image: 16_ellie.jpg
image: 17_cor.jpg
"Je zult het gauw genoeg ondervinden, want Maandag komen ze. 'k Hoop, dat jullie gauw vriendschap zult sluiten."
Zoo was die nieuwsgierigheid gedeeltelijk bevredigd, maar werd het geduld langer op de proef gesteld, langer, dan hun belangstelling het uithield. 't Nieuwe was er al bijna af, toen de nieuwelingen op school kwamen; ze werden met zekere terughouding ontvangen.
Maar de meisjes 't eerst openden haar kringetje voor Nel, het tengere popje met levendige oogen en gitzwart haar, een gezellig praatstertje, dat zich heel spoedig in haar nieuwe omgeving thuis gevoelde.
Vanzelf volgden de jongens toen met Cor, een robuste, bazige jongen, zoo op 't eerste gezicht te oordeelen. En op 't eerste gevoel ook, want al heel gauw had Theo ervaren, hoe hard Cor's "knuisten" waren. Op zijn gewone manier probeerde Theo, Cor er tusschen te nemen. Maar Cor liet er zich niet tusschen nemen;hij scheen wat beweeglijkin zijn vuisten te zijn, althans ze trommelden onverwacht snel op Theo's rug en... dat beviel hem blijkbaar nog niet eens half; maar Cor had zich zijn plaats bevochten in den kameradenkring, en vóór de eerste schoolweek nog heelemaal òm was, wisten de jongens goed, wat ze aan elkaar hadden.
Het was Woensdag. In Rhanden heerschte een gezellige drukte: één der druk bezochte voorjaarsmarkten werd gehouden.
Cor en Nel keken hun oogen uit. 't Was ook zoo'n ongewoon gezicht voor hen, die keuterboertjes in d'r stijve kleeding: zwart-lakensche pet op, hoog om den hals gesloten zwart vest aan, hun voeten in de helder-wit geschuurde klompen. Ze zagen er, die met hun klompen aan, voortfietsten; en Nel had de grootste pret, toen ze een boer en een boerin op de fiets zag, beide met klompen aan.
"Zeg, Cor, kijk eens, daar gaan Klompertje en zijn wijfje!"
"Nee, kijk die daar!" En Cor proestte het uit van den lach, toen hij een arbeider zag, die een schreeuwend varkentje in den arm droeg.
Cor maakte, dat hij er bij kwam. Hij liep achter 't spannetje en kon de lust niet weerstaan, om 't dier aan 't grappige krulstaartje te trekken. 't Scheen nog al aan te komen, want 't beest begon, naar varkensaard, erbarmelijk te schreeuwen.
"Hè Cor, hoe gemeen!" viel Nel snibbig uit, "zoo'n schattig diertje, en dan zoo valsch doen!"
image: 18_staartje.jpg
image: 18_staartje.jpg
"Och meid", weerde Cor af, "wat hindert dat? Zooveel voelt hij er niet van!"
"Nou, en ik vind het heel leelijk van je, om zoo'n arm dier te plagen, hoor!"
Nel ging op den man af, en vroeg:
"Baas, mag ik je varkentje eens zien?"
"D'n keu-e mien-de? Wel joâ, jongejuffer."
Nel streelde het dier over de borstelige haren, maar trok toch haar hand terug, toen het zijn kop ophief, druk met het beweeglijke snuitje tastend.
"Wel een aôrig diertgien, niet dan?" vroeg de man. "Minsch, a'j ze 'n paôr wêken hèd, dan binnen ze hielendal aan je gewend en loopen ze de vrouw na as keinders."
Cor stond er bij te kijken. Dat staartje... dat was toch zoo leuk. Dat lokte tot plagen... Maar Nel was d'r bij. En die vond het naar. Hij zou zich daarom bedwingen.
"Zeg Cor!" viel Nel ineens uit, "'k zal aan Vader vragen, of we ook zoo'n varkentje mogen."
"Vader zal je feestelijk bedanken", antwoordde Cor. "Waar moet je zoo'n dier nu houden? 't Is veel te vies."
"Vies, hoe kom je d'r bij? 't Beestje is zoo schoon als 't maar kan. Ik vraag het aan Vader!"
"Doe het. Ik zeg je dat 't niet lukt. Je hebt toch vanmorgen gezien, hoe vies die hokken zijn en 't stroo d'r in, op de markt?"
Nel liet het plotseling opgekomen plan zoo gauw niet los!! Ze waren bij huis. Nel stormde den winkel binnen. Wat was het daar vol! En wat leuke menschen, vooral die boerinnen met d'r gladgestreken haren onder de witte muts, die haar bolle wangen omspande en in breede plooien over rug en schouders afhing.
image: 19_onderhandelen.jpg
Met d'r groote boodschappenmand aan den arm, hadden ze voor de geheele week inkoopen gedaan.
Meneer Poorters was met 'n paar boeren aan 't onderhandelen over een landbouwmachine. Zonder te bedenken, dat hij dan niet gestoord mocht worden, liep ze ineens op haar vader toe.
"Dag vader! Vadertje, mag ik een varkentje hebben, zoo'n kleintje?"
"Dag Nel." Vader keek haar wat ontstemd aan. Hij hield niet van kinderdrukte in den winkel. "Is er zoo'n haast bij? Kun je niet even wachten?"
