Chapter 6

image: 71_tent.jpg

image: 71_tent.jpg

Ze hadden onder 't werken door, hun jas of blouse al uitgetrokken, en in hun hemdsmouwen scharrelden ze rond.

Want de magen begonnen te jeuken. En dorst dat ze hadden! O ja, daar had niemand aan gedacht! Water moesten ze óók hebben!

Dan maar op den Derker vragen. Theo en Koos zouden die corvee verrichten. Theo protesteerde wel weer van wege zijn stukke handen en zijn zweetenden bril, doch het baatte niet. Koos trok den goedigen pruttelaar mee, en fluisterde hem in 't oor: "jô, dan gaan we eerst zèlf fijn drinken." Daarmee was hij gewonnen, en nu ging het den zandweg af naar den Derker.

"Motten jullie?" vroeg Gert, die ze had zien aankomen en ze tegemoet kwam loopen.

"Wàter," schreeuwde Theo hem in eens vlak in het oor. "De Rhandensche Jongens versmachten van dorst."

"Waarin?" merkte Gert droogjes op, die al gauw zag dat ze niets hadden meegebracht.

"O ja, je moet water ergens indoen!" Koos lachte er hartelijk om. "Ook stom van ons, zeg!"

"Och, is me dat een kamperij van jullie!" plaagde Theo ineens. "Dat heeft niet eens een put laten graven!" En met een ernstig gezicht wendde hij zich tot Gert, en zei: "En dan heb ik mijn jassie óók daargelaten!"

"Nou, wat zou dat? 't Is wèrm genocht!" merkte Gert nu op.

image: 72_melkkit.jpg

"Wat dat zou? Ik had dan toch mijn zakken met water kunnen vullen? Geef 't me dan maar in m'n pet!"

"Verkoop toch niet altijd flauwiteiten." Koos werd boos. "Zoo schieten we niet op. Toe Gert, vraag jij aan je vader of we een kan of een emmer mogen leenen?" Een oogenblik later kwam Gert aanzeulen met een kleine melkkit.

"Daar, as je d'r maor veurzichtig bij zijt," zei hij.

Ja, nu waren ze nog net zoo ver. Waaruit zouden ze drinken? Theo wilde 't uit z'n handen doen. Maar nu plaagde Koos hèm met zijn opengeschaafde handen. En die goeie Gert was weer teruggeloopen en kwam nu met een groote kom te voorschijn. "Moet ik me daarin wasschen? Daar is-ie te klein voor," grapte Theo nu. Maar Koos pakte de kit met water bij het eene oor. "Allo, pak an," gebood hij, en Theo nam het andere oor, en zoo zwoegden ze de hei op.

"Gezellig, zoo corveeën," bromde Theo, die al gauw zijn zakdoek door het oor van de kit had geslagen en puffend en hijgend voortsukkelde. "Toch een goeie knul, die Gert; wel een echte boer!"

Koos liet hem praten; hij had genoeg aan zijn vrachtje. Toen ze bij de tent aankwamen, waren ze moe en wel; ze werden met gejuich ontvangen, want de jongens waren allemaal even blij, dat ze zich verfrisschen konden. De kom ging rond, en de ketel werd gevuld. Want ze hadden natuurlijk een ketel meegenomen, om water voor de koffie te koken.

"Theo, haal jij wat droog hout in het bosch," commandeerde Cor, die zich krachtens zijn voorzitterschap van "De Rhandensche Verkenners" kampleider gevoelde, en braaf den baas speelde.

"Doe het zelf," antwoordde Theo kort. "Ik heb al genoeg gesjouwd. 'k Geef het jou te doen, om in zoo'n hitte die kit water van den Derker af hier heen te zeulen. Dankje lekker: ik heb genoeg gecorveed!"

"Ik zal het wel doen," bood Jan Arps aan, "ik kan best. Ga je mee, Dirk?" vroeg hij aan Koos z'n broer. Die stemde toe, en als hazen schoten ze over de hei, en verdwenen in het bosch. Een oogenblik later verschenen ze weer met de noodige hoeveelheid dor hout, waar ze spoedig een vuurtje van hadden.

Van steenen hadden ze een soort vuring gemaakt, en daarop kwam de ketel, en rondom het smeulende, knappende houtvuur zaten ze met hun zessen, en ze bliezen de vonken aan tot vlammen en hadden een pret van belang, zoo'n pret, dat zelfs Theo nu onnoodig hout aansleepte en op het vuur wierp. 't Water begon te razen, en stond op den kook. Ze deden er wat koffie in, en lieten het toen lustig koken.

Alweer een bezwaar. Ze hadden geen melk! "Dan drinken we ze maar zònder," decreteerde Cor. "Want je kan nu slecht naar de stad loopen; om een kannetje melk te halen. Morgenochtend moeten we er aan denken. Nu zullen we maar véél suiker nemen!"

Ja, dat was een idée, en Theo, die, als het op lekker eten en drinken aankwam, toonde zich te kunnen haasten, schommelde uit de provisie-kist een zakje met suiker en stortte dat leeg in het kokende vocht.

Nu zou de koffie al wel goed zijn, meenden ze, en de koffie werd van het vuur genomen, dat ze met wat steenen dekten; dan bleef het smeulen, meenden ze. Ze hadden in hun Indianen-boeken gelezen, dat die hun vuur afdekten met asch. Maar asch was er nog niet. Ze maakten dus van den nood een deugd, en dekten af met steenen.

De koffie was nog te warm. Die moest eerst wat afkoelen. De boterhammen werden voor den dag gehaald, en èven was het doodstil, toen ze de handen vouwden, 'n beetje vreemd voor elkaar, en baden. Maar al spoedig was het weer één en al luidruchtigheid en ge-grap.

