ELFDE HOOFTSTUK.

Het krygsvolk van den Colonel maakte zig in zynen optocht meester van drie dorpen der vyanden, by één van welke men een uitgestrekt veld vond, met rype en in bloei staande ryst bedekt, maar het welk geheel en al verwoest wierd, na dat de muitelingen waren op de vlucht gedreven. Zy stonden onder het bevel van eenen Mulat, genaamd BONNY, die in de bosschen gebooren was. Deezen maakten eene party uit, geheel afgescheiden van die van BARON, welke men laatstelyk van Boucou verjaagd had. Ik vernam ook, dat men op een ledig vak hoofden van lyken gevonden had, die op staaken, in den grond geplant, gestoken waaren. Het waaren de overblyfzels van den ongelukkigen Lieutenant LEPPER, en zes van zyne soldaaten. De anderen waaren grootendeels levendig gevangen genomen, en door de Negers naar hun dorp gebragt. Aldaar had BONNY hen geheel naakt doen uitkleeden, en om de vrouwen en kinderen der muitelingen te vermaaken, had men hen laaten dood geesselen. Wy ontfingen dit bericht uit den mond van eene Negerin, welke de Colonel op zynen tocht gevangen genomen had, en door ons wel behandeld wierd.

Dit onmenschelyk gedrag van BONNY was juist het tegenövergestelde van dat van BARON, die, in weêrwil van alle de bedreigingen, verscheide soldaaten, welke hy had kunnen ombrengen, naar Paramaribo had te rug gezonden. Hy hielp hun zelfs om te ontsnappen, en verschafte hun levensmiddelen, want hy gevoelde wel, dat het onbillyk was hun iets te wyten. Maar gelyk ik hier boven reeds gezegd heb, elke Neger-Jager, die het ongeluk had in zyne handen te vallen, kon de ontembaare woede, waar mede hy bezield was, niet ontduiken.

Ik vergat te zeggen, dat de geheele krygsbende van den Colonel, byna uitgehongerd zynde, met een groot geschreeuw om brood gevraagd had. 'Er was een meenigte brood in de legerkisten; maar men had geduurende drie dagen de uitdeeling daar van opgeschort, en ryst in de plaats gegeven. Om dit zoort van muiterye te doen eindigen, wierpen zig de Officiers gewapend midden onder de soldaaten, en naamen zonder onderscheid de eersten, die hun in handen vielen, gevangen, waar onder zig bevond zekere SCHMIDT, dien die de anderen verklaarden onschuldig te zyn. Men sloeg geen acht op hunne betuigingen, en dewyl men een voorbeeld stellen wilde, wierd hy verwezen tot de straf van stokslagen, welke hy ook onderging, tot dat hem het bloed als een fontein uit den mond sprong.—Op die wyze eindigde deeze opstand. Een der geleiders, genaamt MANGOL, een walg hebbende om onder de beveelen van den Colonel FOURGEOUD te dienen, verliet hem zonder zyn afscheid te vragen, en kort daar na liet hy den dienst geheel en al vaaren. Zie hier de byzonderheden van deezen tocht in twee kolommen, van Crawassibo aan de Commewyne tot de Wana-Kreek.

Op zekeren dag, tegen den middag, leggende in myn hangmat te slapen, kwam de Lieutenant CAMPBELL, myn vriend, my met de traanen in de oogen zeggen, dat des avonds te vooren de Colonel FOURGEOUD, in tegenwoordigheid der Officiers van 's Compagnies krygsvolk, van de Engelschen ongemeen veel kwaad gesproken had. Ik beefde van kwaadheid, en stond oogenbliklyk op. Na my het gezegde van CAMPBELL door anderen te hebben doen bekragtigen, ging ik naar den Colonel, en vroeg hem naar de reden van de door hem gehouden lasterlyke redeneeringen. Hy ging een stap agter uit, en antwoordde my, dat de gemaakte aanmerkingen alleen betrekkelyk waaren geweest tot myn lange broek en borstrok, welke ik als de gemakkelykste en koelste kleeding droeg, zoo als verscheiden Engelsche zeelieden doen, maar het geen de Colonel op de Zwitsersche bergen niet gezien had. Voor 't overige leide hy de schuld geheel op den Capitain STOELMAN, die afwezig was. Ik moest my dus te vreden houden met opentlyk tegen deezen eerdief wraak te roepen. Ik beloofde vervolgens aan den Colonel myne kleeding te veranderen, en wy scheidden zeer koeltjes van elkander.

Een uur daar na, ontfing ik last, om de Rivier Cormoetibo over te steken, en aldaar onder het bevel van den Majoor RUGHCOP te verblyven, die met zyn detachement of kolom aan den zuidelyken oever van den mond der Wana-Kreek gelegerd was. Ik gehoorzaamde oogenblikkelyk.

Op de legerplaats van den Majoor aangekomen zynde, met twee Negers, om my te bedienen, was myne eerste zorg, om voor my een hut te doen oprigten, of, om netter te spreken, een zoort van overdek, ten einde myne hangmat voor zon en regen te beveiligen; het werk was in een uur ten einde gebragt. Dewyl deeze hutten van een zeer algemeen en belangryk gebruik zyn in het open veld, en op de tochten, die onder den zonne-keerkring geschieden, alwaar men geene tenten kan oprichten, zal ik de manier van derzelver zamenstelling, die allermerkwaardigst is, beschryven. Men heeft geen spykers, nog hamer, nog eenig ander timmermans gereedschap noodig; men behoeft niets meer, dan een sabel of snoeimes. Deeze hutten, schoon in een oogenblik gebouwd, maaken eene vry geschikte en aangenaame wooning, die zomtyds zelfs twee verdiepingen heeft. Om deeze te bouwen, gebruikt men het hout van den Latanusboom, alhier genoemd Parasalla, (Pinot, in Cayenne,) en banden van heestergewassen, genaamd Bejucos by de Spanjaarden, en Tay-tay in Surinamen.

De Latanusboom is een zoort van Palmboom, die men voornamelyk op moerassige plaatsen vind, en altyd, een bewys van een ryken grond is. Hy is ten naasten by zoo dik als de dyë van een mensch, en verheft zig tot de hoogte van dertig tot vyftig voeten. De stam, die zig eerst op den afstand van twee of drie voeten van den grond vormt, is van een helder bruine kleur, van buiten zeer hard, tot op de dikte van een halve duim, maar na dit zoort van schors, is hy vol merg, als de Engelsche vlierboom, en is van geene waarde, dan in de hoogte, alwaar hy groen word, en een lekkere en witte vrucht bevat, genaamt Chou, die aan alle zoorten van Palmboomen eigen is, en welke ik by vervolg beschryven zal. Op den top van deezen boom verspreiden zig zeer schoone groene takken, welker bladeren, even als zyde linten, lynrecht naar beneden hangen, en een zoort van zonnescherm uitmaken. De manier, om zig tot het bouwen van hutten van den stam te bedienen, bestaat hier in, dat men denzelven aan stukken hakt, zoo hoog als men zyne verblyfplaats hebben wil, het geen wy voorönderstellen op zeven voeten, als de gewoone maat zynde. Vervolgens splyt men deeze stukken, neemt 'er het merg uit, en maakt 'er een zoort van planken van, ter breedte van de hand van een mensch, die goed zyn om oogenblikkelyk te gebruiken. Na zoo veele van dezelve gemaakt te hebben, als men noodig heeft, blyft 'er niets meer overig, dan om ze recht over einde te plaatsen, de eene naast de andere, op twee dwarshouten, aan de hoekpaalen vast gemaakt. Alles hangt aan elkander vast door middel van banden van heestergewassen, wier naam Tay-tay, afkomstig is van het Engelsch werkwoord to tie, (zamenbinden,) het geen niet te bevreemden is, dewyl wy deeze Volkplanting bezeten hebben. Deeze heerstergewassen, wat daar ook van zy, leveren koorden op van allerleije zoort, groote of kleine, die in de bosschen groeien, en zig in allerleije richtingen om de boomen winden. Zy zyn in zoo grooten getal, en zoo wonderbaarlyk verspreid, dat zy aan het bosch de gedaante geven van eene groote vloot, die ten anker ligt; zy doen verscheiden boomen sterven, alleenlyk door hun gewicht, en vlechten zig de een om de ander, tot dat zy de dikte van een kabeltouw vertoonen. Zy klimmen, zomtyds kruisgewyze, tot in den top der hoogste boomen, van waar zy weder op den grond vallen, om wortel te schieten, en dan weder naar boven te klimmen. De dunste heestergewassen zitten dikwils zoo in elkander verwardt, als visschers netten, en het wild kan ze niet aan stukken breken. Zy zyn uittermaten taay, en men kan 'er zig van bedienen, om groote Schepen aan vast te leggen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen, dat 'er eenige vergiftige zoorten zyn, voornamelyk die plat of hoekig zyn, en ik zal tans myne beschryving vervolgen, met op te geven, hoe men het dak der hutten maakt.

Dezelfde boom, de Latanusboom, levert 'er al mede de stof voor op; men gebruikt daar toe deszelfs takken of armen. Elk van dezelve, wier gedaante ik niet beter, dan by die van een veder, vergelyken kan, is zoo breed als een mensch. Men splyt dezelve van boven naar beneden in twee gelyke deelen, en men knoopt die beide met hunne eigene bladen te zamen: men neemt vervolgens verscheide van deeze alzoo te zamen verëenigde takken, waar van men bondels maakt, met banden aan elkander gehecht, zorg dragende, dat het groen naar beneden valt, even als de maanen van een paard. Dit overdekzel, het welk in 't begin, groen is, krygt wel dra een roozenkleur. Het is zeer fraay, zeer sterk, zeer vast in elkander; en, zoo als ik reeds gezegd heb, het gebouw word zonder hamer of spykers voltooit. De vensters, de tafels, de stoelen, zyn op dezelfde wyze gemaakt. 'Er is geene andere sluiting voor de tuinen en waranden, waar in men beesten houd. Dus ontbreekt het de kastanje-bruine Negers nooit aan goede wooningen, dewyl, zoo men een dorp van hun verbrand, zy morgen een nieuw gebouwd hebben; maar wel zorge dragende, dat zy het niet weder bouwen op de plaats, alwaar de Europeaanen het eerste dorp ontdekt hebben. De Indianen, in plaats van takken van den Latanusboom te gebruiken, bedekken doorgaans hunne karbetten met de takken van eenen anderen boom, dien zy Tas noemen, en waar van ik by vervolg spreeken zal. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat het zaad van den Latanusboom vervat is in een bloei-hoos of kelk by den top des booms, en bestaande uit dertig of veertig houtächtige vezels, die de gedaante van een zoort van bezem hebben, waar van men zig in deeze Volkplanting bedient; dus levert deeze boom de bouwstoffen tot een huis op, tevens met de gereedschappen, om het zelve schoon te houden.

