Deeze getrouwde vrouwen egter verdragen de verongelykingen en trouwloosheden, die zy ondervinden, niet altyd met veel geduld. De meeste vervolgen, zelfs op eene enkele verdenking, haare gelukkige mede-minnaressen met den onverzoenlyksten haat, en de grootste onbeschoftheid. Zy vergenoegen zig zelfs niet met de grootste verachting voor haare echtgenooten te betoonen, maar zy geven zelfs in het openbaar geene dubbelzinnige blyken van oplettenheid voor de nieuwlings aangekomene Europeaanen. Dit heeft gelegenheid gegeven tot een spreekwoord in deeze Volkplanting: dat de vrouwen van den zonne-keerkring en de muggen een aangebooren neiging hebben voor de Europeaanen, die kortlings ontscheept zyn. Haare partydigheid is in de daad zoo dwaas, en de bewyzen 'er van zyn zoo handtastelyk, dat men zig zelf maar een weinig meester moet zyn, om den afkeer uit te drukken, welke dusdanig gedrag natuurlyk verwekken moet, vooral wanneer het voorwerp niet zeer inneemend is. Dit gaat zelfs zoo verre, dat vrouwen op Paramaribo, ter zaake van één van onze Officiers, een tweegevecht hielden.
Het is van aanbelang, dat ik van den Colonel FOURGEOUD en van den Gouverneur thans melding maake. Onaangezien de fatzoenljke manier, waar op onze krygsbende ontfangen wierd, toen zy in de Volkplanting aanlandde, was het zeer zigtbaar, dat tusschen deeze twee hoofden van wederzyden eene koelheid plaats had. Onze Bevelhebber gaf het eerst aanleiding tot misverstand, op den dag zelfs van onze ontscheeping, door de soldaaten van zyn Regiment met den rug naar het Paleis van den Gouverneur te plaatsen.
Het is gemakkelyk te begrypen, dat deeze zoo schielyke onëenigheid tusschen twee menschen, die van elkander niet afhingen, maar aan welken wy even zeer ondergeschikt waaren, op dit stuk onze aankomst te Paramaribo allerönaangenaamst maakte, zoo voor de Officiers van ons Regiment, als voor die van het krygsvolk der Compagnie. Dit misverstand was oorzaak, dat, na een verblyf van eenige weken, de Gouverneur goedvond aan onzen Bevelhebber te verklaaren:—"Dat de oproerige Negers niet meer schynende geneigd te zyn, om de rust der Volkplanting te stooren, zyn eigen krygsvolk en de oorlogsbende der Neger-Jagers tot derzelver verdediging voldoende zouden zyn: dat by gevolg de zee-soldaaten van den Colonel FOURGEOUD niet meer noodig zynde, het hem vrystond dezelve naar Europa te rug te voeren, wanneer hy zulks dienstig zoude oordeelen".
Toen deeze verklaaring aan onze Officiers wierd mede gedeeld, ontfing de één dezelve met genoegen, de ander met smart. Men was egter op de toebereidzels tot het vertrek bedacht; maar eenige dagen daar na wierden dezelve opgeschort, hebbende de inwoonders met nadruk verzogt, dat wy blyven zouden. Het inschepen van den noodigen voorraad van hout en water wierd dus gestaakt, maar de Schepen wierden, met zeker vooruitzigt, in dienst gehouden. In deeze tusschenpoozing van onzekerheid en ledigen tyd, was ik ernstig bedagt om eene beknopte geschiedenis van deeze Volkplanting te schryven, en alle de voorwerpen af te teekenen, die my merkwaardigst toescheenen. Ik raadpleegde met de beste Schryvers over dit onderwerp, en ik had daarënboven de eer om wezentlyke hulp te ontfangen van zyne Excellentie den Gouverneur, die my niet alleen verscheide gewichtige handschriften heeft gelieven mede te deelen, maar my zelfs dagelyks in een groot aantal de dieren en planten bezorgde, die ik verlangde te kennen. Om die reden deed ik, onäangezien de zoo blykbaare koelheid tusschen mynen Colonel en hem, alle moeite om by den een en ander in gunst te blyven; en niet tegenstaande de gehoorzaamheid, die ik aan mynen byzonderen Bevelhebber verschuldigd was, nam ik my voor, om den Gouverneur der Volkplanting met die achting en eerbied te behandelen, welke zyne waardigheid, rang en gedrag vorderden. Ik wierd in die gevoelens ten sterksten ondersteund, niet door alle Officiers van ons volk, maar door de achtens-waardigsten uit dezelven.
Ik zal derhalven nu beproeven den taak, dien ik ondernomen heb, te vervullen; en ik zal met eene algemeene beschryving van deeze verbaazende landstreek een begin maaken.
Algemeene beschryving van Guiana.—Van de Volkplanting van Surinamen in 't byzonder.—Tydstip van derzelver ontdekking.—Dezelve word bezeten door de Engelschen en Hollanders.—De Gouverneur, de heer VAN SOMMELSDYK, vermoord.—De Volkplanting word door de Franschen genomen, en onder schatting gesteld.
De ontdekking van Guiana, door zommigen de Wilde Kust genaamt, is langen tyd, schoon met weinig zekerheid, toegeschreven geworden aan den Spaanschen Bevelhebber VASCOS NUNES, die, in den jaare 1504, na bemerkt te hebben dat Cuba een eiland was, in het vaste Land van Zuid-America aanlandde, tot aan de Orenoco, en de Rivier der Amazonen doordrong, en door dit land verstond die eindelooze uitgestrektheid lands, aan welke hy, in tegenstelling der bygelegene eilanden, en dat van Cuba, den naam van Terra fierma gaf.
Deeze landstreek, waar van de lengte omtrent 1220 en de breedte 680 aardrykskundige mylen bedraagt, [3] is gelegen tusschen agt graaden, twintig minuuten, noorder lengte, en drie graaden, zuider breedte, en tusschen vyftig en zeventig graaden, twintig minuuten, wester lengte van den Londonschen middaglyn, in het noord-oostelyk gedeelte van het zuiden van America. Derzelver grenspaalen zyn beperkt door de Rivier Viapary of de Orenoco, ten noordwesten, en de Maranon of de Rivier der Amazonen, ten zuidoosten; de noordoost-kant word door de Atlantische Zee bespoelt; de Negro, of de Zwarte Rivier, bepaalt derzelver uitgestrektheid ten zuidwesten; het geen een zoort van eiland uitmaakt, en dit land afscheid van nieuw Grenada, Peru en Brasiliën. [4]
De warmte in Guiana, schoon dit land even als Guinée in de verzengde luchtstreek geplaatst is, is egter aldaar veel draaglyker, dan in dit gedeelte der Africaansche kust. De brandende straalen der zon worden aldaar dagelyks door verkoelende zee-winden gematigd; terwyl in Guinée het steekende der hitte vermeerderd word door den wind, die aanhoudend van de landzyde waait, en die over tallooze zand-woestynen henen trekt. De oost- of passaat-winden, die tusschen de zonne-keerkringen algemeen gevonden worden, zyn de koelste op de kust van Guiana, tusschen agt of tien uuren des morgens, en zes uuren des avonds, wanneer zy ophouden; waar na men naauwlyks de ligtste zomerkoelte gevoelt. Deeze winden worden gevolgd door dikke nevels, en dampen, die uit den grond opkomen; het geen de nachten in dit land niet alleen zeer koud, maar zelfs vochtig en ongezond maakt. De dag verschilt in Guiana nooit meer dan veertig minuuten: de zon gaat aldaar altyd om zes uuren des morgens op, en op het zelfde uur gaat zy des avonds onder.
De getyden van het schoon en regenachtig weder, verdeelen het jaar in dit Land, en kunnen er de zomer en de winter genoemd worden, zoo als die van warmte en koude in Europa. 'Er is egter een aanmerkelyk onderscheid; namelyk dat Guiana alle jaaren twee zomers en twee winters heeft, waar van de een van den ander onderscheiden word door de benaaming van de groote en de kleine, niet om dat de hitte minder sterk is, of om dat de regenbuien in de laatstgemelde minder geweldig zyn, maar om dat men vooronderstelt, dat derzelver geduurzaamheid meer dan de helft verschilt. Dit onderscheid intusschen schynt meer ingebeeld dan wezentlyk te zyn, voor zoo veel het regenachtig jaargetyde betreft; want, dewyl de regen niet valt, dan wanneer de zon lynrecht boven het hoofd staat, het geen by de linie tweemaal 's jaars plaats heeft, en geduurende een gelyk tydperk, is het waarschynlyk, dat derzelver duuring in de beide jaargetyden dezelfde wezen moet.
Het verschil tusschen de twee jaargetyden van het mooy weder bestaat daar in, dat het groote in Surinamen dikwils in October begint, op het oogenblik dat de zon den evennagtlyn oversteekt om in de Steenboks zonne-keerkring te komen; en dan heerscht 'er, tot dat dit hemellicht in Mars te rug koomt, eene versmagtende hette, die met eene aanhoudende droogte vergezelt gaat. Vervolgens valt 'er een geweldige regen zonder tusschenpoozen tot de maand Juny, wanneer de zon tot de kreefts-keerkring genaderd is; daar na koomt 'er een kort getyde van hitte, die tot de maand July duurt, en tot de maand October nog door regen agtervolgt word; en op deeze wyze loopt de omwenteling der jaargetyden af.
De aanhoudende regen in deeze luchtstreek, terwyl de zon in haar toppunt is, is noodzakelyk om het leven van dieren en planten in wezen te houden, als welke, zonder deeze weldadige hulp, onder eenen zoo brandenden hemel kwynen, en eindelyk vergaan zouden. Maar schoon ik ten aanzien van de verandering der jaargetyden in Guiana, vaste tydperken heb aangehaald, is het egter noodig op te merken, dat zy niet volstrekt bepaald zyn, maar verschillende als in Europa. Deeze veranderingen worden altoos door groote donderslagen aangekondigd, verzeld met blixemstraalen, die verscheide weken duuren, en die zeer dikwils voor het vee, en zelfs voor de inwoonders van deeze landstreek doodelyk zyn.
