gemakkelijken stoel van zijn vader, hij op een stoofje aan hare voeten! Hoe zouden zij zich daar verbeelden buiten te wonen, als de geur der bloemen hun van het houtvlot tegenwoei, terwijl de leeuwerik en de vinken in kooijen sloegen en kweelden! Hoe veel vergoeding zou dit alles aan zijne jonge vrouw geven, die om hem haar schoon land verliet, en hoe verheugde hethem, dat hij juist daar woonde, waar hij, als zijne lieve van hare Rijn dweepte, met billijken trots op de Rotte kon wijzen, die langs zijn huis haren arm tot aan de boerenvischmarkt uitstrekte! Neen, zoo gelukkig was hij nooit geweest; zooveel geluk kon Mijntje hem niet geven, hoeveel zij ook van hem hield. En zelfs met Leentje, de dochter van den droogist uit Utrecht, die zoovele weken bij zijne nicht Van Schalen had gelogeerd, had hem zijn huis zulk een tempel vanhuwelijksgelukniet kunnen worden. Het is waar, hij had dit Leentje meenen te beminnen; hij had zelfs bij den ouden droogist om hare hand aangehouden: maar hoe koel was dat antwoord geweest, dat zij hem wel hoogachtte, maar niet tot eene eerlijke verkeering met hem kon besluiten! Een nacht had hij er niet van kunnen slapen, schoon ook Mijntje, om hem over het verlies van dat meisje te troosten, zulke heerlijke varkenskarbonaden voor hem gebraden had. Maar hij had spoedig leeren inzien, waarom het meisje niet bevallen kon. Zij wilde hooger op; zij moest schitteren in de wereld; en daarom gaf zij kort daarna hare hand aan een tweeden Luitenant bij de Infanterie.
Hoeveel beter dan deze was zijne tweede liefde!Carolinewas nietcocquet, niet zoo ijdel; zij was naif, onschuldig, teerder; zij had hem uit achting haar hart geschonken; hij haar uit achting en liefde zijn hand aangeboden. Deze verbindtenis moest gelukkig wezen. Het was hier geheel anders toegegaan, dan met dezulken, die onder de hedendaagsche jongelieden op een bal gesloten worden, waar de liefde uit een wals geboren wordt, en waarvan de zinnelijkheid door gedurig herhaalde genietingen wordt onderhouden. Neen, hij had zijne beminde leeren kennen in de vrije natuur op een concert; hij had het eerstontdekt, dat hij haar liefhad, bij een hartverheffend oratorium; hij had zijne plannen gevormd, om met haar gelukkig te zijn, terwijl zij zich zamen onder onschuldigevolksspelen verlustigden, en bij eene vertrouwelijke avondwandeling hadden zij elkander hunne liefde beleden. Hij kende haar alzoo onder verschillende omstandigheden; hij had haar ook in den huiselijken kring gadegeslagen, toen hij met zijne vrienden bij de Blumengartens soupeerde. Zoo dus zulk eene liefde niet de bron werd van ongestoord huwelijksgeluk, dan kon er nooit huwelijksgeluk op de wereld bestaan.
Onder den invloed van deze en dergelijke redeneringen, die allen tot dezelfde gelukkige resultaten leidden, volgde Pols zijne vrienden, die luidruchtig, vrolijk en dartel den berg afhuppelden, als wilden zij aan de geheele wereld toonen, dat zij niet maar voor de leus, of om het uitzigt, naar boven geklommen waren. Maar om aan den anderen kant te toonen, dat zij niet ongezind waren, om ook met andere wijnen kennis te maken, hielden zij stil voor de kleine herberg in het dorp, en riepen den kastelein toe, hun eene flesch Johannisdorfer voor de deur te brengen.
Een paar boomen, voor het huis geplaatst, waarschijnlijk niet om binnen beschutting te geven tegen de brandende zon, iets waarvoor de kleine tralievenstertjes genoegzaam zorgden, maar meer, om door zekere kunstige leiding een prieel na te bootsen, boden den warmen reizigers eene koele rustplaats aan. De bewoners van de herberg schenen hieraan evenwel geen behoefte te gevoelen; want een driejarig knaapje zat, met een houten kolonel in de armen, zich in de hitte des middags te verlustigen, en zocht zich misschien daardoor schadeloos te stellen voor het gebrek aan waschwater, waarvan zijn gezigtje, handjes en beentjes duidelijke sporen droegen; de magere hond, met gesloten oogen den kop vooruitstekende, ving de stralen op, die de zon dien kant verkoos uit te zenden; en zelfs de dikke kastelein, met wien de vrienden een praatje maakten, plaatste zich zoodanig, dat het bladerrijk geboomte hem niet al de warmte ontroofde.
