Zestiende Brief.Toulouse, 4 September.Den 1 dezer ’s morgens om 3 uren, namen wij de reis naar deze plaats aan, met den postwagen, die vanAvignonopToulouserijdt, en hier het eerste nachtverblijf houdt.In het begin is de weg tamelijk effen. Van de hoogte, bij het dorpVougide, heeft men een schoon gezigt op een soort van meer,l’Etang de Thaugenaamd, de zeehaven vanCette, en de warme baden vanBaleruc; deze baden worden gebruikt ter genezing van zwakheden in de leden,rhumatiekepijnen enz.Frontignan, om zijn’ lekkeren witten wijn ook bij ons bekend, ligt hier digt bij. In het meer, dat vrij groot is, zag ik eenige visschers bezig; men vangt ’er veel paling. Een eindje voortgereden hebbende, komt men door het stadjeMeze, waar niets bijzonders van te zeggen valt; het ligt 4 posten vanMontpellier. De weg werd hier en daar verlegd, en aanmerkelijk hersteld. Vervolgens kwamen wij doorMontagnac, een steedje, alwaar een Protestantsche Kerk is. Eer men tePezenaskomt, rijdt men over eene fraaije steenen brug, die over deHérault, waar van ik u in mijn vorigen geschreven heb, ligt; dat riviertje is hier al veel breeder dan in deCevennes,en stort zich bijAgde, omtrent drie uren van deze brug, in zee. De landstreek schijnt hier nog al redelijk vruchtbaar te zijn, en de weg is goed.Omstreeks tien uren voor den middag kwamen wij tePezenasaan, en stapten ’er af, om het middagmaal te houden; hebbende nu vanMontpellier6¼ post afgelegd. Met genoegen vernam ik, dat ’er tijd was, om het stadje te bezigtigen, want het zag ’er hier vrolijk en levendig uit; het was marktdag, en naar het geen ik al te koop zag, moet het hier aan allerlei soort van eetwaren niet ontbreken; ’er staan verscheidene gnappe huizen, en over het geheel heeft het hier een aanzien van welvarendheid; het maken van wollen stoffen is een voorname kostwinning der inwoners; enPezenasmoet aloud zijn, wantPliniusmaakt ’er reeds gewag van onder den naam vanPiscena, prijzende zeer de wol, die deze landstreek oplevert.De zoon vanCromwel, na dat hij uitEngelandgejaagd was, hield zich hier eenigen tijd op;Pezenasbehoorde toen aan den Prins vanConti, die, tevens Gouverneur vanLanguedoczijnde, hier een fraai Hotèl had, dat hij somtijds verkoos voor zijn verblijf. Hij bevond ’er zich toenRichard, zoon vanCromwel, onbekend (incognito) reizende, alleen en door de stad gaande, een landgenoot ontmoette, die even eens als hij uitgeweken was, en die zijn partij altijd getrouwelijk was toegedaan geweest; deze raadde hem aan, om een bezoek bij den Prins vanContiafteleggen, waar de vreemdelingen,en vooral deEngelschendoorgaans wel ontvangen werden, zonder dat men zelfs verpligt was, om zich onder zijn’ echten naam te doen kennen.Richardliet zich dan door zijn’ vriend geleiden, die hem bij den Prins aandiende als eenEngelschedelman, die door deze stad reisde om zich naarItaliëte begeven.Contiontving hem beleefdelijk, en over den toestand vanEngelandsprekende, zeide hij onder anderen, dat, hoewel hij ’er ver af was, om het gedrag vanOlivier Cromwelte billijken, hij echter, regt doende aan zijn dapperheid, groote bekwaamheden en diep doorzigt, bekende, dat hij waardig was, om te gebieden; maar, voer hij voort: hoe is het mogelijk dat hij zoo een dwazen zoon had.—DieRichard, die schoft, die bloodaard, was toch wel het verachtelijkste schepsel van den aarbodem,—wat is ’er van dien zot toch geworden?Richard, die zulk een onthaal in ’t geheel niet verwachtte, was verlegen wat hier op te antwoorden; doch zorgde wel, om zich niet bekend te maken.Wij aten hier vrij wel, en onder anderen goeden zeevisch. De landsdouw aan den anderen kant van de stad, beviel mij niet minder dan aan dien, daar wij ingekomen waren. Na 1¼ post gereden te hebben, verwisselden wij van paarden, op een plaatsje genaamdla Begude de Jordy. Het is allerliefst gelegen, ’er staat zeer veel hout, waar onder schoone en weelderig groeijende opgaande boomen; voor het posthuis is een fraaije altijd water gevende fontein,en digt daar bij een aangename tuin, waarin onderscheidene vruchten zeer wel schenen te groeijen; ik was verwonderd over de bevallige vruchtbaarheid van dit oord, waar van de grond in hoedanigheid veel van de gewone gronden hier omstreeks schijnt te verschillen; men zeide mij ook, dat dezelve voor het houtgewas inzonderheid beroemd was;—wat verder wordt de weg zanderig. BijBezieris de landstreek aangenaam, en deze stad doet zich niet onbevallig op; ’t was omtrent vijf uren na den middag, toen wij hier aankwamen; men rekentPezenasenBezierop 2¾ post. Ons nachtverblijf was hier bepaald, dus hadden wij den tijd, om de stad te zien. Zij is zeer oud, en het blijkt uit eenige oudheden, die ’er gevonden zijn, dat hier eeneRomeinscheVolkplanting bestond, en dat zij bekend was onder den naam vanJulia BitterraofCivitas Bitterensium. Wij stapten in de voorstad, waar de gewone herberg van den postwagen is, af. De steenen brug, die niet ver van daar over de rivierl’Orbeligt en vrij lang is, overwandelende, ging ik dat gedeelte van hetCanal du Languedoc, dat in die rivier uitloopt, bezigtigen; doch zag ’er niets anders dan eenige schutsluizen1; het kanaal zelve was, zooals doorgaans in dit jaargetij, geheel droog; aan den overkant van de rivier vervolgt het verder tot bijCette, waar het in zee stort.Paul Riquet, aannemer van deze vaart, naar het bestek vanAndreossy, werd teBeziergeboren. Van daar keerde ik terug naar de stad, dat slechts een kleine afstand is; zij is op een vrij hoogen heuvel aangenaam gelegen. Wij klommen ’er op. Van den wal naar den kant van de rivier, en bijzonder van eenterras, dat men deBelle Vedèrenoemt, heeft men een zeer uitgestrekt en allerverrukkendst gezigt op de rivier del’Orbe, in een aangename valei stroomende, de brug over dezelve en de bergen in ’t verschiet. Dit gezigt alleen is der moeite waard, om zich aan deze plaats optehouden. De Hoofdkerk komt ook op den wal uit, en van de plaats voor dezelve heeft men insgelijks een schoon gezigt. Het is een oud, en was naar het scheen in vroegere tijden een aanzienlijk gebouw; van binnen zag ik ’er niets bijzonders. Maar ik moet u een staaltje vertellen van verregaande onverdraagzaamheid, ten opzigte van de Joden, die hier in oude tijden plaats had. De zoogenaamde Christenen hadden vrij verlof, om hunne medeburgers en anderen, tot de Joodsche Kerk behoorende, die zij ontmoetten, van Zaturdag voor Palmzondag af, tot beloken Paasschen toe, te slaan en te mishandelen; en hetblijkt, dat dit nog al een soort van Kerkelijke instelling was; want de ongelukkigeIsraëlietengaven een groote som gelds aan de Hoofdkerk, dat is aan den Bisschop enz. om van deze allerschandelijkste onderdrukking bevrijd te zijn.—Diergelijke afschuwelijke misbruiken, hoewel minder wreed, hadden nog tot in onze dagen plaats, vooral hier en daar inDuitschland; doch dank zij dien weldadigen wijsgeerigen geest, welke thans door vele lasterlijk uitgekreten wordt; op de meeste plaatsen zijn zij reeds afgeschaft, of worden zulks nog dagelijks gedaan.Voor het overige levertBezierniets aanmerkelijks op; inwendig is de stad in ’t geheel niet fraai, en hoewel nog al tamelijk uitgestrekt, bevat zij niet meer dan 12,500 inwoners, die van de voorsteden hier onder begrepen. In vroegere eeuwen moet de bevolking hier ongelijk veel sterker geweest zijn: want men leest in de geschiedbladeren, dat in het begin van de 13eeeuw, toen de ongelukkigeAlbigenzenzoo wreed vervolgd werden, en men zelfs kruistogten tegen hen deed, ’er in deze stad op eenen dag omtrent de 60,000 menschen omkwamen; de rampzalige slagtoffers vluchtten in de Kerken en hier vermoordde men hen ook niet alleen, maar men sloot zelfs de deuren van sommige dier gebouwen toe, stak ’er den brand in, en deed zoo alle, die ’er in waren, door de vlam omkomen—en wie was de Apostel van deze afgrijsselijke slagting?—wie anders, dan de heiligeDominicus. De vervolging der Protestanten, waarinBezierook rijkelijk gedeeldheeft, hebben zekerlijk ook geen goed gedaan aan de bloei en welvaart van deze ongelukkige stad. De Fabrieken en Koophandel, die ’er thans is, zijn van niet veel beteekenis; men maakt ’er zijden-kousen, een soort van bombazijn, perkament enz. als mede snuifdozen van wortel-, van palm- en olijfboomem.Ons avondmaal was redelijk, en wij aten omtrent met 20 personen, zoo vrouwen als mannen; men was nog al vrolijk; naast mij zat een jongAmerikaan, die mij veel vertelde van den bloeijenden koophandel van dat land; hij kwam uitHolland, alwaar hij een ladingColoniale productengebragt had, en ging naarMarseille, om ook over het aanvoeren van diergelijke goederen te handelen. Het schijnt dan of het ons Land enAmerika, even eens gaat als de schalen van een balans, naar mate dat de eene rijst, daalt de andere, met dit onderscheid echter, dat de ligtste hier omlaag hangt.Den 2 dezer vertrokken wij ’s morgens om 4 uren. De weg was aangenaam, en de grond scheen redelijk vruchtbaar; van de hoogtens heeft men schoone gezigten, en aan de regterhand een keten hooge bergen; doch weinig boomen. Eer men aan het dorpCoursankomt, gaat men over eene fraaije steenen brug, over de rivierl’Aude, en hier omtrent begint het Departement van dien naam.Narbonne.Narbonne.Omstreeks 9 uren kwamen wij teNarbonne, 3 posten vanBezier. Deze stad is een der oudste van deGaulen, en de eerste volkplanting, die deRomeinenaan gene zijde derAlpenvestigden, enNarbo Martiusnoemden2. Van het Kapitool, het Amphithéater enz. dat hier in die tijden bestond, ziet men thans niets meêr; in ’t geheel zijn ’er geen sporen van deRomeinschegrootheid en voormaligen luister meêr overig. De stad ligt nog in zijne muren enbastions, maar inwendig beteekent zij niet veel, dat mij verwondert, omdat de vaart, ofCanal de la Robine, uit de rivier deAudekomende ’er doorloopt, en omtrent 1½ uur beneden de stad in zee uitkomt3. Dit dunkt mij moest den handel aanwakkeren; maar het zag ’er in ’t geheel niet tierig uit, en de vaart, waarin eenige sluizen zijn, was zelfs genoegzaam droog. Naar ik vernam, was de mond van deze vaart, voorheen de zeehaven vanNarbonne, en waarin groote schepen kwamen, thans voor dezelve niet meêr bevaarbaar, door dat, de zee al meêr en meêr de kust ontweken zijnde, het daar te ontdiep is geworden4. Deze stad is in eene niet onaangename vlakte gelegen en van bergen omringd5; maar daar door is zij ook een verzamelplaats van al het water, dat ’er van rondom naartoezakt, en daar door vooral bij sterke regen vlagen onaangenaam6; doch zij staat in dit opzigt maar gelijk met het zoo hoog geroemdeParijs.De Hoofdkerk is het voornaamste, dat ’er teNarbonnete zien is, en hier toe hadden wij tijd en gelegenheid; want ’er moest gewacht worden naar het middag eten, en het was Zondag. Wij gingen ’er dan genoegzaam met al de reisgenooten, die zich op den postwagen bevonden, naar toe, en de galanteFranschenboden bij het inkomen van de Kerk aan de Dames het wijwater aan, daar ik, als hier niet aan gewoon, geen slag van had, en die plegtigheid alzoo maar agterweeg liet. Deze Kerk is, bij gebrek van geld, zoo men zegt, onvolmaakt gebleven, na dat men ’er van het laatst van de 13de eeuw, tot 1722 van tijd tot tijd aan bezig geweest was. Het koor alleen is dan maar voltooid, en daar naar te oordeelen, zou de geheele Kerk, indien zij naar evenredigheid was afgebouwd, een trotsch en prachtig gebouw geweest zijn. Het gewelf is zeer verheven, en heeft een reusachtig aanzien;voor de omwenteling zag men hier verscheidene kostbaarheden, en onder anderen een zilveren zon of praalkas, die door acht Priesters moest gedragen worden, en 600 mark zilver woog; men heeft ’er geld van geslagen. Het eene was hier verder naar het andere, en de Aardsbisschop, wiens Paleis hier ook digt bij staat, had een jaarlijks inkomen van 120,000 livres daar of daar omtrent. Toen wij ’er waren, was men bezig met de hoogmisse te zingen; het orgelmuzijk was zeer aangenaam, en devox humanazoo natuurlijk, dat wij het onder elkander een poos oneens waren, of ’er menschen zongen dan of het alleen het orgel was. De roode marmeren kolommen, die tot het groot altaar behooren, kwamen mij fraai en kostbaar voor. Men ziet ’er nog eenige vrij goede schilderijen. Het schoone stuk vanSebastiaan del Piombo, verbeeldende de opstanding vanLazarus, dat uit deze Kerk in de gallerij van de Hertog vanOrleansin hetPalais RoyalteParijsis gekomen, is thans met een groot deel van die galerij inEngeland.Wij deden een zeer goed maal in de herbergla Doradeop de kaai, aan de vaart staande; men schafte ’er onder anderen goede oesters en uitmuntenden zeevisch in soorten, waar ik mij dan ook, moetende weldra de kusten van deMiddellandsche Zeeverlaten, nog eens te goed aan deed. De prijs was als naar gewoonte. Van den beroemden honig vanNarbonne, heb ik niet gelikt. Hij is zeer geurig zegt men, omdat de bijen veel op de thijm,rozemarijn en andere geurige kruiden, die hier omstreeks groeijen, azen. De weinige handel van deze stad bestaat in dien honig, in leder dat ’er gelooid wordt, en koren, dat uit het hoogeLanguedockomt. Het getal der inwoners is, volgens de laatste telling, ruim 9000. Na den maaltijd vervolgden wij onzen weg, door een woestenij, tusschen de rotsen door, en waar naauwelijks een kruidje groeide; de gezigten echter zijn hier en daar niet onaardig. Verder op wordt de landstreek aangenamer en vruchtbaarder. Hier hadden wij ligt een ongeluk kunnen krijgen; depostillon, wat wild zijnde, had, terwijl deConducteurop deimperialesliep, alvorens een vrij steile hoogte afterijden, de wielen niet vastgemaakt, zoo als dit gebruikelijk is; maar reed ’er zoo hard, als de paarden maar loopen konden, af. Nu was ’er aan den voet van deze hoogte, regt over den weg, die daar draaide, een diepte, zoo dat wij, de paarden door de snelle vaart van den wagen denzelven niet kunnende houden, of den draai missende, ligtelijk van boven neder hadden kunnen storten; doch alles liep gelukkig af. Van de plaatsjes, die wij doorkwamen, valt niets bijzonders aanteteekenen; de wijngaarden, die wij hier en daar zagen, beloofden, zoo hier als elders, waar wij doorkwamen, eenen ongemeenen voordeeligen oogst. De wijnen vanLanguedoc, over het algemeen zwaar en geestig zijnde, stookt men daar van veel brandewijn, bijzonder aan de kanten vanMontpellierenNismes. Dit jaar heeft zulks nog veelalgemeener plaats om den rijken oogst, die men voorziet, en de geringe verzending over zee, door de ongunstige tijdsomstandigheden; want anders krijgen wij en deEngelschenoverBourdeauxook ons aandeel van die wijnen. Hier en daar heeft men aangename gezigten.De zon begon den gezigteinder te naderen, toen wij teCarcassonekwamen. Eerst komt men door de oude stad, die menla Citénoemt, en die, zoo veel ik in ’t voorbijgaan zien kon, wel oud en onoogelijk is; men ziet ’er nog de overblijfsels van een oud Kasteel, op eene hoogte gelegen. Ook staat hier de Hoofdkerk, waar in de opperste van die bloed- en roofgierige vervolgers derAlbigensen,SimonGraafde Montfortbegraven is; hij stierf in 1218. Dit gedeelte vanCarcassonemeent men dat de plaats is, waar oudtijds hetCarcassum Tectosagumbestond, dat een gemeenebest was onder deTectosaquense Volsques, en welk gemeenebest met meêr andere landen hier omstreeks, onder de beheering derRomeinengeraakte. Van hier klimt men af tot aan de rivier deAude, en komt vervolgens over eene fraaije steenen brug in de laage of nieuwe stad, die ruim en regelmatig gebouwd schijnt. Wij reden, langs eene aangename en lommerrijke gemeene wandelplaats, tot aan een herberg buiten de stad staande, alwaar wij ons nachtverblijf moesten houden; het zag ’er hier vrij wel uit.CarcassonneenNarbonneis 7½ post. Terwijl het nog schemerlicht was, ging ik de stad, waar van de poort over de herberg was,in, en zag in het midden van een vierkante plaats, rondom met boomen beplant, eene fraaije fontein, waarop het beeld vanNeptunusop zijn’ zeewagen. Deze stad zou mij, wat de ligging en het uiterlijk aanzien aanbelangt, wel bevallen; het schijnt ’er zeer levendig en welvarende; welke bloei men aan de aanzienelijke laken-fabrieken, waar van niet alleen de ingezetenen, maar zelfs vele hunner naburen leven, moet toeschrijven.Carcassonneis de hoofdplaats van het Departement del’Aude, men begroot de bevolking van die stad op 10,400. De rivier, hier tamelijk breed, is niet minder aangenaam, dan voordeelig. De wandelingen en gezigten, op de brug en aan de oevers zijn allerliefst. Met den Zondag avond zag ik daar veel menschen. HetCanal, of de vaart vanLanguedoc, stroomt ook niet ver vanCarcassonne, het geen insgelijks van belang is voor haar handel en fabrieken.Den 3 dezer waren wij weder om 4 uren op reis, om ’s avonds teToulousete zijn. Over onze herberg waren wij wel te vreden, en betaalden den gewonen prijs.TeCastelnaudary, 4½ post vanCarcassonne, en waar men ook van paarden verwisselt, vertoefde de wagen een poosje, om ons tijd te geven tot ontbijten; intusschen ging ik de kom (le bassin), van de vaart vanLanguedoc, die hier digt bij ligt, bezigtigen. Het is een vrij groot water7, en dat bovenop een hoogte,want dit is het hoogste gedeelte van de vaart vanLanguedoctusschen de twee zeeën; men heeft ’er daarom de verzamelplaats gemaakt van al het water, dat men rondom heeft kunnen opvangen, en dat uit den grooten vijver (reservoir) vanSt. Terriol, ook hier omstreeks liggende, in deze kom, die menle bassin de Naurouzenoemt, gebragt wordt; van waar het vervolgens door sluizen aan den eenen kant in de vaart, naar deGaronne, en vervolgens naar denOceäan, en aan den anderen kant naar deMiddellandsche Zeeloopt; deze weg werd aangewezen door een bron, die op deze hoogte ontsprong, en waar van het