De boeren hadden er schik van.
"Waôr mot de jongejuffer die hou'en?" vroeg er een. "Nee, dat geêt niet."
"Waarom niet?" vroeg Nel. Ze had het zich zoo vast voorgesteld. Vader zou dat niet weigeren.
"Dan môt de jongejuffer môar 'ns kommen kijken bij ons, dan ziede-ge het wel!"
"Hè ja, Vader, mag dat?" Cor had het aanbod van boer Jansen gehoord, en hij haastte zich, er op in te gaan. Hij wou juist zoo graag eens een boerderij bekijken.
"Wat mij betreft, best", antwoordde meneer, "als Jansen niet bang is voor 'n paar van die drukjes, ik vind het goed."
"Komme gullie dan moâr 'ns met mien zeun Geurt mit." 't Bleek, dat Geurt de groentenman was. Cor en Nel zouden graag komen, zeiden ze, en meneer Poorters vond, dat hij met 't koopen van een varkentje nog wel tot een volgende week kon wachten.
Aan de koffietafel wachtte Moe ze al, met de "broertjes", een aardig stel tweelingen: Dirk wat langer dan Daan. Daan was breeder gebouwd dan Dirk. Ze gingen ook al naar school, maar werden nog gehaald en gebracht. Toen ze hoorden van 't plan, om met Geurt Jansen mee te gaan, wilden ze ook graag van de partij wezen. Moeder vond het wat gewaagd voor ze, en beloofde ze 'n wandeling den berg op, waarmee ze meer tevreden gesteld dan op schik waren.
Al vroeg na de koffietafel kwam Geurt Cor en Nel aanhalen. "Vaôder had 't 'ezeid", vertelde hij. Nel vond het eerst wel wat vreemd, op die groentekar, maar Cor zat er op zijn gemak, vooral toen hij de leidsels mocht vasthouden. "D'n Bles weet gaôr zoo goed den weg as ikke", verzekerde Geurt, wat wel bleek, want met zijn gestadigen stap ging Bles, zonder dat Cor eigenlijk stuurde, den weg naar de boerderij, waar vrouw Jansen dadelijk begon aan 't afladen van de bennen en manden. Cor hielp een handje mee: dat was net wat voor hem!
Nel wilde dadelijk naar de "varkentjes" gaan kijken.
image: 20_varkentjes.jpg
image: 20_varkentjes.jpg
Ze was meteen van haar plannetje àf, want die vette, in de modder rondkruipende dieren, waren toch niet zulke "schatjes" als ze wel gedacht had! Er was heel wat te zien en heel wat te raggen! Cor durfde nog niet zoo goed zijn gang gaan, 't was pas de eerste maal, dat hij bij Jansen kwam! Maar hij beloofde Geurt en zichzelf, nog weleens terug te komen... in den vruchtentijd!
"Wel, Nel", vroeg meneer Poorters, toen ze na dien drukken, eersten marktdag aan tafel zaten,"wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig'beestje hebben?"
"Dank u, vadertje!" en Nel trok preutsig haar neus op, "liever niet! Als 't nu altijd zoo klein bleef, dan wel, maar nu..."
Vader was moe. 't Was druk geweest. Hij had goede zaken gemaakt. 't Beloofde wat voor de toekomst! In zijn dankgebed na tafel vroeg hij, of de Heer ze allen wilde blijven zegenen en ook de zaken onder Zijn hoede wilde nemen.
Zoo werd dat een dag van dankbaarheid, omdat de beste verwachtingen waren overtroffen. Meneer Poorters wist het, en hij leerde het zijn kinderen vroeg: "Aan 's Heeren zegen is 't al gelegen." En hoewel hij nooit de kinderen in de "zaken" wilde mengen, achtte hij het niet minder noodig, ze vroeg te leeren danken voor de zegeningen, die ook in de zaken werden genoten.
Cor vooral zat graag in den winkel. Die was zooveel grooter dan hun vroegere, in Haarlem, en er was nog grooter verscheidenheid in te vinden. Heel wat dorpen in de omgeving betrokken hun waren in de zaak van Ter Hoek, zooals die, ondanks de nieuwe bewoners, nog altijd werd genoemd.
En bijna dagelijks kwamen er groote bezendingen van allerlei waren aan, vooral moderne land bouwgereedschappen. Dat was voor den rusteloozen Cor een genot; hij was, zoolang Vader er niet bij kwam en hem naar huis stuurde, druk bezig met uitpakken, plaatsen en verplaatsen. Al zijn schoolwerk liet hij er graag voor rusten. Maar meneer Poorters wilde er niet van weten: kinderen behoorden thuis, vond hij. En als Cor bezig was, wilden de broertjes ook al mee. En winkel en magazijnen waren géén kinderkamer; alleen als Vader er nièt was, kon Cor zijn vermaak zoeken in de "zaak".
Wel ging 't eerste nieuwtje er gauw af, maar het verboden terrein bleef toch voor Cor het meest aantrekkelijke, hoezeer hij wist dat het verboden wàs.
Er was zoo al een week voorbij gegaan, en 't werd Zaterdag. Jan, Theo en Koos zouden er op uitgaan, en meneer had beloofd, mee te trekken. Hij deed het meermalen, nu eens met het ééne clubje, dan weer met het andere, nu eens met de fietsers per fiets, dan met de wandelaars te voet.