Eenige gedeelten van Guiana vertoonen een bergächtig en naakt gezicht; maar de grond is 'er over 't algemeen zeer vruchtbaar. Het groen bedekt de aarde het geheele jaar door; de boomen dragen te gelyker tyd bloemen en rype vrugten; alles vertoond, aldaar het streelend afbeeldzel der vereeniging van de lente en van den zomer. Deeze gelukkige teekenen van vruchtbaarheid, moeten, vooral in Surinamen, worden toegeschreven, niet alleen aan den regen en aan de hette der luchtstreek, maar ook aan deszelfs laage en moerassige ligging, welke ook aan de hitte de kracht beneemt, om den groei der planten te bederven, en voornamelyk aan de uitnemende rykheid van den grond, hoofdzaaklyk in die gedeelten, welke door de vlyt der Europeaanen zyn bebouwd geworden. Men moet egter toestemmen, dat dusdanige ligging voor de gezondheid gansch niet voordeelig is; maar de lust om geld te winnen is een krachtige dryfveer, en de zekerheid van een tegenwoordig voordeel zal in 't algemeen genoegzaam opwegen tegen die onheilen, welke, zoo ze zig immer vertoonen, niet dan in 't verschiet bemerkt worden, en, naardien men ze zomtyds ontduikt, als onzeker kunnen worden beschouwd.
De onbebouwde gedeelten van Guiana zyn bedekt met eindelooze bosschen, rotzen en bergen. Eene groote verscheidenheid van delfstoffen verrykt zommigen der laatstgemelde. Het geheele land is doorgesneden met zeer diepe moerassen en groote savanen of heiden. De stroom van 't water langs de kust is bestendig naar het noordwesten; en de zee-oever is byna ontoegankelyk, zynde rondom bezet met gevaarlyke klippen, zandbanken, modderpoelen, rotzen, laag houtachtig heestergewas, en eene eindelooze meenigte struiken, die zig met kragt door elkander vlechtende, ondoordringbaar worden.
De Spanjaarden, de Portugeezen en de Hollanders, zyn de eenige volken, die in dit gedeelte van het vaste land bezittingen hebben, uitgenomen echter de kleine Fransche Volkplanting van Cayenne, tusschen den vloed Maroni en Kaap Orange gelegen. De Spaansche bezittingen liggen aan de oevers van de Orenoco, en die van Portugal strekken zig uit langs de oevers van de Rivier der Amazonen. De Hollandsche bezittingen bevatten de kusten van den Atlantischen Oceaan, en loopen van Kaap Nassau tot den stroom Maroni. Zy behelzen de landstreeken of gewesten van Essequebo, Demerary, de Berbices en Surinamen. De laatste is de merkwaardigste en beste; het is tot derzelver beschryving, dat dit werk voornamelyk geschikt is. De Hollanders poogden, in den jaare 1657, eene kleine Volkplanting aan de oevers der Rivier, genaamt Poumaron, op te rigten; maar deeze bezitting wierd, in den jaare 1666, door de Engelschen vernield. Zy waaren niet gelukkiger in eene andere, welke zy in 't jaar 1677 vestigden aan de Rivier Wiapoko of Oyapoko: de Franschen maakten 'er zig oogenblikkelyk meester van, en vernielden dezelve.
De Hollanders rekenen onder hunne bloeiende en schoone Volkplanting van Surinamen, de geheele landstreek, die ten westen door de Rivier Kourou omringd word, omtrent veertig mylen van de Rivier Corantyn; ten oosten door de Rivier Sinamari; maar deeze grensscheidingen worden hun door de Franschen betwist, die dezelve bepaalen tot de oevers van de Rivier Maroni, alwaar zy eene bezetting van krygsvolk houden.
De voornaamste Rivieren deezer bezitting zyn: die van Surinamen, welke aan de Volkplanting haaren naam geeft; de Corantyn, de Copenama, de Saraméca en de Maroni. De eerste is alleen bevaarbaar; de andere, zonder zelfs de Rivier Maroni uit te zonderen, schoon zeer lang en zeer breed, zyn zoo laag, en zoo vol rotzen, en kleine eilanden, dat zy voor de Europeaanen van weinig aanbelang zyn; haare oevers zelve worden alleenlyk bewoond door eenige Indiaanen of inboorlingen des Lands. De Rivier van Surinamen, welker mond op omtrent zes graaden noorder breedte gelegen is, is vier Engelsche mylen breed, en van zestien tot agtien voeten diep by laag water; de vloed doet dezelve meer dan twaalf voeten ryzen. Deeze afmeeting blyft dezelfde tot op den afstand van agt of tien mylen, alwaar deeze Rivier zig in twee armen verdeelt, waar van de een zuid-zuid-oost loopt, en zulks wel honderd twintig mylen ver. Zy is geheel en al bevaarbaar voor kleine vaartuigen; maar boven deezen afstand, draait zy regelrecht naar het zuiden. Zomwylen overstroomt zy kleine eilanden, of vormt kleine watervallen. De oorsprong deezer schoone Rivier is den Europeaanen nooit recht bekend geweest. Alle de groote Schepen, na aldaar te zyn binnen gezeilt, moeten de oostzyde van den oever houden, zynde die van de overzyde vol gronden tot aan de stad Paramaribo, die omtrent agtien mylen van den mond der Rivier afgelegen is. De andere arm der Rivier van Surinamen, draagt den naam van Comewyne, dezelve loopt ten oosten op den afstand van omtrent zestien mylen; men vind aldaar drie of vier vademen by hoog water; maar de vloed een verschil van twaalf voeten maakende, beschouwd men dezelve niet als vaarbaar voor een Schip van groote vracht, schoon haare breedte byna twee mylen bedraagt. Op den afstand van zestien mylen, verdeelt zig de Comewyne in twee andere armen, waar van de eene haar naam behoud, en meer dan vyftig mylen ver naar het zuidwesten loopt; en de andere, die den naam van Cottica draagt, loopt ten oost-zuid-oosten, meer dan veertig mylen verre, waar na zy naar het zuid-zuid-westen draait, op den afstand van vier-en-twintig of dertig mylen. Alle deeze Rivieren, welker loop niet recht, maar kronkelachtig is, ontfangen het water door een aanzienlyk getal breede kreeken of groote beeken, waar van de oevers door Europeaanen bewoond worden, en bedekt zyn met Plantagiën van Suiker, Cacao, Catoen en Indigo; het geen het aangenaamst gezigt maakt, dat men zig verbeelden kan, voor hun die te water reizen, zoo als in dit land de gewoone manier is, dewyl de grond over het algemeen tot het baanen van rywegen niet geschikt is. Op zommige plaatsen zelfs zyn de bosschen ondoordringbaar, zoo dat een klein voetpad, waar door Paramaribo met de Rivier Saraméca gemeenschap heeft, de eenige gaanbaare weg is, die ik in deeze Volkplanting kenne.
De Rivieren, welker oevers niet bebouwd zyn, als de Corantyn, de Copename, de Saraméca en de Maroni, gedogen niet dan met moeite, om 'er eene beschryving van te geven. Het zal alleenlyk genoeg zyn op te merken, dat zy over 't algemeen van twee tot vier mylen breed zyn, dat haare wateren uittermaten laag, en met zandbanken, kleine eilanden en rotsen, die talryke en voortreffelyke watervallen vormen, als doorzaait zyn. Men vind in de laatste dikwils een merkwaardigen steen, bekend onder den naam van Diamant van Maroni, en die, geslepen zynde, zeer naar een waare diamant gelykt. Dienvolgende maakt men daar van ringen en andere kleinodiën. In alle deeze Rivieren zonder onderscheid, klimt en zakt het water op meer dan zestig mylen van den uitloop af; het geen veröorzaakt word door de verhindering, die de eb en vloed aan de uitwatering der beeken toebrengt. Egter ontmoet men vry algemeen stroomen van zoet water, op den afstand van vier-en-twintig of dertig mylen van de zee. Het water der Rivier van Surinamen word als het beste beschouwd; en de matroozen gaan het haalen tot by Savannah le Juif, meer dan veertig mylen van de stad Paramaribo af gelegen. De Schepen zyn in deeze Rivieren aan een groot ongemak bloot gesteld: de bodem van het Schip word dikwils door water-wormen beschadigt; maar men kan derzelver verwoestingen voorkomen, door het dikwils op zyde te haalen, om het des te gemakkelyker te kunnen schoon maken en kalfateren. De zwarte pik, door Graaf DUNDONALD uitgevonden, verdient boven alle andere stoffe, die men ter deezer gelegenheid zoude kunnen bezigen, den voorrang.
De ebbe en vloed hebben na een tusschen-verloop van omtrent tien en een half uur plaats. De hooge vloeden komen doorgaans twee keeren maandelyks; de Rivier verheft zig dan tot eene aanmerkelyke hoogte; het geen, uit hoofde van verschillende omstandigheden, tot groot voordeel der Planters verstrekt.
Het is misschien gepast, dat ik hier spreeke van de verdediging deezer Rivieren, schoon dit een onderwerp is, het geen ik voornemens ben elders meer opzettelyk te behandelen. Ten oosten van den mond der Rivier van Surinamen is een klein voorgebergte, genaamt Braam-punt, het welk, zoo ik denk, oorsprongelyk den naam droeg van Pram- of Parham-punt, naar dien van Lord FRANÇOIS WILLOUGBY DE PERHAM, aan wien deeze bezitting in 't jaar 1662, door KAREL II. wierd opgedragen. Men vermeent dat deeze Lord aldaar, tien jaaren te vooren, voor de eerste maal voet aan land zette. Deeze punt is niet versterkt; maar omtrent agt mylen hooger is aan elke kant van den oever een Schans, waar van de eene den naam van Leyden, en de andere dien van Purmerendt draagt. Een weinig hooger is het nieuwe Fort Amsterdam, gebouwd op een uitstek lands, het welk de twee Rivieren van Surinamen en Comewyne van elkander scheidt, en waar van het vuur, zig vereenigende met dat der beide Schanssen, het inkoomen zoo van de eene als van de andere Rivier belet.
By de stad Paramaribo, zes of zeven mylen van het Fort Amsterdam, is gelegen eene vesting, die den naam draagt van het Port Zelandia, en de Stad en alle de Schepen op de reede beschermt. Omtrent zestien mylen van de eerste, aan de Comewyne, is een ander Fort, genaamt Sommelsdyk, het welk de wederzydsche kanten van den oever bestrykt, namelyk die van de Comewyne en de Cottica. Bovendien zyn 'er verscheidene oorlogsposten aan de Corantyn, de Saraméca en de Maroni. Agter deeze is een sterke wacht geplaatst, aan den mond van de Motte-Kreek, omtrent dertig mylen van de Rivier van Surinamen; aldaar is op de kust een vuurbaak opgericht, om aan de Schepen, die in deeze Rivier willen binnen loopen, berigt te geven, dat zy den mond der gevaarlyke Rivier Maroni reeds voorby zyn. Deeze zelfde wacht doet ook verscheide kanon-schooten, om aan de Volkplanting te doen weeten, dat 'er eenig Schip in 't gezicht is, en het op de kust aanlegt. Langs de bovenste oevers der Rivieren van Surinamen, Comewyne en Cottica, heeft men wachten uitgezet, om de inwoonders tegen de aanvallen der Indiaanen, of der vluchtende Negers uit de binnen-landen te beveiligen. In alle deeze versterkingen bestaat de voornaamste verdediging deezer bezitting: echter kruist bovendien tusschen de Rivier Maroni en Berbice een klein gewapend vaartuig, of kust-bewaarder, om berigt te geven van alle gevaar, waar mede de Volkplanting bedreigt zoude mogen worden.
