Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende vaarten, sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing gereed te maken.
In den vorigen brief heb ik u myne gedachten opgegeven, hoe uitmuntend geschikt de lage landen in Guiana ter bebouwing zyn, en welke keuze men onder de verschillende zoorten en liggingen van deeze landen te maken heeft: in deezen brief zal ik u ontvouwen de manier, om die landen toe te bereiden en bruikbaar te maken.
Dewyl deeze landen, of byna altyd onder water staan, of door de verwisseling van ebbe en vloed, aan overstroomingen onderworpen zyn, moet men dezelven droog maken, en door dyken beletten, dat het buitenwater niet kan doordringen tot het land, het welk men voornemens is tot bouwland aan te leggen.
Ik vooronderstel dus, dat de keuze van het land gedaan is. Men moet, voor alle dingen, het hout laten weghakken, en het geheele land, het welk men voorgenomen heeft te bedyken, of ten minsten het gedeelte, waar de dyken gelegd moeten worden, tot op eene zekere breedte, doen zuiveren. Vervolgens kunt gy overgaan tot het leggen van die dyken, welke een vierkant, dat evenwyd is, zullen vormen, waar van de eene kant uwe voorgevel of scheidsmuur, aan de Rivier of Zee-kust, zal uitmaken; eene andere, aan de eerste gelyk zynde, zal gelegd worden in de diepte van dit zelfde land, op den afstand, welken gy wilt toebereiden en beplanten; de twee andere zyden, die beide even groot zyn, zullen lynrecht tegen de twee eerste overstaan, en u van uwe gebuuren, ter rechter en ter linker zyde, afscheiden.
Tot dit einde moet men, in den geheelen omtrek van dit vierkant, beginnen met een kleine gracht te graven, welke gevonden moet worden onder het midden der breedte van den dyk, en daar aan als tot een grondvesting dienen. Deeze kleine gracht wordt genoemd de pit of blinde groeve: dezelve moet omtrent drie voeten breedte hebben, voor een dyk, die twaalf voeten en meer tot zynen grondslag heeft. Het is van aanbelang dezelve te graven tot de diepte van ten minsten twee goede schuppen, en aldaar geene stammen van boomen, geen hout, geene wortels over te laten, maar daar van volkomen te zuiveren.
Wanneer deeze blinde groeve gemaakt is, zult gy beginnen met de uitwaterende grachten te graven: men is gewoon 'er daar van twee te maken, de eene van buiten aan den dyk, de andere van binnen. De eerste dient, om den dyk met slyk aan te vullen, de binnen-gracht daar toe zomtyds niet voldoende zynde, wanneer deeze dyk van vry wat aanbelang moet zyn. Deeze buitenste gracht bevordert daarënboven den uitloop van een gedeelte der omringende wateren, en belet dezelven, door middel van dien uitloop, tegen den dyk aan te perssen.
Het is nutteloos deeze buitenste gracht zeer diep uit te graven; zy vordert zoo veel oplettendheid niet, als de binnenste gracht, die net en regelmatig moet bewerkt worden; terwyl men in de buitenste de stronken en wortels laten kan, mits zy aan de uitdieping niet te hinderlyk zyn. Men moet altyd eene bekwame tusschenruimte tusschen deeze gracht en den dyk houden.
In welk zoort van lage landen het ook zy, is de bagger, die men voor de eerste keer uit deeze grachten haalt, te veel met vreemde lichamen vermengt, en al te los, om tot bekwame grondslagen voor den dyk te kunnen dienen. Men moet ten minsten de twee eerste baggers, die men 'er uit haalt, aan deeze zyde werpen, dat is tusschen de gracht en den dyk; en wanneer men de slyk of grond vast en bekwaam genoeg vindt, laat men dezelve op den dyk werpen, het zy in eens, het zy in twee keeren, zoo als gewoonlyk plaats heeft, om reden, dat men tusschen den dyk en de omringende grachten een tusschenvak moet laten van 20 of zomtyds 30 voeten. Indien men deeze voorzorg verzuimde, zoude men gevaar loopen, om de kanten van den dyk, en van de grachten, door de onmatige zwaarte van de aarde, waar van de dyk gemaakt is, spoedig te zien instorten.
Men graaft de omringende grachten tot de vereischte diepte, die niet altyd dezelfde is, maar waar van de gewoone maat bedraagt zes voeten voor de binnen-gracht: men moet wel opletten, om aan deeze gracht de noodige opgaande schuinte te geven, naar mate men dezelve graaft. De evenredigheid van deeze opgaande schuinte is van 5 of 6 duimen van elke voet; en naar mate men de kanten van deeze gracht in die schuinte graaft, maakt men dezelve met het platte van de schup effen en gelyk.
Men zoude vervolgens deeze binnen-gracht kunnen eindigen, zonder andere voorzorgen in acht te nemen; maar dan zou men gevaar loopen, om door het hooge water overvallen te worden, en daar door veel tyd te verliezen; behalven dat het te vreezen is, dat het water deeze grond of slyk, welke daar door gedeeltelyk in beweging gebragt wordt, week zoude maken, en daar door verzakkingen veroorzaken.
Men keert dit ongemak af, door, van den beginne af aan, een vierkante pyp of sluis te plaatsen, die in dit land genaamd wordt coffre d'ecoulement, het zy een groote, het zy by voorraad een kleine, die ten minsten het water op de gewoone getyen kan tegen houden.
Om deeze uitwaterende sluis te plaatsen, graaft men daar toe opzettelyk een gat in den dyk, aan den kant, die aan de Rivier of de Zee gelegen is, indien men in het land geene kreek heeft, die daar toe geschikt is. Maar doorgaans vindt men verscheiden van die kreeken of vaarten, door de natuur zelve gevormd, waar door het ryzend water in overvloed in de landen inloopt, en het vallend water weder afloopt. In het begin moet men alle deeze kreeken door goede kistdammen schutten.
Zulk een kistdam is niet moeijelyk te maken; maar dit moet met oplettendheid en vastheid geschieden: men begint met het vak of de plaats, alwaar die kistdam gelegd moet worden, te zuiveren. Men neemt vervolgens twee zwaare stukken hout of ribben, van eene genoegzame lengte, om de geheele kreek en derzelver oevers te beslaan van den eenen tot den anderen kant, ter wydte van omtrent zes voeten: dit vak van zes voeten wordt tot op een goede schup diepte, beneden het bed van de kreek, weggegraven. De twee houte ribben worden mitsdien dwars op den grond van de kreek gelegd, op een zekeren afstand van elkander: vervolgens plant men eenige zwaare heypalen aan de buitenzyde, voor elk einde van deeze houte ribben, om de uitwyking voor te komen van de aarde of het slyk, waar mede men het vak tusschen de twee ribben vullen moet, om den kistdam te maken.
Wanneer deeze houte ribben wel geplaatst, en behoorlyk vast gemaakt zyn, plant men langs elk van dezelven, zoo aan de binnen- als buitenzyde, een rey heypaalen, van zwaare stukken hout, welken men naast, en zoo dicht mogelyk aan elkander, inslaat: men moet om die reden rechte stukken daar toe verkiezen. Wanneer alle deeze paalen zyn ingeheyd, vult men het tusschen-vak met slyk, welke men aldaar met kragt inwerpt, en die eindelyk een klomp wordt, waar door het water niet kan heen dringen.
Men vindt op de plaatsen zelven altyd hout, het welk geschikt is, om tot deeze ribben te dienen, vermits zy niet langer dan twee of drie jaaren behoeven te duuren, na verloop van welken tyd de kistdam stevig genoeg is, en geen steunzel meer noodig heeft.
Thans, om de sluis te kunnen plaatsen, zuivert men de kreek, waar in men die plaatsen wil, van derzelver vuiligheden, of men graaft opzettelyk eene vaart, indien men geen gebruik van eene kreek maakt. Men moet eenige duimen lager graven, dan het waterpas van het laagste gety van de Rivier of Zee kust, waar in men de uitwatering verkiest.
Wanneer de plaats, alwaar men de sluis stellen wil, is uitgegraven, brengt men die sluis voorwaarts naar één der oevers van de vaart, welke men daar voor gegraven heeft: men plaatst dezelve aldaar op eenige houte balken, die voor uit moeten steken tot byna op de helft van de opening der gegravene vaart. Die sluis aldaar geplaatst zynde, keert men de zelve op zyde, zoo dat de grond of het onderste van de sluis recht over einde staat aan de zyde van de uitgegravene plaats, en byna tegen den kant aan. Vervolgens slaat men om de twee uitëinden van de sluis twee zwaare touwen, waar van men de einden behoorlyk vast maakt. Op elk derzelven plaatst men een takel, waar van men de wederzyde op eenige stronken van boomen doet rusten, of, zoo 'er die niet zyn, op twee zware palen, daar toe opzettelyk geplant, aan de zelfde zyde, waar de sluis geplaatst is.
By elke takel zet men eenig volk, met last om gelykelyk en van langzamerhand schoot te geven, naar mate daar toe bevel gegeven wordt; vervolgens wordt door eenige arbeiders, die langs de sluis geplaatst zyn, dezelve op de balken voortgeduwd naar het gat, waar in dezelve moet inzakken. Wanneer de sluis, alzoo voortgestooten zynde, geheel van den grond af is, begint dezelve wederom in haare natuurlyke gesteldheid om te wenden, dat is, met den bodem naar beneden; als dan moet het volk, het welk de takels tegen houdt, de touwen eensklaps los laten, om de sluis in het gat te doen nederzakken. De balken, waar op men de sluis heeft laten voortglyden, dienen in dit oogenblik tot een wip, om de sluis naar beneden in de gegravene vaart te wenden, alwaar men dezelve nederzet, waterpas en plat, zoo naauwkeurig maar eenigzints mogelyk is.