De jongens waren er dol op, want meneer Van Waalwijk was dan niet meneer, maar hun kameraad, van wien ze hielden, dien ze vertrouwden. De jongens konden bij hem een potje breken en hij bij hen.
Koos vooral hield van die tochten. Meneer wist zooveel te vertellen van alles, waar Koos van hield: van de natuur, en al het wondere uit het leven van bloemen en planten en vogels. Daar ging Koos in op; hij kon droomen in de donkere dennebosschen, en tusschen 't beukenhout wist hij de plekjes te vinden, waar in den namiddag de zon schuin tusschen het gebladerte scheen en op den mossigen bodem groote lichtplekken tooverde.
Ze trapten nu den berg op. Cor had zich bij hen aangesloten. Hij bleek een echte racer. Telkens schoot hij vooruit, moesten ze hem inhouden. Theo reed naast hem en hoorde geduldig al zijn verhalen aan.
"Jô, je moet niet zoo hard trappen, dat hou je vast en zeker niet uit tegen den berg op. Op een vlak weggetje gaat het nog, maar hier, telkens met die huchten, word je gauw moe, als ze zoo dol rent."
"Net alsof het de eerste maal is, dat ik tegen zoo'n helling op fiets! Hoe noem jullie dat ook weer?"
"Wel, een hucht, en als het zoo steil oploopt, een stikke hucht."
"Dan zijn het bij Bloemendaal allemaal stikke huchten. Daar kan je klimmen! En dàn omlaag, met een vrijwiel!"
"Had je die?"
"Een echte! maar die kar is al lang stuk. Deze is eigenlijk van mijn grooten broer. Een fijn beestje!"
Cor begon te hijgen.
Van terzijde keek Theo hem aan.
"Is je stoom al op, zeg? Wil ik duwen?"
"Niet noodig, hoor."
Cor trapte raak. Doch het ging steeds langzamer.
"Laat ik je maar wat opduwen. Ik ben gewend, de hucht op te trappen", drong Theo nog eens.
Maar Cor wilde er niet van hooren.
"Nee... dank je... niet noodig..." hijgde hij.
Een eindje voor ze uit reden meneer en de twee anderen.
"Die zijn ons een heel eind voor", zei Theo, die kalm maar zeker zat te trappen. "Dadelijk houden ze wel stil. Dan zijn ze boven, op 't hoogste punt."
Hij peddelde door. Cor antwoordde niets, die bleef zeker wat achter. Hij zou wel volgen, meende Theo.
"'k Trap alvast maar door! Jij komt wel."
image: 21_uitblazen.jpg
image: 21_uitblazen.jpg
Meneer Van Waalwijk lag, met Jan en Koos, al uit te blazen, toen Theo met verhit gezicht aan kwam peddelen. 't Was een vermoeiende trap met zoo'n onregelmatigen racer naast je als Cor.
"Zie zoo, 'k ben d'r eindelijk", zeide hij, sprong van de fiets, legde die in 't gras en ging er zelf languit bij liggen.
"Dat zien we, Theo. Waar is Cor?"
image: 22_vergezicht.jpg
image: 22_vergezicht.jpg
"Verloren, meneer, onderweg", gaf Theo ten antwoord, en hij zette er een onschuldig gezicht bij. "Maar ik kon het heusch niet helpen!"
"We moeten toch op hem wachten."
"'k Denk, dat hij niet meer kon; hij zuchtte op 't laatst al als een stukke locomotief; maar hij reed ook zóó hard, dat er haast geen bijhouden aan was."
Koos zat te genieten. 't Was daar een verrukkelijke plek, met prachtige vergezichten. Links van den weg statige rijen beuken, zóó diep-weg, dat ze in de verte elkander schenen te raken. En aan weerszijden van den zandweg, waarlangs die beuken stonden, prachtige buitenplaatsen midden in het bosch. Aan den anderen kant van den weg, hoog geboomte, maar tusschen dat hout door zag je in de verte, aan den overkant van de rivier, de lage Betuwe liggen: telkens één of twee kerktorens, sommige boven het hout uitkomend. En overal verspreid, de boerderijen, waarvan de roode daken fel afstaken tegen al het groen; en langs de rivier met haar tallooze bochten, de lichte streep van den dijk.
Koos keek, en hij was er haast niet bij.
Hij zag de zonneschittering in het water, waar bijna geen beweging in was te bespeuren.
"Prachtig, hé, meneer?" riep Koos ineens.
Meneer hield van Koos, omdat hij, bij 't zien van iets schoons, zoo heerlijk in vervoering kon komen. Zulk droomen als Koos deed, dat kon geen kwaad.
"Of het", antwoordde meneer Van Waalwijk.
"Toen de kersenbongerds bloeiden, ben ik er met Vader heen geweest..." zei Koos.
"En ik ga, als de kersen rijp zijn", merkte Theo op.
"Heel wat prettiger, meneer! Eten, op Langenhorst of op de Ingelhoeve! Eten, tot je niet meer kan! Dat is beter werk dan kijken alleen!"
"Ik eet anders kersen tegen jou op", zei Koos. "Maar de boomen in bloesem vind ik prachtig. D'r zat toen aan den dijk een schilder te teekenen. 'k Wou, dat ik het zóó kon, zóó mooi... de bloesem leefde..." Jan Arps stond op.