“Wat een heerlijk land bewoont ge hier toch!” zei Veervlug, nadat hij eene poos zijne oogen had laten weiden over den schoonenRheingegend, naar den kant van het nabijgelegen Bingen en Rüdesheim.
“Dat schikt wel genoeg,” zei de kastelein, “ten minste voor deze streken. ’t Zou evenwel anders mijne verkiezing niet wezen.”
“Ge schijnt niet heel gemakkelijk te voldoen,” zei de ander. “Laat eens hooren, waar zoudt gij het dan zoeken?”
“Wel, ik koos het liever beneden Keulen, of nog lager. Het liefst van allen was ik in Holland.”
“Dat is ook een best land,” zei Pols, in triomf zijne vrienden aanziende.
“Men heeft er ten minste beter, wat een mensch toekomt,” ging de kastelein voort: “maar dat heb ik hier ook; ik moet niet klagen. Maar, weet ge, het land is daar meer zoo als het behoort; ik wil zeggen, dat het er vlak en effen is, en dat ge er zoo met geen bergen te worstelen hebt.”
“Benijdt ge ons daarom?” riep Veervlug; “ik wou hartelijk, dat ge ons daarover beklaagdet. Het is misschien het eenige, dat mijn vriend in Holland anders zou wenschen; niet waar, Pols?”
“En waarom?” zei onze vriend, die in dit gezegde al iets revolutionnairs meende op te merken: “wij hebben immers bij ons de duinen; en als ge iets uit de hoogte wilt zien, kunt ge op een toren klimmen.”
“Ge hebt een mooi land, Mijnheer!” viel de kastelein in: “ik ken het door en door; ik ben er menigmalen met de kar met glaswerk geweest. Ik vraag je, waar vindt ge in heel Duitschland zoo’n schoonen weg, als tusschen Gouda en Rotterdam, zoo effen en vlak, en waar men alles om zich heen ziet, juist zoo als het is. Ik vraag je, wat hebben wij aan al die bergen? Niets dan last en ongemak. Waarlijk, een mensch is niet op dat klimmen gemaakt;dan moest hij een ander fatsoen hebben, en niets zoo regtstandig. Ik weet wel, dat ik het niet zeggen mag, maar ik begrijp mij niet, waar al die bergen voor dienen, behalve voor de steenbokken en de eekhorentjes. Maar het minst van allen begrijp ik mij, wat al die reizigers er aan vinden, die als katten tegen die bergenopklauteren; want wat ze van al die ruime gezigten praten, dat is voor de vaak; een mensch kan maar één ding te gelijk zien; en de rest ziet er allemaal in de verte heel anders uit, dan het is. Ik zie liever de zaken in haar natuurlijken staat.”
“Ge moet volstrekt eens in Leyden komen, vriendje, en daar, ’s avonds bij het quadrilletafeltje inde Paauw, wat gaan zitten koeteren. Ge doet daar zeker opgeld; ’t is of ik een van dat partijtje hoor praten,” zei Torteltak. “Maar ik vind toch je land zoo kwaad niet, en daar groeit betere wijn, dan bij ons tusschen Gouda en Rotterdam. Vooral die van uw buurman, boven op den berg, is uitmuntend.”
“Daar hebt ge ’t alweêr,” zei de kastelein. “Nu is die wijn boven weêr beter; dat komt van die bergen. Nu doe ik en een ander evenveel moeite aan den wijnbouw; maar Prins Metternich krijgt toch den besten, en maakt grof geld, terwijl onze wijn in de vaten kan liggen verzuren.”
“Dat merk ik,” zei Veervlug, terwijl hij een klein slokje van den wrangen landwijn opslurpte.