Wanneer de sluis zoodanig geplaatst is, als men verlangt, trekt men de takels en andere touwen te rug: men plaatst, even als by het maken van eene gewoone en volkomene kistdam, hier boven reeds beschreven, twee houte ribben, de eene beneden, en de andere boven de sluis, vlak tegen dezelve aan. Men plant aldaar eene reije van houte staken, uitgenomen op de plaats, welke de sluis beslaat, waar van men de opening niet sluiten moet: men neemt in plaats derzelven aldaar zware planken, of, indien men wil, ronde stukken hout, met den grond gelyk en in de dwarste. Deeze kistdam vult men met slyk, zoo als hier voren reeds is opgegeven, en men overdekt daar mede de sluis.
Indien men alleenlyk by voorraad eene kleine sluis wilde plaatsen, om de eerste bewerking des te gemakkelyker te maken, zulks zoude veel eenvoudiger zyn; dezelve wordt gemaakt van vier zwaare planken aan elkander gevoegd, zoo dat elk derzelven één van de kanten uitmaakt: aan het buitenste einde plaatst men eene kleine sluisdeur of duiker, die nederhangt, om de sluiting des te gemakkelyker en zekerder te hebben.
Hier mede behooren wy over te gaan tot de ontvouwing van de manier, op welke eene groote sluis gebouwd wordt, die men veronderstelt eene opening van drie voeten te hebben.
De bouwstoffen, daartoe verëischt wordende, zyn de volgende:
1º. Zes zwaare planken van 26 voeten lengte, op 13 duimen breedte en twee duimen dikte.
2º. Vyftien zwaare planken van 12 voeten lengte, twaalf duimen breedte, en anderhalve duim dikte.
3º. Vier zwaare planken van twaalf voeten lengte, twaalf duimen breedte, en twee en een halve duim dikte.
4º. Twee stukken hout van vyf voeten lengte, op zeven duimen breedte in 't vierkant.
5º. Een paar hengzels, van twee en een halve voeten lengte, en twee en een halve duimen breedte, met twee zwaare yzere duimen, waar van de punten lang genoeg zyn, om door het stukje hout of klamp, het welk men boven de sluisdeur plaatst, heen te gaan, en voorts genoegzaam uitstekende, om met een schroef of schaar vast gemaakt te worden.
6º. Vier yzere banden, waar van de einden omgebogen zyn naar verëisch van de houte klampen, en hebbende de lengte van twee en een half voeten, om op de sluis te spykeren, tot derzelver meerdere vastheid.
7º. Eindelyk de noodige spykers, die voor een sluis van dit maakzel, en van die evenredigheid, ten naasten by zullen bedragen twaalf ponden van 5 of 6 duimen, en twintig of vier-en-twintig ponden kleiner spykers van 3 duimen.
Om deeze sluis te maken, begint men met de zwaare planken van 26 voeten lengte gelyk te maken; men zet die in elkander, drie van de eene en drie van de andere zyde, zoo dat elke kant, uit drie te zamen verëenigde planken bestaande, eene gelyke breedte maakt; men hakt het einde van deeze planken schuins, in de evenredigheid van ten minsten drie duimen op elken voet. Deeze schuinte is alleen aan die zyde, welke naar de Rivier of Zee geplaatst wordt, en alwaar ook de sluis-deur moet gemaakt worden.
De vier planken van twaalf voeten lengte, en twee en een halve duimen dikte, dienen om de vierkanten of vakken van de sluis te maken. Daarom klooft men dezelven in de breedte midden door, het geen de planken alleenlyk zes duimen breed maakt; men hakt dezelve in vier stukken, elk van drie voeten lang; men maakt deeze stukken van eene even gelyke grootte, en voegt die met rechte hoeken en een zwaluwen staart te zamen, zoo dat men van vier stukken een vierkant maakt; en dewyl elke plank agt stukken oplevert, maakt zulks twee vierkanten op elke plank, en voor de vier, agt vierkanten of vakken, die tot de vastheid van de sluis op eene lengte van 26 voeten volkomen voldoende zyn. Het vierkant, het welk aan het einde der lange planken, die schuins gehakt zyn, geplaatst is, moet insgelyks in de schuinte gehakt worden, om op de andere schuinte volmaakt te sluiten. Wanneer de vierkanten gemaakt zyn, spykert men dezelven op gelyke afstanden van elkander aan de lange planken vast: wanneer de sluis van wederzyden aan die vierkanten is vast gespykerd, gaat men over tot de twee andere zyden, die den bodem, en het boveneinde van de sluis uitmaken: men gebruikt daar toe de vyftien planken van anderhalve duim dikte: men hakt die alle aan stukken van drie voeten lengte, het geen voldoende is, om de beide zyden van de sluis aan de einden gelyk te doen dragen: na deeze stukken zoo gemaakt te hebben, dat ze volmaakt op elkander passen, spykert men ze overdwars aan de sluis vast, zoo van boven als van onderen.
De deur van deeze sluis wordt geplaatst aan die zyde, alwaar de planken met een schuinse inham gehakt zyn; men geeft 'er het fatsoen aan overëenkomstig deeze zelfde schuinte, en hangt dezelve aan twee hengzels, waar van de yzere duimen zyn geklonken in een stuk hout van het beste zoort, het welk men boven aan de sluis vast maakt, door het zelve vooraf met het vierkant, waar op deeze deur rust, zamen te hegten; en vervolgens met twee yzere krammen, die het zelve aan drie kanten omvatten, en waar van de platte einden gespykerd zyn op de planken, welken men overdwars boven de sluis geplaatst heeft, terwyl men onder aan een gelyk stuk hout plaatst, op dezelfde wyze vast gehecht, waar op de sluisdeur rust, wanneer die gesloten is. De yzere duimen gaan door de breedte heen van het stuk hout, waar in zy geklonken zyn, en van agteren zyn zy met een schroef of schaar vast gemaakt, zoo dat men ze naar vooren of naar agteren kan draaijen, naar dat de vaste sluiting van de sluisdeur zulks vordert.
Het geheel van deeze sluisdeur bestaat uit in elkander gevoegde stukken hout, die wel gelyk gemaakt zyn, en overdekt met eene dubbele laag hout met regte hoeken, insgelyks in elkander gezet: dezelve moet breeder zyn, dan de opening van de sluis, dat is, gelyk met derzelver geheele breedte, de buitenste kanten daar onder gerekend. Die zyde van de deur, alwaar de planken vlak of overdwars zyn in elkander gevoegd, moet binnenwaarts geplaatst worden, dewyl het hout op die manier zig minder uitzet, en de sluisdeur dan minder bloot gesteld is, om in wanörde te geraken, en naauwkeuriger sluit.
Om aan deeze sluisdeur meer gewicht te geven, en dezelve gemakkelyker van zig zelve, en door haare zwaarte, te doen sluiten, voegt men 'er van weerskanten een zwaar stuk hout by, het welk men aan de buitenste oppervlakte vast spykert; dit stuk moet de dikte hebben van vier of zes duimen in de laagte, en naar de bovenkant hoeksgewyze eindigen.
Eene uitwaterende sluis van de hier boven opgegevene grootte, is volkomen voldoende tot het droogmaken van een stuk van 150 hond lands: men kan een tweede aanleggen, of 'er een maken, die grooter is, naar mate eene grootere uitgestrektheid gronds moet worden droog gemaakt.
Deeze zoort van sluisdeuren of duikers is de eenvoudigste en min kostbaarste, om te dienen tot loozing van het binnen-water van een land, het welk men wil droogmaken en bebouwen.
Voor 't overige, wanneer men 'er de middelen en den tyd toe heeft, kan men aldaar sluizen maken op de manier, die in Europa bekend is, het zy van hout, het zy van steen. 'Er zyn veele Planters in de Hollandsche Volkplantingen van Guiana, die deeze laatstgemelde hebben.
Wanneer de grachten rondöm gegraven en de sluis geplaatst is, moet men dadelyk zyn werk maken van de afdeeling van den grond, en van de wegen, waar door elke afdeeling wordt afgescheiden. Deeze wegen moeten door gegravene vaarten omgeven zyn, die tamelyk groot en ten hoogsten honderd toisen van elkander afgelegen zyn. Indien de tusschenruimten grooter waren, zoude de afloop van het water te langzaam en onvoldoende zyn: men moet ze ook niet te digt by elkander maken, om den arbeid niet noodeloos te vermeenigvuldigen.
Deeze verdeelingen zyn willekeurig, en hangen van des Planters goedvinden af. Men maakt de midden-laanen meer of min breed, en aan de kanten plant men vrugtboomen, bananen-boomen, ananassen, en andere nuttige planten.
'Er zyn Planters, die, behalven de groote midden-laan, nog eene andere van wederzyden maken, minder breed, in het midden van het vak tusschen de groote laan en elke dyk, waar door het geheele stuk gronds in vier gelyke deelen verdeeld is: men kan deeze verdeeling nog eenvoudiger maken, om den arbeid te verminderen.
'Er is nog eene manier, die veel voordeeliger is, en daarom veel meer aan te raden: hier in bestaande, om in plaats van den middenweg, eene groote vaart te graven, beginnende van het achterste gedeelte der gebouwen tot een einde voor aan in het bosch, en in de dwarste loopende voor den agterdyk. Men bedient zig van de aarde, die daar uit gegraven wordt, om aan wederzyden van deeze vaart, de dyken op te hoogen, die een zeer goeden weg opleveren ter rechter en ter linker zyde, welken men ieder met ryen boomen beplant. Het nut van zulk eene gegravene vaart is onwaardeerbaar; dezelve dient, om de koffy of andere waaren in den oogst-tyd met schepen of ligte vaartuigen te vervoeren, het geen veel handen arbeid kan voorkomen. Deeze vaart is het geheele jaar door vol goed en zoet water, het welk uit het bosch afdaalt. Dit water dient tot besproeijingen, tot verscheidene benoodigdheden der Planters, om zig te baden, en tot het vervoeren van hout voor vaatwerk, en brandhout, het welk men als een vlot laat afzakken, enz.
Na dat men eenige maanden aan het maken der omringende dyken gearbeid heeft, wanneer de grond is ingezakt en vast geworden, maakt men de dyken volkomen af, en gelyk, en geeft aan de onderpaden en schuinse afhellingen derzelver regelmatige gedaante. De hoogte van deeze dyken moet altyd zyn een voet boven het hoogste water.