water ook Oost en West liep. Deze kom levert hier een aardig en gansch niet onaangenaam gezigt op; ik zag ’er verscheidene schuitjes inliggen, in den smaak van onze trekschuiten, waar van men, in den tijd als de vaart open is, gebruik maakt, om naar de omliggende plaatsen te varen. Het is wel der moeite waardig, om dit te regt beroemde waterwerk naauwkeurig optenemen, doch mijn reisbestek liet het niet toe.Castelnaudaryziet ’er niet onbehagelijk uit, ik zag ’er eenige gnappe huizen; het was ’er korenmarkt, en daar door vrij drok en levendig. Deze handel is de voornaamste der ingezetenen, en de vlaktens hier rondom leveren veel graan op; en dat is ’er in dat gedeelte vanLanguedoc, dat wij tot nog toe doorgereisd hebben, wel noodig. Het getal der ingezetenen vanCastelnaudarywordt op ruim 7800 gerekend.Deze stad is in de geschiedenis vooral bekend door de slag die hier plaats had tusschen de krijgsbenden vanGaston, Hertog vanOrleans, en die van den Koning; en waarin de HertogHendrik de Montmorenciwerd gekwetst en gevangen genomen. Dit viel voor in September 1632, en de ongelukkigeMontmorenciwerd den 30 October daaraan volgende, beschuldigd zijnde van hoog verraad, teToulouseonthoofd; hij was slechts 37 jaren oud.Het vermaarde kostschool (pensionnat)de Sorèse, ligt hier ook niet ver daan; thans waren daar, naar men mij verhaalde, omtrent de 600 jonge lieden.TeAvignonet8, een dorp of steedje waar wij doorkwamen, scheen het kermis te zijn; want wij zagen ’er verscheidene gnappe jonge lieden van beide kunne onder zeilen, die daar gespannen waren, dansen, hoewel het nog voor den middag was. Dit plaatsje is ook, zoo als de meesten hier omstreeks, in de bloedige geschiedenis derAlbigensenbekend. Nu begint het land vlakker te worden, men ziet schier geen bergen en rotsen meêr; de weg was goed, de paarden moedig, en naar het scheen wel gevoed, en de postillon een jonge en vlugge knaap; dit alles maakte dat wij tijdig teVillefranchekwamen, waar ik eenigzins met ongeduld het middagmaal te gemoet zag. Niet alleen de landstreek, maarzelfs de huizen, beginnen hier eene andere gedaante te krijgen; zij zijn van gebakken steenen gebouwd, en met pannen gedekt. De gebakken steenen hebben hier een anderen vorm als bij ons, en gelijken naar langwerpige vierkante roode tegels. Onze herberg zag ’er in ’t geheel niet prachtig uit; maar het was ’er nog al gnap, en het eten was in zijn soort ook vrij wel, volgens algemeene getuigenis; want mij (doorgaans honger hebbende, als ik aan tafel kom) smaakt alles, wat maar eenigzins eetbaar is, goed; en dit is vooral op reis een groot voorregt. Het plaatsje ziet ’er redelijk wel uit; en het is duidelijk, dat de natuur hier milder is, dan in verscheidene streken, die wij inProvenceenLanguedoczijn doorgekomen. De vaart van deze laatstgenoemde Provincie loopt ook niet ver van hier. Deze vaart is hier omstreeks, overal aan de kanten, metItaliaanschepopulieren beplant, dat een vrolijk aanzien geeft; wij zagen dezelve al eenigen tijd op een’ zekeren afstand van den weg aan onze linkerhand. TeBassiège, een plaatsje, dat ’er ook vrij wel uitziet, moesten wij van paarden veranderen, en ik wandelde intusschen vooruit. Niet ver van hier gaat men over eene brug over de vaart, houdende dezelve vervolgens totToulouseaan de regterhand. De landouw wordt hoe langer hoe vruchtbaarder, en alzoo aangenamer; de weg loopt altijd door een groene vlakte, en de heuvels, ter zijde liggende, zijn tot op de toppen toe beplant of bezaaid. De voorname oogst, dien ik hier te veld zag staan, behalve den wijn, was Turksche-tarw, hiermillocquegenaamd.Als de pluimen, die dienen om de plant te bevruchten, dit verricht hebben, en het zaad is gezet, worden zij afgesneden, om daar door meerder voedsel aan de plant te laten, en alzoo den groei van het zaad te bevorderen9. Men teelt overal in deze landstreek veel van dat graan, dat gedeeltelijk in het land zelve gebruikt, en gedeeltelijk naarSpanjeverzonden wordt. Een van onze reisgenooten die een landgoed inGasconjehad, en nog al een liefhebber van den landbouw scheen, zeide, dat men sedert eenige jaren meerder gemeenschap met de naburen naar den kant van het Noorden hebbende, men ten opzigte van den landbouw nog al het een en ander van hun had geleerd; en dat hij zelve onder anderen van een zijner vrienden, die eenigen tijd inBataafsch Brabandgeweest was, had geleerd, om meêr voordeel van den grond te trekken, door geele wortelen onder het koren te zaaijen, enz. en dit met goed gevolg sedert eenige jaren reeds had gedaan.Het hout schijnt hier ook wel te willen groeijen. Men ziet ’er frissche boomen van allerlei soort, in plaats van die eentoonige olijfboomen, waarvan het droevige gezigt mij reeds zoo lang heeft verveeld—waarlijk men had ook wel een vrolijker zinnebeeld voor dien lieven vrede, waarvan wij het gemis reedszoo lange betreuren, kunnen uitdenken, dan de olijftak, dunkt mij. Een, zoo het scheen goede en eenvoudige geestelijke, aan wien ik deze aanmerking mededeelde, nam de partij van den olijftak met veel ijver, zeggende, dat zij een’ heiligen oorsprong heeft, als zijnde door de duif aanNoächgebragt, ten teeken, dat het Opperwezen den vrede aan het aardrijk schonk. Tegen zulk soort van lieden valt niet veel te bewijzen, dus liet ik het den man winnen, hoewel ik niet wel in mijn hoofd kan krijgen, dat deGriekenenRomeinen, die ook dit zinnebeeld kenden, daar aan door het verhaal vanMoses, in het boek genaamdGenesis, gekomen zijn. Men ziet hier omstreeks ook veel buitenplaatsjes en lusthuizen, dieCastelsgenaamd worden. Het dorpCastanet, waar wij doorkwamen, en dat nog maar 1½ post vanToulouseligt, ziet ’er ook bevallig en welvarende uit. De huizen zijn hier bijna overal geverwd, en schijnen wel onderhouden; de menschen zien ’er gnap en goed gekleed uit; welk een onderscheid tusschen deze en de dorpen en steedjes vanProvence, en hier en daar in het hoogeLanguedockse! (le haut Languedoc). De weg bijToulouse, en naar de stad leidende, is zeer aangenaam; zijnde een lange regte laan, aan beide zijde met frissche boomen beplant; wij kwamen langs de wandeling, die allerliefst is, door het dikke en frissche lommer. Ik verkwikte inderdaad op het zien van zoo veel boomen. Het was ruim zes uren, toen wij aankwamen. Hoewel de postwagens over het algemeen, ons vrij wel waren bevallen, deze was het inzonderheidhebbende aan alle posten doorgaans goede paarden; de Conducteur was ook zeer geschikt, en had veel zorg en oplettendheid voor de reizigers. Wij namen hier onze intrek inau grand Soleil, bijMadamed’Aumont.Den 4 dezer.Toulousevalt mij zeer in de hand; hoewel in ’t geheel niet geregeld gebouwd, zijn de straten echter nog al redelijk breed, en men vindt ’er vele fraaije huizen, genoegzaam allen van gebakken steenen. Het kwam ’er mij dan ook over het algemeen zoo doodsch en stil niet voor, als men mij verteld had; hoewel men elkanderen in de straten niet verdringt, zoo als teParijs. Koetsen of cabriolets ziet men ’er ook niet veel; maar de draagstoelen zijn nog veel in gebruik. Bij den Schouwburg zag ik ’er verrscheidene staan, men huurt ze voor een matigen prijs. Voor de omwenteling haperde het hier niet aan Kerken en Kloosters, geen wonder, het bijgeloof en de vervolgzucht had zijn’ verschrikkelijken zetel in deze stad gevestigd; gij begrijpt, dat ik de afgrijsselijke zoogenaamde regtbank van gewetens-onderzoek (tribunal d’inquisition), die hier in het begin van de 13eeeuw werd opgerigt, bedoel. De wreedaardige dweeper of huichelaarDominicus, die sommige nog heden den Heiligen noemen, was aan het hoofd van dezelve en zijne navolgers bekleeden nog in onze dagen die plaats inSpanjeenPortugal; hoewel zij, den Hemel zij gedankt, zeer veel van hunne magt verloren hebben. De ongelukkigeAlbigensen, waarvan ik reeds dikwerf melding maakte, zich niet aan het Pausdomwillende onderwerpen, gaven aanleiding tot dit hof van gewetensdwang, of liever dienden ten voorwendsel, om vrij te kunnen rooven en moorden; want immers wisten vele Priesters altijd hun belang met dat van de Godheid, die zij zelf gevormd hadden, zoo kunstig te verbinden, dat het scheen als of zij voor niets anders dan voor de zaak van God ijverden, terwijl zij in der daad niets anders dan hun personeel belang beoogden. Die aller afschuwelijkste Treurtooneelen, waarmede de geschiedenis derAlbigensenvervuld is, zijn dan ook inzonderheid, hier en teAlby, eene naburige stad, en de Hoofdplaats van het landschap, waar na deAlbigensengenaamd zijn, voorgevallen.De Hoofdkerk, dat een groot, en in zijn soort prachtig, gebouw is, verdient wel gezien te worden. Het groote altaar pronkt met fraaije Corinthische kolommen vanLanguedoc’smarmer, en is naar de teekening van den bekwamen BeeldhouwerGervais Drouetgemaakt. In deze Kerk toont men den predikstoel, waar op men wil dat de HeiligeBernardusen HeiligeDominicusgepredikt hebben. Waarom stelt men ’er geen, waarop de broederliefde en verdraagzaamheid gepredikt wordt, in de plaats? In den toren van deze Kerk hing een klok die 50,000 ponden woog. Het Aardsbisschoppelijke paleis staat bij die Kerk, en schijnt een aanzienlijk gebouw; thans woont ’er de Prefect in; wantToulouseis de hoofdplaats van het Departementde la haute Garonne.Het Stadhuis op de plaats staande, die men voorheenParijsnaäpende,la Place Royalenoemde; hoewel ’er nimmer een Koninklijk standbeeld of iets diergelijks, voor zoo ver men weet, gestaan heeft, beantwoordt niet aan den grooten ophef, dien men ’er van maakt; voor de omwenteling, werd hetle Capitole10, in navolging van deRomeinen, genaamd. Want die vanToulouse, aanGascognegrenzende, en zoo, als algemeen bekend is, even als de bewoners van die landstreek, veel van vergrooten houdende, willen, dat dit gebouw door keizerGalbagesticht is, na dat deze stad bondgenoote vanRomeverklaard was, schoon de bewijzen hun schijnen te ontbreken. De leden van het Stadsbestuur werden dan ookCapitoulsgeheeten. Ik had aangeteekend, dat hier drie groote schilderijen van den vermaarden schilderAntoine Rivals, in een zaal die menla Salle du grand Consistoireplagt te noemen, te zien waren; en vroeg na die zaal; men wees mij dezelve, ik zag overal rond, maar bespeurde niets, dat naar schilderstukken geleek; de muren waren met breede driekleurige streepen geverwd, en dit was al wat ’er te zien was, in eenige andere kamers, die ik nog doorliep, was ook niets bijzonders te zien; eindelijk vroeg ik andermaal aan den zelfden man, die mij de zaal aangewezen had, en eene soort van kamerbewaarder, of diergelijken scheen te zijn, waar dan toch de stukken vanRivalste zien waren, en hij antwoordde in de zaaldu grand Consistoire. In der daad zij waren ’er nog;doch, helaas! het schilderwerk was niet meer zigtbaar; eenige woeste ijveraars hadden ’er, in het begin van den omwenteling, den kwast opgezet, omdat zij de geboorte, de krooning, en het huwelijk vanLodewijkden XIV. verbeelden, en dit had ik, om dat zij met eenige anderen genoegzaam den ganschen muur besloegen voor een driekleurig geverwden muur of behangsel aangezien. Verder zag ik hier niets dat der moeite waardig is om te beschrijven. De Schouwburgzaal was voorheen in een van de vleugels van het zoogenaamde Kapitool; thans speelden ’erMarionettenin, en de Schouwburg is in een ander gebouw, dat hier digt bij staat. De gevel van dit Stadhuis, die omtrent de helft van de vorige eeuw gebouwd is, beslaat den eenen kant van de plaats voorheenRoyal. Wie erinnert zich niet bij het zien van dit Stadhuis den regterlijken moord van den ongelukkigenCalas. De Graaf vanMontmorenci, van wien ik hier voor gesproken heb op de plaats van dit Stadhuis, met gesloten deuren onthoofd zijnde, heeft men hier nog lange jaren daar na roode vlakken op den muur aangewezen, die men zeide van het gespatte bloed van dit slagtoffer van Koninklijke of liever Priesterlijke11wraak te zijn; sedert een geruimen tijd ziet men die vlakken niet meer.—Maar ik scheide van al die akeligedingen af, breng dezen op de post, en ga naar buiten wandelen.1Zij worden de sluizen vanFonceranne, (les ecluses de Fonceranne) genaamd, liggen tegen de helling van een hoogte, en zijn 8 in getal. Verder op is ’er onder door een’ berg, ter lengte van 720 voeten, doorgegraven; deze onderaardsche waterleiding noemt menla voute de Malpas;een gedeelte van dat gewelf is gemetseld, om het invallen te beletten.2Zij werd ookDecumanorum Colonia, naar een volk onder deGaulen, die menDecumaninoemde, geheten.3Deze vaart meent men, dat reeds door deRomeinengegraven is, alzooPlinius, onder anderen, ’er gewag van maakt, onder den naam vanRubrensis.4Van de kusten vanProvenceenLanguedocwijkt de zee, en onze stranden zwelgt zij al langzamerhand in.5Ik zal ’er u een gezigtje van doen toekomen.6De meer aardige dan nuttige reizigersBachaumontenla Chapelle, zeggen vanNarbonne:Digne objet de notre couroux,Vielle ville toute de fange,Qui n’est que ruisseaux et qu’égouts.Pourrois-tu pretendre de nous,Le moindre vers à ta louange?7Deze kom is 1200 voeten lang, en 900 breed.8Dit is het eerste plaatsje van het Departementde la haute Garonneaan dien kant.9Met die afgesneden pluimen ofMasculi Flores, zoo als ze door de Botanisten genoemd worden, met een goed deel van de steng afgesneden zijnde, wordt het vee gevoederd.10Het Kapitool.11Namelijk van den Kardinaalde Richelieu, die een bijna onbepaald vermogen opLodewijkden XIII. had, en tegen wien de opstand, waar onderMontmorencizich bevond, bijzonder gerigt was.Zeventiende Brief.Toulouse, 5 Augustus.Ons verblijf zal hier korter zijn, dan ik mij had voorgesteld, om dat wij genoegzaam al het merkwaardige reeds gezien hebben, en onze voorgenome reis door een gedeelte van dePyreneënniet veel langer moeten uitstellen, want het wordt in die bergachtige landstreek dikwijls al vroeg onaangenaam weder. Voor mijn vertrek wil ik dezen echter nog aan u afzenden.Gisteren, na dat ik een kwartiertje buiten de stad de vaart vanLanguedochad wezen zien, ter plaatse, waar zij in deGaronneuitkomt1, ging ik naarSchouwburg, die ’er inwendig nog al redelijk uitziet. Men gaf ’er een groot Treurspel vanRacineofCorneille, en hier hadden vertooners den regten slag niet van; ik ging ’er dan al schielijk uit, en kwam niet weder, voor dat men aan het Nastukje begon, omdat het hier t’huis hoort, zoo als de titel ook aanduidt, zijnde genaamdMolière à Toulouse; het beteekent juist niet veel, doch werd redelijk wel gespeeld. Men betaalt 17solsin hetparterre, doch men moet ’er blijven staan.Heden morgen ging ik weder zeer vroegtijdig uit, om geen’ tijd te verliezen. De kaai langs deGaronne, dunkt mij, het aangenaamste gedeelte van de stad, men ziet in die rivier eenige kleine watervallen door het water, dat over steenen dammen loopt, veroorzaakt; de stroom is zeer sterk. Over dezelve ligt een zeer fraaije steenen brug, rustende op zeven bogen; zij is 72 voeten breed, en ruim 800 voeten lang2. Men gaat over dezelve van de stad naar de voorstad vanSt. Cyprien. Aan het eind van deze brug, als men uit de stad komt, staat een fraaije poort of zegeboog; op denzelven leest men behalve een Latijnsch vers, als een ander staaltje van de pogcherij derToulousers: ”het is hier het achtste wonder der wereld.”Septem orbis miracula discant hic mirandum octavum.Buiten dezepoort komende, heeft men aan de linkerhand een beplante wandeling, langs de rivier en aan de regter het Hospitaal vanSt. Jakob, dat men mij ook als waardig, om bezigtigd te worden had opgegeven; doch ik zag ’er niets anders aan, dan een groot Gasthuis. Regt uitgaande door de voorstad vanSt. Cypriaan, komt men aan een fraai ijzeren hek, dat men de poort vanSt. Cypriennoemt. Op twee steenen pijlaren van dat hek, ziet men twee fraaije zittende vrouwen beelden. Voor deze poort heeft men eene fraaije plaats beginnen te bouwen, met regelmatige gebouwen rondom; doch zij is ook slechts begonnen, en dit is al verscheidene jaren geleden; buiten deze poort heeft men aan beide zijden fraaije wandelingen, met verscheidene rijen boomen beplant, gelijk ook de weg regt uit beplant is. De boomen die men hier ziet zijn meest ijpen; doch zij zien ’er vrij wat beter uit dan die vanMontpellier. De korenmolens, die door het water van deGaronnegaan, zijn wel bezienswaardig, zoo om derzelver grootte als om de werking. In die van deBazacleworden 16 molensteenen bewogen; doch men moet geen zwarten rok aantrekken, als men hier gaat kijken. Het eilandTounis, waarbij deze molen staat, wordt meest door verwers van wolle en andere stoffen bewoond.Verder de stad ingaande, viel mijn oog op de ongewone bouworde van een groot huis; in den gevel zijn verscheidene pilasters, en de kapiteelen zijn zamengesteld uit eenige arenden; ook ziet men diergelijke vogels en andere gedaanten in de lijst; boveneen deur ziet men de beelden vanApolloenMercurius, die een wapenschild houden, en boven een andere, daar naast een paar andere beelden. doch die ik niet herkende. Dit huis scheen mij ondertusschen nog niet zeer oud te zijn, en had, naar ik vernam, behoord aan een President enz.Againgenaamd; het staat schuins over het huis, behoord hebbende aan deMalthéserRidders. In dezelfde straat, wat verder, is een geschutgieterij.De Kerk vanSt. Sernin, of eigenlijkSt. Saturnin, een zeer oud Gottisch gebouw, is groot, maar inwendig zeer duister, en gelijkt eerder naar een gevangenis of grafspelonk, dan naar een tempel voor den Godsdienst geschikt; nu de geloovigen vanToulouseplagten ook roem te dragen op het bezit van 26 ligchamen van Heiligen, die in deze Kerk in kostbare kisten bewaard werden, en waar onder niet minder dan zeven Apostelen.—Welk een knekelhuis!