De hut, welke ik voor my liet bouwen, was niet ingericht op de manier, als ik zoo even beschreven heb; dit was der moeite niet waardig voor den korten tyd, dien wy doorgaans op eene en de zelfde plaats verbleeven: zy bestond slechts in een enkel overdek, zonder eenige afschutting. Dit zoort van schuilplaats, welke ieder soldaat voor zig zelven opricht, kost weinig arbeid. Men begint met vier puntige staaken in den grond te steeken, zoo verre van elkander af staande, dat iemand gemakkelyk tusschen dezelve leggen kan. Vervolgens maakt men daar aan twee dwarshouten vast, het één aan de voorstaaken, en het ander aan de agterstaaken; en men draagt zorge om ze zoo sterk te nemen, dat ze het gewicht van 't lichaam dragen kunnen. Om het dak te ondersteunen, maakt men twee afschuttingen van eene schuinsche gedaante; de takken, die men daar over heen spreid, behoeven niet gespleeten, nog vast gebonden te zyn, en men werpt 'er zoo veele op, als 't jaargetyde vordert. Zoo dra deeze hut afgemaakt is, is dezelve voldoende, om den bewooner tot eens schuilplaats te dienen. Daarënboven hangt men, door middel van banden van heestergewassen, en als aan een kapstok, den snaphaan, degen, pistoolen, enz.

Na den Latanusboom beschreven te hebben, zal ik insgelyks beschryven den Kokosboom, die, onder alle zoorten van Palmboomen, met denzelven de meeste gelykheid heeft. Deeze boom, zoo geroemd, dat ze aan den mensch voedzel, kleederen, huisvesting, enz. verschaft, heeft, naar myne gedachten, alle deeze hoedanigheden niet; maar niettemin is hij steeds merkwaardig. Hy groeit als de Latanusboom, met een hooge stam, die zelfs tot de hoogte van zestig, ja zomtyds van meer dan tachtig voeten opwast; hy is groot in evenredigheid, maar zeldzaam recht. De bast is grauw; het hout, van buiten hard, is van binnen vol merg. De takken zyn breeder, en van een donkerer groen, dan die van den Latanusboom, en van weerskanten van bladeren voorzien, als die geene, welke ik in den laatstgemelden boom by groene linten vergeleken heb. Deeze bladen echter hangen niet lynrecht neder: de takken zyn ook zoo regelmatig niet gebogen, maar zy hebben het voorkomen van groote vederen, en groeien aan den top des booms. De Kokosboom brengt ook een zoort van kool of moes voort, maar van al te weinig waarde, om zig door het afsnyden van dezelve aan het verlies van den boom bloot te stellen; het geen, zoo dikwils men dit doet, onvermydelyk gebeurd. Na verloop van vyf of zes jaaren draagt hy nooten, en zulks in alle jaar-getyden. Deeze nooten groeien doorgaans zes of agt by elkander, die uit den stam van den boom voortspruiten. Zy hebben de grootte van een menschenhoofd, maar eene meer kegelachtige gedaante.—Men weet, dat de noot, wanneer zy van haar buitenste bast ontdaan is, zoo hard is, dat men een hamer noodig heeft om dezelve te breken, en de daar in besloten pit 'er uit te haalen. Wanneer deeze vrucht jong is, bevat ze een wit vocht, het welk ik niet beter kan vergelyken, dan by water en melk met suiker, en een zoo aangenamen, als frisschen drank verschaft: wanneer zy ryp word, vormt zy zig tot een breekbaare pit, ter dikte van een duim, zig aan het binnenste der schaal vast hechtende, waar van het overige volmaakt ledig is. Deeze kern of pit, van een lekkeren smaak, en gelykvormig aan den smaak der melk, waar van zy is voortgekomen, is goed om te eeten, het geen verscheiden myner lezers ongetwyffeld zoo wel als ik weeten. Dog laaten wy ons verhaal vervolgen.

Op zekeren morgen, geduurende myn verblyf op deezen wachtpost, van eene ronde, die ik met twintig zee-soldaaten en twintig Neger Jagers gedaan had, te rug komende, wierd ik grovelyk gehoond door den heer MEYLAND, Capitain van 's Compagnie's krygsvolk, die, zoo als ik gezegd heb, met den Lieutenant FREDERIK, de vesting Boucou had ingenomen, en de landgenoot en vriend van den Colonel FOURGEOUD was. Wy zaten met andere Officiers rondom een zoort van tafel te eeten. MEYLAND, hun allen van een zekere wyn gediend hebbende, waar van hy niet meer dan eene enkele fles had, zonderde my op eene beledigende manier uit, schoon ik myn glas in de hand had, om 'er mede van te ontfangen. Verdenkende, dat deeze hoon door den Bevelhebber moest zyn ingeblazen, en het voorkomen niet willende hebben van geschil te zoeken, zeide ik aan den Capitain, dat ik door onöplettenheid gezondigd had, my niet verbeeldende, dat ik van myne medgezellen moest onderscheiden worden. Ik verzekerde hem, dat het niet de trek tot den wyn was, die my deeze aanmerking deed maken, en ik verzogt den geen, die naast my zat, my een glas wyn in te schenken, het geen hy ook deed. Deeze inschikkelykheid van myn kant had geen ander gevolg, dan dat het mynen vyand nog meer verbitterde, die zig waarschynlyk verbeeldende, dat dit uit lafhartigheid voortsproot, een onbeschaafden en gekscheerenden toon aannam. Hy wierd door alle de Duitschers en Zwitsers, die zig aldaar bevonden, zonder uitzondering, verwonderlyk geholpen; ik sprak geen woord; ik sneed een vlerk van eenig gevogelte af, dat voor my stond; ik at dezelve op, en verliet oogenblikkelyk de tafel, met het vast besluit, om myn caracter te handhaven of te sterven. Met dit stellig voorneemen, begaf ik my naar de hut van eenen zieken soldaat, en leende van hem zyn sabel, (de myne was gebroken,) onder voorwendzel, dat ik dien noodig had, om één of twee stokken te snyden. Vervolgens ging ik den heer MEYLAND opzoeken: ik vond hem zyn pyp rookende aan den waterkant, en naar één van zyne vrienden, die met visschen bezig was, kykende. Ik sloeg hem op den schouder, en zeide hem, dat zoo hy my niet oogenblikkelyk voldoening gaf, zoo als een eerlyk man betaamde, ik my over hem wreeken zoude, door hem met het platte van den sabel op zyn gezicht te kloppen. Hy antwoordde my, dat hy niets dan gekscheerende gedaan had, en scheen eene bevrediging te verlangen; maar ziende dat ik daar niet heen wilde, stootte hy met veel koelbloedigheid de asch uit zyn pyp; vervolgens zyn wapentuig hebbende gaan haalen, gingen wy te zamen, en zonder medehelpers, in het bosch, op den afstand van byna een halve myl. Toen hield ik stil, en myn sabel trekkende, waarschuwde ik den Capitain van op zyn hoede te zyn. Hy deed dit; te gelyker tyd deed hy my opmerken, dat wy met ongelyke wapenen streden; dit was waar: maar zoo al de punt van zyn sabel was weggenomen, was dezelve wel een voet langer dan de myne. Ik antwoordde hem, dat het scherp van den sabel veel meer diende dan de punt, en ik bood hem aan te ruilen. Om hem daar toe te bewegen, stak ik die geene, welke ik in de hand had, in den grond, en trachtte hem de zyne te ontwringen, tot dat ik myne vingers geheel bebloed zag, want ik had de kling aangevat. Toen nam ik myn wapentuig weder op, en zocht verscheiden maalen, maar vruchteloos, hem te raaken: hy keerde my met het grootste gemak af. Hy zelf, alle zyne krachten inspannende, wilde my een slag op 't hoofd toebrengen; maar gevoelende, dat myne handigheid onvoldoende zoude zyn, bukte ik om den slag te ontwyken. Ik maakte van dit myn postuur gebruik, trachtende hem in den hals te raaken; ik slaagde daar niet in, maar ik bragt hem een houw van zes duimen lang in het vleezigste gedeelte van den rechten arm toe. Ik zag dezelve dadelyk dwars door de opening van zyn rok, en zyn hand hing op zyde. Ik zelf echter was het gevolg van den slag, dien hy op myn hoofd gemunt had, niet geheel ontsnapt; die slag was op myn rechter schouder neergekomen, en maakte my aldaar een wond van een duim diepte. Toen vorderde ik, of dat MEYLAND my vergiffenis vragen zoude, of dat wy het gevecht met de pistool zouden vervolgen, schietende met de linke hand; maar hy verkoos het eerste. Ik deed hem gevoelen, dat de kortswyl van een Zwitser geen beuzeling was, die een Engelschman verdragen konde. Vervolgens gaaven wy elkander de hand, en ik bragt hem, geheel bebloed, by den Heelmeester van ons krygsvolk, die zyne wonde verbond. Dit afgeloopen zynde, kwam hy by zyn hangmat te rug, en het was hem, verscheiden weeken lang, onmogelyk eenigen dienst te doen. Op deeze wyze verzoende ik my met den Capitain MEYLAND; maar het geen my het grootst genoegen deed, was zyne verklaaring, dat hy my alleenlyk beledigd had in 't denkbeeld, dat de Colonel FOURGEOUD veel vermaak zoude scheppen, met my eenige onaangenaamheid te doen ondervinden. Zedert uit voorval verkeerden wy te zamen als de beste vrienden. De vreede echter mocht myn deel niet zyn, want denzelfden achter-middag was ik genoodzaakt twee andere Officiers uit te dagen, die zig op deeze maaltyd in het geschil van den Capitain tegen my gemengd hadden. Ik had echter het geluk, om hun zonder geweld of bloedvergieten myn caracter te doen kennen. Deeze heeren erkenden hunnen misslag; en dadelyk wierd ik onder ons volk met een goed oog aangezien.

Den 9den November, ontmoetten de twee kolommen elkander, en sloegen zig gezamentlyk neder aan den westelyken oever van de Wana-Kreek, omtrent daar dezelve in de Cormoetibo-Kreek uitloopt. Aan beide Kreeken plaatsten wy voorposten een myl van elkander. Dien zelfden avond had ik gelegenheid, om den Colonel FOURGEOUD te doen verstaan, dat ik aan zynen landgenoot in een tweegevecht byna het hoofd had ingehouwen. Ik had besloten hem dit zelf te zeggen, wel wetende, dat hy vroeg of laat door anderen 'er van zoude zyn onderrigt geworden. Hy antwoordde my, dat hy my dit verlies vergeven zoude hebben, en dat ik een braave jongen was; maar deeze woorden gingen met een glimlach gepaart, die 'er een geheel anderen zin aan gaven.

