[37]Volgens eigenhandig geschreven brieven onderteekende hij zich Marten Gerritsz. Fries.
[37]Volgens eigenhandig geschreven brieven onderteekende hij zich Marten Gerritsz. Fries.
[A1]Deze reis was echter geenszins onvruchtbaar, voor de kennis der Aardrijkskunde. Onder anderen werden eenige eilanden ontdekt, die door den Heer von Siebold voor dezelfde erkend zijn, die later door de Engelschen deBonineilanden werden genoemd. Deze eilanden liggen op 26 gr. 38 min. en 27 gr. 4 min. N.Br., en 142 gr. 28 min. en 142 gr. 20 min. O.L. vanGreenwich. Zie zijneGeschichte der Entdeckungen im See-gebiete von Japan, nebst Erklärung des Atlas von Land- und See-karten vom Japanischen Reiche und dessen Neben- und Schutz-Ländern.Leyden, 1852. bl. 7.
[A2]Verklaring der cijfers en letters in dezen brief voorkomende:
T. a. r. t. a. r. i. e. n. Goud en Zilver E. y. l. a. n. d. e. n.Oo. s. t. e. n. J. a. p. a. n. J. a. p. a. n.n. o. o. r. t. T. a. r. t. a. r. i. e. n.
[A3]Deel II, bl. 52.
[A4]Considérations sur les nouvelles découvertes au Nord de la grande mer du Sud. Paris. 1753. pag. 90.
[A5]Journael van de reyse gedaen beoosten straetLe Mairenaer de custen vanChily, door den Admirael Hendrick Brouwer, in 1643.Amsterdam.1646.
[A6]Voyage de La Perouse autour du Monde.Paris.1785-1787. Tom. III, pag. 117-157.
[A7]Verhandeling over eenige vroegere zeetogten der Nederlanders.Amsterdam.1825. bl. 202-214.
[A8]1848-1849. Tom. III. pag. 400.
[A9]Idem, pag. 401.
[A10]Von Siebold, bl. 12.
[A11]ZieBijlage No. 10, bl. 259.
[A12]La Perouse, Tom. III. pag. 153.
[A13]Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden vanIndië, van 31 December 1642.
[A14]t. a. pl. bl. 205.
[A15]Zie Bijlage No. 6,bl. 247.
[A16]Missive Gouverneur-Generaal en Raden vanIndië, aan den Gouverneur Paulus Traudenius opFormosa, van 13 Junij 1640.
[A17]Idem, van laatstgenoemde, aan den Gouvern.Generaal enz., van 10 Januarij 1641.
[A18]Den 7 September 1642.
[A19]Verhandelingen en Berigten betrekkelijk het Zeewezen enz., 1854, No. 2, bl. 96.
[A20]Hier voren,bl. 32en33.
[A21]Resolutie Gouverneur-Generaal en Raden vanIndië, van 21 December 1643.
[A22]Idem, van 17 October 1644.
[A23]Idem, van 17 Februarij 1646.
[A24]Idem, van 21 Januarij 1647.
[A25]Idem, van 20 idem 1648.
[A26]Idem, van 23 idem 1643.
[A27]Zie Bijlage No. 6.bl. 243.
TOT DE ONTDEKKINGEN VAN
MAERTEN GERRITSZ. VRIES,
MET HET FLUITSCHIPCASTRICUMAo. 1643,IN ’T OOSTEN EN ’T NOORDEN VANJAPAN, DIENENDETOT ZEEMANSGIDS LANGS DE OOSTKUST VANJAPANNAAR DE EILANDENJEZO,KRAFTOEN DEKURILEN.
DOOR
Jhr. Ph. F. von SIEBOLD.
Door het Bestuur van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië werd aan mij de even vereerende als aangename taak opgedragen, het »Journael”, gehouden op de ontdekkingsreize vanMaerten Gerritsz. Vries, in het Oosten en het Noorden van Japan, dat door de wetenschappelijke pogingen van Leden van het Instituut opgespoord en door hunne letterkundige medewerking door den druk bekend gemaakt is, met ter zake dienstige aardrijks- en volkenkundige aanmerkingen toe te lichten. Is het mij reeds gelukt, de onduidelijke voetstappen van onzen vermaarden Nederlandschen zeevaarder in het ver uitgebreide gebied van den Grooten Oceaan op te sporen en in mijne »Geschiedenis der ontdekkingen in het zeegebied van Japan” aan te wijzen, thans, waar zijn »Journael” voor mij open ligt, hoop ik die met meer zekerheid te kunnen vervolgen, en, na verloop van twee volle eeuwen, zijne ontdekkingen te bevestigen en in de geschiedenis van den ouden Nederlandschen zeeroem te boeken.
In de Inleiding en uit de Instructie, die het Journael vooruitgaan, is deze zeetogt, een van de meest belangrijke in de 17deeeuw, genoegzaam geschiedkundig toegelicht; mijne aanteekeningen zullen zich dus bepalen tot eene naauwkeurige aanwijzing van den koers doorVriesvan het eilandBreskensaf aan, in de Japansche wateren, langs de Oostkust vanNipponen naar en langs het door hem ontdekte land vanJezogenomen; tot eene vergelijkende beoordeeling en bevestiging der waarnemingen en ontdekkingen van dezen zeevaarder, beschouwd uit het oogpunt der hedendaagschekennis van dat zeegebied, en tot een overzigt der uitkomsten, die deze zeetogt voor de hydrographie, voor de natuurkunde der zee en voor de volkenkunde opgeleverd heeft.
Om echter aan dat aanhangsel bij het Journael eene meer algemeen nuttige en aanwendbare strekking te geven, althans, daar ook in het Noorden van het RijkNippon, teHakotade, eene haven voor de zeevaart geopend is, aan eene dringende behoefte voor de scheepvaart te voorzien, zoo heb ik mijne toelichtingen zoodanig gewijzigd, dat zij ook tot eenenZeemansgidsvoor de vaart langs de Oostkust vanJapan, en naarJezo,Kraftoen deKurilendienen kunnen.
Aan den staatkundigen invloed van Nederland in Japan heeft men veelal eene meer algemeene vrijheid van scheepvaart naar dat land op den weg des vredes te danken; zoo moge dan ook door de waarnemingen en ontdekkingen van onze oude Nederlandsche zeevaarders de grondslag tot eenen wegwijzer langs zijne nog weinig bekende kusten gelegd worden.
von Siebold.
De CommandeurVrieshad den 29 April, op 16° 50′ N.Br. en 149° 381⁄2′ O. v. Teneriffe (128° 18′ 6″ O. v. Gr.) den raad van ’t fluitschipCastricumen van ’t jagtBreskensberoepen, en besloten den koers N.O. te vervolgen, zoo weder en wind het zouden toelaten, tot op de breedte van 24° N. en op de lengte van de Oostkust van Japan (toenmaals volgens de waarnemingen vanMathijs QuastenAbel Tasman, op den 24 Aug. 1630, op 31° 40′ O. vanPulo Timoan(135° 55′ O. v. Gr.) bepaald). Den 7 Mei bevond men zich op 24° 4′ N.Br. en 150° 56′ 30″ O. v. Ten. Kleine klipmeeuwen, schuim, drijvend zeekroos en een stuk hout lieten zich als teeken van land herkennen, hetwelk men echter niet zien kon. Den volgenden morgen (8 Mei), na zonsopgang, zag men in ’t W.t.N.1⁄3N. binnen een’ afstand van 4 Duitsche mijlen, een klein, omtrent 11⁄2mijl lang, niet hoog eiland. Dit eilandje lag, volgens de op den middag gedane waarneming, op 24° 43′ N.Br. en 151° 311⁄2′ O. v. Ten. (130° 11′ 6″ v. Gr.). Daar zich op de Compagnie’s-kaarten[38]op deze breedte, behalve het eilandMalabrigo, geen ander bevond, en dat eiland, volgens gissing, 21 mijlen in ’t W. lag, zoo hield men het geziene voor onbekend, en omdat het van het jagtBreskenshet eerst gezien was, gaf men het den naam vanBreskens-eiland.
Op de zeekaarten van den toenmaligen tijd bevinden zich tusschen 25° en 27° N.Br. en binnen een’ lengteafstand van omtrent 70 Duitsche mijlen, slechtsdrie eilanden, waarvan het zuidelijkste en westelijkste den naam vanAmsterdam, het noordelijkste en oostelijkste (eigentlijk eene groep van vijf kleine eilanden) dien vanIhlas dos Hermanos, en het derde, op 26° N.Br. 17 mijlen in ’t Z.W. vanIhlas dos Hermanos, dien vanMalabrigodraagt.
