AGT-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.—Derde tocht naar Gado-Saby.—De Land-Scorpioen.—Verscheiden zoorten van timmerhout.—Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos genaamd.—Het aankweeken van Ryst.—Buitengewone hitte, die alle de moerassen opdroogt.—De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.—De Brazilsche Wezel.—De Mierëeter.—De Tamandua.—Hout- luizen en vliegende luizen.—Tafereel van ellende en sterfte.—De Vrede aan de Volkplanting bezorgd.—De Poelsnip.—De Lepelgans, en de Brazilsche Ojevaar. —Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.

Den 10den November, begaf ik my, in een talryk gezelschap, met een vaartuig naar de legerplaats aan de Cassipory-Kreek. Des anderen daags was de geheele Volkplanting met rook overdekt, dewyl de bosschen aan het zee-strand in brand geraakt waren, zonder dat men 'er de reden van konde opsporen. Op de reize ontmoetten wy een hoop krygsvolk, onder bevel van den Colonel TEXIER, die van Vrydenburg, aan de Maroni-Kreek, te rug kwam. Deeze Officier verzekerde ons, dat de muitelingen, na den gevoeligen neep, dien wy hun door het inneemen van Gado Saby hadden toegebragt, die groote Rivier overvluchtten, en by de Franschen, in Caijenne wonende, eene schuilplaats vonden. Hy voegde 'er by, dat hy van hun eene vrouw gevangen had, en de Lieutenant KEEN twee mannen, na 'er verscheiden gedood te hebben; dat de beide nieuwe compagniën van vrywillige Negers de eer van hunne vaandels, door hun met groote staatsie van den Gouverneur ontfangen, ophielden, door het medebrengen van gevangenen, welken zy aan het strand agter Paramaribo gemaakt hadden; dat zy by deeze gelegenheid geholpen waren geworden door de Indianen, die vrywillig gestreden hadden, en meer dan eenmaal op die zelfde plaats den vyand afbreuk hadden gedaan. Alles deed zig dus aan ons voor, om onze onderneming met eenen goeden uitslag bekroond, en de rust in de geheele Volkplanting hersteld te zien.

De Plantagie Saardam, die toen aan den Colonel DES BORGNES, uit hoofde van zyn huwelyk, toebehoorde, op onzen weg liggende, hielden wy daar stil. Ik vond 'er eenen Americaanschen matroos, welke melasse, of suiker-syroop, inlaadde. De bekwaamheid van den nieuwen Planter en zynen Opzichter willende beproeven, haalde ik deezen matroos over, om twee kruiken kill-devil (by de Hollanders genoemd kelduivel,) die op deeze Plantagie gemaakt was, te kleuren, en te verzekeren, dat hy dezelve als rhum van Antigoa aanbragt. Hy deed het geen ik hem zeide. Men vond zyne zoogenaamde rhum uitmuntend; men maakte 'er punch van voor het geheele gezelschap, en men gaf hem wederkeerig zes andere kruiken van die zelfde kill-devil. De Americaan beloofde my die insgelyks te zullen kleuren; en hy hoopte zyn vaartuig boordvol geladen te hebben, voor zyn vertrek van Paramaribo. Zoo veel vermogen heeft het vooröordeel in alle Landen.

Wy verlieten de Plantagie Saardam, alwaar wy volmaakt wel ontfangen waren, en wy kwamen den 13den, zonder het ontmoeten van eenig onheil, op onze legerplaats by de Cassipory-Kreek aan de Cottica. Geene schoenen, noch koussen aan hebbende, wierd ik byna gestoken door een Land-Scorpioen, toen ik myne voeten aan den wal zette. Dit insect heeft de grootte van eene kleine kreeft. Zyn lyf, zynde van eene eyronde gedaante, en van eene roetkleur, is met beweegbaare ringen bedekt. Hy heeft agt pooten, welke in geleden verdeeld zyn. Twee armen, insgelyks in geleden verdeeld, komen uit zyn kop, en schynen een gedeelte van zyn lyf uit te maken. Zyne oogen zyn zoo klein, dat men ze naauwlyks zien kan. Zyn staart heeft zeven klootvormige verdeelingen, naar koraalen van glas gelykende, en eindigt met een dubbele ring. Het wyfje kronkelt dezelve op haaren rug in elkander, om haare jongen voor de aanvallen van andere insecten te beveiligen. De steek van den Land-Scorpioen is niet doodelyk, maar veröorzaakt eene stekende pyn en koorts. Men zegt, dat hy van huid verandert, even als de krabben van schelp veranderen. Men vindt hem meestäl op oude boomen, oud huisraad, en ook dikwils onder het vuilnis, en in het drooge gras.

Onder de ongelukken, welken ik hier zag, moet ik niet vergeten het verlies van eenen zee-soldaat, die, zig in de Rivier badende, door eenen grooten Kayman eensklaps wierd naar den grond getrokken. Zoo dra ik zyn ongeluk bemerkte, ontkleedde ik my, sprong oogenblikkelyk in het water, en droeg zorg, dat ik altyd het eene been in beweging hield. Met dit al, ik vond niet den geen, dien ik zogt, en liep zelf groot gevaar. Ik had door eenen Neger eene lange roeyriem in een lynregten stand doen houden, ten einde ik my daar aan vast hield, en hy dezelve, wanneer ik 'er op sloeg, naar zig toe zoude haalen; maar de Neger, my kwalyk begrypende, maakte met die roeyriem zulk eene geweldige beweging, dat ik naar den grond zonk. Ik kwam niet weder boven, dan omtrent in het midden van den stroom, en bereikte den oever niet dan met zeer veel moeite.

Den 20sten, bevel ontfangen hebbende om naar Gado-Saby te trekken, vertrok ik des morgens ten zes uuren, aan het hoofd van twee Lieutenants, drie Sergeanten, zeven Corporaals en vyftig soldaten, zonder een Heelmeester en den Neger, GOOSSASY, dien wy in drie of vier uuren kwyt raakten, daar by te rekenen. Wy sloegen ons neder aan de oevers van de zelfde Cassipory-Kreek, zonder meer dan zes mylen ten westen van derzelver mond te hebben kunnen voorwaarts komen.

Den 21sten, vorderden wy zeven of acht mylen noordwaarts, en wy vonden geen enkelen drop water, om den hevigen dorst te lesschen, die ons allen verslond. Wy waren te midden van het saisoen van droogte, waar van de hitte dit jaar brandender was, dan ooit.

Toen onzen weg veranderd, en denzelven noord-oost-waarts genomen hebbende, doorwaadden wy, des morgens van den 22sten, het moeras; en tegen den middag bereikten wy wederom het drooge; vervolgens, na nog één uur te zyn voorwaarts getrokken, gingen wy naar den westkant. Wy ontmoetten aldaar een groot veld, met ignames beplant, het welk wy verwoestten. Dit gedaan hebbende, trokken wy lynrecht voort, en sloegen ons neder op het oud verblyf der Negers, Cofaay genaamd. Het gebrek aan water deed ons verschrikkelyk lyden. De slaven echter vonden middel, om ons hier water te bezorgen; en hoe stinkend het ook wezen mogt, dronken wy het zelve, na het door onze hembds-mouwen te hebben laten doorloopen.

In weerwil van de onaangenaamheden van deezen tocht, onderzocht ik de volgende boomen, door my nog niet beschreven: de Carnavatepy en de Berklack, waar van het hout zeer dienstig is. Het eerste heeft heerlyke zwarte en bruine streepen: het gelykt zeer veel naar het geen men Brasilisch hout noemt; en wanneer het bewerkt wordt, verspreidt het een geur, welke voor die van den nagelbloem niet behoeft onder te doen. Het tweede heeft eene bleek ronde of violet kleur; het is insgelyks geschikt tot alle werk, waar toe men het gebruiken wil. Men bood my ook een zeer zonderling zoort van vruchten aan, genaamd de Marmelade-doos. Dezelve heeft de gedaante van een grooten appel, maar een weinig meer ey-rond, en geheel met dons bedekt. In 't begin is deeze vrucht groen, maar ryp wordende, wordt zy bruin. De schil is hard, en door eene zekere beweging scheidt zy zig in tweën, even als een noot. Het vleesch of merg koomt dan te voorschyn, gelykende naar dat van een mispel: het is eene zoete en bruin-kleurige zelfstandigheid, die aan groote pitten vast zit; de inwooners zuigen dezelve met graagte uit. Het spyt my, dat ik van den boom, die deeze vrucht voortbrengt, en van wien dezelve haaren naam ontleent, geene beschryving geven kan.

Den 23sten, trokken wy ten westen van Cofaay, in de hoop om het een of ander van den vyand te vernemen. Wy volgden een voetpad, loopende dwars door bebouwde landen, en met den weg gemeenschap hebbende: wy ontdekten verrukkelyke gezichten; maar wy ontmoetten niets anders dan een grooten hoop wilde varkens, wier geknor en geraas op den weg ons, eer wy ze gezien hadden, hen deed houden vooreen afgezonden hoop muitelingen, en wy maakten ons gereed om dezelven wel te ontfangen.

Tegen den middag kwamen wy weder te Gado-Saby, alwaar wy, naauwlyks nedergezeten zynde, om van de vermoeienis van onzen tocht een weinig uitterusten, in ons midden zagen verschynen eenen ouden Neger, hebbende een langen witten baard, en een stuk van een sabel in de hand. Ik stond dadelyk overëind, en aan een ieder, wie hy ook wezen mogt, verbiedende op hem te schieten, zeide ik hem dichter by te komen, hem verzekerende, dat niemand van de geenen, die onder myn bevel stonden, hem zoude durven mishandelen, en dat ik hem zelfs alle hulp zoude toebrengen, die hy benoodigd mogt hebben.—"Neen, neen, Massera! antwoordde hy my met zeer veel standvastigheid"; en met het hoofd schuddende, liep hy weg. Onaangezien myne beveelen, wierd door twee van myne soldaaten op hem geschoten; maar tot myn groot genoegen raakten zy hem niet. Deeze elendige omzwerver zogt een onzeker bestaan in die verlatene velden, welken wy meer dan eens verwoest hadden.—De reden, waarom de Negers zoo moeielyk met een kogel te raken zyn, bestaat hier in, dat zy nooit in eene rechte lyn, maar altyd kronkels-gewyze, loopen.

