HOOFDSTUK II.Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat dezejonge man met eene akelige kwaal behebt is—metde zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuinzal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichtensmeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.Ben Jonson’sBartholomaeus-nacht.Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoontesteeds het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, dat ikniet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der agio van het Fransche goud op den wisselkoers.»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd heb,” zeide mijn vader, die toch onze revolutie1had beleefd; »en de jongen weet er zooveel van als een kruier.”»De jonge heer Frans,” merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van een wissel binnen tien dagen”…»De jonge heer Frans,” viel mijn vader hem in de rede, »zal alles weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?”»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren een buitengewoon knap mensch!” antwoordde Owen, wiens hart de jonge Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd had.»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten, dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren.”»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer Osbaldistone?” vroeg Owen met bevende stem.»Ja, en wel terstond, zeg ik!” hernam mijn vader. »Het is al genoeg dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen Franschman er bij, die daarvan profiteert.”Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in bekwaamheden, die ik niet bezat.»Beste vader,” dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij moeten trekken. Maar Clement Dubourg …”»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige maatregelen weten te nemen,” viel mijn vader mij in de rede. »In elk geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen; dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.—Maar den ouden Dubourg,” vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergevendat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid heeft, zoo als het een Engelschen koopman past.”»De jonge heer Frans,” zeide de boekhouder, even deftig het hoofd neigend, terwijl hij derechterhand een weinig ophief—die laatste beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit.”Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen, om het verzuimde weder in te halen.”Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.»En laat ons dan,” ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan.”Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.—»Het spijt mij,” antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag.”Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem, terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de uwe niet.”»Wezenlijk?”»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn.”»Is het waar?”»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit.”»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg’s gast en kweekeling.”»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te maken.”»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?”»Ja vader.”»Welnu, haal het eens hier.”Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag—lang folio in ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,—uit mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen mompelde.—Brandewijn—op fust.TeNancy.29. Cognac en Rochelle 27. Bordeaux 52.—»Bravo, Frans, zeer juist!”—»Impost en tolgelden, zieSaxby’sTabellen.”—»Niet goed, wat bij Saxby staat, had hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen.”—Uitvoer en invoer—lijnwaad—stokvisch—middelvisch—klipvisch.—»Hierbij had ge moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten alsstokvischingevoerd worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?”Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,” antwoordde ik dadelijk.»En een klipvisch?—Vier en twintig—»Zeer juist,” hernam mijn vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat staat hier?—»Bordeaux gesticht in het jaar.—Chateau Trompette—Paleis van Gallienus.”—Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo’n soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, orders, betalingen,wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen, kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden.”»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,” hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is.”Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij totkoopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:»»De zwarte Prins!” Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt nog grooter domkop dan ik dacht!”Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot welke mijn vader behoorde, had—ten minste zij zeide dit—even als de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want overstelpend was Owen’s verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene in het net geschreven rekening ontdekt ware—het zou hem niet zoo getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie, die den dichter diep moest vernederen.Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,Die Fontarabie’s weerklank wijd doet hooren,Die ’t sneuvelen des krijgsmans meldt?Die aan den grooten Karel droef verkonde:Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwonddeOp Spaanschen grond den eed’len Franschen held?»Fontarabie’sweerklank,” mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd schudde: »Fontarabie’s jaarmarkthad je moeten schrijven!Verkondemet één d opverwonddemet twee d’s te laten rijmen, is ook niet fraai.—En ofmeldtopheldgoed rijmt is evenzoo de vraag … En danPaynims? Wat isPaynims? Kondet gij niet gezegd hebbenHeidenen? Schrijf ten minste in ’t Engelsch, als gij onzin schrijven moet!”’t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,Voortijlend angsten zaait en schrik:Brittannie’s zwaard dat Frankrijk’s trots deed bukken.Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukkenDe held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.»Precies! »Vleugelen des winds”, dat is prachtig!”»»Heft op—mijn stervend hoofd,”—zoo spreekt, naar adem hijgend,De eedle prins, met moeite zich nog nijgendTot ’t riddertal in breeden kring geschaard.»Richt mij nog even op—dat ik den glans der zonne—Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,Nog even zie,—voor ’k scheide van deze aard!”»Maar dat is glad mis, dat gijGaronneopzonnelaat rijmen. Weet ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans; je verstaat je ellendig ambacht niet eens!”»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zinVan avonddauw omgeven.….Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittrenAls Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,In ’t land der Britten en der Franschen,Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.Als sterren talloos aan de hemelstrekenHeldhaftig schittrend in haar glanzen.”»»Heldhaftig schitterende sterren!” dat is wat nieuws! Waarachtig, Frans! de nachtwacht doet het mooier!”En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter domkop dan ik dacht!”Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht, alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem zou niet verraden wat in mij omging.»Vader! ik zie maar al te goed,” begon ik, »hoe weinig ik in staat ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere hulp zijn.”—Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.»Owen?” viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, razend!Maar—welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied verwacht.—Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk uwe wijze plannen?”»Met uw goedvinden,” zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!”»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton, om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen.”»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren.”»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild.”»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen.”»Den duivel zoudt gij kiezen!” riep mijn vader driftig uit. Maar zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?”Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.—»Hoor eens, Frans,” begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen.”»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden handelen,” zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb, is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!”»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!” riep Owen, en de tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op decreditzijde plaatst, dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen.”»Meent gij dan,” vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wilzijn—of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, ik dacht, dat gij mij beter kendet!”Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang van mijn misslag.—Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een jong mensch!—Om ’s Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans, gij kunt u rollen in het goud! Is er,” vervolgde hij zachtkens, »misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor, dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen, wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch; herinner u, wat er geschreven staat:eert uwen vader, opdat het u wel ga, en uwe dagen verlengd worden.”»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht,” zeide ik, »maar mijn vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt van een mijner neven—welnu, hij moge met zijne schatten doen, wat hem goed dunkt—ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud te verkoopen.”»Wat zegt ge? Wat goud?—Ge moest de balans van het laatste kwartaal eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers uitgedrukt—vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone, of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham; want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!”»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken.”»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw neef—ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis—dat is heel iets anders!”»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,” hernam ik.Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader weder binnentrad.—»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!” zeide hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans, heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over deze gewichtige zaak. Denk er over na.”Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden; bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen, dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn, zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten voor eenige weken. Dit laatste—zoo dacht ik verder—zou mij zelfs aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog onvoltooide vertaling van Ariosto’sRazende Roelandte voltooien, welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer’s versmaat, waarin hij zijneTooverkoninginbezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!” trad Owen in het vertrek. In zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.»Mijnheer Frans,” aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, wat ikdoe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar—de jonge Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee dagen weder terug.”»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?”»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is.”»Gelooft gij dat waarlijk?” vroeg ik, min of meer onthutst.»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach, mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk een man en een koopman!”Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te vervullen. Maar trots—die bron van zoo veel goed en kwaad in ons leven,—mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid was voorbij.In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?”—En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?”Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn.”Ik wilde spreken.—»Wees zoo goed en zwijg!” hernam mijn vader.—»Ik verzoek u naar Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen—ik meen, dat hij er zes heeft—heb ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed.”En hiermede verliet mijn vader de kamer.»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?” vroeg ik den deelnemenden vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans—dat is de historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening.”Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon—zooals het scheen—den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.1Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.↑