Ik vergat byna te zeggen, dat men het ontwerp gevormd had, om een weg te maaken, die door posten van soldaaten versterkt zoude worden, van de oevers van het bovenste gedeelte van de Comewyne tot aan de Saraméca. Dezelve is werkelyk begonnen; maar het ontwerp gelukte niet, en deeze weg, die den naam van Orange droeg, is tans met struiken begroeit.
Aldus beschreven hebbende de oppervlakte van deeze landstreek met derzelver grenspaalen, rivieren, enz. zal ik derzelver ontdekking vermelden, gelyk mede de merkwaardigste omwentelingen deezer vermogende Volkplanting, die in den laatsten oorlog byna van den dapperen Admiraal RODNEY een bezoek ontfing.—Dit gedeelte van het vaste land, genaamt Guiana of de Wilde-Kust, en op welke de Volkplanting van Surinamen gevestigt is, is, volgens zommiger gevoelen, eerst ontdekt geworden door den beroemden CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, en het was van daar, zoo men zegt, dat hy, door yzere boeien beknelt, in zyn vaderland te rug keerde. Anderen beweeren, dat het alleenlyk VASCOS NUNES was, die dezelve in den jaare 1504. het eerst ontdekte, gelyk ik in 't begin van dit Hooftstuk heb aangeweezen. [5]
Onder de regeering van ELIZABETH, in den jaare 1596, wierd Guiana door den heer WALTER RALEIGH gekend, die de Orenoco meer dan zes honderd mylen opvoer, met oogmerk, om het ingebeeld Land d'el Dorado te zoeken, alwaar men goudmynen hoopte te ontdekken; welke gedachte gegrond wierd op de gevondene stukken bergsteen, welke de Spanjaarden noemden maare de oro, of moeder van het goud. In 't jaar 1634, volgens het verhaal van DAVID PIETER DE VRIES, een Hollander, vond men in Surinamen een Engelschen Capitain, genaamt MARSHALL, met omtrent zestig zyner landgenooten, die zig aldaar met het planten van Tabak bezig hielden; en dezelve DE VRIES sprak aldaar met hun. Surinamen wierd in't jaar 1640 door de Franschen bemachtigd, die egter kort daar na genoodzaakt waaren het zelve te verlaaten, uit hoofde van de veelvuldige invallen der Karaiben, welken zy, even als hunne nabuuren de Spanjaarden, met de grootste wreedheid behandeld hadden. Deeze Volkplanting in den jaare 1640. verlaaten zynde, zond Lord FRANÇOIS WILLOUGHBY DE PARHAM, met verlof van KAREL II, een Schip derwaarts, op zyne eigene kosten uitgerust, om 'er in naam van zynen meester bezit van te nemen. Korten tyd daar na liet hy nog drie anderen vertrekken, waar van het een met twintig stukken geschut gewapend was. Deeze Engelschen wierden allen door de Indianen, of inwoonders van het Land, wel ontfangen. Zy slooten met hun Verdragen van vriendschap, en traden in een zoort van onderhandeling. Na verloop van twee jaaren, ging Lord WILLOUGHBY zelf naar Surinamen; hy hield zig aldaar bezig met het maken van verscheide verstandige Wetten en goede Reglementen tot verdediging van deeze Volkplanting; vervolgens kwam hy in Engeland te rug, van waar hy voortging met deeze bezitting van volk en krygsbehoeften te voorzien. Den 2den Juny 1662, wierd hem de Volkplanting afgestaan door den zelfden Koning KAREL II; en volgens de eigene erkentenis van den Lord, moest dezelve verdeeld worden tusschen LAURENS HIDE, tweeden zoon van EDUARD, Graaf van Clarendon, en hem zelven, om ten eeuwigen dage aan hunne nakomelingen over te gaan: dit oorspronkelyk Charter moet nog in wezen zyn. In 't jaar 1664, ontnamen de Engelschen aan de Hollanders de nieuwe Nederlanden, naderhand genaamt New-Yorck.
In den jaare 1665, wierd de Volkplanting van Surinamen met voordeel bebouwd, en grootendeels met Tabak beplant. Derzelver eigenaars hadden aldaar ook meer dan veertig schoone Plantagiën van Suiker-riet opgericht, en eene sterke Vesting van gehouwen steen ter hunner verdediging gebouwd. Het verdient egter opmerking, dat volgens zommige Schryvers zulks gedaan wierd door de Portugeezen, schoon de tyd 'er van onzeker is. De Franschen, wel is waar, betwisten dit stuk hevig, en beweeren dat deeze Vesting het werk was van den heer PONSERT DE BRETIGNY, toen zy in het bezit van deeze landstreek waaren. Wat daar van zyn moge, de Vesting is gelegen zestien of agtien mylen van den mond der Rivier van Surinamen, en de nyvere Colonisten bevonden zig zeer gelukkig in een Steedjen, het welk zy onder de muuren deezer Vesting bouwden. Hun geluk was niet van langen duur; want, staande de oorlogen tusschen KAREL II. en de Vereenigde Nederlanden, ontnamen de Hollanders, die in 't jaar 1661, door de Portugeesen uit Brasiliën verjaagt waaren, in 't jaar 1667. de Volkplanting van Surinamen aan de Engelschen, onder het bevel van Capitain ABRAHAM KRYNSZOON, die tot dit einde door de Provintie van Zeeland, met drie oorlogschepen en drie honderd zee-soldaaten wierd afgezonden. De Engelsche Bevelhebber WILLIAM BYAM verloor deeze Volkplanting, uit hoofde van eene overrompeling, op het oogenblik, dat zes honderd van zyne beste manschappen bezig waaren met het planten van suiker-riet. Zyne onagtzaamheid was zigtbaar door het gering verlies der Hollanders, die by het bestormen der Vesting, slechts één man, verloren hadden. Zy plantten oogenblikkelyk het vaandel van den Prins van Orange op de wallen, en gaaven aan deze Vesting den naam van Zelandia. De Stad Paramaribo ontfing den naam van Nieuw Middelburg. De overwinnaars deeden, onder andere schattingen, door de inwoonders honderd-duizend ponden suiker opbrengen, en zy zonden een zeker getal uit hun midden naar het eiland Tabago. Deeze gebeurtenis viel in February voor, en in de maand July daaraanvolgende wierd de Vrede te Breda gesloten. Maar ongelukkig voor de nieuwe bezitters der Volkplanting, wist de Engelsche Bevelhebber JOHN HERMAN 'er niets van. Eerst Cayenne aan de Franschen ontnomen hebbende, liep hy in de Rivier van Surinamen met eene vloot binnen, bestaande uit zeven oorlog-schepen, en twee bombardeer-galjooten, ontnam deeze bezitting aan de Hollanders, doodde meer dan vyftig van hunne manschappen, en vernagelde negen stukken geschut op het Fort Zelandia. De nieuwe inwoonders betaalden op hun beurt eene schatting; de Hollandsche bezetting wierd krygsgevangen gemaakt, en naar het eiland Barbados overgevoerd.
Toen men te Surinamen vernam, dat de Vrede tusschen de oorlogende Mogendheden in Europa gesloten was, eer dat de Bevelhebber HERMAN deeze Volkplanting van de Hollanders hernomen had, ontstond 'er een geweldige opstand, gevolgd van groote wanorden onder de Colonisten, die niet meer wisten, wie hunne wettige Overheid was. Eindelyk wierd, op bevel van Koning KAREL, de bezitting, in 't jaar 1669, aan de Hollanders te rug gegeven; en toen verlieten twaalfhonderd van derzelver oude inwoonders, Engelschen en Negers, dit Land, en zetteden zig op het Eiland Jamaica neder. Na dat de oorlog, die vervolgens plaats had, geëindigd was, bepaalde men by het Verdrag van Westmunster, dat Surinamen voor altoos geheel in eigendom aan de Hollanders blyven zoude, in ruiling tegen het Gewest van New-Yorck, het geen dienvolgende ook in 't jaar 1674 geschiedde. Zedert dit tydperk is Groot-Brittanniën niet meer in het bezit der Volkplanting Surinamen geweest. In het jaar 1678, was een Hollander, genaamt HEYNSIUS, en de Capitain LIGHTENBORG, de één Gouverneur, en de ander Bevelhebber over het krygsvolk aldaar.
De Hollanders hadden, geduurende de eerste jaaren van hun genot, weinig genoegen in hunne nieuwe bezittingen, en wierden door de invallen der Karaïben, welken zy minder wel behandelden, dan de Engelschen gedaan hadden, dagelyks ontrust. Deeze Indiaanen strekten hunne wraak zoo verre uit, dat zy verscheiden Colonisten van kant hielpen. De Provintie van Zeeland, aan wien deeze Volkplanting in eigendom toebehoorde, met de Verëenigde Gewesten over het opperbestuur deezer bezitting in geduurigen tweespalt zynde, en daarenboven de zwaare kosten, die tot derzelver verdediging en behoud noodig waaren, niet kunnende opdiepen, besloot om dezelve geheel en al aan de Hollandsche West-Indische Compagnie te verkoopen. Dit geschiedde met al den oorlogs-voorraad en krygsbehoeften, waar onder vyftig stukken geschut waaren, voor de somme van 23,636 ponden sterlings. Deeze Compagnie verkreeg te gelyker tyd van hun Hoog Mogenden, de Staaten Generaal, een vrydom van alle belastingen geduurende tien jaaren. Echter eenige maanden daar na, onaangezien dit voordeel, bevindende, dat de noodzakelyke kosten tot onderhoud deezer Volkplanting voor haar te hoog liepen, stond zy 'er twee derden van af, het eene aan de Stad Amsterdam, het andere aan het huis van SOMMELSDYK, op den voet van den prys, door haar daar voor betaald; en deeze drie maakten te zaamen eene Societeit uit, die onder bekragtiging van hun Hoog Mogenden, het bestuur der zaaken van dit Land alleen en geheel in handen had.
Dusdanig was de gesteltenis van Surinamen; en alles was op die wyze geheel en al in orde gebragt, toen CORNELIUS VAN AARSSEN VAN SOMMELSDYK, als één der mede-eigenaars, met driehonderd mannen, en eenige ongelukkigen, die tot ballingschap verwezen waaren, aldaar aankwam. Hy rigtte een Kamer van Politie op, om hem in 't bestier der Justitie behulpzaam te zyn, en leefde met de leden van dien en met de inwoonders in een aanhoudend misverstand. Dienvolgende zond men verscheide klagten tegen hem naar Europa, schoon hy een voordeeligen vrede gesloten had met de Karaïben, de Indianen, genaamt Warowa en Arawakka, als mede met eenige weggeloopen Negers, die zig, na dat de Engelschen de Volkplanting verlaten hadden, by de Rivier Copenama hadden nedergezet.