In dit bearbeiden der lage landen, na den grond van het zwaare hout en de takken gezuiverd te hebben, het geen altyd een lang en moeijelyk werk is, voornamelyk wanneer de gronden met paletuvier-boomen bewassen zyn, is men gewoon in het begin bananen-boomen te planten, die tot voedzel voor de beplanters dienen, en met hunne zwaare bladeren de heestergewassen, het kleine geboomte, en planten, die op den grond overig blyven, overschaduwende, dezelven eindelyk geheel doen te niet gaan. Waar na men dezelven uittrekt, en nuttige planten, die men voornemens is aldaar aan te kweeken, in de plaats zet, om 'er voordeel mede te doen. Indien dit koffy-boomen zyn, plant men dezelven, geduurende het eerste en tweede jaar, in de schaduwe der bananen-boomen, waar van men een gedeelte laat staan.
Voorts moeten wy nog aanmerken, dat op de groote, en vooral op de Suiker-Plantagiën, de verdeeling der grachten een weinig anders zyn moet.
Voor eene Suiker-Plantagie, alwaar men een water-molen maken wil, moet men afzonderlyke gegravene vaarten hebben, benevens genoegzaame vyvers, en bewaarplaatsen van water, die in slaat zyn het zelve aan de molen te verschaffen; als mede eene bekwaame helling, geduurende al den tyd, dat de Zee laag genoeg is, om de molen te kunnen laten malen.
'Er zyn ook grachten of vaarten noodig, die bevaarbaar zyn voor ligte vaartuigen, rondöm elke verdeeling, ten einde het suiker-riet met gemak en vaardigheid naar den molen te kunnen overvoeren.
Op de groote Koffy-Plantagiën graaft men ook eenigen van deeze vaarten, tot het vervoeren van de ingeöogste vruchten in kleine vaartuigen; het geen aan den arbeid der wyd afgelegene Plantagiën byzonder veel gemak aanbrengt. Het is tot dit einde genoeg, een gracht te hebben van twintig voeten breedte, die midden door de Plantagie, en vervolgens naar de diepte heen loopt. Deeze gracht of vaart moet geene gemeenschap met de anderen hebben; dewyl men zorgen moet, dat daar in altyd water genoeg is, om te kunnen varen, en wel zoet water, gelyk reeds hier vooren is opgemerkt; ook is het noodig aldaar eene kleine sluis te leggen, die haar uitloop heeft naar de groote sluis, welke voor de geheele droogmaking dient, ten einde deeze vaart te kunnen ontledigen, wanneer 'er te veel water in is, of zelfs geheel en al uit te droogen, indien dit noodig is, om dezelve schoon te maken, en diergelyken.
Ten aanzien van eene Suiker-Plantagie, is het met de verdeeling deezer grachten en vaarten geheel anders gelegen: twee zaaken komen aldaar in aanschouw; voor eerst, het maken van plaatsen, die geschikt zyn om het water te bewaren, het welk noodig is, om den molen aan den gang te houden; ten tweeden, om de middelen te verschaffen, tot het rondöm vaaren van elk stuk lands, met suiker-riet beplant, en het zelve alzoo naar den molen te kunnen vervoeren. Men moet die vaarten dus veel grooter en meerder in getal maken. Zie hier de verdeeling van dezelven.
Men begint met omringende grachten te maken, die in grootte aan de uitgestrektheid van het stuk lands geëvenredigd zyn; men maakt vervolgens verdeelingen van 100 tot 100 toisen, maar niet verder, dan tot omtrent in het midden van de diepte der Plantagie. De groote gegraven vaart van zoet water, waar van wy gesproken hebben, en die van de gebouwen der Plantagie af, tot in derzelver diepte, boven den agter-dyk, doorloopt, moet eene veel grootere breedte hebben omtrent de plaats, waar de molen staat, dan in een afgelegener gedeelte. Op deeze vaart loopen andere kleinere vaarten of grachten uit, die geplaatst worden tusschen de afdeelingen heen, zoo dat zy met de uitwaterende vaarten geene gemeenschap hebben, maar alleenlyk met de middelste, waar van zy als zoo veele armen uitmaken.
Behalven deeze groote vaart, en derzelver rechthoekige armen, zyn de verdeelingen van den grond omringd door eene uitwaterende vaart of gracht, en hebben nog eene andere in het midden van derzelver breedte, alle welke met de omringende en uit waterende vaarten gemeenschap hebben: en op die wyze geschiedt de droogmaking van den grond, als mede van de afgedeelde stukken, die men, even gelyk in alle andere droogmakingen, van 30 tot 30 voeten maakt.
Wanneer eene Suiker-Plantagie, of andere, van eene zekere uitgestrektheid is, zyn 'er twee uitwaterende sluizen noodig, één aan elk uitëinde van het voorste gedeelte des lands: men legt ook nog een derde aan den ingang van de groote vaart, dienende tot een bewaarplaats van water, om, wanneer men wil, het water in alle de grachten te kunnen laten inloopen: en deeze sluis zet men open, wanneer het buiten-water te hoog is.
Van het planten en aankweeken van Koffy, en van de noodige levensmiddelen tot onderhoud van de Planters; van het oogsten en bewerken der Koffy; van de gebouwen, en verdere noodzakelyke inrigtingen tot eene groote Koffy-Plantagie, volgens het gebruik der Hollandsche Volkplantingen in Guiana.
Ik heb nu de manier ontvouwd van het droogmaken van een stuk grond, het inrichten van de grachten en uitwaterende sluisen, en het toemaken van het land, het welk voor deezen verdronken land was, ten einde daar van zoodanige Plantagie te maken, als men geraden zal oordeelen aldaar te vestigen. Ik zal voorönderstellen, dat het koffy-boomen zyn, welken gy voornemens zyt op uw land voort te teelen; het onderwerp van deezen brief zal derhalven bestaan in u opzettelyk de middelen aan te wyzen, waar door men zulk eene Plantagie kan aanleggen, mits 'er de behoorlyke zorge toe aanwendende.
Na dat de doorsnydingen of kleine grachten tot afscheiding der bedden gemaakt zyn, houdt men zig met de beplanting bezig. Het is vry algemeen aangenomen, om bananen-boomen te planten, eer men koffy-boomen plant, zelfs op eene Plantagie, die men begint aan te leggen: in dit geval zal men het kunnen doen zes maanden, of een jaargetyde daar na. Maar ten aanzien van Planters, die reeds Plantagiën hebben, en dezelven uitleggen, is men volstrektelyk van gedachten, dat zy ten minsten twaalf maanden moeten wagten, dat is, dat zy, hun land met dyken omringd hebbende, geduurende de groote droogte van het ééne jaar, hunne koffy-boomen eerst behoeven te planten in het regen-saisoen, na het saisoen van droogte in het volgende jaar. Maar een Planter, die eerst begint, en meer haast heeft om genot te trekken, kan reeds planten in den regen van April of Mey van het jaar, volgende op het saisoen van de groote droogte, waar in men verönderstelt, dat hy zyne omheining gemaakt heeft: indien hy zulks gedaan had geduurende de kleine droogte van February of Maart, zoude hy kunnen planten in de maand December daar aanvolgende, mits hy zig in dien tusschen-tyd onledig houde, om uit zyn toegemaakt land zoo veel hout en struiken van pynboomen, of latanus-boomen van het kleine zoort uit te haalen, als hem maar eenigzints mogelyk is, ten einde hem in staat te stellen, om het land zoo veel doenlyk gelyk te maken, alvorens de koffy-boomen te planten. De andere Planters, wien men aanraadt, om, zoo zy kunnen, een jaar te wagten, moeten denzelfden arbeid verrigten; maar zy zullen dit met veel meer gemak doen, vermits veele van deeze planten na verloop van twaalf maanden verrot zyn, die het nog niet zyn na verloop van zes maanden.
Indien men de voorzorge niet gebruikte, om den grond schoon en gelyk te maken, zouden de koffy-boomen ongelyk groeijen, en zeer veel te lyden hebben van de houtluizen en andere insecten, die zig in het verrotte hout en struiken nestelen en voortteelen; en wanneer deeze insecten zig eenmaal ergens geplaatst hebben, worden zy, om zoo te spreken, onuitroeibaar.
Eene andere reden, waarom men van begrip is dadelyk geene koffy-boomen te planten, bestaat hier in, dat de grond door de droogmaking veel inzakt, en wanneer men al te schielyk boomen op denzelven plant, deeze zeer onderworpen zyn om neder te hangen, of op den grond te leggen, het geen niet alleen een zeer leelyk gezigt, en eene groote moeielykheid in het uitwieden van het onkruid maakt, maar ook naderhand in het vrucht dragen nadeelig is; want een boom, die op den grond ligt, of over een anderen heen hangt, kan nooit zoo veel vruchten dragen, als een boom, die recht over einde staat, en de vrye doorspeling van de lucht aan alle kanten geniet.
Men kan, wel is waar, dit ongemak gedeeltelyk verhelpen, door op deeze nieuwe gronden meer in de diepte te planten; maar nimmer zal de boom eene zoo fraaije spitse gedaante aanneemen, dan wanneer men met het planten wagt, tot dat de grond een weinig is ingezakt, vermits het geheele gedeelte, het welk in den grond is, zyne zytakken verliest, die zig nooit weder herstellen.
De Planter intusschen, die, na verloop van zes maanden na de droogmaking, begint te planten, zal altyd wel doen, met deeze voorzorge niet te verwaarloozen; want het gemelde ongemak is veel minder, dan dat men de boomen ziet aan den grond leggen, of schuins nederhangen.
Uitgenomen op een zeer klein getal Plantagiën, alwaar men eenige stukken met koffyboomen heeft beginnen te beplanten, op den afstand van tien of twaalf voeten, heeft men de algemeene gewoonte aangenomen, om dezelven op geen grooter afstand dan van negen voeten, en zelfs aan de westzyde, alleenlyk van agt voeten, te beplanten, om dat de koffy-boomen aldaar over 't algemeen kleiner vallen.