“Nu, wees maar tevreden,” zei Torteltak; “wij zullen er u wel wat doorhelpen. Als ik eens trouw, dan kom ik u nog eens opzoeken; dan wil ik met plaisir een paar dagen bij u logeren.”
“Ja,” zei Pols, “dat is een goede inval; het moet hier wel aardig wezen, om met een jong vrouwtje een paar stille en rustige dagen door te brengen.”
“Pas maar op, dat het u geen ongeluk aanbrengt,” zei de kastelein. “Ik heb eens een paartje hier bij mij gehad; daar is het niet best meê afgeloopen.”
“En laat eens hooren hoe?” vroegen de vrienden.
“’t Is hier wel juist niet gebeurd,” zei degastgeber; “daarom kan ik het des te geruster vertellen, zonder dat het mij schade doet, maar toch, de jongelieden waren de eerste dagen hier aan huis. Gij moet dan weten, dat ik vroeger zooveel als eerste knecht was in een heerenhuis te Frankfort, bij Mijnheer Schmallheim.”
“Schmallheim? dien ken ik wel!” riep een der vrienden. “Hij heeft zijn buiten aan den Main.”
“Nu ja, dezelfde. Dan zult ge wel weten, dat hij drie dochters heeft, engelen van kinderen; maar daar wilde ik nu niet van spreken. Ik heb ze ook in geen tien jaren gezien; want het gaat nu aanstaande voorjaar al in ’t elfde jaar, dat ik er uit huis trouwde met mijne tegenwoordige vrouw, die er zooveel als derde meid was. En toen wij getrouwd waren, trokken wij hier naar toe, in deze affaire, die Mijnheer voor ons gekocht had.”
“En waart gijlui toen dat ongelukkige paartje?” vroeg Veervlug lagchend.
“Wel neen; daar zijn wij nog niet aan toe; dat zou ook wat moois wezen; dat is wel vijf jaren later geweest. Laat eens zien! Tien jaren ben ik nu van Mijnheer van daan, en het is nu metterhaast vijf jaar geleden, dat... Ja, het zal vijf jaar later geweest zijn, toen ik een brief van Mijnheer ontving.”
“Dan ging de correspondentie niet druk,” merkte Torteltak aan.
“Neen; maar dat wou ik ook niet zeggen. Weet ge, Mijnheer schreef mij, dat ik twee dagen later, met een rijtuig, digt bij zijn buiten te Frankfort moest wezen. Of het nu op een Donderdag of op een Vrijdag was, is mij ontschoten; maar dat zou ik nog kunnen nazien in den almanak, want het is nu vijf jaren geleden, en het was een schrikkeljaar.”
“Ga maar voort; dat kunnen wij straks nazien.”
“Nu dan! ik maakte, dat ik er was; want ik deed altijdalles wat Mijnheer mij zeide, of het goed was en of het kwaad was; maar kwaads gelastte hij mij nooit, in al de vijftien jaar, dat ik bij hem gewoond heb, en de tien jaren, die ik nu al van hem weg ben, dat in het voorjaar al elf jaar wordt.—Nu, zoo als ik zeide: ik stond ’s avonds met het rijtuig op mijn post, en oude Johann kwam bij mij en zei: “Wilhelm, je krijgt straks een jonggetrouwd paar; maar je rijdt maar met hen door, tot je t’huis bent, en je logeert ze maar bij je, hoor!”—“Goed,” zei ik, “als ze zich met mijn buitenherberg willen vergenoegen. Ik zal ze het beste geven wat ik heb.”—En ik wachtte nog een uurtje, misschien wel anderhalf,—en ja wel, daar kwamen ze.—“Voort maar!” riep Johann, toen hij het rijtuig toegemaakt had, en ik lei er de zweep over, en ik reed door, of er niemand in zat, en ik zag niets van hen, en ik hoorde niets, want ik had er geen boodschap meê, wat zulke jongelui malkaêr te vertellen hadden. En zelfs onderweg, als ik water gaf, hield ik me maar, of ik niemand bij me in den wagen had; behalve te Beberich, toen kwam er de jonge Heer uit, en ik zei hem goeden avond; maar ik kende hem niet, en het stond mij niet voor, dat ik hem ooit bij Mijnheer aan huis gezien had; maar ik ontgaf het mij, want het was al vijf jaar, dat ik van Mijnheer weg was, en met het voorjaar wordt het er al elf; en ik reed weêr verder, en het was al heel laat in den nacht, toen ik hier stilhield, juist op het plekje, waar ik nu sta. En ik riep tegen mijne vrouw, dat ze met licht zou komen, en zij kwam ook, maar zonder licht, en zij hielp er het volk uit: en ik bragt de paarden naar den stal, en ik kwam weêr binnen. Maar toen kwam de jonge Juffrouw naar mij toe, en ze zei tegen mij, of ze mij mijn heele leven gekend had: “Ken je me dan niet meer, Wilhelm?”