Indien ik aan deeze betuiging van vriendschap geloof gegeven had, zoude hy 'er my niet lang mede misleid hebben, want myn eenigen vriend, den heer CAMPBELL, ziek geworden zynde, en zig in een vaartuig naar het Hospitaal te Devil's Harwar begeevende, wilde de Colonel hem niet toestaan te wagten, tot dat ik een brief, waar by ik aan JOANNA om linnen verzogt, had afgeschreven. Een Neger-jager bezorgde my echter een kleine kano, waar mede ik my by den jongen en ongelukkigen CAMPBELL vervoegde, dien ik voor de laatste maal omhelsde, want hy stierf eenige dagen daar na.

De Colonel FOURGEOUD toen besloten hebbende, om den westelyken oever van de Cormoetibo-Kreek van muitelingen te zuiveren, trokken wy in twee kolommen op. Hy zelf was aan het hoofd der eerste; de Majoor RUGHCOP voerde het bevel over de tweede, waar toe ik behoorde; en wy lieten agter ons eene sterke wacht met voorraad voor de zieken. Zie hier den zakelyken inhoud van onze beveelen op deezen tocht.

ART. I. De vreedzaamheid en matigheid wierden daar by ten sterksten aanbevolen.

II. Niemand vermogt, op doodstraffe, vuur geven, zonder dat het hem bevolen was.

III. De straffe des doods tegen een iegelyk, die zyne wapenen zoude verliezen of wegwerpen.

IV. Gelyke straffe tegen den geenen, die geduurende den slag zoude durven plonderen.

V. Een Officier en een Sergeant moesten op de uitdeeling der levensmiddelen ten allen tyde toezicht houden.

VI. Het getal der Negers, tot dienst van elken Officier, wierd daar by uitgedrukt en bepaald.

Verdere beveelen bragten bovendien mede, dat ingevalle onze zee-soldaaten in twee of drie kolommen zouden optrekken, zy de boomen met een sabel of snoeimes zouden merken, om aan de overige krygsbenden te kennen te geven, dat zy aldaar reeds waren voorby-getrokken. Elk derzelve was door byzondere teekenen onderscheiden. Het krygsvolk der Compagnie had ook de hunne. Men moest die merken alleenlyk op de boomen aan de linke hand stellen. Het volk wierd ook aanbevolen, om, wanneer zy de Zand-woestynen of Savanen doortrokken, de takken van het geboomte of der heestergewassen kruisgewyze op te binden. Elke divisie, de legerplaats opbreekende, moest een fles en een stuk wit papier daar ter plaatse laaten; en zoo aan haar iets byzonders was voorgekomen, moest het worden opgeschreven. By eenen aanval lag het bevel om eene kleine verschanssing met de legerkisten te maaken, agter welke de Neger-Slaven op hun buik plat op den grond zouden gaan leggen. De achterhoede alleen moest zig verdedigen. Aan de slagleverende krygsbende was voorgeschreven, om zig niet tot enkele verdediging te bepaalen, maar integendeel met de bajonetten voor uit, op den vyand, in weêrwil van deszelfs vuur, in te dringen. Niettemin wierd bevolen, om 't leven te schenken aan elken muiteling, die zig zoude willen overgeven, en de gevangenen op eene menschelyke wyze te behandelen. Deeze waaren de regels, die wy by vervolg moesten in acht nemen, want ik moet zeggen, dat tot heden toe alles in de grootste verwarring was. Intusschen trokken wy op die manier naar den mond der Cormoetibo-Kreek voort. Elke Officier had een zak-compas by zig, om zynen tocht dwars door de dikke bosschen naar te richten, vermits men midden in dezelve niets dan boomen en lucht bespeurt, gelyk men op zee niets dan water en wolken ziet. Die geenen derhalven, welke de Zeevaart-kunde het best verstonden, liepen het minste gevaar, om in de eenzaame bosschen, wier uitgestrektheid schier zonder einde was, verdoold te geraaken. De ongelukkigen, die thans myn mededogen het meest gaande maakten, waaren die arme Neger-slaaven, die onder hunnen last gebukt gingen, en slechts een halve portie eeten kreegen, schoon hunne arbeid twee maalen zwaarder dan de gewoonlyke was. Tot overmaat van elende, begon de regen stroomsgewyze te vallen, en hield alzoo den geheelen nacht aan, schoon wy nog in het jaargetyde van droogte waaren. Intusschen moesten wy zonder hutten, of andere zoorten van schuilplaatsen woonen. Wy waaren dus genoodzaakt, om onze hangmatten aan takken van boomen op te hangen, en ons schiet-geweer daar onder te plaatsen, om het voor de vochtigheid te bewaaren. Op die wyze had de Colonel zyne gemaakte schikkingen voorgeschreven. Niettemin, in weêrwil van wind en regen, viel ik in eenen diepen slaap.

Den 14den, des morgens ten vyf uuren, wierd ik wakker gemaakt door een geroep van staat op! staat op! De regen hield bestendig aan, en de meesten van onze Officieren en soldaaten waaren ziek. Ik stond uit myne hangmat op, zoo nat, als of ik uit een badkuip kwam. Op raad der Neger-Jagers, de plaat van myn snaphaan met een stuk van den bast van een Palmboom bedekt hebbende, at ik een weinig scheeps-beschuit voor myn ontbyt, en wy trokken voort. Ik kan niet voorby alhier op te merken, dat de Negers, die den geheelen nacht op den grond en in het water hadden doorgebracht, veel welvarender waaren, dan de Europeaanen. Indien de vyand toen op ons was aangevallen, waaren wy onvermydelyk verlooren geweest. De loop van onze snaphaanen, en onze kardoesen waaren geheel en al doorwatert. Men had dit ongemak kunnen voorkomen, door onze wapentuigen met wasch te besmeeren, en die in kokers te sluiten, gelyk de Vrybuiters in America deeden: maar dit waaren beuzelingen, waar op men de moeite niet genomen had te denken. Het was echter geen beuzeling, en het ontrustte ons zeer, dat onze mond-behoeften byna op waaren, en dat de geene, die wy aan de Kreek vermeenden aan te treffen, niet aankwamen. Men had verzuimt dezelve af te zenden, en uit hoofde van dit toeval waaren wy toen genoodzaakt, Officiers zoo wel als soldaaten, zonder onderscheid, ten einde niet van honger te sterven, vier-en-twintig uuren lang ons middel van bestaan in beschuit en water te zoeken. In het midden deezer elenden, bood een Neger-Jager ons een groote vogel aan, alhier genaamd Coussycalcou, en zynde een zoort van kalkoensche haan. 'Er wierd besloten, om van deezen gelukkigen vondeling soup voor 's avonds te maken. Op het oogenblik, dat de ketel begon te koken, wierp elk 'er een stuk beschuit in; en het water, dat onophoudelyk in de ketel liep, vermeerderde geduurig onze portie. Geduurende deeze verschrikkelyke regenbui waaren wy zonder hutten, even als den voorgaanden nacht. Zorge gedragen hebbende, om eenige kleederen om myne schouders te hangen, bragt ik deezen nacht by het vuur door. Ik had aldaar minder te lyden, dan myne ongelukkige medgezellen, die in hunne hangmatten lagen, en zonder ophouden hoestten. Maar om tot den gemelden vogel weder te keeren, alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat hy weinig verschilde van de gewoone kalkoensche haanen, die hier meer dan twintig ponden weegen.

De grootste vogel van Guiana word in Surinamen door den een Toijew, en door den ander Emou genaamt. Hy behoord tot een zoort van vogelen tusschen den Struisvogel en de Casoar, ten minsten zoo men my gezegd heeft, want ik heb nooit een enkele in dit Land gezien. Men zegt, dat deeze vogel zes voeten hoog is, gerekend van de pooten tot den kop. Hy heeft een kleinen kop, en platte bek; de hals en pooten zyn langwerpig; het lyf is rond, zonder staart en van een licht graauwe kleur. De bouten zyn zeer dik en sterk; en elke poot heeft drie nagels, verschillende daar in van den Struisvogel, die 'er slechts twee heeft. Men geeft voor, dat deeze vogel niet kan vliegen, maar zeer schielyk loopt; en dat hy, even als de eerstgemelde, met zyne vlerken, zyn tred verhaast; men vind hem voornamelyk by het opvaaren van de Maroni en de Saraméca.—Dewyl ik van vogels spreek, moet ik zeggen, dat schoon men 'er geene in Guiana ontmoet, die eenen zachten zang hebben, een gebrek, het welk de fraaiheid van hunne pluimaadje naar den smaak van veelen vergoed, ik 'er op deezen tocht in 't byzonder twee hoorde, wier gekweel my zoo veel genoegen deed, dat ik het oogenblikkelyk opteekende.

Dit gezang was zoo regelmatig en zoo zacht, dat ik op alle andere plaatsen gedacht zoude hebben, dat het een bekwaam zanger was, die op de fluit speelde. Dewyl ik beide deeze vogels nimmer dan onvolkomen en van verre gezien heb, bestaat alles wat ik van hun weet, hier in, dat men hen dikwils in de nabyheid der moerassen hoort.

Des anderen daags morgens vervolgden wy onzen tocht door zulk een zwaaren regen, dat wy in de bosschen tot de kniën toe door 't water gingen, en dat wy een brug moesten maaken, om een kleine Kreek, die op onzen weg was, over te komen.

Ik stelde de Neger-Jagers en eenige slaven te werk om die te maken, en dezelve wierd in den tyd van een uur afgemaakt: zy hakten een zeer recht staande boom om, en wierpen die op de kreek of beek, na aldaar een hoop aarde of zoort van borstweering gelegt te hebben. De Majoor RUGHCOP, onze Bevelhebber, die een ongemakkelyk man was, en wiens lichaams gestel door zoo veele vermoeienissen begon te verzwakken, was over deezen arbeid t'onvreden; hy betaalde de Jagers met vloeken en verwytingen, maar zy beantwoordden hem met een verachtende glimlach: zy lieten hem praaten, en gingen over de kreek, de een over de brug, de ander zwemmende, en een derde klauterde over de boomen, welker takken tot aan de andere zyde overhelden, en aldaar op den grond nederhingen. Ik volgde het voorbeeld der laatstgemelden, en wy wachten eenigen tyd naar den armen Majoor, die met twee derde van zyne krygsbende, zoo zwak en ziek als hy, langzaam aankwam.