Overëenkomstig myne beveelen, verwoestte ik Cofaay, en deszelfs omtrek, op nieuw, maar het deed my echter leed, om des ouden Negers wille. Na het om ver hakken van verscheiden catoen-boomen, bananen-boomen, althaea-planten, duiven-boonen, Indisch koorn, ananassen en ryst, die grootendeels zedert de eerste aldaar door ons gedaane verwoesting waren opgeschoten, konde ik niet nalaten, om voor eene kleine hut, in welkers nabyheid heete asch en bananen-schillen lagen, een weinig scheeps-bischuit, een groot stuk gezouten ossen-vleesch, en een fles nieuwe rhum agter te laten, voor den ongelukkigen, die aldaar zyn verblyf hield. Vervolgens sloegen wy ons andermaal op de vlakten van Cofaay neder.

Zoo dikwerf gesproken hebbende van velden met ryst bezaaid, verwagt de lezer waarschynlyk eenige byzonderheden omtrent derzelver aankweking. De plant, die het graan van deezen naam voortbrengt, heeft, schoon sterker zynde, vry wat gelykheid met het koorn. Zy brengt holle gegroefde stammen voort, op zekere afstanden knoopen of knobbels hebbende, en zig tot de hoogte van vier voeten verheffende. De bladeren zyn rank, even als van het riet. De zaden zyn ten naasten by op dezelfde wyze gerangschikt, als de garst, en groeijen aan halmen, langs welken zy beurtelings geplaatst zyn. De oriza of ryst, heeft hitte en vocht noodig. De ryst-korrels zyn langwerpig rond; de beste zyn wit, doorschynend en hard. De nuttigheid van de ryst is zoo over bekend, dat ik 'er niets anders van zeggen zal, dan dat dezelve voorkwam, dat onze arme soldaten niet van honger stierven, voornamelyk in Augustus 1775, toen zy voor een geheel rantsoen daags niet meer hadden, dan een scheeps-bischuit, en drie koorn-airen van Indisch graan, voor vyf mannen.

Mynen last toen volkomentlyk ter uitvoer gebragt hebbende, hernam ik, met myne manschappen, den weg naar de Cassipory-Kreek, trekkende door de verwoeste velden van Gado-Saby die niets anders dan eene dorre woestyn vertoonden. Wy gingen vervolgens zuid-oostwaards, daar na geheel en al zuidwaarts, en hingen toen onze hangmatten in de nabyheid van onze eerste legerplaats op. Het is opmerkelyk, dat alle de moerassen door de buitengewoone hitte waren uitgedroogd; en tevens was de stank, die door eene meenigte van visschen, voornamelyk tot het zoort van de Warappa's behoorende, welke by het afloopen van het water gestorven waren, wierd opgegeven, aller ongezondst en ondraaglykst. Onze slaven echter zogten de minst bedorvene van deeze visschen uit; des avonds lieten zy ze in de pan bakken, en aten dezelven als een lekker beetjen.

Des anderen daags morgens, trokken wy verder zuidwest-waarts ten westen, en hielden omtrent vier mylen van de Cassipory-Kreek stil. Den 26sten, onzen weg zuid-zuid-westwaarts nemende, kwamen wy in het hoofd-kwartier, zeer vermoeid, zeer vermagerd, en ik had zelf de roos in het aangezicht. Ik stelde myn dagverhaal ter hand aan den Lieutenant Colonel DES BORGNES, die het bevel voerde.

Een hoop van vyftig soldaten wierd, den 27sten, naar den post van Jerusalem, en deszelfs omtrek, op kondschap uitgezonden, en den 6den December, kwam de zoo lang verwagte versterking, uit drie honderd vyftig mannen bestaande, in de Rivier Surinamen aan; zy hadden, van hun uitzeilen uit Holland af gerekend, de reize gedaan in agt-en-zestig dagen, maar 'er vyftien van te Plymouth doorgebragt.

Wy vernamen toen, dat Capitain JOACHIM MEIJER, die eene aanzienlyke somme gelds voor ons volk aan boord had, door de Mooren genomen was geworden, en met alle zyne scheepsgezellen te Marocco opgebragt, alwaar zy slaven van den Keizer wierden:—dat het Schip Paramaribo, Capitain SPRUIT, (één van de geenen, waar in men in het begin van de maand Augustus de zieken inscheepte,) in het Kanaal op de klippen van Ouessant schipbreuk had geleden; maar dat, met behulp van eenige Fransche visschers, allen, die zig aan boord bevonden, gered en naar Brest gebragt waren, van waar zy wederom naar Texel inscheepten:—dat de Prins van Orange, uit weldadigheid en menschlievenheid, onder de Officiers en soldaten, ten getale van meer dan honderd, de navolgende sommen gelds had laten uitdeelen, namelyk, omtrent veertig guldens aan elken soldaat, zes honderd aan elken Lieutenant, agt honderd aan elken Capitain, en duizend aan den Major MEDLAR, die het bevel voerde. Alle de geschenken, welken ik aan myne vrienden in Europa gezonden had, waren op dien zelfden bodem, en alzoo, tot myn groot hartzeer, verloren geraakt.

Zedert meer dan een maand had ik tot myne woonplaats niets anders, dan eene slechte hut, voor regen en wind bloot staande. Doch thans vernomen hebbende, dat, in weêrwil van de aangekomene versterking, men ons bestemd had, om ons eenigen tyd in de bosschen te blyven ophouden, het geen aan veelen van ons volk zeer leed deed, begon ik, den 1sten December, om zonder hamer, of spykers, voor my eene wooning te laten bouwen, die in zes dagen was afgemaakt, schoon twee verdiepingen, eene overdekte gaandery met een hek, en eene kleine keuken hebbende. Dicht daar by was een tuin tot myn gebruik, alwaar ik op jong plantsoen, de namen van JOANNA en JOHNNY sneed. Tot gebuur had ik mynen vriend den Capitain BOLTS, die een geyt had, waar van de melk ons van groot nut was. Anderen hielden eendvogels en hoenderen; maar de laatstgemelde hadden geene haanen; men was bevreesd voor hun gekraay, en had dezelven gedood. Alle onze Officiers eindelyk bouwden, aan den oever, eene reije van zeer zindelyke wooningen; aan de overzyde had men meer dan honderd hutten, (die toen allen groen waren,) voor het nieuwe krygsvolk opgericht, en het geheel maakte eene fraaije straat, waar van niettemin de bewooners een zeer slecht voorkomen hadden.

Het was aan myne wooning merkwaardig, dat men 'er door het dak inkwam. Door dit middel zag ik my ontheven van alle die aanloopende bezoeken, die myn voorraad uitputten, en my meenigmaalen hinderden, wanneer ik met teekenen, schryven of lezen bezig was. Onze legerplaats was daarënboven zeer aangenaam. Wy waaren op eene hoogte, alwaar wij van de schadelyke dampen, die aanhoudend uit den grond opkomen, en elders een groot getal manschappen hadden doen sneven, niets te vreezen hadden.

Geduurende de zeer korte oogenblikken, dat ik hier eenige rust had, maakte ik in het klein, op een plank van agtien duimen lengte en twaalf duimen breedte, de boeren-wooning, welke ik aan de Hoop bewoond had. Ik gebruikte daar toe insgelyks takken van Latanus-boomen, en elk beschouwde het als iets, dat zeer merkwaardig was. Ik gaf het ten geschenke aan mynen vriend den heer DE GRAAF, die het vervolgens in zyne verzameling van zeldzaamheden te Amsterdam plaatste. Dewyl ik thans van dit onder werp spreeke, zal ik aan den lezer een gezicht van beide myne wooningen aanbieden, de eene aan de Hoop, alwaar ik zulke gelukkige dagen doorbragt, de andere slechts voor een korten tyd, zoo als wy die in de bosschen bouwden, om aldaar voor het slecht weder beveiligd te zyn. De eerste kan beschouwd worden als het zinnebeeld van huisselyk geluk; de tweede als het zinnebeeld van allerleije vermoeijenissen en gevaaren.

Het regen-saisoen onverwagt zynde opgekomen, handelde het krygsvolk der Sociëteit van Surinamen, dat aan de Wana-Kreek lag, verstandig met op te breken, en trok den 26sten voor by onze legerplaats, de Cottica afzakkende, om zig naar de Plantagiën aan de Peréca-Kreek te begeven. Intusschen waaren wy verwezen, om in deeze legerplaats aan de Cassipory-Kreek gebrek te lyden, terwyl de Colonel FOURGEOUD zig zeer gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons, dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni, gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon wy van alle kanten geduurig ronden deeden.

Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden, dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen, en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de Officiers; maar deezen drank den Capitain P——T naar het hoofd gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats; en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had, om my den minsten tegenstand te kunnen bieden", en daarop omhelsde hy my hartelyk. Ik deed hem een vriendelyk verwyt, en bragt hem weder by het gezelschap, met het welk wy het oude jaar vrolyk ten einde bragten.

Op nieuwe jaars dag van het jaar 1777, gingen wy onze gelukwenschingen by den bevelhebbenden Officier afleggen; en, onder weg, vertoonde men my de Philander, of de Oppossum van Mexico, alhier Awary genaamd. Het was een wyfje, welke men met haare jongen levendig gevangen had.

Ik heb reeds van de Oppossum gesproken; ik zal my dus hier alleenlyk met die byzonderheden bezig houden, welke ik in het thans aan my vertoonde dier opmerkte; zy zullen zelfs zeer weinige in getal zyn, want het dier bevond zig op den bodem van eene ledige kist; en vreezende door het zelve gebeten te worden, dorst ik het 'er niet uit haalen. Zoo groot zynde als een Noorweegsche rot, was deeze Oppossum mitsdien veel grooter, dan die ik bevorens in dit werk beschreven heb. Derzelver hair had eene geelachtige gryze kleur op den rug, en eene vuile witte kleur onder aan den buik en aan de pooten. Haare bek was voorzien van lange knevels en minder puntig, dan de andere Oppossum. Een zwarte kring liep rondom haaren oogbol; de oogen waaren wel niet zwart, maar stonden zeer levendig. Haare staart was uittermaten lang, dik, van zwaar hair voorzien, vooral ter plaatse waar dezelve aan het lyf vast is, en diende haar tot een aanvallend wapentuig. Deeze Oppossum had onder den buik een zak, van een plooy of kreuk in de huid gemaakt, en van buiten zoo wel als van binnen hairachtig. Haare jongen, ten getaale van vyf of zes, kwamen 'er nu en dan uit, wanneer de moeder zig stil hield; maar op de minste beweging of het minste gerucht, begaven zy 'er zig weder schielyk in. Met dit arme dier, het welk men reeds lang gekweld had, medelyden hebbende, deed ik de kist op zyde tuimelen. Toen ontsnapte de gevangene met haare jongen, en klauterden allen gezwindelyk op den top van eenen hoogen boom, staande in het gezicht der wooning van den Colonel SEYBOURG. De moeder maakte zig vervolgens met haare staart aan één van de takken vast; maar dewyl dit zoort van dieren het gevogelte vernielt, deed de Colonel, voor zyne hoenderen bang zynde, op haar en haare jongen schieten. By het geen ik gezegd heb, moet ik nog voegen, dat de gezwindheid van deeze Oppossum my des te meer verwonderde, om dat verscheiden Schryvers die hoedanigheid in dezelve ontkennen.