—“Wel neen,” zei ik, “hoe wou ik je kennen?”—Maar toen ik ze eens regt aangekeken had, toen zei ik toch: “Het ontschiet me, ofje haalt na Elize van Mijnheer Furchtbach.”—En toen mijne vrouw ook: “Heden ja, het is Jufvrouw Elize, die zoo veel bij ons aan huis verkeerd heeft,” altijd bij Mijnheer aan huis; maar het was al vijf jaar, dat ik bij Mijnheer van daan was, en ik moest ze altijd om zeven uur ’s avonds te huis brengen; want Mijnheer was wat gestreng, en die wou nooit, dat zijne dochter of Juffrouw Elize nachtliepen.—Maar hoe wij allebei nu stonden te kijken, toen ze daar in het midden van den nacht voor onze oogen stond, en zoo groot geworden, waarlijk eene heele juffrouw, en toen ik dezen Mijnheer aankeek, en toen ik dacht, watJohanntegen mij gezeid had, dat zij zamen getrouwd waren!—Maar toen deed zij er ons de uitlegging van, hoe die Mijnheer uit Holland gekomen was, en haar gezien had, toen hij bij oom Furchtbach aan huis kwam, om een wissel te incasseren; maar dat was alles na mijn tijd, want ik was toen al vijf jaren bij Mijnheer van daan. En toen was de Juffrouw goed aan Mijnheer bevallen, en zoo wederkeerig; en hij zocht verkeering over haar; maar haar oom had veel tegen hem, omdat hij geene zaken aan de hand had, en hij had toch geld genoeg om te leven, en goed ook; dus dat was onredelijk; en de mama van Juffrouw Elize had er niets tegen, maar zij zat ook al onder dien oom, en zij woonde daar in huis. En dus had de jonge Mijnheer geene gelegenheid om de Juffrouw te zien, dan als hij met een wisseltje kwam, om den hoek van de deur; want bij mijn Mijnheer, daar hij ze meer ontmoette, mogt ze ook al geen voet meer zetten; en toen kwam hij tweemaal in de week met een wissel; en toen had Mijnheer nog veel meer tegen hem, en zei, dat hij een doorbrenger was; en de jonge Juffrouw wierd er ziek van, maar dat kon niet baten; en Mevrouw had evenwel alleen regt over hare dochter, maar zij was te bang voor haren broeder. Maar toen moest Mijnheer Furchtbach op reis voor zijne affaires, en toen kwam mijn Mijnheerer bij, en die wist het met den jongen Mijnheer zoo mooi te praten, dat de mama toestond, dat zij nu in stilte zouden trouwen, terwijl de oom weg was, en mijn Mijnheer maakte de papieren in orde; en ik zou dat alles zeker bezorgd hebben, maar ik was toen al vijf jaren bij Mijnheer van daan. En toen gingen de mama en Juffrouw Elize ’s morgens uit, en de jonge Mijnheer wachtte ze op op straat, en zij trouwden, zonder dat er een haan naar kraaide; en zij schreven een briefje aan Mevrouw Furchtbach, dat zij op reis gingen, maar die was er ook zoo niet tegen als Mijnheer; en toen was er bruiloft bij mijn Mijnheer buiten, en ’s avonds—dat ik mij nu maar niet herinneren kan, of het Donderdag was of Vrijdag!—althans ’s avonds moest ik met het rijtuig komen, en ik bragt ze bij mij in de herberg, zoo als ik u straks verteld heb—Maar nu zult gij misschien vragen, wat Mijnheer Furchtbach zei, toen hij te huis kwam?—Maar hij kwam niet te huis, althans niet voordat hij ze gezien had, want den tweeden dag, dat zij hier waren,—laat eens zien! dat was op een Zondag; nu, dan was het ook op een Vrijdag, dat ik ze gehaald heb; dat ik daar zoo even niet op kon komen!—gingen zij eens wandelen. Nu, dat mogten zij wel doen, want zij waren even wettig getrouwd, en zij verscholen zich maar hier, omdat Mijnheer Furchtbach in het begin zeker te veel geweld zou maken. Maar juist waren zij op den straatweg aan den overkant, en daar komt de oom in een rijtuig aan, en hij hield ze staande ook en hij schold den jongen Heer uit voor een maagdenroover; maar deze had de papieren in zijn zak, dat hij getrouwd was, en de oom moest optrekken, woedend van drift; maar hij kon er niets meer aan doen; en toen zijn de jonge luidjes nog twee dagen bij mij geweest—laat eens zien! ja, het was op een Dinsdag, toen zij heengingen; ’t is nu al over de vijf jaren geleden,—waar blijft de tijd!—en toen zijn ze naarAken gaan wonen, totdat het zoo bitter ellendig met die lieve, goede menschen is afgeloopen.”