"'k Zie Cor nog niet aankomen. Waar zou die gebleven zijn?"
"Spring op de fiets, en ga kijken, dan weet je het."
Jan sprong op de fiets; Theo volgde zijn voorbeeld; Koos en meneer Van Waalwijk deden evenzoo.
Ze zagen nog niets. Al vrij-wielende daalden ze.
Plots schoot Cor achter een boom vandaan.
"Hé, holla! hé! Waar gaat dat naar toe?"
"Op zoek naar jou, natuurlijk. Waar bleef jij?" vroeg Jan.
"Hier, zooals je ziet. Ik moest even rusten, want mijn voorband is leeggeloopen; de binnenband is wel goed, maar ik vertrouw 't ventiel niet."
"Heb je 'm al opgepompt?"
"Ik niet. 'k Heb geen pomp bij mij en geen ventielslang ook. Heb jullie d'r een voor me?"
Meneer Van Waalwijk had natuurlijk pomp èn ventielslang bij zich. 't Was niet de eerste maal, dat hij met jongens aan den trap ging.
"Waarom kwam je niet naar ons toe?" vroeg Theo.
"Dank je wel. Ik loopen en jullie rijden? Dat gaat niet best. En ik had geen zin m'n band te vernielen, zoo tegen den berg op. 'k Ben nu lekker uitgerust ook!"
Met groote handigheid herstelde hij het ventiel, en al gauw was de band weer hard.
Ze stapten op, en de klim begon opnieuw.
Nu fietste Cor regelmatiger. Ongemerkt was meneer Van Waalwijk naast hem gekomen en hield hem aan de praat.
Ze kwamen zoo, rustig en ongemerkt bijna, zonder buitengewone inspanning, op de hoogte aan.
"Afstappen, Cor, dan zul je wat moois zien!" commandeerde meneer.
De fietsen werden naast elkaar tegen een boom gezet, en daar stonden ze met hun vijven. Koos genoot opnieuw, en ook Cor kwam onder den indruk. 'n Oogenblik was genoeg, om hem vol bewondering te doen uitroepen:
"Wat is het hier mooi!"
Doch onmiddellijk volgde er op:
"Maar wat is dat water? Is dàt de rivier?"
De jongens schoten in den lach.
"Natuurlijk", zei Theo. "Hoe kom je d'r bij! Wat moet het anders wezen?"
"Maar ik dacht, dat de rivier recht was! Op de kaart zie je toch een rechte streep? En hier is het één en al bocht!"
Ja, nu vonden ze Cor's verbazing toch niet zoo héél dwaas meer. Zij hadden het al zoo vaak gezien, dat ze het eigenlijk nooit goed opgemerkt hadden.
Meneer legde Cor uit, hoe het onmogelijk was, op de kaart al die bochten aan te geven.
"Zouden nu dáár de Batavieren zijn aangekomen, meneer?" vroeg Cor. En in één adem voegde hij er aan toe: "Kijk, daar drijft een groote boot!"
image: 23_vrachtboot.jpg
't Was de vrachtboot van Rotterdam op Düsseldorf, een groote raderboot, die het rustige water stuivend op zijde wierp.
Cor had er nu genoeg van gezien. Hij keek langs de vrij steile helling, waar beneden een weg liep.
"Hoe kom je hier naar beneden?" vroeg hij.
"Door het kreupelbosch natuurlijk. Maar 't is steil, en 't is verbazend moeilijk dalen."
Dat was net wat voor Cor. Zijn oogen glunderden. Hij keek Theo aan, en ze begrepen mekaar.
"Hoe hoog is het hier, meneer?" vroeg hij.
"Vijftig meter boven de rivier zoowat."
"Ga je mee, Theo? Mag het, meneer?"
Cor wachtte het antwoord niet af, maar verdween al tusschen de struiken.
De anderen keken meneer Van Waalwijk aan.
"Ga jullie hem maar na, dien wildeman!" zeide hij, en in een oogenblik waren ze alle vier verdwenen.
Helder gelach klonk op; nu en dan een benauwd schreeuwtje er tusschen. Van de hoogte af zag je de takken bewegen; een jongenskop kwam boven 't struikgewas uit, een hand, je hoorde takken kraken...
Cor liep natuurlijk voorop. Dàn volgde Theo. Jan en Koos kwamen achteraan. 't Was uitkijken voor ze. Tusschen het lage hout zonden de braamstruiken hun lange, taaie, stekelige uitloopers uit, waar ze met hun kousen aan bleven haken, of die ze door broek en al scherpe stekels in 't lijf prikten.
Ze kwamen beneden, verhit en wel.
't Moeilijkste moest nu nog komen: het weer tegen de ruige helling opklimmen.
"Wie 't eerste boven is?" stelde Theo voor.
Dat vond bijval.
Koos gaf het sein en daar begon het. Cor kroop als een kat op handen en voeten, onder de takken door. Theo wierp zich òp de struiken, om de takken te doen buigen en er zóó te komen; Koos en Jan, voorzichtig, keken uit, en gingen behoedzaam op pad.
Halverwege gekomen, hoorden ze een luiden schreeuw. Ze dachten, dat 't een grap van Theo was; een poging om hun aandacht af te leiden, en daardoor op hen te winnen. Maar ze lieten er zich niet tusschen nemen, en zetten kalm hun tocht voort.