—Dit gebouw pronkt met eenen hoogen spitsen toren, naar het mij voorkwam op eene buitengewone wijze gebouwd. Zoo akelig en onbevallig ik deze Kerk vond, zoo fraai en wel verlicht vond ik die, welke voorheen aan deCarthuizersbehoorde, en thans voor een parochie dient, zijnde onlangs netjes opgemaakt. Het altaar, vooral dat midden in de Kerk onder een soort van lantaarn staat, is van marmer, fraai en met smaak gewerkt; vooral twee Engelen van wit marmer en van gewone menschelijke grootte, kroonende met gestrengeld loof eenUrne. De houding van die Engelen is zeer bevallig. Volgens de aanteekening, die ik’er op vond, is dit fraaije stuk werk door de gebroedersLukasvanRomein 1785 gemaakt.Na den middag gingen wij het Stads Museum, in het voormalig Klooster derAugustijnen, bezigtigen. In het pand van het Klooster ziet men eenige overblijfsels van graftombes, beeldhouwerk enz. uit de Kerken na de omwenteling te zamen geraapt. De Kloosterkerk is in eene fraaije zaal of galerij veranderd, zoo dat men niet zou zeggen, dat het een Kerk geweest was; rondom hangen verscheidene schilderijen, die zoo als gij denken kunt, niet veel bewondering baren, als men, gelijk als ik, zoo menigmalen de galerij vanParijsgezien heeft; daar waren ’er sommige bij van nog in leven zijnde meesters. Eenige jongelieden waren hier bezig met kopieeren. In het midden van deze zaal staat een lange tafel, waarop men eenige kleineantikebeeldjes van metaal, enz. ziet, en aan het eind heeft men eene fraaijecolonadeofportiquegemaakt van marmeren kolommen, die, naar mij de oppasser vertelde, uit Kloosters of Kerken afkomstig zijn. Achter dezeportique, waar men met eenige trappen naar toe klimt, ziet men het bekende kunststuk vanAntoine Rivals, verbeeldende de stichting van de stadAncireinGalatie, door deTectosages, vanToulousevertrokken zijnde. Dit stuk is met zeer waarheid geschilderd. Men zegt zelfs dat het voorheen aan het eind van eene zaal op het Stadhuis hangende, dikwijls door lieden die aan het andere eind stonden, voor een wezenlijk gebouw werd aangezien. Hier is die begoocheling zoo sterk niet, dochik zag het met veel genoegen. Het heeft voor opschrift: ”Tectosages Anciram condebant.” Onder eenige borstbeelden ziet men hier ook dat vanRivalszelven: hij werd alhier in 1735 geboren.’s Avonds ging ik de aangename wandelingen buiten de poort, waar wij ingekomen waren, en anderen hier omstreeks, nog eens doorkruisen. Bij de vaart zag ik een scheepstimmerwerf waar men zelfs kleine zeescheepjes bouwde. De wandelingen inzonderheid moeten, dunkt mij, veel bijdragen tot veraangenaming van deze stad, en in dat opzigt verdient zij zeker de voorkeur bovenMontpellier,NismesenMarseille.Toulouse, of liever het oudeTolosa, dat omtrent een uurtje van het tegenwoordigeToulouseaf schijnt gestaan te hebben, blijkens onder anderen de geringe overblijfsels van een Amphithéater dat men daar vindt, wil men, dat gebouwd is door deTectosagers, een volk, waarvan ik hier voor reeds sprak, en dat ruim 600 jaren voorChristusgeboorte, ten getale van 300,000 hun land verlieten, om zich hier te komen nederzetten. Daar na geraakten zij onder deRomeinenof werden hunne bondgenooten. Vervolgens hebben deVisi-Gothen’er zich meester van gemaakt; zij zijn door Koningen, door Graven, en wederom door Koningen geregeerd geworden. Ondertusschen lieten zij zich altijd nog al wat voorstaan op hunne oude vrijheid en onafhankelijkheid, en behielden, zoo als ik reeds gezegd heb, eenige oude benamingen, zoo alsCapitouls,rechtermage(juge mage) enz., doch het was ook niet anders dan den naam.Het Parlement vanToulouse, dat van het midden der 13eeeuw, tot aan de omwenteling bestaan heeft, volgde in rang op dat vanParijs, en was dus het tweede vanFrankrijk.Onder de Akademiën vanToulouse, was ’er een bekend onder den naam vanAcadémie des Jeux Floraux, in het begin van de 14eeeuw gesticht door zevenTroubadours3, en daar na, in dezelfde eeuw, gevestigd doorClemence Isaure, eene vrouw van geest en fraaij vernuft. Deze Akademie bleef genoegzaam in haren oorspronkelijken staat voortduren tot in het laatst van de 17eeeuw, toen men ’er eene Koninklijke Akademie van gemaakt heeft, met behoud, echter van haar eersten naam. DezeTroubadoursenjeux floraux(bloemen spelen) schijnen, volgens het geen ik ’er van gelezen en gehoord heb, veel overeenkomst gehad te hebben met onze oude Redenrijkers en hunne handelingen. Zij gaven ook Dichtstukken op, en beloofden prijzen, zoo als goudsbloemen, lelien, en andere bloemen van goud of zilver. De leden van het Genootschap genaamdJeux Floraux, werdenBacheliers en la gaie science et dans le gai savoir, medegenooten in devrolijke wetenschap en lustige kennis, genaamd. DezeTroubadourswaren ook somtijds zeer vrij in hunne versen, en durfden de Vorsten en Geestelijken wel eens ter deeg hekelen. De letterkunde werd hier dan ook altijd, hoe zeer ’er het bijgeloof den baas speelde, nog al beoefend, enToulouseheeft verscheidene mannen van naam opgeleverd, onder anderedu Ferrier, die Ambassadeur zijnde, zich durfde verzetten tegen het voorgevallene in hetConcilievanTrente, en het verstandig ontwerp gemaakt heeft, omFrankrijkvan den stoel vanRomelos te maken, en in navolging vanEngeland, deGallicaanscheKerk onafhankelijk te maken van de Pausen.Cailhava, lid van hetInstitut NationalvanFrankrijk, bekend door verscheidene Toneelstukken, vooral door zijn werk genaamdde l’Art de la Comedie, en zijneEtudes sur Molière, werd ook teToulosegeboren.De voorname handel van deze stad bestaat in Spaansche wolle en koren, ook worden, bijzonder als de vaart vanLanguedocgesloten is, de goederen die men deGaronneaf vervoert, hier per as aangebragt. Onder de menigte voerlieden, zag ik ’er hier dan ook verscheidene uit het land vanBéarn, aan deSpaanschegrenzen, welke een soort van mutsjes op hebben, bijna in den smaak als vele boertjes vanTeniers. Sommigen waren bruin, andere wit met rooden kwast, die ’er boven plat op ligt. Deze mutsjes die menBerettesnoemt, zijn van wol gebreid en gevuld; zij zijn zoo ondiep, dat het menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, moeijelijkzou vallen, dunkt mij, on ze op het hoofd te houden. Behalve de verwerijen zijn hier ook fabrieken van wollen stoffen; ik zag ’er onder anderen een gemeen soort van laken dat zeer smal is. Hier, en in het geheleLanguedocschemeet men stoffen, linten, enz. niet met de el, maar met eene maat die menla canenoemt, en die verdeeld wordt in 8pans; 5 zulkepansmaken eeneFranscheelle. InProvencemeet men ook metpans. De bevolking vanToulouseis ruim 52,600; de menschen zien ’er over het algemeen gezond en wel uit; levensmiddelen van allerlei soort ontbreken ’er niet, en zijn tot een matigen prijs te bekomen; hoenderen en allerlei soort van gevogelte vooral. Wij waren over onze herberg wel te vreden.Men verzekerde mij, dat het bijgeloof hier sedert de omwenteling aanmerkelijk verminderd was. De inwoners van deze stad, altijd zoo zeer gesteld zijnde op hunne vrijheid en onafhankelijkheid, waren dan over het algemeen ook ijverige voorstanders van de grondbeginselen der omwenteling.Ik heb u nog vergeten te vertellen, dat hierin het Klooster derCordelierseen grafkelder plagt te zijn, die, zoo als men het volk wijs maakte, de bijzondere eigenschap had, om de lijken, die men ’er in legde, te verdroogen; doch het is thans algemeen bekend, dat het niet anders dan een kunstje van de Monniken was. Deze kelder gaf aanleiding tot eene weddingschap tusschen twee jonge lieden; een van hun moest juist op het uur van middernacht, (want dat is overal de tijd, dat de spokenen geesten verschijnen, zoo als het middaguur overal bij de boeren de schafklok is) alleen in dezen kelder vol verdroogde lijken en geraamtens gaan, en om wel verzekerd te zijn, dat hij tot het einde toe geweest was, aldaar op een bepaalde plaats een spijker in den muur slaan. Onze held begeeft zich, van een dievenlantaarntje, een hamer, een spijker, en de noodige sleutels voorzien, naar dien akeligen kelder, zich zoo als het dikwijls gaat, kloeker houdende, dan hij in der daad was; maar wie wil, jong zijnde, ook den naam hebben van bang, en vooral bang voor dooden te zijn. Het moest ’er dan mede door. Hij treedt ten kelder in, opent de deur van de grafspelonk, en plaatst den spijker. Ondertusschen staat de andere wedder, met een menigte nieuwsgierigen, een geruime wijl in het Klooster te wachten; en hij komt niet terug. Men begint ongerust te worden, en besluit, om te gaan zien, waar hij blijven mag.—De ongelukkige jongeling was dood, en dat waarschijnlijk door angst; want hij had, een lang en wijd kleed aan hebbende, ’er denkelijk door de vrees, niet ter deeg toeziende, een slip van zijn kleed aan den muur vast gespijkerd; hier door voelt hij zich, heen willende gaan, terug gehouden; en de beangstheid, die misschien reeds tot eene aanmerkelijke hoogte was gestegen, neemt hier door zoodanig toe, dat hij ’er onder bezwijkt4. Genoegzaam alle menschen hebben, enik geloof zelfs buiten en behalve vooroordeelen van eene verkeerde opvoeding, een’ huiverigen afkeer van de dooden; dit schijnt eenigzins in de natuur te liggen, en men wordt hetzelfde gewaar in sommige dieren, vooral in de paarden. Men handelt dan altijd onvoorzigtig, van dezen afkeer met geweld te willen trotseren, en sterker te willen wezen, dan wij in der daad zijn. Bij deze gelegenheid erinner ik mij een geval van dien aard, dat aan iemand van mijn nabestaanden gebeurd is. Hij bevond zich, nog zeer jong zijnde, teGroningenbij bloedverwanten, die in een groot huis woonden, waar het, zoo men wilde, spookte; een lange gang scheidde de kamer, waar men gewoonlijk zat, van de keuken. Op zekeren avond, dat deze aankomende jongeling uit die kamer, door den gang, in het donker naar de dienstboden in de keuken wilde gaan, wordt hij op eenmaal bij een been vast gehouden, zoo dat hij vallende zeer verschrikte, vooral dewijl het huis een’ kwaden naam had. Daar hij van angst schreeuwde, komt men op het gerucht toelopen, en vindt dat hem het ijzer- of koperdraad van de bel, om een van zijne beenen was gekronkeld. Men had juist gebeld, de draad die door de gang liep was gebroken, en hier mede was de spookhistorie verklaard, en liep zonder eenige onaangename gevolgen af.Morgen ochtend om 3 uren vertrek ik van hier met den postwagen, die vanToulousenaarBayonnerijd totTarbes.1Riquetbegon deeze vaart in 1666, en zij werd in 1680 voltooid. In ’t geheel zijn ’er 60 sluizen, te weten 45 naar den kant van deMiddellandsche Zee, en 15 na den kant van denOceäan. Het gansche werk heeft 13 millioenen gekost, waarvan door den Koning ruim de eene helft, en door de Provincie de rest betaald werd. Men zegt, dat de sluizen ’s jaarlijks omtrent één millioen opbrengen, na aftrek van alle onkosten. Thans, daar deze vaart droog was, dat alle jaren in dit jaargetij gedurende eenigen tijd plaats heeft, werd zij verbreed en uitgegraven.2Deze brug is naar het bestek van den bouwmeesterSouffrongemaakt, de hoeken zijn van gehouwen, en de rest van gebakken steenen. De zegenboog is naar de teekening vanFrancois Mansardgebouwd.3Trobadors de Tolosa.Troubadourszijn Dichters van de 12deen 13deeeuwen, inProvence,Languedocen andere Provincien vanFrankrijkten zuiden van de rivier deLoiregelegen, t’huis behoorende.4Dit voorval had plaats in het begin van de vorige eeuw.
Zestiende Brief.Toulouse, 4 September.Den 1 dezer ’s morgens om 3 uren, namen wij de reis naar deze plaats aan, met den postwagen, die vanAvignonopToulouserijdt, en hier het eerste nachtverblijf houdt.In het begin is de weg tamelijk effen. Van de hoogte, bij het dorpVougide, heeft men een schoon gezigt op een soort van meer,l’Etang de Thaugenaamd, de zeehaven vanCette, en de warme baden vanBaleruc; deze baden worden gebruikt ter genezing van zwakheden in de leden,rhumatiekepijnen enz.Frontignan, om zijn’ lekkeren witten wijn ook bij ons bekend, ligt hier digt bij. In het meer, dat vrij groot is, zag ik eenige visschers bezig; men vangt ’er veel paling. Een eindje voortgereden hebbende, komt men door het stadjeMeze, waar niets bijzonders van te zeggen valt; het ligt 4 posten vanMontpellier. De weg werd hier en daar verlegd, en aanmerkelijk hersteld. Vervolgens kwamen wij doorMontagnac, een steedje, alwaar een Protestantsche Kerk is. Eer men tePezenaskomt, rijdt men over eene fraaije steenen brug, die over deHérault, waar van ik u in mijn vorigen geschreven heb, ligt; dat riviertje is hier al veel breeder dan in deCevennes,en stort zich bijAgde, omtrent drie uren van deze brug, in zee. De landstreek schijnt hier nog al redelijk vruchtbaar te zijn, en de weg is goed.Omstreeks tien uren voor den middag kwamen wij tePezenasaan, en stapten ’er af, om het middagmaal te houden; hebbende nu vanMontpellier6¼ post afgelegd. Met genoegen vernam ik, dat ’er tijd was, om het stadje te bezigtigen, want het zag ’er hier vrolijk en levendig uit; het was marktdag, en naar het geen ik al te koop zag, moet het hier aan allerlei soort van eetwaren niet ontbreken; ’er staan verscheidene gnappe huizen, en over het geheel heeft het hier een aanzien van welvarendheid; het maken van wollen stoffen is een voorname kostwinning der inwoners; enPezenasmoet aloud zijn, wantPliniusmaakt ’er reeds gewag van onder den naam vanPiscena, prijzende zeer de wol, die deze landstreek oplevert.De zoon vanCromwel, na dat hij uitEngelandgejaagd was, hield zich hier eenigen tijd op;Pezenasbehoorde toen aan den Prins vanConti, die, tevens Gouverneur vanLanguedoczijnde, hier een fraai Hotèl had, dat hij somtijds verkoos voor zijn verblijf. Hij bevond ’er zich toenRichard, zoon vanCromwel, onbekend (incognito) reizende, alleen en door de stad gaande, een landgenoot ontmoette, die even eens als hij uitgeweken was, en die zijn partij altijd getrouwelijk was toegedaan geweest; deze raadde hem aan, om een bezoek bij den Prins vanContiafteleggen, waar de vreemdelingen,en vooral deEngelschendoorgaans wel ontvangen werden, zonder dat men zelfs verpligt was, om zich onder zijn’ echten naam te doen kennen.Richardliet zich dan door zijn’ vriend geleiden, die hem bij den Prins aandiende als eenEngelschedelman, die door deze stad reisde om zich naarItaliëte begeven.Contiontving hem beleefdelijk, en over den toestand vanEngelandsprekende, zeide hij onder anderen, dat, hoewel hij ’er ver af was, om het gedrag vanOlivier Cromwelte billijken, hij echter, regt doende aan zijn dapperheid, groote bekwaamheden en diep doorzigt, bekende, dat hij waardig was, om te gebieden; maar, voer hij voort: hoe is het mogelijk dat hij zoo een dwazen zoon had.—DieRichard, die schoft, die bloodaard, was toch wel het verachtelijkste schepsel van den aarbodem,—wat is ’er van dien zot toch geworden?Richard, die zulk een onthaal in ’t geheel niet verwachtte, was verlegen wat hier op te antwoorden; doch zorgde wel, om zich niet bekend te maken.Wij aten hier vrij wel, en onder anderen goeden zeevisch. De landsdouw aan den anderen kant van de stad, beviel mij niet minder dan aan dien, daar wij ingekomen waren. Na 1¼ post gereden te hebben, verwisselden wij van paarden, op een plaatsje genaamdla Begude de Jordy. Het is allerliefst gelegen, ’er staat zeer veel hout, waar onder schoone en weelderig groeijende opgaande boomen; voor het posthuis is een fraaije altijd water gevende fontein,en digt daar bij een aangename tuin, waarin onderscheidene vruchten zeer wel schenen te groeijen; ik was verwonderd over de bevallige vruchtbaarheid van dit oord, waar van de grond in hoedanigheid veel van de gewone gronden hier omstreeks schijnt te verschillen; men zeide mij ook, dat dezelve voor het houtgewas inzonderheid beroemd was;—wat verder wordt de weg zanderig. BijBezieris de landstreek aangenaam, en deze stad doet zich niet onbevallig op; ’t was omtrent vijf uren na den middag, toen wij hier aankwamen; men rekentPezenasenBezierop 2¾ post. Ons nachtverblijf was hier bepaald, dus hadden wij den tijd, om de stad te zien. Zij is zeer oud, en het blijkt uit eenige oudheden, die ’er gevonden zijn, dat hier eeneRomeinscheVolkplanting bestond, en dat zij bekend was onder den naam vanJulia BitterraofCivitas Bitterensium. Wij stapten in de voorstad, waar de gewone herberg van den postwagen is, af. De steenen brug, die niet ver van daar over de rivierl’Orbeligt en vrij lang is, overwandelende, ging ik dat gedeelte van hetCanal du Languedoc, dat in die rivier uitloopt, bezigtigen; doch zag ’er niets anders dan eenige schutsluizen1; het kanaal zelve was, zooals doorgaans in dit jaargetij, geheel droog; aan den overkant van de rivier vervolgt het verder tot bijCette, waar het in zee stort.Paul Riquet, aannemer van deze vaart, naar het bestek vanAndreossy, werd teBeziergeboren. Van daar keerde ik terug naar de stad, dat slechts een kleine afstand is; zij is op een vrij hoogen heuvel aangenaam gelegen. Wij klommen ’er op. Van den wal naar den kant van de rivier, en bijzonder van eenterras, dat men deBelle Vedèrenoemt, heeft men een zeer uitgestrekt en allerverrukkendst gezigt op de rivier del’Orbe, in een aangename valei stroomende, de brug over dezelve en de bergen in ’t verschiet. Dit gezigt alleen is der moeite waard, om zich aan deze plaats optehouden. De Hoofdkerk komt ook op den wal uit, en van de plaats voor dezelve heeft men insgelijks een schoon gezigt. Het is een oud, en was naar het scheen in vroegere tijden een aanzienlijk gebouw; van binnen zag ik ’er niets bijzonders. Maar ik moet u een staaltje vertellen van verregaande onverdraagzaamheid, ten opzigte van de Joden, die hier in oude tijden plaats had. De zoogenaamde Christenen hadden vrij verlof, om hunne medeburgers en anderen, tot de Joodsche Kerk behoorende, die zij ontmoetten, van Zaturdag voor Palmzondag af, tot beloken Paasschen toe, te slaan en te mishandelen; en hetblijkt, dat dit nog al een soort van Kerkelijke instelling was; want de ongelukkigeIsraëlietengaven een groote som gelds aan de Hoofdkerk, dat is aan den Bisschop enz. om van deze allerschandelijkste onderdrukking bevrijd te zijn.