De beide laatstgenoemde eilanden, welke zich reeds op de in 1570 in ’t licht verschenen kaart vanAbraham Ortelius’ »Theatrum orbis terrarum”, bevinden, en waarvanMalabrigoin 1543 doorBernardo de Torresis gezien geworden, zijn onbetwistbaar hetHooge Meeuweneiland, hetEngelsenGrachtseiland, doorQuastenTasmanin 1639 ontdekt[39], en op de voornoemde »Caerten van gedaene Coursen” deQuast’seilanden genoemd[40]. Heteerstgenoemde, onmiskenbaar ook door Nederlanders ontdekt, en allengskens wederom op de kaarten verdwenen, is in ’t jaar 1820 door een’ Russischen zeeofficier Lt.Ponafidinop 25° 50′ N.Br. en 131° 12′ O.L. teruggevonden, en naar zijn schip en omdat het twee eilanden zijn,Porodino’seilanden genoemd. Zonder twijfel zijn het dezelfde die Kapt.Forbesaan boord van de brikNilein Aug. 1825 voorbijgezeild, en het zuidelijkste op 25° 42′ N.Br., 131° 13′ O.L., en het noordelijkste op 25° 53′ N.Br., 131° 17′ O.L. gevonden heeft. Onlangs werden deze eilanden door CommodorePerryopgezocht en de ligging van het grootste en noordelijkste op 25° 47′ N.Br. en 131° 19′ O.L. bepaald.
Met regt mogt hetBreskenseiland als eene nieuwe ontdekking beschouwd worden. Daar echter het »Journael” vanVriesverloren geraakt was, vindt men het nergens geboekt. Evenwel werd in ’t begin dezer eeuw zijn bestaan bij herhaling bevestigd. Door het Fransche fregat »la Canonnière,” werd in 1807 een eiland op 24° 30′ N.Br. en 130° 18′ 30″ O.L., en in 1815 door het Spaansche fregat »Magelan” insgelijks een klein laag eiland met struiken bewassen op 24° 26′ 40″ en 131° 03′ 46″ ontdekt en »Isla Rasa” genoemd. Deze beide eilanden zijn buiten twijfel een en hetzelfde[41], waarvan de gemiddelde breedte 24° 28′ 20″ N. en de gemiddelde lengte 130° 41′ 8″ O. zijn zouden. Neemt men daarbij in aanmerking de sterke oostelijke strooming der zee in dat zeegebied, die in 24 uren 35′ tot 40′ en meer bedragen kan, de onvolkomene middelen ter vinding en berekening van lengte in de 17 eeuw, en de opmerking, dat de doorVriesbevondene breedte doorgaans eenige minuten te hoog is; zoo mogen wij gerust hetBreskenseiland alseene Nederlandsche ontdekkingop de kaart van den Grooten Oceaan aanteekenen en zulks met te meer regt, daar men op de nieuwste zeekaarten het eilandRasa, nog maar als twijfelachtig (pointe dubieuse) en hetKendrick’seiland geheel niet meer geplaatst vindt.
[38]Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot ontdeckingh van ’t Goudrijcke eiland, verg.p. 33.[39]Journael ofte dachregister van den Ed. CommandeurMathijs Quast.M.S. 1639.Von Siebold’sGeschichte der Entdeckungen im Seegebiete von Japan. Leyden 1853.[40]Deze keten van eilanden, die zich van 26° 38′ tot 27° 45′ N.Br. en van 142° tot 142° 14′ O.L. v. Gr. uitbreiden, is later meermalen teruggevonden geworden, en vindt zich onder de namen vanIslas del Arzobispo(1734),Margaretseilanden (1773),Mendizaval,Desconosida,Guadelupe, e.z.v., en onder zeer verre uiteenloopende lengtebepalingen op de kaarten van de 18de eeuw aangeteekend, maar nergens aardrijkskundig beschreven. Ook zijn zij door de Japanners reeds in 1675 bij toeval ontdekt enMunin-sima, d. i. eilanden zonder menschen, en later naar den ontdekkerOgasawa-simagenoemd, en in 1785 door eenen Japanschen aardrijkskundigeFajasi Siveiin zijn boekwerk „San-kok-tsu-ran-dsu-ki”, d. i. Beschrijving van drie rijken, beschreven en in kaart gebragt geworden. Dat boekwerk en eene Nederduitsche vertaling daarvan werd door den geleerdenIsaak Titsingh, in de jaren 1780-1785 Opperhoofd van den Nederlandschen handel in Japan, naar ’t vaderland overgebragt, is echter na zijn’ dood (te Parijs in 1812) in handen vanAbel Remusat, en later in die vanJulius Klaprothgekomen. Door deze onwettige erfgenamen vanTitsingh’s letterkundige nalatenschap is dan ook de beschrijving van de zoogenoemde „Iles Bonin ou inhabitées,” in 1818 uitgegeven geworden, die op nieuw de aandacht van zeevaarders tot zich getrokken en de aanleiding tot de opzoeking, als het ware tot de wederontdekking, door den Engelschen Kapt.Beechey(in de maand Junij 1827) en door den Russischen Kapt.Lutke(in Mei 1828) gegeven heeft. Thans, sedert den 22 Aug. 1853, bestaat op het grootste derBonineilanden, het „Peel Island”, waarvanBeecheyin der tijd voor Engeland bezit genomen had, eene gemeente van meestal Amerikanen, die zich „the Colony of Peel Island” noemt. De zuidelijke groep dezer eilanden, doorBeechey„Baily Group” genoemd, werd in October 1853 door den Amerik. Kapt.Kellyonderzocht voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in bezit genomen, en naar den gezagvoerder van eenen Amerikaanschen walvischvanger „Transit”, die in 1823 bij toeval daar ten anker gekomen is, „Coffins Islands” genoemd. CommodorePerry, die deBonineilanden in 1853 bezocht heeft, begreep zeer goed, dat, zoowel voor walvischvangers als voor de mailstoomvaart vanCaliforniënaarChinaen later naarJapan, deze eilanden weldra een van de meest belangrijke stations in het noordelijk gedeelte van den Grooten Oceaan zullen worden. In ’t bezit der „Quasteilanden” heeft dus Engeland met Amerika gedeeld, terwijl de eer der ontdekking aan onze oude zeevaarders en de verdienste van de eerste aardrijkskundige kennis daarvan aan de letterkundige nasporingen van onze Nederlandsche geleerden toekomt. De schrijver dezes heeft reeds in 1824 de aandacht van de Nederlandsch-Indische regering op deze belangrijke groep van eilanden gevestigd, waar toch de Japansche regering, want ze worden tot het Japansche rijk geteld, liever de Nederlandsche als eene andere vlag zag waaijen![41]Ook houdtvon Krusensterneen ongeveer 4 engel. mijlen lang eiland, door den Engelschen kapiteinKendrikop 24° 35′ N.Br. en 134° gezien en onder de naam vanKendrik Islandin de kaart vanArrowsmithopgenomen, voorRasa.
[38]Twee Caerten van gedaene Coursen des Comm. Quast, tot ontdeckingh van ’t Goudrijcke eiland, verg.p. 33.
[39]Journael ofte dachregister van den Ed. CommandeurMathijs Quast.M.S. 1639.Von Siebold’sGeschichte der Entdeckungen im Seegebiete von Japan. Leyden 1853.