Zonder deeze gewoonte te willen beöordeelen, ben ik van gevoelen, dat men de koffy-boomen op alle goede rivier-gronden kan planten op tien voeten afstand, en dat men geen kwaad doet met dezelven op ryker gronden, tien of twaalf voeten van elkander te plaatsen, vermits ontwyffelbaar de invloed van de lucht, niet alleen tot den groei, maar ook tot den bloei van alle vruchtboomen, zeer dienstig is.
Men heeft in 't algemeen in Demerary eenen zeer wezentlyken misslag begaan, door de koffy-boomen op negen voeten afstand te planten: men heeft de landen beginnen te verdeelen in zoo veele vierkante vakken van die maat, in het midden van welken men een boom plantte; voorts om de vier boomen eene kleine gracht of doorsnyding van twee of twee en een half voeten gravende, waar door veröorzaakt wierd, dat in plaats dat de afstand van den voet des booms aan den kant van elke kleine doorsnyding de helft bedroeg van den doorgaanden afstand van eiken boom, dit niet meer beliep dan drie of drie en een half voeten, het geen, na verloop van eenige jaaren, op nog minder uitkwam; want het is onmogelyk, dat by elke zuivering der vuiligheden, de kleine doorsnyding zig niet eenige lynen verwydere, het welk, na verloop van een zeker getal jaaren, dezelven op eene gelyke breedte brengt. Uit dien hoofde hangen in Demerary de meeste reijen boomen, langs de kleine doorsnydingen, allen over dezelven heen, het geen niet alleen ten aanzien van de onderste takken aan den afloop van het water een groot nadeel toebrengt, maar zelfs in het plukken van de koffy hinderlyk is, ten minsten zulks zeer moeijelyk maakt. Ik ben van een geheel tegen over gesteld gevoelen: in navolging van de beste Surinaamsche Planters, maak ik niet alleen buiten-bedden, welker afstand van den boom langs de kleine doorsnydingen de helft bedraagt van den afstand tusschen den eenen en den anderen boom; maar ik voege daar ook by een voet meer, om in de verbreeding van deeze kleine grachten by het zuiveren der vuiligheden te voorzien. Wanneer men nu de boomen op den afstand van negen voeten plant, zal de afstand tusschen den boom en de doorsnyding bedragen vyf en een half voeten, en indien ik dezelven plant op tien voeten, zal die afstand beloopen zes voeten.
Een groot voorstander van de vermeenigvuldiging der uitwateringen zynde, verkies ik liefst, om drie reijen boomen op een buiten-bed te plaatsen; zoo dat, wanneer ik plant op den afstand van tien voeten, zy elk van twee-en-dertig voeten worden.
Men zal wel doen, om by elk regen-saisoen eene enterye aan te leggen; te meer, om dat, wanneer men zelf koffy-boomen heeft, die vruchten dragen, dit een zeer geringe arbeid is, en men alleenlyk het oogenblik van eenen regentyd, die niet missen kan, 'er toe verkiezen moet: want gelyk de loten onder de boomen wortel schieten, en gevolgelyk gewoon zyn, om geheel en al in de schaduwe te staan, zoo sterven zy, indien ze, alvorens gevat te hebben, aan de hette der zon zyn bloot gesteld.
Dit is de reden, waarom ik liefst verkies dezelven in de bananen-plantery te plaatsen, als welke, hoe breed ze ook zyn moge, altyd het jong plantsoen overdekt: en op die wyze gewent het zelve langzamerhand aan de lucht en aan de zon.
Ik stem toe, dat deeze loten misschien zoo sterk niet zyn, dan die van eene enterye in de opene lucht; maar echter heb ik een stuk beplant, zonder bananen-boomen, geheel en al bestaande uit jonge planten van koffy-boomen, die van onder de bananen-boomen genomen waren, en 'er zyn 'er van de zes-en-dertig honderd geen twaalf geweest, die niet gevat hebben. Voor 't overige verkies ik liefst de koffy-boomen te planten op zulke stukken lands, op welken bananen-boomen groeien. De redenen zyn, voor eerst, om dat de bananen-boomen door hunne schaduwe de jonge koffy-boomen beschutten, dezelven voor de winden beveiligen, en meer regt over einde doen groeien; eene zaak, die voor de fraayheid en nuttigheid van den boom van een wezentlyk belang is. Ik weet wel, dat men staken of stutten voor dezelven plaatsen kan; maar dit is een werk, het welk niet altyd aan zyn oogmerk voldoet, behalven dat dit hout aan de houtluizen of carias tot eene verblyfplaats verstrekt, byzonderlyk de stammen van pynboomen, die tot het maken van zulke staken de geschiktste zyn. In de tweede plaats zyn de zwaare winden, die in zekere maanden van het jaar waaijen, zeer nadeelig voor den groei der boomen, zoo als ik ondervonden heb op twee stukken, welken ik beplant had, na de bananen-boomen te hebben weggenomen. Het gedeelte van deeze boomen, het welk voor de winden beschut was, is grooter geworden, dan het andere gedeelte, het welk meerder aan de winden was bloot gesteld, en zulks in het zelfde tyds-bestek.
Veele lieden meenen, dat een stuk land, in de opene vlakte beplant, sterker boomen voortbrengt; maar daar op valt dadelyk te antwoorden, dat men de bananen-boomen niet zeer digt by elkander moet planten, en dat men ze aldaar niet te lang laten moet, noch eensklaps wegnemen, maar dat men beginnen moet met dezelven in het tweede jaar te besnoeijen, en daar mede zoodanig voort te gaan, dat zy op het einde van het derde jaar allen zyn weggenomen.
Wanneer men eene kwekerye aanlegt, is het aller noodzakelykst acht te geven, geene jonge planten uit te kiezen, dan onder de fraaiste boomen. Dit is een zaak, die in 't byzonder in deeze Volkplanting verwaarloosd is geworden, waar uit voortkoomt, dat 'er Plantagiën zyn, op welken de helft der boomen uit een slecht zoort van koffy-boomen bestaat, die zeer weinige vrugten dragen: men noemt dezelven, zoo ik meen, verkeerdelyk, de mannetjes: zy onderscheiden zig door hunne dikke en platte bladeren, door het groot getal van zwartachtige en doode takken, door te veel weeldrig hout of onvruchtbaare takken, eindelyk door den aart van het hout, het welk veel ligter breekt, dan van een goed zoort koffy-boomen.
Men plant doorgaans nieuwe koffy-boomen, waar van de enterye twaalf maanden te vooren is aangelegd: ik vermeene, dat deeze meest geschikt zyn, om in de plaats te komen van doode boomen, of welken men om andere redenen verruilt, op stukken, die reeds van vorige tyden beplant geweest zyn: ik geloove zelfs, dat het niet dienstig is, om ze jonger te nemen.
Maar op stukken, die men op nieuw beplant, geef ik de voorkeur aan koffy-boomen, die uit eene kweekerye van zes maanden gehaald zyn: zie hier myne redenen: in 't algemeen, hoe jonger een boom geplant wordt, hoe gemakkelyker hy wederom wortel vat: de kenners van den landbouw in Europa geven 'er altyd den voorrang aan; maar deeze reden wordt nog veel klemmender in die Land, alwaar de boomen, en ook de koffy-boomen een regten wortel hebben, die spilsgewyze groeit, en zig by de verplanting krommende, maakt, dat de boom kwynt, en nooit welig doorgroeit; waar uit al verder voortspruit, dat hy by het opwassen op zyde hangt, of op den grond legt. Terwyl de boom jong is, beurt de spilswyze wortel, zoo lang niet zynde, zig zelven uit den grond op, en verplant zig als uit de natuur. Daarënboven, een jonge boom, die minder door de winden getysterd wordt, vat veel eer wortel. Eindelyk, de kleine boomen zyn zeer onderworpen om zig in de kweekeryen in de lengte uit te breiden, en men heeft moeite om 'er een genoegzaam getal te vinden, die dit niet gedaan hebben. Men behoort dus steeds een wakend oog te houden op de arbeiders, die de verplanting doen, op dat zy 'er geene verkiezen, dan die van een goed zoort afkomen: maar, mits men ze jong plant, doet 'er de gedaante niet veel toe: elke boom, op zig zelf staande, groeit van zelf spitsgewyze naar de hoogte.
Ik erken, dat, wanneer men zulke kleine boomen plant, men den arbeid der eerste maanden vergroot: niet alleen moet men alle maanden wieden, maar ook leggen deeze kleine boomen voor veele insecten bloot; de krekels eeten 'er den kop af; de mieren maken daar aan gaarne hunne nesten vast, die, zoo men geene zorge draagt om ze weg te nemen, den groei beletten; maar het is slechts de moeite van een oogenblik, die door andere voordeelen rykelyk vergoed wordt.
Behalven het uitwieden van het onkruid, en het zuiver houden van de insecten, moet men ook nog zorge dragen, om de weelderige loten uit de boomen weg te nemen, en te maken, dat zy in het midden met niet meer dan een enkelen stam opgroeijen. Een of twee bekwame Negers hebben spoedig een stuk gezuiverd.
Men moet ten deezen opzigte insgelyks in 't oog houden, om, by de eerste regenbuien, alle de boomen, die niet gevat hebben, of sterven, te verplanten.
Men doet ook wel, met dadelyk na het uitbloeijen, geduurende de twee eerste jaren, de zaadkorrels der jonge boomen weg te nemen: vooreerst brengen zy grootendeels niet dan koffy voort, waar in geen kragt is; en ik ben overtuigd, dat dit te vroeg dragen van vrucht voor de groei en kragt van den boom schadelyk is, zoo als men natuurlyk begrypen kan, en ons door de ondervinding bevestigd wordt, als welke ons toont, dat onder de jonge koffy-boomen de zwakste en meest kwynende boomen het sterkst bloeijen; ten bewyze, dat dit overyld bloeijen de uitwerking is van eene verzwakte natuur, welke men verbeteren moet door het vernielen van de vrucht, zoo dra ze gevormd is. In Europa doet men zulks van gelyken, en met een goeden uitslag, ten aanzien van de persiken- en abrikosen-boomen.
