Chapter 4

"doch bij sommige patrouilles wordt de leider bij meerderheid van stemmen voor den tijd van een jaar door de leden zelf gekozen...."

"Zie je wel", viel nu Theo hem in de rede, "we kunnen dat doen, als we willen."

"Niet waar", zette Ben onverstoorbaar voort. "Want er volgt:

"Dit is echter niet aan te bevelen voor pas opgerichte afdeelingen."

"Daarom moeten we een ander hebben, die weet hoe het hoort."

"Nou niet langer zeuren, jongens. Doen of niet doen?" mengde Koos er zich weer in. "Ik blijf d'r bij: Cor moet onze hoofdman wezen, en anders heb je op mij niet te rekenen."

"Op mij ook niet.... op mij evenmin — ik doe dan ook niet mee...." klonk het nu van verschillende zijden.

Uit dat verwarde gepraat bleek in ieder geval duidelijk, dat ze Cor wilden hebben. En die wou eigenlijk zelf òòk wel graag.

"Nou, als jullie dan allemaal het willen, vind ik het ook goed", zeide hij kalm, maar in zijn oogen flikkerden vlammetjes van blijdschap en trots.

Maar nu stond Ben op. Met een gezicht, zoo ernstig als hij maar zetten kon, begon hij: "Maar ik doe niet mee."

"Ook flauw", viel Theo hem in de rede, maar er gleed een glimp van vroolijkheid over zijn gezicht, die volkomen in tegenspraak was met zijn woorden.

Zonder veel op Theo's interruptie acht te slaan, vervolgde Ben nu, uit de hoogte:

"Ik wil wèl aan echte padvinderij meedoen, maar niet aan zulken onzin."

image: 46_nijdig.jpg

En nijdig liep hij naar het trapgat, waardoor hij spoedig verdween.

't Gaf een oogenblik van stilte, maar Theo, die eigenlijk blij was dat Ben, dien hij nooit goed had kunnen zetten, vertrok, riep hem na: "Daar gaat-ie weer voor niks! Da's nommer twee!"

Ze bleven met z'n tienen over. Maar ze zouden doorzetten, en 't niet opgeven. De club moest heeten: "De Rhandensche Verkenners", ze zouden Zaterdags er op uittrekken; loopen of fietsen. Wel had Henk Staden geen fiets, maar dat was geen bezwaar: ze zouden er een leenen of huren of wat dan ook. Maar er aan komen zouden ze zeker. En anders gingen ze allemaal loopen. Als je echt diep het bosch in wou, langs allerlei geheime paadjes, dan was loopen het beste, vond Koos, vooral als je met véél jongens ging.

"En weet je wat er ook in het reglement moet staan? Dat niemand mag vloeken, en dat je aan den leider gehoorzaam moet wezen", merkte Jan Arps nog op.

Natuurlijk, dat sprak vanzelf, vonden ze. Je was en bleef toch altijd baas, wien je tot de club toeliet of niet.

En dan — ze moesten zien er jongens bij te krijgen. Ze zouden marcheeren, "maar niet op den weg hoor, daar dank ik je voor!" En spoorzoeken.... "dan zet Theo een bril extra op!".... En in de groote vacantie op de hei kampeeren.... daar de contributie voor bewaren: vijf cent per week.

Ja, dat zou wel ècht zijn! Als de jongens van die plannen hoorden, kwamen ze er misschien wel allemaal bij! Cor besloot met een: "We krijgen jongens genoeg, wat ik je zeg!" en de vergadering werd zonder plichtplegingen ontbonden met een: "Nou jongens, tot Woensdag — om twee uur, op den Bergweg, bij den Derker!"

Waarop ze met een vriendschappelijk: "Hadie", vertrokken.

Cor ging aan 't kisten sjouwen. "Daar laten ze me ook lekker alléén voor zitten", pruttelde hij. De broertjes kwamen naar boven.

image: 47_ukken.jpg

"Toe, helpen jullie even?" Nu was het gauw afgeloopen.

"Jullie bent nu nog te klein, maar als je grooter wordt, kan je óók Rhandensch Verkenner worden", zei hij gewichtig. En toen hij er meer van vertelde, hadden de broertjes het nog nooit zoo jammer gevonden als nu, dat ze nog maar zulke kleine ukken waren, naar Cor ze wijs maakte.

Ze hielden zich groot.

"We kunnen best meedoen; allerlei, wat groote jongens niet willen, kunnen wij dan wel doen. Nu helpen we je toch ook?"

Om er een eind aan te maken, beloofde Cor ze, dat het misschien nog wel gaan zou. Ze moesten maar wachten — ze waren gauw oud genoeg, om óók bij de Verkenners ingelijfd te worden.

"Hoe oud moet je dan wezen?" vroegen ze.

"Ja, eigenlijk is 't voor de jongens van de hoogste klas."

"Dat duurt zoo lang, nog wel drie jaar zeker. Maar 't hindert niks, hé Ko?", vroeg de eene helft van de tweeling aan de andere. "Dan gaan wij ook in onze klas Verkenners maken, en daar mogen de jongens uit de hoogste klas niet bij!" Zoo troostten ze zich, en druk plannetjes makend, gingen ze aan 't spelen.

"Nou, en ik zeg, dat we het doen moeten; en dan het onder den steen neerleggen; en dan wat groote steenen er bij sleepen, zoodat er een heele steenhoop komt..."

"En als ze het dan weghalen? Dan lachen ze ons allemaal uit in Rhanden."

