image: 95_sneeuw.jpg
image: 95_sneeuw.jpg
Theo liep, tegen zijn gewoonte in, stil er bij. 't Was hem te koud. Hij had zijn handen diep in zijn zakken gestoken, zijn kraag hoog opgezet, de pet over de ooren getrokken, zoodat alleen een neus en een paar brilleglazen te zien waren.
"Zeg, jô, wat heb jij een lollige bui!" zei Jan Arps tegen hem.
Theo bleef zwijgen. Moeizaam ging hij voort door de sneeuw, en telkens wischte hij de tranen weg, die de koude hem uit de oogen dreef.
Koos en Cor liepen druk te praten. Koos wees de mooie lijnen aan, de mooie lichtplekken, en hij kende het spoor van de konijnen. Ze hadden, in 't bosch, een bepaalden weg platgetreden in de sneeuw. Koos wist het: die liep uit op water. Maar ze wilden nu dat spoor niet volgen, anders werd het te laat.
Jan probeerde nog eens, met Theo aan den slag te komen. Hij riep Dirk, het broertje van Koos, te hulp. "Zeg, Dirk, laten we dien eens nemen!"
Ze bleven een eindje achter, en maakten flink wat sneeuwballen. En toen ze er goed wat hadden — en de anderen, behalve Koos en Cor, hadden zich bij hen gevoegd — toen moest Theo het ontgelden. Een ware regen van sneeuwkogels kwam op hem los, en hij kon het niet harden: hij trok de handen uit de zakken, en zette het op een loopen, zoo hard hij kon. De anderen hem na. Ze haalden hem spoedig in, maar juist toen Jan vlak bij hem was, liet hij zich lang uit vallen, precies voor Jan, zoodat die over hem heen tuimelde. En nu werd het één klit jongens in de sneeuw. Koos en Cor kregen er òòk schik in, en die begonnen nu het kluitje door elkaar rollende jongens te bombardeeren, waarvan een deel zich tegen hen richtte.
Zóó, zonder afspraak, ontstond een prettig sneeuwgevecht. De ballen vlogen door de lucht, naar alle zijden. En er waren goèd ràke bij. Maar de meeste kwamen toch los op Theo's arme hoofd, in zijn hals, tegen zijn rug. Hij was nu wel heelemaal los gekomen, want hij gooide terug zoo hard hij kon. Ineens hield het op.
"Ophouden, jongens!" schreeuwde Theo. "Mijn bril is stuk!"
Op de sneeuw vielen een paar bloeddruppels. Daar schrikten ze van. "Hoe komt dat? Wat is er? Is het erg?" klonk het doorelkaar, een beetje angstig.
't Was niet zoo héél erg. Alleen was één glas stukgegooid, en had het scherpe glas Theo's neus gewond. Het bloeden hield spoedig op, gelukkig, maar de bril was stuk.
"Zoo, dat is mooi! Dat kost m'n vader weer een daalder," zei Theo, die werkelijk verslagen keek. Nijdig voegde hij er tegen Jan aan toe: "Als jij niet begonnen was, zou het niet gebeurd zijn. Jij mocht het wel betalen."
Neen, dat ging niet, vonden de andere jongens. Jan alleen moest dat niet doen. 't Zou geen aardig aandenken aan de Rhandensche Verkenners geven! Maar ze zouden het sàmen doen. Ieder wat betalen....
"Misschien hoeft je vader het dan niet eens te weten, als we strakjes meteen even naar Degenkamp, den brillemaker, gaan! Dan laten we hem meteen inzetten!" Ja, zoo moest het dan maar. "Want ik durf er gerust niet mee aankomen thuis. Vader klaagt tòch al zoo, dat alles zooveel kost," zei Theo, en met een ineens weer ondeugend gezicht voegde hij er aan toe: "Net of ik dat kan helpen!"
Ze waren intusschen den Steen genaderd. Die lag daar omgeven door ongerepte sneeuw.
Ze vonden al spoedig de plek, waar ze elk hun steen hadden neergelegd, boven op de belofte, dat ze niets zouden vertellen over het feest toen de Koningin kwam.