Wanneer de boom tot de hoogte van vyf of vyf en een half voeten is opgewassen, moet men deszelfs groei tegengaan, door den middelsten stam af te knotten. Indien het een sterke boom is, zullen zyne zy-takken hem nog een voet hooger doen groeijen; en dit is al de hoogte, die hy hebben moet, op dat de Negers allen in staat zyn 'er de vruchten af te plukken; want hoe fraai de groote boomen ook voor het uiterlyk oog schynen mogen, de nuttigheid moet op alle Plantagiën de hoofdzaak zyn.
Behalven de aanhoudende uitwiedingen, moet men de boomen geduurig ontdoen van de weelderige loten, welken men moet afbreken, en niet afsnyden. Men moet ook het jong plantsoen uittrekken, het welk rondöm, en onder de schaduwe van den boom te voorschyn koomt. Dit werk, om wel verrigt te worden, vordert Negers van de mannelyke kunne, van eene hooge gestalte, en daarenboven oplettend en oordeelkundig. Het is ook best, om dit, tweemalen s'jaars, opzettelyk te laten doen. Het gunstigst tydstip voor deezen arbeid is het regen-saisoen, om dat men tevens de koffy-boomen, die niet gevat hebben, kan doen verplanten.
Men moet zig wagten, om dit werk te verrigten, of 'er mede ophouden, in den bloei-tyd; want door het schudden der boomen, zoude men de bloemen en jonge vruchten doen afvallen. Men zal ook wel doen, zoo mogelyk, het wieden na te laten geduurende den oogst, hoe zeer dit echter minder schadelyk is: men moet de Negers leeren en gewennen, om de koffy niet groen te plukken; dezelve heeft geene waarde, en dewyl zy kleine zwarte boonen voortbrengt, heeft men des te meerder moeite met dezelven uit te zoeken.
Uitgenomen op modderige landen, zoo alst die gelegen zyn aan de beide zee-kusten, alwaar de kanten naar de laagte loopen, en uit een zeer zacht slyk bestaan, oordeelt men het schoonmaken der grachten niet noodzakelyk; het is genoeg, dat men ze van de plantgewassen zuivert: zy behouden haare diepte naar evenredigheid van den afloop van het water, die door middel van dezelven bewerkt wordt. By de sluizen vermeerdert haare diepte; en dezelve vermindert weder naar mate van de afgelegenheid. Dit schoonmaken zoude een vergeefsche arbeid zyn, want de modder, welke men 'er uithaalt, wordt spoedig door ander slyk weder aangevuld.
Ik heb, by den aanvang van deezen brief, gezegd, dat het planten der bananen-boomen dat der koffy-boomen moet voor af gaan op vrugtbaare landen, die men tot eene Koffy-Plantagie voornemens is aan te leggen. Men moet de bananen-boomen plaatsen op den afstand van zes-en-dertig, ten minsten van zeven-en-twintig voeten, indien men de koffy-boomen op den afftand van negen voeten planten wil; want deeze bananen-boomen moeten zoo geschikt zyn, dat men 'er één vindt telkens na vier koffy-boomen. Een Planter, die begint, en natuurlyker wyze gedrongen is, om levensmiddelen te moeten hebben, zal twee reijen bananen-boomen kunnen plaatsen op elk klein bed, en dus vier op een dubbeld bed. Een Planter, die alleenlyk eene Plantagie, reeds gedeeltelyk aangelegd, uitbreidt, en van wien men verönderstelt, dat hy van levensmiddelen voorzien is, zal slechts ééne reije bananen-boomen op elk klein bed planten: op een dubbeld bed, en in het midden, kan hy 'er eene derde reije byvoegen, welke men echter zal moeten wegnemen by het verdeelen der dubbelde of enkelde bedden. De moeite, om eene reije bananen-boomen te planten, heeft weinig te beduiden. Bovendien gebeurt het nu en dan, dat het niet ge/chikt is het stuk grond na verloop van een jaar met koffy-boomen te beplanten: indien zulks derhalven wordt uitgesteld, trekt men altoos de vruchten van deeze bananen-boomen, waar van de schaduw tevens nuttig is, om de zoutächtige deelen in deeze nieuwe gronden te behouden.
Behalven de bananen-boomen, plant men ook Indisch koorn, het welk op deeze nieuwe landen ongemeen wel voortkoomt: men kan deeze beplanting verscheiden malen herhalen, zelfs na dat de koffy-boomen reeds geplant zyn, mits men als dan in 't oog houde dezelven op reijen te planten, op den afstand van vyf of zes voeten, om met des te meer gemak de uitwiedingen te kunnen doen, welken men niet moet verzuimen, van den beginne af aan, om het onkruid dadelyk uit te roeijen.
De ignames kunnen ook gedeeltelyk op de nieuwe stukken grond geplant worden, maar niet, wanneer men 'er reeds koffy-boomen op geplaatst heeft. Deeze plant, die tot de voortkruipende behoort, of een zoort van heestergewas is, zoude voor den groei der boomen schadelyk zyn.
De Manioc en de Camanioc groeijen ook welig op deeze landen; maar men moet ze alleenlyk planten op de laanen en aan de kanten der groote grachten, dewyl de Manioc het land op eene byzondere wyze uitmergelt.
De aardappelen moet men nimmer binnen den omtrek den bedyking planten; en men moet de Negers ten sterksten beletten om zulks te doen: het is eene pest, waar van men zeer veel moeite heeft zig te ontdoen, en men moet zig eeniglyk bepalen tot het planten derzelve op de omringende dyken.
Van het bewerken der Koffy.
Dewyl het bewerken van de Koffy eene zaak is, van den landbouw volstrektelyk afgescheiden, heeft men gemeend dezelve afzonderlyk te moeten behandelen. Wanneer de Koffy geplukt is, wordt zy door de Negers gebragt op de plaats, alwaar de molens, tot het pellen van dezelve geschikt, gevonden worden. Het is beter, gemakkelyker en zuiniger, dezelve in een grooten bak te werpen, dan by hoopen op den grond te plaatsen.
Men heeft de gewoonte, om met het overbrengen der Koffy naar de molens eerst des avonds te beginnen: intusschen, wanneer 'er tot het plukken veel volk gebruikt wordt, en 'er een groote overvloed van koffy is, zal men beter doen met vroegtydiger te beginnen, op dat de arbeid niet tot in den nacht voortduure.
Het maakzel van deeze molens is bekend; ik vermeene, dat die geene, welke men hier molens van Martinique noemt, de beste zyn. Ik heb eene proeve genomen, om daar in eene kleine verandering te maken tot bespoediging van het werk, en ik ben zelfs thans bezig, om tot het zelfde einde eene nieuwe proeve te nemen, die deezen molen misschien nog merkelyk zal verbeteren.
Wanneer door deeze bearbeiding de roode schil is weggenomen, worden de boonen in een bak geworpen, in de nabyheid van het gebouw, alwaar de molens staan. 'Er zyn 'er, die eerst des anderen daags het water 'er opgieten: ik voor my verkieze zulks des avonds te doen, al waare het alleen om tyd uit te winnen: dan, hoedanig men dit ook gelieft te doen, men moet 'er eene genoegzaame hoeveelheid water opgieten, zoo dat de Koffy geheel en al bedekt is; waar na men de Koffy sterk zal omroeren en wryven, op dat de boonen zig ontdoen van de lymige stof, die uit de schil aan dezelve is blyven zitten. Tot dit einde laat men dit eerst opgegoten water wegloopen door eene opening, die onder in den bak gemaakt is, men wascht de Koffy, en giet 'er zuiver water op, dezelfde bewerking tot drie malen toe herhalende; want om te kunnen zeggen, dat de Koffy wel gewasschen is, moet ze in het aanraaken ruw zyn.
By het wasschen en omroeren van de Koffy, dryven de roode schillen, die door de zeeft zyn doorgegaan, boven op; de kleinste boonen, welke door de rol niet geraakt zyn, eindelyk de onrype en de ligtste boonen, worden zoo veel mogelyk weggenomen, ten einde dezelven onder den naam van dryvende Koffy afgescheiden te houden van de Koffy met een zwarte bast; daar vooräl de laatstgemelde zeer schadelyk is voor de bewerking, en meer dan de Koffy, die nog ongepeld is, in de droogeryen insecten voortteelt: ik heb by my het gebruik ingevoerd, om deeze Koffy andermaal door den molen te laten gaan, en vervolgens te wasschen: als dan ontdoet zig het grootste gedeelte van haare schil, en zinkt naar de laagte; de dryvende Koffy maakt dan eene kleine hoeveelheid uit, en dryft by deeze tweede wassching boven op.
Wanneer de Koffy wel gewasschen is, spreidt men dezelve uit op vloeren met steenen belegd, alwaar men ze in de zon laat droogen, wanneer het weder zulks toelaat: indien het al te regenachtig is, plaatst men de Koffy in groote laaden met schuiven; die aan de droogerye vast zyn, en onder welke men ze wegschuift wanneer het gaat regenen: deeze laaden zyn uittermaten gemakkelyk. Als de Koffy volkomen droog is, brengt men ze in het Magazyn van de droogerye, een gebouw, doorgaans uit twee verdiepingen bestaande.
Men doet wel, vooral by regenachtig weder, om de Koffy niet te zwaar op elkander te stapelen: in allen gevalle moet men ze, vooral in het eerste begin, drie malen daags doen verschieten: de achteloosheid en wanörde der Planters ten deezen opzigte, brengt hun veel schade aan de Koffy toe.
Dit verschieten van de Koffy in de droogerye vermindert men vroeger of later, naar mate het jaargetyde meer of minder droog is.