[40]Deze keten van eilanden, die zich van 26° 38′ tot 27° 45′ N.Br. en van 142° tot 142° 14′ O.L. v. Gr. uitbreiden, is later meermalen teruggevonden geworden, en vindt zich onder de namen vanIslas del Arzobispo(1734),Margaretseilanden (1773),Mendizaval,Desconosida,Guadelupe, e.z.v., en onder zeer verre uiteenloopende lengtebepalingen op de kaarten van de 18de eeuw aangeteekend, maar nergens aardrijkskundig beschreven. Ook zijn zij door de Japanners reeds in 1675 bij toeval ontdekt enMunin-sima, d. i. eilanden zonder menschen, en later naar den ontdekkerOgasawa-simagenoemd, en in 1785 door eenen Japanschen aardrijkskundigeFajasi Siveiin zijn boekwerk „San-kok-tsu-ran-dsu-ki”, d. i. Beschrijving van drie rijken, beschreven en in kaart gebragt geworden. Dat boekwerk en eene Nederduitsche vertaling daarvan werd door den geleerdenIsaak Titsingh, in de jaren 1780-1785 Opperhoofd van den Nederlandschen handel in Japan, naar ’t vaderland overgebragt, is echter na zijn’ dood (te Parijs in 1812) in handen vanAbel Remusat, en later in die vanJulius Klaprothgekomen. Door deze onwettige erfgenamen vanTitsingh’s letterkundige nalatenschap is dan ook de beschrijving van de zoogenoemde „Iles Bonin ou inhabitées,” in 1818 uitgegeven geworden, die op nieuw de aandacht van zeevaarders tot zich getrokken en de aanleiding tot de opzoeking, als het ware tot de wederontdekking, door den Engelschen Kapt.Beechey(in de maand Junij 1827) en door den Russischen Kapt.Lutke(in Mei 1828) gegeven heeft. Thans, sedert den 22 Aug. 1853, bestaat op het grootste derBonineilanden, het „Peel Island”, waarvanBeecheyin der tijd voor Engeland bezit genomen had, eene gemeente van meestal Amerikanen, die zich „the Colony of Peel Island” noemt. De zuidelijke groep dezer eilanden, doorBeechey„Baily Group” genoemd, werd in October 1853 door den Amerik. Kapt.Kellyonderzocht voor de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in bezit genomen, en naar den gezagvoerder van eenen Amerikaanschen walvischvanger „Transit”, die in 1823 bij toeval daar ten anker gekomen is, „Coffins Islands” genoemd. CommodorePerry, die deBonineilanden in 1853 bezocht heeft, begreep zeer goed, dat, zoowel voor walvischvangers als voor de mailstoomvaart vanCaliforniënaarChinaen later naarJapan, deze eilanden weldra een van de meest belangrijke stations in het noordelijk gedeelte van den Grooten Oceaan zullen worden. In ’t bezit der „Quasteilanden” heeft dus Engeland met Amerika gedeeld, terwijl de eer der ontdekking aan onze oude zeevaarders en de verdienste van de eerste aardrijkskundige kennis daarvan aan de letterkundige nasporingen van onze Nederlandsche geleerden toekomt. De schrijver dezes heeft reeds in 1824 de aandacht van de Nederlandsch-Indische regering op deze belangrijke groep van eilanden gevestigd, waar toch de Japansche regering, want ze worden tot het Japansche rijk geteld, liever de Nederlandsche als eene andere vlag zag waaijen!
[41]Ook houdtvon Krusensterneen ongeveer 4 engel. mijlen lang eiland, door den Engelschen kapiteinKendrikop 24° 35′ N.Br. en 134° gezien en onder de naam vanKendrik Islandin de kaart vanArrowsmithopgenomen, voorRasa.
Op de terugreis van den in 1639 doorMathijs QuastenAbel Tasmanondernomen zeetogt tot het opzoeken van de »Gout- en Silverrycke eylanden” gelegen ten Oosten van Japan, werd op den 2 December de kust van Japanop 34° 54′ N. Br. ontdekt. Dit land, hetwelk zij voor de eilanden hielden, die op de oude Portugeesche kaarten in ’t W. van den Z.O. hoek vanNippongeplaatst zijn, is wel degelijk de Z.O. hoek van dat groote eiland van Japan, KaapSirofamaen op de oude Portugeesche kaartenCapo de Boshogenoemd. Van hier namen zij een’ Z.Z.W. koers, langs welken weg zij verscheidene kleine eilanden ontdekten, hunne ligging, zoo goed zij konden, bepaalden en voortreffelijke afteekeningen ten behoeve van ’t land vervaardigden. Aan deze keten van eilanden heb ik den naam van deTasman’s eilandengegeven[42].
Een van deze eilanden, dat zich als »heel hooch lant” vertoonde, werd den 19 Mei 1643 van boord van het fluitschipCastricumop korten afstand gezien, welk schip zich kort daarna, door wind en strooming der zee, genoopt zag aan den N.W. hoek van hetzelve ten anker te komen. Dit eiland, waaraanVries, den naam »hetOngeluckicheylant” gegeven heeft, wordt bij de JapannersFatsi sjôgenoemd en ligt volgens de waarnemingen van den Hof-astronomistSakusajemonteJedo, op 33° 6′ 30″ N. en 3° 50′ 30″ O. vanMijako(139° 30′ 30″ O. v. Gr.). Kapt.Broughton, die in 1796 deze eilanden bezocht heeft, bepaalde de ligging vanFatsi sjôop 33° 6′ N. en 140° O. Op de originele kaart van zijnen togt ligt het op 33° 4′ N. en 140° 7′ O. De N.W. hoek daarvan, waarVriesis ten anker gekomen was, is, volgens zijne gissing, op de breedte van 33° 22′ en op de lengte van 158° 511⁄2′ O. v. Ten. (137° 30′ 6″ O. v. Gr.) gelegen. Wij hebben reeds opgemerkt, dat het verschil van de lengtebepaling van de eilanden, die wij op de kaarten van de 17 en 18 eeuwen tusschen 24°-28° N.Br. waarnemen, aan eenen oostelijken stroom der zee in dat zeegebied te wijten is, en getoond, dat dit verschil somtijds twaalf graden bedraagt. In evenredigheid daarvan is dus het verschil van delengtebepaling vanVriestusschen die van den Hof-astronomist (aan welke ik de voorkeur geef boven die vanBroughton), dat 2° meer oostelijk bedraagt, klein, wanneer men daarbij in aanmerking neemt, dat de stroom om de Oost tusschenFatsi-sjôen de Z.O.kust vanNippongedurende drie achtereenvolgende dagen door de Amerikaansche expeditie 72′, 74′ en 78′ binnen 24 uren is bevonden geworden.
De beschrijving, die in ’t Journael van hetOngelukkigeiland gegeven is, stemt met de doorQuastenTasmangemaakte schets overeen, en is dus de eenige beschrijving die wij tot heden van dit eiland kennen. De woorden »het Ongeluckich eylant was heel hoog lant, hem vertonende met 2 hooge ronde berge, waar tusschen een groot valey was,” zijn doorQuastenTasman’s landverkenning veraanschouwelijkt en laten tevens de benaming van een op deze hoogte op de kaart vande l’Isleuitgeteekend eiland »Montagne avec deux pics” verklaren[43]. Deze pieken vindt men ook op eene Japansche originele kaart vanFatsi sjôgeteekend, en de hoogste daarvanAka fusi jamad. i. de Roode Fusi berg (tegenover de beroemde vulkaanFusi, die het grootste gedeelte van ’t jaar met sneeuw bedekt—dus wit is). Ook is de ligging en de gedaante van het kleine »hooch ront eylant” 1 tot 11⁄2mijl W. van de N.W. hoek van hetOngelukkigeiland gelegen, door de JapannersKosima, d. i. klein eiland en op de kaart vanVries»ronde holm” genoemd, zeer juist opgegeven, terwijl de opmerking, dat »hier tusschen de stroom met een styve corent om de N.W. zonder stille doorliep,” eene hoogst belangrijke is voor de kennis van den Japanschen stroomKuro siwoofKuro gawa, d. i. zwarten zeestroom. Van dezen stroom, dien ik volgens eene Japansche originele kaart op mijne kaart van Japan[44]overgenomen heb, wordt gezegd, dat hij tusschenFatsi sjôenMikura(Prince-eylantvanVries) ongeveer 3 engelsche mijlen breed en in ’t voorjaar en den winter gevaarlijk te bevaren is. Door de Amerikaansche expeditie is deze stroom nader onderzocht, in kaart gebragt en beschreven worden[45]. De opmerking vanVries: »saegen veel steencroos drijven” bevestigt ook de waarneming, dat zich de Japansche stroom, gelijk de golfstroom in de Atlantische Zee, door banken van eene bijzondere soort van zeekroos onderscheid.
Het hoog eiland op den 20 Mei ’s morgens in ’t Zuiden van hetongelukkigeiland gezien en bijVries»Suyder eylant” en bij de JapanezenAwo sima, d. i. Groen eiland genoemd, is ook reeds doorQuastenTasman(den 3 Nov. 1639) ontdekt en zijne ligging op 6 à 7 mijlen Z.t.W. van hetOngelukkigeiland, op 32° 33′ N.Br., bepaald en eene landverkenning daarvan vervaardigd geworden.
’s Avonds van den 20 Mei voor anker gekomen op 33° 52′ gegiste breedte en 159° 22′ lengte O. van Ten. (volgens onze verbetering met +2°, op 140° 0′ 36″ O. v. Gr.) werden van boord aanCastricumW.t.W. op een’ afstand van 11 à 12 Duitsche mijlen nog twee andere eilanden gezien. Deze zijn het eilandMikuradoorVries»Princeeylandt” enMijake, door hem, volgens het Journael, »Barnevelts” en op zijne kaart »Brandendeilandt” genoemd, omdat er een steeds rookende berg op gezien werd.