—Diergelijke afschuwelijke misbruiken, hoewel minder wreed, hadden nog tot in onze dagen plaats, vooral hier en daar inDuitschland; doch dank zij dien weldadigen wijsgeerigen geest, welke thans door vele lasterlijk uitgekreten wordt; op de meeste plaatsen zijn zij reeds afgeschaft, of worden zulks nog dagelijks gedaan.Voor het overige levertBezierniets aanmerkelijks op; inwendig is de stad in ’t geheel niet fraai, en hoewel nog al tamelijk uitgestrekt, bevat zij niet meer dan 12,500 inwoners, die van de voorsteden hier onder begrepen. In vroegere eeuwen moet de bevolking hier ongelijk veel sterker geweest zijn: want men leest in de geschiedbladeren, dat in het begin van de 13eeeuw, toen de ongelukkigeAlbigenzenzoo wreed vervolgd werden, en men zelfs kruistogten tegen hen deed, ’er in deze stad op eenen dag omtrent de 60,000 menschen omkwamen; de rampzalige slagtoffers vluchtten in de Kerken en hier vermoordde men hen ook niet alleen, maar men sloot zelfs de deuren van sommige dier gebouwen toe, stak ’er den brand in, en deed zoo alle, die ’er in waren, door de vlam omkomen—en wie was de Apostel van deze afgrijsselijke slagting?—wie anders, dan de heiligeDominicus. De vervolging der Protestanten, waarinBezierook rijkelijk gedeeldheeft, hebben zekerlijk ook geen goed gedaan aan de bloei en welvaart van deze ongelukkige stad. De Fabrieken en Koophandel, die ’er thans is, zijn van niet veel beteekenis; men maakt ’er zijden-kousen, een soort van bombazijn, perkament enz. als mede snuifdozen van wortel-, van palm- en olijfboomem.Ons avondmaal was redelijk, en wij aten omtrent met 20 personen, zoo vrouwen als mannen; men was nog al vrolijk; naast mij zat een jongAmerikaan, die mij veel vertelde van den bloeijenden koophandel van dat land; hij kwam uitHolland, alwaar hij een ladingColoniale productengebragt had, en ging naarMarseille, om ook over het aanvoeren van diergelijke goederen te handelen. Het schijnt dan of het ons Land enAmerika, even eens gaat als de schalen van een balans, naar mate dat de eene rijst, daalt de andere, met dit onderscheid echter, dat de ligtste hier omlaag hangt.Den 2 dezer vertrokken wij ’s morgens om 4 uren. De weg was aangenaam, en de grond scheen redelijk vruchtbaar; van de hoogtens heeft men schoone gezigten, en aan de regterhand een keten hooge bergen; doch weinig boomen. Eer men aan het dorpCoursankomt, gaat men over eene fraaije steenen brug, over de rivierl’Aude, en hier omtrent begint het Departement van dien naam.Narbonne.Narbonne.Omstreeks 9 uren kwamen wij teNarbonne, 3 posten vanBezier. Deze stad is een der oudste van deGaulen, en de eerste volkplanting, die deRomeinenaan gene zijde derAlpenvestigden, enNarbo Martiusnoemden2. Van het Kapitool, het Amphithéater enz. dat hier in die tijden bestond, ziet men thans niets meêr; in ’t geheel zijn ’er geen sporen van deRomeinschegrootheid en voormaligen luister meêr overig. De stad ligt nog in zijne muren enbastions, maar inwendig beteekent zij niet veel, dat mij verwondert, omdat de vaart, ofCanal de la Robine, uit de rivier deAudekomende ’er doorloopt, en omtrent 1½ uur beneden de stad in zee uitkomt3. Dit dunkt mij moest den handel aanwakkeren; maar het zag ’er in ’t geheel niet tierig uit, en de vaart, waarin eenige sluizen zijn, was zelfs genoegzaam droog. Naar ik vernam, was de mond van deze vaart, voorheen de zeehaven vanNarbonne, en waarin groote schepen kwamen, thans voor dezelve niet meêr bevaarbaar, door dat, de zee al meêr en meêr de kust ontweken zijnde, het daar te ontdiep is geworden4. Deze stad is in eene niet onaangename vlakte gelegen en van bergen omringd5; maar daar door is zij ook een verzamelplaats van al het water, dat ’er van rondom naartoezakt, en daar door vooral bij sterke regen vlagen onaangenaam6; doch zij staat in dit opzigt maar gelijk met het zoo hoog geroemdeParijs.De Hoofdkerk is het voornaamste, dat ’er teNarbonnete zien is, en hier toe hadden wij tijd en gelegenheid; want ’er moest gewacht worden naar het middag eten, en het was Zondag. Wij gingen ’er dan genoegzaam met al de reisgenooten, die zich op den postwagen bevonden, naar toe, en de galanteFranschenboden bij het inkomen van de Kerk aan de Dames het wijwater aan, daar ik, als hier niet aan gewoon, geen slag van had, en die plegtigheid alzoo maar agterweeg liet. Deze Kerk is, bij gebrek van geld, zoo men zegt, onvolmaakt gebleven, na dat men ’er van het laatst van de 13de eeuw, tot 1722 van tijd tot tijd aan bezig geweest was. Het koor alleen is dan maar voltooid, en daar naar te oordeelen, zou de geheele Kerk, indien zij naar evenredigheid was afgebouwd, een trotsch en prachtig gebouw geweest zijn. Het gewelf is zeer verheven, en heeft een reusachtig aanzien;voor de omwenteling zag men hier verscheidene kostbaarheden, en onder anderen een zilveren zon of praalkas, die door acht Priesters moest gedragen worden, en 600 mark zilver woog; men heeft ’er geld van geslagen. Het eene was hier verder naar het andere, en de Aardsbisschop, wiens Paleis hier ook digt bij staat, had een jaarlijks inkomen van 120,000 livres daar of daar omtrent. Toen wij ’er waren, was men bezig met de hoogmisse te zingen; het orgelmuzijk was zeer aangenaam, en devox humanazoo natuurlijk, dat wij het onder elkander een poos oneens waren, of ’er menschen zongen dan of het alleen het orgel was. De roode marmeren kolommen, die tot het groot altaar behooren, kwamen mij fraai en kostbaar voor. Men ziet ’er nog eenige vrij goede schilderijen. Het schoone stuk vanSebastiaan del Piombo, verbeeldende de opstanding vanLazarus, dat uit deze Kerk in de gallerij van de Hertog vanOrleansin hetPalais RoyalteParijsis gekomen, is thans met een groot deel van die galerij inEngeland.Wij deden een zeer goed maal in de herbergla Doradeop de kaai, aan de vaart staande; men schafte ’er onder anderen goede oesters en uitmuntenden zeevisch in soorten, waar ik mij dan ook, moetende weldra de kusten van deMiddellandsche Zeeverlaten, nog eens te goed aan deed. De prijs was als naar gewoonte. Van den beroemden honig vanNarbonne, heb ik niet gelikt. Hij is zeer geurig zegt men, omdat de bijen veel op de thijm,rozemarijn en andere geurige kruiden, die hier omstreeks groeijen, azen. De weinige handel van deze stad bestaat in dien honig, in leder dat ’er gelooid wordt, en koren, dat uit het hoogeLanguedockomt. Het getal der inwoners is, volgens de laatste telling, ruim 9000. Na den maaltijd vervolgden wij onzen weg, door een woestenij, tusschen de rotsen door, en waar naauwelijks een kruidje groeide; de gezigten echter zijn hier en daar niet onaardig. Verder op wordt de landstreek aangenamer en vruchtbaarder. Hier hadden wij ligt een ongeluk kunnen krijgen; depostillon, wat wild zijnde, had, terwijl deConducteurop deimperialesliep, alvorens een vrij steile hoogte afterijden, de wielen niet vastgemaakt, zoo als dit gebruikelijk is; maar reed ’er zoo hard, als de paarden maar loopen konden, af. Nu was ’er aan den voet van deze hoogte, regt over den weg, die daar draaide, een diepte, zoo dat wij, de paarden door de snelle vaart van den wagen denzelven niet kunnende houden, of den draai missende, ligtelijk van boven neder hadden kunnen storten; doch alles liep gelukkig af. Van de plaatsjes, die wij doorkwamen, valt niets bijzonders aanteteekenen; de wijngaarden, die wij hier en daar zagen, beloofden, zoo hier als elders, waar wij doorkwamen, eenen ongemeenen voordeeligen oogst. De wijnen vanLanguedoc, over het algemeen zwaar en geestig zijnde, stookt men daar van veel brandewijn, bijzonder aan de kanten vanMontpellierenNismes. Dit jaar heeft zulks nog veelalgemeener plaats om den rijken oogst, die men voorziet, en de geringe verzending over zee, door de ongunstige tijdsomstandigheden; want anders krijgen wij en deEngelschenoverBourdeauxook ons aandeel van die wijnen. Hier en daar heeft men aangename gezigten.De zon begon den gezigteinder te naderen, toen wij teCarcassonekwamen. Eerst komt men door de oude stad, die menla Citénoemt, en die, zoo veel ik in ’t voorbijgaan zien kon, wel oud en onoogelijk is; men ziet ’er nog de overblijfsels van een oud Kasteel, op eene hoogte gelegen. Ook staat hier de Hoofdkerk, waar in de opperste van die bloed- en roofgierige vervolgers derAlbigensen,SimonGraafde Montfortbegraven is; hij stierf in 1218. Dit gedeelte vanCarcassonemeent men dat de plaats is, waar oudtijds hetCarcassum Tectosagumbestond, dat een gemeenebest was onder deTectosaquense Volsques, en welk gemeenebest met meêr andere landen hier omstreeks, onder de beheering derRomeinengeraakte. Van hier klimt men af tot aan de rivier deAude, en komt vervolgens over eene fraaije steenen brug in de laage of nieuwe stad, die ruim en regelmatig gebouwd schijnt. Wij reden, langs eene aangename en lommerrijke gemeene wandelplaats, tot aan een herberg buiten de stad staande, alwaar wij ons nachtverblijf moesten houden; het zag ’er hier vrij wel uit.CarcassonneenNarbonneis 7½ post. Terwijl het nog schemerlicht was, ging ik de stad, waar van de poort over de herberg was,in, en zag in het midden van een vierkante plaats, rondom met boomen beplant, eene fraaije fontein, waarop het beeld vanNeptunusop zijn’ zeewagen. Deze stad zou mij, wat de ligging en het uiterlijk aanzien aanbelangt, wel bevallen; het schijnt ’er zeer levendig en welvarende; welke bloei men aan de aanzienelijke laken-fabrieken, waar van niet alleen de ingezetenen, maar zelfs vele hunner naburen leven, moet toeschrijven.Carcassonneis de hoofdplaats van het Departement del’Aude, men begroot de bevolking van die stad op 10,400. De rivier, hier tamelijk breed, is niet minder aangenaam, dan voordeelig. De wandelingen en gezigten, op de brug en aan de oevers zijn allerliefst. Met den Zondag avond zag ik daar veel menschen. HetCanal, of de vaart vanLanguedoc, stroomt ook niet ver vanCarcassonne, het geen insgelijks van belang is voor haar handel en fabrieken.Den 3 dezer waren wij weder om 4 uren op reis, om ’s avonds teToulousete zijn. Over onze herberg waren wij wel te vreden, en betaalden den gewonen prijs.TeCastelnaudary, 4½ post vanCarcassonne, en waar men ook van paarden verwisselt, vertoefde de wagen een poosje, om ons tijd te geven tot ontbijten; intusschen ging ik de kom (le bassin), van de vaart vanLanguedoc, die hier digt bij ligt, bezigtigen. Het is een vrij groot water7, en dat bovenop een hoogte,want dit is het hoogste gedeelte van de vaart vanLanguedoctusschen de twee zeeën; men heeft ’er daarom de verzamelplaats gemaakt van al het water, dat men rondom heeft kunnen opvangen, en dat uit den grooten vijver (reservoir) vanSt. Terriol, ook hier omstreeks liggende, in deze kom, die menle bassin de Naurouzenoemt, gebragt wordt; van waar het vervolgens door sluizen aan den eenen kant in de vaart, naar deGaronne, en vervolgens naar denOceäan, en aan den anderen kant naar deMiddellandsche Zeeloopt; deze weg werd aangewezen door een bron, die op deze hoogte ontsprong, en waar van het water ook Oost en West liep. Deze kom levert hier een aardig en gansch niet onaangenaam gezigt op; ik zag ’er verscheidene schuitjes inliggen, in den smaak van onze trekschuiten, waar van men, in den tijd als de vaart open is, gebruik maakt, om naar de omliggende plaatsen te varen. Het is wel der moeite waardig, om dit te regt beroemde waterwerk naauwkeurig optenemen, doch mijn reisbestek liet het niet toe.Castelnaudaryziet ’er niet onbehagelijk uit, ik zag ’er eenige gnappe huizen; het was ’er korenmarkt, en daar door vrij drok en levendig. Deze handel is de voornaamste der ingezetenen, en de vlaktens hier rondom leveren veel graan op; en dat is ’er in dat gedeelte vanLanguedoc, dat wij tot nog toe doorgereisd hebben, wel noodig. Het getal der ingezetenen vanCastelnaudarywordt op ruim 7800 gerekend.Deze stad is in de geschiedenis vooral bekend door de slag die hier plaats had tusschen de krijgsbenden vanGaston, Hertog vanOrleans, en die van den Koning; en waarin de HertogHendrik de Montmorenciwerd gekwetst en gevangen genomen. Dit viel voor in September 1632, en de ongelukkigeMontmorenciwerd den 30 October daaraan volgende, beschuldigd zijnde van hoog verraad, teToulouseonthoofd; hij was slechts 37 jaren oud.Het vermaarde kostschool (pensionnat)de Sorèse, ligt hier ook niet ver daan; thans waren daar, naar men mij verhaalde, omtrent de 600 jonge lieden.TeAvignonet8, een dorp of steedje waar wij doorkwamen, scheen het kermis te zijn; want wij zagen ’er verscheidene gnappe jonge lieden van beide kunne onder zeilen, die daar gespannen waren, dansen, hoewel het nog voor den middag was. Dit plaatsje is ook, zoo als de meesten hier omstreeks, in de bloedige geschiedenis derAlbigensenbekend. Nu begint het land vlakker te worden, men ziet schier geen bergen en rotsen meêr; de weg was goed, de paarden moedig, en naar het scheen wel gevoed, en de postillon een jonge en vlugge knaap; dit alles maakte dat wij tijdig teVillefranchekwamen, waar ik eenigzins met ongeduld het middagmaal te gemoet zag. Niet alleen de landstreek, maarzelfs de huizen, beginnen hier eene andere gedaante te krijgen; zij zijn van gebakken steenen gebouwd, en met pannen gedekt. De gebakken steenen hebben hier een anderen vorm als bij ons, en gelijken naar langwerpige vierkante roode tegels. Onze herberg zag ’er in ’t geheel niet prachtig uit; maar het was ’er nog al gnap, en het eten was in zijn soort ook vrij wel, volgens algemeene getuigenis; want mij (doorgaans honger hebbende, als ik aan tafel kom) smaakt alles, wat maar eenigzins eetbaar is, goed; en dit is vooral op reis een groot voorregt. Het plaatsje ziet ’er redelijk wel uit; en het is duidelijk, dat de natuur hier milder is, dan in verscheidene streken, die wij inProvenceenLanguedoczijn doorgekomen. De vaart van deze laatstgenoemde Provincie loopt ook niet ver van hier. Deze vaart is hier omstreeks, overal aan de kanten, metItaliaanschepopulieren beplant, dat een vrolijk aanzien geeft; wij zagen dezelve al eenigen tijd op een’ zekeren afstand van den weg aan onze linkerhand. TeBassiège, een plaatsje, dat ’er ook vrij wel uitziet, moesten wij van paarden veranderen, en ik wandelde intusschen vooruit. Niet ver van hier gaat men over eene brug over de vaart, houdende dezelve vervolgens totToulouseaan de regterhand. De landouw wordt hoe langer hoe vruchtbaarder, en alzoo aangenamer; de weg loopt altijd door een groene vlakte, en de heuvels, ter zijde liggende, zijn tot op de toppen toe beplant of bezaaid. De voorname oogst, dien ik hier te veld zag staan, behalve den wijn, was Turksche-tarw, hiermillocquegenaamd.Als de pluimen, die dienen om de plant te bevruchten, dit verricht hebben, en het zaad is gezet, worden zij afgesneden, om daar door meerder voedsel aan de plant te laten, en alzoo den groei van het zaad te bevorderen9. Men teelt overal in deze landstreek veel van dat graan, dat gedeeltelijk in het land zelve gebruikt, en gedeeltelijk naarSpanjeverzonden wordt. Een van onze reisgenooten die een landgoed inGasconjehad, en nog al een liefhebber van den landbouw scheen, zeide, dat men sedert eenige jaren meerder gemeenschap met de naburen naar den kant van het Noorden hebbende, men ten opzigte van den landbouw nog al het een en ander van hun had geleerd; en dat hij zelve onder anderen van een zijner vrienden, die eenigen tijd inBataafsch Brabandgeweest was, had geleerd, om meêr voordeel van den grond te trekken, door geele wortelen onder het koren te zaaijen, enz. en dit met goed gevolg sedert eenige jaren reeds had gedaan.Het hout schijnt hier ook wel te willen groeijen. Men ziet ’er frissche boomen van allerlei soort, in plaats van die eentoonige olijfboomen, waarvan het droevige gezigt mij reeds zoo lang heeft verveeld—waarlijk men had ook wel een vrolijker zinnebeeld voor dien lieven vrede, waarvan wij het gemis reedszoo lange betreuren, kunnen uitdenken, dan de olijftak, dunkt mij. Een, zoo het scheen goede en eenvoudige geestelijke, aan wien ik deze aanmerking mededeelde, nam de partij van den olijftak met veel ijver, zeggende, dat zij een’ heiligen oorsprong heeft, als zijnde door de duif aanNoächgebragt, ten teeken, dat het Opperwezen den vrede aan het aardrijk schonk. Tegen zulk soort van lieden valt niet veel te bewijzen, dus liet ik het den man winnen, hoewel ik niet wel in mijn hoofd kan krijgen, dat deGriekenenRomeinen, die ook dit zinnebeeld kenden, daar aan door het verhaal vanMoses, in het boek genaamdGenesis, gekomen zijn. Men ziet hier omstreeks ook veel buitenplaatsjes en lusthuizen, dieCastelsgenaamd worden. Het dorpCastanet, waar wij doorkwamen, en dat nog maar 1½ post vanToulouseligt, ziet ’er ook bevallig en welvarende uit. De huizen zijn hier bijna overal geverwd, en schijnen wel onderhouden; de menschen zien ’er gnap en goed gekleed uit; welk een onderscheid tusschen deze en de dorpen en steedjes vanProvence, en hier en daar in het hoogeLanguedockse! (le haut Languedoc). De weg bijToulouse, en naar de stad leidende, is zeer aangenaam; zijnde een lange regte laan, aan beide zijde met frissche boomen beplant; wij kwamen langs de wandeling, die allerliefst is, door het dikke en frissche lommer. Ik verkwikte inderdaad op het zien van zoo veel boomen. Het was ruim zes uren, toen wij aankwamen. Hoewel de postwagens over het algemeen, ons vrij wel waren bevallen, deze was het