Zoo dra het mooije weder aankoomt, kan men beginnen de Koffy in de droogerye te bewerken, maar alleenlyk dan, wanneer 'er zeer in 't kort eene gelegenheid op handen is, om ze in te schepen; want de Koffy, eenmaal bewerkt zynde, vermindert altyd, hoe men 'er zig ook omtrent gedraagt. In tyd van vrede, wanneer 'er geene schepen ontbreken, om koopwaren in te laden, is het best de Koffy zoo dra mogelyk te verzenden; want zoo dra zy in het Magazyn is, verëischt zy veel oppassing en arbeid, en is schooner, wanneer ze dadelyk verzonden wordt. Dienvolgende moet men buiten noodzaak met het pellen van de Koffy niet beginnen, voor dat het drooge mooije weder wel gevestigd is, en men van de zonneschyn zig kan verzekerd houden. Als dan spreidt men de Koffy op den met steenen belegden vloer in de droogerye uit, beginnende altyd met de ligte dryvende Koffy. Dewyl deeze mindere zoort van Koffy altyd veel eer wormen voortbrengt, dan de Koffy, die geheel volwassen is, zyn 'er doorgaans drie dagen zonneschyn noodig, om dezelve in staat te brengen, ten einde gevoeglyk gepeld te kunnen worden. Indien 'er weinig zonneschyn is, zyn één of twee dagen meer noodig; in allen gevalle is het, alvoorens men ze pelt, noodzaakelyk dezelve zoo hard te laten worden, dat men de boonen naauwlyks met goede tanden kan aan stukken breken.
Ik volg de manier niet, welke andere Planters gewoon zyn te bezigen: ik laat des namiddags omtrent twee uuren, en met den geheelen toestel aan het pellen beginnen: terwyl de sterkste Negers daar mede bezig zyn, plaatsen de anderen de Koffy op den met steenen belegden vloer op hoopen. Zy brengen ze vervolgens in eene groote kist of laade aan, waar uit men ze telkens om te pellen uitneemt. Men moet dit altyd zoodanig verrigten, dat de Koffy voor vier uuren van den vloer is: ik heb opgemerkt, dat wanneer de zon tot vyf-en-veertig graaden van den gezicht-einder gedaald is, de warmte zoodanig vermindert, dat de Koffy op het gevoel koud wordt; maar wanneer zy in eene groote lade gelegd is, behoudt zy haare warmte zeer lang.
De Koffy, op deeze wyze wel gedroogd, en warm gepeld zynde, breekt niet aan stukken, en wordt nimmer plat; zy verliest dan gewoonlyk het vlies, het welk tusschen de schil en de boon gevonden wordt. Wanneer zy uit den molen koomt, laat ik ze dadelyk wannen: andere Planters wannen ze eerst des anderen daags. Indien men ze op den zelfden dag want, wint men veel tyd uit: na de wanning brengt men ze op de plaats, die tot de uitzoeking geschikt is.
Ik heb twee groote zeeften van koper: eerst laat men de gepelde Koffy doorgaan door die zeeft, welke de grootste openingen heeft; men laat door dezelve doorgaan alle de boonen met de ronde en gebrokene koffy, en in de zeeft blyven geene andere boonen overig, dan die haare schil niet zyn kwyt geraakt, en die gevolgelyk nog eens in den molen gebragt moeten worden.
De tweede zeeft neemt op, het geen uit de andere gekomen is, en ik laat, benevens de ronde koffy, door dezelve doorgaan al de gebrokene koffy, ten minsten de kleinste. Uit hoofde van het gebruik van deeze twee zeeften, valt 'er met de hand niets anders uit te zoeken, dan de koffy, die in verscheiden groote stukken gebroken is, en de kwade zwarte boonen, en die door de insecten zyn aangestoken.
Ik laat de zuivere koffy nog eens wannen, om 'er de vliezen, het stof, of andere vreemde lichamen van af te scheiden; waar na men, wanneer de zon zeer heet, en de lucht helder is, dezelve voor eenige uuren op den met steenen belegden vloer kan leggen, ten einde dezelve niet dan volkomen droog in de vaten te pakken, na wel te hebben zorge gedragen, om ze te laten koud worden.
Men ziet uit alle deeze byzonderheden, dat het bewerken van eene groote meenigte koffy zeer veel arbeid vordert, het geen het werken in den tuin merkelyk vertraagt, in een jaargetyde, waar in men noodig heeft de grachten op te halen, en het onkruid uit te wieden: het geen gelegenheid gegeven heeft om te onderzoeken, of men geen ander minder werkelyk middel tot het bewerken der koffy zoude kunnen uitvinden.
Men heeft derhalven een molen uitgedacht, van zoortgelyk maakzel als die, waarmede men olyven perst, om 'er de oly uit te halen; dit is wel gelukt, en men twyffelt niet, of dit werktuig, tot volkomenheid gebragt zynde, zal op de groote Koffy-Plantagiën van een algemeen gebruik worden, vooral om dat het zamenstelzel eenvoudig en onkostbaar is.
Om intusschen deezen molen tot volkomenheid te brengen, moet men ook de onderscheiden middelen volmaken, die gebézigd worden om de koffy zonder zon te droogen, iets dat zeer nuttig is, zelfs schoon men de koffy pelt. Wanneer men andere proeven doet, zal men ontwyffelbaar niet slagen. Men moet tot een grondbeginzel houden, dat de koffy gedroogd word, zonder een stank van rook, noch kwaden smaak te krygen, en zonder haare groene of blaauwachtige kleur te verliezen.
Van de Gebouwen.
Het eerste gebouw, het welk gemaakt moet worden, wanneer men een stuk lands tot eene Plantagie aanlegt, is het huis tot bewooning voor den Planter. Hy is met zyn werk nog zeer in, wanörde, zoo lang hy niet een gedeelte van zynen grond met een dyk omringd heeft. Hy kan dit huis meer of min groot maken, volgens zyn smaak, staat en middelen. Het is raadzaam, om het afgescheiden en op zig zelf te doen staan, niet tegen een werkplaats of magazyn aan, om de insecten en het stuiven te ontwyken, en aan beide gebouwen meerder doorspeling van lucht te verschaffen.
Vervolgens moet men overgaan tot het maken van een sluis. In het begin kan men zig vergenoegen met een sluis, die met vallend water gesloten, en met den vloed geöpend wordt, door middel van een deur met een klap: maar wanneer de Plantagie in uitgestrektheid toeneemt, meent men den voorrang te moeten geven aan een sluis, welke een deur met een val heeft, en die men by elk gety openen en sluiten moet, als zynde het ontwyffelbaar, dat tegen het einde van het gety, wanneer het water geen kragt meer heeft, de klapdeur in 't geheel geen water laat afloopen, ja zelfs uit hoofde van haare zwaarte aan de uitwatering altyd hinderlyk is; vooral wanneer de klap buitenwaarts hangt, volgens het byna algemeen gebruik in deeze Volkplanting. Van welken aart de sluis ook zy, moet men wel zorge dragen dezelve loodrecht, zeer vast, en vooral diep genoeg te leggen. Schoon het van geen nut is, wanneer zy te diep legt, kan zulks niet schaden, maar wel, wanneer ze te ondiep legt; en het is voorzichtig dezelve zoo te maken, dat de grond van de sluis zes duimen lager ligt, dan het laagste watergety. Het is van aanbelang de sluis van binnen en van buiten van goede vleugels te voorzien, ten einde geene lekking van water langs de fluis kan doorzyperen: het verwaarloozen van deeze gewichtige punten stelt de sluizen in deeze Volkplanting bestendig aan toevallige nadeelen bloot.
Goede sluizen zyn van een wezenlyk belang tot het droogmaken der landen. Het is zeker, dat 'er aan de sluizen vleugels noodig zyn, maar het is beter de kanten van de sluis, in de gedaante van vleugels, te laten uitspringen, dan afzonderlyke houte vleugels te maken, die uit hoofde van het geduurig hermaken zeer kostbaar zyn.
Voor hun, die den aanleg van eene Plantagie beginnen, zyn twee sluizen eene zaak van veele onkosten: tot het grondvesten van dezelven zyn veele steenen, kalk, tras en hout noodig. Het is de moeite en kosten niet waardig, om sluizen van enkel hout te maken; zy kosten veel, en zyn in korten tyd door de wormen vernield, Zy, die geene groote middelen bezitten, zyn verpligt zig te bedienen van uitwaterende goten, hier boven door my beschreven.
In Surinamen maakt men dezelven al te breed: wanneer men goede grachten heeft, behoeft de sluis zoo groot niet te zyn, als men doorgaans meent. Men maakt ze ook altyd veel te kort, het geen verhindert om 'er een zwaren dyk boven te maken; men besteedt 'er te weinig zorge aan, en vooral aan de sluisdeur, die altyd te veel water doorlaat. Dit gebrek van oplettenheid is oorzaak, dat de hoeken niet behoorlyk gesloten zynde, het water, het welk naar binnen doorzypelt, het slyk, waar door de sluis stevig gehouden wordt, langzamerhand doet wegwyken, tot dat 'er gaten in komen; het water baant zig een weg langs de sluis, de dyk wykt uit, en breekt. Men tracht denzelven te herstellen, en men heeft het ongenoegen om te zien, dat het slechts voor een korten tyd is, dewyl men de oorzaak van de kwaal, die men niet kent, niet verholpen heeft: en hier uit trekt men dan het verkeerd besluit, dat de sluizen eene verkeerde uitvinding zyn.
Een ander gebrek in het maken deezer sluizen bestaat daar in, dat men aan de deur te veel afhelling geeft, het geen belet dat het water dezelve opligt, en 'er doorloopt. Deeze deuren zyn meest gemaakt met houten hengzeis, als of ze dienen moesten voor deuren van een schuur. Men heeft dit werktuig tot meerder volkomenheid gebragt, en indien men het met lood beleggen wilde, om van de wormen niet doorknaagd te worden, zou het byna zoo nuttig zyn als volkomene sluizen, en ik zoude 'er in dit Land den voorrang aan geven, om dat de Negers te achteloos zyn in het regelmatig openen van de deuren, zoo als dit behoort.
Voor eene droogmaking van twee honderd akkers, laat ik alleen twee sluizen maken, die elk een vak van drie voeten hebben; ik geef aan dezelven 26 of 28 voeten lengte; ik laat de planken wel in malkander sluiten; ik laat alle de reeten met pik toestoppen, even als een schip; men maakt 'er eene goede deur aan met yzere hengzels, waar van de duimyzers met een schroef gemaakt zyn, om des te vaster te houden, en de spykers ook met een spil en schroef. Ik laat deeze deur op de volkomenste wyze in één sluiten, en wel zoo vast, dat zy niet ligtelyk in wanörde geraken kan. Wanneer deeze sluis geplaatst is, laat ik daarboven een zeer zwaren dyk leggen, zelfs van twee voeten hooger, dan die 'er dicht by is. De sluis, op deeze wyze ingericht, laat geen droppel water door, geduurende den vloed, en nooit geraakt de dyk in wanörde, dan wanneer de sluis verrot of van de wormen doorknaagd is, en in duigen valt. 'Er blyft nooit water in de grachten: de sluisdeur gaat door het minste gewicht van 't water gemakkelyk open.