"Geef ik nièts om. Laat ze maar lachen. En dan, als we een gat graven, en het er in stoppen, vinden ze het niet zoo gauw; rèken maar...!"

"Wat wil je d'r eigenlijk opzetten?"

"D'r opzetten? Natuurlijk zooveel als een reglement, van de Rhandensche Verkenners, en dat we nooit vloeken, en dat we beloven, mekaar te helpen. Dan moeten ze allemaal d'r naam er onder zetten; allemaal bij den steen, en dan...."

"Net of ze durven!" merkte Koos op.

"Dan komen ze d'r niet bij. Wie niet durft, komt niet bij de club; Verkenners moeten durven," antwoordde Cor.

"Dan zie jij maar dat je het klaarspeelt met de jongens... ik zie d'r nog niet veel van komen."

Koos liep door, en Cor ging naar binnen. Hij had het plannetje gemaakt, maar Koos vond het natuurlijk weer niet leuk, Die vond het weer opschepperig en aanstellerig. Je kon nou nooit eens prettig spelen met die jongens!

Ze waren een paar keeren saamgeweest, op den Beukenweg, bij den Derker. En Cor zag al duidelijk in, dat er nog héél wat water door den Rijn moest stroomen, eer ze goede, echte Verkenners waren.

image: 48_marcheeren.jpg

image: 48_marcheeren.jpg

Hij kon er bijna geen orde onder houden. Ieder kwam, naar 't scheen, enkel om z'n eigen zin te doen. Ze wilden allemaal beginnen met het moeilijkste; spoorzoeken, en mekaar besluipen en overvallen, en vechten. Maar dat ging toch zoo niet. "Nou eerst behoorlijk gaan marcheeren," had Cor gezegd. Doch ze sputterden tegen. "We hebben toch geen gymnastiek!" Cor had volgehouden. "Toch moet het, anders komt er niets van." En hij was aan 't commandeeren gegaan als een eerste onderofficier: "Aan-tre-jen! Nummeren! Rechts, richt U...." En dan maar marcheeren.

"Hooi-om, strooi-om", spotte Theo, toen 't bleek dat Jan Arps den pas niet kon houden, en als hij rechts moest zwenken, het links deed. Cor commandeerde, tot hij er schor van werd: "Eén-twee; één-twee, één-twee!" 't Was dien eersten keer bijna op een formeel gevecht uitgeloopen.

Cor begreep, dat 't zoo niet gaan zou. Den volgenden keer moest er wat anders verzonnen worden. Ze zòuden dan spoorzoeken, op hun manier, hij zòu ze d'r zin geven. Hij had zijn pet verstopt in een boschje kreupelhout, en toen moesten ze zoeken. Zelf had hij enkele takjes afgebroken, waardoor hij de plaats gemakkelijk dacht weer te vinden.

Ze waren aan 't zoeken getrokken; kwamen de een vóór, de ander na uit het kreupelhout weer te voorschijn, maar zonder pet. Ten slotte moest hij, wilde hij niet blootshoofds naar huis gaan, zelf er op uit, en vond niet dan met de grootste moeite de plek terug.

Zoo was dan ook hun "speuren" zonder eenig gevolg geweest. Ze hadden pleizier gehad, nu ja, maar niet eens buitengewoon... 't Was hun tegengevallen.

Cor dacht aan Ben van den dokter. Wat zou die een pret hebben, als hij hoorde, dat het zóó liep. Want ze hadden toch wel wat anders bedoeld. En Cor kon het niet velen, dat het mis zou loopen. 't Moèst goed gaan. Dan dacht hij: een oudere er bij vragen...? Nu ja, maar wièn dan? Ze wisten niemand, ook Koos en Jan niet, en Theo evenmin... Toen kwam er een nieuw plannetje in hem op; zoo zou het gaan en konden ze nog eens een prettigen middag hebben ook.

Maar nu vond Koos het weer niet echt. Jan en Theo kreeg hij wel mee. Tóch maar dóórzetten, overlegde hij, en hij ging naar zijn kamertje.

't Was stil in huis, eigenaardig stil. De zon die fel stond te schijnen op zijn raam, zette de kamer in gelen gloed.

't Was warm. Hij liep even de gang op, hield een glas onder de kraan, liet 't lekker overstroomen, en dronk in één teug het glas leeg. Hè, dat viel frisch in je maag! Maar wat was dat voor gestommel en gesteun? Dat deed zoo vreemd nu in deze stilte, zoo wonderlijk... het kwam uit moe's slaapkamer.

image: 49_moeder.jpg

image: 49_moeder.jpg

"Ben u daar, moeder? Mag ik komen?"

Hij wachtte het antwoord nauwelijks af, en opende de deur.

"Waar ruikt het hier naar?" vroeg hij, ruw opsnuivend. 't Was een gemengde geur van eau de cologne, aether en Hofmandruppels.

Moeder zat in den stoel, een doek om het hoofd. Wat zag ze vreeselijk bleek! Cor schrikte ervan. Niemand lette eerst op hem, vader niet, en Toos niet, de oudste. Ze betten moe's voorhoofd, en hielden haar polsen vochtig.

"Wat is er met moe, Toos?" vroeg hij gedempt.

"Stil.... voorzichtig.... moe heeft een flauwte.... vooral stil zijn.... ga jij nu maar weg..."

Zoo had hij moeder nog nooit gezien.... Geen wonder, dat 't zoo stil in huis was. Hij begreep er anders niets van. "Is 't erg?" vroeg hij.