Theo zou inschenken. De groote kom kwam vol, en hij zette begeerig zijn lippen aan het donkerbruine vocht. Doch nauwelijks had hij een slok er van in den mond, of hij spuwde het vol afschuw uit, zonder er op te letten, dat het midden tusschen de makkers terechtkwam.

"Bah! Wat een goed! Hoe smerig bitter!" viel hij uit, en hij trachtte de laatste sporen van het bruine vocht uit zijn mond te verwijderen en nam daartoe zelfs zijn zakdoek te baat.

"Ja, smerig bèn je," viel Koos uit, naast wien de zwart-bruine regen juist was neergekomen.

"Nou," proestte Theo nog, "nou, en als jij het gedronken had, zou je...."

"Jij was ook veel te gulzig," kwam Cor er tusschen in. "Maak nou asjeblieft de kom schoon, dan kunnen wij het probeeren. Je bent ook net zoo'n lekkerbek."

Theo, die er al troost in zag, dat de anderen ook dien heerlijken smaak zouden proeven, spoelde de kom om, en schonk voor Cor in.

Heel voorzichtig, de lippen vooruit, proefde deze nu; hij nam zoo weinig als maar mogelijk was. Vol belangstelling en nieuwsgierigheid keken de jongens toe, wat voor gezicht hij zou zetten. Maar Cor kon zijn eigen kooksel slecht afvallen. "Hm, wat stèrk, maar wèl te drinken," vond hij, en hij bood de kom aan Jan, die aan den anderen kant even de lippen aanzette, doch met een "dank je, drink jij dat bocht maar," haar onmiddellijk weer aan Cor overreikte.

image: 73_koffie.jpg

"Ja, best is ze niet," moest Cor erkennen. "'t Is zonde van de kostelijke koffie!"

"En dan al die suiker," voegde Jan er aan toe. "Had Theo er die tenminste maar niet bijgegooid!"

Neen; die koffie was niet drinkbaar.

Zoo kreeg de hei het eerste zetsel van de Rhandensche Verkenners en kampgenooten te drinken: 'n zwart-bruinig, drabbig, gesuikerd aftreksel van koffie op kokend water, nog eens lekker sàmengekookt, in plaats dat de koffie op het water getrokken was!

't Was middag geworden. Hoog stond de zon te branden aan den strak-blauwen hemel, en de hei zelf was warm. Koos zat te genieten in de schaduw achter de tent. De anderen waren op sjouw, het bosch in, om er te ravotten, en ook om nog wat hout bij mekaar te sprokkelen. Koos had zich vrijwillig aangeboden, om kampwacht te houden.

Nu was het heerlijk rustig. De bruingetinte heide, met de helpaarse trossen of de licht-paarse klokjes, stond te stralen in de zon. Hier en daar vloog een zandoogje rond, maar overigens was er bijna geen leven te bespeuren.

image: 74_schetsboek.jpg

image: 74_schetsboek.jpg

Over hem, dichtbij tegen den horizon, liep de donkere lijn van het sparrebosch. Hij had al enkele malen getracht, om dat in zijn schetsboek met een paar krabbeltjes te geven, maar telkens had hij het boek, onvoldaan over zijn eigen werk, weer neergelegd. Toch greep hij het weer op, en probeerde opnieuw. Hij teekende, gumde uit, zette weer een paar lijnen, schetste een wat op den voorgrond komenden spar, groepeerde daar om heenhet andere hout,en ja, er kwam diepte in, en ièts van het wondere leven, dat toch trilde door dat stille bosch.

Maar wat was dat; daar vlak bij? Wat bewoog er tusschen de heidestruiken? Een fijn, bruin-wit snuitje bewoog haastig; een paar goedige oogen keken rond — uit het hol, dat daar klaarblijkelijk was, kwam een konijntje, voorzichtig te voorschijn.

Dadelijk zat Koos in de houding: onbeweeglijk bleef hij, in de hoop, dat er nu niemand zou aankomen; dat hij rustig dat aardige gedoe kon beschouwen. Het fijnbruine lijfje kwam geheel te voorschijn en 't konijntje zat koddig eigenwijs op zijn achterpooten in 't rond te kijken. Zou hij Koos ontdekken?image: 75_konijntjes.jpg

't Kopje werd gestrekt — even later kwam nummer twee te voorschijn, en samen zaten ze daar op het open plekje, alsof ze voor de fotograaf poseerden. Die 't eerst gekomen was, sprong weg, de hei op, Koos zag nog telkens zijn licht-bruine ooren tegen de hei uitkomen. En toen hij opkeek, was de andere verdwenen. Nu ging hij naar het hol kijken: veilig verborgen was de ingang door de heistruiken.

Als de jongens dat maar niet zagen! Ze waren in staat om de dieren half dood te jagen, vreesde hij. Gelukkig hadden ze nog niets gezien en hij zou het ze niet zeggen. Hij nam zijn teekening weer op, en begon zonder dat zijn werk hem geheel kon bevredigen.

In de verte, tusschen de boomen, kwam beweging. Telkens zag hij één der jongens te voorschijn komen, en in groote haast weer verdwijnen. Wat zouden die uitvoeren? Hij zou het gauw genoeg weten, want daar kwamen er vier, vijf aanhollen, zoo snel ze konden. Cor voorop, luid schreeuwende: "Pak 'm! Pak 'm! Een konijn!"