De Koffy-Planter heeft het voorrecht, dat hy zig voor het derde of vierde jaar over het maken, der gebouwen niet behoeft te bekommeren: hy kan ze dan maken naar evenredigheid van de geplante boomen, zelfs van die geenen, die nog geene vrugten geven. De arbeid wordt meer noodzakelyk, naar mate dat de boomen tot het dragen van vruchten komen: men handelt voorzichtig met de Plantagiën in de eerste jaaren niet verder uit te breiden, dan in zoodanige evenredigheid, dat, wanneer de koffyboomen vruchten opleveren, men niet genoodzaakt is het tuinwerk om dat van den oogst te verwaarloozen; want men moet rekenen, dat men ten minsten een vyfde gedeelte van het jaar, dat is, twee en een halve maand, of drie maanden, aan de beide oogsten besteedt, en een zevende gedeelte aan het bewerken van de koffy, zonder van het verschieten en den verderen arbeid der droogerye te spreken. Te weinig oplettenheid in dit opzigt is oorzaak, dat een aantal Koffy-Plantagiën slecht bebouwd en slecht onderhouden zyn. Het is altyd zeker, dat eene Plantagie van eene middelmatige uitgestrektheid, wanneer zy wel onderhouden wordt, meer opbrengt, dan eene groote, wier onderhoud slecht is.
Men oordeelt, dat een goed gebouw geduurende lange jaaren tot alles voldoende is, mits men het een weinig stevig maakt, en zulks zonder zeer kostbaar te zyn: men kan 'er de breedte van 32 of 34 voeten aan geven, en zoodanige lengte, als men goedvindt: het is dienstig, om het zelve zoo te plaatsen, dat men het kan uitleggen, naar mate de meenigte van de koffy, die in het magazyn opgeslagen moet worden, toeneemt. Men kan de stylen plaatsen op voetstukken van dezelfde hoogte, stukken hout leggen tot ondersteuning van de einden van de balken, die daar op rusten, of zig daar mede verëenigen. Men legt deeze balken op eene hoogte van 8 of 9 voeten, maar de stylen moeten nog 4 of 5 voeten hooger zyn, op dat de zolder tusschen alle de stylen van wederzyden klap-vengsters kan hebben, vermits het van aanbelang is, dat de lucht over de zolder vryelyk heen speelt, om de koffy spoedig te doen droogen. Men moet daarom aan beide kanten groote vengsters maken, die tot op den grond van den zolder nederhangen.
Het is verwonderlyk, hoe de koffy spoediger droogt, wanneer de wind 'er regelrecht op werkt; het is alleenlyk noodig de twee gevels en de beide zyden van het gebouw aan het bovenste gedeelte, tot aan de zolder toe, met planken te beleggen. Het onderste gedeelte kan open blyven, of men kan het sluiten of omheinen alleenlyk met stammen van pynboomen: het geheel moet overdekt worden met dak-borden, die men in dit Land zeer duurzaam vindt: stammen van pynboomen zyn voldoende om dezelven te onderschragen, zonder dat men latten of dwarsbalken noodig heeft.
In het benedenste gedeelte plaatst men den molen, om de koffy-boonen te pellen, de groote bak om ze in te werpen, zoo wel de koffy, die geplukt, als die gepeld is: dezelfde benedenste verdieping, zoo men de werkplaats verlengt, kan, dienen tot een kuiperye, een stalling, en verscheidene andere gebruiken.
De geschikte manier tot het plaatsen der koffy-lootsen is altyd eene en de zelfde, op welke wyze de verdere gebouwen ook geplaatst of ingericht mogen zyn. De gevels moeten staan naar het oosten en westen, en de lengte moet gericht zyn van het noorden naar het zuiden. De met steenen belegde vloer moet geplaatst worden aan de noordelyke gevel, op eenen genoegzamen afstand, om te ontwyken de morgen en avond schaduwen, en de belemmering van den wind, die door het lichaam van het gebouw veröorzaakt zoude worden; want de wind is allernoodzakelykst, om de koffy te droogen. Zy, die drie of vier maal honderd duizend ponden koffy, en eene gelyke hoeveelheid cacao op eene enkele Plantagie hebben zien bewerken, kennen de waardye van een zeer uitgestrekten droog-vloer. Men moet ze meer boogsgewyze maken, dan men gewoonlyk doet. Men moet van zeer dun hout, en zeer ligte planken van een halven duim dikte, eene kleine kap of beweegbaar dak maken van 20 voeten lengte en 15 voeten breedte, zynde bovendien met bepekt zeildoek overdekt. Men plaatst dit dak op rollen, welken men naar zyn believen draait, op dezelfde wyze als huisraad en bedden. Zoo dra men een enkelen droppel regen bespeurt stapelt men de koffy met groote houten schoppen op elkander, en rolt 'er het dak over heen, om de koffy voor den regen te beveiligen: dit is tot groot voordeel en nut.
Indien men laden of schuifbakken heeft, kan men zig insgelyks van het benedenste gedeelte der loots, aan één van de beide kanten bedienen, mits echter in het oog houdende, dat men de einden hout, waar op de rollen van de laaden loopen, behoorlyk verlengt, en voorts acht gevende, dat de schaduw, door de loots veröorzaakt, op zekere uuren van den dag, aan het droogen van de koffy niet hinderlyk zy.
Aan de voor- of achter-zyde, naar mate de loots naar het oosten of westen geplaatst is, moet men een met steenen belegden vloer maken. Het is van het grootste nut, dat dezelve eene genoegzaame uitgestrektheid hebbe. Op zyde van deeze vloer, en zoo dicht mogelyk by de werkplaats, moet de bak staan om de koffy te wasschen, waar in het altyd dienstig is eene afscheiding te maken; want dewyl men het water verscheiden malen geduurende de wassching moet ververschen, is het zeer gemakkelyk de koffy, dan aan de ééne, dan aan de andere zyde van den bak, te kunnen overstorten.
Zie daar alles, wat tot de bewerking en het behoud van de koffy noodzakelyk dunkt te zyn.
Antwoord op de drie eerstgemelde Brieven, waar by de Fransche Ingezeten de vraag omtrent ds afschaffing der slavernye, in de Volkplantingen, alwaar dezelve nog plaats heeft, opzettelyk behandelt: hy raadt om deeze verandering, die noodzakelyk geworden is, te bevorderen; en geeft de middelen aan de hand, om daar toe te geraken, zonder aan den voorspoed der Volkplantingen nadeel toe te brengen.
Ik ben u, myn lieven vriend, zeer verplicht voor de drie brieven, welken gy my het genoegen gedaan hebt aan my te zenden, betrekkelyk het bebouwen der lage landen, waar van wy, zedert eenige jaaren, begonnen hebben proeven te nemen, en waar in gy onze meester zyt. Ik zal niet alleen voor my zelven van uwe nuttige onderrigtingen gebruik maken, maar ik zal ze ook ter kennisse brengen van alle myne medeburgers, die, even als ik, met de voortbrengzels deezer landen aan te kweken, voordeel bedoelen, of die zig by vervolg op zoortgelyke ondernemingen zouden willen toeleggen, in een uitgestrekt land, waar niets dan arbeidzaamheid noodig is. Uwe mededeelende inborst, die het onderscheidend kenmerk van waare onderrigting, en de bezitting van eerlyke harten is, geeft my de verzekering, dat ik aan uw oogmerk voldoen zal, met deeze kundigheden, zoo veel my mogelyk zal zyn, te verbreiden, en zelfs door de zeer voldoende brieven, welken gy my over dit onderwerp geschreven hebt, ten algemeenen nutte te laten drukken.
Reeds hebben verscheiden van myne gebuuren, die even als ik op lage landen arbeiden, nuttige lessen van u ontfangen; en reeds begon deeze geheele streek gelukkig te worden, zoo dat men hope konde opvatten, dat dezelve t'eeniger tyd uwe schoone Volkplantingen zoude naar de kroon steken.
Maar zedert de omwenteling, die van Frankryk een Gemeenebest gemaakt, en aan alle menschen, onder deszelfs bestuur levende, het genot van alle de rechten van den mensch en burger heeft wedergegeven; die de slavernye afgeschaft, en den Neger-handel vernietigd heeft, is alles van gedaante veranderd. Men heeft op 't onverwagtst de vryheid afgekondigd aan menschen, die met eene meer of min harde, maar steeds willekeurige gestrengheid, gehouden waren tot eenen arbeid, uit deszelfs aart verachtelyk, en welken zy, zonder eenig voordeel voor zig zelven, ten nutte van een enkel persoon verrigtten. Men heeft hun de volkomene vryheid overgelaten, om zig al of niet te verbinden aan hun, die welëer eigenaars van hunne persoonen waren. Het gevolg hier van is geweest, dat byna alle de Plantagiën, aan de Rivier Aprouago op laage landen aangelegd, verlaaten, of merkelyk vervallen zyn.
Ik ben een vriend der vryheid, schoon ik voor deezen veele slaven in eigendom bezat. Ik behandelde de mynen met eene byzondere gematigdheid, en ik heb 'er verscheiden van behouden. Ik zoude ze zelfs allen behouden hebben, indien de Regeering 'er niet op eene willekeurige wyze over beschikt had, door hen op andere Plantagiën, in andere landschappen, te gebruiken, om de Plantagiën, die onder handen van het bestuur in bewaring gesteld waaren, boven anderen gelukkig te doen zyn, of de belangen van byzondere persoonen te begunstigen.