"'k Weet het niet," fluisterde Toos, die juist weer een zakdoek met eau de cologne bevochtigde... "'k weet het niet.... van de warmte, denk ik... straks komt de dokter.... ga jij nu weg...."

Maar Cor ging niet. 't Was toch zijn moeder ook? En als er wat aan scheelde, mocht hij er toch ook bij zijn? Alle andere gedachten waren ineens bij hem weg; die ééne bleef: moeder ziek.... dáár, zoo benauwd hijgend, doodsbleek....

"Cor, jongen, ga jij naar beneden," klonk nu vaders stem.

Nu durfde hij ook pa vragen: "Is 't erg, pa?"

"We hopen van niet. Maar jij kunt nu niets doen... Ga naar de huiskamer. Straks komen we weer."

Wat gerustgesteld ging hij naar beneden. Was hij bij 't binnenkomen maar eerst de huiskamer ingegaan, als altijd! Dan had hij 't wel geweten! Maar nu wist hij er natuurlijk niets van....

Hij vond alleen Zus in de huiskamer.

"Weet jij, wat het met Moe is?" vroeg hij.

"Neen," zei Nellie.

"Als 't maar niet erg is," opperde Cor. "Moe was zoo bleek; heelemaal wit."

"Toos zei, dat het te warm was voor Moe, en te druk. Wij zijn ook altijd zoo druk..." liet ze er op volgen.

Ja, dat was wel waar, dacht Cor. Erg druk en wild. Moe moest wel vermoeid worden van al dat verbieden.

"Hè, Nellie, als Moe eens echt ziek werd!"

"Nou, ik hoop het niet, hoor!"

"Dan zou Toos wel voor het eten zorgen, denk je niet?"

"Ja, maar 't zou toch heel naar zijn voor Moeder."

"Ja...." En Cor bedacht met schaamte, dat het voor Moeder het ergst zou wezen.

De bel ging. Hij vloog naar de deur, om er 't eerst te wezen en open te doen.

't Was de dokter.

"Moe is boven, dokter," zei Cor wat bedeesd.

Ze zaten met hun tweetjes in angst te wachten, tot ze de traptreden weer hoorden kraken. Cor maakte, dat hij in de gang was.

image: 50_dokter.jpg

image: 50_dokter.jpg

Toen hij zag, dat Pa dokter uitliet, wilde hij teruggaan. Maar de dokter had hem al gezien.

"Dus, meneer Poorters, volkomen rust een paar dagen, dan zal het wel weer gauw in orde komen," hoorde hij zeggen, en het juichte in hem: "Gelukkig!"

Dokter kreeg hem in 't oog.

"En jij bent zoo'n Rhandensche Verkenner?"

Cor kreeg een kleur.

"Ja, dokter!"

"Gaat het nog al? Ben had geen zin, geloof ik?"

"Neen, dokter.... er zijn wel jongens, maar..."

"Nou, wat maar?"

"Ja, bèst gaat het nog niet. 'k Weet er nog niet alles van, ziet u!"

Dokter lachte eens.

"Nou, als alles goed gaat, dan wordt ik begunstiger van jullie club, hoor!"

"Asjeblieft, dokter...."

't Was gek, dacht Cor... bij anderen, onder zijn jongens, had hij zoo'n praats.... nu kon hij bijna niet uit zijn woorden komen! Zeker doordat hij zoo geschrikt was van Moe's ziekte.

"Gaat het al beter, Pa?" vroeg hij.

"Gelukkig wel.... maar Moe moet volkomen rust hebben, en zich vooral niet opwinden.... dus doodstil, vent.... en dan hopen we dat de Heer haar spoedig geheel beter maakt...."

Vader ging weer naar boven.

"Ik mag toch wel naar mijn kamertje, Pa?"

"Best hoor, maar.... stil."

Cor ging, maar de liefhebberij voor zijn plannetje was door dit alles verminderd. En dan die vraag van dokter! Toch — opgeven zou hij het niet. Volhouden. Als moe nu gauw beter werd.... Pa zei, dat de Heer haar beter moest maken... Dan moest je het vragen, dacht hij. Zou hij het doen...? en de club? Hoe moest het daarmee? Troosteloos zat hij op zijn kamertje, op een stoel bij het venster. De zon scheen nog altijd even fel.... 't was warm, loom weer.... geen wonder eigenlijk, dat Moeder 't niet uit kon houden als ze maar beter werd, want anders.... ja, wat dan? Zou hij het den Heer vragen? Zou het helpen? Hij had eigenlijk nog nooit misschien oprecht gebeden; 't ging alles zoo buiten hem om. Hij was altijd vol van zijn plannen.... alleen niet van zijn werk. En ja, 's Zondags ging hij mee ter kerk, maar waar dacht hij aan? Aan wat hij hoorde 't minst, ook al omdat hij het niet altijd begreep. En dat lange stilzitten....

Hij kon niet snel denken, zooals anders, wanneer allerlei hem voor den geest warrelde. Maar daardoor juist, doordat het nu zoo langzaam en eigenlijk traag ging in zijn hoofd, zag hij het zooveel beter.

Hij moest maar naar beneden, naar Nellie en de anderen.

image: 51_tafeldekken.jpg

Vooral naar Nellie. Die was anders dan hij, beter.

Hij ging naar beneden, en vond daar Nel, kalm bezig met tafeldekken. Ze had nu die taak van Toos overgenomen, en, ging rustigjes haar gang.

"Wil ik je helpen, Nellie?" vroeg Cor.

"Neen, dank je, ik kan het zelf wel."

"Gelukkig hè, dat 't niet erg is met Moe! 'k Hoop dat Moe gauw beter is...."