Ik was steeds welvaarend, maar de insecten en doornen reetten my van één. Onder de laatstgemelde merkte ik een zeker zoort op, welks zwarte, harde en lange punten, verscheide duimen lang zynde, zeer vinnig in de huid indringen, en die op een zoort van lage Palmboom, Cocarita genaamd, groeien, waar van de breede takken zig wyd verspreiden. Een ander ongemak, waar aan men op alle de moerassige plaatsen der bosschen is bloot gesteld, word veroorzaakt door een zoort van heestergewas, genaamd Mataki, het welk twee of drie voeten uit den grond groeit. De heestergewassen van dit zoort loopen op die wyze tot eenen merkelyken afstand voort, en hunne draaden zyn zoo verward onder elkander, dat een hond moeite heeft 'er door te komen: het is zeer moeielyk om 'er over heen te gaan, de voeten blyven 'er in hangen, en men loopt gevaar om alle oogenblik te vallen, zoo men niet zorgt om ze van elkander te verwyderen, het geen voor kleine menschen volstrekt onmogelyk is. Wy ontmoetten dezelve op onzen geheelen tocht, maar wy zagen nog rivieren, nog plantgewassen, nog eetbaare vruchten, uitgenomen eenige Maripas: dit zyn nooten, die aan een grooten Palmboom groeien, en vry veel overëenkomst hebben met die van de Aouarra, welke ik reeds beschreven heb; zy zyn echter veel grooter, en van een minder hoog roode kleur: de pit en de noot zyn volmaakt gelykvormig.

Het weder wierd eindelyk een weinig beter, en wy kwamen voor den middag te Jerusalem, by den mond van de Cormoetibo-Kreek, alwaar ik geduurende mynen eersten tocht had stil gehouden. De Colonel FOURGEOUD bevond zig aldaar zedert eenige oogenblikken, met zyne afgematte soldaaten. Geene beschryving is in staat, om een naauwkeurig denkbeeld te geven van de akelige gesteldheid, waar in wy waaren: het zal genoeg zyn te zeggen, dat dit geheele legertje, uitgenomen eenige manschappen, door vermoeienis en honger was uitgeput; verscheiden Soldaaten konden niet meer gaan, en de Negers moesten hen dragen in hunne hangmatten, aan stokken hangende. Zoo veele onheilen werkten niets, hoe genaamt, uit, want wy hadden niets ontdekt. De Colonel intusschen, schoon een man van jaaren, wederstond alles, als of hy van yzer was; het geen ons voor een gedeelte het recht van klagen benam. Wat my betrof, ik dompelde my, als naar gewoonte, in de Rivier, om my te wasschen, en my van de modder en het bloed, waar mede ik bedekt was, te zuiveren: ik zwom 'er ook eenigen tyd in, en uit 't water gekomen zynde, zogt ik myne Negers, om my een hut op te richten; maar de Majoor gebruikte hen, om voor hem een keuken te bouwen, schoon 'er niets viel klaar te maken. Ik sloeg geen acht op deeze onwellevenheid. De Jagers maakten my een eenvoudig bed van bladeren van een Latanusboom, want 'er waaren aldaar geene boomen, om myne hangmat aan op te hangen; zy leiden een goed vuur aan dicht by dit bed, waar op ik ging leggen, en zeer gerust sliep, in weêrwil dat de maan my in de oogen scheen, het geen minder onäangenaam was, dan de regen. Ik ontwaakte egter twee uuren eer de dag aankwam; het vuur brandde niet meer, de maan was verdwenen, en ik was byna dood van koude. De vochtigheid, die uit den grond opsloeg, en de dauw, waar aan ik was bloot gesteld geweest, hadden my zoodanig verstyft, dat ik moeite had, om op handen en voeten voort te kruipen, ten einde één van myne Negers te doen ontwaken. Ik liet hem het vuur aan brand maken, het geen my in staat stelde, om ten zes uuren op te staan; maar dit geschiedde met zulk een pynlyke steek in de zyde, dat ik my niet wederhouden konde overluid te schreeuwen. Van den Colonel en zyne vrienden niet gehoord willende worden, nam ik de wyk naar den kant van het bosch. De pyn intusschen steeds verdubbelende, was het my wel dra niet meer mogelyk, om zonder de grootste moeite adem te halen, en eindelyk viel ik aan den voet van eenen boom neder. Een der Neger-slaven, die hout ging hakken, my in die gesteldheid ziende, dagt, dat ik dood was, en bragt dezen alarm-kreet naar de legerplaats over. Men nam my dus op, en droeg my naar myne hangmat, op last van den Capitain MEDLER, die my onder eene goede hut deed plaatsen, en my dadelyk één van 's Compagnies Heelmeesters zond, om voor my te zorgen. Ik was oogenblikkelyk door toekykers omringd, en myne pyn in de zyde wierd zoo nypend, dat ik myn hembd met myne tanden van één scheurde, en in alles beet wat my naderde: door eene aanhoudende wryving met de hand, en een zoort van smeering, verdween echter de pyn schielyk, en ik gevoelde my volmaakt hersteld.

Om eene instorting voor te komen, ging ik, zoo dra myne kragten het toelieten, een stok snyden, waar mede ik zwoer den schelm, die het opzicht over de Neger-slaven had, te zullen vernielen, zoo hy my niet oogenblikkelyk een hut liet maken, al had hy zelfs tegenstrydige beveelen; want myn leven was tog de eerste zaak, waar op ik acht moest geven. Ik kwam by hem, met myn stok op den schouder, en hem myn oogmerk hebbende te kennen gegeven, volgde ik hem zoo kort agter op, dat ik in den tyd van twee uuren het genoegen had van my wel gehuisvest te zien. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat, toen myne ziekte op het ergst was, de Colonel FOURGEOUD my had aangeboden, om my naar Devil's Harwar te doen overvoeren; maar ik stemde daar in niet toe.

Den 18den, vernamen wy, dat de arme CAMPBELL des avonds te vooren was overleden. De Majoor RUGHCOP zelve ging mede vertrekken, uitermaten ziek zynde: hy was de elfde Officier, die onder de vermoeienissen van deezen korten veldtocht bezweek. Een byna volkomen gebrek aan levensmiddelen hebbende, vervulden wy dit gebrek gelukkiglyk door eene groote meenigte visschen, waar onder de Jacky was, die ik reeds beschreven heb, en zig in een kikvorsch verandert. 'Er was ook een visch, genaamd Warappa, die dezelfde gedaante heeft, en mede goed is; beiden hebben veel vleesch, en zyn zeer vet. Deeze visschen wierden zoo overvloedig in de moerassen gevonden, alwaar het afloopend water dezelve agterlaat, dat de Negers hen met de hand vongen; maar nog meer, wanneer zy by toeval met hunne snoeimessen of sabels in den modder hakten; zy verzamelden vervolgens de stukken by elkander, en wy namen die mede: zy vongen in de Kreek ook nog een andere visch, genaamd Coemma-coemma, zynde van één tot drie voeten lang: hy is van een zeer zoeten smaak, maar zoo lekker niet, als die ik bevoorens genoemd heb. De Negers laaten denzelven droogen, door hem op stokken voor het vuur te plaatsen. Dan is hy veel beter, en men eet hem zonder andere toebereiding. Deeze visch alzoo gerookt zynde, kan verscheiden weken bewaard worden.

Den 20sten, wierd een Capitain met twintig Zee-soldaaten en twintig Neger-Jagers afgezonden, om de verwoeste vesting Boucou te gaan opzoeken. Daags daar aan overleed de Majoor RUGHCOP. De Colonel, op dien dag naar den bovengemelden post zelf willende vertrekken, liet my het bevel over vier honderd mannen, blanken en zwarten, waar van de helft ziek was. Ik zond 'er dertig van naar Devil's Harwar om te sterven, en gaf aan zestig Jagers verlof om zig naar Paramaribo te begeeven. Zy verklaarden aldaar, dat de onderneemingen van den Colonel FOURGEOUD meer geschikt waaren om zyn eigen krygsvolk, dan dat van den vyand, van kant te helpen. Zoo bestaan de Negers; wanneer zy denken dat 'er niets te doen valt, willen zy niet optrekken. Het is zeer moeielyk de krygstucht onder hen te bewaaren; en wanneer zy zig voorstellen den vyand te zullen ontmoeten, kan men hen niet wederhouden om voorwaarts te rukken. Het is verwonderlyk, met welke behendigheid zy de voetstappen van anderen ontdekken. Terwyl een Europeaan den minsten voetstap van een mensch in het bosch niet kan onderscheiden, bemerkt het doordringend oog van den Neger den gebroken tak, het verdorde blad enz. Indien deeze de voetstappen van den vyand zyn, is niets in staat om hem te rug te houden. Zulk eene drift is ongetwyffeld met de hedendaagsche krygskunde niet overëen te brengen; maar zy kondigt dien geest van vryheid aan, die in oude tyden den dapperen soldaat uitmaakte. Zie daar, welk op dit oogenblik het caracter der menschen was, die slechts zedert korten tyd de slavernye kenden.

Des anderen daags, zynde den 21sten, maakte ik gebruik van het voorrecht, dat ik had met het bevel te voeren, door twee vaartuigen met krygsbehoeften geladen, het een naar den post van la Rochelle, het andere naar Devil's Harwar te zenden. De laatstgemelde bragt my een kist met Bostonsche beschuit mede, die aan my van Paramaribo was afgezonden.

Op deezen dag wierden twee slaaven, die beschuldigd waaren van varkensvleesch uit het magazyn gestolen te hebben, in gevangenis gezet, en het krygsvolk verzogt my om daar over eene voorbeeldige straffe te oeffenen. De Zee-soldaaten beschouwden de Neger-slaven met verachting; zy zagen hen dwaaslyk aan als verre beneden hen zynde, en als de oorzaak van alle hunne onheilen. Men vond, wel is waar, een stuk varkensvleesch in den zak van de beschuldigden; maar 'er waaren geene bewyzen, die den diefstal konden zeker stellen, en ik vond my zeer verlegen om naar den zin van beide partyen recht te doen. De Europeaanen mishandelden de ongelukkige slaven met woorden; en deezen beantwoordden zulks vry vinnig, en al het volk was in beweging. De eersten verweeten den beschuldigden, dat zy dit vleesch gestoolen hadden; de beschuldigden beweerden, dat zy het op hun aandeel hadden uitgespaard, om het aan hunne nabestaanden of vrouwen te geven. Als toen den toon van eenen onafhanglyken alleenheerscher aanneemende, deed ik de klagers in het rondt plaatsen, en gelastte om de gevangenen in het midden te zetten. Vervolgens gaf ik met een luide en sterke stem bevel, om een blok en byl te brengen. Deeze plechtige vertooning deed zulk eene uitwerking op de soldaaten, welke voor de uitvoering van eene ysselyke en barbaarsche daad vreesden, dat alle wraakzucht in hun hart wierd uitgedooft; en zy verzogten my zelve om genade te bewyzen. Ik leende het oor aan hunne aanzoeken, en gaf bevel aan den Negerslaaf, om den byl op te ligten; hy deed het, maar dit was alleen, om het stuk spek, dat zoo veel beweging veröorzaakt had, in driën te klooven. De beschuldigers kregen 'er één deel van, de beschuldigden het tweede, en de uitvoerder het derde, om dat hy zyn plicht zoo wel betracht had. Alles eindigde tot algemeen genoegen, en ik hoorde van geene dieveryen meer spreken.