inzonderheidhebbende aan alle posten doorgaans goede paarden; de Conducteur was ook zeer geschikt, en had veel zorg en oplettendheid voor de reizigers. Wij namen hier onze intrek inau grand Soleil, bijMadamed’Aumont.Den 4 dezer.Toulousevalt mij zeer in de hand; hoewel in ’t geheel niet geregeld gebouwd, zijn de straten echter nog al redelijk breed, en men vindt ’er vele fraaije huizen, genoegzaam allen van gebakken steenen. Het kwam ’er mij dan ook over het algemeen zoo doodsch en stil niet voor, als men mij verteld had; hoewel men elkanderen in de straten niet verdringt, zoo als teParijs. Koetsen of cabriolets ziet men ’er ook niet veel; maar de draagstoelen zijn nog veel in gebruik. Bij den Schouwburg zag ik ’er verrscheidene staan, men huurt ze voor een matigen prijs. Voor de omwenteling haperde het hier niet aan Kerken en Kloosters, geen wonder, het bijgeloof en de vervolgzucht had zijn’ verschrikkelijken zetel in deze stad gevestigd; gij begrijpt, dat ik de afgrijsselijke zoogenaamde regtbank van gewetens-onderzoek (tribunal d’inquisition), die hier in het begin van de 13eeeuw werd opgerigt, bedoel. De wreedaardige dweeper of huichelaarDominicus, die sommige nog heden den Heiligen noemen, was aan het hoofd van dezelve en zijne navolgers bekleeden nog in onze dagen die plaats inSpanjeenPortugal; hoewel zij, den Hemel zij gedankt, zeer veel van hunne magt verloren hebben. De ongelukkigeAlbigensen, waarvan ik reeds dikwerf melding maakte, zich niet aan het Pausdomwillende onderwerpen, gaven aanleiding tot dit hof van gewetensdwang, of liever dienden ten voorwendsel, om vrij te kunnen rooven en moorden; want immers wisten vele Priesters altijd hun belang met dat van de Godheid, die zij zelf gevormd hadden, zoo kunstig te verbinden, dat het scheen als of zij voor niets anders dan voor de zaak van God ijverden, terwijl zij in der daad niets anders dan hun personeel belang beoogden. Die aller afschuwelijkste Treurtooneelen, waarmede de geschiedenis derAlbigensenvervuld is, zijn dan ook inzonderheid, hier en teAlby, eene naburige stad, en de Hoofdplaats van het landschap, waar na deAlbigensengenaamd zijn, voorgevallen.De Hoofdkerk, dat een groot, en in zijn soort prachtig, gebouw is, verdient wel gezien te worden. Het groote altaar pronkt met fraaije Corinthische kolommen vanLanguedoc’smarmer, en is naar de teekening van den bekwamen BeeldhouwerGervais Drouetgemaakt. In deze Kerk toont men den predikstoel, waar op men wil dat de HeiligeBernardusen HeiligeDominicusgepredikt hebben. Waarom stelt men ’er geen, waarop de broederliefde en verdraagzaamheid gepredikt wordt, in de plaats? In den toren van deze Kerk hing een klok die 50,000 ponden woog. Het Aardsbisschoppelijke paleis staat bij die Kerk, en schijnt een aanzienlijk gebouw; thans woont ’er de Prefect in; wantToulouseis de hoofdplaats van het Departementde la haute Garonne.Het Stadhuis op de plaats staande, die men voorheenParijsnaäpende,la Place Royalenoemde; hoewel ’er nimmer een Koninklijk standbeeld of iets diergelijks, voor zoo ver men weet, gestaan heeft, beantwoordt niet aan den grooten ophef, dien men ’er van maakt; voor de omwenteling, werd hetle Capitole10, in navolging van deRomeinen, genaamd. Want die vanToulouse, aanGascognegrenzende, en zoo, als algemeen bekend is, even als de bewoners van die landstreek, veel van vergrooten houdende, willen, dat dit gebouw door keizerGalbagesticht is, na dat deze stad bondgenoote vanRomeverklaard was, schoon de bewijzen hun schijnen te ontbreken. De leden van het Stadsbestuur werden dan ookCapitoulsgeheeten. Ik had aangeteekend, dat hier drie groote schilderijen van den vermaarden schilderAntoine Rivals, in een zaal die menla Salle du grand Consistoireplagt te noemen, te zien waren; en vroeg na die zaal; men wees mij dezelve, ik zag overal rond, maar bespeurde niets, dat naar schilderstukken geleek; de muren waren met breede driekleurige streepen geverwd, en dit was al wat ’er te zien was, in eenige andere kamers, die ik nog doorliep, was ook niets bijzonders te zien; eindelijk vroeg ik andermaal aan den zelfden man, die mij de zaal aangewezen had, en eene soort van kamerbewaarder, of diergelijken scheen te zijn, waar dan toch de stukken vanRivalste zien waren, en hij antwoordde in de zaaldu grand Consistoire. In der daad zij waren ’er nog;doch, helaas! het schilderwerk was niet meer zigtbaar; eenige woeste ijveraars hadden ’er, in het begin van den omwenteling, den kwast opgezet, omdat zij de geboorte, de krooning, en het huwelijk vanLodewijkden XIV. verbeelden, en dit had ik, om dat zij met eenige anderen genoegzaam den ganschen muur besloegen voor een driekleurig geverwden muur of behangsel aangezien. Verder zag ik hier niets dat der moeite waardig is om te beschrijven. De Schouwburgzaal was voorheen in een van de vleugels van het zoogenaamde Kapitool; thans speelden ’erMarionettenin, en de Schouwburg is in een ander gebouw, dat hier digt bij staat. De gevel van dit Stadhuis, die omtrent de helft van de vorige eeuw gebouwd is, beslaat den eenen kant van de plaats voorheenRoyal. Wie erinnert zich niet bij het zien van dit Stadhuis den regterlijken moord van den ongelukkigenCalas. De Graaf vanMontmorenci, van wien ik hier voor gesproken heb op de plaats van dit Stadhuis, met gesloten deuren onthoofd zijnde, heeft men hier nog lange jaren daar na roode vlakken op den muur aangewezen, die men zeide van het gespatte bloed van dit slagtoffer van Koninklijke of liever Priesterlijke11wraak te zijn; sedert een geruimen tijd ziet men die vlakken niet meer.—Maar ik scheide van al die akeligedingen af, breng dezen op de post, en ga naar buiten wandelen.1Zij worden de sluizen vanFonceranne, (les ecluses de Fonceranne) genaamd, liggen tegen de helling van een hoogte, en zijn 8 in getal. Verder op is ’er onder door een’ berg, ter lengte van 720 voeten, doorgegraven; deze onderaardsche waterleiding noemt menla voute de Malpas;een gedeelte van dat gewelf is gemetseld, om het invallen te beletten.2Zij werd ookDecumanorum Colonia, naar een volk onder deGaulen, die menDecumaninoemde, geheten.3Deze vaart meent men, dat reeds door deRomeinengegraven is, alzooPlinius, onder anderen, ’er gewag van maakt, onder den naam vanRubrensis.4Van de kusten vanProvenceenLanguedocwijkt de zee, en onze stranden zwelgt zij al langzamerhand in.5Ik zal ’er u een gezigtje van doen toekomen.6De meer aardige dan nuttige reizigersBachaumontenla Chapelle, zeggen vanNarbonne:Digne objet de notre couroux,Vielle ville toute de fange,Qui n’est que ruisseaux et qu’égouts.Pourrois-tu pretendre de nous,Le moindre vers à ta louange?7Deze kom is 1200 voeten lang, en 900 breed.8Dit is het eerste plaatsje van het Departementde la haute Garonneaan dien kant.9Met die afgesneden pluimen ofMasculi Flores, zoo als ze door de Botanisten genoemd worden, met een goed deel van de steng afgesneden zijnde, wordt het vee gevoederd.10Het Kapitool.11Namelijk van den Kardinaalde Richelieu, die een bijna onbepaald vermogen opLodewijkden XIII. had, en tegen wien de opstand, waar onderMontmorencizich bevond, bijzonder gerigt was.
Toulouse, 4 September.
Den 1 dezer ’s morgens om 3 uren, namen wij de reis naar deze plaats aan, met den postwagen, die vanAvignonopToulouserijdt, en hier het eerste nachtverblijf houdt.
In het begin is de weg tamelijk effen. Van de hoogte, bij het dorpVougide, heeft men een schoon gezigt op een soort van meer,l’Etang de Thaugenaamd, de zeehaven vanCette, en de warme baden vanBaleruc; deze baden worden gebruikt ter genezing van zwakheden in de leden,rhumatiekepijnen enz.Frontignan, om zijn’ lekkeren witten wijn ook bij ons bekend, ligt hier digt bij. In het meer, dat vrij groot is, zag ik eenige visschers bezig; men vangt ’er veel paling. Een eindje voortgereden hebbende, komt men door het stadjeMeze, waar niets bijzonders van te zeggen valt; het ligt 4 posten vanMontpellier. De weg werd hier en daar verlegd, en aanmerkelijk hersteld. Vervolgens kwamen wij doorMontagnac, een steedje, alwaar een Protestantsche Kerk is. Eer men tePezenaskomt, rijdt men over eene fraaije steenen brug, die over deHérault, waar van ik u in mijn vorigen geschreven heb, ligt; dat riviertje is hier al veel breeder dan in deCevennes,en stort zich bijAgde, omtrent drie uren van deze brug, in zee. De landstreek schijnt hier nog al redelijk vruchtbaar te zijn, en de weg is goed.
Omstreeks tien uren voor den middag kwamen wij tePezenasaan, en stapten ’er af, om het middagmaal te houden; hebbende nu vanMontpellier6¼ post afgelegd. Met genoegen vernam ik, dat ’er tijd was, om het stadje te bezigtigen, want het zag ’er hier vrolijk en levendig uit; het was marktdag, en naar het geen ik al te koop zag, moet het hier aan allerlei soort van eetwaren niet ontbreken; ’er staan verscheidene gnappe huizen, en over het geheel heeft het hier een aanzien van welvarendheid; het maken van wollen stoffen is een voorname kostwinning der inwoners; enPezenasmoet aloud zijn, wantPliniusmaakt ’er reeds gewag van onder den naam vanPiscena, prijzende zeer de wol, die deze landstreek oplevert.
De zoon vanCromwel, na dat hij uitEngelandgejaagd was, hield zich hier eenigen tijd op;Pezenasbehoorde toen aan den Prins vanConti, die, tevens Gouverneur vanLanguedoczijnde, hier een fraai Hotèl had, dat hij somtijds verkoos voor zijn verblijf. Hij bevond ’er zich toenRichard, zoon vanCromwel, onbekend (incognito) reizende, alleen en door de stad gaande, een landgenoot ontmoette, die even eens als hij uitgeweken was, en die zijn partij altijd getrouwelijk was toegedaan geweest; deze raadde hem aan, om een bezoek bij den Prins vanContiafteleggen, waar de vreemdelingen,en vooral deEngelschendoorgaans wel ontvangen werden, zonder dat men zelfs verpligt was, om zich onder zijn’ echten naam te doen kennen.Richardliet zich dan door zijn’ vriend geleiden, die hem bij den Prins aandiende als eenEngelschedelman, die door deze stad reisde om zich naarItaliëte begeven.Contiontving hem beleefdelijk, en over den toestand vanEngelandsprekende, zeide hij onder anderen, dat, hoewel hij ’er ver af was, om het gedrag vanOlivier Cromwelte billijken, hij echter, regt doende aan zijn dapperheid, groote bekwaamheden en diep doorzigt, bekende, dat hij waardig was, om te gebieden; maar, voer hij voort: hoe is het mogelijk dat hij zoo een dwazen zoon had.—DieRichard, die schoft, die bloodaard, was toch wel het verachtelijkste schepsel van den aarbodem,—wat is ’er van dien zot toch geworden?Richard, die zulk een onthaal in ’t geheel niet verwachtte, was verlegen wat hier op te antwoorden; doch zorgde wel, om zich niet bekend te maken.
Wij aten hier vrij wel, en onder anderen goeden zeevisch. De landsdouw aan den anderen kant van de stad, beviel mij niet minder dan aan dien, daar wij ingekomen waren. Na 1¼ post gereden te hebben, verwisselden wij van paarden, op een plaatsje genaamdla Begude de Jordy. Het is allerliefst gelegen, ’er staat zeer veel hout, waar onder schoone en weelderig groeijende opgaande boomen; voor het posthuis is een fraaije altijd water gevende fontein,en digt daar bij een aangename tuin, waarin onderscheidene vruchten zeer wel schenen te groeijen; ik was verwonderd over de bevallige vruchtbaarheid van dit oord, waar van de grond in hoedanigheid veel van de gewone gronden hier omstreeks schijnt te verschillen; men zeide mij ook, dat dezelve voor het houtgewas inzonderheid beroemd was;—wat verder wordt de weg zanderig. BijBezieris de landstreek aangenaam, en deze stad doet zich niet onbevallig op; ’t was omtrent vijf uren na den middag, toen wij hier aankwamen; men rekentPezenasenBezierop 2¾ post. Ons nachtverblijf was hier bepaald, dus hadden wij den tijd, om de stad te zien. Zij is zeer oud, en het blijkt uit eenige oudheden, die ’er gevonden zijn, dat hier eeneRomeinscheVolkplanting bestond, en dat zij bekend was onder den naam vanJulia BitterraofCivitas Bitterensium. Wij stapten in de voorstad, waar de gewone herberg van den postwagen is, af. De steenen brug, die niet ver van daar over de rivierl’Orbeligt en vrij lang is, overwandelende, ging ik dat gedeelte van hetCanal du Languedoc, dat in die rivier uitloopt, bezigtigen; doch zag ’er niets anders dan eenige schutsluizen1; het kanaal zelve was, zooals doorgaans in dit jaargetij, geheel droog; aan den overkant van de rivier vervolgt het verder tot bijCette, waar het in zee stort.Paul Riquet, aannemer van deze vaart, naar het bestek vanAndreossy, werd teBeziergeboren. Van daar keerde ik terug naar de stad, dat slechts een kleine afstand is; zij is op een vrij hoogen heuvel aangenaam gelegen. Wij klommen ’er op. Van den wal naar den kant van de rivier, en bijzonder van eenterras, dat men deBelle Vedèrenoemt, heeft men een zeer uitgestrekt en allerverrukkendst gezigt op de rivier del’Orbe, in een aangename valei stroomende, de brug over dezelve en de bergen in ’t verschiet. Dit gezigt alleen is der moeite waard, om zich aan deze plaats optehouden. De Hoofdkerk komt ook op den wal uit, en van de plaats voor dezelve heeft men insgelijks een schoon gezigt. Het is een oud, en was naar het scheen in vroegere tijden een aanzienlijk gebouw; van binnen zag ik ’er niets bijzonders. Maar ik moet u een staaltje vertellen van verregaande onverdraagzaamheid, ten opzigte van de Joden, die hier in oude tijden plaats had. De zoogenaamde Christenen hadden vrij verlof, om hunne medeburgers en anderen, tot de Joodsche Kerk behoorende, die zij ontmoetten, van Zaturdag voor Palmzondag af, tot beloken Paasschen toe, te slaan en te mishandelen; en hetblijkt, dat dit nog al een soort van Kerkelijke instelling was; want de ongelukkigeIsraëlietengaven een groote som gelds aan de Hoofdkerk, dat is aan den Bisschop enz. om van deze allerschandelijkste onderdrukking bevrijd te zijn.—Diergelijke afschuwelijke misbruiken, hoewel minder wreed, hadden nog tot in onze dagen plaats, vooral hier en daar inDuitschland; doch dank zij dien weldadigen wijsgeerigen geest, welke thans door vele lasterlijk uitgekreten wordt; op de meeste plaatsen zijn zij reeds afgeschaft, of worden zulks nog dagelijks gedaan.
Voor het overige levertBezierniets aanmerkelijks op; inwendig is de stad in ’t geheel niet fraai, en hoewel nog al tamelijk uitgestrekt, bevat zij niet meer dan 12,500 inwoners, die van de voorsteden hier onder begrepen. In vroegere eeuwen moet de bevolking hier ongelijk veel sterker geweest zijn: want men leest in de geschiedbladeren, dat in het begin van de 13eeeuw, toen de ongelukkigeAlbigenzenzoo wreed vervolgd werden, en men zelfs kruistogten tegen hen deed, ’er in deze stad op eenen dag omtrent de 60,000 menschen omkwamen; de rampzalige slagtoffers vluchtten in de Kerken en hier vermoordde men hen ook niet alleen, maar men sloot zelfs de deuren van sommige dier gebouwen toe, stak ’er den brand in, en deed zoo alle, die ’er in waren, door de vlam omkomen—en wie was de Apostel van deze afgrijsselijke slagting?—wie anders, dan de heiligeDominicus. De vervolging der Protestanten, waarinBezierook rijkelijk gedeeldheeft, hebben zekerlijk ook geen goed gedaan aan de bloei en welvaart van deze ongelukkige stad. De Fabrieken en Koophandel, die ’er thans is, zijn van niet veel beteekenis; men maakt ’er zijden-kousen, een soort van bombazijn, perkament enz. als mede snuifdozen van wortel-, van palm- en olijfboomem.
Ons avondmaal was redelijk, en wij aten omtrent met 20 personen, zoo vrouwen als mannen; men was nog al vrolijk; naast mij zat een jongAmerikaan, die mij veel vertelde van den bloeijenden koophandel van dat land; hij kwam uitHolland, alwaar hij een ladingColoniale productengebragt had, en ging naarMarseille, om ook over het aanvoeren van diergelijke goederen te handelen. Het schijnt dan of het ons Land enAmerika, even eens gaat als de schalen van een balans, naar mate dat de eene rijst, daalt de andere, met dit onderscheid echter, dat de ligtste hier omlaag hangt.
Den 2 dezer vertrokken wij ’s morgens om 4 uren. De weg was aangenaam, en de grond scheen redelijk vruchtbaar; van de hoogtens heeft men schoone gezigten, en aan de regterhand een keten hooge bergen; doch weinig boomen. Eer men aan het dorpCoursankomt, gaat men over eene fraaije steenen brug, over de rivierl’Aude, en hier omtrent begint het Departement van dien naam.
Narbonne.Narbonne.
Narbonne.
Omstreeks 9 uren kwamen wij teNarbonne, 3 posten vanBezier. Deze stad is een der oudste van deGaulen, en de eerste volkplanting, die deRomeinenaan gene zijde derAlpenvestigden, enNarbo Martiusnoemden2. Van het Kapitool, het Amphithéater enz. dat hier in die tijden bestond, ziet men thans niets meêr; in ’t geheel zijn ’er geen sporen van deRomeinschegrootheid en voormaligen luister meêr overig. De stad ligt nog in zijne muren enbastions, maar inwendig beteekent zij niet veel, dat mij verwondert, omdat de vaart, ofCanal de la Robine, uit de rivier deAudekomende ’er doorloopt, en omtrent 1½ uur beneden de stad in zee uitkomt3. Dit dunkt mij moest den handel aanwakkeren; maar het zag ’er in ’t geheel niet tierig uit, en de vaart, waarin eenige sluizen zijn, was zelfs genoegzaam droog. Naar ik vernam, was de mond van deze vaart, voorheen de zeehaven vanNarbonne, en waarin groote schepen kwamen, thans voor dezelve niet meêr bevaarbaar, door dat, de zee al meêr en meêr de kust ontweken zijnde, het daar te ontdiep is geworden4. Deze stad is in eene niet onaangename vlakte gelegen en van bergen omringd5; maar daar door is zij ook een verzamelplaats van al het water, dat ’er van rondom naartoezakt, en daar door vooral bij sterke regen vlagen onaangenaam6; doch zij staat in dit opzigt maar gelijk met het zoo hoog geroemdeParijs.