"Nou, ik ook," antwoordde Nel, wat verstrooid.

"'t Is ook zoo warm. Heb jij er ook last van? Je hebt zoo'n hooge kleur."

't Viel hem ineens op, dat Nel er eigenlijk heelemaal niet voordeelig uitzag. Scherp-rood kleurden 'n paar plekken zich op haar in-bleek gezicht af, en er lag iets teers over haar heele wezen.

"Ja, òf ik...." zei Nel, en ze dribbelde naar de kast om wat messen te krijgen.

Cor greep een boek, en ging zitten lezen.

Ze kwamen nu binnen, de anderen; de broertjes, minder druk dan gewoon, en vader, met een bezorgd gezicht. Minder luidruchtig dan anders schaarden ze zich om de tafel, waar Moeders plaats leeg bleef.

Vader en Toos bedienden nu; 't duurde langer dan anders.

Bij 't gewone tafelgebed vroeg vader, of de Heer Moeder wilde zegenen, en haar wilde herstellen, want dat ze allemaal Moeder zoo misten....

Ja, dacht Cor, dat is waar.... als de Heer het nu maar deed! God kon alles; Moe beter maken ook. Hij had getracht wézenlijk méé te bidden, z'n hart op te heffen.

Ze aten stil. Vader vroeg, als gewoonlijk, naar allerlei, maar 't was of hij er niet geheel en al bij was. Alleen de broertjes waren druk. Ze kibbelden als gewoonlijk; zij bleven niet lang onder den indruk.

Na tafel ging ieder zijn weg. 't Gezellige thee-uurtje liepen ze nu al mis. Anders kon Moeder ze zoo prettig even bezighouden, vooral de broertjes. De grooteren gingen nu dadelijk aan hun werk en de broertjes speelden wat in den tuin.

Cor zocht zijn kamertje op. Even, zoo voorzichtig mogelijk, opende hij de deur van moe's slaapkamer. O, Moe sliep zeker. Doodstil, de oogen gesloten, lag ze neer op bed.

Gelukkig, dacht Cor, en hij ging met een verlicht hart naar zijn kamertje.

Eerst zijn sommen maken. 't Ging aardig van avond; al heel gauw had hij er drie. Maar de vierde wou niet. 't Was ook zoo'n gekke percentsom. Hij probeerde, maar 't lukte niet. Nog eens, maar hij zag er geen gat in. In de vijfde ook niet. Uitscheiden dan maar.... 't Gaf toch niet.

Van alles warrelde nu weer door zijn hoofd: zijn plannetje met de "Rhandensche Verkenners," de sommen, Moe's ziekte, de warmte.... o ja, nu nog z'n woordjes nakijken. In vijf minuten kende hij ze, dacht hij. En toen was hij klaar. Even naar beneden, kijken of Toos al thee had. Zou Nel al klaar wezen met haar werk?

"Heb je thee, Toos?" vroeg hij, en sloeg uit gewoonte, ruw de deur achter zich dicht.

"Voorzichtig toch, jongen!! Je maakt ook altijd lawaai. Nou slaapt Moe even, en jij zal ze door je drukte wakker maken!"

"Dat weet ik," antwoordde Cor.

"Wat weet je?" vroeg Toos.

"Dat Moe slaapt. 'k Heb het gezien, daar net, eer ik ging werken."

"Dat moet je niet weer doen, Cor," zei Toos nu, rustig. "Vader wil het niet, want Moe moet rust hebben."

"Nou, en 't is zeker mijn moeder net zoo goed als de jouwe, 'k heb toch zeker evenveel recht om te kijken, hoe 't met Moe gaat, als jij?" stoof Cor in eens op.

"We zullen het wel eens aan Vader vragen." Toos hield zich in, maar ze werd tòch boos. Je kon het zien.

"Nou ja, zoo bedoel ik het niet," zeide Cor nu. "Als het niet mag, dan lààt ik het...."

Hij dronk zijn thee en ging de kamer uit. Hij had geen zin om thuis te blijven. Lusteloos drentelde hij even naar 't magazijn, maar daar zag hij niemand. De broertjes waren op stap met Henk, een van de knechts.

Dan ging hij ook nog maar eens den Berg op, of de stad in. Misschien zag hij nog wel één van de jongens.

't Was nog even drukkend-benauwd; zelfs de wind was warm; en 't stof, dat de wind opwierp, kwam warm weer op je neer. De handen slap langs z'n lijf, loom-traag, slenterde hij over de Hoofdstraat. Inplaats van den Berg op, ging hij den kant van den dijk uit... daar zou het koel zijn, dacht hij.

Hij liep bij Theo aan. Dien kreeg hij mee, en Koos ook.

Hè, 't was hier wat frisscher, heel wat beter dan in de stoffige straat. Ze drentelden langs den dijk, en sloegen een pad door de uiterwaarden in, naar 't veer. Daar waren méér jongens.... ze hadden zich juist ontkleed en zouden gaan zwemmen.

image: 52_uiterwaarden.jpg

image: 52_uiterwaarden.jpg

Daar was Cor dadelijk bij, en Theo en Koos ook. Hè, wat poedelen die jongens heerlijk in dat lekker koude water! Cor voelde z'n eigen vreeselijke warmte... en dan aan baden denken!...

"Ga je mee baden? Ik doe het," voegde hij er onmiddellijk aan toe.

Wat zouden ze doen? Theo en Koos waren er ook voor te vinden.