De Colonel FOURGEOUD kwam, den 26sten, van Boucou te rug. Hy had aldaar drie Negers der muitelingen, zynde Jagers en ongewapend, verrast, op het oogenblik, dat zy een Chou van een Palmboom sneden tot hun levens-onderhoud. Men had 'er egter maar twee van gekregen; en één van hun door een snaphaan-schoot het dye-been gebroken hebbende, had men hem handen en voeten zamengebonden, en alzoo gehangen aan een stok, door twee slaven gedragen. Men kan over zyne akelige gesteldheid oordeelen: het geheele gewicht van zyn lichaam deed hem de ledematen uit elkander zakken. Niets hebbende, waar op zyn hoofd rustte, viel dit onöphoudelyk naar den grond. Men had geen het minste verband om zyne wonden gelegt, en zyn bloed verwde de plaatsen, waar hy was voorby gekomen. Op die wyze wierd deeze ongelukkige jongman, (want hy scheen niet meer dan twintig jaaren oud te zyn,) in de legerplaats gebragt, welke zes mylen af lag van de plaats, alwaar men hem had gevangen genomen. Men had hem immers wel in een hangmat kunnen leggen, en door dit middel zoude men hem voor verschrikkelyke folteringen bewaard hebben. Ik was verwonderd, en met misnoegen aangedaan over deeze daad van wreedheid in den Colonel, wien ik in koelen bloede nimmer wreed gezien had. Ik moet hem zelfs het recht doen van te zeggen, dat hy zig nooit moeielyk maakte, dan wanneer men zig tegen hem aankantte; het geen ik nu en dan wel eens gedaan had. Maar op dit oogenblik was hy over zyn zegepraal zoo verrukt, dat alle gevoel van menschelykheid in hem uitgedoofd scheen. De gewonde Neger op een tafel gelegt zynde, verzogt ik een Heelmeester om hem te bezichtigen en te verbinden. Hy leide hem eenige pleisters, en verklaarde, dat hy 'er niet van zoude opkomen: dit ongevoelig mensch zong, terwyl hy dit werk verrigtte.—De arme Neger! wat moest hy al lyden! De koorts verdubbelende, verzocht hy om een weinig water. Ik schepte wat met mijn hoed, en bood het hem zelf aan. De ongelukkige, over deeze oplettenheid gevoelig, zeide my: Moi, remercie vous, masera; vervolgens loosde hy een zucht, en stierf. Hy wierd door de Neger-slaven begraven, die hem blyken van mededogen beweezen, zoo als zyn ongelukkig lot ook verdiende. Volgens hunne gewoonte overdekten zy zyn graf met Palmboom-bladeren, en zy plaatsten aldaar een gedeelte van hun eeten als eene offerhande. De andere gevangen, genaamt SEPTEMBER, was gelukkiger. De Colonel, hoopende, dat hy hem met het doen van eenige ontdekking behulpzaam zyn mogte, behandelde en onthaalde hem met meerder onderscheiding, dan hy immer voor eenigen zyner Officiers betoond had. SEPTEMBER had nochtans het voorkomen van een vos, die in den strik gevangen is, en des nachts sloot men hem in een magazyn op.

Des anderen daags kwam de heer STOELEMAN, Capitain der Militie, in onze legerplaats aan, alwaar hy den dag moest doorbrengen: ik nam deeze gelegenheid waar, om aan den Bevelhebber te herïnneren, het geen hy my omtrent de gesprekken van deezen Officier gezegd had, en verzogt hem zulks in zyne tegenwoordigheid te herhaalen; maar de Colonel stelde alles op rekening van den Majoor RUGHCOP, die overleden was, en verzogt my over die zaak niet meer te spreken: ik verliet hem oogenblikkelyk. Myne vooronderstelde tegenpartye weder ontmoetende, drukte ik hem de hand, en verhaalde hem het voorgevallene. Zyne verwondering was ongemeen; vervolgens vertrok hy, in minder dan twee uuren van Jerusalem, en wierd gevolgd door alle de Neger-Jagers, die ons nog overig waaren.

Den 29sten, wierd de Capitain DE BORGNES tot Majoor aangesteld, maar 'er geschiedden geene andere bevorderingen. De Colonel verklaarde, dat hy niemand in staat kende om Officier te zyn: dit konde waar zyn met opzigt tot de Sergeants; maar wy hadden onder ons twee braave jongelingen van goeden huize, die als vrywilligers dienden, en die de vermoeienissen en gevaaren van deezen veldtocht hadden doorgestaan; men liet hen zonder eenige belooning: zoo gaat het, als men geene voorspraaken en middelen heeft.

Het krygsvolk keert naar de Wana-Kreek te rug.—De Pipa. —Gevecht tusschen een Soldaat en een Slang.—De Fesant- vogel van Guiana.—De Agamie of Trompetter.—De muitelingen trekken de legerplaats voorby; men vervolgt hen te vergeefs. —Groot gebrek aan water.—Schranderheid der Negers.—De zyde-plant.—Kevers en insecten.—Bergwerken.—Fraaije Kapel.—Het krygsvolk koomt op den post van la Rochelle aan de Patamaca.

Den 30sten November 1773, verliet al het krygsvolk den post van Jerusalem, en men keerde naar de Wana-Kreek te rug, maar zonder juist den weg te volgen, langs welken men gekomen was. De Colonel FOURGEOUD herriep intusschen de eerst gegevene bevelen, en stond ons toe hutten te maken, om onze hangmatten in dezelve te plaatsen. Wy hadden ons dus weinig op dit stuk te beklagen; met de levensmiddelen was het geheel anders gelegen.

Wy vervolgden onzen tocht, geduurende drie agter één volgende dagen, met vry goed weder; maar alle morgen liet de Colonel my onbarmhartiglyk wekken door eene schildwacht, die last had my niet te verlaaten, eer dat ik hem antwoord had gegeven.

Den 3den, kwamen wy op nieuw by de Wana-Kreek aan: ik vleide my, na eenen moeielyken tocht, met het doorbrengen van eenen gerusten nacht myne krachten aldaar te zullen herkrygen; maar ik wierd als naar gewoonte wakker gemaakt, en was in zulk een diepen slaap, dat men my by den arm moest schudden, om my te doen ontwaaken. De Colonel was in zijne hangmat gezeten, met een donderende stem zweerende, dat hy allen, die zyne beveelen niet gehoorzaamden, zou doen ophangen, of vierendeelen; en het bosch weêrgalmde eenigen tyd van zyn geschreeuw. Daar op volgde eene diepe stilte, die ik wel dra door een schaterenden lach afbrak: ik was de eenige niet; anderen voegden zig by my, en de Colonel begon weder te brullen, zonder de stem van iemand te kunnen onderscheiden. Hij wierd wonderbaarlyk geholpen door eene groote padde, die men hier Pipa noemt. Dit dier huisvestte in de hut van den Commandant, en kwaakte alle nachten op eene vervaarlyke manier.

De Pipa of Pipal gelykt, zoo men zegt, gedeeltelyk naar de kikvorsch, gedeeltelyk naar de padden: hy is de grootste onder allen van dit laatste zoort, die men in Zuid-America, en misschien in de weereld vindt; hy is leelyk, met eene pokächtige huid van een donker bruine kleur bedekt, en met onregelmatige en zwarte vlekken geteekend; zijne agterpooten zyn plat, van een vlies voorzien, en de klauwen zyn langer, dan die van de voorpooten; uit dien hoofde kan hy te gelyk zwemmen en springen als een kikvorsch, een voordeel, waar door hy van andere padden verschilt. Hij is een weinig grooter, dan een gewoone eendvogel, wanneer die geplukt is. Zyn gekwaak, het welk hy doorgaans niet dan des nachts laat hooren, is ongemeen sterk. Maar het merkwaardigste in dit zoort van gedrocht is de manier, waar op hy voortteelt: de jongen zyn besloten in een zoort van zak vol water, die op den rug der moeder geplaatst is; aldaar word zy door het mannetjen vruchtbaar gemaakt, en aldaar begint ook het aanzyn van de vrucht, blyvende daar in tot het oogenblik, dat dezelve genoegzaam gevormd is, om 'er te kunnen uitkomen. [21]

De padden zyn niet vergiftig, zoo als men doorgaans gelooft; men kan 'er zelfs huisdieren van maken. De heer ARSSCOTT heeft 'er jaaren lang een opgevoed; [22] de Colonel FOURGEOUD bewaarde de zyne in zyn hut, even als een huisdier, geduurende al den tyd, dat wy aan de Wana-Kreek gelegerd waaren; en ik zelf heb langen tyd een kikvorsch, als een huisdier gehouden.

Maar laaten wy tot myne hangmat, en myn dagverhaal te rug keeren. Het gekwaak van deezen Pipal, dat van eene andere padde, die van het ondergaan tot het opkomen der zon, aanhoudend riep touck, touck, touck; het gebrul der tygers, dat der aapen, de schuiffeling der slangen, en een aanhoudende regen, maakten deezen nacht zoo onaangenaam, als somber: de opkomende dageraad echter deed my denzelven wel dra vergeeten, en ik bevond my zoo wel en zoo te vreden, als men in de bosschen van Guiana met mogelykheid zyn konde.

Den 4den, des morgens, ontdekte ik twee fraaije Powesas, op de takken van eenen hoogen boom, die naby de legerplaats stond. Aan den Colonel verlof gevraagd hebbende, om 'er een te schieten, weigerde hy my zulks op eene ruwe wyze, onder voorwendzel, dat de vyand de schoot van myn snaphaan zoude kunnen hooren; als of dezelve niet wist waar wy waaren. Kort daar na echter, wanneer zig op den top van eenen anderen boom een groote slang vertoonde, gaf de Bevelhebber, het zy uit vreeze, het zy uit weerzin, last om op hem te schieten. Het dier, den schoot ontfangen hebbende, viel op den grond, schoon nog volkomen levendig zynde, en kroop dadelyk naar eene dikke doornhage by het magazyn. Ik had hier gelegenheid, om de ongemeene onverschrokkenheid van eenen soldaat op te merken, die de voetstappen van deezen slang zoetjens agter na volgde, en hem van onder de struiken weg trok, beweerende, door een zoort van bygeloovigheid, dat de beet hem geen kwaad konde veroorzaaken: wat daar ook van zy, de slang, die meer dan zes voeten lang was, verhief verscheiden malen den kop en het halve lyf, om hem aan te pakken, maar de soldaat deed hem door vuistslagen nederbukken, en eindelyk kloofde hy hem met zyn sabel in tweën; het welk een einde aan het gevecht maakte.