De Hoofdkerk is het voornaamste, dat ’er teNarbonnete zien is, en hier toe hadden wij tijd en gelegenheid; want ’er moest gewacht worden naar het middag eten, en het was Zondag. Wij gingen ’er dan genoegzaam met al de reisgenooten, die zich op den postwagen bevonden, naar toe, en de galanteFranschenboden bij het inkomen van de Kerk aan de Dames het wijwater aan, daar ik, als hier niet aan gewoon, geen slag van had, en die plegtigheid alzoo maar agterweeg liet. Deze Kerk is, bij gebrek van geld, zoo men zegt, onvolmaakt gebleven, na dat men ’er van het laatst van de 13de eeuw, tot 1722 van tijd tot tijd aan bezig geweest was. Het koor alleen is dan maar voltooid, en daar naar te oordeelen, zou de geheele Kerk, indien zij naar evenredigheid was afgebouwd, een trotsch en prachtig gebouw geweest zijn. Het gewelf is zeer verheven, en heeft een reusachtig aanzien;voor de omwenteling zag men hier verscheidene kostbaarheden, en onder anderen een zilveren zon of praalkas, die door acht Priesters moest gedragen worden, en 600 mark zilver woog; men heeft ’er geld van geslagen. Het eene was hier verder naar het andere, en de Aardsbisschop, wiens Paleis hier ook digt bij staat, had een jaarlijks inkomen van 120,000 livres daar of daar omtrent. Toen wij ’er waren, was men bezig met de hoogmisse te zingen; het orgelmuzijk was zeer aangenaam, en devox humanazoo natuurlijk, dat wij het onder elkander een poos oneens waren, of ’er menschen zongen dan of het alleen het orgel was. De roode marmeren kolommen, die tot het groot altaar behooren, kwamen mij fraai en kostbaar voor. Men ziet ’er nog eenige vrij goede schilderijen. Het schoone stuk vanSebastiaan del Piombo, verbeeldende de opstanding vanLazarus, dat uit deze Kerk in de gallerij van de Hertog vanOrleansin hetPalais RoyalteParijsis gekomen, is thans met een groot deel van die galerij inEngeland.
Wij deden een zeer goed maal in de herbergla Doradeop de kaai, aan de vaart staande; men schafte ’er onder anderen goede oesters en uitmuntenden zeevisch in soorten, waar ik mij dan ook, moetende weldra de kusten van deMiddellandsche Zeeverlaten, nog eens te goed aan deed. De prijs was als naar gewoonte. Van den beroemden honig vanNarbonne, heb ik niet gelikt. Hij is zeer geurig zegt men, omdat de bijen veel op de thijm,rozemarijn en andere geurige kruiden, die hier omstreeks groeijen, azen. De weinige handel van deze stad bestaat in dien honig, in leder dat ’er gelooid wordt, en koren, dat uit het hoogeLanguedockomt. Het getal der inwoners is, volgens de laatste telling, ruim 9000. Na den maaltijd vervolgden wij onzen weg, door een woestenij, tusschen de rotsen door, en waar naauwelijks een kruidje groeide; de gezigten echter zijn hier en daar niet onaardig. Verder op wordt de landstreek aangenamer en vruchtbaarder. Hier hadden wij ligt een ongeluk kunnen krijgen; depostillon, wat wild zijnde, had, terwijl deConducteurop deimperialesliep, alvorens een vrij steile hoogte afterijden, de wielen niet vastgemaakt, zoo als dit gebruikelijk is; maar reed ’er zoo hard, als de paarden maar loopen konden, af. Nu was ’er aan den voet van deze hoogte, regt over den weg, die daar draaide, een diepte, zoo dat wij, de paarden door de snelle vaart van den wagen denzelven niet kunnende houden, of den draai missende, ligtelijk van boven neder hadden kunnen storten; doch alles liep gelukkig af. Van de plaatsjes, die wij doorkwamen, valt niets bijzonders aanteteekenen; de wijngaarden, die wij hier en daar zagen, beloofden, zoo hier als elders, waar wij doorkwamen, eenen ongemeenen voordeeligen oogst. De wijnen vanLanguedoc, over het algemeen zwaar en geestig zijnde, stookt men daar van veel brandewijn, bijzonder aan de kanten vanMontpellierenNismes. Dit jaar heeft zulks nog veelalgemeener plaats om den rijken oogst, die men voorziet, en de geringe verzending over zee, door de ongunstige tijdsomstandigheden; want anders krijgen wij en deEngelschenoverBourdeauxook ons aandeel van die wijnen. Hier en daar heeft men aangename gezigten.
De zon begon den gezigteinder te naderen, toen wij teCarcassonekwamen. Eerst komt men door de oude stad, die menla Citénoemt, en die, zoo veel ik in ’t voorbijgaan zien kon, wel oud en onoogelijk is; men ziet ’er nog de overblijfsels van een oud Kasteel, op eene hoogte gelegen. Ook staat hier de Hoofdkerk, waar in de opperste van die bloed- en roofgierige vervolgers derAlbigensen,SimonGraafde Montfortbegraven is; hij stierf in 1218. Dit gedeelte vanCarcassonemeent men dat de plaats is, waar oudtijds hetCarcassum Tectosagumbestond, dat een gemeenebest was onder deTectosaquense Volsques, en welk gemeenebest met meêr andere landen hier omstreeks, onder de beheering derRomeinengeraakte. Van hier klimt men af tot aan de rivier deAude, en komt vervolgens over eene fraaije steenen brug in de laage of nieuwe stad, die ruim en regelmatig gebouwd schijnt. Wij reden, langs eene aangename en lommerrijke gemeene wandelplaats, tot aan een herberg buiten de stad staande, alwaar wij ons nachtverblijf moesten houden; het zag ’er hier vrij wel uit.CarcassonneenNarbonneis 7½ post. Terwijl het nog schemerlicht was, ging ik de stad, waar van de poort over de herberg was,in, en zag in het midden van een vierkante plaats, rondom met boomen beplant, eene fraaije fontein, waarop het beeld vanNeptunusop zijn’ zeewagen. Deze stad zou mij, wat de ligging en het uiterlijk aanzien aanbelangt, wel bevallen; het schijnt ’er zeer levendig en welvarende; welke bloei men aan de aanzienelijke laken-fabrieken, waar van niet alleen de ingezetenen, maar zelfs vele hunner naburen leven, moet toeschrijven.Carcassonneis de hoofdplaats van het Departement del’Aude, men begroot de bevolking van die stad op 10,400. De rivier, hier tamelijk breed, is niet minder aangenaam, dan voordeelig. De wandelingen en gezigten, op de brug en aan de oevers zijn allerliefst. Met den Zondag avond zag ik daar veel menschen. HetCanal, of de vaart vanLanguedoc, stroomt ook niet ver vanCarcassonne, het geen insgelijks van belang is voor haar handel en fabrieken.
Den 3 dezer waren wij weder om 4 uren op reis, om ’s avonds teToulousete zijn. Over onze herberg waren wij wel te vreden, en betaalden den gewonen prijs.
TeCastelnaudary, 4½ post vanCarcassonne, en waar men ook van paarden verwisselt, vertoefde de wagen een poosje, om ons tijd te geven tot ontbijten; intusschen ging ik de kom (le bassin), van de vaart vanLanguedoc, die hier digt bij ligt, bezigtigen. Het is een vrij groot water7, en dat bovenop een hoogte,want dit is het hoogste gedeelte van de vaart vanLanguedoctusschen de twee zeeën; men heeft ’er daarom de verzamelplaats gemaakt van al het water, dat men rondom heeft kunnen opvangen, en dat uit den grooten vijver (reservoir) vanSt. Terriol, ook hier omstreeks liggende, in deze kom, die menle bassin de Naurouzenoemt, gebragt wordt; van waar het vervolgens door sluizen aan den eenen kant in de vaart, naar deGaronne, en vervolgens naar denOceäan, en aan den anderen kant naar deMiddellandsche Zeeloopt; deze weg werd aangewezen door een bron, die op deze hoogte ontsprong, en waar van het water ook Oost en West liep. Deze kom levert hier een aardig en gansch niet onaangenaam gezigt op; ik zag ’er verscheidene schuitjes inliggen, in den smaak van onze trekschuiten, waar van men, in den tijd als de vaart open is, gebruik maakt, om naar de omliggende plaatsen te varen. Het is wel der moeite waardig, om dit te regt beroemde waterwerk naauwkeurig optenemen, doch mijn reisbestek liet het niet toe.
Castelnaudaryziet ’er niet onbehagelijk uit, ik zag ’er eenige gnappe huizen; het was ’er korenmarkt, en daar door vrij drok en levendig. Deze handel is de voornaamste der ingezetenen, en de vlaktens hier rondom leveren veel graan op; en dat is ’er in dat gedeelte vanLanguedoc, dat wij tot nog toe doorgereisd hebben, wel noodig. Het getal der ingezetenen vanCastelnaudarywordt op ruim 7800 gerekend.
Deze stad is in de geschiedenis vooral bekend door de slag die hier plaats had tusschen de krijgsbenden vanGaston, Hertog vanOrleans, en die van den Koning; en waarin de HertogHendrik de Montmorenciwerd gekwetst en gevangen genomen. Dit viel voor in September 1632, en de ongelukkigeMontmorenciwerd den 30 October daaraan volgende, beschuldigd zijnde van hoog verraad, teToulouseonthoofd; hij was slechts 37 jaren oud.
Het vermaarde kostschool (pensionnat)de Sorèse, ligt hier ook niet ver daan; thans waren daar, naar men mij verhaalde, omtrent de 600 jonge lieden.
TeAvignonet8, een dorp of steedje waar wij doorkwamen, scheen het kermis te zijn; want wij zagen ’er verscheidene gnappe jonge lieden van beide kunne onder zeilen, die daar gespannen waren, dansen, hoewel het nog voor den middag was. Dit plaatsje is ook, zoo als de meesten hier omstreeks, in de bloedige geschiedenis derAlbigensenbekend. Nu begint het land vlakker te worden, men ziet schier geen bergen en rotsen meêr; de weg was goed, de paarden moedig, en naar het scheen wel gevoed, en de postillon een jonge en vlugge knaap; dit alles maakte dat wij tijdig teVillefranchekwamen, waar ik eenigzins met ongeduld het middagmaal te gemoet zag. Niet alleen de landstreek, maarzelfs de huizen, beginnen hier eene andere gedaante te krijgen; zij zijn van gebakken steenen gebouwd, en met pannen gedekt. De gebakken steenen hebben hier een anderen vorm als bij ons, en gelijken naar langwerpige vierkante roode tegels. Onze herberg zag ’er in ’t geheel niet prachtig uit; maar het was ’er nog al gnap, en het eten was in zijn soort ook vrij wel, volgens algemeene getuigenis; want mij (doorgaans honger hebbende, als ik aan tafel kom) smaakt alles, wat maar eenigzins eetbaar is, goed; en dit is vooral op reis een groot voorregt. Het plaatsje ziet ’er redelijk wel uit; en het is duidelijk, dat de natuur hier milder is, dan in verscheidene streken, die wij inProvenceenLanguedoczijn doorgekomen. De vaart van deze laatstgenoemde Provincie loopt ook niet ver van hier. Deze vaart is hier omstreeks, overal aan de kanten, metItaliaanschepopulieren beplant, dat een vrolijk aanzien geeft; wij zagen dezelve al eenigen tijd op een’ zekeren afstand van den weg aan onze linkerhand. TeBassiège, een plaatsje, dat ’er ook vrij wel uitziet, moesten wij van paarden veranderen, en ik wandelde intusschen vooruit. Niet ver van hier gaat men over eene brug over de vaart, houdende dezelve vervolgens totToulouseaan de regterhand. De landouw wordt hoe langer hoe vruchtbaarder, en alzoo aangenamer; de weg loopt altijd door een groene vlakte, en de heuvels, ter zijde liggende, zijn tot op de toppen toe beplant of bezaaid. De voorname oogst, dien ik hier te veld zag staan, behalve den wijn, was Turksche-tarw, hiermillocquegenaamd.Als de pluimen, die dienen om de plant te bevruchten, dit verricht hebben, en het zaad is gezet, worden zij afgesneden, om daar door meerder voedsel aan de plant te laten, en alzoo den groei van het zaad te bevorderen9. Men teelt overal in deze landstreek veel van dat graan, dat gedeeltelijk in het land zelve gebruikt, en gedeeltelijk naarSpanjeverzonden wordt. Een van onze reisgenooten die een landgoed inGasconjehad, en nog al een liefhebber van den landbouw scheen, zeide, dat men sedert eenige jaren meerder gemeenschap met de naburen naar den kant van het Noorden hebbende, men ten opzigte van den landbouw nog al het een en ander van hun had geleerd; en dat hij zelve onder anderen van een zijner vrienden, die eenigen tijd inBataafsch Brabandgeweest was, had geleerd, om meêr voordeel van den grond te trekken, door geele wortelen onder het koren te zaaijen, enz. en dit met goed gevolg sedert eenige jaren reeds had gedaan.
Het hout schijnt hier ook wel te willen groeijen. Men ziet ’er frissche boomen van allerlei soort, in plaats van die eentoonige olijfboomen, waarvan het droevige gezigt mij reeds zoo lang heeft verveeld—waarlijk men had ook wel een vrolijker zinnebeeld voor dien lieven vrede, waarvan wij het gemis reedszoo lange betreuren, kunnen uitdenken, dan de olijftak, dunkt mij. Een, zoo het scheen goede en eenvoudige geestelijke, aan wien ik deze aanmerking mededeelde, nam de partij van den olijftak met veel ijver, zeggende, dat zij een’ heiligen oorsprong heeft, als zijnde door de duif aanNoächgebragt, ten teeken, dat het Opperwezen den vrede aan het aardrijk schonk. Tegen zulk soort van lieden valt niet veel te bewijzen, dus liet ik het den man winnen, hoewel ik niet wel in mijn hoofd kan krijgen, dat deGriekenenRomeinen, die ook dit zinnebeeld kenden, daar aan door het verhaal vanMoses, in het boek genaamdGenesis, gekomen zijn. Men ziet hier omstreeks ook veel buitenplaatsjes en lusthuizen, dieCastelsgenaamd worden. Het dorpCastanet, waar wij doorkwamen, en dat nog maar 1½ post vanToulouseligt, ziet ’er ook bevallig en welvarende uit. De huizen zijn hier bijna overal geverwd, en schijnen wel onderhouden; de menschen zien ’er gnap en goed gekleed uit; welk een onderscheid tusschen deze en de dorpen en steedjes vanProvence, en hier en daar in het hoogeLanguedockse! (le haut Languedoc). De weg bijToulouse, en naar de stad leidende, is zeer aangenaam; zijnde een lange regte laan, aan beide zijde met frissche boomen beplant; wij kwamen langs de wandeling, die allerliefst is, door het dikke en frissche lommer. Ik verkwikte inderdaad op het zien van zoo veel boomen. Het was ruim zes uren, toen wij aankwamen. Hoewel de postwagens over het algemeen, ons vrij wel waren bevallen, deze was het inzonderheidhebbende aan alle posten doorgaans goede paarden; de Conducteur was ook zeer geschikt, en had veel zorg en oplettendheid voor de reizigers. Wij namen hier onze intrek inau grand Soleil, bijMadamed’Aumont.
Den 4 dezer.Toulousevalt mij zeer in de hand; hoewel in ’t geheel niet geregeld gebouwd, zijn de straten echter nog al redelijk breed, en men vindt ’er vele fraaije huizen, genoegzaam allen van gebakken steenen. Het kwam ’er mij dan ook over het algemeen zoo doodsch en stil niet voor, als men mij verteld had; hoewel men elkanderen in de straten niet verdringt, zoo als teParijs. Koetsen of cabriolets ziet men ’er ook niet veel; maar de draagstoelen zijn nog veel in gebruik. Bij den Schouwburg zag ik ’er verrscheidene staan, men huurt ze voor een matigen prijs. Voor de omwenteling haperde het hier niet aan Kerken en Kloosters, geen wonder, het bijgeloof en de vervolgzucht had zijn’ verschrikkelijken zetel in deze stad gevestigd; gij begrijpt, dat ik de afgrijsselijke zoogenaamde regtbank van gewetens-onderzoek (tribunal d’inquisition), die hier in het begin van de 13eeeuw werd opgerigt, bedoel. De wreedaardige dweeper of huichelaarDominicus, die sommige nog heden den Heiligen noemen, was aan het hoofd van dezelve en zijne navolgers bekleeden nog in onze dagen die plaats inSpanjeenPortugal; hoewel zij, den Hemel zij gedankt, zeer veel van hunne magt verloren hebben. De ongelukkigeAlbigensen, waarvan ik reeds dikwerf melding maakte, zich niet aan het Pausdomwillende onderwerpen, gaven aanleiding tot dit hof van gewetensdwang, of liever dienden ten voorwendsel, om vrij te kunnen rooven en moorden; want immers wisten vele Priesters altijd hun belang met dat van de Godheid, die zij zelf gevormd hadden, zoo kunstig te verbinden, dat het scheen als of zij voor niets anders dan voor de zaak van God ijverden, terwijl zij in der daad niets anders dan hun personeel belang beoogden. Die aller afschuwelijkste Treurtooneelen, waarmede de geschiedenis derAlbigensenvervuld is, zijn dan ook inzonderheid, hier en teAlby, eene naburige stad, en de Hoofdplaats van het landschap, waar na deAlbigensengenaamd zijn, voorgevallen.
De Hoofdkerk, dat een groot, en in zijn soort prachtig, gebouw is, verdient wel gezien te worden. Het groote altaar pronkt met fraaije Corinthische kolommen vanLanguedoc’smarmer, en is naar de teekening van den bekwamen BeeldhouwerGervais Drouetgemaakt. In deze Kerk toont men den predikstoel, waar op men wil dat de HeiligeBernardusen HeiligeDominicusgepredikt hebben. Waarom stelt men ’er geen, waarop de broederliefde en verdraagzaamheid gepredikt wordt, in de plaats? In den toren van deze Kerk hing een klok die 50,000 ponden woog. Het Aardsbisschoppelijke paleis staat bij die Kerk, en schijnt een aanzienlijk gebouw; thans woont ’er de Prefect in; wantToulouseis de hoofdplaats van het Departementde la haute Garonne.
Het Stadhuis op de plaats staande, die men voorheenParijsnaäpende,la Place Royalenoemde; hoewel ’er nimmer een Koninklijk standbeeld of iets diergelijks, voor zoo ver men weet, gestaan heeft, beantwoordt niet aan den grooten ophef, dien men ’er van maakt; voor de omwenteling, werd hetle Capitole10, in navolging van deRomeinen, genaamd. Want die vanToulouse, aanGascognegrenzende, en zoo, als algemeen bekend is, even als de bewoners van die landstreek, veel van vergrooten houdende, willen, dat dit gebouw door keizerGalbagesticht is, na dat deze stad bondgenoote vanRomeverklaard was, schoon de bewijzen hun schijnen te ontbreken. De leden van het Stadsbestuur werden dan ookCapitoulsgeheeten. Ik had aangeteekend, dat hier drie groote schilderijen van den vermaarden schilderAntoine Rivals, in een zaal die menla Salle du grand Consistoireplagt te noemen, te zien waren; en vroeg na die zaal; men wees mij dezelve, ik zag overal rond, maar bespeurde niets, dat naar schilderstukken geleek; de muren waren met breede driekleurige streepen geverwd, en dit was al wat ’er te zien was, in eenige andere kamers, die ik nog doorliep, was ook niets bijzonders te zien; eindelijk vroeg ik andermaal aan den zelfden man, die mij de zaal aangewezen had, en eene soort van kamerbewaarder, of diergelijken scheen te zijn, waar dan toch de stukken vanRivalste zien waren, en hij antwoordde in de zaaldu grand Consistoire. In der daad zij waren ’er nog;doch, helaas! het schilderwerk was niet meer zigtbaar; eenige woeste ijveraars hadden ’er, in het begin van den omwenteling, den kwast opgezet, omdat zij de geboorte, de krooning, en het huwelijk vanLodewijkden XIV. verbeelden, en dit had ik, om dat zij met eenige anderen genoegzaam den ganschen muur besloegen voor een driekleurig geverwden muur of behangsel aangezien. Verder zag ik hier niets dat der moeite waardig is om te beschrijven. De Schouwburgzaal was voorheen in een van de vleugels van het zoogenaamde Kapitool; thans speelden ’erMarionettenin, en de Schouwburg is in een ander gebouw, dat hier digt bij staat. De gevel van dit Stadhuis, die omtrent de helft van de vorige eeuw gebouwd is, beslaat den eenen kant van de plaats voorheenRoyal. Wie erinnert zich niet bij het zien van dit Stadhuis den regterlijken moord van den ongelukkigenCalas. De Graaf vanMontmorenci, van wien ik hier voor gesproken heb op de plaats van dit Stadhuis, met gesloten deuren onthoofd zijnde, heeft men hier nog lange jaren daar na roode vlakken op den muur aangewezen, die men zeide van het gespatte bloed van dit slagtoffer van Koninklijke of liever Priesterlijke11wraak te zijn; sedert een geruimen tijd ziet men die vlakken niet meer.—Maar ik scheide van al die akeligedingen af, breng dezen op de post, en ga naar buiten wandelen.