Hier zou Jan van de Rhandensche Verkenners afscheid nemen.
"Zeg, een beetje kort hoor!" drong Theo aan. "Het is reuzenkoud!"
Cor wou de doos hebben, waarin ze hun belofte hadden verborgen. Hij probeerde met de handen de aarde los te woelen; maar het lukte niet; de grond was al wat hard geworden. Dan met een stok. Die was spoedig opgezocht, en nu lukte het; de grond werd losgewoeld; maar wàt ze vonden.... geen doos....
Dat gaf een ontsteltenis.... waar was die gebleven? Ze schopten met hun hakken het gat grooter, maar vonden niets. Ze begonnen met hun handen het dieper te maken, maar geen doos!
"Het was toch hier! we hebben toch precies hier de steenen weggehaald!" zei Cor, teleurgesteld. "Je ziet den indruk van de steenen nog in de sneeuw, dus hier moest het wezen...."
Of het er al mòest wezen — dat gaf niet veel. De doos was er niet. Dat was belangrijker.
image: 96_verplaatst.jpg
image: 96_verplaatst.jpg
Tot opeens Theo uitvalt: "Maar wie hebben de steenen aan den anderen kant opgestapeld! Ik weet het nog zeker, want ik stond met m'n rug naar het bosch!"
Nu herinnerden de anderen het zich ook. Dus waren de steenen verplaatst. Door wien? Wie moest dat gedaan hebben? En was de doos er nog? Cor wilde het met alle geweld weten.
"Nou maar, ik dank je, 't wordt me te koud en 't duurt me te lang: en ik moet nog naar Degenkamp ook, met mijn bril. Ik zoek niet meer. Ga je mee, jongens?" stelde Theo voor. "'t Kan me eigenlijk ook niets schelen. Ik geef er niets om. 't Is toch allemaal flauwiteit."
Cor stond er paf van.
"Wat?" stoof hij op. "Flauwiteit! Van jòu is 't flauwiteit; jij bent flauw. Jij hebt altijd alles dwarsgezeten. Nooit ècht prettig meegespeeld. Is me dat een boel geweest? Je kon nòòit wat met jou beginnen."
En hij foeterde door, en had Theo wel aan willen vliegen.
"Toen je mee mocht naar den Burgemeester, toen vond je het wèl goed, hè? Maar als we ècht speelden, dan had je altijd wat tegen te sputteren. Is dat flauw, of is het niet flauw?"
Zoo regende het verwijten op Theo's arme hoofd.
"Maak je niet dik! Maak je niet warm! 't Is hier koud genoeg," plaagde Theo.
"En wie z'n schuld is het, dat 't kamp wèg moest? Ook jij, hè?" beet Cor hem toe.
De anderen stonden er om heen.
Wat moesten ze doen?
Koos kwam op Cor af.
"Nou, ik zou maar ophouden. 't Is nou mooi genoeg. En 't is voor Jan heelemaal niet aardig. Laten we de heele boel nou maar opdoeken!"
Cor stribbelde nu niet tegen. Hij zag duidelijk in, dat het uur voor de Rhandensche Verkenners geslagen had. Hij had er nog wel met Theo om willen vechten, nèt als dien anderen keer, dien eersten, toen hij bij de Rhandensche jongens werd ingelijfd. Maar 't kalme optreden van Koos hield er hem van terug.
"Ja, dan moet het maar!" gaf hij toe. "Er is met jullie toch niets te beginnen. 't Spijt me voor Jan!"
"En de contributie?" kwam Theo tusschenbeide.
"Daar kan jij een brilleglas van koopen. Er zal wel niet heel veel meer zijn!"
"En 't vaandel?" vroeg Theo alweer.
"Dat zet je in 't Rhandensch museum, dat er niet is," plaagde Jan, die 't eerste zijn goed humeur weer had teruggekregen.
Maar Cor besliste: "Dat houden wij, Koos en ik. Wij hebben het gemaakt. Jullie hebben er niets mee noodig."