"Kan je zwemmen?" vroegen ze aan Cor. "Natuurlijk! 'k Heb het dikwijls genoeg gedaan in de zwemschool...."

"Maar in de rivier? D'r zit hier trek in 't water... en als je in den stroom komt, dan ben je weg. Daar houdt een groote kerel het nauwelijks uit!"

"'t Zal best gaan," en Cor trok zijn kousen al uit, "we blijven maar aan den kant."

"Als de veerman komt, jaagt hij je weg...."

image: 53_zwemmen.jpg

image: 53_zwemmen.jpg

"Nou, dan zorgen we maar, dat we dien uit den weg blijven...."

Cor maakte zich de borst nat, en liep reeds het in 't late zonnelicht glinsterende water in.

Hè, dat was heerlijk! Hij bukte en liet zich op zij vallen, en deed een paar stevige slagen, die hem in dieper water brachten, verder dan één van de andere jongens al was. Die kenden hier den bodem, wisten de trekgaten, en hielden zich aan den kant, waar een zandplaat was, in één der vele bochten van de rivier.

"Voorzichtig, jô!" schreeuwden ze hem toe.

Maar Cor vond, dat het lekker ging.

Hoe heerlijk droeg hem dat koele water! Telkens boog hij het hoofd opzij, en liet zich door de kalme golfjes aaien. Hij proestte de fijne druppels om zich heen, en ging al verder en verder; hij voelde den stroom al, en werkte er lekker tegen in. De jongens aan den kant keken naar hem, met bewondering voor zijn durf, maar ook met angst.

"Hij gaat te ver," zei Koos tegen Theo. "'k Zal hem roepen." En met krachtige slagen naderde hij Cor, dien hij toeschreeuwde terug te keeren.

Cor luisterde niet.... "'t Gaat best zoo, fijn hoor!" riep hij terug. "Ik kom dadelijk terug!"

De jongens begonnen te roepen en te schreeuwen: "een stoomboot, een stoomboot!"

Ja, daar om den hoek kwam de groote Düsseldorfer boot met de hooge raderkasten. De schepraderen brachten het water in krachtige beweging, en de jongens langs den kant maakten, dat ze op de zandplaat achter de krib kwamen, voor de zuiging.

Cor kende het gevaar niet; slechts langzaam ging hij weer op den oever aan.

Maar 't werd toch vreemd. Hij moest nu tègen stroom op en tègen de golven in. Hij werd al wat moe, want 't was héél ander zwemmen dan in de badinrichting! Hij begon krachtiger de armen uit te slaan, maar 't was te laat; de zuiging trok hem mee; hij viel op zij, en de jongens zagen hem worstelen tegen den stroom, .... 'n angstig oogenblik.... ze gilden, om de opmerkzaamheid van de boot-bemanning te trekken... Koos wierp zich weer in de rivier, om te trachten, Cor te grijpen, maar die dreef al mee, bijna willoos.

Theo had in minder dan geen tijd alles overzien... De veerman kwam al op het geschreeuw aanloopen, en sprong in de veerschuit.

Nog zagen ze Cor's hoofd, maar je kon merken, dat zijn tegenstand verslapte.

Ook op de boot hadden ze hem bemerkt, en 't gevaar, waarin hij verkeerde, begrepen. Angstig verdrongen de passagiers zich op het dek.... de boot stopte... ze zouden een boot uitzetten.... maar voor dat gebeurd was, een plons in het water.... een dekknecht was over boord gesprongen. De jongens keken in uiterste spanning toe, en Teun de veerman roeide wat hij kon.

image: 54_redder.jpg

image: 54_redder.jpg

Ha, de redder had Cor beet! Nu roeien, dacht Teun... hij kwam nader bij.... Koos zwom langs de schuit, Theo zat er in te bibberen, vooral van angst, en de knecht van de Düsseldorfer boot kwam op hun roeiboot aanzwemmen.

Ze schrikten, toen ze Cor zagen: willoos slap liet hij zich door 't water voortduwen.... ze moesten hem met moeite in de boot hijschen, en zijn redder klom er ook in; die begon, terwijl Teun naar de boot roeide, Cor bij te brengen.

Gelukkig — hij sloeg de oogen op, begon water te braken. Zoover was hij dus al geweest.

Ze brachten den knecht naar zijn boot; langs een uitgehangen stalen ladder klom hij omhoog, en werd door de passagiers met een hoeraatje begroet.

En toen: zoo snel mogelijk terug. Teun zette met krachtige slagen de boot in de richting van het veerhuis, en weldra kwam de drenkeling aan land.

In 't veerhuis hielpen ze hem verder. Koos haalde de kleeren, en na een half uurtje wandelden ze met hun drieën den weg op naar huis.

Cor bleef wit zien. Hij rilde, al was 't nog warm. Hij zat vreeslijk in angst. Ineens zag hij alles weer thuis: Moeder ziek, en hoe ze rustig moesten wezen, en alles moesten vermijden wat Moe kon doe schrikken, of wat opwinding bracht. Hij durfde bijna niet thuiskomen. Wat moest hij zeggen?

"Zeg jongens, niet vertellen, hoor! Niets d'r van zeggen; dat ze het thuis niet merken!" vroeg hij.

"D'r waren er meer bij," zeide Koos, "en als die d'r mond nou houden...."

"Probeeren. Als ze niet zwijgen, krijgen ze op d'r kop," zei Theo. Nu hij zijn bril weer op had, reed die weer ruiter-te-paard; hij begreep dat je die andere jongens maar zóó niet den mond snoerde. Rhanden was klein — 't zou wel gauw bekend worden... dan zouden ze wel zien.