Vreezende dat ik beschuldigd mogt worden, zoo aanstonds een nieuw woord gebruikt te hebben, het geen voor myne lezers waarschynlyk onverstaanbaar is, zal ik hun zeggen, dat de Powesas is de Fesant van Guiana: het is een zeer fraaije vogel, byna de grootte hebbende van een gewoone jonge kalkoen, waar mede hy door zyne pluimaadje, en door den smaak van zyn vleesch veel gelykheid heeft. Zyne vederen zyn van een schitterende zwarte kleur, uitgenomen onder den buik; zyne pooten zyn geel, zyn bek insgelyks, uitgenomen aan de punt, alwaar dezelve blaauw en boogsgewyze gekromd is. Hy heeft levendige en schitterende oogen, en draagt een kuif van gekrulde vederen van een glinsterend zwarte kleur, het geen hem eene onëindige fraaiheid geeft. Deeze vogel kan niet ver vliegen; men maakt hem gemakkelyk tam; men maakt 'er zelfs een huisdier van, en te Paramaribo verkoopt men ze dikwils voor meer dan een guinie het stuk. Ik zal deeze gelegenheid waarnemen tot het beschryven van eenen anderen vogel, die aan Guiana byzonder eigen is, en Agamie door de Franschen, en Camy-camy in Surinamen genoemd word. Hy is, even als de Fesant, ten naasten by van de grootte van een jonge kalkoen, maar hy verschilt van dezelve in gestalte en in pluimaadje. Zyn lyf, dat geen staart heeft, heeft de gedaante van een ey; zyne vederen zyn zwart, uitgenomen op den rug, alwaar hy grysächtig is, en onder de borst, alwaar zyne vederen, van eene blaauwe kleur, lang zyn en nederhangen, als van den Reiger; zyne oogen zyn schitterend, zyn bek is puntig, en van een zee-groene kleur, zoo als ook zyne pooten, die hoog zyn, en eindigen met een klauw, waar aan vier nagels zyn, drie van vooren, en één van agteren. Deeze vogel draagt in dit Land gewoonlyk den naam van de Trompetter, uit hoofde van een gezang, het welk hy dikwils doet hooren, en aan het geluid van dit speeltuig gelykvormig is. Ik kan met geene zekerheid bepaalen, van waar dit geluid koomt, maar zommige Schryvers beweeren, dat het van de vorming van zyn bek voortkoomt. Onder al het pluimgedierte, is de Trompetter het dier, het welk men gemakkelykst kan tam maken: hy is de vriend der menschen, volgt hen, liefkoost hen, en schynt hun dezelfde getrouwheid te bewyzen, als de hond: ik heb op verscheidene Plantagiën 'er veelen gezien, welken men, even als de Powesas, tot huisselyke diensten gebruikte, en met de kalkoenen en ander gevogelte te zamen liet eeten. [23]

Den 6den, ontfing ik van Paramaribo zes kruiken rhum, waar van ik 'er vier aan den Colonel gaf.

Om zes uuren des morgens, gaven twee van onze slaven, die Lacanus-boomen waaren gaan hakken, ons bericht, dat een hoop muitelingen op den afstand van omtrent een myl van de legerplaats was voorby getrokken; dat zy onder het bevel stonden van één hunner Capitains, genaamd ARICO, met wien onze beide Negers aan den oever van de Cermoetibo-Kreek gesproken hadden, maar dat zy niet konden zeggen, welken kant de vyand genomen had, zoodanig waren zy verschrikt. Na het bekomen van dit bericht kreegen wy bevel, om hen by het aanbreken van den dag te vervolgen. Des anderen daags was mitsdien al het volk ten vyf uuren gereed, en na een gedeelte van het zelve te hebben agtergelaten, om de krygs- en mond behoeften te bewaaren, rigtten wy onzen tocht naar de plaats, alwaar de muitelingen zig vertoond hadden. Wy zagen hier een grooten palmboom, die op het water dreef, en aan den anderen oever met koorden van heestergewassen was vast gemaakt; het geen duidelyk te kennen gaf, dat ARICO en zyn volk de Kreek waren overgekomen. Zie hier, hoe de Negers in zoodanig geval eene Rivier overgaan: zy plaatsen zig, de één agter den ander, op den dryvenden stam van den boom; zomtyds zelfs zetten zy hunne kinderen en vrouwen daar op; en de beste zwemmers vergezellen hun, en zyn hunne leidslieden.

Schoon de bewyzen van den overtocht der muitelingen duidelyk waaren, trok de Colonel dezelve echter in twyffel, of liever hy beweerde, dat het van hunnen kant slechts eene krygslist was: zy hadden eenige manschappen, zeide hy, afgezonden, om den boom aan den oever vast te maken, en ons te bedriegen.

Niemand was van dit gevoelen, maar alle redeneeringen der weereld werkten daar tegen niets uit. Wy namen dus een weg, die recht het tegengestelde was van den weg der muitelingen; namelyk wy trokken oostwaarts, daar men hen naar den westkant had moeten vervolgen, het geen de Jagers zekerlyk gedaan zouden hebben. In deeze eerste richting gingen wy voort tot de aannadering van den nacht, schoon men het brood vergeten had, en dat wy den geheelen dag geen enkelen drop water hadden kunnen hebben, want wy trokken door zwaar zand of Savanen. Na dat wy den weg een weinig rechts af genomen hadden, riep een Neger uit, dat wy aan de Wana-Kreek naderden. Ik hoorde dit met genoegen; en hem een kalabas en myn fles rhum gegeven hebbende, verzogt ik hem derwaarts te gaan, om de kalabas met een mengzel van rhum en water te vullen; maar hy maakte het te sterk, zig buiten twyffel verbeeldende, dat het daarom beter zyn zoude. Ik had zulk een zwaaren dorst, dat ik den drank in eens doorzwolg, zonder dien te proeven; dit werkte zeer gezwind, want op het zelfde oogenblik was ik naauwlyks in staat my overëind te houden.

Den 9den, na eenen vrugteloozen tocht, kwamen wy weder in onze oude legerplaats te rug. De Neger SEPTEMBER, die ons volgde, gelyk een herders hond de kudde volgt, wierd aldaar door den Colonel in vryheid gesteld. In de daad hy was onvermoeid. Hy zelf doorwaadde de Kreek, om 'er den westelyken oever van te bespieden. Des anderen daags morgens, liet hy ons wederom onzen knapzak vullen, en geleidde ons langs den zelfden weg, beweerende, dat hy den vyand eindelyk agterhalen zoude. Vervolgens tot des avonds voortgetrokken zynde, bragten wy den nacht in eene oude legerplaats der muitelingen door, na den geheelen dag gebrek aan water gehad te hebben.

Den volgenden dag, trokken wy steeds voorwaarts, maar wy vonden nog vyanden, nog water. De Officiers en soldaaten begonden te verzwakken, en men droeg 'er reeds eenigen in hunne hangmatten. Het was in de daad ondraaglyk heet; want wy waaren in het saisoen der droogte. In dit uiterste deeden wy een gat graven van zes voeten diep, op welks grond men een snaphaan afschoot; oogenblikkelyk kwam 'er een weinig water te voorschyn; maar zoo modderig, dat het tot geen gebruik dienen konde.

Wy vervolgden onzen tocht, en sloegen ons neder op eene plaats, alwaar de muitelingen voor deezen eenige Plantagiën bebouwd hadden. Het viel hard, om geduurende den nacht de ongelukkige soldaaten over dorst te hooren klagen. De Colonel echter bleef, tot den derden dag, 'er by, om verder voort te trekken, in de hoop van eenige kreek of beek te ontmoeten, en den algemeenen dorst te lesschen. Maar hy wierd in zyne verwagting bedrogen; want den 12den, tot op den middag door de brandende zand-woestynen heen getrokken hebbende, bezweek hy zelf met veele anderen, die door een aanhoudenden en verteerenden dorst waaren ter neder geslagen. Het was nog een geluk voor ons, dat de muitelingen ons in deeze gesteldheid niet aantastten. Het was ons ondoenlyk geweest den minsten tegenstand te bieden: de grond was bezaait met elendigen, die door eene brandende koorts gefolterd wierden. De Colonel zelf was hopeloos; zyne tong verdroogde in zyn mond, en zyne lippen waaren geheel zwart; zulk een bitter lyden verduurde hy. In deezen staat konde ik, hoe weinig hy het ook verdienen mogt, myn mededogen niet weigeren.

Intusschen aten eenige soldaaten by aanhoudenheid van hun gezouten varkens-vleesch; anderen trokken elkander vier aan vier voort, en zogten eenige droppelen daauw, op bladeren van boomen verspreid. Wat my betreft, ik ondervond tans, voor welken yver een Neger, die door zynen meester wel behandeld word, vatbaar is. In deeze algemeene behoefte, bood de myne my een kalebas vol water aan, zoo goed als ik het in myn leven gedronken heb. Het was niet dan met de grootste moeite, dat het hem gelukte dit water van de bladen van eenige wilde pynboomen te haalen: zie hier, hoe deeze bewerking geschied.

Men houdt de plant in de eene hand, en in de andere een sabel of mes, waar mede men de plant beneden de bladen afsnydt. Vervolgens plaatst men onder de opening een kalebas of een glas, en het water loopt 'er zuiver, fris, en zomtyds in eene groote hoeveelheid in. De bladen van de plant, dit water in het regen-saisoen opvangende, brengen het door derzelver canaalen als in een vergaarbak. Zommige Negers vonden ook gelegenheid om door middel van water-willigen hunnen dorst te lesschen; maar dit was voor eene door dorst versmagte krygsbende niet voldoende. De water-willige is een zeer sterk heester-gewas, zynde een zoort van wynstok, en alleenlyk in zandige landstreeken groeiende: men snyd dezelve met den sabel in langwerpige stukken, en dadelyk neemt men 'er een in den mond. Deeze plant verschaft op die manier een frisschen, aangenaamen en gezonden drank, die in de brandende bosschen van Guiana van groote nuttigheid is.