Deze twee eilanden zouden op de gegiste breedte liggen van 34° 1′ en op de lengte van 158° 28′ (volgens onze verbetering 139° 7′ 36″ O. v. Gr.), eene bepaling, die met de waarnemingen van den Hof-astronomist en metBroughton’s kaart tamelijk goed overeenkomt. Van hier vervolgdeVries, zoo als ik later zal aantoonen, zijnen koers de N.O. en O. kust van Japan, waarvan wij de eerste hydrographische kennis hem te danken hebben.
Op de terugreis werden doorVriesdeTasmans-eilanden wederom opgezocht en hunne geographische ligging nog naauwkeuriger bepaald. Den 28 October bevond hij zich op 33° 58′ N.Br. en 160° 25′ O. v. Ten. (138° 34′ 36″ O. v. Gr.), waar hetPrince-eiland W. 6 mijlen en hetBarnevelts-eiland W.N.W. 6 mijlen gepeild werd. Volgens deze waarnemingen zoude het eerste op 33° 58′ en het tweede op 33° 6′ N.Br. liggen, hetwelk slechts een verschil van eenige minuten tusschen de waarnemingen van den Hof-astronomist enBroughtonoplevert, terwijl zich de lengte vanMikura(hetPrince-eiland), volgens de op de reede vanFatsi sjôop den 29 October bevondene lengte (159° 56′ O. v. Ten. of 138° 34′ 36″ O. v. Gr.), die 55′ 54″ minder dan die van den Hof-astronomist bedraagt, met eene verbetering van +55′ 54″ zich op 139° 36′ 30″ O. v. Gr. laat bepalen, die zoomede met de aardrijkskundige ligging, welke het op het kaartje van CommodorePerry’s zeetogt heeft, nagenoeg overeenkomt[46].
Op den namiddag van den 28 October namVrieszijnen koers naar hetBarnevelts-eiland en zeilde tusschen dit eiland en hetPrince-eiland door, en bevestigde door herhaalde peilingen de onderlinge ligging van deTasmans-eilanden. Op mijne verbeterde kaart van Japan (Atlas No. 1) heb ik dezen weg, het eerst door een Europisch schip genomen, de »Straat Castricum”, en de in ’t W.1⁄2N. 1 mijl (vanBarnevelts-eiland) »veel hooge scherpe clippen boven water, die haer opdoen als toorens,” naar den verdienstelijken stuurmanvan het schip,Coen’sklippen genoemd. Deze klippen heeft ookBroughton, die in 1796 denzelfden weg alsVriesgenomen had, gezien en beschreven: »Off the West point of Volcano Isle are some detached black rocks at two or three miles distance”[47], en op zijne kaart aangeteekend. Op de kaart van Japan No. 2347, door de Admiraliteit te Londen in 1855/56 uitgegeven, zijn deze klippen »Black Rocks” genoemd. Deze zeevaarder heeft insgelijks eene andere, meer zuidelijk en iets westelijker dan deCoen’sklippen gelegen, groep van rotsen ontdekt, die door de JapannersInaniwaen doorvon KrusensternBroughton’sklippen genoemd zijn. Ik houd deCoen’sklippen voor dezelfde als deRedfield-Rocks, die op het kaartje van CommodorePerryen op de kaart der Admiraliteit op ongeveer 33° 55′ N.Br. en 138° 50′ O. L., als eene nieuwe ontdekking vermeld zijn. Wanneer, behalve deCoen’sklippen (Broughton’s Black Rocks), op deze hoogte nog andere klippen voorhanden waren, zouden die doorBroughton, die daar kruistte, gezien zijn. Mogten evenwel deRedfield’s Rocksbestaan, dan liggen zij meer noordelijk en zijn dan ook dezelfde, die opJansson’s kaart op 34° 35′ N.Br. en op den meridiaan van kaapIdsuopgegeven en dus ook doorVriesgezien zijn. Ook zijn nog op dezen togt vanVriesde, in ’t N.W.t.W. 5 mijlen en in ’t N.N.W. 6 mijlen van hetBarnevelts-eiland, liggende eilanden waargenomen en onder den naam vanGebroken Eilandenin kaart gebragt. Aan deze eilanden en niet aan de geheele keten komt de naamGebroken Eilandentoe. Aan de geheele keten—eene reeks van nog werkzame en uitgedoofde vuurbergen vanOhosimatotFatsi sjô sima—hebben wij den naam vanTasman’seilanden gegeven. Ik meende in deze geschiedkundige hydrogeographischebijzonderheden te moeten treden, om niet alleen de voor meer dan twee eeuwen gedane ontdekking van deze geheele keten van eilanden doorQuast,TasmanenVriesonbetwistbaar te bevestigen, maar ook om de juistheid hunner waarnemingen door vergelijking met die van vermaarde zeevaarders van onze eeuw aan te toonen en te doen waarderen.
[42]Von Siebold’sGeschichte der Entdeckungen, pag. 8.[43]Carte de l’Asie, parJ. de l’Isle, à Amsterdam, chezCovens&Mortier.[44]Von Siebold,Atlas von Land- und Seekarten von Japanischen Reiche. N. 1.[45]Narrative of the expedition of an American Squadron in the China Seas and Japan performed in the years 1852-54 under the Command of CommodoreM. C. Perry, byFrancis L. Hawks. New-York, 1856.The Kuro siwo, or Japan stream.pag. 601.[46]Map of the Japan Islands copied fromvon Siebold’swith slight additions and corrections by the U. S. Japan expedition and other authorities compiled by order of CommodoreM. C. Perry,by Lieuts.W. L. MauryandSilas. Bent. 1855.[47]A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. M. Sloop Providence and her tender in the years 1795-98, byW. R. Broughton. London. 1804. p. 140.
[42]Von Siebold’sGeschichte der Entdeckungen, pag. 8.
[43]Carte de l’Asie, parJ. de l’Isle, à Amsterdam, chezCovens&Mortier.
[44]Von Siebold,Atlas von Land- und Seekarten von Japanischen Reiche. N. 1.
[45]Narrative of the expedition of an American Squadron in the China Seas and Japan performed in the years 1852-54 under the Command of CommodoreM. C. Perry, byFrancis L. Hawks. New-York, 1856.The Kuro siwo, or Japan stream.pag. 601.
[46]Map of the Japan Islands copied fromvon Siebold’swith slight additions and corrections by the U. S. Japan expedition and other authorities compiled by order of CommodoreM. C. Perry,by Lieuts.W. L. MauryandSilas. Bent. 1855.
[47]A voyage of discovery to the North Pacific Ocean performed in H. M. Sloop Providence and her tender in the years 1795-98, byW. R. Broughton. London. 1804. p. 140.
De Oosthoek van het eilandNipponwas, met uitzondering van twee punten, dieQuastenTasmanin 1639 gezien en in kaart gebragt hadden, toenmaals onbekend. Deze zeevaarders verkenden op den 24 Augustus de kust vanJapanop 37° 30′ N.Br., en den 1 en 2 November op 34° 54′ N.Br. Het eerste was een gedeelte der kust tusschen de kaap deKennisen deRookhoeck(vanVries); het andere deCapo de Bosho(der Portugezen), de Zuidhoek van het landschapAwa, aan welks Westzijde zich de ingang tot de baai vanJedobevindt.
AanVriesheeft men de ontdekking en de opneming der geheele kust van den hoekBoshotot aan den Noordhoek vanJapan(van 34° 58′ tot 41° 25′ N.Br.) te danken; eene kuststreek, die tot de opening der havens vanSimodaen vanHakotade(opJezo) door geen’ zeevaarder, dan in 1739 door Kapt.SpangbergenWalton[48], in 1779 door Kapt.King[49], en in 1796 en 1797 door Kapt.Broughton[50], is bezocht geworden. De beide laatstgenoemde hydrographen konden echter alleen met behulp van het gebrekkige kaartje van den zeetogt vanVries, dat omstreeks het jaar 1650 doorJohannes Janssoniusis uitgegeven[51], den koers van onzen zeevaarder opsporen en zijne ontdekkingen bevestigen.
Ook voor den schrijver dezes waren bij de zamenstelling van dit gedeelte der kust vanNippon, behalve oorspronkelijke Japansche, geene andere kaarten beschikbaar danBroughton’s kaart[52].