Onder de vernielers van het gevogelte, vindt men ook een ander dier, in dit Land bekend onder den naam van Quacy-Quacy, door zommige persoonen genoemd het Indisch Konyn, maar zynde in de daad de Coati-moudi, of het Brazielsche wezeltje. Men vergelykt hem zeer voegzaam met de Vos; want zoo wel als hy genoegzaame kragten heeft, om een kalkoen of een gans weg te nemen, is hy ongemeen behendig. Dit dier is zomtyds by de twee voeten lang. De gedaante van zyn lichaam is als die van een hond. Deszelfs hair is gewoonlyk zwart, of liever donker bruin; maar verscheiden van dat zoort hebben het zelve van eene blinkende roode kleur. Hy heeft eene lange dik gehairde staart, met zwarte streepen als ringen, en van eene donkere buffels kleur: hy houdt dezelve doorgaans in de hoogte. Het hair van de borst en van de buik van den Coati is van eene vuile witte kleur. Zyn kop, van eene helder bruine kleur, heeft lange kakebeenen, en een zwarte varkensmuil, die by de twee duimen overhangt, zig in de hoogte opstroopt, de vertooning maakt van een krom gebogen en opgeheven bek, en beweegbaar is even als die van den Tapira. Zyne oogen zyn klein; zyne ooren kort, rond, en van wederzyden door een diep bindzel aan den bek vast zittende. Zyne pooten zyn kort, en vooräl de voorpooten; dezelve eindigen met zeer langwerpige voeten, verdeeld in vyf klauwen, met sterke nagels gewapend. Schoon de Coati, even als de beer, altyd op de hiel loopt, en zig op de agterpooten staande houdt, is 'er geen dier, (den aap uitgezonderd,) dat met meer gezwindheid de boomen opklimt. De vogelnesten, met al wat 'er in is, zyn aan zyne vernielingen bloot gesteld. Hy plundert voornaamlyk de hoender-hokken; en dienvolgende stelt men alles te werk om hem uit te roeijen.

Alvoorens de Surinaamsche bosschen te verlaten, moet ik nog een ander dier beschryven, het welk dezelven bewoont, en voornamelyk van mieren leeft; het is de groote Mier-eeter, de mier-eetende Beer, of de Mieren-Leeuw; Ofa Palmera by de Spanjaarden genoemd. Het lyf van dit dier (twee maalen grooter zynde, dan dat van den Coati-moudi,) is overdekt met lange en dikke hairen, zwart op den rug en aan den buik, grys of witachtig geel aan den hals en in de zyden. Zyn kop is niet zeer dik, maar uittermaten langwerpig, en eindigende met een grooten bek van eene helder roode kleur. Zyne oogen zyn zeer klein; zyne ooren kort en rond; en zyn mond, die geene tanden heeft, is niet grooter dan noodig is, om zyne tong te kunnen bevatten. Zyne staart is van eene verbaazende grootte, en van zeer lange hairen voorzien, welke dezelven naar die van een paard doen gelyken. Het dier bedient zig van deeze buitengewoone staart, om zyn lyf te dekken, wanneer hy slapen wil; het geen hy doorgaans over dag doet, wanneer hy zig voor den regen wil beveiligen. Anderzints sleept hem dezelve agter aan, en hy veegt 'er den grond mede. Hy heeft dunne pooten, maar met zeer lange hairen overdekt; de agterpooten zyn zwart, korter, en eindigen met vyf klaauwen; de voorpooten hebben eene vuile witte kleur, maar eindigen alleen met vier klaauwen, waar van de twee middelste langer zyn, dan de andere; allen zyn ze met zeer scherpe nagels gewapend.

De groote Mier-eeter is, een slecht looper. Hy zet zig altyd op het achterste van de langste zyner pooten, even als de Coati, of de Beer; maar hy klautert beter; en hy is zoo sterk in het vechten, dat geen hond zig aan hem durft wagen; want geen dier, dat onder zyne voor-klauwen koomt, en zelfs de Jaguar, of de Guiaansche Tyger, wordt door hem los gelaten, dan wanneer hy hem dood gemaakt heeft. Zyn voedzel, zoo als if gezegd heb, bestaat, voornamelyk in mieren, welken hy op de volgende wyze vangt:—Wanneer hy by een mieren-nest koomt, steekt hy zyne tong uit, die by de twintig duimen lang is, en zeer veel gelykheid op een worm heeft; door eene slymige stoffe, of speekzel, bevochtigd zynde, blyven de mieren 'er in een groot aantal aan hangen; de mier-eeter haalt vervolgens zyne tong in zynen bek te rug; en hy herhaalt deeze bewerking, zoo lang nog eenige van deeze insecten in hunnen schuilhoek overig zyn; daar na gaat hy elders zoeken, om het zelfde zoort van voedzel op gelyke wyze naar zig te nemen. Hy klautert ook op de boomen, om aldaar houtluizen en wilden honig te eeten; maar indien hy het noodige voedzel voor zig niet vindt, kan hy een langen tyd vasten, zonder daar van het geringste ongemak te ondervinden. Men zegt, dat men dit dier kan tam maken, en dat hy, in dien huishoudelyken staat, kruimels brood, en zeer kleine stukjens vleesch doorslikt; men beweert bovendien, dat zyn vleesch aan de Indianen en Negers een goed voedzel verschaft; ik heb de laatstgemelden ten minsten het zelve met smaak zien eeten. Eenige mier-eeters zyn niet minder dan agt voeten lang, van den kop tot de staart gerekend.

In Surinamen vindt men ook een dier van het zelfde zoort, Tamandua genaamd: maar hy is kleiner en zeldzamer. Hy verschilt van den bovengenoemden daar in, dat hy twintig klaauwen heeft, den kop naar evenredigheid grooter, de staart kleiner, en afgedeeld door zwarte streepen, en van eene bleek geele kleur. 'Er is ook nog een derde zoort, welk dier insgelyks den naam van Mier-eeter draagt; maar ik heb hem nooit gezien.

Den 3den kwamen zes andere vaartuigen van Paramaribo aan; zy waren geladen met soldaten, die het getal van drie honderd vyftig mannen, uit Holland gezonden, volkomen uitmaakten. Vernomen hebbende, dat onder deeze nieuw aangekomenen zig bevond een Capitain, CHARLES SMALL genaamd, die onder de Schotsche Brigade gediend, en met den Vaandrig MACDONALD geruild had, zakte ik dadelyk in een kano de Rivier af, om deezen Officier op te zoeken, en hem mynen dienst aan te bieden. Ik was naauwlyks op zyn vaartuig gekomen, of ik zag hem aan eene heete koorts in zyne hangmat ziek leggen. My niet herkennende, uit hoofde van myn plunje, die niet veel beter was, dan van den gemeensten matroos, vroeg hy, wat ik begeerde; maar wanneer hy in my zynen ouden vriend STEDMAN herkende, in eenen zoo verschillenden staat, als hy hem voor deezen gekend had, drukte hy my de hand, en smolt in tranen weg, zonder een enkel woord uit te brengen. Deeze aandoenlyke beweging, waar door zyne ziekte verërgerde, gaf my een sterker bewys van zyne vriendschap voor my, dan eenig gesprek zoude hebben kunnen doen. Ik nam hem derhalven in myne kano, en bragt hem in myne hut, alwaar men veel moeite had, om hem door een gat, het welk men opzettelyk maakte, te doen binnen treden, want het gat in het dak konde alleenlyk voor my tot een ingang dienen. Zyne hangmat dicht by de myne hebbende doen ophangen, liet ik water koken, waar in ik rhum, suiker en een weinig bischuit deed; de zieke nam deeze soup, en van dit oogenblik aan wierd hy beter. Hy verhaalde my, dat één van zyne soldaten in den overtocht verdronken was, en dat wanneer de Colonel FOURGEOUD aan de nieuwlings ontscheepte Officiers een dans-party gegeven had, op welke één van zyne koks en twee soldaten de plaats van Musikanten vervulden, hy aldaar, door te veel te danssen, zig zyne ziekte had op den hals gehaald.

Korten tyd daar na, verscheen de Colonel zelf in de legerplaats, en kondigde ons aan, dat door de aankomst van nieuwe Officiers, verscheiden onder ons hunnen rang in het Regiment en in het leger verloren: dit was de belooning voor allerleije zoorten van vermoeijenissen, gevaaren, en onäangenaamheden, geduurende vier jaaren lang in eene verzengde luchtstreek. Om de maat van ellende vol te meten, gelastte men ons, in plaats van ons naar Europa te rug te roepen, om in de bosschen van Surinamen te blyven, en aldaar de geenen, die ons moesten vervangen, in den dienst te onderrigten.

De post van Majoor wierd my toen opgedragen. Dezelve was zeer onäangenaam: men moest dagelyks soldaten kastyden, die om hunnen honger te stillen, het magazyn beroofden; want hun ontbrak brood eene geheele week lang, dewyl de oven reeds was afgebroken. Een van deeze arme keerels wierd byna tot den dood toe gegeesseld, om dat hy een gerookte worst ontvreemd had van den Colonel, die nooit vergat, om ten minsten zes sterke Negers te beladen met allerleije zoorten van gezouten kost, thee, koffy, suiker, Madéra-wyn, brandewyn, genever, enz.

Den 8sten, kwam eindelyk een vaartuig aan, niet alleen gezouten vleesch en bischuit in hebbende, maar ook een levendige os en twee varkens.