De regeering van deezen ongelukkigen Edelman duurde korten tyd; want in den jaare 1688, wierden de afgezonden Gouverneur, de heer VERBOOM, en hy zelf, [6] op één en den zelfden dag door hunne eigene soldaaten vermoord. Dezelven gingen tot deeze daad van wanhoop over, dewyl zy gedwongen waaren geworden, om, even als Negers, Kanaalen te graven, en een zeer onvoldoend en ongezond levens-onderhoud ontfingen. Ik moet erkennen, dat dusdanige behandeling maar al te dikwils alhier voorvalt; en ik zal by vervolg gelegenheid hebben zulks te bewyzen. De moordenaars hadden zulk een vertrouwen op de wettigheid van deeze wreede daad, dat zy aanboden dezelve in rechten te verdedigen, en de redenen, die hen daar toe bewogen hadden, open te leggen.
Dewyl de byzonderheden van deeze moord nimmer opzettelyk ontvouwd zyn, zal de lezer het my ten goede houden, dat ik 'er hem een kort verhaal van geeve.
De Gouverneur wandelde op zekeren dag met den heer VERBOOM, in een bosjen van orangeboomen, in de nabyheid van zyn eigen huis, wanneer eensklaps tien of twaalf gewapende soldaaten, die het voorkomen hadden van dronken te zyn, hen hebbende aangeklampt, hun dadelyk vroegen om hunnen arbeid te verminderen, en hun betere levensmiddelen te bezorgen. De Gouverneur, zyn degen trekkende, om hen tot wyken te noodzaaken, wierd dadelyk met eenige steeken afgemaakt, en liet op de plaats het leven. Zyn medgezel kreeg slechts één wond; maar dezelve was doodelyk, en hy stierf negen dagen daar na. Deeze misdaad volvoerd zynde, trokken de moordenaars, gevolgd door verscheiden anderen van hunne medepligtigen, in zegepraal naar het Fort Zelandia, het welk zy zonder tegenstand innaamen; en zy maakten zig dadelyk meester van de oorlogs- en mondbehoeften. De bezetting zig by hun gevoegd hebbende, stelden zy zig in een linie, en verkoozen zig een Opper-Bevelhebber en verscheiden Officiers: zy deeden den eed van hun getrouw te zyn, en nimmer, nog de één nog de ander, hunne eigene zaak te verraden of te laten vaaren. Het was in deeze omstandigheid zeer aanmerkelyk, dat de nieuwe Bevelhebber den zelfden agter middag last gaf, om het lyk van den vermoorden Gouverneur, met krygsëer en statie, op het Fort Zelandia te begraven. Het geschut ging op de wallen af, en de muitelingen deeden drie herhaalde musket-schooten.
De Regeering en de inwooners van Surinamen zagen zig toen in eene zeer akelige omstandigheid, en wierden genoodzaakt om met de muitelingen van het Fort in onderhandeling te treden. De voornaamste artikelen der Capitulatie bestonden hier in: dat zy tegen betaaling van eene kleine somme gelds het Fort ontruimen zouden; dat men, hun zou toestaan op het Schip de Salamander aan boord te gaan, de Volkplanting te verlaaten zonder eenige hinder te ontmoeten, en zig te begeven naar zoodanig werelddeel, als hun gelieven zoude. Dienvolgende zond men 'er meer dan honderd aan boord; maar zy maakten zig niet eerder gereed, om het anker tot hun vertrek te ligten, voor dat hun Schip door kleine gewapende vaartuigen, in stilte tot dit oogmerk geschikt, omringd was. De muitelingen, genoodzaakt om zig op genade en ongenade over te geven, wierden korte dagen daar na ter zaake van moord en opstand gevonnisd. Elf van hunne hoofden ontfingen in 't openbaar hunne straf; drie verlooren het leven op het rad; agt wierden opgehangen: de anderen kreegen vergiffenis; maar dewyl men zig niet meer op hun vertrouwen konde, wierden zy uit den dienst der Volkplanting weggezonden, zoo dra men soldaaten gevonden had om hunne plaats te vervullen.
Het volgend jaar deed de weduwe SOMMELSDYK, maar zonder gevolg, een aanbod, om haar aandeel aan Koning WILLEM III. over te dragen. Te gelyker tyd wierd de heer SCHERPENHUYZEN, met krygsvolk en oorlogs-behoeften, uit Holland naar Surinamen gezonden, om als Gouverneur der Volkplanting de opvolger van den heer VAN SOMMELSDYK te zyn. By zyne aankomst vond hy alles in de grootste verwarring. Op het spoedigst de wanorde willende te keer gaan, rigtte hy een Hof van Justitie op, daar in verschillende van het geen zyn voorzaat had opgericht, dat hy het zelve in twee deelen verdeelde. Het eerste wierd geschikt voor alles wat de lyfstraffelyke en krygs-zaaken betrof. De inrichting van het laatste was betrekkelyk tot de burgerlyke twistgedingen, en alle zaaken raakende der ingezetenen byzondere belangen. Het zelve bestaat alzoo nog tegenwoordig, en de Gouverneur is Voorzitter in beide kamers.
De heer SCHERPENHUYZEN beyverde zig om ook goede Wetten en Reglementen te maaken: hy kwam ter juisten tyd, om de Volkplanting in een bekwaamen staat van verdediging te stellen tegen derzelver binnen- en buitenlandsche vyanden, het geen dezelve zeer noodig had, toen de oorlog tusschen de Vereenigde Gewesten en Frankryk verklaard wierd. Dit zelfde jaar wierd de bezitting van Surinamen door den Admiraal DUCASSE met een sterke vloot aangetast; maar de Gouverneur deed met nadruk dezelve te rug deinzen, op het oogenblik dat men het Fort Zelandia begon te beschieten.
In 't jaar 1692, wierd een Engelschman, genaamt HIEROME CLIFFORT, veroordeeld om opgehangen te worden, eene straffe, die in eene zevenjaarige gevangenis in het Fort van Sommelsdyk veranderd wierd. Zyne misdaad, het zy waar of verdicht, bestond in het hoonen van eene Regeering, die hem voor schulden gevangen zette. Het Hof van Groot-Brittanniën zig in deeze zaak gemengd hebbende, wierd hy, in den jaare 1695, overëenkomstig des Konings verlangen, in vryheid gesteld. Toen deed hy, ten lasten der Volkplanting, een eisch van 20,000 guinies tot schaâvergoeding voor eene onrechtvaardige gevangenis; maar dezelve wierd hem niet toegestaan. Zyne erfgenaamen hebben zyne vordering levendig gehouden, zedert den jaare 1700 tot in 't jaar 1762, zonder eenige voldoening te erlangen.
Geduurende den oorlog, die in 't jaar 1712 gevoerd wierd, wierd de Fransche Admiraal JACQUES CASSARD, door den Gouverneur DE GOIJER op gelyke wyze ontfangen, als aan DUCASSE door SCHERPENHUYSEN voor het Fort Zelandia bejegend was geworden; maar vier maanden daar na was hy gelukkiger, en stelde de Volkplanting onder eene schatting ter somme van 56,618 ponden sterlings. Den 10den October liep hy in de Rivier van Surinamen binnen met zes of acht oorlogschepen, en een zeker getal mindere Schepen, te zamen drie duizend mannen voerende.
De eersten waaren:
De Neptunus, van vier-en-zeventig stukken, aan welks boord deAdmiraal was.
De Temeraire, van zestig stukken.
De Rubis, van zes-en-vyftig slukken.
De Vestale, van agt-en-veertig stukken.
De Medusa, van zes-en-dertig stukken.
Daags na zyne aankomst liet de Admiraal CASSARD één van zyne Capitains met een sloep, een witte vlag voerende, aan land gaan, om met de inwoonders over de betaaling eener brandschatting te handelen, hen bedreigende de Stad Paramaribo [7] te zullen beschieten, indien zy weigerden te betaalen. De sloep was egter genoodzaakt, zonder eenig voldoende antwoord te rug te keeren. Dewyl de Rivier van Surinamen, voor het Fort Zelandia, juist meer dan een myl breed is, vonden de Medufa, en verscheide kleine platte Scheepen, met Fransch krygsvolk geladen, door een zeer donkeren nacht begunstigd, middel om tot boven Paramaribo te naderen, zonder door de Hollanders bemerkt te worden, met oogmerk, om de Suiker- en Koffy-Plantagiën, die boven deeze Stad gelegen zyn, af te loopen; maar de belegerden maakten den 15den twee groote platte vaartuigen gereed, vol brandbaare stoffen, als drooge biezen, vaatjes met pik, enz. en gingen aan de andere zyde der Rivier, recht in 't gezicht der Stad, ten anker leggen. Men stak dezelve in brand, en het licht van de vlam deed de kleine vyandelyke Schepen ontdekken, die hun best deeden, om onder begunstiging van den donker de Rivier op te zeilen. Alzoo in het gezicht zynde, ontsnapten 'er weinigen van hun, zonder door het geschut van het Fort schade te lyden, en die Koopvaardy-schepen, welke zig op de reede bevonden, boorden eenige van die kleine platte Schepen in den grond, waar van een groot gedeelte van het scheepsvolk verdronk. Deeze krygslist belette egter de Franschen niet, die hooger op gezeild waaren, om de Plantagiën te plonderen en in brand te steeken. CASSARD zelf aan de Stad Paramaribo genadert zynde, wierp 'er meer dan dertig vuurkogels in, en beschoot dezelve, zoo als ook het Fort Zelandia, tot den 20sten October, wanneer hy een tweede boodschap aan de Hollanders zond, om hun af te vragen, of zy eindelyk tot een verdrag wilden komen, en eene brandschatting betaalen: hy dreigde hen, indien zy zyne voorslagen nog durfden afwyzen, om de geheele Volkplanting te vernielen en te verbranden.
De Hollanders, ziende dat hun verderf niet te ontwyken was, indien zy by hun eerste besluit bleeven, verzogten een wapen-stilstand van drie dagen om zig te beraden, het geen hun wierd toegestaan; en eindelyk namen zy de voorwaarden van den Admiraal CASSARD aan. Dienvolgende teekende men, den 24sten October, van wederzyden een Verdrag van vier-en-twintig Artikelen. De schatting van 56,618 ponden sterlings, door de Franschen gevorderd, wierd hun voornamelyk in Suiker, en Neger-slaaven, enz. betaald, vermits 'er weinig goud en zilver in de Volkplanting was. Zoo dra de betaaling geschied was, ligtte de Admiraal het anker; en den 6den December 1712, verliet hy Surinamen met zyne geheele vloot.