Het is dus van een wezenlijk belang om thans uit het teruggevonden Journaal vanVrieszijne ontdekkingen toe te lichten. Daar echter de kennis der configuratie van het oostelijke gedeelte der kust van het groot eilandNippontot nu toe op oorspronkelijk Japansche kaarten berust, volgens welke de meest beduidende uithoeken, bogten en baaijen, doorVries,KingenBroughtonontdekt, aardrijkskundig bepaald, benoemd en in kaart gebragt zijn, zoo dienen wij ook bij onze herziening der ontdekkingen vanVrieseene Japansche kaart tot grondslag te nemen, en zullen daartoe onze kaart van het Japansche rijk bezigen, die wij naar oorspronkelijke kaarten en de waarnemingen der Hof-astronomisten teJedozamengesteld hebben[53]. En om ook uit de waarnemingen van onzen vermaarden zeevaarder zoo veel mogelijk nut te trekken, zullen wij die in vergelijking met anderen tot eenenZeemansgidslangs dezeweinig bekende kuststreek trachten te bewerken. Op deze wijze zullen wij aan de scheepvaart langs de Oostkust vanJapaneene dienst bewijzen[54].
De hoek Bosho.De Z.Oosthoek van Japan, door een voorgebergte van het landschapAwaop het eilandNippongevormd, is door de PortugezenCabo de Bosho, naar de niet ver daarvan afgelegene haven van de stadFôsjogenoemd. Op de oorspronkelijk Japansche kaarten draagt het oostelijke uiteinde van deze kaap den naam vanFiratatsi, en het westelijke dien vanSusaki, en het tusschen beide liggende strandSiro fama, d. i. witte strand. KaapSusakiligt, volgens de waarnemingen van den Hof-astronomistSakusajemonop 34° 58′ 30″ N.Br. en 139° 38′ O.L. v. Gr., en kaapFiratatsi(doorvon KrusensternCap Kinggenoemd) op 34° 55′ N.Br. en 139° 57′ O.L. Het zuidelijkste uiteinde vanSiro famaop 34° 54′ N.Br. en 139° 44′ O.L. Op de originele kaart vanBroughton[55]ligt de Z.Oosthoek vanNipponop 34° 55′ N.Br. en 140° 12′ O.L.Vriesbepaalde de breedte van kaapBoshoop 35° 14′ 30″ N. en nam daar 7° oostelijke miswijzing van het kompas waar. Door de Amerikaansche expeditie onder CommodorePerrywerd de aardrijkskundige ligging van kaapFiratatsiop 34° 53′ 15″ N.Br. en 140° 18′ 15″ O.L. v. Gr. bepaald, hetgeen nagenoeg met de doorvon KrusensternvolgensBroughton’s waarnemingen berekende breedte en lengte (34° 54′ N. en 140° 19′ O.) overeenkomt[56]. »Het lant is hier op veel plaetsen 2, 3 dubbelt(de bergenKjozumi,Takasukajama,Tenin, laatste de bergKingenKatsijama)maer steyl op ’t water neer, met veel witte plecken(Siro fama);het lant om de Suyt, van de hoeck Bosho, is hooger als om de Noort; men kan de wal bequaemelyck aenlooden van 36 tot 10 vadem, somtyds craelgront, somtyds singel, somtyds sant.” De stroom loopt hier om de N.O. en N.N.O. Kapt.Kingberekent de snelheid van den stroom, die 45 Eng. mijlen O. van dezen uithoek N.O.1⁄2N. liep, op 3 Eng. mijlen per uur. Het is hier de N.Westelijke grens van den Japanschen stroom (Kurosiwo, d. i. zwarte zeestroom), die een graad zuidelijker, volgens de waarnemingen der Amerikaansche expeditie, nog met eene snelheid van 72′ tot 80′ per dag loopt.Vrieszag hier steenkroos drijven, hetwelk ook in ongewone menigte op de hoogte vanIso muradoor de Amerik. expeditie waargenomen werd, en met denfucus natansvan den Atlantischen Golfstroom te vergelijken is.
In de bogt vanIso muramerkte men ook eene verkleuring van het water op, die waarschijnlijk aan de drijvende banken van zeewier toe te schrijven is. Hier werd 74 tot 80 vadem fijne zwarte zandgrond gelood[57].
De witte Hoek.»Van de S.O. hoeck van Japan, genaemt Bosho, streckt de cust N.N.O. tot de witte gepleckte hoeck, dan heeft men een laechlandige inbocht, streckende om de Noort, omtrent 4 mylen, ende de hooge santduyn.” Dewitte Hoeck, op de Japansche kaartenDai do sakiofOho figasi saki, d. i. de groote Oosthoek genaamd, ligt, volgensVries(Janssons kaart) op 35° 25′ N.Br. Iets zuidelijker van dien hoek steekt nog een ander voorgebergte in zee uit, hetwelk van eene digtbij gelegene kleine stad den naam vanKatsura sakiheeft. De baai in het Zuiden van dien hoek, dieVriesvoor »het leege voorlant alwaer eene rivier scheen in te loopen,” hield, is de bogt vanUtsi uramet de haven vanKominato(d. i. kleine haven), waarbij verscheidene rivieren, waarvan deItsumigawaen deAmanogawade grootste zijn, uitwateren. Deze haven is 32 Ri[58]van kaapSagami(ookNagatzuruenMonomi sakigenoemd), waar zich de ingang van de baai vanJedobevindt, verwijderd, en de eerste, die men, van daar komende, op de Z.O. kust ontmoet. Digt bij denwitten Hoekliggen verscheidene rotsen en kleine eilanden, waarvan het grootsteUwarasimaheet; deze schijnen zich onder water in zee voort te zetten en in een rif uit te loopen. De Amerik. expeditie nam hier eene gebroken en anders gekleurde zee in eene diepte van 30 vadem koraalgrond waar, die nog iets oostelijker op 21 vadem verminderde.KingenBroughtonzagen op deze hoogte vele visschers en bewonderden de vlijt, waarmede het land bebouwd was.
De lage Inbogt.Van denwitten Hoektot denZandduinigen Hoektrekt zich de kust in eene ongeveer negen mijlen wijde bogt terug, die den naam vanSiro sato fama,d. i. witte dorp strand, heeft. Het is eene lage landstreek, door verscheidene rivieren en meeren bewaterd. De grootste rivier is deKuri jama gawa, die aan de grens tusschen de landschappenKadsusaenSimosain zee loopt. Langs deze bogt, »waer ze veel seekroos dryven en lammen of duikers swemmen sagen,” zeildeVriesmet een’ N.O.t.N. koers tot op eenen afstand van 4 of 5 mijlen van denZandduinigen Hoek, peilende 10 tot 20 vademen zwarten zandgrond, en verder tot op 4 mijlen O. van dien hoek 22 tot 42 vademen. De stroom loopt langs den lagen wal N.O. en N.N.O.
De Zandduinige Hoek,Dai do sakigenaamd, ligt van denwitten HoekN.O.t.N. omtrent 9 mijlen af, volgensVriesop 36° N.Br. en volgens de originele kaart van den Hof-astronomistTakahasi Saku Sajemonop 35° 43′ N.Br. en 140° 46′ O.L. »Van de santduynige hoeck leyt een cleyn eylandeken Oost daer af, omtrent een myl, gelyck het Menscheterseiland in de straet Sunda. Omtrent een myl benoorden do. eylant, leyt nog een cleyn eylant, maer wat vlacker gelyck het eylant Haerlem, maer leyt dicht onder de wal. Van de Santduynige hoeck ontfalt hem het lant om de N.N.W., ende maeckt weder een diepe bocht, synde al eenparich laech lant.” Deze is deWalvischbogt. Aan den Zandduinigen hoek stort zich eene groote rivier, deNasaka, in zee, die diep in het land bevaarbaar is; aan den mond van deze rivier is ook eene goede haven,Tosi minato, vanwaar men 38 Ri naar de voornoemde havenKominatorekent. Binnen eenen afstand van omtrent 5 Eng. mijlen van dezen uithoek namKingeen’ zeer sterken stroom van 5 Eng. mijlen per uur waar[59].