1Zij worden de sluizen vanFonceranne, (les ecluses de Fonceranne) genaamd, liggen tegen de helling van een hoogte, en zijn 8 in getal. Verder op is ’er onder door een’ berg, ter lengte van 720 voeten, doorgegraven; deze onderaardsche waterleiding noemt menla voute de Malpas;een gedeelte van dat gewelf is gemetseld, om het invallen te beletten.2Zij werd ookDecumanorum Colonia, naar een volk onder deGaulen, die menDecumaninoemde, geheten.3Deze vaart meent men, dat reeds door deRomeinengegraven is, alzooPlinius, onder anderen, ’er gewag van maakt, onder den naam vanRubrensis.4Van de kusten vanProvenceenLanguedocwijkt de zee, en onze stranden zwelgt zij al langzamerhand in.5Ik zal ’er u een gezigtje van doen toekomen.6De meer aardige dan nuttige reizigersBachaumontenla Chapelle, zeggen vanNarbonne:Digne objet de notre couroux,Vielle ville toute de fange,Qui n’est que ruisseaux et qu’égouts.Pourrois-tu pretendre de nous,Le moindre vers à ta louange?7Deze kom is 1200 voeten lang, en 900 breed.8Dit is het eerste plaatsje van het Departementde la haute Garonneaan dien kant.9Met die afgesneden pluimen ofMasculi Flores, zoo als ze door de Botanisten genoemd worden, met een goed deel van de steng afgesneden zijnde, wordt het vee gevoederd.10Het Kapitool.11Namelijk van den Kardinaalde Richelieu, die een bijna onbepaald vermogen opLodewijkden XIII. had, en tegen wien de opstand, waar onderMontmorencizich bevond, bijzonder gerigt was.
1Zij worden de sluizen vanFonceranne, (les ecluses de Fonceranne) genaamd, liggen tegen de helling van een hoogte, en zijn 8 in getal. Verder op is ’er onder door een’ berg, ter lengte van 720 voeten, doorgegraven; deze onderaardsche waterleiding noemt menla voute de Malpas;een gedeelte van dat gewelf is gemetseld, om het invallen te beletten.
2Zij werd ookDecumanorum Colonia, naar een volk onder deGaulen, die menDecumaninoemde, geheten.
3Deze vaart meent men, dat reeds door deRomeinengegraven is, alzooPlinius, onder anderen, ’er gewag van maakt, onder den naam vanRubrensis.
4Van de kusten vanProvenceenLanguedocwijkt de zee, en onze stranden zwelgt zij al langzamerhand in.
5Ik zal ’er u een gezigtje van doen toekomen.
6De meer aardige dan nuttige reizigersBachaumontenla Chapelle, zeggen vanNarbonne:
Digne objet de notre couroux,
Vielle ville toute de fange,
Qui n’est que ruisseaux et qu’égouts.
Pourrois-tu pretendre de nous,
Le moindre vers à ta louange?
7Deze kom is 1200 voeten lang, en 900 breed.
8Dit is het eerste plaatsje van het Departementde la haute Garonneaan dien kant.
9Met die afgesneden pluimen ofMasculi Flores, zoo als ze door de Botanisten genoemd worden, met een goed deel van de steng afgesneden zijnde, wordt het vee gevoederd.
10Het Kapitool.
11Namelijk van den Kardinaalde Richelieu, die een bijna onbepaald vermogen opLodewijkden XIII. had, en tegen wien de opstand, waar onderMontmorencizich bevond, bijzonder gerigt was.
Zeventiende Brief.Toulouse, 5 Augustus.Ons verblijf zal hier korter zijn, dan ik mij had voorgesteld, om dat wij genoegzaam al het merkwaardige reeds gezien hebben, en onze voorgenome reis door een gedeelte van dePyreneënniet veel langer moeten uitstellen, want het wordt in die bergachtige landstreek dikwijls al vroeg onaangenaam weder. Voor mijn vertrek wil ik dezen echter nog aan u afzenden.Gisteren, na dat ik een kwartiertje buiten de stad de vaart vanLanguedochad wezen zien, ter plaatse, waar zij in deGaronneuitkomt1, ging ik naarSchouwburg, die ’er inwendig nog al redelijk uitziet. Men gaf ’er een groot Treurspel vanRacineofCorneille, en hier hadden vertooners den regten slag niet van; ik ging ’er dan al schielijk uit, en kwam niet weder, voor dat men aan het Nastukje begon, omdat het hier t’huis hoort, zoo als de titel ook aanduidt, zijnde genaamdMolière à Toulouse; het beteekent juist niet veel, doch werd redelijk wel gespeeld. Men betaalt 17solsin hetparterre, doch men moet ’er blijven staan.Heden morgen ging ik weder zeer vroegtijdig uit, om geen’ tijd te verliezen. De kaai langs deGaronne, dunkt mij, het aangenaamste gedeelte van de stad, men ziet in die rivier eenige kleine watervallen door het water, dat over steenen dammen loopt, veroorzaakt; de stroom is zeer sterk. Over dezelve ligt een zeer fraaije steenen brug, rustende op zeven bogen; zij is 72 voeten breed, en ruim 800 voeten lang2. Men gaat over dezelve van de stad naar de voorstad vanSt. Cyprien. Aan het eind van deze brug, als men uit de stad komt, staat een fraaije poort of zegeboog; op denzelven leest men behalve een Latijnsch vers, als een ander staaltje van de pogcherij derToulousers: ”het is hier het achtste wonder der wereld.”Septem orbis miracula discant hic mirandum octavum.Buiten dezepoort komende, heeft men aan de linkerhand een beplante wandeling, langs de rivier en aan de regter het Hospitaal vanSt. Jakob, dat men mij ook als waardig, om bezigtigd te worden had opgegeven; doch ik zag ’er niets anders aan, dan een groot Gasthuis. Regt uitgaande door de voorstad vanSt. Cypriaan, komt men aan een fraai ijzeren hek, dat men de poort vanSt. Cypriennoemt. Op twee steenen pijlaren van dat hek, ziet men twee fraaije zittende vrouwen beelden. Voor deze poort heeft men eene fraaije plaats beginnen te bouwen, met regelmatige gebouwen rondom; doch zij is ook slechts begonnen, en dit is al verscheidene jaren geleden; buiten deze poort heeft men aan beide zijden fraaije wandelingen, met verscheidene rijen boomen beplant, gelijk ook de weg regt uit beplant is. De boomen die men hier ziet zijn meest ijpen; doch zij zien ’er vrij wat beter uit dan die vanMontpellier. De korenmolens, die door het water van deGaronnegaan, zijn wel bezienswaardig, zoo om derzelver grootte als om de werking. In die van deBazacleworden 16 molensteenen bewogen; doch men moet geen zwarten rok aantrekken, als men hier gaat kijken. Het eilandTounis, waarbij deze molen staat, wordt meest door verwers van wolle en andere stoffen bewoond.Verder de stad ingaande, viel mijn oog op de ongewone bouworde van een groot huis; in den gevel zijn verscheidene pilasters, en de kapiteelen zijn zamengesteld uit eenige arenden; ook ziet men diergelijke vogels en andere gedaanten in de lijst; boveneen deur ziet men de beelden vanApolloenMercurius, die een wapenschild houden, en boven een andere, daar naast een paar andere beelden. doch die ik niet herkende. Dit huis scheen mij ondertusschen nog niet zeer oud te zijn, en had, naar ik vernam, behoord aan een President enz.Againgenaamd; het staat schuins over het huis, behoord hebbende aan deMalthéserRidders. In dezelfde straat, wat verder, is een geschutgieterij.De Kerk vanSt. Sernin, of eigenlijkSt. Saturnin, een zeer oud Gottisch gebouw, is groot, maar inwendig zeer duister, en gelijkt eerder naar een gevangenis of grafspelonk, dan naar een tempel voor den Godsdienst geschikt; nu de geloovigen vanToulouseplagten ook roem te dragen op het bezit van 26 ligchamen van Heiligen, die in deze Kerk in kostbare kisten bewaard werden, en waar onder niet minder dan zeven Apostelen.—Welk een knekelhuis!—Dit gebouw pronkt met eenen hoogen spitsen toren, naar het mij voorkwam op eene buitengewone wijze gebouwd. Zoo akelig en onbevallig ik deze Kerk vond, zoo fraai en wel verlicht vond ik die, welke voorheen aan deCarthuizersbehoorde, en thans voor een parochie dient, zijnde onlangs netjes opgemaakt. Het altaar, vooral dat midden in de Kerk onder een soort van lantaarn staat, is van marmer, fraai en met smaak gewerkt; vooral twee Engelen van wit marmer en van gewone menschelijke grootte, kroonende met gestrengeld loof eenUrne. De houding van die Engelen is zeer bevallig. Volgens de aanteekening, die ik’er op vond, is dit fraaije stuk werk door de gebroedersLukasvanRomein 1785 gemaakt.Na den middag gingen wij het Stads Museum, in het voormalig Klooster derAugustijnen, bezigtigen. In het pand van het Klooster ziet men eenige overblijfsels van graftombes, beeldhouwerk enz. uit de Kerken na de omwenteling te zamen geraapt. De Kloosterkerk is in eene fraaije zaal of galerij veranderd, zoo dat men niet zou zeggen, dat het een Kerk geweest was; rondom hangen verscheidene schilderijen, die zoo als gij denken kunt, niet veel bewondering baren, als men, gelijk als ik, zoo menigmalen de galerij vanParijsgezien heeft; daar waren ’er sommige bij van nog in leven zijnde meesters. Eenige jongelieden waren hier bezig met kopieeren. In het midden van deze zaal staat een lange tafel, waarop men eenige kleineantikebeeldjes van metaal, enz. ziet, en aan het eind heeft men eene fraaijecolonadeofportiquegemaakt van marmeren kolommen, die, naar mij de oppasser vertelde, uit Kloosters of Kerken afkomstig zijn. Achter dezeportique, waar men met eenige trappen naar toe klimt, ziet men het bekende kunststuk vanAntoine Rivals, verbeeldende de stichting van de stadAncireinGalatie, door deTectosages, vanToulousevertrokken zijnde. Dit stuk is met zeer waarheid geschilderd. Men zegt zelfs dat het voorheen aan het eind van eene zaal op het Stadhuis hangende, dikwijls door lieden die aan het andere eind stonden, voor een wezenlijk gebouw werd aangezien. Hier is die begoocheling zoo sterk niet, dochik zag het met veel genoegen. Het heeft voor opschrift: ”Tectosages Anciram condebant.” Onder eenige borstbeelden ziet men hier ook dat vanRivalszelven: hij werd alhier in 1735 geboren.’s Avonds ging ik de aangename wandelingen buiten de poort, waar wij ingekomen waren, en anderen hier omstreeks, nog eens doorkruisen. Bij de vaart zag ik een scheepstimmerwerf waar men zelfs kleine zeescheepjes bouwde. De wandelingen inzonderheid moeten, dunkt mij, veel bijdragen tot veraangenaming van deze stad, en in dat opzigt verdient zij zeker de voorkeur bovenMontpellier,NismesenMarseille.Toulouse, of liever het oudeTolosa, dat omtrent een uurtje van het tegenwoordigeToulouseaf schijnt gestaan te hebben, blijkens onder anderen de geringe overblijfsels van een Amphithéater dat men daar vindt, wil men, dat gebouwd is door deTectosagers, een volk, waarvan ik hier voor reeds sprak, en dat ruim 600 jaren voorChristusgeboorte, ten getale van 300,000 hun land verlieten, om zich hier te komen nederzetten. Daar na geraakten zij onder deRomeinenof werden hunne bondgenooten. Vervolgens hebben deVisi-Gothen’er zich meester van gemaakt; zij zijn door Koningen, door Graven, en wederom door Koningen geregeerd geworden. Ondertusschen lieten zij zich altijd nog al wat voorstaan op hunne oude vrijheid en onafhankelijkheid, en behielden, zoo als ik reeds gezegd heb, eenige oude benamingen, zoo alsCapitouls,rechtermage(juge mage) enz., doch het was ook niet anders dan den naam.Het Parlement vanToulouse, dat van het midden der 13eeeuw, tot aan de omwenteling bestaan heeft, volgde in rang op dat vanParijs, en was dus het tweede vanFrankrijk.Onder de Akademiën vanToulouse, was ’er een bekend onder den naam vanAcadémie des Jeux Floraux, in het begin van de 14eeeuw gesticht door zevenTroubadours3, en daar na, in dezelfde eeuw, gevestigd doorClemence Isaure, eene vrouw van geest en fraaij vernuft. Deze Akademie bleef genoegzaam in haren oorspronkelijken staat voortduren tot in het laatst van de 17eeeuw, toen men ’er eene Koninklijke Akademie van gemaakt heeft, met behoud, echter van haar eersten naam. DezeTroubadoursenjeux floraux(bloemen spelen) schijnen, volgens het geen ik ’er van gelezen en gehoord heb, veel overeenkomst gehad te hebben met onze oude Redenrijkers en hunne handelingen. Zij gaven ook Dichtstukken op, en beloofden prijzen, zoo als goudsbloemen, lelien, en andere bloemen van goud of zilver. De leden van het Genootschap genaamdJeux Floraux, werdenBacheliers en la gaie science et dans le gai savoir, medegenooten in devrolijke wetenschap en lustige kennis, genaamd. DezeTroubadourswaren ook somtijds zeer vrij in hunne versen, en durfden de Vorsten en Geestelijken wel eens ter deeg hekelen. De letterkunde werd hier dan ook altijd, hoe zeer ’er het bijgeloof den baas speelde, nog al beoefend, enToulouseheeft verscheidene mannen van naam opgeleverd, onder anderedu Ferrier, die Ambassadeur zijnde, zich durfde verzetten tegen het voorgevallene in hetConcilievanTrente, en het verstandig ontwerp gemaakt heeft, omFrankrijkvan den stoel vanRomelos te maken, en in navolging vanEngeland, deGallicaanscheKerk onafhankelijk te maken van de Pausen.Cailhava, lid van hetInstitut NationalvanFrankrijk, bekend door verscheidene Toneelstukken, vooral door zijn werk genaamdde l’Art de la Comedie, en zijneEtudes sur Molière, werd ook teToulosegeboren.De voorname handel van deze stad bestaat in Spaansche wolle en koren, ook worden, bijzonder als de vaart vanLanguedocgesloten is, de goederen die men deGaronneaf vervoert, hier per as aangebragt. Onder de menigte voerlieden, zag ik ’er hier dan ook verscheidene uit het land vanBéarn, aan deSpaanschegrenzen, welke een soort van mutsjes op hebben, bijna in den smaak als vele boertjes vanTeniers. Sommigen waren bruin, andere wit met rooden kwast, die ’er boven plat op ligt. Deze mutsjes die menBerettesnoemt, zijn van wol gebreid en gevuld; zij zijn zoo ondiep, dat het menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, moeijelijkzou vallen, dunkt mij, on ze op het hoofd te houden. Behalve de verwerijen zijn hier ook fabrieken van wollen stoffen; ik zag ’er onder anderen een gemeen soort van laken dat zeer smal is. Hier, en in het geheleLanguedocschemeet men stoffen, linten, enz. niet met de el, maar met eene maat die menla canenoemt, en die verdeeld wordt in 8pans; 5 zulkepansmaken eeneFranscheelle. InProvencemeet men ook metpans. De bevolking vanToulouseis ruim 52,600; de menschen zien ’er over het algemeen gezond en wel uit; levensmiddelen van allerlei soort ontbreken ’er niet, en zijn tot een matigen prijs te bekomen; hoenderen en allerlei soort van gevogelte vooral. Wij waren over onze herberg wel te vreden.Men verzekerde mij, dat het bijgeloof hier sedert de omwenteling aanmerkelijk verminderd was. De inwoners van deze stad, altijd zoo zeer gesteld zijnde op hunne vrijheid en onafhankelijkheid, waren dan over het algemeen ook ijverige voorstanders van de grondbeginselen der omwenteling.Ik heb u nog vergeten te vertellen, dat hierin het Klooster derCordelierseen grafkelder plagt te zijn, die, zoo als men het volk wijs maakte, de bijzondere eigenschap had, om de lijken, die men ’er in legde, te verdroogen; doch het is thans algemeen bekend, dat het niet anders dan een kunstje van de Monniken was. Deze kelder gaf aanleiding tot eene weddingschap tusschen twee jonge lieden; een van hun moest juist op het uur van middernacht, (want dat is overal de tijd, dat de spokenen geesten verschijnen, zoo als het middaguur overal bij de boeren de schafklok is) alleen in dezen kelder vol verdroogde lijken en geraamtens gaan, en om wel verzekerd te zijn, dat hij tot het einde toe geweest was, aldaar op een bepaalde plaats een spijker in den muur slaan. Onze held begeeft zich, van een dievenlantaarntje, een hamer, een spijker, en de noodige sleutels voorzien, naar dien akeligen kelder, zich zoo als het dikwijls gaat, kloeker houdende, dan hij in der daad was; maar wie wil, jong zijnde, ook den naam hebben van bang, en vooral bang voor dooden te zijn. Het moest ’er dan mede door. Hij treedt ten kelder in, opent de deur van de grafspelonk, en plaatst den spijker. Ondertusschen staat de andere wedder, met een menigte nieuwsgierigen, een geruime wijl in het Klooster te wachten; en hij komt niet terug. Men begint ongerust te worden, en besluit, om te gaan zien, waar hij blijven mag.—De ongelukkige jongeling was dood, en dat waarschijnlijk door angst; want hij had, een lang en wijd kleed aan hebbende, ’er denkelijk door de vrees, niet ter deeg toeziende, een slip van zijn kleed aan den muur vast gespijkerd; hier door voelt hij zich, heen willende gaan, terug gehouden; en de beangstheid, die misschien reeds tot eene aanmerkelijke hoogte was gestegen, neemt hier door zoodanig toe, dat hij ’er onder bezwijkt4. Genoegzaam alle menschen hebben, enik geloof zelfs buiten en behalve vooroordeelen van eene verkeerde opvoeding, een’ huiverigen afkeer van de dooden; dit schijnt eenigzins in de natuur te liggen, en men wordt hetzelfde gewaar in sommige dieren, vooral in de paarden. Men handelt dan altijd onvoorzigtig, van dezen afkeer met geweld te willen trotseren, en sterker te willen wezen, dan wij in der daad zijn. Bij deze gelegenheid erinner ik mij een geval van dien aard, dat aan iemand van mijn nabestaanden gebeurd is. Hij bevond zich, nog zeer jong zijnde, teGroningenbij bloedverwanten, die in een groot huis woonden, waar het, zoo men wilde, spookte; een lange gang scheidde de kamer, waar men gewoonlijk zat, van de keuken. Op zekeren avond, dat deze aankomende jongeling uit die kamer, door den gang, in het donker naar de dienstboden in de keuken wilde gaan, wordt hij op eenmaal bij een been vast gehouden, zoo dat hij vallende zeer verschrikte, vooral dewijl het huis een’ kwaden naam had. Daar hij van angst schreeuwde, komt men op het gerucht toelopen, en vindt dat hem het ijzer- of koperdraad van de bel, om een van zijne beenen was gekronkeld. Men had juist gebeld, de draad die door de gang liep was gebroken, en hier mede was de spookhistorie verklaard, en liep zonder eenige onaangename gevolgen af.Morgen ochtend om 3 uren vertrek ik van hier met den postwagen, die vanToulousenaarBayonnerijd totTarbes.1Riquetbegon deeze vaart in 1666, en zij werd in 1680 voltooid. In ’t geheel zijn ’er 60 sluizen, te weten 45 naar den kant van deMiddellandsche Zee, en 15 na den kant van denOceäan. Het gansche werk heeft 13 millioenen gekost, waarvan door den Koning ruim de eene helft, en door de Provincie de rest betaald werd. Men zegt, dat de sluizen ’s jaarlijks omtrent één millioen opbrengen, na aftrek van alle onkosten. Thans, daar deze vaart droog was, dat alle jaren in dit jaargetij gedurende eenigen tijd plaats heeft, werd zij verbreed en uitgegraven.2Deze brug is naar het bestek van den bouwmeesterSouffrongemaakt, de hoeken zijn van gehouwen, en de rest van gebakken steenen. De zegenboog is naar de teekening vanFrancois Mansardgebouwd.3Trobadors de Tolosa.Troubadourszijn Dichters van de 12deen 13deeeuwen, inProvence,Languedocen andere Provincien vanFrankrijkten zuiden van de rivier deLoiregelegen, t’huis behoorende.4Dit voorval had plaats in het begin van de vorige eeuw.