Eerste opstand der Negers en deszelfs oorzaaken.—Elendigestaat der Volkplanting.—Gedwongen vrede met de Muitelingen.—Muitery der Zee-Soldaaten, Matroozen, enz.
Deeze ongelukkige Volkplanting was slechts even van haare buitenlandsche en openbaare vyanden verlost, of zy ontmoette nog veel geduchter vyanden in haaren eigen boezem.
De Karaïben, en andere Indiaansche volken hadden, in de eerste tyden, wel is waar, deeze bezitting ontrust; maar, gelyk ik reeds gezegd heb, de Gouverneur SOMMELSDYK had, korten tyd na zyne aankomst in de Volkplanting, den Vrede met hun gesloten. De Wilden hadden denzelven gehouden, en vervolgens hadden zy met de Europeaanen, even als met goede buuren en vrienden, in de beste verstandhouding geleeft.
De Neger-Slaaven, in opstand gekomen zynde, zyn die vyanden, waar van ik thans voornemens ben te spreken. Geduurende eenigen tyd, verspreidden zy een algemeenen schrik in de Volkplanting, en dreigden om dezelve aan de Staaten van Holland te ontneemen.
Eenige weggeloopen Negers hadden reeds lang eene schuilplaats in de bosschen van Surinamen gezogt; maar hun getal was klein, tot omtrent het jaar 1726 en 1728, wanneer zy sterk vermeerderden. Toen plonderden zy Plantagiën, en bezorgden zig snaphaanen en spiessen. Deeze nieuwe wapenen, gevoegd by de geenen, waar van zy zig gewoonlyk bedienden, de boog en pylen, stelden hen in staat, om geduurige verwoestingen op de Suiker- en Koffy-Plantagiën aan te regten. Zy wierden daar toe aangezet, zoo door een geest van wraakzucht over de onmenschelyke mishandelingen, die zy van hunne meesters verduurt hadden, als door de zucht tot plondering, en voornamelyk om kruid, kogels, en bylen weg te neemen, ten einde in hunne verdediging voor het toekomende te voorzien.
Deeze Negers hadden zig over 't algemeen nedergezet aan de oevers van het bovenste gedeelte der Rivieren Copenama en Saraméca. Men gaf hun, naar de laatstgemelde, den naam van muitelingen van Saraméca, om hen van de andere benden, die vervolgens in opstand kwamen, te onderscheiden. Verscheidene hoopen krygsvolk en veele inwoonders wierden tegen hen afgezonden; maar zy bragten hen zeer weinig tot onderwerping, en konden schier niets dan beloften verwerven.
In 't jaar 1730, deed men eene wreede straf-oeffening aan elf ongelukkige gevangene Negers, om daar door hunne medgezellen schrik aan te jagen, en hen tot onderwerping te bewegen. Zeker manspersoon wierd levend aan een galg opgehangen door middel van een yzere haak, die hem door de ribben gestoken wierd; twee anderen wierden aan paalen vast geketend, en door een langzaam vuur verbrand; zes vrouwen wierden levendig gerabraakt, en twee meisjes wierden onthoofd. In het midden der folteringen betoonden zy zulk een moed, dat zy dezelve doorstonden, zonder een enkele zucht te loozen. Deeze wreedheid bragt eene andere uitwerking te weeg, dan men 'er van verwagt had. De muitelingen van Saraméca waaren 'er zoo woedend over, dat zy verscheiden jaaren lang voor de Colonisten zeer geducht wierden. De laatstgemelde, de onkosten van deezen oorlog, en de vermoeijenissen, die zy met het vervolgen van hunne vyanden in de bosschen moesten doorstaan, niet langer kunnende opdiepen; daarenboven door de verbaazende verliezen, welke de geduurige invallen der Negers aan hun veroorzaakten, en door de aanhoudende schrik, die 'er het gevolg van was, ter neder geslagen, beslooten zy eindelyk om met hun over vrede te handelen.
De Gouverneur MAURITIUS, die, in 't jaar 1749, zig aan het hoofd der Volkplanting bevond, zond eene aanzienlyke krygsbende naar hunne bezittingen aan de Rivier Saraméca, om, zoo het mogelyk was, deezen zoo vuuriglyk gewenschten vrede te bewerken. Deeze bezending kwam, na eenige schermutzelingen met verscheidene afgelegene partyen der muitelingen, eindelyk in hunne hoofd-kwartieren aan, alwaar zy een mondgesprek verzogten en verkreegen. Men stelde aldaar de voorloopige voorwaarden van een Vredes-verdrag vast, bestaande uit tien of twaalf Artikelen, en gelykvormig aan het geen, in 't jaar 1739, tusschen de Engelschen en de muitelingen van het Eiland Jamaica gesloten was.—Het hoofd der oproerigen van Saraméca was een Mulat, genaamt Capitain ADOE, die, by deeze gelegenheid, tot een blyk van onafhangelykheid, eene fraaije rotting met een zilveren knop, waar op het wapen van Surinamen gesneden was, van den Gouverneur ontfing. By het zelfde Verdrag beloofde men hem andere geschenken, waar onder voornamelyk wapenen en krygsbehoeften waaren: zy moesten hem eerst het volgende jaar gezonden worden; waar na de volkomene vrede zoude gesloten worden. ADOE bood tot een weder-geschenk een fraaije boog aan, met een koker vol pylen, door hem zelf gemaakt, tot een teeken, dat, in dien tusschentyd, alle vyandelykheid van zyn kant zoude ophouden.
Deeze vrede verwekte een groot genoegen by het voornaamste gedeelte der inwoonders van Surinamen, die zig vleiden, dat hunne goederen en persoonen nu in zekerheid zyn zouden: anderen beschouwden dit Verdrag als een zeer gevaarlyke bron, en zelfs als eene voltooijing van den onvermydelyken ondergang der Volkplanting.
Ik moet, wel is waar, erkennen, dat men niets als gevaarlyker moet achten, dan zig op de vriendschap van menschen te vertrouwen, wier gestrenge slaverny hen genoodzaakt heeft om hunne keetens te verbreken, en die door dit vertrouwen nog geduchter worden kunnen. De oproerigheid, eenmaal tot de hoogte geklommen, waar in zy zig tans bevond, hadden de Colonisten dezelve, zoo veel in hun vermogen was, behooren te bestryden, niet uit een beginzel van wreedheid, maar ten voordeele van eene zoo schoone Bezitting.
Indien de mishandelingen deeze ongelukkige schepzels tot zulke uitersten gedreven hebben, had de staatkunde, zoo wel als de menschelykheid, aan de Colonisten voor het vervolg een ander gedrag behooren voor te schryven. Men zal misschien vragen, of 'er eenig middel is om Negers tot onderwerping te houden, en hen tot den arbeid te noodzaaken, zonder de stiptste en zelfs de gestrengste Reglementen? Ongetwyffeld neen; maar ik mag op myn beurt vragen, of het noodig is verschrikkelyke folteringen aan hun te werk te leggen, volgens de eigenzinnigheid en wrevel van eenen wreeden meester, of, het geen nog erger is, van eenen verdwaasden Bevelhebber? Waarom worden de Negers omtrent redelyke klagten nooit gehoord door eene Overheid, die de magt heeft om daaromtrent herstel te bezorgen? Is het, om dat deeze Regeerings-persoon zelf een Planter is, en dat hy belang heeft by de handhaving van een willekeurig bestuur, waar door dit ongelukkig geslacht gedrukt word?—Dit is maar al te duidelyk.—Ik zou egter onrechtvaardig zyn, indien ik niet verklaarde, op verscheide Plantagiën de slaaven met de grootste menschlievenheid te hebben zien behandelen, dat des meesters hand niet wierd opgeheven, dan om hen te streelen, en dat hunne dankbaarheid en liefde ook uit hun gezicht te leezen was.
Laaten wy voortgaan, en de gevolgen van deezen vrede met de muitelingen van Saraméca beschouwen.
In den jaare 1750, dat is, een jaar daar na, wierden de geschenken, die men aan Capitain ADOE had toegezegd, aan denzelven gezonden; maar die 'er mede belast waaren, wierden op hunnen weg aangevallen, en alle de afgezondene manschappen lieten aldaar het leven; wordende zylieden door een party Negers, vereenigd onder een wanhoopig hoofd, genaamd ZAM-ZAM, die omtrent het Vredes-verdrag niet geraadpleegd was geworden, vermoord. Hy maakte zig meester van alles, wat deeze afgezondene manschappen met zig voerden, bestaande in wapenen, krygsbehoeften, linnens en andere stoffen, zaagen, bylen, en ander timmer-gereedschap, behalven gezouten ossen- en varkens-vleesch, en geestryke dranken. ADOE van zyn kant, op den bepaalden tyd, de aan hem gedaane belofte niet vervult ziende, en zig verbeeldende, dat men in den zin had hem op te houden, tot dat men nieuwe versterkingen uit Europa ontfangen zoude hebben, hernam de vyandelykheden. De vrede wierd dus door dit ongelukkig toeval onmiddelyk verbroken: de wreedheden en verwoestingen begonnen wederom met meerder ernst dan ooit, en de dood en vernieling verspreidden zig op nieuw over de Volkplanting.
In 't jaar 1751, bevond dezelve zig in den deerniswaardigsten staat, en de grootste verwarring. De inwoonders zich aan de Staaten Generaal vervoegd hebbende, deeden de laatstgemelden den Baron SPOKE met zes honderd mannen, die uit verschillende legerbenden in Hollandschen dienst genomen waaren, derwaarts vertrekken. Hy had last, om den Gouverneur MAURITIUS naar Europa te zenden, om aldaar zyn gedrag te verantwoorden: de laatstgemelde kwam niet weder in de Volkplanting. In 't jaar 1753, verzogt en verkreeg hy zyn afscheid, na eene eerlyke kwyting ontfangen te hebben. SPOKE, die, geduurende de afwezigheid van MAURITIUS, deszelfs post moest waarneemen, vond alles in de grootste wanorde. De onëenigheid tusschen de inwoonders en hunne hoofden, was tot die hoogte gestegen, dat het juiste oogenblik daar was, om 'er zonder verwyl in te moeten voorzien. De Baron hield zig daar mede wel bezig; maar hy stierf een jaar na zyne aankomst; en alles wierd op nieuw het onderst boven gekeerd.