De Voorzienigheid my dit hulpmiddel gelukkiglyk hebbende toegezonden, konde ik myne eerste gemoeds-beweging niet wederstaan, en ik deelde 'er den Colonel van meede, wiens ouderdom en zwakheden ten zynen voordeele spraken. Hy wierd 'er door verkwikt, en vervolgens besloot hy, om langs zynen ouden weg te rug te keeren, zonder eenige hoop om den vyand te agterhaalen: het volk was zoo afgemat, dat men verscheiden soldaaten dragen moest. Als een laatste hulpmiddel, zond de Bevelhebber toen eenen Neger uit de Volkplanting de Berbices, genaamd GAUSARIE, af, om geduurende onzen te rug tocht moeite tot eenige ontdekking te doen. Den zelfden weg hernomen hebbende, kwamen wy op eenen korten afstand van de put, welke wy des avonds te vooren gegraven hadden. In de gedachten zynde, dat dezelve tans helder water in zig bevatten moest, zond ik mynen Neger QUACO derwaarts, om eene van myne flesschen te vullen, eer dit water troebel gemaakt wierd; en dit deed hy. Maar, toen hy daar mede naar my te rug kwam, ontmoette hy den Colonel, die met zyn snaphaan de fles in stukken sloeg, en aan twee mannen bevel gaf, om zig als schildwachten by de put te plaatsen, willende het water voor zig zelven, en voor zyne vrienden bewaren. Dewyl echter in zulk eene omstandigheden de onderwerping ophield, bukten de beide schildwachten in de put, met het hoofd naar beneden. Hun voorbeeld wierd oogenblikkelyk door verscheidene andere soldaaten gevolgd, en dit water veranderde wel dra in eene modderpoel, die tot niets meer dienstig was. Na dat wy onze hangmatten aan boomen hadden opgehangen, verdeelde men onder ons allen, zonder onderscheid, een weinig van zekeren sterken drank, genaamd kill-devel; maar ik dronk nimmer daar van, en liet myn aandeel voor mynen getrouwen QUACO. De Colonel dit vernomen hebbende, liet hem het glas uit de handen rukken, om het geen er in was, weder in de kruik te gieten, my toevoegende: "dat vermits ik van dien drank niet dronk, ik 'er niet van hebben moest." Ik was verontwaardigd over zyne ondankbaarheid; en den zelfden avond een volle fles van dit zoort van drank gevonden hebbende, gaf ik die aan mynen Neger.

Omtrent middernacht ontdekten wy, by toeval water. Onuitspreeklyk verkwikkend was dit voor ons! het verdiende den voorrang boven den besten wyn: ik zal nooit vergeeten, met welk genoegen ik 'er van dronk. Ieder leschte zynen dorst naar wensch; en de Colonel liet toen een groot vuur aanleggen, om zyne avond-maaltyd gereed te maken; maar hy verbood, aan wien 't ook wezen mogt, dit insgelyks te doen. Hy stond zelfs niet toe om een stok te snyden, en men was dus genoodzaakt het gezouten ossen en varkensvleesch rauw te eeten. Myn aandeel aan een zoort van wandelstokjen geregen hebbende, kroop ik zachtkens naar het vuur van den Bevelhebber, om aldaar dit vleesch te braden; intusschen maakte de Neger, die hem tot kok diende, my zeer spoedig willende helpen, eenig gerucht, en deed hem ontwaaken; maar ik, om te beletten, dat hy my niet zag, pakte my weg, na myn stuk vleesch in zyne ketel geworpen te hebben.

Na verloop van eenige minuuten, wende hy voor, dat men in weêrwil zyner beveelen hout gesneden had. Ik vernam dit, en vreezende dat hy eenig geweld mogt aanrechten, begaf ik my zachtkens naar zyne hangmat, en verzekerde hem, dat al het volk in diepen slaap was. Hy veinsde my niet te herkennen, en my by de hairen nemende, gaf hy een verschrikkelyken gil. Het gelukte my hem te ontsnappen, en my in veiligheid te stellen; echter riep hy uit: "schiet op hem! schiet op hem!" het welk onze geheele legerbende vermaakte. Mynen Neger gevonden hebbende, liet ik hem dadelyk myn eeten haalen; hy ging in alleryl derwaarts, en bragt my een stuk ossen-vleesch weêrom, het welk tien maalen grooter was, dan het geen ik gegeven had; ik bewaarde het, en had het genoegen, om 'er de ongelukkige slaven op te onthaalen: dus eindigde deeze elendige dag.

Den 13den, kwamen wy weder aan de Wana-Kreek. Wy waren, door zoo veel nutteloos lyden, onuitspreekelyk vermoeit.

Alhier onthaalde de Colonel zyne vrienden op myn rhum, en in myne tegenwoordigheid, maar zonder my een enkelen droppel 'er van aan te bieden. Ik vond op deeze zelfde plaats een brief, gedagteekend uit Ceylon, in de Oost-Indiën: deeze was aan my gezonden, door één myner naastbestaanden, den heer ARNOLDUS DE LY, Gouverneur van Punta de Galo en Matury, die my nodigde om by hem te komen, en my verzekerde, dat myn fortuin dan gemaakt zoude zyn. Myn kwaade planeet gedoogde dit niet; ik oordeelde my zelven onëer aan te doen, met in zoodanig tyds-gewricht den dienst te verlaten.

De Neger GAUSARIE kwam den 14den te rug, en verklaarde niets gezien te hebben.

Den 15den, werd eenig krygsvolk, bestaande uit twee Capitains, twee Lieutenants, en vyftig soldaaten, naar de Rivier Maroni afgezonden, om aldaar den Capitain FREDERIK op te zoeken, die, aan het hoofd van vyftig andere manschappen, den 20sten der laatst voorgaande maand vertrokken was, en van wien men niet meer had hooren spreken, het geen groote bekommering veröorzaakte.

De wachtpost van Vrydenburg, aan de Maroni, bestaat in een vierkant stuk grond, bedekt met huizen van Latanus-boomen hout gebouwd, waar van de bosschen van Guiana overvloeijen, en met goed paalwerk omringd. 'Er is een wacht aan de buiten-kant, en aan de vier hoeken vier schilderhuizen voor de schildwagten. Deeze post, door verscheide stukken geschut verdedigd, is in het midden van een ledig plein gelegen aan de oevers der Rivier, alwaar men ook een vlag ziet. Dezelve heeft gemeenschap met de Fransche wachtpost aan de overzyde, en beide leggen op een korten afstand van den mond der Maroni. Om daar van een juister denkbeeld aan den lezer te geven, heb ik dezelve afgeteekend, gelyk mede die van de Wana-Kreek, welke, schoon aangenaam voor het gezicht, nier minder doodelyk was voor een groot aantal van ons volk.

In de afteekening der Wana Kreek worden de drie legerplaatsen onderscheidentlyk vertoond. Aan beide zyden, ziet men die van den Colonel FOURGEOUD, en van wylen den Major RUGHCOP; in het midden, en lynrecht in 't gezicht van den mond deezer Kreek, is de legerplaats der Neger-Jagers.

Den gemelden 15den, liet men vaartuigen vertrekken, om de zieken weg te brengen, en krygsbehoeften aan te voeren. De geheele legerbende wierd toen door eene zwaare ziekte, een roode loop, aangetast, die een groot getal menschen in 't graf sleepte. Al wat wy doen konden, bestond daar in, dat wy, op hoop van goeden uitslag, braak- en andere geneesmiddelen aan de zieken toedienden: wy hadden geene Chirurgyns; zy waaren allen in de hospitaalen aan de Commewyne of op Paramaribo bezet.

De arme slaaven vooral verwekten deernis. Zy waaren, zoo als ik gezegd heb, op eene halve portie eeten gezet, en zedert omtrent twee maanden, leefden zy van kool van palmboomen, graanen, en wilde wortelen: hier aan moet men de besmetting toeschryven, die de legerbende verwoestte. Deeze ongelukkige Negers waren zoo uitgehongerd, dat zy koorden of banden van heestergewassen om hunne lendenen bonden, volgens de gewoonte der Indianen, die zig op deeze wyze den buik toebinden, wanneer hen de honger kwelt, en welke vermeenen of zig inbeelden, dat het lyden door de drukking minder word. Ik ontsnapte echter, met eenige anderen, aan de besmetting; maar ik was buiten staat om te gaan, uit hoofde van eene zwaare zwelling aan één myner voeten, een ongemak, het geen men hier consaca noemt, en zeer gelykvormig is aan het geen wy in Europa onder den naam van bevriezing kennen, en het welk eene groote jeukte veröorzaakt, vooral tusschen de vingers, waar uit water zypert.

De Negers zyn aan dit ongemak zeer onderworpen; zy geneezen het zelve, door een citroen- of limoen-schil, zoo heet, als zy die veelen kunnen, op de huid te leggen.

Ik heb dikwils reden gehad, om van onze mondbehoeften te spreken, welke bestonden in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in bischuit, waar van men ons alle vyf of zes dagen onze portie toedeelde. De twee eersten hadden, na hun vertrek uit Ierland, misschien reeds de weereld rond gereisd. Zy waren toen zoo groen, zoo slymerig, zoo stinkend, en zomtyds zoo vol wormen, dat ik ze op andere tyden niet in myn maag zoude hebben kunnen verdragen.

Ik gaa tans over tot ons reistuig. Deszelfs beschryving zal my niet veel tyd kosten; want het bestond, voor elken Officier, slechts in een koffer, of vierkante kist, waar in hy zyn linnen, zyn verschen voorraad, en zyn sterken drank, wanneer hy die had, wegsloot. Deeze kisten dienden ons tevens tot stoelen en tafels in het veld: op de tochten, droegen de Negers dezelve op hun hoofd. Ik moet bovendien aanmerken, dat wy na zes uuren des avonds nooit vuur hadden; wy kenden dan alleenlyk het maanlicht, het welk voor ons eene zeer treurige vertooning maakte.

Ik had noch bord, noch schotel, noch lepel, noch vork: de kalebas van eenen Neger vervulde my de plaats van de twee eerstgemelde. Zelden had ik een vork van nooden, en nog minder een lepel. In plaats van dezelve, bediende ik my van een breed omgebogen blad, zoo als de Slaven doen. Elk droeg een mes in zyn zak. Ik trachte eindelyk my een lamp te maken van een gebroken fles; ik deed daar in een weinig varkens-vet in plaats van oly, en ik scheurde een stuk van myn hembd, om 'er een lemmet van te maken. De nood, zegt men, maakt vernuftig, en in zulk een staat als de onze valt men niet kiesch. In de daad, indien ik op dit oogenblik gehad had, het geen ik in voorige tyden wegsmeet, zoude ik God gedankt hebben.

Van vernuft sprekende, moet ik niet vergeten het fraay mandwerk, het welk de Negers in groote meenigte in het veld maakten. Ik maakte dit zelf ook, volgens hunne onderrigtingen, en ik zond 'er een aantal van ten geschenke aan myne vrienden op Paramaribo. Het word gemaakt van een zoort van houtachtig en sterk koord, het welk men in den bast van den kool-boom vindt. Die men tot het quadrille-spel maakt, zyn zeer fraay. Andere zyn geschikt om 'er vrugten en groenten in te bewaaren; men vlegt dezelve met een zoort van biezen, warimbo genaamt, welke men splyt, en 'er de merg uit haalt. Men maakt ze ook vry goed, met dunne koorden van heestergewas. De Negers maken ook fraaye netten van een zoort van zyde plant.