Deeze dieren waren een geschenk van zekeren Colonist, FELMAN genaamd, die door zyne vrouw en eenige vrienden vergezeld zynde, den Colonel een bezoek kwam geven. De varkens en de os wierden dadelyk geslagt, en onder vier honderd menschen verdeeld, zoo dat men gemakkelyk kan naargaan, dat ieders rantsoen niet zeer groot geweest kan zyn. Na deeze uitdeeling, bezichtigde het geheele gezelschap onze onderscheidene woningen. Aan de myne gekomen zynde, wandelde de Colonel dezelve rond; maar geen deur ziende, riep hy uit: "Is hier niemand in?" Ik stak oogenblikkelyk myn hoofd door het gat in het dak, en bood de vrouwen aan, om door het zelve by my in te komen; maar zy bedankten 'er beleefdelyk voor. Ik heb den Colonel nooit zoo hartelyk zien lachen. Zoo dra hy spreken kon, riep hy uit: Men moet STEDMAN zyn!—Men moet zoo origineel zyn, als hy. Hy bragt vervolgens het gezelschap weder in zyne woning; maar vooraf noodigde hy my, om hem aldaar te volgen.—Toen de Capitain SMALL en ik van daar heen gingen, deeden wy eene wandeling in eene fraaije Savane, alwaar wy eene hut van takken van boomen hadden opgericht, waar aan wy den naam gaven van Ranelagh, en wy namen aldaar van tyd tot tyd eenige ververschingen van koud eeten, waar door myn voorraad schielyk op geraakte. Wy moesten dus by vervolg van ons rantsoen leven; maar SMALL had toen het genoegen te zien, dat zyne medgezellen van gelyken deeden. Deeze, niet gewoon zynde aan het zuinig leven, het welk in onze bosschen zoo noodzakelyk was, hadden van hun meel puddings gemaakt, en zagen zig toen gedwongen, om scheeps-bischuit te eeten.

Den 12den, kregen honderd vyftig mannen van het nieuwe krygsvolk bevel, om op te trekken. Elk hunner was, behalven met zwaare kleederen, met een hangmat en een zeer zwaar randsel beladen. Myn vriend SMALL was onder dit getal; hy was zeer dik, en zoo verzwakt, dat hy naauwlyks gaan konde. Ik deed dit aan den Colonel opmerken, die hem veroorloofde, om zig voor een gedeelte van dien toestel te ontlasten.

Alles op die wyze in gereedheid zynde, nam deeze hoop krygsvolk haaren weg rechts af, en, vertrok met den Colonel FOURGEOUD aan het hoofd, om zig naar de Rivier Maroni te begeven.

De Colonel was in dit oogenblik ten mynen opzigte wel zoo beleefd, als ik hem verlangen konde, maar de rechtvaardigheid dwingt my te verklaaren, dat hy in alle andere opzigten zoo heerschzuchtig en onmeedogend was, als ik hem immer gezien heb. Hy scheen in het begrip te staan, dat zyn rang die handelwyze van hem vorderde.

In zyne afwezigheid voer ik de Rivier over, en hieuw aan de andere zyde van de Cottica eenen palmboom om, het geen ik deed, niet alleen om de kool, maar om dat ik wist, dat de worm in veertien dagen goed zoude zyn om te eeten.

Het bosch van dien kant met mynen Neger QUACO doorwandelende, viel myn oog op den cederboom, het bruine hart, en de kogel-boom. De eerste verschilt, in weêrwil van deszelfs naam, van den cederboom op den berg Libanon, die eene spits toeloopende gedaante heeft. Die van Surinamen groeit mede tot eene groote hoogte op; maar men stelt zyne waarde voornamentlyk daar in, dat deszelfs hout nooit door wormen, noch andere insecten geknaagd wordt, en een ongemeen bitteren smaak heeft. Het heeft ook een aangenaame geur, en men verkiest het daarom boven alle ander hout, om koffers, kisten, kassen, en allerleije zoort van schryn-werk te maken. Het dient ook tot het bouwen van tent-jachten en andere vaartuigen. De kleur van het spint van dit hout is bleek oranje. Het is hard en te gelyk ligt; en uit den stam druipt een gom, veel gelykende naar Arabische gom: dezelve is doorschynende en zeer welriekende.

De boom met het bruin hart is van dezelfde dikte en hardheid, als de boom met het purper hart, en die met het groen hart, waar van ik melding gemaakt heb. Hy dient tot groote werken, en voornamelyk tot het bouwen van molens. De kleur, die zeer fraay is, is met deszelfs benaming overeenkomstig.

De Kogelboom groeit zomtyds hooger dan zestig voeten; maar naar mate van zyne hoogte is hy niet dik. Zyne schors is gryskleurig en glad; zyne spint bruin, over 't geheel wit gevlakt. Geen boom is hem in zwaarte gelyk; de zyne gaat die van het zeewater te boven. Hy is zoo in één gedrongen, dat zonneschyn en regen geene uitwerking op hem doen. Dienvolgende maakt men 'er latten van, om 'er de daken mede te dekken, in plaats van met leijen of pannen, die in dit Land te zwaar en te heet zouden zyn. Men verkoopt deeze latten voor meer dan veertig guldens de honderd te Paramaribo, en men behoeft ze niet te vernieuwen, dan na verloop van vyf en twintig jaaren.

Ik moet ook nog spreken van een anderen boom, Ducolla-bolla genaamd, die men insgelyks in de bosschen van Guiana vindt. Hy heeft eene zeer donkere roode kleur, en een zeer gelyk en fyn erf. Zyne hardheid en zwaarte maken hem voor den schitterendsten glans vatbaar.

Omtrent op deezen zelfden tyd, wierd het geheele leger gekweld door insecten, in Surinamen genoemd hout-luizen, maar welken men met meerder gepastheid witte mieren zoude kunnen noemen, want zy hebben zeer veel gelykheid op mieren. Het grootste onderscheid tusschen deeze beiden bestaat daar in, dat de mieren in den grond woonen, en deeze houtluizen hunne nesten op stammen van boomen maken. Deeze nesten, die zwart, rond, onregelmatig zyn, veel gelykende naar den wolligen kop van eenen Neger, maar zomtyds zoo groot als een half vat, zyn gemaakt van eene roodachtige aarde, zoo in één gedrongen als mastik, en ondoordringbaar voor het water. In dezen hoop, bestaande in een eindeloos getal gemeenschappelyke wegen of loopgraven, die de gedaante hebben van de schacht van een ganzen-veder, leven deeze dieren in talryke zwermen; en wanneer zy 'er uitkomen, richten zy de verschrikkelykste verwoestingen aan, meer dan eenige andere insecten in Guiana. Zy doorknagen het hardste hout, het leder, het linnen, en alles wat zy ontmoeten. Zy komen dikwils in de huizen door een bedekten weg, van eene halve cirkelswyze gedaante, welken zy in de beschotten maaken, en die door deszelfs omwegen zomtyds verscheide honderde voeten lang is. Dewyl zy alles tot stof vermalen, indien men, dezelven bespeurende, geene zorge draagt om ze uit te roeijen, het geen door middel van rottekruid en terpentyn-olie geschiedt, zyn deze insecten in staat om het geheele huis met eene volkomene instorting te bedreigen. De houtluizen verschaffen, in weerwil van hunne walgelyke en stinkende reuk, een goed voedzel aan het gevogelte, het welk, zoo men zegt, 'er veel gretiger op is, dan op het graan van Indisch koorn. Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, noch hun ongemeen vernuft in het herstellen van hunne woning, wanneer die beschadigd is, noch hun voortteelend vermogen, het welk zoo groot is, dat men, welke verwoesting men ook onder hen maakt, hen spoedig weder ziet te voorschyn komen, in een zoo aanzienlyk getal als bevoorens.

Wy wierden bovendien dikwils gekweld door geheele wolken van vliegende luizen, die zomtyds onze kleederen zoodanig overdekten, dat ze het voorkomen van eene gryze kleur hadden. Dit ongemak sproot voort uit de uitspreiding van haare vlerken, (vier in getal zynde) die aan de stoffe van het kleed blyven vast zitten, en zig van het lichaam van het insect afscheiden, wanneer het in de hoogte vliegt. Eenige Natuurkundigen beweeren, dat de vliegende luizen geene andere zyn, dan de bovengemelde houtluizen, en die, tot zekeren ouderdom gekomen zynde, vlerken krygen, hun nest verlaten en rond vliegen, even als zommige andere mieren, zoo in Europa, als in America.

De krygstucht was toen zoo gestreng in het leger, dat ieder, die het minste gerucht maakte, zwaar gestraft wierd, en zelfs gedreigd, om te worden doodgeschoten. De schildwachten hadden last, om van de aankomst van rondes alleenlyk door fluiten bericht te geven, en men beantwoordde hun op gelyke wyze.

Een van onze soldaten, den 18den, veroordeeld zynde geworden, om door de spitsroeden te loopen, vermits hy hard gesproken had, vond ik middel, by afwezigheid van den Colonel FOURGEOUD, om hem vergiffenis te doen verkrygen, op het zelfde oogenblik, dat hy reeds uitgekleed was, om zyne straf te ontfangen.

Den 23sten, ontfing ik verschen voorraad en wyn, my van Paramaribo gezonden; alles kwam zeer ter sneede. Den zelfden dag kwam de Colonel FOURGEOUD met zyne manschappen van zynen tocht naar de Rivier Maroni te rug. Hy had negen en vyftig huizen verwoest, en drie bebouwde velden vernield. Op die wyze wierd zekerlyk aan de muitelingen de doodsteek toegebragt, daar zy, geen middel meer hebbende, om aan deeze zyde der Rivier te kunnen bestaan, genoodzaakt waren dezelve over te trekken, en zig in de Fransche Volkplanting van Cayenne te gaan nederzetten. Op deezen moeijelyken, doch noodzakelyken tocht, hadden de soldaten, en vooral de nieuwlings ontscheepten, verbazend veel geleden. Men was verplicht een groot aantal derzelver in hunne hangmatten te dragen; men liet meer dan dertig zieken op den wachtpost aan de Maroni, en myn vriend SMALL kwam 'er vry wat vermagerd van daan.