O, nu begreep Koos het — de dieren waren zeker het bosch ingegaan, en nu hadden Cor en de anderen ze gezien. Maar hij wou niet meehelpen aan het doodjagen van het arme dier, en hij holde de jongens tegemoet, juist uit de richting van het dier.

"Wat zeg je? Een konijn?" vroeg hij.

"Ja, daar gaat-ie!" schreeuwde Cor.

"Waar?" vroeg Koos nog eens, die het dier werkelijk niet had gezien. Toch werden de jongens een oogenblik door dat gevraag opgehouden. Het konijn kon nu ontsnappen, en daar was het Koos om te doet geweest.

"'k Zie hem niet meer!" riep Koos, en Theo, die vlak achter hem aanholde; liet zich voorover in de hei neervallen. "Hier zoo! Hier zoo!" lawaaide hij, en greep in de struiken, alsof hij het dier maar voor 't pakken had.

image: 76_been.jpg

image: 76_been.jpg

De anderen er dadelijk bij, maar ze merkten al heel gauw, dat Theo ze er tusschen nam. Cor greep een been van Theo.

"'k Heb hem bij zijn poot!" schreeuwde hij. En de anderen lurfden er ook op los. Theo moest er aan gelooven. 't Was zijn schuld dat het konijn weg was. Nu zouden ze hèm naar het kamp brengen. En ze zeulden en sjouwden hem het eindje hei over, en die arme Theo liet het zich wèlgevallen.

Toen ze hem bij de tent in het zand lieten vallen, zei hij alleen: "Wat zachter is òòk goed, hoor! Maar dank jullie voor je vrachtje!" en bleef languit liggen. De anderen volgden zijn voorbeeld, en Koos zag niet zonder schrik, en toch ook met verholen pret, dat Cor vlak bij het konijnen-hol ging liggen, waar zeker zoo pas het verschrikte dier zich in geborgen had.

Ze bleven wat liggen stoeien, en Theo vooral moest het telkens kunnen. Koos lieten ze nog al met rust; maar rustig was hij niet, vooral niet, toen hij zag, hoe Cor het hol ontdekte.

"Jongens! een konijnen-hol!" riep hij uit, en onmiddellijk waren de anderen er bij; de koppen bij elkaar gestoken, hurkten ze rondom het gat. Cor voelde er met zijn arm in, maar de gang was te diep.

"Delven dan!" stelde Jan Arps voor, en Cor begon tot groote schrik van Koos, te graven. Door zijn wildheid raakte hij den gang kwijt: die was vermoedelijk ingestort, door hun gerumoer op den grond, en hun gegraaf. Ze lieten het er dus bij, en waren er zooveel te eerder toe geneigd, omdat het tijd werd, aan eten te gaan denken.

Een paar haalden hout bij elkaar, terwijl Cor, Jan en Koos de aardappels zouden schillen. Die aardappels kwamen er hoekig af; ze zagen er heel anders uit dan thuis! Doch 't moest maar gaan! In een soort grooten ketel werden ze boven 't vuur opgehangen, aan een uit drie stevige stokken bestaande stellage.

't Was warm bij 't vuur, en toch waren ze er niet af te slaan. 't Was té verleidelijk, en ze eindigden met een rondedansje er omheen.

Krak.... bons.... een hevig gesis.... en verbaasd staan ze stil. Dirk was tegen één van de stokken aangekomen, waaraan de ketel bevestigd was geweest, met het gevolg, dat alles omviel, en de ketel in het knappende houtvuur terecht kwam, terwijl het water voor een deel er uit stroomde, en 't vuur bluschte.

Cor probeerde, den ketel er uit te halen, maar hij brandde zijn vingers bijna.

"Au, au, dat voel je!"

image: 77_aardappeltjes.jpg

image: 77_aardappeltjes.jpg

"Daar gaan onze kostelijke aardappeltjes!" urmde Theo, die onderwijl met een langen stok den ketel uit het vuur wentelde. Hij had gelijk: daar was geen eten aan. "Goed voor de varkens op den Derker!" meende Jan. "Ik ga gauw thuis eten!" riep Theo, "anders is het daar óók al op!"

"Nou, je kan nog wel even hierblijven!" drong Cor aan, teleurgesteld, dat alles zoo misliep, "we moeten maar opbreken, want zoo is er niet veel aan!"

"Inderdèd niet," spotte Theo, en hij greep een stuk smeulend hout, en wierp het, stoeiend, naar Jan.

"Die krijg je terug!" Weer vloog het brandend stuk hout door de lucht.

Cor en Koos letten er niet op: ze overlegden, wat ze zouden doen: alles laten staan, en morgen thuis gaan eten. Want etenkoken zou niet gaan, dat zagen ze wel... òf den boel maar heelemaal opbreken. Want ze zagen het: er kwam niet véel van terecht. Er was geen orde; ieder deed net, wat hij wilde.... misschien zou de dokter nog gelijk krijgen, dat er een oudere bij moest zijn. Ja, 't was beter: ze moesten den boel maar opbreken.

Lang niet vroolijk gestemd, begonnen ze de tent af te breken, en alles bijeen te zoeken en in te pakken. Vrij gauw waren ze daarmee klaar; maar hòe kregen ze alles weer weg?

Ze zouden het naar den Derker brengen, en vragen, of het daar mocht bewaard blijven.

En zoo trokken ze in optocht nu weer het heipad over, naar den Derker; Cor met de tentstokken, waarover het tentzeil was gerold, op de schouders; Jan met de kist op den nek, Koos den last van een paar emmers, met allerlei gevuld, torsend; Theo, puffend en blazend, met den leegen ketel in de hand; en telkens zette hij den tuit aan den mond, en blies er schetterende fanfares op! Tenminste, probeerde dat te doen, waardoor zijn bolle wangen nog meer strak gespannen stonden dan gewoonlijk, zonder dat er veel geluid te voorschijn kwam, daar de ingeperste lucht in het holle ketellichaam verloren ging.