Jan kwam 't eerste tusschen het kreupelhout te voorschijn. Ha, er was nog niemand! Meneer zat daar nog alleen. Op een holletje kwam hij aanzetten.
"Hoera! Nummer één!" riep hij al.
Maar 't was mis! Want plotseling vlak bij de bank, kwam Koos in 't zicht, die met een: "Afgesnoept, maat! Reuze!" éér dan Jan bij meneer Van Waalwijk zat.
image: 24_struiken.jpg
Daarop kwam Theo's gezicht, bezweet en vuil, tusschen de struiken uitkijken. Telkens waren de bestofte bladeren hem tegen 't gezicht gekomen; en ook nu nog baande hij zich een weg, al stappende en de hoogere takken wegbuigend.
Toen hij bemerkte, dat de kans om de eerste te zijn, verkeken was, vond hij het blijkbaar onnoodig, zich nog te haasten.
"Je lijkt wel een moriaan! Hoe ziejijd'r zoo uit?"
Theo keek weer allerdolst. Hij veegde z'n gezicht met z'n niet te schoonen zakdoek af, trok z'n neus weer op, zoodat z'n bril er als op een zadel aan 't paardrijden was, en liep, zonder verder op de opmerking acht te slaan, naar Koos. Half fluisterend, gewichtig, zei hij:
"Wat gezien, jô, voor jou!"
"Wat dan?"
"Nest met jongen! Mormels, kerel, dat 't waren! 'k Heb ze d'r uit gegooid, natuurlijk", voegde hij er, om Koos te plagen, aan toe.
"Da's gemeen, da's laf, da's...." foeterde Koos. Hij had Theo wel willen aanvliegen. "Waar liggen ze, dan ga ik ze opzoeken, en leg ze weer in d'r nest. Maar vanjouhad ik dat niet gedacht, dat kan ik je wèl zeggen!"
Meneer Van Waalwijk had 't spelletje doorzien.
"Waarom lieg je, Theo?" vroeg hij.
Nu bemerkte Koos pas, hoe hij er was ingeloopen.
Theo werd nog rooder, dan hij al was. Zóó had hij het heelemaal niet bedoeld. Hij verontschuldigde zich dan ook:
"Liegen, meneer? 'k Hou Koos maar voor den gek."
"Gelukkig; jij kon ook niet zoo laf en zoo gemeen zijn."
't Kwam Koos uit den grond van zijn hart.
Maar waar bleef Cor nu weer? Die scheen specialiteit in het achterblijven te zijn.
"Hallo! hallo!" schetterde Theo.
"Hallo!" klonk het terug uit de struiken.
Cor was nog niet veel dichterbij gekomen. Theo stelde voor, hem maar weer op te zoeken.
"Waar zit je?" riep hij.
"Hier! 'k kan niet weg, 'k zit met mijn voet vast!" Daar moesten ze 't hunne van hebben. Ze daalden in de richting van 't geluid: Theo voorop, de anderen vlak achter hem aan.
"Voorzichtig", hoorden ze, vlak bij zich, Cor roepen. Ze keken en zagen een "hazenpad", waar door stroopers strikken waren uitgezet, van koperdraad. Cor, die van stroopen en strikken niets wist, was met zijn voet in een van de strikken verward geraakt; hij had geen raad geweten om er uit te komen, en was maar weer blijven zitten, toen hij bemerkte, hoe de strik zich àl vaster om zijn been sloot, hoe harder hij er aan trok.
image: 25_strik.jpg
image: 25_strik.jpg
Koos wist er raad op. Hij maakte den strik los, en Cor zag zich uit zijn ongemakkelijke houding verlost.
't Was gauw gebeurd, en hun luid "Hallo!" vertelde aan meneer, dat ze terug kwamen.
Meneer keek ietwat verschrikt op, toen hij Cor zag. Z'n heele gezicht zat vol schrammen, z'n kiel had 'n paar kleine winkelhaken, broek en kousen waren grijs van de stof.
Theo nam hem bij den arm.
"Uit stroopen geweest, en een haasje gepakt, meneer", zei hij met een meewarig gezicht.
Wat hadden ze 'n schik! Cor niet het minst! Ze poetsten hem af, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en hij knapte op, zoodat ze, na dit ongedachte oponthoud, weer verder konden trekken.
Nu ging het fijn; Een heel eind konden ze vrijwielen, voorzoover ze tenminste een vrijwiel hadden. Maar Cor en Theo zaten te trappen van wat ze konden, om hun trappers bij te houden. Zoover ze de helling af konden kijken, was er niemand te ontdekken. Er was dus geen gevaar, als ze mekaar tenminste niet in de wielen reden. Meneer, die remmen ophad, hield expres wat in, hoewel ook hij met een behoorlijk vaartje reed.
"Hier tuimelde Va van den winter, toen hij bij lichte maan 's avonds laat er nog uit moest, van de fiets, doordat hij tegen dien das opreed", vertelde Jan, toen ze langs een gedeelte weg reden, waar tusschen 't kreupelhout hoog-opgaand geboomte oprees.
image: 26_das.jpg
image: 26_das.jpg
"Welke das? Wat voor das?"...
Cor wist er natuurlijk niets van.