“Ja, wij kennen de historie,” viel Torteltak in, die in het begin het verhaal opmerkzaam had aangehoord, maar langzamerhand in treurig gepeins verzonken was. “Wij hebben haar op den St. Gothard ontmoet.”
“Zoo! dan weet gij het, hoe akelig het met haar gesteld is. Gij zoudt haar dan ook niet meer kennen, als gij haar nu zaagt.”
“Waar is zij dan?” vroeg Torteltak; “is zij al te Frankfort? Ik heb ten minste toen maatregelen genomen, om haar daarheen te transporteren.”
“Wel, zij is hier, hier in mijn huis,” zei de kastelein, “al sedert eergisteren,—neen, laat eens zien! al sedert vooreergisteren; maar zij is geheel onnoozel. Toen zij te Frankfort kwam bij Mijnheer Schmallheim—want haar oom wou nu zelfs nog niets van haar weten, en hij zeide, dat het haar eigen schuld was; de arme vrouw—toen zou mijn Mijnheer haar zeker bij zich gehouden hebben; maar de pokken waren bij hem aan huis, en Juffrouw Clementine is er deerlijk van geschonden; en de doctor vond het goed, dat de arme Mevrouw Sindenton weêrgebragt werd naar de plaats, waar zij het eerst gelukkig geweest was, omdat zij misschien dan van hare verdooving zou terugkomen; maar het heeft niets geholpen; want zij was niets getroffen van de plaats, en zij kende mij niet meer, en mijne vrouw ook niet; en toch, wij hebben zoo veel jaren met haar verkeerd, en toen die vier dagen ook nog, dat nu vijf jaren geleden is; en zij zit maar stil; en wij hebben ze de boerinnenplunje maar aangetrokken, omdat zij dan minder in het oog zou vallen; maar ook daar heeft ze niets van gemerkt. Het eenige, daar zij nog meê bezig is, is met mijn jongetje, dat daar zit; somtijds streelt zij het nog wel eens, en zegt dan: Anton! maar als die er niet is, houdt zij zich met niets bezig en spreekt geen woord.
Terwijl de kastelein deze laatste woorden zeide, zagen de vrienden eene boerin achter het huis aankomen. Verschrikt keken zij op. Torteltaks oogen ontmoetten de haren, die hem een oogenblik wezenloos aanstaarden. Maar zij ontroerde niet, en naderde zachtjes naar het kind, dat steeds aan den boomstam leunde. Zij kuste het voor het voorhoofd, en zette zich toen naast hem, en begon met den houten kolonel te spelen.
De vrienden stonden spoedig op, en verlieten met ontroering de plaats.
Twee maanden na hunne terugkomst ontving Torteltak een brief van den Heer Schmallheim, bij wien hij zich naar de weduwe zijns vriends geïnformeerd had, en die hem meldde, dat op zekeren avond, terwijl zij weêr met het kind en den houten kolonel speelde, een flaauwe gil den kastelein uit het huis had doen komen, en dat hij haar, tegen den boomstam gezonken, dood had gevonden.