In 't jaar 1757, den staat der zaaken dagelyks hoe langer hoe erger wordende, geduurende het bestuur van den heer CROMMELYN, toen Gouverneur van deeze Volkplanting, barste 'er een nieuwe opstand, veroorzaakt door de mishandelingen, die de Negers van hunne meesters ondergingen, in de Tempaty-Kreek uit: deeze opstand wierd wel dra één van de ernstigste. De muitelingen verëenigden zig met zestien honderd andere kastanje-bruine Negers, die zedert langen tyd zig op agt dorpen hadden nedergeslagen, in de nabyheid van deeze zelfde Kreek. Zy leverden verscheide gevechten, waar van de goede uitslag hun wapenen verschafte; en de Colonisten zagen zig gedwongen om vrede met hun te maaken, zoo als, in 't jaar 1749, met de muitelingen van Saraméca.
Geduurende deezen opstand, wierd één der Capitains van het krygsvolk der Societeit, genaamt MEYER, ter zaake van lafhartigheid voor eenen krygsraad betrokken. Schuldig bevonden zynde, wierd hy verweezen om doodgeschoten te worden, en gevolgelyk wierd hy naar de strafplaats gebragt, alwaar alles in gereedheid zynde om hem dood te schieten, hy van den Gouverneur vergiffenis verkreeg, die hem naderhand niet alleen met veel achting behandelde, maar hem bovendien tot den rang van Majoor verhief.
Om te bewyzen, hoe ongerymd het vooroordeel is, het geen menschelyke schepsels als beesten doet beschouwen, alleenlyk om dat ze van ons in kleur verschillen, zal ik hier eenige der voornaamste omstandigheden en plechtigheden schetsen, die het sluiten van deeze vrede hebben vergezelt.
Het eerste voorstel der Colonisten was een verzoek tot een mondgesprek, het welk de muitelingen toestonden. In den loop der byeenkomst vorderden de laatstgemelden, dat de Hollanders hun jaarlyks, onder veele andere artikelen, eene zekere hoeveelheid van schietgeweer en krygsbehoeften zenden zouden. Alle deeze zaaken stonden vermeld op een lange lyst, in slecht Engelsch geschreven door een Neger, genaamt BOSTON, die Capitain der muitelingen was.
De Gouverneur, de heer CROMMELYN, deed derhalven twee Commissarissen vertrekken, de heeren SOBER en ABERCOMBIE, die, onder geleide van eenige soldaaten, de bosschen doortrokken; zy waaren met geschenken belaaden, en hadden magt om over eenen volkomenen vrede te handelen.
In de legerplaats der muitelingen aan de Jocka-Kreek, vyftien mylen ten oosten van de Tempaty-Kreek gelegen, wierden zy aan een Neger, een zeer schoon manspersoon, genaamd ARABY, die als Opperhoofd het bevel voerde, en in de bosschen geboren was, aangeboden. Hy ontfing hen zeer vriendelyk, nam hen by de hand, en verzogt hen om in 't groen naast hem te gaan zitten. Tevens verzekerde hy hun, dat zy niets te vreezen hadden; en dat zy door eene geheiligde beweegreden derwaarts geleid zynde, niemand hen zoude willen nog durven ontrusten.
Toen de Capitain BOSTON echter bemerkte, dat de Commissarissen niets medebragten, dan beuzelingen, als messen, schaaren, kammen, spiegeltjes, en de voornaamste stukken, te weten het buskruid, de schietgeweeren, en de krygsbehoeften, vergeten hadden, naderde hy hun op eenen bitsen toon, en vroeg hun, met een donderende stem, of de Europeaanen dagten, dat de Negers niets dan kammen en spiegels noodig hadden; hy voegde 'er by, dat één stuk van het laatstgemelde huisraad voldoende was, om aan hun allen hun eigen gezicht te laaten bezien, terwyl een enkel vat manfanny (buskruid,) aan hun werdende aangeboden, hun gestrekt zoude hebben tot een bewys van het vertrouwen, dat men in hun stelde. Hy eindigde met te zeggen, dat, dewyl men zulke gewichtige zaaken vergeten had, hy nimmer in de te rug komst der Commissarissen zoude toestemmen, tot dat men alles, wat op de lyst stond, gezonden zoude hebben, en dat gevolgelyk het Verdrag zoude zyn volvoert geworden.
Deeze te rug komst wierd egter bewerkt door een anderen Neger, genaamd de Capitain QUACO, welke verklaarde, dat deeze heeren slechts afgezondenen van den Gouverneur waaren; dat zy, voor zyne daaden niet verantwoordelyk zynde, zekerlyk zonder eenig leed zouden te rug keeren; en dat niemand, zelfs hy Capitain BOSTON niet, zig zoude hebben te verstouten, om zig tegen hun vertrek te verzetten.
Het Opperhoofd gebood toen het zwygen, en verzogt ABERCOMBIE, om zelf een lyst te schryven, die hy hem op gaf. Toen dezelve was afgemaakt, en de Commissarissen belooft hadden die te zullen overbrengen, verklaarden hun de Negers, dat zy aan den Gouverneur en aan zynen Raad een geheel jaar lieten, om 'er zig over te beraaden, en den vrede of den oorlog te verkiezen; zy verbonden zig onder eede, dat in dien tusschen-tyd alle vyandelykheid van hunnen kant zoude ophouden. Vervolgens onthaalden zy de afgevaardigden, zoo goed als hunne gelegenheid in het midden der bosschen zulks toeliet, en zy wenschten hun een goede en behoudene reis.
Een van de Officiers der muitelingen deed by deeze gelegenheid de Commissarissen opmerken, dat het wel ongelukkig was, dat de Europeaaen, die zig eene beschaafde natie noemden, de oorzaak van hun eigen verderf waaren, door hunne onmenschelykheid jegens hunne Slaaven. "Wy verlangen, voegde hy 'er by, dat gy aan uwen Gouverneur en Raaden zegt, dat, zoo zy geenen opstand meer hebben willen, zy zorge moeten dragen, dat de Planters de menschen, die hun eigendom zyn, beter behandelen, en hen niet overlaaten aan de mishandeling van Bevelhebbers en Opzigters, die zig in den drank te buiten gaan, die de Negers met zoo veel onrechtvaardigheid, als wreedheid straffen, die hunne vrouwen en dogters verleiden, de zieken verwaarloozen, en op die wyze een groot aantal arbeidzaame en sterke menschen naar de bosschen jaagen, die met hun zweet uw onderhoud winnen, zonder welken de Volkplanting niet zoude kunnen bestaan, en aan wien gy eindelyk het onverdiend geluk hebt, om zoo laag den vrede te komen afbidden."
ABERCOMBIE de muitelingen verzogt hebbende, om hen door één of twee van hunne voornaamste Officieren tot Paramaribo te doen vergezellen, alwaar hy beloofde, dat zy wel ontfangen zouden worden, antwoordde ARABY hem met een glimlach, dat dit na een jaar de tyd zou zyn, wanneer de vrede geheel en al zou gesloten wezen; dat hy hun dan zynen jongsten zoon zoude zenden, om naar de manieren der Europeaanen te worden opgevoed; maar dat hy voor het onderhoud van hem zelf, en van de geenen, die van hem zouden afhangen, zoude moeten zorgen, zonder immer aan de Colonisten den minsten overlast te veroorzaaken.
De Commissarissen verlieten de muitelingen na dit bekomen antwoord, en de geheele bezending kwam gezond en behouden te Paramaribo te rug.
Het jaar uitstel verloopen zynde, zonden de Gouverneur en het Hof der Volkplanting twee nieuwe Commissarissen naar de legerplaats der Negers, om eindelyk deezen zoo gewenschten vrede te sluiten, en na veele tegenkantingen en zwarigheden van de eene en andere zyde, wierden 'er de voorwaarden van bepaalt. De Europeaanen beloofden alle de geschenken, die men hun afvroeg. De Negers drongen van hunnen kant, tot een bewys hunner genegenheid, aan, dat elk der Commissarissen eene van hunne schoonste meisjens tot zyn gezelschap nemen zoude, zoo lang zy beiden in hunne legerplaats verblyven zouden. Zy behandelden hen edelmoediglyk, en bedienden hen van wild-braad, visch, vrugten, in alles het beste, wat het bosch opleverde; en zy hielden zig aanhoudend bezig met hun de vermaaken te verschaffen van dansen, speelpartyen, en verdubbelde salvo's met schietgeweeren.
By de te rug komst der Commissarissen, wierden de bedongene geschenken aan de Negers van de Jocka-Kreek afgezonden; en het geen merkwaardig is, de geen, dien men met het overbrengen van dezelve belastte, was die zelfde MEIJER, die, schoon aan het hoofd van zes honderd mannen, zoo soldaaten als slaaven, gesteld zynde, hen niet had durven bestryden. De kleinmoedigheid van deezen Officier bleek zelfs by deeze gelegenheid, en bragt byna de geheele zaak in de war; want hy had de zwakheid, tegen de aan hem gegevene beveelen, om de geschenken over te geven, zonder wederkeerig de beloofde gyzelaars te ontfangen. By geluk hield ARABY zyn woord, en zond uit dien hoofde vier van zyne beste Officiers naar Paramaribo. De vrede wierd, door dit middel, volkomentlyk gesloten. Een Verdrag van twaalf of dertien Artikelen wierd, in 't jaar 1761, door de Hollandsche Commissarissen, ter eenre, en door zestien Neger Capitains en ARABY zelven, ter andere zyde, geteekend. De plechtigheid der teekening wierd verrigt op de Plantagie Ouca, aan de Rivier van Surinamen, werwaarts de te zamen verdragende partyen zig begaven.
Deeze teekening egter kwam aan den Bevelhebber ARABY en de zynen niet voldoende voor. Zig door eenen eed verbonden hebbende, vorderden zy, dat de Commissarissen van gelyken deeden, en op de zelfde manier als zy, zig niet vertrouwende, zoo zy zeiden, op den eed der Christenen, door wien zy denzelven zoo dikwerf hadden zien schenden. Men moet toestemmen, dat de Negers zulke naauwgezette waarneemers van deeze plechtige verbintenis zyn, dat ik, geduurende myn geheele verblyf in de Volkplanting, nimmer gezien hebbe, dat een enkele van hun denzelven niet getrouwelyk is naargekomen.
Zie hier, op welke wyze deeze Eed wierd afgelegd. Men trok, met een lancet of pennemes, eenige droppels bloed van een Europeaan en van een Neger: dit bloed wierd in een calebas-fles of kelk gevangen, en dezelve wierd vervolgens gevuld met schoon en helder water, waar in men ook eenige vinger-greepen drooge aarde geworpen had. Allen die tegenwoordig waaren, zonder uitzondering, dronken van dit mengzel; het geen genoemd word elkanders bloed te drinken; maar vooraf spreidde men 'er van op den grond, als een godsdienstig sprengen op het autaar. Vervolgens nam de Gadoman, of Priester, met de oogen en armen hemelwaarts, hemel en aarde tot getuigen; daar na bad hy, met eene verstaanbaare en harde stem, en in de afgryzelykste uitdrukkingen, den Almachtigen, om zyne eeuwige vervloeking te doen komen over hun, die dit geheiligd Verdrag, dat men stond te sluiten, het eerst verbreken zouden. De meenigte van Negers gaf, op deeze plechtige verwensching, ten antwoord da so; het welk in hunne taal beteekend amen.