'Er waren toen meer dan honderd mannen, die in het hospitaal van onze legerplaats gevaarlyk ziek lagen. Men hoorde niets, dan zuchten en kermen, en daar by alle nachten het geschreeuw der Guiaansche steen-uilen. De kramp, een ongemak, in Surinamen zeer gemeen, kwelde de geenen, die anderzints nog in staat waren om dienst te doen. Elk was in de grootste droefheid gedompeld. Hier zag men iemand, van het hoofd tot de voeten, met bloedende zweeren bedekt; daar weder een ander, die door twee van zyne medgezellen gedragen wierd, en in eenen diepen slaap bedolven, den eeuwigen slaap ingong, in weerwil van alle de schuddingen en bewegingen, die men te werk stelde om hem te doen ontwaken. Een derde, door de waterzucht opgezwollen, stierf, door het water verstikkende, na den Heelmeester, (die doorgaands antwoordde, dat het te laat was,) vrugteloos gebeden te hebben, om hem het zelve af te tappen. Zommigen, zig in het Hospitaal bevindende, baden God met gevouwen handen, om hun te hulpe te komen. Verscheiden, door eene heete koorts aangetast, trokken zig de hairen uit, braakten lasteringen uit tegen de Voorzienigheid, en vervloekten den dag hunner geboorte. Om kort te gaan, onze gesteldheid was zoodanig, dat men de pen van eenen MILTON zoude noodig hebben, om ze te beschryven; en terwyl de dood dagelyks nieuwe verwoestingen aanrechtede, geraakte een gedeelte der legerplaats, door zeker toeval, geheel in brand; maar de Negers bluschten den brand spoedig, zonder dat 'er eenige wezentlyke schade uit voortkwam.

Den 26sten, echter, begon myne ellende ten einde te loopen. De Colonel bood my, tot myne groote verwondering, aan, om hem naar Paramaribo te vergezellen, het geen ik zonder bedenking, en met genoegen aannam. Ik gaf derhalven myn huis, de hut in de Savane, en myn voorraad van levensmiddelen aan mynen vriend, den Capitein SMALL, ten geschenke. Ik onthaalde hem, benevens eenige andere Officiers, ter middagmaal, en gaf hun een kookzel van kool en palmboom-wormen, die nu volkomen goed geworden waren. Wy besproeiden dit eeten met eenige glazen wyn, die van goeder harter wierden ingeschonken, en ik nam myn afscheid. Te middernacht ging ik met den Colonel en twee andere Officiers, in een fraay vaartuig van zes roey-riemen. Ik verliet derhalven nog eenmaal deeze sombere bosschen, alwaar men zoo veele wonderen ziet, maar tevens onheilen ondervindt, die naar de gedachten van hun, die dezelven moeten doorstaan, de tien plagen van Egypten te boven gaan.

Toen het vaartuig het anker geligt had, verklaarde ons de Bevelhebber, dat hy de bosschen der Volkplanting van alle kanten gezuiverd, en de muitelingen genoodzaakt hebbende, de Maroni over te trekken, besloten had om deezen langen en gevaarlyken tocht in eenige weeken te doen eindigen.

Na den geheelen nacht gevaaren te hebben, bevonden wy ons des morgens tegen over den nieuwen weg van gemeenschap, dien wy ons by onzen ouden wacht-post van Devil's Harwar gebaand hadden; en des middags, kwamen wy op de Plantagie la Paix, welkers eigenaar, de heer RIVIERE, ons ter maaltyd onthaalde. De Colonel en zyn Adjudant begaven zig vervolgens naar Paramaribo, maar een ander Officier en ik verlieten hem hier, en gingen naar het strand, op eenen kleinen afstand van de laatstgemelde Plantagie, om wulpen en watersnippen te schieten.

By het gaan en te rug komen gingen wy voorby twee posten van het krygsvolk der Sociëteit, wier Bevelhebbers de vaandels lieten opsteeken, en ons ververschingen, en alles, wat in hun vermogen was, aanboden. Onze jagt was niet zeer voordeelig, en wy schoten alleenlyk watersnippen. Zy vlogen 'er in zulke talryke meenigte, dat men ze voor wolken die de lucht verduisterden, zoude hebben aangezien. Het was dus voldoende, wanneer wy in het wilde schoten, om 'er twintig te gelyk te doen vallen; maar zy waren van zulk een klein zoort, dat het der moeite niet waardig was, om ze op te raapen. Wy zouden vogelen van meer aanbelang hebben kunnen dooden, als lepel-ganzen, Brazilsche oyevaars, roode wulpen, en verscheiden zoorten van wilde eendvogels, indien de zee by ongeluk niet eenige landen overstroomd had, die tusschen ons en de bank, waar op deeze vogelen zig bevonden, gelegen waren. Wy hadden met dit al het genoegen van dezelven te zien. Deeze bank geleek, op eenigen afstand, naar een scharlaken en purperkleurig tapyt, met verscheiden zoorten van kleuren doorweven.

De Lepel-gans heeft de grootte van een gewoone gans, en gelykt veel naar een kraanvogel. Zyne korte pooten zyn aan het einde voorzien van een vlies, maar het welk zig niet verder uitstrekt dan tot op een derde der lengte van deszelfs klauwen. Zyne vederen, die wit zyn, wanneer de vogel jong is, krygen vervolgens eene fraaije rozen-kleur. Zyn bek is waarlyk opmerkelyk: rond, plat, en breeder zynde aan het einde, dan aan het begin, en in het midden, gelykt dezelve naar een spatel; en van die overëenkomst ontleent deeze vogel ook zynen naam. Men zegt dat hy kikvorschen, hagedissen en rotten eet; maar visch moet zyn voornaame voedzel wezen, want zyn vleesch smaakt 'er naar: hy wordt veel aan het strand gevonden.

Den Surinaamschen Jabiru kan ik niet beter vergelyken, dan by een oyevaar; maar hy is veel dikker. Hy wordt daarom ook wel de Brazilsche Oyevaar genoemd. Deeze vogel heeft eene pluimaadje op het lyf zoo wit als melk; maar de vederen der vlerken en de staart zyn zwart. Zyne pooten en klaauwen zyn uittermaten lang; en ik heb opgemerkt, dat hy, strydig met het gebruik van alle andere vogelen, zig dikwils op het agterste gedeelte van zyne pooten zet. Zyn hals en bek zyn buitengewoon lang; de laatstgemelde is sterk, en eindigt met een kromme bogt. De kop van den Jabiru is volmaakt zwart; de Hollanders noemen hem daarom Neger-kop. Hy houdt zig op aan de zee-kusten, even als de voorgemelde, en leeft alleen van visch. Men maakt hem gemakkelyk tam. Ik heb 'er twee onder het gevogelte van den Colonel FOUREROUD gezien.

'Er zyn in Surinamen onderscheiden zoorten van wilde eendvogelen: zy zyn niet groot; maar hunne fraaije vederen hebben verschillende schitterende kleuren. Daar onder munten voornamelyk uit de Cawerirky, de Soukourourky, en de Annaky: de laatstgemelde is de kleinste van allen. Geen waterhoen, van wat zoort die ook wezen mag, is lekkerder om te eeten, dan deeze eendvogels. Men maakt ze insgelyks tam, en ontmoet ze dikwils onder het gevogelte op de Plantagiën.

Den 28sten een vaartuig gevonden hebbende, het welk de Cottica afzakte, maakte ik 'er gebruik van, om my naar Paramaribo te begeven, alwaar ik dien zelfden avond wel gemoed en gezond aankwam.

Myne vrienden wenschten my geluk, dat ik nog leefde, na aan zoo veele gevaaren bloot gesteld te zyn geweest; na van alle hulp ontzet, door distelen en doornen van één gereten, door insecten gestoken te zyn; na uitgehongerd, afgemat, en op alle manieren gefolterd te zyn; na dikwils gebrek aan kleederen, geld, ververschingen, of geneesmiddelen gehad te hebben; en eindelyk na het verliezen van zoo veele brave medemakkers, die in dit Land hun graf gevonden hadden. Dus eindigde myne zevende en laatste veldtocht in de bosschen van Guiana.

Byzonderheden, betreffende den beruchten GRAMAN QUACY. —Beschryving van eene Koffy-Plantagie.—Ontwerp tot verbetering voor de Volkplanting van Surinamen. —Verscheiden zoorten van visschen.—Nieuwe trek van wreedheid.—Voorbeeld van menschlievendheid.—De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD wordt wederom ingescheept.

Andermaal in de hoofdstad te rug gekomen zynde, en van de beleefdheid van anderen geen misbruik willende maken, huurde ik een klein, maar gemakkelyk huis, aan den waterkant gelegen, en alwaar wy byna zoo gelukkig leefden, als op de Hoop.

Het eerste bezoek, dat ik ontfing, was van den Capitain LEWIS, die my berigtte, dat MACDONALD, die dankbaare matroos, van wien ik hier boven gesproken heb, op zyne te rug reize, na eenen tocht van twaalf dagen was overleden. Deeze brave jongen had den Capitain verzocht my van zynent wegen te groeten, en my ter hand te stellen de schelp van paarel d'amour, met zilver omzet, welke ik hem gegeven had.

Een groot aantal Planters en Colonisten wenschten ons geluk met onzen goeden uitslag tegen de muitelingen, De beruchte GRAMAN QUACY vertoonde my ook den fraaijen rok, en gouden gedenkpenning, hem door den Prins van Oranje geschonken. Deeze Africaan, want hy was van de kust van Guinee geboortig, vond middel, om, door zyn inneemend character en door zyne slimheid, zig niet alleen de vryheid, maar zelfs een gemakkelyk leven, te bezorgen.

Onder de slaven van het laagste zoort den naam van Lockoman, of toovenaar, verkregen hebbende, werd 'er op de Plantagiën geene misdaad gepleegd, of GRAMAN QUACY wierd geroepen, om den schuldigen te ontdekken; het geen hy zeer dikwils deed, uit hoofde zyner doorzichtigheid, geholpen door het vertrouwen, het welk de Negers op zyne tooverstreeken stelden, en door het gezag, het welk hy op hen verworven had. Dienvolgende kwam hy groote onheilen voor; en tot belooning van zyne diensten, ontfing hy nu en dan aanzienlyke geschenken. De bende Jagers, en, alle de vrye Negers, waren aan zynen invloed onderworpen. Hy verkogt hun zyne obias of tooverbanden, om hen onkwetsbaar te maken, en hun daar door alle vrees te benemen. Door deeze kunstgreep had hy aan de Volkplanting grooten dienst gedaan, en tevens goed zyn beurs gemaakt. De Negers baden hem als een God aan. Het maken van zyne tooverbanden kostte hem weinig: zy bestonden uit kleine steentjes, zeeschelpen, klein gehakt hair, vischgraaten, vederen, enz. dit alles wel by elkander gebonden, en een pakje uitmakende, wierd met een catoen lint om den hals gehangen, of aan eenig ander gedeelte van het lichaam geplaatst. Hy had, in 't jaar 1730, het geluk, om eenen geneeskrachtigen wortel te ontdekken, die naar hem Quassie- of Quacy-hout genoemd wierd. [73] Schoon dezelve thans in Engeland minder beroemd is, dan voor deezen, beschouwt men dien echter als een zeer krachtig middel tot versterking van de maag, en herstelling van eetlust. Behalven deeze eigenschap, levert dezelve ook een krachtig middel tegen de koorts op.