Hij liep achteraan; maar opeens hield hij stil. Achter zich hoorde hij schreeuwen: "Jonge-èns! Jong-e-e-e-ns!"

't Was de nu scherpe stem van Gert, die angstig klonk.

Theo keerde zich om: achter zich zag hij rookwolken opstijgen. "Jongens, brand!" schreeuwde hij, gooide den ketel neer, en zette het op een loopen, in de richting van Gert. De anderen, verschrikt, volgden zijn voorbeeld. Wat was er gebeurd? 't Bleek spoedig. 't Smeulende stuk hout, dat Jan achteloos weer naar Theo had gegooid, was niet uitgegaan, maar had integendeel juist de kurkdroge heidestruiken, waar tusschen het terechtgekomen was, aan 't branden gemaakt, en nu kroop het vuur langzaam voort, telkens meer heide aanstekend, en dikke rookwolken vooruitzendend.... Wat nu te doen? Daar stonden ze.... van schrik verstijfd bijna; en ze durfden niet naderen.

image: 78_heidebrand.jpg

image: 78_heidebrand.jpg

Doch 't duurde slechts een oogenblik. Toen gingen ze 't voorbeeld van Gert volgen, die als een razende stond te trappen op 't nog smeulende strookje, vlak voor den verraderlijk voortkruipen den vurigen rand.

Er was geen houden aan. Wat zouden zij met hun kleine kracht er tegen doen? Als er geen hulp kwam, dan ging het heele stuk hei er aan; ze trapten, en trapten, schreeuwden, om de aandacht te trekken, zoo hard ze konden.

Langzaam, maar gestadig, kroop het vuur verder. Gelukkig was er bijna geen wind, en 't kleine zuchtje dat er was, woei in de richting van den straatweg. Zonder tegenstribbelen stelden ze zich onder de leiding van Gert.

"Cor, vlug, jij kan hard loopen. Hol naar den Derker, en vraag of de arbeiders komen, met schoppen!"

image: 04_.jpg

image: 04_.jpg

Niemand dacht er aan, Gert nu uit te lachen om zijn lijmerige spraak, en Cor, die anders liever wilde commandeeren, dan gecommandeerd worden, vloog als een pijl uit den boog weg, terwijl de anderen op Gert's voorbeeld, met takken, die hij inderhaast had opgezocht, op 't vuur gingen slaan, nu trappen niet voldoende hielp. Vooral aan de uiteinden van de vurige streep werkten ze wat ze konden, om te voorkomen, dat die nog breeder werd.

"Als ze maar gauw komen, anders gaat het aardappelloof daarginder er nog aan!" riep Gert. "Wij houden dat niet tegen."

Van den Derker zagen ze menschen aankomen, snel, al sneller. Al die anders zoo traag lijkende arbeiders maakten nu ongewonen spoed. Zelekentraag, voor een stadsjongen als Cor. Maar zewarenhet niet, nòòit, en nu vooral niet.

Ze zagen dadelijk, hoe het er mee stond. Op een paar honderd meters van het aardappelveld af begonnen ze een greppel te graven, en de heiplaggen, die ze uitstaken, wierpen ze achter zich, op het stuk grond tusschen het aardappelveld en de aanrollende vuurstreep in. Ze werkten zoo hard ze konden; en werkelijk, vòòr het vuur bij ze was, was er een strook zand blootgelegd, breed genoeg, om het vuur tegen te houden. Toen gingen ze op de vuurstrook aan, en hielpen de jongens aan het uitslaan. 't Gelukte op een paar plekken den voortgang van het vuur te stuiten, en met harden arbeid was nu weldra de geheele vuurstreep gedoofd. 't Rookte nog wat na, en nu begonnen ze te trappen.... "om als er nog vuur zit, dat te dooven," verklaarde Gert. Want het was wel eens gebeurd, vertelde hij, dat ze meenden, het vuur bezworen te hebben, terwijl het in stilte, in de humuslaag, nog voortbroeide....

Gelukkig verzekerde Gerts vader al spoedig, dat het nu wel uit zou zijn.

Zwartgeblakerd lag daar nu tusschen de pralende hei de gebrande strook, gelukkig niet zoo groot, als ze in in hun eersten schrik wel verwacht hadden, maar toch vonden ze het vreeselijk. Toch was het hun schuld! Hoe heel anders gevoelden ze zich, dan toen ze den brand in de Weerdes hadden helpen blusschen! Toen waren ze helden geweest. Wat nù?

Zwijgend trokken ze weer op weg naar den Derker, ieder zijn eigen vrachtje opzoekende, dat ze langs den weg hadden neergeworpen.

En als geslagen honden trokken ze naar huis, met de hinderlijke gedachte aan een volmaakt mislukt kampleven bij zich. Zelfs verwijten bleven achterwege; een paar van hen, Koos en Jan, trokken pijnlijk met hun handen, die brandblaren hadden — "maar daar hielp lijnolie voor," troostte Theo ze.

Wat zouden de àndere jongens zeggen?

En, bij Cor vooral, kwam de vraag: "wat moet je nu verder doen met de Rhandensche Verkenners?" Hij wist er geen raad op.

Toch wilde hij er niet van weten, alles op zij te zetten, zooals Koos voorstelde.