"Kijk maar op school. Daar vindt je hem opgezet. Want hij was dood. Va had hem juist tegen den kop gereden. Hij was verblind door het felle licht van de carbid-lantaarn en vloog toen regelrecht op de fiets aan. Va maakte een tuimel van belang, maar de das was dood, en Va had hem wel voor vijf gulden kunnen verkoopen, als hij gewild had."
"Ik zou 't gedaan hebben", verzekerde Cor.
"Va heeft hem opgezet, en aan de school gegeven; 'k zal je hem morgen wijzen."
Nu ging de weg weer stijgen en ze moesten aardig kracht zetten. 't Ging langzaam, ook bij Cor, die nu snapte, dat geregeld rijden je winner was. De moeite werd kostelijk beloond: tusschen de berkenstammen langs den weg, zagen ze in de verte de hei liggen. Ze sloegen een zijweg links in; eerst tusschen kreupelhout door; maar dat werd al dunner en dunner, tot de open hei voor ze lag.
De hei!
Rhandensche jongens hielden van de hei. Voor hen was er niets eentonigs aan die groote, grauwe vlakte; want ze kenden er al de verrassingen van. Ze vonden er eieren van fazanten en patrijzen; hadden er de ruimte, wisten de mooiste struikhei te vinden. En dan kenden ze die smalle kronkelwegeltjes, die, dwars door de hei heen, naar eenzame ontginningen leidden.
Ook kenden ze de geheimzinnige verhalen van de hei: hoe er 's avonds, bij donkere maan, uit de dennenboschjes in de donkere verte witte gestalten komen aansluipen, die onhoorbaar zacht naar den grooten steen, midden op de eenzame hei, gaan, om daar te treuren tot middernacht. Dan ritselen er wondere geluiden door de lucht, en Krelis, de knecht van boer Huibers, had laatst nog zèlf gezien, hoe, op zoo'n donkeren, windloozen avond, de boomen daar in de verte hun kruinen ter aarde bogen, zonder dat ze afknapten.
Koos vertelde al die verhalen: hoe daar, onder dien steen, een ridder begraven lag, vermoord door sluipmoordenaars en hoe hij geen rust kon vinden eer die moord gewroken was, en hoe hij daarom nog telkens bij den spooksteen verscheen. De raven krasten dan akelig en het oe-hoe-i van den uil klaagde angstig door de lucht. Maar met het slaan van twaalven verdween alles, en was het weer even geheimzinnig stil op de wijde, donkere heide... Cor had geen ooren genoeg om te luisteren.
"Gaan we nog naar den steen kijken?" vroeg hij, en het leek of er een zweem van angst in zijn stem klonk.
"Best", zei meneer Van Waalwijk, die dat merkte.
Ze stapten af, want nu ging het dwars door de heide. Met de fiets aan de hand liepen ze naast elkaar, en meneer vertelde, hoe de heibewoners, die midden in de natuur leefden, haar hadden bevolkt met allerlei wonderlijke wezens. Ze hadden zich een wereld geschapen, die alleen in hun verbeelding bestond...
image: 27_verbeelding.jpg
image: 27_verbeelding.jpg
"Maar die knecht dan, die de boomen zag buigen?" viel Cor nu plotseling in de reden.
"Die zal wel boven zijn bier zijn geweest", antwoordde meneer. "Ik heb me laten vertellen, dat dàn alles voor je oogen draait!"
De verklaring voldeed Cor. Maar toch, een beetje griezelig vond hij het nog wel.
"Zou u er midden in den nacht durven heengaan, alléén, zonder iemand bij u?" vroeg hij.
Meneer moest lachen, en de jongens ook. Theo liet zijn bril weer op z'n neus rijden als een ruiter in 't zadel, en riep, met holle stem: "Dan — ga — ik — mee!"
"Als de spokenjouzien, maken ze vast, dat ze wegkomen", kreeg hij nu van Koos te hooren.
Maar meneer vatte Cor's vraag ernstig op.
"Natuurlijk", zei hij. "Waarom niet? Je weet toch ook wel, dat we nooit alleen behoeven te zijn? Bijgeloof is dwaasheid voor wie weet, dat zijn lot en leven in Gods hand zijn."
Daar lag de steen: een groote kei, plat-rond-geslepen, vermoedelijk door het water, waarmee hij in veel vroeger eeuwen — de geleerden spreken van den ijstijd — uit het hooge Noorden was komen afdalen. Ze probeerden hem op te lichten, doch al tilden ze alle vijf uit alle macht, er was geen verwikken of verwegen aan. De steen lag in volmaakte rust midden op de hei.
Ze zetten er zich op neer en Koos wees aan Cor alles, wat er in den omtrek te zien was. Eigenaardig, maar Cor kon lang zoo wijd niet zien als de Rhandensche jongens. Vooral Koos' oogen waren scherp: hij zag verder en juister dan iemand.
Hijwist alles van de hei te vertellen. Als je dàt slingerpaadje afliep kwam je hier, en langs dàt weggetje kwam je dáár, en in dat boschje zaten spechten, en ginder zaten tegen den rand altijd heele troepen meerkollen; en daar in de verte, tegen die boerderijen aan, zaten zijn meezen. Tenminste, als de boer ze had laten leven. Want ze waren vijanden van de bijen, en er stonden daar heel wat bijenkorven.