't Was half donker toen Cor thuis kwam. Gelukkig nu kon hij bijna ongemerkt naar boven gaan. Hij stak even z'n hoofd om de deur van Pa's kantoor, en riep een "Nacht Pa, ik ga maar naar bed," groette de anderen vluchtig, en toen, voorzichtig naar boven.

Nu wist hij niet, hoe het met Moe was. 't Zou wel gaan, hoopte hij. Hij ontkleedde zich spoedig, en kroop in bed. O, ja, nog bidden. Voor Moe ook. Dàt alleen? Danken? Omdat hij nog leefde, niet verdronken was? Wat dàn? Als hij eens verdronken was, door zijn eigen schuld? Want 't was weer zijn woestheid, zijn onbezonnenheid geweest, die hem in zoo groot gevaar had gebracht. Hij rilde, al was 't warm. Hij voelde weer 't water om zich opspatten..... 't zweet brak hem uit aan alle kanten... 't gonsde roezemoezig in zijn hoofd.

De broertjes lagen al te slapen, dwars bijna in hun bed. Die hadden het òòk warm. Je kon merken dat Moe er niet geweest was. Kwam Moe nu maar, dan kon hij het vertellen.... dan kreeg hij rust. Maar Moe was ziek...en hij moest den Heer bidden.... en danken.... voor de bewaring.... en anders worden...

Zoo kwamen zijn gedachten weer terug, waar hij begonnen was, en zoo tobde hij voort, tot hij koortsig insliep.

"Was er wat met Cor?" vroeg meneer Poorters 's avonds aan Toos. "Hij leek zoo stil."

"'k Denk, Vader, dat hij het naar vindt, dat Moe ziek is," antwoordde Toos. "Maar ik merkte er niet veel van."

Eer ze naar bed gingen, liep Pa even Cor's slaapkamer op. De broertjes hadden gewoeld, Pa dekte ze toe. Cor lag met een geweldig rood hoofd, druk te bewegen. Pa wou het dek even goed leggen.

Zóó als Cor, in zijn slaap, iemand aan zijn bed voelde, rees hij op, en, met verschrikte oogen, staarde hij rond.

"Jô, niet zeggen aan m'n vader, hoor! Anders schrikt Moeder, en dat mag niet, en dan krijg ik!" broddelde hij in zijn slaap.

Meneer Poorters keek verbaasd op. Er wàs dus wat.

"Neen, hoor, ik zal niets zeggen," stelde hij gerust. Hij legde Cor neer, die onmiddellijk weer doorsliep.

Maar den volgenden morgen vroeg Vader hem, wat er gebeurd was. Hij schrikte. Wist Vader het? Hoe?... Hij dacht er niet langer over, maar vertelde alles eerlijk weg....

Hij schreide, toen hij Vaders schrik zag, en eerst de woorden van zijn vader brachten hem het groote gevaar voor den geest, waarin hij verkeerd had.

Meneer Poorters was eigenlijk te dankbaar, om hem nog te straffen. Z'n oogen stonden vol tranen.

"Jongen, jongen, àls je nu eens verdronken was, of als je er niet zoo goed was afgekomen! Wat zou ik dan aan Moeder moeten zeggen!"

image: 55_dankbaar.jpg

image: 55_dankbaar.jpg

Ja, daar ijsde hij van. Hij zweeg....

"Wat dacht je wel, toen je je machteloos voelde tegen den stroom?"

"Ik dacht, dat ik ging slapen, en wou maar stil gaan liggen, en dan ineens begreep ik het weer even, en ging weer probeeren te zwemmen, maar ik had het niet langer volgehouden."

"En als je nu verdronken was, wat dàn?"

Ja, hij wás nu eenmaal niet verdronken. Hij vocht bij zich-zelven met die gedachte. Mocht hij zóó onverschillig zijn? Zóó ondankbaar wezen?

"Pa, ik wòu wel dat ik anders was, maar ik kàn haast niet. 't Komt telkens weer terug, van zelf...." En hij schreide, in angst, en omdat hij wel anders wilde....

Moe mocht er nog niets van weten.... 't zou haar toestand kunnen verergeren, en 't was juist veel beter, ze Pa.

Daar was Cor nog maar blij om....

Hij voelde zich zelf wel mòe, wèl vervelend, maar zou nu tot geen prijs hebben willen thuisblijven. Hij trok dus naar school.

Gek, ze wisten 't allemaal al. En Koos en Theo hadden het nog al verzwegen. Dan waren die anderen aan 't praten geweest.

"Is je snoek al gaar?" Daar werd hij mee ontvangen. En zijn ernstige stemming verdween, en kwam zelfs niet terug, toen meneer in 't gebed den Heer dankte voor de bijzondere bewaring, en hij dien morgen bij de Bijbelles nog eens wees op de bede: "Leid ons niet in verzoeking."

Maar bij oogenblikken kwam toch de angst weer bij Cor boven. Heelemaal kwijt raakte hij het niet.

't Is Woensdagmiddag, de laatste voor de vacantie.

Koos en Cor en Jan en Theo zijn er weer op uit.

't Groen is al aan 't donkeren; 't is zoo dicht, dat het bijna geen zon meer doorlaat.

Ook in 't bosch is het benauwd warm. Zoo'n warmen zomer hadden ze eigenlijk nog nooit beleefd, dachten de jongens. Dag aan dag felle zonneschijn, afmattend, en al weken bijna geen regen. 't Kon niet tot regenen komen. 't Mocht al dreigen, 'n enkele druppel kon vallen, de zoo gewenschte gestadige regen bleef uit. De laatste avonden had het wel gerommeld in de verte, aan de overzijde van de rivier. Maar de rivier had het weer tegengehouden, zeiden de boeren.