Ze moesten maar eerst wat afwachten; dan konden ze zien, wat er nog zou gebeuren; met die gedachte ging het troepje uiteen, ieder naar eigen huis, om daar "lekker en veel te eten," naar Theo verzekerde, "me eens frisch op te knappen," meende Jan. Maar allen zagen ze er tegen op, hun pech thuis te vertellen.

Het was gedaan met de Rhandensche Verkenners. 't Had er tenminste allen schijn van. De kameraden kwamen in de vacantie nog wel eens bij mekaar, maar de echte animo was er af. Temeer, omdat ze hier en daar verspreid raakten, op hun vacantiereisjes.

Cor ging voor een paar weken naar een tuinderij in de buurt van Haarlem. Dat zou wel goed voor hem wezen, meenden ze thuis, en hij zelf vond het heel prettig, weer een paar weken in de buurt van zijn oude stad te zijn.

't Was er een drukke tijd. En hij genoot dubbel, juist daardoor. Met 't meeste pleizier hielp hij den ganschen dag mee. En 't was tegen den avond telkens weer een nieuw feest, als hij meereed naar het station, de kisten wegbrengen op den groentetrein.

"De menschen, die 's morgens op de Berlijnsche groentenmarkt de groenten koopen," schreef hij naar huis "zullen niet weten, denk ik, dat ik de kisten hier naar het station heb gereden."

Vader moest geweldig lachen, toen hij dien brief las. Dat was nou heelemaal niets voor Cor, om zoo deftig te doen, en zoo'n mooien schoolzin te maken! Nee hoor, 't leek er niet naar!image: 80_tuinderij.jpg

Vader schreef dan ook terug, dat hij Cor's mooien brief bewonderde. "Maar hoe kom jij aan die Berlijnsche groentenmarkt? Ik wist niet, dat je daar nog aardrijkskundeles op den koop toe kreeg."

"Nou schrijf ik Vader niet meer," besloot Cor, en zijn tweeden brief schreef hij aan zijn Moeder; "want Vader plaagt me toch en dat zal U niet doen," schreef hij.

De weken vlogen om, en gebruind en wel trok hij Rhanden weer binnen, om van zijn laatste vacantieweek te genieten. Jan Arps en Koos Venema waren nog uit. Koos was een week in Rotterdam; hij vond het er wàt prettig, schreef hij aan Cor, bij de havens en de kaden, en de mooie Willemsbrug; maar hij hield toch meer van de hei en verlangde weer naar zijn prachtige bosschen terug. Want boomen, nou ja, iepen en hier en daar een linde of een kastanje, dat was ook alles. Nee, in Rotterdam wilde hij liever niet wonen, of 't moest vlak bij de haven zijn.

Jan zat in Apeldoorn. Die liet natuurlijk niets van zich hooren. Die zou wel zorgen, dat hij schik had.

"Hij had ons anders wel een prentbriefkaart kunnen sturen," zei Cor, en vergat ondertusschen dat hij zelf het evenmin gedaan had!image: 81_snibbig.jpg

Nog één week vacantie bleef er over. Cor liep te lanterfanten thuis: plaagde zijn zusje Nellie, en deed groot tegen de broertjes, die iederen morgen met den groenteboer meereden, "heele einden ver, wel een uur!" sneden ze tegen Cor op.

"Moe, ik ga maar naar Theo kijken of die thuis is."

"Ik heb hem gisteren nog gezien," lichtte Nellie hem in, en snibbig voegde ze er aan toe: "Dat jong groette niet eens! Hij liep me gewoonweg voorbij."

"Moest-ie zeker zeggen: goeden morgen, juffrouw Poorters? Had-ie zeker zijn pet moeten afnemen?" plaagde Cor. "Dag, jongejuffrouw Poorters! Hoe gaat het u? En hoe maken het uw ouders en broertjes, in 't bijzonder uw geachte broeder Cornelis?" Cor stond er onhandig bij te buigen tegenover Nellie.

"Hou op, zeg, met je narigheid," bitste Nellie hem tegen.

"Zoo'n nest!"

Cor probeerde op een beetje spottend-medelijdenden toon het te zeggen, plagend, en wat uit de hoogte. Maar het lukte niet. Het werd bits en scherp.

Nel stoof op. "Nest? Jij bent een nest, en je onbeleefde vrind is een nest, nare jongen!"

Haar oogen fonkelden, en een snel opkomend rood kleurde haar bleeke wangen even van boosheid.

Cor merkte het op. Wèèr kwam de gedachte bij hem: wat ziet die Nel er slecht uit. Hij had er moeder ook al over hooren praten, half fluisterend, met angst in haar stem. Nu viel het ook hem plotseling weer op. En ineens, goedig, viel hij uit: "Nou, Nel, maak je maar niet druk, ik meen het heusch niet zoo. 'k Zal d'r Theo voor op zijn kop geven. Is 't zóó dan goed?"

Het teer-rose van Nellie's wangen zakte weer even plotseling weg, als het gekomen was. 't Leek nu wel, alsof ze nog bleeker was dan gewoonlijk, en onder haar oogen waren donkere strepen.

"Nee, dat is heelemaal niet noodig, maar jij hoeft me niet voor nest te schelden."

Cor droop af. 't Was vervelend met hem. Zijn lompheid hinderde hem nu eigenlijk wel. Als je zoo'n kind aankeek.... neen, hij moest vriendelijker tegen haar zijn; want àls ze nu werkelijk eens niet gezond was? Zou het?....