Het is een zoort van Aloë, die in de bosschen groeit. De bladen 'er van zyn getand, stekelachtig, en bevatten, over derzelver geheele lengte, kleine witte vezelen, welke men even als de hennip slaat, en laat rotten. Deeze vezelen dienden ons om touw te maken, veel sterker dan eenig touw in Europa. Het zoude zeer geschikt zyn voor de schepen, maar het is aan eene zeer schielyke verrotting onderhevig. Dit zoort van hennip gelykt zoo sterk naar de witte zyde, dat de invoer daar van in verscheiden Landen verboden is, uit vreeze dat men 'er by verkoop bedrog mede plegen zoude. De Indianen noemen deeze plant curetta, en in Surinamen noemt men ze doorgaans Indiaansche zeep; zy schynt dezelfde te zyn, als de zeepboom, om dat ze eene zachte zelfstandigheid voortbrengt, welke even als de gewoone zeep tot wassching dient, en door de Negers en verscheiden inwooners tot dit einde gebruikt word. Men vind ook in de bosschen een andere zoort van plant van dezelfde gedaante als deeze, welke de Negers baboun knify (apen mes) noemen, en die het vleesch tot op het been doorklieft. Ik heb 'er zelf de proef van genomen, maar zonder nadeelig gevolg.

In het tydstip, waar van ik tans spreek, hadden alle de soldaaten gebrek aan koussen, schoenen en hoeden. De Colonel, om een voorbeeld van lydzaamheid te geven, en morringen voor te komen, liep een geheelen dag blootsvoets voor het volk uit. Ik had hier in een voorrecht boven alle anderen. Myne gewoonte, om zonder koussen of schoenen te gaan, had my de huid verhard. 'Er was toen onder ons volk geen enkele, die een lid aan zyn lichaam had, dat volmaakt gezond was: het gebrek van zindelykheid was 'er voornamelyk oorzaak van; zulks verwekte zeer dikwils zweeren, welke aan hun, wien men in tyds de afzetting niet doen konde, den dood veroorzaakten. Deeze waaren de kwaalen, waar mede wy te worstelen hadden, maar hoe groot die ook waren, zy waren slechts de voorloopers van de geene, die ons nog te wagten stonden.

Ik ontfing toen een beste ham en een douzyn flessen Porto-wyn, welke de Capitain VAN COEVERDEN my zond. Ik hield 'er vier van, welke ik met de andere Officiers uitdronk, en gaf de overige aan den Colonel, die door vermoeing uitgeput was. Des anderen daags, den 29sten, had ik de eer het bevel te ontfangen over eene wacht, benevens den Capitain BORGNES, en veertig mannen, om pogingen te doen tot het vangen der Negers, welke drie weken te vooren de Kreek waren overgetrokken.

Na de Rivier in een vaartuig afgezakt te zyn, en in het zelve vaartuig den nacht te hebben doorgebragt, stapten wy des anderen daags morgens aan land, en trokken noordwest-waarts voort; maar geen kompas hebbende, verdwaalden wy wel dra van onzen weg. Eene groote Savane doorgetrokken zynde, hingen wy onze hangmatten aan den kant van een dik en eenzaam bosch op. Den 31sten, vervolgden wy den zelfden weg, in de hoop van aan de boomen de kenbaare teekens van den doortocht van eenigen van ons krygsvolk te zullen ontdekken. In een moeras gegaan zynde, waadden wy daar in tot op den middag, hebbende zomtyds het water tot aan de kin, en zynde in gevaar van te verdrinken: eindelyk geheel doorweekt, en onze kleederen aan flarden zynde, waren wy genoodzaakt langs onzen ouden weg te rug te keeren. Na een gedwongen marsch, hielden wy op nieuw halte aan de oevers van de Cormoetibo-Kreek. 'Er viel zulk een zwaare regen, dat ik my niet herïnnere immer een zwaarer gezien te hebben: dezelve duurde den geheelen nacht, en veröorzaakte zoo veel verwarring en wanörde door de overyling, waar mede zig elk van eene schuilplaats voorzag, dat ik eene kneuzing aan het hoofd kreeg. Ik ging niettemin voort, met my spoedig eene verblyfplaats te bezorgen, en ik was de eerste in myne hangmat, waar boven ik een overdek van bladeren maakte; omtrent onder dezelve, leide ik een goed vuur aan, en viel in diepen slaap te midden van den rook, die my voor het steeken der muggen bewaarde.

Van insecten sprekende, moet ik niet vergeten, dat deezen avond een Neger, die droog hout was gaan zoeken, my tot myne groote verwondering, een Kever aanbood, die niet minder dan drie of vier duimen lang, en meer dan twee duimen breed was. Men noemt hem in Surinamen den Rinoceros, uit hoofde van zyn Olyfants snuit, die omgebogen en gespleeten is, en de dikte heeft van een groote ganzen veder. Dit dier heeft op den kop verscheide harde en gladde verhevenheden; hy heeft zes ledematen; zyne vleugels zyn breed, en zyn geheele lyf is volmaakt zwart: hy is de grootste van alle de Amerikaansche Kevers.

'Er is ook in Guiana een ander insect van dit zoort, genaamd het vliegend Hart, uit hoofde van zyne hoorns, die naar de hoornen van een hart gelyken: beiden vliegen met een ongemeen gebrom, en zyn zoo sterk, dat weinige vogelen hen durven aanpakken. Een der grootste ongemakken, die wy in het bosch ondervonden, wierd veroorzaakt door een vlieg, zoo groot als een bye, en wier steek byna even geducht is. Ik kan dezelve niet beter vergelyken, dan by het diertjen, dat wy in Engeland de Vlieg-Spinnekop noemen.

Na zes of zeven uuren lang, in weerwil van den regen, de rook, de muggen, en myne bekomene kneusing, vast geslapen te hebben, ontwaakte ik zeer verfrischt ten vyf uuren des morgens, en ten zes uuren traden wy het jaar 1774 in, vaarende langs den oever der Cormoetibo-Kreek tot op den middag, wanneer wy in de algemeene legerplaats aankwamen, aan den mond van de Wana-Kreek, na een zeer nutteloozen tocht, als naar gewoonte.

Den 3den, zagen wy, tot ons groot genoegen, den Capitain FREDERIK wederom, met zyne krygsbende, die eenen Neger, CUPIDO genaamd, gevangen met zig bragt. De Capitain verhaalde ons, dat een arme soldaat van 's Compagnies krygsvolk, ter dood veroordeeld zynde, vergiffenis van hem ontfing, op het oogenblik, dat hy op de kniën lag om doodgeschoten te worden, en dat de ontsteltenis, die hem zulks veroorzaakte, hem het verstand deed verliezen.

De Colonel FOURGEOUD, toen besloten hebbende deezen veldtocht te eindigen, zond eene krygsbende van zestig mannen vooraf, om naar de Patamaca-Kreek op kondschap uit te gaan.

Ik waschte nu myn hembd in de Wana-Kreek: dit was het laatste dat ik had, en ik was verpligt my te baden, tot dat het droog was. Ik had naar Paramaribo om ander linnen geschreven; maar myn brief kwam niet te recht, en alles, wat ik had medegebragt, was aan flarden.

Den 4den January, des morgens ten tien uuren, waaren wy gereed om op te breken. De zieken in vaartuigen naar Devil's Harwar gezonden hebbende, staken wy eindelyk de Cormoetibo-Kreek over, en wy trokken regelrecht zuidwaarts aan, om de Patamaca te bereiken. Op onzen tocht trokken wy voor by steile bergen, met steenen bedekt, en met myn stoffelyke zelfstandigheden bezwangerd. De ligging deezer bergen, die niet meer dan twintig mylen van den Oceaan gelegen zyn, wederspreekt de waarneemingen van Dr. BANCROFT, die beweert, dat men dezelve in dit Land niet ziet, dan op den afstand van meer dan vyftig mylen van de Zee. Des avonds sloegen wy ons neder aan den voet van eenen anderen zeer hoogen berg, alwaar wy een kleine beek van goed water en Latanus boomen vonden, het geen voor ons twee gewichtige punten uitmaakte. Het was in de daad merkwaardig, en zelfs zeer fraay, een soort van stad van boomloof te zien, die zig in een uur verhief op een grond, alwaar te vooren niets was. Een oogenblik daar na waaren de vuuren aangestoken: de een kookte 'er zyn eeten op, de ander droogde 'er zyne kleederen by.

Deezen nacht echter wierd het geheele leger aangetast door een loop, veroorzaakt door het water, het welk wy hier dronken. Dit water, schoon zeer helder, bevatte zoo veele myn-stoffelyke zelfstandigheden, dat het den smaak van Bath- of Spa-water had. Deeze omstandigheid alleen is genoeg ter aanwyzing, dat men in deeze bergen metaalen vinden zoude, indien de Hollanders de noodige kosten doen wilden, om 'er in te delven.

Den 5den, vervolgden wy onzen tocht steeds over de bergen, waar van zommigen zoo steil waren, dat verscheide Slaven met hunne pakken niet kunnende opklauteren, dezelve tegen den grond wierpen en wegliepen, niet naar den vyand, maar naar hunne meesters, die hun dit ligtelyk vergaven: anderen rolden met pak en zak van boven neder.

Des avonds van dien zelfden dag, vonden wy onze huisvesting gereed, en wy besloegen de hutten, die men had laten staan, na BONNY en zyn volk op de vlucht gedreven te hebben. In de myne vond ik nog een zoort van kaars, die vry aartig gemaakt was van wasch van wilde byën, en het gedroogd merg van biezen.

De wooning van BONNY had zeer veel gemak; zy was met paalwerk omringd, en bestond uit vier zeer nette vertrekken. De Colonel nam aldaar zyn intrek.

Den 6den, scheen al het volk uittermaten vermoeit te zyn. De Colonel gelastte dienvolgende een dag halte te houden; alleenlyk zond hy den Capitain FREDERIK, wien het Land 't best bekend was, met zes mannen af, om de oevers van de Claas-Kreek op te zoeken, zynde een zoort van vlietend water, het geen zynen oorsprong neemt op de plaats, alwaar wy ons bevonden, en in de Cottica uitloopt. Naauwlyks waren zy vertrokken, of de oogen van den Colonel by toeval op my gevallen zynde, gelastte hy my om hen alleen te volgen, en hem bericht te komen brengen, van het geen ik aan de overzyde van den oever ontdekken mogt. Ik haalde weldra de afgezondene manschappen in, en na eenige oogenblikken te zyn voortgetrokken, slonden wy tot onder de armen toe in 't water. FREDERIK gaf toen bevel om te rug te trekken, maar ik verzogt hem, om naar my te wagten; waarna ik, mijne kleederen uitgetrokken, en myn sabel tusschen de tanden genomen hebbende, de Kreek al zwemmende overstak; aan de overzijde gekomen zynde, ging ik daar een wyl langs; niets vindende, kwam ik te rug op dezelfde manier, en wy kwamen wederom op de legerplaats.


Back to IndexNext