"Mij best," zei Theo alweer. "Als ik het maar weet!"
En zoo gingen ze uit elkaar, in booze onvriendelijke stemming.
Cor wilde Theo niet meehebben.... Met Jan en Koos liep hij den Bergweg af. Ze zouden Jan gaan wegbrengen. Hun weg voerde hen langs het kerkhof. Daar lag Nel onder de blanke sneeuw.... En Cor dacht aan wat vader op 't graf gezegd had: over dat mooie, nieuwe kleed, waarmee Nel bekleed was. Hij liep zwijgend door. Zou 't zoo wit zijn als die sneeuw? vroeg hij zich af.
Hij huiverde. Zou Nel 't ook zoo koud hebben? Maar hij wierp die vraag vàn zich. Dwaasheid, redeneerde hij wijs bij zich zelven. Tòch liet het hem geen rust.
"Hier ligt Nel zoowat, is 't niet?" vroeg Koos.
Cor knikte.
Zwijgend gingen ze voorbij. De sneeuw knerpte onder hun voeten....
Nee, 't was niet mooi om nu zoo uiteen te gaan, met ruzie. Dat kòn niet, dacht Cor. 't Mòest anders. Hij zou het met Theo weer bijleggen. En met de anderen ook. Ze naderden den Derker. Jan nam afscheid. Koos en Cor gingen verder. Vòòr ze uit zagen ze Theo met nog een paar anderen. Dirk, Koos' broertje, was er ook bij.
"Willen we ze inhalen?" stelde Cor voor.
Koos vond het goed, en ze zetten er de pas in, en hadden ze spoedig bereikt.
"Zeg, Theo," viel Cor onverwacht uit, "ben je nog kwaad?"
Theo keek op, verrast.
"Kwaad? Nee hoor, heelemaal niet geweest."
"Niet liegen, jô," zei Koos.
"Nou ja, zoo'n beetje wel. Maar als Cor ook zóó begint, dan word je van zelf wel kwaad," antwoordde Theo.
Gelukkig, dat liep goed af, dacht Cor.
Maar de Rhandensche Verkenners zouden nooit weer opstaan, dat gevoelde hij levendig!
Een paar dagen na Kerstmis ging Jan weg. Ze brachten hem naar 't station, en namen afscheid van hem. Cor beloofde, te schrijven, en Jan ook. Maar daar kwam niet veel van.... 't bleef bij de belofte.
't Kringetje werd kleiner. Nu bleven eigenlijk alléén Cor, Koos, en Theo over. De anderen waren tòch niet veel meer dan "bijloopers" geweest.
En toen de winter voorbij was, en Mei in 't land kwam, toen gingen ook die uiteen. Theo ging naar de kweekschool, een eind weg. Hij zou alléén met de vacantie thuis komen. En Koos ging naar de H. B. S., waarvoor Cor zakte.
Dus.... Cor moest op school blijven. 't Beviel er hem niet meer zoo goed, nu zijn beste vrienden weg waren. Maar vader wilde er eerst niet van weten hem er af te nemen.... Cor had niet zòò gewerkt, als hij kon. Daarom mòest hij blijven.
Zoo ging Cor een tweede jaar in dezelfde klas in. De grootste aardigheid was er voor hem af. Toch hield hij van meneer Van Waalwijk. En die wist het hem weer gemakkelijk te maken, zoodat hij tot werken kwam.
Maar thuis ging het niet goed. Na Nel's sterven was moeder nog niet de oude geweest. Het drukke huishouden viel haar te zwaar.
En zoo werd besloten, dat Cor nog een poosje zou gaan naar een kostschool. Hij vond ook dàt eerst erg naar maar voor moeder deed hij het graag. Hij wist, dat hij de drukste en woeligste van allemaal was. En dan — 't beloofde wat nieuws! Zoo trok hij na de groote vacantie welgemoed een nieuwe toekomst tegen. Nog één dag waren ze saam geweest: Theo, die met vacantie thuis was, Koos en Cor. De oude plekjes waren opgezocht. Theo had z'n oude streken uitgehaald, Koos had het nog altijd druk over zijn dieren, en Cor wist van elk plekje waar ze kwamen wat te vertellen. Natuurlijk kwamen ze ook bij den Steen.
image: 97_uiteen.jpg
image: 97_uiteen.jpg
Nu gooiden ze den steenhoop, dien ze ééns opgericht hadden, uit elkaar.... want net zoo was 't met de Rhandensche jongens gegaan.