Hij liep tegen de broertjes op, die juist binnen kwamen stormen, toen hij naar buiten ging. Meteen was elke zachtere aandoening bij hem verdwenen. Hij gaf den één 'n stomp, dreigde den ander, die zijn "broertje" te hulp wou komen, met de vuist, en trok de deur achter zich toe, die met een luiden smak dichtviel, juist toen moeder in de gang kwam kijken wat er aan de hand was. Met veel omhaal vertelden de broertjes dat Cor Jo een stomp gegeven had, en dat Dik hem toen had willen helpen, en dat....

"Nu, 't is welletjes," vond Moe. "Houdt jullie asjeblieft rustig."

"Moeder, we zijn met Jansen heelemaal naar de Greep geweest!" zei Dik. En Jo vulde aan: "Lekker worteltjes gegeten ook! En appels! Zoo maar van den boom geschud." Op Moe's vragenden blik kwam er spoedig een: "We mochten, hoor Moe! Kijk maar!"

Uit hun blouse diepten ze elk nog wat appels op, groen en hard nog. "Die mag U!" "'t Mocht van Jansen. Hij ging appels halen. in den bongerd, en toen mochten wij er nemen. 't Was toch een best appelenjaar. Fijn hé, Moeder?"

Moeder nam de appels aan.

"Dank je wel, hoor jongens! 'k Zal ze een poosje laten liggen, dan worden ze nog wel rijp. Nu zijn ze wat te hard voor me!"

De broertjes stormden nu weer naar het magazijn, waar wat fijns was: een nieuwe takel naar den zolder! Zulke sterke touwen! Daar konden ze wel met hun tweeën aan hangen, en de loopknecht had ze gisteren een heel eind naar omhoog getrokken. Maar Vader had het verboden — 't was te gevaarlijk, vond hij. Ze mochten wel helpen, als er goed naar boven getakeld moest worden. En er stond nog. Dus dadelijk er op af!

Cor slenterde den veerweg af. In de uiterwaarden werd al voor de tweede maal gehooid. Druk waren ze met het nagewas in de weer. Daar kwam, breed en wiegelend, een hooggeladen wagen met hooi aanrijden. Het paard trok in rustigen gang de kar.

O, dat was de arbeider van Jansen, den groenboer. Cor kende hem. Wie lag daar boven op de kar? Hij zag een paar brilleglazen in de zon schitteren. Ha, gelukkig, het was Theo. Die lag lekker languit in het hooi.

Cor floot.

Nieuwsgierig richtte Theo zich op. Daar stond Cor, tegen het hek langs den dijk geleund.

"Jij weer terug? Ga mee jô, 't mag best! Nietwaar, Hendriksen?" schreeuwde hij den arbeider toe.

"Wa-blief?"

"Of Cor mee mag! D'r is hier nog plaats genoeg."

"O, dat....? Ja, 't zal wel gaan; als-ie maar niet te zwaar is, want de kar is al zwaar genocht geladen."

"Nee, heelemaal niet; kijk maar eens, wat een magere stroohalm," plaagde Theo.

Cor had wel zin, en vlug klauterde hij aan het touw, dat over het hooi heenlag, naar boven.

image: 82_klauteren.jpg

Hè, dat lag lekker! Je lei zoo fijn te wiegelen, en 't ging zoo langzaam, zoo echt, als je een lanterfantige bui had. "Jô, kom eens dichtbij!" zei Theo, en hij deed héél gewichtig en héél geheimzinnig, en liet zijn bril vervaarlijk op zijn neus dansen. Cor deed het.

"Wat hèb je, zeg?"

"'n Geheim! Twee geheimen."

"Echte? Die niemand nog weet?"

Theo knikte. Echte. Niemand.... nou, dat zou hij niet durven zeggen. B. v. de Burgemeester wist er van, en zijn vader en de andere raadsleden wisten er óók wel van. En van dat andere, dat wist hij ook van zijn vader. Daar wist meneer Van Waalwijk van.

Dat ging over de school, zie je. Allebei even ècht. Zoo prikkelde hij Cor's nieuwsgierigheid. Cor vergat heelemaal, dat hij tegen Theo wou uitvaren, dat hij hem wel had willen uitschelden voor "Rhandensche boer," "lomperd," "kinkel," weet ik wat. Hij zat nu heelemaal in de spanning van het geheim, van de geheimen. Hij moèst en hij zòu er achterkomen.

"Nou, vertel op! Kom òp met wat je weet! 't Zal wat zijn!" probeerde Cor verachtelijk te doen.

"Ja, 't zal zèker wat zijn!"

"Zanik nou niet, maar vertel het!"

Wat genoot Theo er van, dat Cor zoo ongeduldig was. Hij wilde hem nog wat laten wachten. Maar Cor richtte zich onverwacht op, en greep hem bij de schouders, die hij diep in het hooi wegdrukte.

"Help! Help! Moord! Brand!" schreeuwde Theo.

Hendriksen keek verbaasd om.

"Jullie magge daar wel wat rustiger wezen, anders mô je d'r af!" dreigde hij, en hij liet even boven het hooi uit de zweep spelen.

image: 83_opsteken.jpg

"Haal dan ook niet zulke flauwiteiten uit!" zei Cor tegen Theo. "Vertel je het nog of vertel je het niet?"

"Nou, vooruit dan maar. Maar je zal 't niet verder vertellen?"

"Ik zal 't geheim net zoo goed bewaren als jij zelf," plaagde Cor nu, die blij was, dat hij beet kreeg.

Toen kwam het er achter mekaar uit: "Nou jô, we krijgen twee feesten."

"Twee feesten?" vroeg Cor ongeloovig.

"Ja, twee feesten. Eén als de Koningin komt, en één, omdat de school vijf-en-twintig jaar bestaan heeft."