De Walvischbogt, doorVrieszoo genoemd, omdat men daar eene menigte bruinvisschen, dolfijnen en velewalvisschen zag; ook nam men daar veel wier waar, hetwelk, zoo als bekend is, de walvisschen gewoonlijk opzoeken. Op de Japansche kaarten is deze bogtFitatsi hara nogenoemd, d. i. vlak veld van het landschapFitatsi. Met eenen N.W. koers naar den wal loopende, vindt men 40 tot 26 vademen wasigen grond. Het land is laag, vlak en moerassig door de wateren, die van het hooge binnenland afzakken, en zich in poelen en meeren verzamelen (zoo als de meeren vanTakedaenFinuma). In ’t N.W. »op het laege lant in het diepste van de bocht,” steekt »een hooge gehackelde berch” uit (de bergketting door denAsifo,Majumi,Ohonôen andere bergtoppen gekenmerkt). De N. hoek van deze bogt is een lage vlakke hoek, de
Lage HoekdoorVriesgenoemd en op de Japanse kaartenMinato saki, d. i. havenhoek, omdat zich daar aan den mond van de rivierNakagawaeene aanzienlijke haven bevindt, die 3Rivan de stadMitoen 20Rivan den haven vanTôsiligt. Deze afstand komt met de waarnemingen vanVriesgoed overeen »de N.hoek(Minato saki)lach doen S.t.W. 3 mijlen van ons, ende de Santduynige hoek(Tôsi minato)lach doen S.t.W. wel 6 mijlen van ons; de N.hoek is een laege vlacke hoek.” Men heeft hier en meer noordelijk 40 tot 50 vademen zandgrond, die naarmate men den wal nadert, opdroogt. Hier begint het land hooger te worden tot den
Boompjeshoek.»Een steylen hoek gelyckende een eylant, alwaer wy(Vries)uyt de Noort after van daen saegen comen, verscheyden visschersbercken, quaemen te see om te visschen; wat dichter bij do. hoek comende tot op 24 vadem, wit santgront, de gront te vooren swart santgront geweest hebbende. Waeren een myl van de hoeck, saegen doen dat daer een rivier after in streckte Noort op; hier is heel hooch binnenlant op sommigeplaetsen 2, 3, 4 dubbelt, ende op veel plaetsen compt het hooge lant steyl op ’t water neer. Sy noemden(de visschers)die rivier dien after de genoemde steylen hoeck om de Noort opstreckte, Gissima,ende presenteerden ons daerin te brengen; wesen dat daer in ’t incomen 9 à 10 vadem waters was, ende dat het om de Noort niet en docht. Op de steylen hoeck vanGissimastaet wat in ’t lant een dramel boomen gelyck of ’t een fort was, waervan een boom boven de andere uytsteekt in hoochte, hebbende een ronde cron.” De boompjeshoek is het voorgebergte,Siwoja sakigenoemd, de rivier deSame gawaof Salm rivier. Eene plaatsGissimabestaat hier niet, mogelijk was daarmede de stadIdsumi, die eene mijl van den mond van de rivier ligt, of wel de hooge berg vanIrusimabedoeld; digt bij den mond der rivier is eene haven, waarvan de afstand vanMinato sakiop 24Riaangegeven wordt. Het hooge land wordt door eene bergketen gevormd, waarvan zich deJonowoko,AkainowokaenIrusimakenmerken, achter welke de toppen van denJakojamaen van andere hoogere gebergten uitsteken. DenBoompjeshoekW.1⁄2S. 3 mijlen en eenen hoek, »daer benoorden liggende, die seer cartelich van cleyne berchies was N.1⁄2W. 3 mijlen pijlende”, bevond zichVriesop 37° 5′ N.Br., »hadden doen de diepte van 40, 36 vadem swarte santgront.” Volgens deze waarneming zoude deboompjeshoekop 37° 1′ N.Br. liggen. Op onze kaart ligt die op 36° 52′ dus 9′ zuidelijker. »Omtrent 6 mijlen van do. hoeck begint het hooch land te streeken om de Noort.” Daar is
De Gecartelde Hoek, ookCaep de Kennisgenoemd, omdatVriesop deze hoogte zes dagen kruistte, ten einde het jagtBreskensin te wachten. Deze kaap op den 25 Meibinnen eenen afstand van 4 mijlen van ’t land Z.W.t.Z. en het noordelijkste land dat men zien kon (Karasu sakiop de Japansche kaarten) N.W.t.N. peilende, bevond zichVriesop de gegiste breedte van 37° 39′ N. Volgens onze kaart zoude zij zich op 37° 32′ N.Br. bevonden hebben, hetwelk slechts een verschil van 7′ voor de breedtebepaling van deze kaap oplevert. VolgensVriesligt dus deKaap de Kennisop 37° 11′ en volgens onze kaart op 37° 4′, op de kaart vanJanssonechter op 37° 22′ N.Br. Op den middag van den 26 Mei, deKaap de Kennisin eenen afstand van omtrent 7 mijlen W.1⁄2Z. van zich, bevond zichVriesop de bevonden breedte van 37° 20′ N. Volgens deze waarneming zoude echter de meergenoemde kaap op 37° 16′ N.Br. komen te liggen, hetwelk merkwaardig overeenkomt met de later door Kapt.Kingwaargenomene breedte van 37° 15′ N. De doorBroughtonop zijne originele kaart opgegevene breedte komt met die op onze kaart juist overeen. De gedurende de kruistogt op de hoogte vanKaap de Kenniswaargenomene diepten leveren de volgende uitkomst op: op eenen afstand van 2 tot 3 mijlen, 25 tot 40 vademen wasige zwarte zandgrond, op 4 tot 5 mijlen afstand van 45 tot 95 vadem wasige grond, konden echter geen grond opkrijgen.
Op de kaart vanJanssonen op de kaart van »gedaene ontdeckinghe onder den CommandeurMarten Gerritsen Vries, Ao. 1643”[60], vindt men eenen hoeck »Roock hoeck” genaamd, die echter in ’t Journael niet vermeld wordt.
De Rookhoekis buiten twijfel het noordelijkste land op den 25 Mei in ’t N.W.t.W. gezien en op de Japansche kaartenKaras’no saki, d. i.: Ravenkaap genoemd. »Een hoeck benoorden ons dat hooch lant was, maer laech op ’t water neerliep.” De kust strektzich Z. en N. uit. Den 27 Mei ’s namiddags dezen hoek Z.W. en het noordelijkste land N.N.W. peilende, bevond zichVriesop de bevonden breedte van 37° 50′ N., zoodat de breedte van denRookhoek37° 42′ zoude zijn, hetwelk ook met de kaart vanJanssonjuist overeenkomt en met onze kaart slechts een verschil van -3′ oplevert. »Waeren hier bij wit gepleckt lant met eenige santboschies, omtrent 2 mijlen van lant hadden de diepte van 19, 20 vadem, singel ende grove santgront, hier was de gront ongelycke diepte cort op ende af. Het voorkant is duynich lant, maar anders hooch lant, op sommige plaetsen dubbelt; het lant om de Noort scheen een bocht beginnen te maecken. Wij vernaemen dat de stroom hier heen ende weer langs de wal liep.” De verandering van den grond, die vroeger wasig en zwart zand was, en hier singel en grof zandgrond, bevestigt, dat zichVriesop den 27 Mei ’s middags op omtrent 3 mijlen afstand van denRookhoekbevondt, waar zich eene groote rivier, deTamano gawa, in zee stort en zwaren kegelzand met zich sleept. Ook wordt in ’t Journaal maar eens van denlagen Santhoekgewaagd, te weten op den 31 Mei, ’s middags, waar zichVriesop 38° N.Br. binnen een afstand van 7 à 8 mijlen, W. daarvan op 70-75 vademen bevond. Op de kaart vanVriesenJanssonis die uithoek op ongeveer 38° 10′ N.Br. aangeteekend. De plaats echter, waarVriesop den 29 Mei het werpanker op 29 vademen singelgrond vallen liet, en waar hij zich op den middag naar gissing op 38° en 4 mijlen van den wal bevond, is door eenankertjeaangemerkt; deze bevindt zich in ’t Z.O. van
Den Lagen Zandhoek, die op de Japansche kaartenAra fama, d. i.: woeste strand, genoemd is. Daar loopt eene van de grootste rivieren van de oostkust vanNipponin zee, deAra Kuma gawa, aan welke ook de ongelijke diepte, de banken en de singelgrond te wijten is. De grootebogt, die zich van hier allengs tot de KaapKinkwasan, in ’t JournaalEylant Toygenaamd, is de baai vanSendai, waar zich de haven vanSiho kamabevindt, waarvan men 42 Ri naar de kaap de Kennis rekent. Op onze kaart ligt de mond van denAra kuma gawaop 38° 5′ en de haven vanSiho kamaop 38° 22′ N.Br.