Toch groeit er onweer. De zonneschijn is niet meer zoo hel; de lucht is gedekt, en een valsche gloed glijdt over de landen, en in het bosch is het donker, somber, broeiend.

image: 56_zonneschijn.jpg

image: 56_zonneschijn.jpg

Geen vogelgeluid laat zich hooren; de vogels houden zich stil tusschen het groen. Hoogstens zien de jongens een verschrikten eekhoorn voor zich uitschieten. Ook Cor ziet die dingen nu. Hij heeft leeren kijken, anders en beter, dan toen hij nog enkel grootestadsjongen was. Loom vallen ze neer in het zachte mos.

"Hè-hè," geeuwt Theo, en hij zegt: "gelukkig dat het Woensdagmiddag is. 't Moestaltijd maar Woensdagmiddagzijn!"

"Nou, én óf," antwoordt Koos. "En dan er op uit." Zijn oogen dwalen tusschen de stammen, of hij niet wat zag; maar 't lukte niet; 't was of alles wat leefde en bewegen kon, zich schuil hield.

"Ja," zegt Cor lusteloos, "maar dan niet te ver. 't Is weer net zoo warm als...."

".... toen jij bijna verdronk," vult Jan Arps aan.

"Wat weet jij daarvan? je bent er niet eens bij geweest," antwoordt Cor.

"Net of we het niet allemaal precies weten. En dat je zoo in de war zat ook! Nou; 't was dan ook danig dom om verder in 't water te gaan dan de jongens, die de trekgaten kennen!"

"Of ik in de war zat.... 't meest voor Moe..."

"O ja," valt Koos nu in de rede, "weet je Moe het al?"

"Gelukkig ja! Vader heeft het haar verteld, toen ze wat beter werd, en 't mocht van den dokter. Maar nu mag ik bijna niet meer uit; in elk gevalniet meer de Weerdes in; dat heb ik Moeder moeten beloven. En ik ben blij toe, dat Moeder het weet. 't Was zoo vervelend... je moest net doen, of er niets was, en ik durfde haar bijna niet onder de oogen te komen...."

"Nou 't is gerust goed afgeloopen nog," vervolgt Cor.

"Ik dacht, toen ik je òm zag vallen: die is er geweest. En als die knecht van de Düsseldorfer niet in 't water gesprongen was, dan weet ik het niet..."

Cor wordt stil. Ja, 't was wèl benauwd geweest. Gelukkig maar, dat Moeder nu weer heelemaal beter is, en alles thuis zijn gewonen gang gaat. 't Had een kleine week geduurd, en Moe moet nog wel voorzichtig wezen, maar gelukkig is ze weer beneden.

"Heeft je Vader nog wat gehoord van dien knecht?"

"Ja, hij heeft aan de directie geschreven, of die wilde onderzoeken, wie me gered heeft, want Teun de veerman wist het ook niet. Die wist alleen dat het er één van de Düsseldorff II is geweest. En toen Pa het wist, heb ik hem moeten bedanken, en uit mijn eigen spaarpot wat moeten sturen, om cadeautjes te koopen voor zijn kinderen," vertelt Cor.

Zoo liggen ze en luieren en babbelen voort, en toch wil er geen gang in komen.

"'t Is goed, dat we niet zijn gaan oefenen van middag" zegt Jan. "'t Zou te warm wezen."

"'k Zou niet weten, waarom," antwoordt Cor. "D'r is met jullie en die andere jongens niet veel aan te vangen. Wat hèb je zoo aan een club? Je kunt hem net zoo goed niet hebben."

"Wat wou jij dan met zoo'n warmte doen? Zeker vuurtje stoken. Je krijgt nou heelemaal niks van de jongens gedaan." Jan Arps had vast een erg luie bui vandaag. "En dan dat marcheeren en zoo. Wat is daar voor aardigs aan?"

"Nou Jan," zegt Theo goedmoedig, "dat zeg je ook maar, omdat je 't zelf niet goed kan."

Jan doet of hij het niet hoort.

"Je hebt er 't land aan, om hooi-om, strooi-om te spelen, niet?"

Jan verwaardigt zich niet antwoord te geven.

't Blijft een poosje stil.

Koos is verdiept in de beschouwing van een paar kevers, die druk aan 't scharrelen zijn. "Doodgravers, jongens!" roept hij, en hij schuift voorzichtig op zijn buik vooruit. De anderen komen er bij. En de kevers zijn druk aan den arbeid; met hun sterke achterpooten graven ze den grond weg onder een dood muisje vandaan.

"Kijk eens," zegt Koos. "Kijk eens...."

Maar hij voleindigt zijn zin niet. Want Cor heeft een stokje genomen, en brengt dat in eens, ruw, bij de kevers, die hij daardoor verjaagt; ze maken, dat ze wegkomen.

"Dat is weer laf van je, flauw! kinderachtig!" stuift Koos op. "Wat heb je daaraan? Laat die dieren begaan. Ze doen jou toch geen kwaad? Je bent altijd zoo vervelend!"

"Of jij met je beesten. Wat geef ik nou om die kevers? En of d'r eentje meer of minder is, dat hindert niet. 'k Heb 't voorjaar nog meikevers gehad, aan een draadje. Dat was pas leuk."