Ziezoo, nu waren de geheimen er uit, en 't was goed ook, want de kar was ondertusschen den dijk afgereden, en in zijn rustig-gestadigen gang bij Jansen aangeland. In een ommezientje waren ze op den grond.

"Mag ik opsteken?" vroeg Theo aan Jansen.

"Kan je niet — is geen jongenswerk; veuls te zwaar, en d'r komt niks van terecht," zei Jansen.

De arbeiders begonnen al. Theo probeerde het ook te doen, maar het grootste deel van het hooi kwam op zijn hoofd terecht, inplaats van op den hooiberg. Ze hielden er dan ook spoedig mee op, en gingen er van door, nadat ze Hendriksen bedankt hadden.

"Nou moet je me alles vertellen, wat je van die feesten weet," zei Cor.

En Theo voldeed aan het verzoek. De Koningin zou in Rhanden komen. Er was bericht bij den Burgemeester gekomen, en zoo had Theo's vader het vernomen. De burgemeester zou vragen, of de menschen allemaal wilden vlaggen, en de scholen zouden dien dag vacantie krijgen. 't Was al in heel wat jaren niet gebeurd, dat de Koningin in Rhanden was. Vroeger, toen ze nog het het Prinsesje was, had ze een paar dagen in Rhanden doorgebracht, bij gelegenheid van landbouwfeesten; ook een Zondag was ze met haar Moeder in 't stadje geweest. "Je weet toch wel," zei Theo, "de Koninginnebank in de kerk? Nou, daar heeft ze toen ingezeten, en na dien tijd hebben ze die bank altijd de Koninginnebank genoemd. Nu zou de Koningin een bezoek komen brengen aan het groote sanatorium, dat vlak bij Rhanden lag. Maar ze zou toch een heelen middag ook in 't stadje blijven. 't Zou fijn zijn, want er zou een optocht komen van vereenigingen met vaandels...."

"Jammer dat wij geen vaandel hebben van de Rhandensche Verkenners," zei Cor. "Dan konden we óók meedoen."

"Nou, 't is de moeite waard, die Rhandensche Verkenners!" meende Theo. "Die moesten we maar stilletjes thuislaten. 't Is wat moois, om er mee voor den dag te komen!"

"En toch zal het gebeuren," besloot Cor. "Als ze 't nu niet goed doen, dan heeft het al héél weinig te beteekenen."

"En ik dacht, dat je het heele stelletje al opgeruimd had, en dat we er mee opgehouden waren?"

"Ja, zoolang het vacantie was," hield Cor zich groot, "maar nu moeten we nog eens beginnen."

Hij had zijn plan al gevormd; de Rhandensche Verkenners zouden goed uitkomen; maar het moest stil gehouden worden, het moest voor de Rhandenaars een verrassing zijn.

Cor ging meteen naar huis.

"Vader," stormde hij op meneer Poorters los, "de Koningin komt in de stad, en dan is er feest, en optocht met vaandels! Maar het is een geheim, hoor!"

"Dat zal een heel pleizier geven!" antwoordde Vader. "Hoe kom je daar aan, Cor? Hoe weet je dat geheim?"

"Van Theo, en die weet het van zijn vader, en die heeft het van den Burgemeester gehoord. En op school komt er ook feest. De school heeft vijf-en-twintig jaar bestaan," ratelde Cor in één adem door.

"Dat belooft dan feest op feest! Daar bof jullie mee!"

"Ja, en Vader, nou wou ik met de Rhandensche Verkenners aan den optocht meedoen. Vindt u het goed?"

"Ik vind het best. Maar ik dacht, dat het na dien brand op de heide, voor een paar weken, met die club gedaan was?"

"Ja, Vader, eigenlijk wel, maar nou is er iets zoo èchts, dat ze wel allemaal zullen meedoen! Heusch, nou doen ze het wel weer. Als ik mag tenminste...." voegde hij er aan toe.

"Wat mag?"

"Ja, ziet u, ik wou het stil houden en dan met een paar jongens een mooi vaandel plakken met kwasten er aan, en wat er op, en dan alle jongens oranjesjerpen om met 'Leve de Koningin' er op, en dan meeloopen in den optocht!"

"Ik vind het best, jongen. Jammer, dat de vacantie eigenlijk al om is. 't Was prettig vacantiewerk geweest. Nou ben ik bang, dat je werk er wat onder lijden zal."

"Nee, Vader, heusch niet. Maar mag ik met Theo en Jan en Koos en zoo, boven op het magazijn 't vaandel maken? Want niemand mag het zien, weet u, vóór we meedoen!"

"Ik vind het goed; als jullie maar rustig bent, en de knechts niet van het werk afhoudt. Alleen: wie moet het allemaal betalen? Want dat kost geld hoor, bedenk je wel!"

Cor vlijde zich tegen vader aan.

"Toe, Vader, help er ons bij! Mag ik wat uit mijn spaarpot nemen en doet u er wat bij?"

"Als 't dan maar niet net gaat als met de tent!"

"Toe vader, zeg nu ja! 't Mag wel, hè? En u betaalt wel wat! 't Is toch voor de Koningin."image: 84_weghollen.jpg

Cor holde weg, zonder antwoord af te wachten, en zocht Theo op, dien hij zijn plannen mededeelde. Ze moesten zoo gauw mogelijk saamkomen.

"Bij den steen," stelde Theo voor.

"Goed," zei Cor. "Maar 't vaandel maken we bij ons in 't magazijn."

Zoo spraken ze af. "Misschien kan het bij 't schoolfeest óók dienen," opperde Theo.