De heer D'AHLBERG, dien ik reeds in het verhaal van deeze reize genoemd heb, maakte, in 't jaar 1761, het Quasie-hout aan den beroemden LINNÆUS bekend, en deeze Zweedsche Natuurkenner heeft naderhand eene verhandeling over deeze plant geschreven. Door middel van deeze gewichtige ontdekking, zoude QUACY groote rykdommen hebben kunnen verzamelen, zoo hy zig niet aan een liederlyk leven en verkwistingen had overgegeven, waar van de gevolgen zwaare ziekten waren, en inzonderheid de melaatsheid, die, zoo als ik reeds gezegd heb, volstrekt ongeneeslyk is. Hy moet niettemin eenen hoogen ouderdom bereikt hebben, schoon hy den juisten tyd van zyne geboorte niet wist, maar hy was dikwils gewoon te verhaalen, dat hy als trommelslager diende, en op de Plantagie van zynen meester alarm sloeg, toen de Fransche Admiraal, JACQUES CASSARD, in 't jaar 1712, de Surinaamsche Volkplanting onder schatting stelde.

Het Portrait van deezen buitengewoonen man, met zynen gryzen kop, en zyn scharlaken en blaauwen rok, met goud omboord, afgereekend hebbende, biede ik het zelve den lezer aan.

Zelfs in de week van myne te rug komst op Paramaribo, ondervonden wy nieuwe bewyzen van de goede uitwerkingen, welken de tooverbanden van GRAMAN QUACY te weeg bragten. Een Capitain der Jagers, HANNIBAL genaamd, bragt aldaar twee handen van twee oproerige Negers, die hy ontmoet, en zelf gedood had. Eene van die handen was afgehouwen aan den Neger CUPIDO, in 't jaar 1774, gevangen genomen door den Colonel FOURGEOUD, die hem in de bosschen agter aan voerde, tot dat het aan deezen Neger, in weêrwil van de ketenen, waar aan hy geboeid was, gelukte te ontsnappen.

Myne vrienden een bezoek gevende, ging ik den heer ANDREAS REYNSDORP zien, die my een liskoord en een knoop van een hoed, met diamanten, toonde, die hem twee honderd guinies gekost hadden.—Zoo groot is de weelde in Surinamen. Deeze pracht was nog verre beneden die van den heer D'AHLBERG die behalven eene goude snuifdoos, met edele gesteenten omzet, en hebbende de waarde van 600 ponden sterlings, my twee stukjes zilver geld vertoonde, met goude randen, en met diamanten omzet, met dit opschrift: Soli Deo gloria, fortuna beatum &c. My niet hebbende kunnen wederhouden, om hem myne verwondering te kennen te geven, dat hy zoo byzonder veel werk maakte van twee zulke ligte stukjes, gaf hy my ten antwoord, dat dit al het gereed geld was, het welk hy bezat, toen hy uit zyn vaderland, Zweden, in deeze Volkplanting kwam.—Werkte gy? zeide ik hem.—Neen.—Vroeg gy om een aalmoes?—Neen.—Gy hebt evenwel niet gestolen?—Neen; maar, onder ons, ik gedroeg my als een geestdryver; het geen nu en dan zeer noodzakelyk is, en de drie andere kostwinningen overtreft. Ik zal nog een voorbeeld bybrengen van de buitensporigheid van zommige inwooners deezer Volkplanting. Twee van hun geschil hebbende over een koets, die zeer cierlyk gebeeldhouwd en zeer kostbaar was, zynde kortlings uit Holland aangekomen, moest men zyne toevlucht nemen tot de rechtbank, om te weten, aan wien dezelve toebehoorde; en geduurende den tyd, dat het twistgeding duurde, bleef het rydtuig in de open lucht staan, en verloor al deszelfs waarde.

Den 10den February, wanneer de meeste onzer Officieren te Paramaribo te rug gekomen waren, gaf de Colonel hun, in het hoofd-kwartier, een zoo genaamd festyn. Met de vreugde op het aangezicht geschilderd, gaf hy ons kennis, dat hy zynen tocht ten einde gebragt had. Zonder veel bloed te vergieten, had hy zyn oogmerk volmaakt bereikt, door één-en-twintig gehuchten of dorpen te vernielen, en twee honderd velden te verwoesten, waar op allerleije zoorten van planten groeiden, van welken het bestaan der muitelingen afhing. Hy bevestigde ons ook de tyding, dat zy byna allen de Rivier Maroni waren overgetrokken, en zig in de Fransche Volkplanting van Caijenne hadden nedergezet, alwaar men hun niet alleen eene schuilplaats verleende, maar zelfs alles verschafte, wat zy benoodigd hadden. Wy wenschten hem van goeder harten geluk, en wy dronken driewerf den voorspoed van de Surinaamsche Volkplanting, welkers toekomende veiligheid afhing van het nieuw cordon, of van den verschansten weg, die door het krygsvolk der Sociëteit en de Neger-jagers verdedigd wierd.

De Colonel FOURGEOUD, en zyne krygsbende, worden, in het werk van Dr. FERMIN, twee malen aangehaald als de redders deezer Volkplanting. De Abt RAYNAL spreekt 'er ook met zeer veel roem van, en zyne loftuitingen zyn met de rechtvaardigheid en waarheid overëenkomstig. Eene zaak is 'er, die den Colonel onëindig veel eere aandeed, namelyk dat, hoe zeer hy zyne soldaten op geenerhande wyze spaarde, hy nimmer eenen gevangen muiteling in koelen bloede deed ombrengen; ja zelfs, wanneer het hem mogelyk was, ontweek hy om denzelven in handen van den Rechter over te leveren. Hy wist, dat zyn plicht medebragt de muitelingen te verjagen; maar hy wist ook tevens, dat geweldadige en onmenschelyke mishandelingen hen tot muiterye hadden doen overslaan. Ik zelf, die, in de drie eerste jaaren, door hem op eene ongepaste manier vervolgd wierd, moet tot zynen roem verklaren, dat hy onvermoeid in den dienst was, en dat hy, in weerwil van eenige gebreken, een uitmuntend Officier was.

De Bevelhebber melde ons bovendien, dat twee schepen, die met krygsbehoeften voor ons geladen waren, op de reede van Texel waren gestrand; maar dat men een gedeelte van hunne lading geborgen had, en in twee andere schepen overgeladen, die in de Rivier Surinamen aankwamen.

Ik stond toen in zulk eene blakende gunst by den Colonel, dat hy my zelfs tot zynen vertrouweling nam. Ik wist daar door zyn voornemen, om het nieuwlings ontscheepte krygsvolk nog verscheiden maanden na ons vertrek in 't veld gelegerd te houden, welke ongemakken zy 'er ook door lyden mogten. Hy noemde my vervolgens de Officiers, welken hy, na zyne aankomst in Holland, wilde tegenwerken, als mede welken hy door zyne aanbeveeling wilde doen bevorderen; maar ik nam de vryheid hem hier in de reden te vallen, en op myne eer te verklaren, dat de eerstgemelde door my weten zouden het gevaar, dat hun over 't hoofd hing, zoo hy 'er by bleef, om zulk een onrechtvaardig ontwerp ter uitvoer te brengen. Deeze verklaring bragt ten minsten die goede uitwerking te weeg, dat het gesprek van zulk een onäangenaam voorwerp wierd afgeleid. Ik verzogt hem vervolgens, "dat hy zig de noodlottige gesteltenis herïnneren zoude, waar in dit zelfde volk zig bevond aan de Cassipory-Kreek, terwyl hun Heelmeester goude horologiën, en diamanten ringen overwon, met het genezen van de ingebeelde ziekten der aanzienlyke lieden op Paramaribo". Hy antwoordde my: Gy zyt een braave jongen; en beloofde 'er aan te zullen gedachtig zyn.

Ik wierd toen door Capitain MACNEYL genoodigd, om eenige dagen op zyne Koffy-Plantagie te gaan doorbrengen; maar, hoe zeer ik deeze uitnoodiging niet konde aanneemen, zal ik my echter van deeze gelegenheid bedienen, om de nuttige plant, Koffyboom genaamd, te beschryven, die, niet oorsprongelyk uit Guiana herkomstig zynde, zoo men zegt, door den Graaf DE NEALE te Surinamen gebragt wierdt, schoon zommige Schryvers daar van de eer geven aan zekeren zilversmit, HANSBACH genaamd.

De Koffy-boon [74] koomt voort van den Koffy-boom, welke eene bevallige gedaante heeft, en die men niet hooger laat groeijen, dan tot een mans hoogte, om de vrucht des te gemakkelyker te kunnen plukken. De schors van deezen boom heeft eene helder bruine kleur; en zyne bladeren, zynde altyd groen, glad, glinsterend en hoog gekleurd var boven, bleek van onderen, uitgesneden, maar zonder getand te zyn, aan de beide einden puntig, aan de buitenkant stomp, drie of vier duimen lang, en omtrent twee breed, zitten aan zeer korte steelen, en eene uitspringende kant verdeelt dezelve benedenwaarts in twee gelyke deelen. De boom is 'er geheel mede bedekt, en zyne takken spruiten op eenen kleinen afstand van den grond uit. Deszelfs beziën zyn eirond, in 't begin groen, en langzamerhand van kleur veranderende tot dat zy ryp zyn, wanneer zy eene heldere roode kleur vertoonen, even als de kerssen. Het vleesch van elk deezer beziën, hebbende eenen vry aangenaamen zoetächtigen smaak, eene speceryen geur, en eene bleeke kleur, omgeeft twee nootedoppen, die dicht aan elkander zitten, en elk eene halve boon of zaad bevatten van een kraakbeenigen aart, eene bleeke of geelächtige groene kleur, eyrond, aan de eene zyde bolrond, aan de andere plat, en aldaar over deszelfs geheele lengte met eene zeer diepe groeve doorsneden. Men zegt, dat één Koffy-boom drie of vier ponden koffy by elken oogst kan opleveren; en even als andere plantgewassen van dit Land geeft dezelve twee malen 's jaars vruchten.