"Heelemaal niet leuk; dierenplagerij! Ze moesten jou aan een touw leggen!"

image: 57_meikever.jpg

image: 57_meikever.jpg

"'t Lijkt er haast op," viel Cor in de rede.

"Waarom?"

"Omdat ik voortaan niet vrij meer uit mag. Eerst vragen, en zeggen waar ik heen ga. Daar ga ik toch ook niet van dood? Nou, en die meikevers ook niet...."

Koos merkt 't wel.... 't geeft niets. Cor hield niet van dieren. Nou ja, een hond ging nog. Maar al dat wondere leven in de natuur, daar zagen de jongens niets van. Ze wilden het niet zien, leek het soms. Eigenlijk wàs hij ook anders dan de jongens, dat voelde Koos zelf. Hij hield niet van dat eeuwigdurende vechten, van al hun drukke doen. Hij zocht ze telkens op, ja, maar telkens stelde het hem weer teleur. Hij kón het niet velen dat ze ruw waren tegen zijn dieren. Ze mochten hem er tusschen nemen — daar was hij wel aan gewend; maar ze moesten zijn dieren met rust laten. En dat was voor Cor een heele toer!

"Zeg jô, wanneer komen de verkenners weer bij mekaar?" vraagt Theo ineens. "Want dat wordt tijd."

"Ja," en Cor is meteen op zijn stokpaardje, "ja, maar wat moeten we doen? 't Geeft zoo weinig, zoo als 't nu gaat. We moeten wat verzinnen. Ik weet wat leuks."

En hij begint zijn plan te ontvouwen, 't plan waar hij op dien middag toen Moeder ziek werd, al tegen Koos over gesproken had.

Ze moesten nog eens wat extra's hebben: wat voor de verkenners alléén. Hij zou een reglement van de club opschrijven; op een héél groot vel papier, zoo, dat er veel ruimte overbleef. En dan moest het begraven worden onder den Steen, en dan moest iedere jongen er een kei op leggen: zooveel jongens, zooveel keien. Maar — het moest een groot geheim blijven, dat niemand wist. Dàt zou een heerlijken middag geven! En. als ze het deden, dan moesten ze wachten uitzetten, die niemand doorlieten.

"En als nou je vader of de Burgemeester of Sterkhouwer net aankomen, die kan je toch niet tegenhouden?" vraagt Theo.

"Neen, dat is niet noodig. Maar dan geef je een teeken: tweemaal, scherp, op de vingers fluiten; dat beteekent onraad, en dan scheiden we er uit, en doen alsof er niets is. En elken keer, als er een jongen bijkomt, moet die ook het reglement onderteekenen; dan graven we het op en dan komt er weer een steen bij!"

"Ja, dat lijkt wel aardig. Dàt moeten ze doen."

"En dan kampeeren?" vraagt Jan.

"In de groote vacantie; vast", antwoordt Cor. "Dan maken we een tent..."

"En waar moet je die zetten? Sterkhouwer zal je kostelijk danken, om hem op de hei of in het bosch te laten staan. Daarvoor is hij niet te vinden natuurlijk...."

"Nou ja, dan vragen we of het op den Derker mag, op de hei aan de overzijde van het huis." Cor weet overal raad op.

"En de tent, hoe komen we daar aan?" vraagt Theo.

"Zal ik wel aan mijn vader vragen", antwoordt Cor.

"Ik wed, dat het wel lukken zal."

"Ja, en verdrinken kun je op de hei òòk niet", plaagt Theo droog-weg.

"Hou asjeblieft op met je flauwiteit. Je moet niet denken, dat je aardig bent, hoor!"

Cor wordt boos. Dààrover hoeven ze heusch nu niet meer te zeuren. Het was erg genoeg geweest. En dat is allemaal voorbij, gelukkig.

"Dat vind ik ook", zegt Koos. "Zie je, van dien steen, dat kan me niet schelen. Maar dat kampeeren, dat kan wel leuk zijn. Toch geloof ik niet, dat we mogen van onze vaders. En 's nachts dan?"

"Ja, 't zou pas ècht zijn, als we er 's nachts ook konden wezen. Maar..."

"Probeeren", stelt Cor voor. "Misschien mag het."

"En eten dan?" Theo denkt al met schrik aan zijn kostelijke eten, dat hij misschien niet zou krijgen.

"Dan leggen we een kampvuur aan. Aardappelen schillen kan ik wel..."

"...vierkant snijden zeker?" vraagt Theo.

"Nou ja, maar als 't moet, gaat het wel. En dan brengen we groente mee van huis, of bussen. Moe maakt altijd in flesschen in. En vleesch —." Dat zou moeilijk gaan. Daar wist hij geen raad op.

"Toe Jo, we vangen een haasje, en braden dat aan het spit. 't Kan hoogstens wat zwart branden, en misschien wat rookerig smaken..."

"Dat mag niet. Je mag niet stroopen."

"Dan schiet er niets anders over, dan géén vleesch te eten", besluit Cor plechtig.

Ja, zóó zou het wel gaan, dachten ze. En ze staan op, om den weg naar huis weer in te slaan.

Ze komen op den Berg.

"Buitenkant gaan?" stelt Cor voor, die nog altijd 't prachtige gezicht op de rivier niet kan vergeten.

Ze nemen den weg langs den rand. Daar slingert zich de rivier weer, nu gemakkelijk tusschen de zomerdijken gehouden. Er heerscht bijna volmaakte rust op de uiterwaarden. Loom en lui liggen de koeien; met tragen slag vlerkt een wei-leeuwerik op, en verdwijnt uit het gezicht.


Back to IndexNext