Kaap Kinkwasan.Een eilandToybestaat niet; daarmede is echter buiten twijfel het eilandKinkwasanverstaan, hetwelk ongeveer 1 mijl van het voorgebergte afligt, dat het oostelijk uiteinde van de baai vanSendaïvormt. »Dezen uitsteeckende hoeck van Toy is heel kenbaer; als men uyt de Suyt komt, vertoont hem als een hooch eylant, ende een weynich daer bewesten met een rey van gehackelt geberchte, met een corte spaetsy laech lant.” Dit eiland isVriesden 1 Junij op een’ afstand van eene mijl genaderd, en tusschen dit en een ander, dat hijTafeleiland(op onze kaartNagafama) noemde, ingezeild; »waeren omtrent 1 myl van de wal, wenden ’t doen, t’see gewent synde.” Volgens zijne waarneming op den middag van den 1 Junij waar hij, den spitsberg vanToyN.W.1⁄2W. op 2 à 3 mijlen afstands peilende, zich op 38° 24′ gegiste breedte bevond, ligt dit eiland op 38° 32′ N.Br., hetwelk slechts een verschil van +7′ met de bepaling van den Japanschen Hof-astronomistSakusajemonoplevert. Deze waarneming werd op den 2 Julij bevestigd, waar het zuideinde vanToyop 38° 29′ bevonden werd, overeenleggende met het zuideinde van hetTafeleiland. »Recht Noorden van het Suyteynt van Toy 1 à 2 mylen liggen eenige gebroocken eylanden ende clippen onder de wal; wat landelycker leyt noch een eylantie, wat langer ende hooger(Dezima);dicht onder de cust een half myl daer benoorden leyt noch een ront eylantie gelyck een Toppershoetien(Jesima),daer aen beyde eynden al scherpeclippen, die boven water leggen, afstrecken ende vertonen haer als naelden. Tusschen het vorige eylant ende het Toppershoetien geleek een rivier in ’t lant te loopen”. Dit is echter eene diepe bogtSjugo famagenoemd. »De cust streckte hun hier al noortwaarts, maar met veel inbochten ende was al hooch lant.” Deze eilandjes zijn op de originele kaart vanVries»Schildpads eylantjes” genoemd. Overigens is de beschrijving daarvan en van dit voor de vaart langs de Oostkust vanNippongewigtig punt van verkenningvoortreffelijk; wij willen echter nog aanmerken, dat tusschen het zoogenoemde eilandToy(Kinkwasan) en den vasten wal een voor Japansche groote schepen bevaarbaar kanaal bestaat, datJama tori no seto, d. i. het fazanten kanaal, genoemd wordt, en dat aan de Noordzijde van de bogt vanSjugo famazich een tak van de groote rivierFigami gawain zee stort, die tevens bevaarbaar is voor groote schepen en door een kanaal bijMiato, eene haven in de baai vanSendaiuitwatert. Door deze 9 Ri lange vaart, die voor gewone niet al te groote schepen geschikt is, wordt de omzeiling van kaapKinkwasanvermeden, die anders 22 Ri bedraagt. Mogelijk is die ook voor kleine stoomschepen bevaarbaar. Langs het grootste gedeelte van de Oostkust vanNippondroogt het water langzaam tot op 10 vademen en minder op; rondom de kaapKinkwasanechter vindt men reeds op korten afstand eene diepte van 80 vademen, en eenige mijlen verder in zee geen grond meer. In het Z.O. vanKinkwasan, 2 en 3 mijlen vandaar, namVrieseene om de Zuid loopende strooming waar. OokBroughtonheeft (7 en 8 September 1797) langs de Oostkust vanNipponop 39° 55′ tot 40° 44′ N.Br. eene sterke Z. en Z.Westelijke strooming waargenomen. Deze heeftVriesreeds zuidelijker op 37° 39′ op een’ afstand van 4 mijlen van de kust ontmoet, en als oorzaak van de korte vreeselijk holle zee verklaard, »omdatde strooming tegen de wind (uit S.S.O.) liep.” De Japansche stroom, de reeds vroeger genoemdeKuro siwoof zwarte zeestroom, schijnt aan den grooten oosthoek vanNippon, kaapDaihô saki, zijne kracht te breken, en vervolgens langs de kaapde Kennismeer N.Oostelijk te worden afgeleid. Behalve zijne snelheid en zijne rigting, die aan den zeeman niet ontgaan kunnen, kenmerkt zich de loop van dezen stroom gedurende de koudere jaargetijden en in hoogere breedte door den digten mist, die ’s morgens en ’s avonds zijn stroomgebied bedekt.Vriesklaagt dikwijls tot op de hoogte van bijna 38° N.Br. over »vreeselycke donckere mist”, terwijl hij noordelijk door heel mooi begunstigd werd. Men kan dus als eene wet van dezen warmen stroom aannemen, dat zijn gebied zich langs de Oostkust vanNipponniet verder dan op 38° N.Br. uitstrekt, en dat zich tusschen hem en langs de kust eenkoude stroomindringt, die van de Zuidkust vanJezoen mogelijk van de straat vanTsungar, waar, door dit tot op 12 Eng. mijlen verengd kanaal, de doorstrooming van al dat water belet wordt, afzakt en naar het Zuiden loopt. Dat deze aan den invloed der afwisselende winden min of meer blootgesteld is, is natuurlijk, en zijne kracht schijnt zich als het ware aan die van den warmen stroom allengskens te breken, alhoewel beide stroomen duidelijk onderscheidbaar voorbij stroomen. Want nog op de hoogte van deTasmanseilanden wordt door de Japanners sedert eeuwen de grenslijn van denKuro siwowaargenomen en bepaald. Ook is de warmte van het zeewater in het Noorden van de Oostkust vanNipponaanmerkelijk lager als van dat van denKurosiwo, zijnde het maximum der temperatuur van dien stroom op 86° Fahr. en die der zee bij kaapKurosaki(39° 56′) slechts op 55° Fahr.
De Tafelberg.»’s Avonts lach de Oosthoeck van Toy S.W.t.S. 5 à 6 mylen van ons, saegen in ’t N.t.O. een heel hoogen vlacken berch, dien wyden naem gaven van den Tafelberch.” Deze is, volgens deze peilingen op den 2 Junij gedaan, waarschijnlijk kaapWosakiop de Japansche kaarten; hetwelk ook met de kaart vanJanssonen met de waarnemingen vanKingenBroughtonovereenkomt. Daarna zou de hoek van den Tafelberg op ongeveer 39° tot 39° 15′ N.Br. moeten liggen. De beslissing daarvan laten wij aan het onderzoek van Nederlandsche zeevaarders—zoo hopen wij—over; betreuren echter zeer, dat CommodorePerryde Oostkust vanNippon, van de Witte hoek af aan tot kaapSirijasakieen afstand van vier en een vierde graad van breedte, of 255 Eng. mijlen voorbijgestoomd is, zonder de aardrijkskundige ligging van deze zoo weinig bekende kuststreek nader onderzocht te hebben.
Caap de GoereeofGoede ree. »Een steylen hoogen gehackelde hoeck, dien wy Caep de Goeree noemden, omdat tusschen beyden schenen veel havens ende eylanden te liggen, daer(eene)Goede ree soo het leeck after waere; de cust streckt hier N.t.O. ende S.t.W.” Volgens zijn bestek van ’s middags den 3 Junij, waarVriesop 39° 28′ N.Br.caep de GoereeN.t.W. 4 mijlen van zich had, zoude deze kaap op 39° 45′ N.Br. liggen. OpJanssonskaart is dezelve op 39° 40′ geplaatst. Het is de oostelijkste uithoek vanNippon,Kuro saki, d. i. de zwarte kaap genoemd, die volgensSakusajemonop 39° 56′ N.Br. en 142° 10′ O.L., volgensBroughton’s originele kaart 20′ oostelijker, en volgens v.Krusenstern’s berekening 10′ oostelijker ligt. Wij zijn van meening aan de breedtebepaling vanVriesthans, waar wij zijn Journael kennen, de voorkeur te moeten geven, en vooronderstellen, dat de kaapKurosakiop de Japansche kaarten te ver vanTako fama, waar zich de zoogenoemde haven vanNaboofNambubevindt, geplaatst is. De haven vanNabo, waarheen de Japansche visschers aanbodenVrieste zullen brengen, is die vanMijako; en die vanSchayis die vanKuzi(ookKuziwokagenoemd). De eerste is 38 Ri van de haven vanDezimabij kaapKinkwasangelegen, en de laatste ligt 20 Ri noordelijk van die vanMijakoaf. Deze beide havens en nog eene 20 Ri noordelijker bij den Noordoosthoek gelegen, zijn de drie voornaamste havens van het noordelijkste gedeelte der Oostkust vanNippon, dat onder het district vanNambubehoort: daarvanNaboofNambu[61]. »Een groote voert, streckende S.S.W. heel diep in ’t land, souden naer wy sien conden daer heel uyt der see seylen connen,” werd deVoert van Goereegenoemd. Het is de ruime ingang van de haven vanMijako, doorBroughtonenKingop hunne (al te kleine) kaarten met den naam vanPortenCape Nambubeteekend. De beschrijving, dieKingvan den ingang maakt, komt met de Japansche kaart daarvan overeen; dezelve wordt door twee landpunten gevormd, waarvan de noordelijke lage (une pointe basse de terre)Tako fama, d. i. Inktvisch strand, heet, de zuidelijke hooger is, en met een’ kegelberg eindigt (une colline en forme de cone) en deswege den naam vanTaka fama, d. i. hooge strand, heeft[62]. De diepte der zee is hier, 2 tot 4 mijlen afstands van den wal, meer dan 100 vademen wasigen grond. De kaapKurosakikenmerkt zich door eenige hooge naar binnen liggende kegelbergen (deKairakienKabutojama), die tot het einde van Mei nog met sneeuw bedekt zijn.