Toen de plechtigheid geëindigt was, ontfingen ARABY, en elk van zyne Capitains, om hen van de Negers van laageren rang te onderscheiden, even als men, in 't jaar 1749, met opzigt tot ADOE gedaan had, een fraaije rotting met een zilveren knop, waar op insgelyks het wapen der Volkplanting gesneden was.
De Negers, welke hier bedoelt worden, dragen den naam van Oucas, naar de Plantagie alwaar deeze vrede getekend wierd. Deeze naam onderscheid hen van die van Saraméca, waar van ik hier boven gesproken heb, en by vervolg nog spreken zal.
Byna op deezen zelfden tyd wierd het Octroy van vrydom door hun Hoog Mogenden, ten behoeven van de West-Indische Compagnie, vernieuwd, mits vyf millioenen ponden sterling, tegen den interest van zes ten honderd, ter leen opschietende. Deeze vernieuwing was op twee andere tyden reeds mede geschied.
Dit zelfde jaar wierd de vrede ook, voor de tweede maal, met de Negers van Saraméca gesloten. Hun eerste Opperhoofd ADOE was niet niet meer in leven, en zyn opvolger was een zwarte, genaamt WILLE. Deeze nieuwe vrede wierd ongelukkiglyk ontrust door eenen Capitain, genaamt MUZINGA, die geene der geschenken, aan WILLE gezonden, ontfangen had: zy waaren op weg onderschept geworden, even als, onder ADOE, de woeste ZAM-ZAM gedaan had; met dit onderscheid egter, dat niemand der overbrengeren gedood, nog mishandeld wierd.
De Capitain MUZINGA, dus voorönderstellende, dat de Colonisten hunne trouw geschonden hadden, streed als een wanhoopige tegen hen: hy noodzaakte eene aanzienlyke krygsbende om te rug te deinzen, na een aantal manschappen van dezelve gedood, en al haar legertuig en krygsbehoeften weg genomen te hebben.
Echter wierd de oorzaak van zyn misnoegen wel dra bekend, en men vond middel om hem te vreden te stellen, door hem dezelfde geschenken, als aan alle de andere hoofden, toe te zenden. De vrede wierd toen (in 't jaar 1762) tusschen de Colonisten en de Negers van Saraméca voor de derde maal gesloten: dezelve heeft ongestoord tot den huldigen dag blyven voortduuren. De voorwaarden daar van zyn zorgvuldig naargekomen, de Oucas-Negers hebben van gelyken gedaan; en beiden hebben op deeze wyze door hunne dapperheid hunne vryheid verkregen.
De gyzelaars en hoofden van deeze twee opgekomene volken wierden, by hunne aankomst op Paramaribo, aan de tafel van den Gouverneur toegelaten, die hen vooraf in zyn eigen koets, statelyk de Stad deed doorryden.
De Oucas- en Saraméca-Negers moeten, zoo als ik reeds gezegd heb, volgens hunne Capitulatie, jaarlyks eene zekere hoeveelheid wapenen en krygsbehoeften ontfangen. Van hunnen kant, beloofden zy zig steeds als getrouwe bondgenooten te gedragen, alle overloopers tegen eene behoorlyke premie te rug te zenden, nooit gewapend op Paramaribo te verschynen, ten getaale van meer dan vyf of zes mannen te gelyk, en hunne bezittingen op eenen behoorlyken afstand van deeze Stad en van de Plantagiën te houden. De Negers van Saraméca bewoonen de oevers van de Rivier van dien naam, en de Oucas de omliggende streeken van de Jocka-Kreek, by de Rivier Maroni. Een of twee blanken moeten, als Afgezanten, in 't midden van deeze volken hun verblyf houden.
In het tydperk, waar van ik spreek, konden zy gerekend worden uit omtrent drie duizend zielen te bestaan; maar eenige jaaren laater wierd hun getal, de vrouwen en kinderen daar onder gerekend, door de Commissarissen, die tot het onderzoeken van hunne bezittingen afgezonden waaren, op byna vyftien of twintig duizend gerekend. Zy hebben reeds veel moedwilligheid doen blyken; zy zwaaijen met hunne rottingen met vergulde knoppen, tot een teeken van wantrouwen op de inwoonders; zy perssen hun sterke dranken, en zelfs geld af; en zy herinneren hun, hoe wreedaartig hunne voorouders zyn vermoord geworden.
Volgens alle deeze omstandigheden, en deezen trapswyzen aanwas, moet ik besluiten, dat indien de goede verstandhouding immer ontrust word, deeze nieuwe bondgenooten de gevaarlykste vyanden worden zullen, welke de Volkplanting van Surinamen kan hebben te bestryden.
In 't jaar 1763, zou de Stad Paramaribo geheel en al zyn verbrand geworden, zonder den moed en onverschrokkenheid der bootsgezellen, die met gevaar van hun leven, en zonder eenige andere hulp, een algemeenen brand voorkwamen.
Byna gelyktydig barste 'er aan boord van het Schip Nyenburg, naar Oost-Indiën bevracht, en waar op Capitain KETEL het bevel voerde, een opstand uit. Het Scheepsvolk, voornamelyk bestaande uit Duitsche en Fransche overloopers, die in Holland geworven waaren, stond tegen hunne hoofden op, vermoordde de meeste Officiers, zette de anderen in boeijen, en zeilde met het Schip naar Brasiliën. De hoofden der muitelingen gingen aan land; zy gaaven zig aldaar aan allerleie buitenspoorigheden over, en twisten waaren 'er het gevolg van. De Portugeesche Gouverneur, na dit wangedrag wel dra kennis bekomen hebbende, wie zy waaren, liet hen allen gevangen zetten; maar hunne medepligtigen, die aan boord waaren, de lucht hebbende van 't geen 'er gebeurde, ligtten dadelyk het anker, en zeilden naar Cayenne, alwaar deeze opstand zeer schielyk gedempt wierd; want de Franschen, zig van het Schip en volk meester gemaakt hebbende, zonden die beiden naar Surinamen. op. Aldaar aangekomen zynde, ontfingen de schuldigsten hunne straf aan boord van dat zelfde Schip, het geen zy overweldigt hadden, en toen (in 't jaar 1764,) op de reede van Paramaribo ten anker lag. Een deezer schelmen wierd onthoofd; men hing 'er zes aan de groote raa op; hunne hoofden wierden op pieken gestoken, en in kooijen gesloten, die daar toe opzettelyk gemaakt waaren, en aan het strand geplaatst wierden. De Portugeezen van hunnen kant deeden de geenen, die zy gevangen genomen hadden, naar Amsterdam vertrekken: zy wierden ook ter dood gebragt, en ontfingen hunne straf aan boord van het Schip Weststellingwerf, op de reede van Texel. Dit zelfde Schip maakte by ons vertrek uit Holland een gedeelte van onze vloot uit. De lyken van deeze booswigten wierden in yzere ketens opgehangen, en, anderen ten voorbeelde, langs de Kust geplaatst.
Dit zelfde jaar, wierden insgelyks drie Soldaaten der Volkplanting of Societeit, die aan muiterye en overloopen schuldig stonden, te Surinamen gestraft; maar, dewyl hun geval in zyn zoort zeer zonderling is, zal men my, zoo ik hoop, ten goede duiden, dat ik 'er eenige omstandigheden van opgeeve.
Geduurende eenen opstand, in 't jaar 1761 voorgevallen onder de Negers van de Volkplanting de Berbices, die zoo wreedelyk niet mishandeld waaren als elders, wierd een Regiment van Zee-Soldaaten onder bevel van den Colonel DE SALSE uit Holland naar deeze zelfde Volkplanting gezonden; en de naby gelegene bezittingen deeden ook eenig krygsvolk vertrekken, om den opstand te dempen. De uitslag daar van wierd spoedig beslist. De bosschen in dit gedeelte van Guiana van een kleinen omtrek zynde, kan men daar gemakkelyk doordringen, het geen de muitelingen belet zig aldaar staande te houden, en hun geene zekere schuilplaats tegen hunne vervolgers bezorgt. Het gevolg daar van was, met opzigt der tegenwoordige muitelingen, dat een groot getal van hun gedood wierdt, anderen gevangen genomen, de overigen eindelyk genoodzaakt zig op genade of ongenade over te geven; zonder 't welk zy van honger zouden hebben moeten sterven.
Geduurende den loop van deezen tocht wierd een hoop krygsvolk van zeventig mannen, een Officier aan 't hoofd hebbende, en door de Volkplanting van Surinamen afgezonden, aan de oevers van de Corantyn geplaatst. Deeze afgezondene manschappen, verëenigd met een party Indianen, de natuurlyke vyanden der Negers, maar Vrienden der Europaanen, versloegen de muitelingen in eene schermutzeling, doodden 'er verscheiden van, en hernamen voor de waarde van omtrent dertig duizend ponden sterling aan goederen, die op de nabuurige Plantagiën geroofd waaren. De bevel-voerende Officier deezen buit onvoorzigtiglyk onder de Indianen alleen verdeelt hebbende, zonder 'er zyne soldaaten van mede te deelen, maakte hen dermaten te onvreden dat zy aan het muiten sloegen.
Hem verlaten hebbende, begaven zy zig naar den kant van de Orenoco, dwars door de bosschen, in de hoop van wel dra in de Spaansche Bezittingen aan te landen, en aldaar gunstig te zullen ontfangen worden. Maar hoe waaren deeze schelmen in hunne verwagting bedrogen, toen zy op den tweeden of derden dag van hunnen tocht de muitelingen ontmoetten. In weerwil van de sterkste betuigingen der soldaaten, dat zy zonder eenig kwaad oogmerk gekomen waaren, in weêrwil van hunne ernstige verzoeken, om hen vryelyk te laten doortrekken, hielden zy hen verdacht, dat zy als spions waaren afgezonden, om hen te verraaden: zy vorderden derhalven, dat zy de wapenen zouden nederleggen; het welk gedaan zynde, schaarden deeze muitelingen de overgeloopenen dadelyk onder eene linie; toen koozen zy tien of twaalf van hun uit, om hen in het oppassen hunner zieken en gekwetsten te helpen, om hunne snaphaanen te herstellen, en om buskruid te maken, iets, waar mede zy niet wisten te recht te komen; vervolgens verweezen zy de anderen ter dood, het welk oogenblikkelyk wierd ter uitvoer gebragt; en meer dan vyftig deezer elendigen wierden op staande voet daar ter plaatse dood geschoten.