De gebouwen op eene Koffy-Plantagie, bestaan in het huis van den Planter, het welk men, om de aangenaamheid, doorgaans aan den oever van eenige Rivier plaatst; en dicht daarby, gemakshalven, de woning van den opzichter, van den boekhouder, de magazynen, en kleine bergplaatsen. De verdere gebouwen, tot de bewerking geschikt, zyn eene wooning voor den timmerman, een timmerwerf, een zoort van schuur om het vaartuig in te bergen, twee koffy-huizen, het één, om de boon van het verdere gedeelte der vrucht af te scheiden, en het ander, om dezelve te laten droogen. Het overige bestaat in woningen voor de Negers, in een hospitaal, een beestenstal, en magazynen. Het geheel heeft het voorkomen van een klein gehucht. Het koffy-huis alleen kost zomtyds vyf duizend ponden sterling, en zelfs meer. Maar om een volkomener denkbeeld van het geheel te geven, verwyze ik den lezer naar de daar van door my gemaakte afteekening. Hy zal op dezelve zien de plaats der gebouwen, de velden in hunnen vollen groei, de paden, de grachten, de Huizen, alles behoorlyk onderscheiden. Eene dergelyke Plantagie, op die wyze gerangschikt, vereenigt in zig aangenaamheid, gemak, en veiligheid: aangenaamheid, om dat zy volmaakt regelmatig is; gemak, om dat alles aldaar onder het bereik en het oog van den Planter verrigt wordt; veiligheid, om dat zy door eene zeer breede gracht omringd is, waar in het water uit de Rivier loopt, en waar over een valbrug legt, die des nachts wordt opgehaald, en alle gemeenschap van buiten afsnydt.

De landen, tot bebouwing geschikt, zyn in groote vierkante vakken verdeeld, waarop doorgaans twee duizend fraaije koffy-boomen staan, die op den afstand van tien voeten van elkander geplant zyn. Deeze boomen, die op de drie jaaren vruchten beginnen te dragen, hebben op de zes jaaren hunnen volkomen wasdom bereikt, en worden dertig jaaren oud. In plaats van de boomen, die sterven, plant men jonge loten, die uit eene kweekery gehaald worden, zynde een zeer wezentlyk gedeelte, waar aan eene Plantagie nimmer gebrek moet hebben. Ik heb reeds opgemerkt, dat men twee maalen's jaars oogsten kan: de eerste heeft plaats op het einde van de maand Juny, de andere op het einde van November.

Het is in dit oogenblik niet onäangenaam, Negers van allerleijen ouderdom, deeze beziën van eene helder roode kleur te zien plukken; en terwyl de meer bejaarden hunne taak afwerken, vermaken zig de jongere, die reeds dezelve geeindigd hebhen, met onder een aangenaam groen te stoeijen.

Zy verschynen vervolgens allen voor den Opzichter, die de geenen, wier manden niet vol genoeg zyn, doet zweepen, welke reden van verschooning zy ook mogen bybrengen. Dit gedaan zynde, worden de vruchten in de schuur gebragt, en de slaven keeren naar hunne woningen te rug. Om het vleesch der vrucht van de boonen af te scheiden, worden de vruchten in een molen, die daar toe gemaakt is, gewreven; vervolgens worden de boonen in water geworpen, waar in zy een nacht blyven; men spreidt ze als dan uit op een zoort van dorschvloer, gemaakt in de open lucht, en met platte steenen, om daar op de boonen te laten droogen. Deeze bewerking afgeloopen zynde, begint men wederom eene andere, byna van gelyken aart, daar in bestaande, dat men de boonen op den vloer van eene zolder uitspreidt. Aldaar dampen zy uit, en droogen inwendig, en men draagt zorg om ze dagelyks met houten schoppen om te roeren. Om de drooging volkomen te doen zyn, werpt men deeze zelfde boonen in kuipen, die op rollen loopen, en men draagt zorg, dat ze niet door den regen nat worden. Men wryft ze vervolgens in houten mortieren, om de schil of het vlies, waar mede de boonen in de vrucht aan elkander vast zitten, van één te scheiden. De Negers doen dit werk op de maat, onder een algemeen gezang.

Eenige Koffy-Plantagiën in Surinamen brengen jaarlyks meer dan 150,000 ponden gewicht voort; en, gelyk ik reeds heb opgemerkt, het jaar voor onze komst, voerde men, alleen naar Amsterdam, 12,267,134 ponden van dit aangelegen voortbrengzel uit, waar van de prys van zeven tot agtien stuivers verschilde, maar die, midden door gerekend, eene somme van 400,000 ponden Sterling opbrengen, zonder daar nog by te rekenen het geen naar Rotterdam en Zeeland verzonden wierd.

Dit is genoegzaam tot betoog, dat het aankweken der koffy allen aandacht van de Planters verdient. Ten aanzien van derzelver hoedanigheden is het onnoodig den lezer te onderhouden.

Met deeze beschryving zal ik de waarnemingen eindigen, door my omtrent de voortbrengzels van het Planten-ryk in deeze Volkplanting gemaakt, naar mate dezelve zig aan my aanboden. Ik zal 'er echter byvoegen, dat de verscheidenheid en buitengewoone eigenschappen der boomen, planten, wortelen, enz. in dit Land, van dien aart zyn, dat zelfs de oudste inwooners dezelven niet volkomen kunnen kennen.

Het is eenige jaaren geleden, dat de Graaf GENTILLY, een kundig man, met verscheiden Indianen de woestenyen van Guiana doorreisde. Hy had een aantal aanmerkingen verzameld, waar uit de Kruidkunde groote voordeelen stond te trekken, toen hy door eene kwaadäartige koorts wierd aangetast, die hem in het midden zyner zoo gewichtige als nuttige werkzaamheden in het graf sleepte.

Na alzoo myne berichten nopens de verschillende voortbrengzels deezer Volkplanting, voornanamelyk catoen, suiker, cacao, indigo en koffy, geëindigd te hebben; na herhaald te hebben, dat de onderscheidene boomen, heesters, planten, wortels, gommen, en welriekende dingen, welken men aldaar ontmoet, uittermaten talryk zyn, en allen van eene uitmuntende hoedanigheid, is my thans nog overig de belofte te vervullen, door my gedaan, om aan het oordeel van het publiek eenige aanmerkingen te onderwerpen, waar van de gevolgen, wanneer ze beöeffend werden, een onëindig nut aan alle de West-Indische Volkplantingen zouden aanbrengen, en haar groote rykdommen verschaffen, tevens het geluk der slaven bevorderende, zonder dat men noodig zoude hebben tot den handel op de kust van Guinée zyn toevlucht te nemen, om het dagelyks verlies der Negers te herstellen. Maar het is noodzakelyk voor af de manier aan te wyzen, op welke zy gerangschikt en behandeld worden, overëenkomstig de byzondere gewoonte van deeze Volkplanting; ik zal vervolgens opgeven, hoe zy, niet alleen volgens de wetten der menschelykheid, maar ook volgens die van het gezond verstand behooren te zyn.

Ik heb reeds doen opmerken, dat 'er 75,000 slaven van allerleije benamingen in Surinamen zyn. Om een getal te hebben, het welk zig gemakkelyker laat verdeelen, zullen wy het stellen op 80,000, en, daar de Plantagiën een getal van 800 beloopen, veronderstellen, dat elke Plantagie 100 slaven heeft, (schoon verscheiden derzelven 'er niet meer dan 24, en andere wederom 400 hebben,) dus zullen wy het getal van 80,000 vinden. De volgende staat of tafel wyst de onderscheidene diensten of werkzaamheden aan, waar toe zy gebruikt worden. De eerste reije bevat het getal der slaven van alle ambachten, die tot elke Plantagie behooren; de tweede, de by elkander gerekende getallen over alle de Plantagiën.

Staat der Negers, zoo mannen als vrouwen, tot ééne Plantagie behoorende, volgens derzelver onderscheidene diensten.

Op één Op 800Plantagie. Plantagiën.

Vier mannen tot huisselyken dienst. 4 3,200 Vier vrouwen, dito 4 3,200 Een kok voor den Planter, Opzichter, enz. 1 800 Een jager 1 800 Een visscher 1 800 Een tuinman voor de bloem- en moestuin 1 800 Een Neger, die belast is met het weiden van paarden en ossen 1 800 Een om de geiten te weiden 1 800 Een tot het weiden van de varkens 1 800 Een Neger, wiens post is aan het gevogelte eeten te geven 1 800 Timmerlieden, om wooningen, vaartuigen, enz. te bouwen 6 4,800 Kuipers, om het vaatwerk te maken en te herstellen 2 1,600 Een metzelaar, om de steene grondvesten te bouwen en te herstellen. 1 800 Negers, die eenig handwerk oeffenen, en andere, die alleen tot pronk dienen, wonende op Paramaribo 15 12,000 Een Neger, den post van Heelmeester waarnemende 1 800 Zieken en ongeneeslyken 10 8,000 Eene minne voor de kinderen, die door hunne moeders niet gezoogd kunnen worden 1 800 Zeer jonge kinderen, die nog geen arbeid kunnen doen 16 12,800 Negers, die te oud zyn om te werken 7 5,600 Negers, alleenlyk geschikt om op het Land te arbeiden 25 20,000 —- ———- Het geheele getal der slaven 100 80,000

Uit deezen Staat kan men zien, dat het getal der slaven, die verwezen zyn om den geheelen last van den arbeid op het veld te dragen, slechts een vierde bedraagt van de gezamentlyke Negers der Volkplanting; en deeze zyn het voornamelyk, die vroegtydig sterven. Is het dus niet klaar, dat indien men tot den zelfden arbeid, met zoo veel gestrengheid, de vyftig duizend slaven gebruikte, die daar toe bruikbaar zyn, het getal der dooden, jaarlyks op vyf van 't honderd beloopende, ten minsten tot twaalf vermeerderen zoude, en deeze bevolking, in een weinig meer dan agt jaaren tyds, volkomen vernielen zoude.