"O, best," antwoordde Cor. "'t Kan wel. Alleen zou er dan wat anders op moeten staan."

"Ik wéét wat." Theo kwam in eens tot die ontdekking. "Dan vragen we Koos om het te teekenen."

"Ja, en Jan Arps om slingers groen; die kan ze wel van zijn vader krijgen. Misschien kunnen we wel een heelen eereboog maken! Dàt zou pas fijn zijn!"

"Ja...." Theo peinsde, en daarom wachtte hij even. 't Zadel van zijn neus opgetrokken, staarde hij zonder kijken, door zijn brilleglazen heen. "... Ja..., zie je.... dat is wel leuk.... maar waar moet die staan.... en hoe kom je aan alles?"

Cor had nu een bui om te vinden, dat alles wel kon. "Dat komt best terecht, zullen we wel zien — bij ons voor de deur... da's een mooie plek... en dan gaan we d'r allemaal bij staan, als de Koningin voorbijkomt." Zoo werden de plannen al grooter en grootscher.

Toen de school weer begon, was er een geheimzinnig gefluister onder de jongens. Ze moesten eigenlijk meneer Van Waalwijk maar in 't geheim nemen. Zouden ze?

".... Niet doen," schreef Cor op 't briefje, dat Theo hem in handen liet spelen, en waarop de vraag stond of ze meneer 't zouden zeggen.

't Was eigenlijk wel jammer, want nu wist meneer niet, hoe hij het had. Ze waren zoo ongedurig, die jongens. 't Was wel weer de eerste schoolmorgen, maar zóó.... hij begreep niet, hoe hij het had. Er moest wel wat bijzonders wezen, dat ze in den weg zat.

Ineens viel Nelly uit: "Meneer, de Koningin komt gauw, en dan krijgen we feest. Ze gaat naar 't Sanatorium en komt dan 's middags hier!"

"O zoo, zit jullie dat in den weg? Dat begrijp ik. Ik had er door mijn vacantie nog niets van gehoord. En natuurlijk — jullie hebben de Koningin zoo weinig gezien — misschien wel nooit!"

Nu kwamen de tongen los, en in minder dan géén tijd was meneer op de hoogte van de plannen. Behalve... van het plan der Rhandensche Verkenners. Want Cor gaf stilletjes het wachtwoord door: niets zeggen! En de jongens, die in 't geheim betrokken waren, gehoorzaamden.... ze zwegen als moffen. Toch was er, na dat babbel-oogenblikje, wel wat ontspanning gekomen, en konden ze weer lekker aan het werk gaan. Dien eersten Woensdag kwamen de Verkenners samen bij den steen. Ze waren in kleine clubjes gegaan, "om geen argwaan te wekken," zei Cor deftig-geleerd. Al de jongens, die in 't complot betrokken waren, vonden het wàt leuk: nou werd het pas echt!

Cor had een groot papier bij zich.

"Jongens, nou allemaal beloven, dat we d'r verder aan niemand wat van zullen zeggen. Hier op 't papier staat het:

image: 85_belofte.jpg

image: 85_belofte.jpg

'Wij, ondergeteekenden, allemaal Rhandensche Verkenners, beloven, van al de plannen niets te zeggen vóór de Koningin in de stad is. Dat beloven wij.'"

'Wij, ondergeteekenden, allemaal Rhandensche Verkenners, beloven, van al de plannen niets te zeggen vóór de Koningin in de stad is. Dat beloven wij.'"

Hij spreidde het papier uit op den Steen, en zette er met potlood zijn naam onder, in kloeke stevige letters: Cor Poorters.

Al stoeiende en stompende en duwende verdrongen de anderen zich om den Steen, om ook te teekenen, en weldra prijkte een 12-tal handteekeningen onder op het papier. Cor vouwde het toen op in een blikken doosje, en dat groeven ze, onder den steen, weg in de hei. Toen kwam het groote oogenblik aan, waarvan Cor al zoo lang had gedroomd: allemaal kwamen ze aandragen met een steen, dien ze op den losgewoelden grond neerlegden. Nou was 't verbond toch gesloten! dacht Cor.

En toen ging hij de plannen in den breede ontvouwen.

Wat werd er gebabbeld en drukte gemaakt! Eer ze het eens waren, moest Cor héél wat uitleggen! Hij maakte er ten slotte een eind aan, door te zeggen: "Nou, en zooals ik zeg, en Theo en Koos en Jan, zóó moet het, en wie het niet wil, die doet dan maar niet mee!"

Die bedreiging hielp, en toen waren ze gauw klaar. Ze zouden marcheeren, sjerpen koopen, een vaandel maken, dat Koos mocht ontwerpen, en verder zwijgen.

Ze verdwenen in verschillende richtingen... "dan snapt niemand het," zei Cor, en al dat gewichtig-doen beviel den jongens wat goed! Ze waren nog nooit zoo eensgezind geweest als toen!

De voorbereidselen tot den grooten dag verliepen in de beste orde. Koos ontwierp een prachtig schild, naar het oordeel der Verkenners. 't Werd een schild, want al heel gauw zagen ze in, dat een vaandel toch wel minstens van fluweel moest zijn, omvaandelte wezen. Koos bepaalde de kleuren: 't zou een mat-gelen ondergrond hebben; langs de randen groene loovertjes van eikenblad — dat beteekende kracht, zei hij. "En eer," voegde Theo er aan toe, die pas van de Olympische spelen had gelezen, hoe de overwinnaars daarbij met eikenloof gekroond werden. En dan moest er met gouden letters op komen:


Back to IndexNext