Men kan gemakkelyk naargaan, dat zy, die door deeze Negers in 't leven behouden wierden, een droevig leven onder hen leidden; en in de daad de meesten vergingen, na verloop van eenige maanden, door mishandelingen, vermoeijenis en, gebrek. De anderen wierden, toen de muitelingen zig op genade of ongenade overgaven, in yzere boeijen gesloten, en naar de Volkplanting van Surinamen opgezonden. Drie van hun wierden ter dood veröordeeld, namelyk twee om levendig gerabraakt, en de derde om opgehangen te worden. Een van de eerstgemelden was een Franschman, genaamt RENAULD, die de gevoelens der Negers, toen hy by hun verkeerde, scheen te hebben ingezogen. Op 't punt zynde van zyn straf te ondergaan, spoorde hy met een heldenmoed, zyn medgezel, een Duitscher van geboorte, die reeds by hem gebonden en uitgerekt lag, aan, om zig onverschrokken te gedragen; en op het tydstip zelven, dat de beul bezig was met zynen verschrikkelyken post aan hun beiden uit te oeffenen, zeide hy hem, dat de reize des levens ras geëindigd zoude zyn.
De hoofden der muitelingen wierden by dozynen levendig verbrand, en zy gaaven den geest, zonder eenig gekerm, zelfs zonder eenigen zucht te loozen. Het ongelukkig lot deezer elendigen verwekte een groot mededogen. Het is onmogelyk, zonder van de levendigste veröntwaardiging doordrongen te zyn, om aan eene zoo afschuwelyke strafoeffening te gedenken, die aangedaan wierd aan menschen, welke door geweld en onderdrukking tot wegloopen genoodzaakt waaren geworden.
Met dit al vermeene ik te moeten staande houden, dat de stiptste tucht, en de grootste ondergeschiktheid, door de rechtvaardigheid gematigd, onder een talryk volk, hoedanig het zelve ook zy, volstrekt noodzakelyk zyn, niet alleen ten nutte van het algemeen, maar als het eenig middel om de gestrengheid jegens byzondere persoonen (het gewoon gevolg van eene te groote toegevenheid) te ontwyken, en om eindelyk niet met weêrzin gedwongen te worden, de goede orde door aanhoudende gestrengheden en kastydingen te herstellen.—Laaten wy tans deeze treurige toneelen verlaaten, en overgaan om te beschouwen, wat 'er al gelukkigs aan de Volkplanting van Surinamen, geduurende de kortstondige oogenblikken van haaren voorspoed, is te beurt gevallen.
Eene korte tusschenpoozing van overvloed en vrede.—Nieuwe opstand, welke groote nadeelen, en byna den ondergang der Volkplanting veroorzaakt.—Monstering van het krygsvolk tot derzelver verdediging.—Gevecht tusschen dezelven en de muitelingen.—Goed gedrag van eene bende Negers.—Aankomst der Zee-Soldaaten van den Colonel FOURGEOUD.
In 't jaar 1764, waaren de goude en zilvere speciën in Surinamen zoo zeldzaam, dat men daar aan te gemoet kwam door papieren-geld, een byzonder afdrukzel vertoonende. Het zelve bedroeg in 't geheel de somme van 40,000 ponden sterling, en diende in plaats van gemunt geld, met een verlies van 10 ten honderd.
In 't jaar 1769, viel 'er eene gebeurtenis voor, misschien eenvouwdig in zig zelve, maar zeer buitengewoon in dit Land; alwaar men 'er zeer verwonderd over was. Eene vrye Negerin, genaamt ELIZABETH SAMPSON, trouwde met een Europeaan. Zy had meer dan honderd duizend ponden sterling geërft van iemand, wiens slavin zy geweest was. Zig aan hun Hoog Mogenden vervoegd hebbende, om verlof tot het aangaan van dusdanig huwelyk te bekomen, wierd haar verzoek aan haar toegestaan. Dienvolgende liet zy zig doopen, en trouwde met een Colonist, genaamt ZUBLI.
Het volgend jaar, onderging de Volkplanting eene aardbeving, die egter weinige nadeelen veroorzaakte.
In 't jaar 1769, geraakte de geheele Kust in brand, van Cayenne af tot de Rivier van Demerary toe. Dit viel voor in den zomer, toen alle de bosschen door de hitte uitgedroogt waaren, en het onderste gedeelte der boomen met afgevallen blaaden bedekt was. Men meent, dat deeze brand het gevolg was van de agteloosheid der Indiaanen of muitelingen. De vlammen waaren zoo geweldig, dat zy verscheide Plantagiën met haaren ondergang dreigden; en geduurende den nacht, was derzelver gezicht van den zeekant verschrikkelyk. De ooste wind maakte by dag zulk een dikken rook, dat men elkander op den afstand van vyftien of twintig voeten niet konde zien: de stank daar van was ondraaglyk.
Dit zelfde jaar ontdekte men eene groote meenigte van rots-kristal in het binnenste van Hollandsch Guiana.
In 't jaar 1770, verkogt het Huis van SOMMELSDYK deszelfs aandeel in de Volkplanting aan de Stad Amsterdam, voor de somme van 63,636 ponden sterling. Zedert dit tydperk bezit de laatstgemelde 'er dus twee derde van; het ander een derde behoord steeds aan de West-Indische Compagnie, en deeze maaken te zamen, zoo als ik reeds gezegd heb, de Societeit van Surinamen uit. De Volkplanting scheen toen in een bloeijenden, en voordeeligen staat te zyn. Het sluiten van het Verdrag met de Negers van Saraméca en de Oucas-Negers scheen aldaar de goede orde en den vrede te rug te brengen. De inwoonders, vermeenende dat zy voor hunne persoonen en eigendommen niets meer te vreezen hadden, begaven zig tot vermaaken en vrolykheid, tot verkwisting en overdaad. De Volkplanting van Surinamen was als een groote en fraaije tuin, alwaar men alles verëenigd vond, wat natuur en kunst kunnen voortbrengen, om het menschelyk leven voor hem zelven aangenaam en voor de Maatschappy voordeelig te maken. De voorwerpen, welke overdaad en nooddruft vorderen, waaren aldaar in overvloed. Alle de zintuigen genoten aldaar te gelyk; en om zig van den verbloemden spreektrant van een heilig Boek te bedienen, Surinamen was een land van melk en honig vloeijende.
Maar deeze gelukstaat duurde korten tyd. De Planters, te schielyk willende ryk worden, dagten niet meer aan den deerniswaardigen toestand hunner Slaven. Terwyl aan de eene zyde de wellust en ongebondenheid heerschten, vermeerderde aan den anderen kant, naar evenredigheid, de elende. De vernieling, waar mede de Colonisten gedreigd wierden, had zig uit hun geheugen uitgewischt. Maar te gelyker tyd hadden de gelukkige vorderingen van de Oucas-Negers, en die van Saraméca de andere Slaven tot muiterye aangemoedigt; en door alle deeze oorzaaken te zamen, zag de Volkplanting zig op nieuw in eene pyllooze diepte van onheilen gedompeld. De schoonste Plantagiën wierden een prooy der vlammen; de bewoonders van de oevers der Cottica wierden vermoord, en hunne goederen geplonderd door de Negers, die allen, zoo wel mannen, als vrouwen en kinderen, zonder onderscheid, in de bosschen weg vloden.
Deeze nieuwe oproerigen wierden van de anderen onderscheiden, onder den naam van muitelingen van Cottica, in welkers nabyheid de vyandelykheden begonnen waaren. Hun getal van dag tot dag aangroeijende, wierden zy wel dra zoo geducht, als die van Saraméca en de Oucas-Negers geweest waaren, en in 't jaar 1772, hadden zy aan de Volkplanting van Surinamen byna den laatsten slag toegebragt. In dit noodlottig tydperk was alles in schrik en verslagenheid. Het grootste gedeelte der Colonisten, voor een algemeenen moord beducht, vlood uit hunne wooningen weg, en nam in meenigte de wyk naar Paramaribo. In deezen staat van zaak en moest men tot een gevaarlyk middel zyn toevlucht neemen, het oprechten namelyk van eene krygsbende van vrygemaakte Slaven, om tegen hunne landgenooten te vechten. Dit gewaagd besluit wierd egter door een gelukkige uitkomst agtervolgt, in weêrwil van de wreede mishandelingen, die de Slaven in deeze Bezitting gemeenlyk ondervinden. Deeze dappere lieden gingen alle verwagting te boven, en deeden wonderen. Zy trokken op, en streeden met het krygsvolk van de Compagnie, welker getal tot verdediging der Volkplanting niet meer voldoende geöordeeld wierd. De Societeit van Surinamen, zig op zulke wisselvallige kragten niet verlatende, vervoegde zich aan zyne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Orange, om een regiment geregeld krygsvolk derwaarts te zenden; en dienvolgende wierd ons volk ingescheept, zoo als ik reeds verhaald heb. Dewyl intusschen de gebeurtenissen, die onze komst vooraf gingen, van het uiterste gewicht zyn, zal ik trachten dezelve, volgens de zekerste onderrigtingen, aan myne lezers mede te deelen.
Het geregeld krygsvolk uit Europa, het welk aan de Societeit van Surinamen behoort, moet eigentlyk een getal van twaalf honderd mannen uitmaken, zynde verdeeld in twee bataillons, en gedeeltelyk door de Societeit, gedeeltelyk door de inwoonders betaald wordende; maar nooit zyn dezelven voltallig, om verscheidene redenen.—Eenigen laaten op den overtocht het leven; anderen kunnen zig aan de luchtstreek niet gewennen, of de gevaaren en vermoeijenissen doorstaan, welke zy in de moerassen en bosschen van Surinamen ondervinden. Behalven ons volk, zondt de Stad Amsterdam eene versterking van drie honderd andere manschappen; maar naauwlyks waaren 'er vyftig tot den dienst bekwaam, toen zy ontscheepten. De overigen hadden, door de onmenschelykheid van hun Opperhoofd H——, een byna zoo beklagenswaardig lot, als die ongelukkige Afrikaansche Negers, welke een Scheeps-Capitain, in den jaare 1787, ten getale van twee-en-dertig in zee deed werpen. De ongelukkigen, die onder het bevel van deezen H—— stonden, wierden door eene nuttelooze gestrengheid gepynigd, en het ontbrak hun, om zoo te spreeken, aan het noodig voedzel. Zyn Lieutenant, de wreedaartige kastydingen, die hy hun aandeed, niet langer kunnende aanschouwen, wierp zig in zee.