Meneer zei maar niets en luisterde, wierp er hoogstens nu en dan 's een woord, een vraag tusschen in. In vroolijke stemming aanvaardden de jongens de terugreis, nu meer dalend dan stijgend. En je kon Cor telkens z'n been over het voorwiel zien leggen, om zoo te remmen, als het wat gauw ging.
Deze tocht had den lust bij hem gewekt, nog eens, maar dan op 'n donkeren maan-avond, te gaan kijken, òf hij bij den steen wat bijzonders zou te zien krijgen.
Toen hij er thuis over praatte, werd hij uitgelachen. Alleen Nelly voelde er wat voor. Maar z'n ouders rieden hem aan, rustig in bed te blijven, dan liep hij den minsten kans, door dolende ridders of witte wijven te worden meegenomen, of de kruin van een buigende boom op zijn hoofd te krijgen.
Over den prettigen tocht raakte hij bijna niet uitgepraat, en hij nam zich stellig voor, er met de nieuwe kameraden weer gauw op uit te gaan.
"Wat saaie kerels zijn jullie toch! Echte Rhandenaars! Je durft niets!"
image: 28_opsnijden.jpg
Theo keek, door zijn brilleglazen heen, Cor aan, die op het plein voor de school aan het "opsnijden" was.
Hij was er nu al een poosje, en 't beviel er hem eigenlijk maar half. Ja, meneer Van Waalwijk was een aardige man. Met genoegen dacht Cor aan den heerlijken tocht terug van Woensdagmiddag.
Maar er was toch iets, dat hem niet voldeed. Hij gevoelde, dat hij door zijn druk- en dwaasheden zich van een minder gunstigen kant had laten zien. Hij moest zelf erkennen: Theo, Jan, Koos, konden best meedoen, maar toch waren ze zoo heel anders dan hij. Bij al hun schikmaken zorgden ze er voor, het niet al te bont te maken, en hun werk was meestal in orde.
En Cor? Ja, wat was er van hem te zeggen? Hij voelde zich in kennis bij de andere jongens achterstaan.
Hij wist, dat hij meneer Van Waalwijk door zijn druk-doen niet van de wijs kon brengen. Hij twijfelde er niet aan, dat meneer hem doorzag. En dat maakte, dat hij wat verlegen was met zijn eigen figuur, en nu lust gevoelde, om weer eens op voor hem ouderwetsche manier "pan te schoppen". Hij wou wat anders dan wat hij de "braafheid" van de jongens noemde.
Vandaar zijn vriendelijke uitroep tegen de jongens.
Theo raapte die vriendelijkheid op. Er was een ondeugende flikkering in zijn oogen, en om zijn mond lag een trek van "Wat wil je?"
Spottend zei hij:
"Wat je zegt, jô! Weet je dat van je zelven of heeft een ander het je wijs gemaakt?"
"Dat hoeft niemand me wijs te maken."
Met een plechtig gezicht keerde Theo zich nu naar de anderen, en, op Cor wijzend, plaagde hij:
"Inderdèd, mijne heeren, het grootste wonder van Rhanden: Cor Poorters, pas ingevoerd uit Hèr em, weet iets van zelf, zonder hulp!"
Een schaterlach klonk op, en Cor stond er nijdig bij, een oogenblik uit 't veld, geslagen. Hij had er niet zoo dadelijk van terug.
Maar die lach prikkelde hem. Zou hij zich door die Rhandensche knullen op den kop laten zitten? Dat nooit. En woedend, bitste hij Theo toe:
"Ik kan wel meer ook! Zonder hulp jou op je kop geven!"
En eer Theo er op verdacht was, stormde Cor woedend op hem los; één flinke stoot, en Theo raakte van de beenen op den grond. Cor zat bovenop hem, de vuist omhoog, om Theo's hoofd te gaan bewerken. Deze, door den plotselinger aanval 'n oogenblik verbluft, spartelde doelloos tegen.
image: 29_genade.jpg
"Genàde zul je roepen", schreeuwde Cor, hijgend van woede, hem toe.
De andere jongens stonden er in een kring om heen. Graag hadden ze Theo geholpen, maar 't mocht niet. 't Moest eerlijk spel blijven.
Theo zweeg.
"Genàde zeg ik je!" brulde Cor nu. Hij wond zich hoe langer hoe meer op.
"Die wil jij wel geven", zuchtte Theo benauwd. Hij kwam weer tot zich zelven.
Met een hoeraatje werden die woorden door de jongens ontvangen.
"Niet doen, hoor!" "Hou je taai!" "Geef hem terug!", schreeuwden ze Theo toe.
Nu werd Cor nognijdiger. Hij wist nu, dat al de jongens tegen hem partij trokken. En, zonder nadenken, alleen zijn woede volgend, hief hij zijn voet op, om Theo een trap in den rug te geven.
"Laat staan", schreeuwde Jan Arps plotseling. Hij stoof uit den kring naar voren, en stond tegenover de vechtersbazen.
"Dàt is geen eerlijk vechten, een jongen in zijn rug te schoppen! Dat is geméén beulswerk, en als je dat waagt, krijg je metmijte doen!"
"En met mij!" "Met mij ook!"
Al de jongens tegen hem.... Cor ontstelde er even van... 't Was wèl gemeen van hem... Maar die Theo...