Hier doet zig een vraag-punt op, het welk verscheiden Planters niet als bedenkelyk beschouwen, maar waaromtrent ik niet van hun gevoelen ben, en waar van de behandeling voor het menschdom van een byzonder belang is: zy moet ook hoogst belangryk zyn voor de Hollandsche Colonisten, onze nabuuren, wier Regeerings-bestuur, op dezelfde grondbeginzels, als het onze, gebouwd, insgelyks tot de afschaffing der slavernye zal moeten besluiten.
Om dit stuk in orde te behandelen, zal ik eerst de vragen voorstellen, en wat de meeste onzer nabuuren 'er van zeggen.
"Hoe kan de in stand houding eener Plantagie, die zoo veel arbeid, zoo veel uitschot van penningen vordert, met de vryheid der plantende Negers bestaan? Ziet gy niet, dat de Hollanders, die in deeze zoort van handel zulke groote vorderingen gemaakt hebben, onder alle Europeanen die geenen zyn, welke de Negers met de meeste gestrengheid behandelen? Dat zy met dit al in hun vaderland Comptoiren of Maatschappyen hebben, die, naar mate van de begroote waarde deezer landen, aanzienlyke sommen gelds opschieten aan de Planters, die eigentlyk niets anders doen dan het huishoudelyk bestuur der Plantagie voor hunne geldschieters waar te nemen? zouden wy, die deeze bebouwing der lage landen van verre hebben beginnen na te volgen, dit immer hebben kunnen uitvoeren, zonder de kragtdadige hulp, welke de Regeering op allerleije wyze aan de eerste bebouwers deezer landen verschaft heeft? zouden wy het hebben kunnen doen buiten het middel der slavernye, waar in de mensch geen ander mogelyk bestaan heeft, dan door eenen aanhoudenden en onäfgebroken arbeid, zonder zelfs het recht te hebben, om zig te mogen beklagen? Ziet gy niet, dat alle de Fransche Volkplantingen te vuur en te zwaard verwoest worden, en dat wy eenigermaten deeze algemeene verwoesting ontduiken, doordien wy op ons zelf staan, en door de zwakheid der bevolking, die, op uitgestrekte ruimten verspreid zynde, tegen ons niet heeft kunnen zamenspannen? Schoon wy de grootste onheilen agter ons hebben, is het evenwel niet zichtbaar, dat alles in deeze Volkplanting, zedert het tydperk der vryheid, in verval geraakt is, en dat vooral de Plantagiën op lage landen het grootste verlies geleden hebben? Merk daarënboven op, dat 'er zedert geene nieuwe onderneming van dien aart is aangelegd. En, ach! hoe zoude men dien aanleg beginnen? Welke middelen, zoudt gy by de hand nemen, om de zwarten aan te zetten tot eenen arbeid, die uit deszelfs aart zwaar en onäangenaam is, en welken men jaaren lang moet voortzetten, om deeze landen droog te krygen, alvorens 'er eenige vruchten van te trekken? Ik gevoel, dat gy t'eeniger tyd zult moeten toestemmen, om aan uwe landbouwers een vierde van uwe inkomsten te geven, gelyk, zoo men zegt, op St. Domingo plaats heeft: maar wat zult gy doen, eer het nog ver af zynde tydstip daar is, dat dit vierde iets van aanbelang bedraagt"?
Zie daar de groote en voorname tegenwerpingen: ik zal 'er volkomen op trachten te antwoorden. Het herstel der Fransche Volkplantingen, en het behoud der geenen, die nog niets geleden hebben, wordt met reden beschouwd van zulk een groot staatkundig belang te zyn, dat al het geen eenig licht verspreiden kan omtrent de middelen, waar door de één tot eenen gevestigden voorspoed komen, en de ander den schok van eene noodzakelyk gewordene verandering in het bestuur ontwyken kan, door de eigenaars in de Volkplanting met dankbaarheid behoort ontfangen te worden.
Ik heb myne denkbeelden niet eeniglyk in deeze Volkplanting opgezameld. Ik heb in de Volkplantingen van verscheiden Europeesche natiën gewoond; ik heb my toegelegd, om den inborst der Negers te leeren kennen; ik heb de verschillende manieren om hen te bestuuren, en derzelver gevolgen onderzogt; ik heb alles gelezen, wat voor en tegen de afschaffing der slavernye geschreven is geworden; en ik ben volkomen overreed, dat het mogelyk is, om, zonder benadeeling der Volkplanting, Zeden- en Staat-kunde met elkander over één te brengen, mitsgaders arbeidzaamheid en voorspoed, die van elkander onafscheidelyk zyn, onder de gezengde luchtstreek zamen te paaren.
Het geen ik te zeggen heb, is geschikt om de klagten der Colonisten te bevredigen, die nog slaven bezitten, en, uit hoofde van de ellendige inrigting der Volkplantingen, alle bewysredenen tegen de slavernye der Negers, als eenen regelregten aanval op hunne eigendommen beschouwen.
Frankryk heeft het eerst, en onder de Europeesche volken nog alleen, deeze schandelyke inrigting onbepaald en volkomen afgeschaft: de gevolgen deezer omwenteling zyn byna overal schadelyk geweest; maar kunnen wy over de gevolgen wel oordeelen, zonder dat wy de oorzaken kennen; en zouden andere oorzaaken ook geene andere gevolgen hebben te weeg gebragt? Zoude eene andere handelwyze, eene andere manier om deeze verandering van slavernye in vryheid daar te stellen, geene andere uitwerkingen gehad hebben? Hier aan valt niet te twyffelen.
De Nationaale Conventie, na de grondslagen tot verklaring van de rechten van den mensch besloten te hebben, heeft deeze beginzels niet in 't oog gehouden in alle de beschikkingen, betrekkelyk de Volkplantingen, welken zy aan de ondermyningen der openbaare vyanden van vryheid en gelykheid heeft overgelaten. Wel verre van het lot der slaven te verbeteren, en de middelen tot hunne vrymaking met verstand voor te bereiden, heeft zy zelfs het recht van burgerschap aan de zwarten geweigerd, en daar door aan de Planters de magt gegeven, om hun het staatkundig aanwezen te weigeren, na hun het zelve voor een oogenblik te hebben toegestaan. Noch de Regeeringen in de Volkplantingen, noch de eigenaars der Plantagiën, noch de uitvoerders van het bestuur, wilden de vryheid niet, ja zelfs wilden zy den verachtelyken en lagen staat, waar onder de zwarten zuchtten, in de minste omstandigheid niet verzachten; integendeel scheen men het 'er, na de omwenteling, op toe te leggen, om deeze vernedering tot een grondbeginzel te vestigen. Door zulk eene handelwyze heeft men te weeg gebragt, dat deeze zoort van menschen onze ergste vyanden geworden zyn, en de schoone Volkplanting van St. Domingo het onderst boven gekeerd hebben.
Toen vervolgens, in die ongelukkige tyden, in welken zy, die zig tegen de verbetering van het bestuur der Volkplantingen verzetteden, zig betoond hebben opentlyke vrienden van het Koningschap te zyn, de Engelschen te hulp geroepen, en zelfs de Negers tegen ons gewapend hebben, in de hoop, dat het hun gelukken mogt de slavernye te herstellen; toen de uiterste middelen noodzakelyk geworden waren, heeft de Nationale Conventie de grondbeginzels der vryheid eensklaps te rug gebragt, daar het vry beter was geweest dezelven trapsgewyze te vestigen: hier uit zyn onheilen voortgesproten, die aan de andere Volkplantingen eene nuttige les geven kunden.
Zy moeten, zoo het mogelyk is, de vryheid bekomen, zonder eenigen schok, zonder wanorde in de byzondere eigendommen, en vooral zonder bloed te vergieten. Behalven het algemeen gevoelen van menschelykheid, het welk ieder eerlyk en weldenkend man doet verlangen, dat deeze verandering bewerkt worde zonder die schokken, welke zommigen van onze Volkplantingen zoo zeer beroerd hebben, kan ik niet nalaten belang te stellen in het lot van verscheiden deezer Volkplantingen, en ik moet de inwooners aanzetten, om rypelyk te denken op de aanmerkingen, die ik hun voordrage, en zig wel overtuigd te houden van deeze waarheid: dat het onmogelyk is de hatelyke inrigting der slavernye langen tyd te doen stand houden, en dat, om de afschaffing daar van voordeeligcr te doen zyn, en minder ongeregeldheid te doen uitwerken, men daar in goedschiks en met beleid moet te werk gaan.
Indien zy hier eenige middelen aantreffen, om deezen taak gemakkelyk te maken, zal ik my by de Planters zeer verdienstelyk gemaakt hebben, door te toonen, dat het in de Volkplantingen mogelyk is, om zig met de voortbrengzels van het aardryk te verryken, zonder het menschdom te doen beven, en dat men met een weldadig hart, zonder knaging van 't geweten, eigenaar van eene Plantagie kan zyn.
De vraag omtrent de slavernye der zwarten hield zedert langen tyd de verstandigen bezig, eer dat men in Frankryk aan eene omwenteling dagt; deeze vraag is door het Fransche Gemeenebest beslist: zy kan de Regeeringen, die Volkplantingen bezitten, en waar het stelzel der vryheid nog geen veld gewonnen heeft, in geene onverschilligheid laten.
De Negers zyn niet onkundig, of zullen ten minsten niet lang onkundig kunnen blyven, hoe zeer hunne staat van die van huns gelyken in de nabuurige Fransche Volkplantingen verschilt: wanneer men zulks voor hun verbergen konde, denkt men dan nog, dat zy van hunne rechten altyd onkundig zyn geweest, en dat de stem der natuur by hun ten gevalle van hunne bezitters verdoofd is?
Hoe dom hunne lasteraars hen ook verbeelden te zyn, zy hebben getoond met zeer grooten moed bezield te zyn: zy hebben, zoo als gy weet, in uwe Volkplantingen van Hollandsch Guiana, gelyk ook in Jamaica, het voorbeeld voor zig van een aantal menschen van hun geslacht, die door hunnen moed zig de vryheid bezorgd hebben, in weêrwil van hunne meesters, welken zy genoodzaakt hebben, om met hun over eene volkomene onäfhangelykheid te handelen.