De Noordhoek.»Het verste lant dat wy sien conden, lach N.t.W. 8 mylen van ons (endeCaep de Goeree S.S.W. 2 mylen)ende was een vlacke hooge berch(deCroonberch?);ende een laege vlacke afgaende hoeck lach N.N.W. 4 à 5 mylen van ons.” De veronderstelde Noordhoek van Japan is, zoo als uit de Japansche kaarten te zien is en uit de opneming vanBroughtonblijkt, slechts een gedeelte van de kust, die zich van het oostelijkste uiteinde vanNippon(kaapde GoereeofKurosaki) in eene noordwestelijke rigting uitstrekt tot op 41° 34′ N.Br. Deze doorVriesgeziene Noordhoek is de kaapTane itsien de »laege vlacke afgaende hoeck,” de kaapMisakiop de Japansche kaarten, de eerste volgensJanssonskaart op 40° 10′, echter doorSakusajemon,KingenBroughton15′ tot 16′ meer noordelijk geplaatst. Daar wij, alvorens wij vanVriesJournael kennis namen, vooronderstelden, dat de door hem benoemdeNoordhoekkaapMisakiwas, omdat de opJanssonskaart daarvoor opgegevene breedte juist mede overeenkwam, zoo hebben wij op onze kaart aan kaapMisakiden naam van kaapde Vriesgegeven, terwijl wij aan kaapTane itsiden vanvon Krusensterngegeven naamPointe Nord,King, bijbehielden. Langs deze kust tot op ongeveer 40° 23′ N.Br. heeft men op een afstand van 4 à 5 mijlen 72 à 100 vadem graauwe zandgrond.
Kaap Sirijasaki, of de Noord-Oosthoek (P. Nord-Est,Krusenstern.) Aan onzen Nederlandschen zeevaarderVriesen aan den EngelschenKingbleef deze kaap onbekend. Op de, volgens oorspronkelijk Japansche, ontworpen kaarten van de 17eeeuw vindt men het noordelijk gedeelte vanNippondoor omtrekken begrensd, die deze kaap duidelijk laten herkennen. Zijne aardrijkskundige ligging echter hebben wij aanBroughtonte danken, die dit voorgebergte den 9 Augustus 1797 omzeilde, en hetzelve den 25 d. m. nader bepaalde enCape Nambunoemde. Op deszelfs originele kaart is kaapNambuop 41° 15′ N.Br. en 141° 30′ O.L. geplaatst.Von Krusensternberekende de ligging van deze kaap op 41°22′ 45″ N.Br. en 141° 30′ O.L., enSakusajemonop 41° 25′ N.Br. en 141° 46′ O.L. Op de kaart van »the Kuril Islands fromv. Krusenstern,v. SieboldandBroughton” uitgegeven in 1856, door het hydrographisch bureau van de Admiraliteit te London, isvon Krusenstern’s berekening bijbehouden. Digtbij liggen rotsen en een eilandjeRakosima, d. i. Robben eiland genoemd. Op den 5 Junij wasVriesop deze hoogte en zag »veel seerobben ende veel drift.” Het diepte hier langzaam van 70 tot 100 vadem graauwe zandgrond.
De Kaap Toriwisaki(The North Point of Nipon,Brought.). Ook van deze kaap hebben wij de aardrijkskundige ligging aanBroughtonte danken: »a low flat point situated in the latitude 41° 31′ N. and 140° 50′ E. of Greenw.” VolgensSakusajemonligt deze echter 3′ noordelijker en 20′ oostelijker, en op de kaart der Admiraliteit op de breedte volgensBroughton, maar 8′ oostelijker. Ook deze kaap eindigt met een eilandje,Bentengenoemd, dat aan de GodinBen zai ten, eene beschermster tegen zeemonsters, toegewijd is en met eene groep rotsen, die zich gelijk naalden boven water vertoonen.
Tusschen kaapSirijasakienToriwisakivormt de kust eene diepe bogt, waar zich de haven vanOhobatabevindt, die 20 Ri van de aan de Oostkust gelegen haven vanKuziafligt. Verder westelijk van daar bijOhoaiis nog eene kleine havenplaats voor schepen, die naar de baai en haven vanAwomorivaren, waarheen 23 Ri gerekend wordt. Bij kaapToriwisakineemt de kust eene Z. Westelijke en vervolgens nog meer zuidelijke rigting aan, en loopt alsdan bij kaapKusô domarinaar O.N.O. om; en dit noordelijkste uiteinde vanNipponkrijgt als het ware de gedaante van een klein schiereiland, waar zich deJakejama, een uitgedoofde vuurberg in het midden van kleinere kegelbergen, 3200 voet hoog verheft. Met het tegenoverliggend N. Westelijk uiteinde, waarvan de noordelijkste hoekenTatsupisakienTakonosakigenoemdworden, vormt dit schiereiland den ongeveer 2 mijlen wijden ingang der baai vanAwomori, die eene ruimte van 5 tot 6 □ mijlen beslaat, en met den tijd voor de zeevaart belangrijk worden kan. KaapTatsupisakiof kaapTsugar, die volgensvon Krusensternop 41° 16′ 20″ N.Br. en 140° 30′ O.L. ligt, vormt met de tegenoverliggende kaapTadeisiofK. MatsmaiopJezo, die op 41° 30′ N.Br. en 139° 57′ O.L. ligt den westelijken ingang in de straatTsugar, terwijl kaapSirijasakien de tegenover opJezoliggende kaapJesanvolgensBroughtonop 41° 49′ 20″ N.Br. en 141° 20′ O.L. den oostelijken ingang tot deze straat, die op JapanKukinosetogenoemd wordt, beheerscht.
Wij hebben deze aardrijkskundige uitweiding gemaakt, om den doorVrieslangs de Oostkust tot naar denNoordhoekvanNipponhet eerst gebaanden weg verder nog aan te wijzen, en wel tot de haven vanHakotadeopJezo, die sedert den 31 Maart 1854 aan alle de zeemogendheden, die metJapaneen tractaat van scheepvaart gesloten hebben, geopend is. En zoo vinden wij het ook doelmatig, dezen Zeemansgids met eene zeildirectie voor het inloopen in de straat vanTsugaren de baai vanHakotadete sluiten.
De Baai vanHakotadeligt N.W.1⁄2W. op eenen afstand van omtrent 45 Eng. mijlen van kaapSirijasakiopNipponverwijderd. Op deze hoogte gekomen en de rotsen, die aan de Oost- en Noordzijde van deze kaap uitsteken, vooruitgeloopen, bekomt men de kapenJezanenSiwokubimet het hooge land vanJezoen de Noordkaap vanNippon(Toriwisaki) in het gezigt. Men houde aanvankelijk op kaapJezan, en vervolgens, kaapToriwiWest peilende, op kaapSiwokubiaan. Deze ligt op 41° 49′ 22″ N.Br. en 140° 47′ 45″ O.L. De stroom, die de straat in ’t Westen met eene snelheid van 5′ in het uur inzet, is in het midden der straat het sterkst, namelijk tusschen kaapSiwokubienToriwisaki, waar de straat het naauwst, 10 tot 12 Eng. mijlen breed is. Japansche vaartuigen, die naar de haven vanOhobatazeilen,gaan derhalve digt bij kaapSirijasakivoorbij en houden zich langs de kust, waar de stroom minder bespeurd wordt; ook loopt hij, volgens de mededeelingen van Japanners, bijToriwisakidigt bij de kust vanNipponW.t.Z. om en Z.W., hetwelk zich als eene terugstrooming van de watermassa beschouwen laat, die de naauwte tusschenSiwokuwienToriwisakiniet doorstroomen kan. De Noordkust vanNipponis echter klippig, en in het N.N.W. van hetBenteneilandje zijn gevaarlijke ravelingen. Bij mistig weder en bij nacht is het niet raadzaam de straat in te loopen. Stoomschepen kunnen zich met het hoofd in zee gemakkelijk aan den ingang houden, totdat zij gelegenheid hebben binnen te loopen.