Ze dachten later met genoegen terug aan de dagen, toen ze als Rhandensche jongens vochten en speelden, en ook.... ernstig waren en groot deden!
Onuitwischbaar bleven in Cor's hart leven de herinneringen aan Nel. En 't waren ernstige herinneringen. Want in die dagen voor 't eerst had hij ernstig gebeden.
EINDE.
EINDE.
Transcriber's Notes:Het oorspronkelijke boek bevatte geen inhoudsopgave. Deze is toegevoegd voor het gemak van de lezer. Hoofdstuk VI bleek tweemaal voor te komen. Daarom zijn vanaf dat punt de hoofdstukkenVI,VII,VIII,IX,X,XI,XII,XIIIenXIVhernummerd naar VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV en XV.De volgende typografische fouten zijn verbeterd:Enkele geneste dubbele aanhalingstekens zijn veranderd in enkele aanhalingstekens:["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij "meneer" op 't "bero" moest komen. Dan]—>["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan][oud-Randensche]—> [oud-Rhandensche][Die zijn zoon Driekes]—> [Die zijn zoon Driekus][hij seheen wat beweeglijk]—> [hij scheen wat beweeglijk]Nog een geval van aangepaste aanhalingstekens:["wel, Nel, wou je nog zoo'n "schattig"]—>["wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig'][Nu werd Co nog]—> [Nu werd Cor nog][van zich of.]—> [van zich af.][Jongens, een Randensch spook]—> [Jongens, een Rhandensch spook][Het Randensch dialect]—> [Het Rhandensch dialect][altijd maar woensdagmiddag]—> [altijd maar Woensdagmiddag][niet meer de weerdes in]—> [niet meer de Weerdes in][het andre hout,]—> [het andere hout,][Toe sloeg Cor]—> [Toen sloeg Cor][uit de loopgrijze lucht]—> [uit de loodgrijze lucht]Verder zijn er zijn enkele interpunctie fouten gecorrigeerd maar worden hier niet verder genoemd.
Het oorspronkelijke boek bevatte geen inhoudsopgave. Deze is toegevoegd voor het gemak van de lezer. Hoofdstuk VI bleek tweemaal voor te komen. Daarom zijn vanaf dat punt de hoofdstukkenVI,VII,VIII,IX,X,XI,XII,XIIIenXIVhernummerd naar VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV en XV.De volgende typografische fouten zijn verbeterd:Enkele geneste dubbele aanhalingstekens zijn veranderd in enkele aanhalingstekens:["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij "meneer" op 't "bero" moest komen. Dan]—>["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan][oud-Randensche]—> [oud-Rhandensche][Die zijn zoon Driekes]—> [Die zijn zoon Driekus][hij seheen wat beweeglijk]—> [hij scheen wat beweeglijk]Nog een geval van aangepaste aanhalingstekens:["wel, Nel, wou je nog zoo'n "schattig"]—>["wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig'][Nu werd Co nog]—> [Nu werd Cor nog][van zich of.]—> [van zich af.][Jongens, een Randensch spook]—> [Jongens, een Rhandensch spook][Het Randensch dialect]—> [Het Rhandensch dialect][altijd maar woensdagmiddag]—> [altijd maar Woensdagmiddag][niet meer de weerdes in]—> [niet meer de Weerdes in][het andre hout,]—> [het andere hout,][Toe sloeg Cor]—> [Toen sloeg Cor][uit de loopgrijze lucht]—> [uit de loodgrijze lucht]Verder zijn er zijn enkele interpunctie fouten gecorrigeerd maar worden hier niet verder genoemd.