Toulouse, 5 Augustus.
Ons verblijf zal hier korter zijn, dan ik mij had voorgesteld, om dat wij genoegzaam al het merkwaardige reeds gezien hebben, en onze voorgenome reis door een gedeelte van dePyreneënniet veel langer moeten uitstellen, want het wordt in die bergachtige landstreek dikwijls al vroeg onaangenaam weder. Voor mijn vertrek wil ik dezen echter nog aan u afzenden.
Gisteren, na dat ik een kwartiertje buiten de stad de vaart vanLanguedochad wezen zien, ter plaatse, waar zij in deGaronneuitkomt1, ging ik naarSchouwburg, die ’er inwendig nog al redelijk uitziet. Men gaf ’er een groot Treurspel vanRacineofCorneille, en hier hadden vertooners den regten slag niet van; ik ging ’er dan al schielijk uit, en kwam niet weder, voor dat men aan het Nastukje begon, omdat het hier t’huis hoort, zoo als de titel ook aanduidt, zijnde genaamdMolière à Toulouse; het beteekent juist niet veel, doch werd redelijk wel gespeeld. Men betaalt 17solsin hetparterre, doch men moet ’er blijven staan.
Heden morgen ging ik weder zeer vroegtijdig uit, om geen’ tijd te verliezen. De kaai langs deGaronne, dunkt mij, het aangenaamste gedeelte van de stad, men ziet in die rivier eenige kleine watervallen door het water, dat over steenen dammen loopt, veroorzaakt; de stroom is zeer sterk. Over dezelve ligt een zeer fraaije steenen brug, rustende op zeven bogen; zij is 72 voeten breed, en ruim 800 voeten lang2. Men gaat over dezelve van de stad naar de voorstad vanSt. Cyprien. Aan het eind van deze brug, als men uit de stad komt, staat een fraaije poort of zegeboog; op denzelven leest men behalve een Latijnsch vers, als een ander staaltje van de pogcherij derToulousers: ”het is hier het achtste wonder der wereld.”Septem orbis miracula discant hic mirandum octavum.Buiten dezepoort komende, heeft men aan de linkerhand een beplante wandeling, langs de rivier en aan de regter het Hospitaal vanSt. Jakob, dat men mij ook als waardig, om bezigtigd te worden had opgegeven; doch ik zag ’er niets anders aan, dan een groot Gasthuis. Regt uitgaande door de voorstad vanSt. Cypriaan, komt men aan een fraai ijzeren hek, dat men de poort vanSt. Cypriennoemt. Op twee steenen pijlaren van dat hek, ziet men twee fraaije zittende vrouwen beelden. Voor deze poort heeft men eene fraaije plaats beginnen te bouwen, met regelmatige gebouwen rondom; doch zij is ook slechts begonnen, en dit is al verscheidene jaren geleden; buiten deze poort heeft men aan beide zijden fraaije wandelingen, met verscheidene rijen boomen beplant, gelijk ook de weg regt uit beplant is. De boomen die men hier ziet zijn meest ijpen; doch zij zien ’er vrij wat beter uit dan die vanMontpellier. De korenmolens, die door het water van deGaronnegaan, zijn wel bezienswaardig, zoo om derzelver grootte als om de werking. In die van deBazacleworden 16 molensteenen bewogen; doch men moet geen zwarten rok aantrekken, als men hier gaat kijken. Het eilandTounis, waarbij deze molen staat, wordt meest door verwers van wolle en andere stoffen bewoond.
Verder de stad ingaande, viel mijn oog op de ongewone bouworde van een groot huis; in den gevel zijn verscheidene pilasters, en de kapiteelen zijn zamengesteld uit eenige arenden; ook ziet men diergelijke vogels en andere gedaanten in de lijst; boveneen deur ziet men de beelden vanApolloenMercurius, die een wapenschild houden, en boven een andere, daar naast een paar andere beelden. doch die ik niet herkende. Dit huis scheen mij ondertusschen nog niet zeer oud te zijn, en had, naar ik vernam, behoord aan een President enz.Againgenaamd; het staat schuins over het huis, behoord hebbende aan deMalthéserRidders. In dezelfde straat, wat verder, is een geschutgieterij.
De Kerk vanSt. Sernin, of eigenlijkSt. Saturnin, een zeer oud Gottisch gebouw, is groot, maar inwendig zeer duister, en gelijkt eerder naar een gevangenis of grafspelonk, dan naar een tempel voor den Godsdienst geschikt; nu de geloovigen vanToulouseplagten ook roem te dragen op het bezit van 26 ligchamen van Heiligen, die in deze Kerk in kostbare kisten bewaard werden, en waar onder niet minder dan zeven Apostelen.—Welk een knekelhuis!—Dit gebouw pronkt met eenen hoogen spitsen toren, naar het mij voorkwam op eene buitengewone wijze gebouwd. Zoo akelig en onbevallig ik deze Kerk vond, zoo fraai en wel verlicht vond ik die, welke voorheen aan deCarthuizersbehoorde, en thans voor een parochie dient, zijnde onlangs netjes opgemaakt. Het altaar, vooral dat midden in de Kerk onder een soort van lantaarn staat, is van marmer, fraai en met smaak gewerkt; vooral twee Engelen van wit marmer en van gewone menschelijke grootte, kroonende met gestrengeld loof eenUrne. De houding van die Engelen is zeer bevallig. Volgens de aanteekening, die ik’er op vond, is dit fraaije stuk werk door de gebroedersLukasvanRomein 1785 gemaakt.
Na den middag gingen wij het Stads Museum, in het voormalig Klooster derAugustijnen, bezigtigen. In het pand van het Klooster ziet men eenige overblijfsels van graftombes, beeldhouwerk enz. uit de Kerken na de omwenteling te zamen geraapt. De Kloosterkerk is in eene fraaije zaal of galerij veranderd, zoo dat men niet zou zeggen, dat het een Kerk geweest was; rondom hangen verscheidene schilderijen, die zoo als gij denken kunt, niet veel bewondering baren, als men, gelijk als ik, zoo menigmalen de galerij vanParijsgezien heeft; daar waren ’er sommige bij van nog in leven zijnde meesters. Eenige jongelieden waren hier bezig met kopieeren. In het midden van deze zaal staat een lange tafel, waarop men eenige kleineantikebeeldjes van metaal, enz. ziet, en aan het eind heeft men eene fraaijecolonadeofportiquegemaakt van marmeren kolommen, die, naar mij de oppasser vertelde, uit Kloosters of Kerken afkomstig zijn. Achter dezeportique, waar men met eenige trappen naar toe klimt, ziet men het bekende kunststuk vanAntoine Rivals, verbeeldende de stichting van de stadAncireinGalatie, door deTectosages, vanToulousevertrokken zijnde. Dit stuk is met zeer waarheid geschilderd. Men zegt zelfs dat het voorheen aan het eind van eene zaal op het Stadhuis hangende, dikwijls door lieden die aan het andere eind stonden, voor een wezenlijk gebouw werd aangezien. Hier is die begoocheling zoo sterk niet, dochik zag het met veel genoegen. Het heeft voor opschrift: ”Tectosages Anciram condebant.” Onder eenige borstbeelden ziet men hier ook dat vanRivalszelven: hij werd alhier in 1735 geboren.
’s Avonds ging ik de aangename wandelingen buiten de poort, waar wij ingekomen waren, en anderen hier omstreeks, nog eens doorkruisen. Bij de vaart zag ik een scheepstimmerwerf waar men zelfs kleine zeescheepjes bouwde. De wandelingen inzonderheid moeten, dunkt mij, veel bijdragen tot veraangenaming van deze stad, en in dat opzigt verdient zij zeker de voorkeur bovenMontpellier,NismesenMarseille.
Toulouse, of liever het oudeTolosa, dat omtrent een uurtje van het tegenwoordigeToulouseaf schijnt gestaan te hebben, blijkens onder anderen de geringe overblijfsels van een Amphithéater dat men daar vindt, wil men, dat gebouwd is door deTectosagers, een volk, waarvan ik hier voor reeds sprak, en dat ruim 600 jaren voorChristusgeboorte, ten getale van 300,000 hun land verlieten, om zich hier te komen nederzetten. Daar na geraakten zij onder deRomeinenof werden hunne bondgenooten. Vervolgens hebben deVisi-Gothen’er zich meester van gemaakt; zij zijn door Koningen, door Graven, en wederom door Koningen geregeerd geworden. Ondertusschen lieten zij zich altijd nog al wat voorstaan op hunne oude vrijheid en onafhankelijkheid, en behielden, zoo als ik reeds gezegd heb, eenige oude benamingen, zoo alsCapitouls,rechtermage(juge mage) enz., doch het was ook niet anders dan den naam.
Het Parlement vanToulouse, dat van het midden der 13eeeuw, tot aan de omwenteling bestaan heeft, volgde in rang op dat vanParijs, en was dus het tweede vanFrankrijk.
Onder de Akademiën vanToulouse, was ’er een bekend onder den naam vanAcadémie des Jeux Floraux, in het begin van de 14eeeuw gesticht door zevenTroubadours3, en daar na, in dezelfde eeuw, gevestigd doorClemence Isaure, eene vrouw van geest en fraaij vernuft. Deze Akademie bleef genoegzaam in haren oorspronkelijken staat voortduren tot in het laatst van de 17eeeuw, toen men ’er eene Koninklijke Akademie van gemaakt heeft, met behoud, echter van haar eersten naam. DezeTroubadoursenjeux floraux(bloemen spelen) schijnen, volgens het geen ik ’er van gelezen en gehoord heb, veel overeenkomst gehad te hebben met onze oude Redenrijkers en hunne handelingen. Zij gaven ook Dichtstukken op, en beloofden prijzen, zoo als goudsbloemen, lelien, en andere bloemen van goud of zilver. De leden van het Genootschap genaamdJeux Floraux, werdenBacheliers en la gaie science et dans le gai savoir, medegenooten in devrolijke wetenschap en lustige kennis, genaamd. DezeTroubadourswaren ook somtijds zeer vrij in hunne versen, en durfden de Vorsten en Geestelijken wel eens ter deeg hekelen. De letterkunde werd hier dan ook altijd, hoe zeer ’er het bijgeloof den baas speelde, nog al beoefend, enToulouseheeft verscheidene mannen van naam opgeleverd, onder anderedu Ferrier, die Ambassadeur zijnde, zich durfde verzetten tegen het voorgevallene in hetConcilievanTrente, en het verstandig ontwerp gemaakt heeft, omFrankrijkvan den stoel vanRomelos te maken, en in navolging vanEngeland, deGallicaanscheKerk onafhankelijk te maken van de Pausen.Cailhava, lid van hetInstitut NationalvanFrankrijk, bekend door verscheidene Toneelstukken, vooral door zijn werk genaamdde l’Art de la Comedie, en zijneEtudes sur Molière, werd ook teToulosegeboren.
De voorname handel van deze stad bestaat in Spaansche wolle en koren, ook worden, bijzonder als de vaart vanLanguedocgesloten is, de goederen die men deGaronneaf vervoert, hier per as aangebragt. Onder de menigte voerlieden, zag ik ’er hier dan ook verscheidene uit het land vanBéarn, aan deSpaanschegrenzen, welke een soort van mutsjes op hebben, bijna in den smaak als vele boertjes vanTeniers. Sommigen waren bruin, andere wit met rooden kwast, die ’er boven plat op ligt. Deze mutsjes die menBerettesnoemt, zijn van wol gebreid en gevuld; zij zijn zoo ondiep, dat het menschen, die ’er niet aan gewoon zijn, moeijelijkzou vallen, dunkt mij, on ze op het hoofd te houden. Behalve de verwerijen zijn hier ook fabrieken van wollen stoffen; ik zag ’er onder anderen een gemeen soort van laken dat zeer smal is. Hier, en in het geheleLanguedocschemeet men stoffen, linten, enz. niet met de el, maar met eene maat die menla canenoemt, en die verdeeld wordt in 8pans; 5 zulkepansmaken eeneFranscheelle. InProvencemeet men ook metpans. De bevolking vanToulouseis ruim 52,600; de menschen zien ’er over het algemeen gezond en wel uit; levensmiddelen van allerlei soort ontbreken ’er niet, en zijn tot een matigen prijs te bekomen; hoenderen en allerlei soort van gevogelte vooral. Wij waren over onze herberg wel te vreden.
Men verzekerde mij, dat het bijgeloof hier sedert de omwenteling aanmerkelijk verminderd was. De inwoners van deze stad, altijd zoo zeer gesteld zijnde op hunne vrijheid en onafhankelijkheid, waren dan over het algemeen ook ijverige voorstanders van de grondbeginselen der omwenteling.
Ik heb u nog vergeten te vertellen, dat hierin het Klooster derCordelierseen grafkelder plagt te zijn, die, zoo als men het volk wijs maakte, de bijzondere eigenschap had, om de lijken, die men ’er in legde, te verdroogen; doch het is thans algemeen bekend, dat het niet anders dan een kunstje van de Monniken was. Deze kelder gaf aanleiding tot eene weddingschap tusschen twee jonge lieden; een van hun moest juist op het uur van middernacht, (want dat is overal de tijd, dat de spokenen geesten verschijnen, zoo als het middaguur overal bij de boeren de schafklok is) alleen in dezen kelder vol verdroogde lijken en geraamtens gaan, en om wel verzekerd te zijn, dat hij tot het einde toe geweest was, aldaar op een bepaalde plaats een spijker in den muur slaan. Onze held begeeft zich, van een dievenlantaarntje, een hamer, een spijker, en de noodige sleutels voorzien, naar dien akeligen kelder, zich zoo als het dikwijls gaat, kloeker houdende, dan hij in der daad was; maar wie wil, jong zijnde, ook den naam hebben van bang, en vooral bang voor dooden te zijn. Het moest ’er dan mede door. Hij treedt ten kelder in, opent de deur van de grafspelonk, en plaatst den spijker. Ondertusschen staat de andere wedder, met een menigte nieuwsgierigen, een geruime wijl in het Klooster te wachten; en hij komt niet terug. Men begint ongerust te worden, en besluit, om te gaan zien, waar hij blijven mag.—De ongelukkige jongeling was dood, en dat waarschijnlijk door angst; want hij had, een lang en wijd kleed aan hebbende, ’er denkelijk door de vrees, niet ter deeg toeziende, een slip van zijn kleed aan den muur vast gespijkerd; hier door voelt hij zich, heen willende gaan, terug gehouden; en de beangstheid, die misschien reeds tot eene aanmerkelijke hoogte was gestegen, neemt hier door zoodanig toe, dat hij ’er onder bezwijkt4. Genoegzaam alle menschen hebben, enik geloof zelfs buiten en behalve vooroordeelen van eene verkeerde opvoeding, een’ huiverigen afkeer van de dooden; dit schijnt eenigzins in de natuur te liggen, en men wordt hetzelfde gewaar in sommige dieren, vooral in de paarden. Men handelt dan altijd onvoorzigtig, van dezen afkeer met geweld te willen trotseren, en sterker te willen wezen, dan wij in der daad zijn. Bij deze gelegenheid erinner ik mij een geval van dien aard, dat aan iemand van mijn nabestaanden gebeurd is. Hij bevond zich, nog zeer jong zijnde, teGroningenbij bloedverwanten, die in een groot huis woonden, waar het, zoo men wilde, spookte; een lange gang scheidde de kamer, waar men gewoonlijk zat, van de keuken. Op zekeren avond, dat deze aankomende jongeling uit die kamer, door den gang, in het donker naar de dienstboden in de keuken wilde gaan, wordt hij op eenmaal bij een been vast gehouden, zoo dat hij vallende zeer verschrikte, vooral dewijl het huis een’ kwaden naam had. Daar hij van angst schreeuwde, komt men op het gerucht toelopen, en vindt dat hem het ijzer- of koperdraad van de bel, om een van zijne beenen was gekronkeld. Men had juist gebeld, de draad die door de gang liep was gebroken, en hier mede was de spookhistorie verklaard, en liep zonder eenige onaangename gevolgen af.
Morgen ochtend om 3 uren vertrek ik van hier met den postwagen, die vanToulousenaarBayonnerijd totTarbes.
1Riquetbegon deeze vaart in 1666, en zij werd in 1680 voltooid. In ’t geheel zijn ’er 60 sluizen, te weten 45 naar den kant van deMiddellandsche Zee, en 15 na den kant van denOceäan. Het gansche werk heeft 13 millioenen gekost, waarvan door den Koning ruim de eene helft, en door de Provincie de rest betaald werd. Men zegt, dat de sluizen ’s jaarlijks omtrent één millioen opbrengen, na aftrek van alle onkosten. Thans, daar deze vaart droog was, dat alle jaren in dit jaargetij gedurende eenigen tijd plaats heeft, werd zij verbreed en uitgegraven.2Deze brug is naar het bestek van den bouwmeesterSouffrongemaakt, de hoeken zijn van gehouwen, en de rest van gebakken steenen. De zegenboog is naar de teekening vanFrancois Mansardgebouwd.3Trobadors de Tolosa.Troubadourszijn Dichters van de 12deen 13deeeuwen, inProvence,Languedocen andere Provincien vanFrankrijkten zuiden van de rivier deLoiregelegen, t’huis behoorende.4Dit voorval had plaats in het begin van de vorige eeuw.
1Riquetbegon deeze vaart in 1666, en zij werd in 1680 voltooid. In ’t geheel zijn ’er 60 sluizen, te weten 45 naar den kant van deMiddellandsche Zee, en 15 na den kant van denOceäan. Het gansche werk heeft 13 millioenen gekost, waarvan door den Koning ruim de eene helft, en door de Provincie de rest betaald werd. Men zegt, dat de sluizen ’s jaarlijks omtrent één millioen opbrengen, na aftrek van alle onkosten. Thans, daar deze vaart droog was, dat alle jaren in dit jaargetij gedurende eenigen tijd plaats heeft, werd zij verbreed en uitgegraven.
2Deze brug is naar het bestek van den bouwmeesterSouffrongemaakt, de hoeken zijn van gehouwen, en de rest van gebakken steenen. De zegenboog is naar de teekening vanFrancois Mansardgebouwd.
3Trobadors de Tolosa.Troubadourszijn Dichters van de 12deen 13deeeuwen, inProvence,Languedocen andere Provincien vanFrankrijkten zuiden van de rivier deLoiregelegen, t’huis behoorende.
4Dit voorval had plaats in het begin van de vorige eeuw.