Hij liet zijn been zakken. Theo had van 't oogenblik gebruik gemaakt. Met een plotselingen ruk onttrok hij zich aan Cor's greep, en wierp hemvan zich af.Nu raakte Cor van de been, en Theo stond gereed de rollen geheel te verwisselen, en Cor er onder te krijgen, toen plotseling het luide gejoel en geschreeuw der zich steeds meer opwindende toekijkers gedempt werd en verstomde.
Meneer Van Waalwijk kwam aangefietst. Hij bemerkte, dat er wat gaande was, sprong van de fiets, en zag Theo, met verhit gelaat en verfonfaaide kleeding, staan tegenover Cor, die van de gelegenheid gebruik had gemaakt om weer op te komen. Ze waren beide in hun wiek geschoten, maar wilden het geen van tweeën weten. Met gebalde vuist stond Cor tegenover Theo.
image: 30_vechtpartij.jpg
image: 30_vechtpartij.jpg
Meneer Van Waalwijk drong door den kring heen. "Goe-morgen jongens! 'n Deuntje gevochten? Goed klop gegeven? Dan zul je wel moe wezen. Toe, ga even met me mee. Dan kun je wat uitrusten. En je opknappen ook. Want je ziet er uit, alsof je een halven dag in het droge vuil hebt gewerkt!"
"Zijnschuld!" siste Cor nijdig, en hij wees naar Jan Arps. "Die kan niet eerlijk laten vechten!"
"Eerlijk vechten", kwam het, verontwaardigd, minachtend uit Jan's mond, "eerlijk vechten, dat kunjijniet. Jij wil 'n jongen, die ligt, in den rug trappen. En dat is gemeen, zeg ik je!"
"Nou, en Theo zegt, dat ik niet durf, en ik láát me niet door een Rhandensche jongen op den kop zitten. Nooit!" foeterde Cor, vastbesloten.
"Zooveel te beter dus, dat ik juist kwam", kalmeerde meneer Van Waalwijk. "Ik bèn geen Rhandenaar, en daarom kunnen jullie allebei met mij meegaan om uit te rusten."
Theo verdween al naar binnen. Cor scheen nog geen zin te hebben. Zou hij?... Hij keek op... Overal vijandige blikken bij de jongens, die hij in hun zich-Rhandenaar-voelen diep beleedigd had... een strakke wil op meneer's gezicht... daar ontkwam hij niet aan... hij zag het wel... Even nog was er de begeerte, niet te gehoorzamen... maar verslagen voelde hij zich tòch al en dus,... meer schuivend dan loopend, uiterlijk onwillig, ging ook hij naar binnen.
Meneer was doorgeloopen. Die twijfelde er niet aan, of Cor zou wel komen.
"Ga jullie wat rekenen", gebood hij koeltjes, toen beiden zaten.
Theo begon; Cor, den elleboog onder het hoofd, zat woedend voor zich uit te kijken.
Meneer keek rustig naar hem, en Cor merkte het. 't Kon hèm wat schelen! Hij verwachtte, dat meneer tegen hem zou uitbarsten. Dat zou hij eigenlijk 't liefst gehad hebben.
Daar kwam meneer naar Cor toe.
"Geen zin, kameraad?"
Geen antwoord. Schuw, een beetje valsch-loensch onderuit, gluurde Cor, of Theo ook keek.
image: 31_schouder.jpg
Meneer zag het.
"Theo, ga jij even de gang in."
Theo ging, en meneer zei nu zachtjes tegen Cor, terwijl hij hem de hand op den schouder legde:
"Zie zoo, Cor, nu is het gemakkelijker voor je om te gehoorzamen?"
Dat had Cor niet verwacht. Bijna verschrikt keek hij op. In Haarlem was hij het anders gewend geweest, als hij zoo'n weerspannig-brutale bui had en "opspeelde", zooals hij het zelf noemde.
Bijna zonder nadenken greep hij zijn boeltje en probeerde aan het werk te gaan.
Nu werd ook Theo weer binnengeroepen.
"Wat had jullie eigenlijk?"
Theo vertelde, zonder omwegen en Cor bevestigde, dat het zoo was. Ze moesten meneer toestemmen, dat de aanleiding toch niet zooveel te beteekenen had.
"Maak het nu zonder vechten weer in orde, anders heb je voor je zelf toch geen rust", drong meneer aan. Maar dat lukte nog niet zoo gauw, daartoe moesten beide jongens, en vooral Cor, zich te sterk overwinnen. Maar meneer's houding had betere gevoelens in ze wakker geroepen; ze schaamden zich voor hem, en in hun hart voelden ze, dat ze zóó den wil des Heeren niet deden.
Meneer verwachtte, dat het wel doodbloeden zou, en daarom bemoeide hij er zich niet verder mee.
Toch bleef er dien middag een geprikkelde stemming in 't lokaal. Er groeide verzet bij de Rhandensche jongens, verzet tegen dien indringer, die hun de wet wou stellen!
Om vier uur lieten ze hem links liggen, gingen in een clubje hun eigen weg; nu juist drukker en vriendelijker dan gewoonlijk. 't Was om Cor te plagen. Alsof ze hèm noodig hadden! Wat verbeeldde zoo'n aap zich wel! Hij had ze in hun eer als Rhandenaar aangetast, en dàt zouden ze hem inpeperen.