Na getoond te hebben, hoe de slaven verdeeld worden, moet ik kortelyk opmerken, dat zoo al dertig duizend van dezelven met meerder gemak leven, dan het gemeene volk in Engeland; en andere dertig duizend een ledig leven leiden, of ten minsten een leven, het welk tot in standhouding der Plantagiën van geen nut is; de twintig duizend, die dan nog overig zyn, over 't algemeen onder de ellendigste schepzels, die op aarde woonen, gerangschikt kunnen worden. Men geeft hun naauwlyks te eeten, men put hen uit door vermoeijing, men mishandelt hen, men ryt hen door wreede straffen van één, zonder te gedogen, dat zy hunne vorderingen en klachten laten hooren, zonder dat men naar hunne verdediging begeert te luisteren, zonder dat men hun by eenige gelegenheid het minste recht laat wedervaren; en op die wyze kan men hen als levendig dood beschouwen, dewyl zy geene der voorrechten van de menschelyke maatschappy genieten.

Ik moet aan ieder mensch van gezond verstand vragen, of eene dusdanige verdeeling niet strydig is met het waar belang der eigenaars, terwyl dezelve door een verstandiger bestuur hunne rykdommen zouden vermeerderen, en het leven van hunne slaven zoo zeer niet verkorten?

Indien de onbedachtzaame inwooners deezer Volkplanting hunne weelde, ik zal niet zeggen 'er van afzien, maar matigen wilden, zouden ten minsten twintig duizend Negers by het getal der arbeidende gevoegd worden, het geen door aan de lediggangers werk te verschaffen, de anderen onëindig ontlasten zoude, en (mits zy allen met minder wreedheid behandeld werden,) het zoort van sterfte zoude doen ophouden, die zoo algemeen het lot der eerstgemelden is.

Maar de hervorming moet begonnen worden met menschen, wier gedrag ten voorbeelde strekken kan. Het is noodig, dat zy, wien het uitvoerend gedeelte van het bestuur wordt toebetrouwd, geen belang hebben, om de oogen te sluiten voor buitensporigheden, die by de wetten verboden zyn: het is noodig, dat nimmer de Gouverneur, en Regeeringen der Volkplanting, eigenaars zyn van een grooter getal slaven, dan, overëenkomstig hunnen rang, tot den huisselyken dienst by hun noodzakelyk is; want ik heb meer dan eens gezien, dat zy, die de wetten maakten, of met derzelver uitvoering belast wierden, de eerste waren, die dezelven overtraden, het zy door de Negers te dwingen, om des zondags te werken, het zy door zig aan alle de geweldadigheid hunner driften over te geven.

Het is derhalven van aanbelang, dat de Gouverneur en de voornaamste lieden der Regeering uit Europa gezonden worden; dat zy met de gaven der fortuin, en de voordeelen van eene goede opvoeding begunstigd zyn, maar bovendien, dat zy eenen edelmoedigen en standvastigen geest hebben; dat zy onvatbaar zyn voor omkooping, en zig door den glans van het goud niet laten verblinden; dat zy eindelyk met gevoelens van eer en menschelykheid bezield zyn; dat het volk, aan het welk zy eenen zoo wezentlyken dienst doen, dat de Volkplanting, welke zy zoo kragtdadig beschermen, hun op eene edelmoedige wyze beloone; maar dat hunne bezoldingen vast bepaald zyn, en niet van het zweet en bloed dier ongelukkige Africaanen afhangen; dat deeze zelfde Regeeringen wetten maken, waar by de arbeid der Negers bepaald wordt; dat deeze door andere beschermende wetten gevolgd worden, die niet gedogen, dat deeze ongelukkige slaven gefolterd, van één gereten, vermoord worden, of dat men hun al het geen den mensch lief is, hunne kinderen en vrouwen, onbeschaamdelyk ontroove; dat men hun behoorlyk voedzel geeft, en hun in hunne ziekten laat oppassen; maar voornamelyk, dat men hun recht laat wedervaren, dat men hen hoort, en hun toestaat, om de buitensporigheden, waar over zy zig beklagen, door getuigen te bewyzen, van welke kleur dezelve ook zyn mogen; dat men hun zelfs een voorrecht laat genieten, het geen voor ons zoo dierbaar is, om gevonnisd te worden door onäfhangelyke en onpartydige Rechters, uit hunne landgenooten gekozen. Indien gy eindelyk wilt, dat zy als menschen handelen en arbeiden, behandel hen dan op dien voet.

Wanneer dusdanige wetten aangenomen en ter uitvoer gebragt werden, durve ik verzekeren, dat de Europeesche volken onëindige voordeelen van hunne Volkplantingen trekken zouden.—De Planters zouden ryk, en hunne Opzichters ordentelyke lieden worden; de slavernye zoude dan meer in naam, dan in de daad zyn; de Negers zouden hunne taak met vermaak afwerken; de bevolking zoude vermeerderen, en de vervloekte handel op de kust van Guinée zoude vernietigd worden. De eigenaars zouden hunne slaven als hunne kinderen beschouwen, en als de zoodanigen, van welken de vergrooting van hun fortuin afhangt; de slaven zouden van hunnen kant den dag zegenen, dat hunne vooröuders in America zyn aangeland.

Den 16den, by zyne Excellentie den Gouverneur ter maaltyd genoodigd zynde, liet ik hem zien de verzameling van myne teekeningen en aanmerkingen, die ik rakende de Volkplanting van Surinamen gemaakt had; hy wilde dezelvcn wel met zyne goedkeuring verëeren. Ik betuigde hem myne dank-erkentenis, niet alleen voor alle de geschikte gelegenheden, welken hy my bezorgd had, om dien arbeid aan te vullen, maar ook voor het allervriendelykst onthaal, het welk ik, geduurende myn verblyf in Guiana, van hem genoten had.

Door de herhaalde betuigingen van zyne vriendschap aangemoedigd, dorst ik, twee dagen daar na, hem een zeer buitengewoon verzoekschrift aanbieden, het welk ik hem verzogt aan den Raad voor te dragen, zoo als hy my ook al glimlagchende, en my de hand drukkende, beloofde. Zie hier het zelve:

Ik verbinde myn woord van eer, het eenigste goed, het welk ik, behalven myne soldye, bezit, tot borge, dat, indien de Raad myn voorig verzoek tot vrymaking van mynen geliefden zoon JOHNNY STEDMAN toestaat, dit kind nooit ten lasten der Volkplanting van Surinamen komen zal.

(Getekend)

Paramaribo, den 18. February J. G. STEDMAN. 1777.

Daar mede alles, wat van my af hing, gedaan hebbende, wagte ik eenige dagen met angst, maar zonder hoop, het antwoord op myn verzoek af; en ingevalle hetzelve ongunstig uitviel, zag ik my genoodzaakt mynen zoon voor altyd te verlaten, of hem naar Europa mede te nemen, waar door ik den dolk in het hart van zyne moeder gestoken zoude hebben.

Terwyl ik aan deeze zorgelyke onzekerheid ten prooije stond, wierden de Transport-schepen tot ons vertrek gereed gemaakt, en ik was onder het getal der geenen, die belast waren dezelven van eenen genoegzamen voorraad van hout te doen voorzien. De Officiers ontfingen de agterstallige soldye, die men hun verschuldigd was; en dertien soldaten verkregen hun pasport, van oogmerk zynde te Paramaribo te blyven. De bekwaame Colonel betaalde ons andermaal in papier. De Regeering had ons bovendien eenige honderde guldens toegestaan, om ons schadeloos te stellen wegens de betaling van onderscheiden lasten, maar men deed 'er nooit rekening van, of liever het was ons verboden om 'er van te spreken.

Den eersten Maart, bragt een Sergeant, uit het leger aan de Cassipory-Kreek, alwaar het nieuwe krygsvolk geposteerd lag, aangekomen, bericht, dat de soldaten aldaar in grooten getale stierven, en verhaalde, dat zeker soldaat, die den 10den February verdwaald was geraakt, na verloop van zes-en-twintig dagen was te regt gekomen; dat hy de eerste negen dagen van eenige ponden scheeps-bisschuit geleefd had, en dat hy de zeventien andere dagen het leven alleen met water behouden had; dat hy zyne stem geheel en al had verloren, en dat hy, in de volste kragt van 't woord, slechts een geraamte vertoonde; maar dat de zorge, voor hem genomen, hoop gaf, dat hy het leven behouden zoude. Indien iemand weigert de mogelykheid van zulk een buitengewoon geval te gelooven, laat hy dan lezen een echten brief van den heer GODIN aan den heer DE LA CONDAMINE, waar in hy het tafereel schetst van het verschrikkelyk lyden, het welk zyne vrouw onderging, by het doortrekken der bosschen van Zuid-America, om zig van Rio-hamba naar Laguna te begeven, in de maand October 1769. Hy zal daar uit kunnen zien, hoe eene vrouw van een teeder gestel, na door de Indiaanen, die haar tot leidslieden dienden, verlaten te zyn geworden; na haare beide broeders, die onder den last van zoo veele vermoeyingen en ellende bezweken, verloren te hebben; tien dagen lang het leven behield, in een wild bosch, zonder eeten of drinken, onbewust, waar zy zig bevond, en door tygers, slangen en allerleije zoorten van gevaaren omringd. Laat men het omstandig verhaal van al het lyden deezer vrouw lezen, en men zal aan het verhaal omtrent deezen soldaat niet meer twyffelen.

Ik heb in de daad nu en dan gebeurtenissen overgeslagen, die men, om haare vreemdheid, zoude hebben kunnen denken aan het wonderdadige zeer naby te komen; maar wanneer men van de bosschcn van dit gedeelte van America spreekt, is het nutteloos zyne toevlucht tot verdichtsels, of zelfs tot de minste vergrooting te nemen, om den lezer te verbaazen.

Zoude men by voorbeeld gelooven, dat tachtig soldaten een zwaar bosch doortrekkende, de een na den ander een zoort van hoogte beklommen, welke zy op hunnen weg ontmoetten, en voor een grooten ter nedergevallen boom aanzagen, maar vervolgens onder hunne voeten voelden beweegen, en die niet minder was, dan eene zeer groote Aboma-Slang, welken de Colonel FOURGEOUD bevond dertig of veertig voeten lang te zyn? en met dit al, het gebeurde is met de waarheid overeenkomstig.


Back to IndexNext