HOOFDSTUK II.Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat dezejonge man met eene akelige kwaal behebt is—metde zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuinzal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichtensmeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.Ben Jonson’sBartholomaeus-nacht.Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoontesteeds het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, dat ikniet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der agio van het Fransche goud op den wisselkoers.»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd heb,” zeide mijn vader, die toch onze revolutie1had beleefd; »en de jongen weet er zooveel van als een kruier.”»De jonge heer Frans,” merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van een wissel binnen tien dagen”…»De jonge heer Frans,” viel mijn vader hem in de rede, »zal alles weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?”»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren een buitengewoon knap mensch!” antwoordde Owen, wiens hart de jonge Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd had.»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten, dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren.”»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer Osbaldistone?” vroeg Owen met bevende stem.»Ja, en wel terstond, zeg ik!” hernam mijn vader. »Het is al genoeg dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen Franschman er bij, die daarvan profiteert.”Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in bekwaamheden, die ik niet bezat.»Beste vader,” dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij moeten trekken. Maar Clement Dubourg …”»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige maatregelen weten te nemen,” viel mijn vader mij in de rede. »In elk geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen; dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.—Maar den ouden Dubourg,” vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergevendat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid heeft, zoo als het een Engelschen koopman past.”»De jonge heer Frans,” zeide de boekhouder, even deftig het hoofd neigend, terwijl hij derechterhand een weinig ophief—die laatste beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit.”Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen, om het verzuimde weder in te halen.”Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.»En laat ons dan,” ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan.”Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.—»Het spijt mij,” antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag.”Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem, terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de uwe niet.”»Wezenlijk?”»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn.”»Is het waar?”»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit.”»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg’s gast en kweekeling.”»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te maken.”»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?”»Ja vader.”»Welnu, haal het eens hier.”Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag—lang folio in ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,—uit mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen mompelde.—Brandewijn—op fust.TeNancy.29. Cognac en Rochelle 27. Bordeaux 52.—»Bravo, Frans, zeer juist!”—»Impost en tolgelden, zieSaxby’sTabellen.”—»Niet goed, wat bij Saxby staat, had hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen.”—Uitvoer en invoer—lijnwaad—stokvisch—middelvisch—klipvisch.—»Hierbij had ge moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten alsstokvischingevoerd worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?”Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,” antwoordde ik dadelijk.»En een klipvisch?—Vier en twintig—»Zeer juist,” hernam mijn vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat staat hier?—»Bordeaux gesticht in het jaar.—Chateau Trompette—Paleis van Gallienus.”—Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo’n soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, orders, betalingen,wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen, kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden.”»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,” hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is.”Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij totkoopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:»»De zwarte Prins!” Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt nog grooter domkop dan ik dacht!”Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot welke mijn vader behoorde, had—ten minste zij zeide dit—even als de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want overstelpend was Owen’s verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene in het net geschreven rekening ontdekt ware—het zou hem niet zoo getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie, die den dichter diep moest vernederen.Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,Die Fontarabie’s weerklank wijd doet hooren,Die ’t sneuvelen des krijgsmans meldt?Die aan den grooten Karel droef verkonde:Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwonddeOp Spaanschen grond den eed’len Franschen held?»Fontarabie’sweerklank,” mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd schudde: »Fontarabie’s jaarmarkthad je moeten schrijven!Verkondemet één d opverwonddemet twee d’s te laten rijmen, is ook niet fraai.—En ofmeldtopheldgoed rijmt is evenzoo de vraag … En danPaynims? Wat isPaynims? Kondet gij niet gezegd hebbenHeidenen? Schrijf ten minste in ’t Engelsch, als gij onzin schrijven moet!”’t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,Voortijlend angsten zaait en schrik:Brittannie’s zwaard dat Frankrijk’s trots deed bukken.Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukkenDe held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.»Precies! »Vleugelen des winds”, dat is prachtig!”»»Heft op—mijn stervend hoofd,”—zoo spreekt, naar adem hijgend,De eedle prins, met moeite zich nog nijgendTot ’t riddertal in breeden kring geschaard.»Richt mij nog even op—dat ik den glans der zonne—Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,Nog even zie,—voor ’k scheide van deze aard!”»Maar dat is glad mis, dat gijGaronneopzonnelaat rijmen. Weet ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans; je verstaat je ellendig ambacht niet eens!”»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zinVan avonddauw omgeven.….Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittrenAls Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,In ’t land der Britten en der Franschen,Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.Als sterren talloos aan de hemelstrekenHeldhaftig schittrend in haar glanzen.”»»Heldhaftig schitterende sterren!” dat is wat nieuws! Waarachtig, Frans! de nachtwacht doet het mooier!”En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter domkop dan ik dacht!”Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht, alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem zou niet verraden wat in mij omging.»Vader! ik zie maar al te goed,” begon ik, »hoe weinig ik in staat ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere hulp zijn.”—Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.»Owen?” viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, razend!Maar—welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied verwacht.—Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk uwe wijze plannen?”»Met uw goedvinden,” zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!”»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton, om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen.”»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren.”»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild.”»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen.”»Den duivel zoudt gij kiezen!” riep mijn vader driftig uit. Maar zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?”Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.—»Hoor eens, Frans,” begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen.”»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden handelen,” zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb, is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!”»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!” riep Owen, en de tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op decreditzijde plaatst, dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen.”»Meent gij dan,” vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wilzijn—of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, ik dacht, dat gij mij beter kendet!”Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang van mijn misslag.—Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een jong mensch!—Om ’s Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans, gij kunt u rollen in het goud! Is er,” vervolgde hij zachtkens, »misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor, dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen, wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch; herinner u, wat er geschreven staat:eert uwen vader, opdat het u wel ga, en uwe dagen verlengd worden.”»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht,” zeide ik, »maar mijn vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt van een mijner neven—welnu, hij moge met zijne schatten doen, wat hem goed dunkt—ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud te verkoopen.”»Wat zegt ge? Wat goud?—Ge moest de balans van het laatste kwartaal eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers uitgedrukt—vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone, of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham; want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!”»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken.”»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw neef—ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis—dat is heel iets anders!”»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,” hernam ik.Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader weder binnentrad.—»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!” zeide hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans, heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over deze gewichtige zaak. Denk er over na.”Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden; bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen, dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn, zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten voor eenige weken. Dit laatste—zoo dacht ik verder—zou mij zelfs aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog onvoltooide vertaling van Ariosto’sRazende Roelandte voltooien, welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer’s versmaat, waarin hij zijneTooverkoninginbezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!” trad Owen in het vertrek. In zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.»Mijnheer Frans,” aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, wat ikdoe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar—de jonge Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee dagen weder terug.”»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?”»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is.”»Gelooft gij dat waarlijk?” vroeg ik, min of meer onthutst.»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach, mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk een man en een koopman!”Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te vervullen. Maar trots—die bron van zoo veel goed en kwaad in ons leven,—mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid was voorbij.In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?”—En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?”Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn.”Ik wilde spreken.—»Wees zoo goed en zwijg!” hernam mijn vader.—»Ik verzoek u naar Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen—ik meen, dat hij er zes heeft—heb ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed.”En hiermede verliet mijn vader de kamer.»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?” vroeg ik den deelnemenden vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans—dat is de historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening.”Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon—zooals het scheen—den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.1Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.↑
HOOFDSTUK II.Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat dezejonge man met eene akelige kwaal behebt is—metde zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuinzal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichtensmeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.Ben Jonson’sBartholomaeus-nacht.
Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat dezejonge man met eene akelige kwaal behebt is—metde zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuinzal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichtensmeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.Ben Jonson’sBartholomaeus-nacht.
Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat dezejonge man met eene akelige kwaal behebt is—metde zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuinzal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichtensmeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
Waarlijk, de vrees komt in mij op, dat deze
jonge man met eene akelige kwaal behebt is—met
de zucht tot verzen maken. Als dat zoo is,
dan geve men vrij alle hoop op, dat hij ooit fortuin
zal maken door eenig aanzienlijk staatsambt.
Het is gedaan. Wie eenmaal aan het gedichten
smeden is geraakt, zal nooit een staatsman worden.
Ben Jonson’sBartholomaeus-nacht.
Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoontesteeds het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, dat ikniet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der agio van het Fransche goud op den wisselkoers.»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd heb,” zeide mijn vader, die toch onze revolutie1had beleefd; »en de jongen weet er zooveel van als een kruier.”»De jonge heer Frans,” merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van een wissel binnen tien dagen”…»De jonge heer Frans,” viel mijn vader hem in de rede, »zal alles weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?”»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren een buitengewoon knap mensch!” antwoordde Owen, wiens hart de jonge Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd had.»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten, dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren.”»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer Osbaldistone?” vroeg Owen met bevende stem.»Ja, en wel terstond, zeg ik!” hernam mijn vader. »Het is al genoeg dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen Franschman er bij, die daarvan profiteert.”Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in bekwaamheden, die ik niet bezat.»Beste vader,” dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij moeten trekken. Maar Clement Dubourg …”»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige maatregelen weten te nemen,” viel mijn vader mij in de rede. »In elk geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen; dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.—Maar den ouden Dubourg,” vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergevendat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid heeft, zoo als het een Engelschen koopman past.”»De jonge heer Frans,” zeide de boekhouder, even deftig het hoofd neigend, terwijl hij derechterhand een weinig ophief—die laatste beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit.”Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen, om het verzuimde weder in te halen.”Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.»En laat ons dan,” ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan.”Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.—»Het spijt mij,” antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag.”Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem, terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de uwe niet.”»Wezenlijk?”»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn.”»Is het waar?”»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit.”»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg’s gast en kweekeling.”»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te maken.”»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?”»Ja vader.”»Welnu, haal het eens hier.”Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag—lang folio in ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,—uit mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen mompelde.—Brandewijn—op fust.TeNancy.29. Cognac en Rochelle 27. Bordeaux 52.—»Bravo, Frans, zeer juist!”—»Impost en tolgelden, zieSaxby’sTabellen.”—»Niet goed, wat bij Saxby staat, had hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen.”—Uitvoer en invoer—lijnwaad—stokvisch—middelvisch—klipvisch.—»Hierbij had ge moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten alsstokvischingevoerd worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?”Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,” antwoordde ik dadelijk.»En een klipvisch?—Vier en twintig—»Zeer juist,” hernam mijn vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat staat hier?—»Bordeaux gesticht in het jaar.—Chateau Trompette—Paleis van Gallienus.”—Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo’n soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, orders, betalingen,wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen, kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden.”»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,” hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is.”Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij totkoopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:»»De zwarte Prins!” Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt nog grooter domkop dan ik dacht!”Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot welke mijn vader behoorde, had—ten minste zij zeide dit—even als de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want overstelpend was Owen’s verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene in het net geschreven rekening ontdekt ware—het zou hem niet zoo getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie, die den dichter diep moest vernederen.Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,Die Fontarabie’s weerklank wijd doet hooren,Die ’t sneuvelen des krijgsmans meldt?Die aan den grooten Karel droef verkonde:Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwonddeOp Spaanschen grond den eed’len Franschen held?»Fontarabie’sweerklank,” mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd schudde: »Fontarabie’s jaarmarkthad je moeten schrijven!Verkondemet één d opverwonddemet twee d’s te laten rijmen, is ook niet fraai.—En ofmeldtopheldgoed rijmt is evenzoo de vraag … En danPaynims? Wat isPaynims? Kondet gij niet gezegd hebbenHeidenen? Schrijf ten minste in ’t Engelsch, als gij onzin schrijven moet!”’t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,Voortijlend angsten zaait en schrik:Brittannie’s zwaard dat Frankrijk’s trots deed bukken.Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukkenDe held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.»Precies! »Vleugelen des winds”, dat is prachtig!”»»Heft op—mijn stervend hoofd,”—zoo spreekt, naar adem hijgend,De eedle prins, met moeite zich nog nijgendTot ’t riddertal in breeden kring geschaard.»Richt mij nog even op—dat ik den glans der zonne—Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,Nog even zie,—voor ’k scheide van deze aard!”»Maar dat is glad mis, dat gijGaronneopzonnelaat rijmen. Weet ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans; je verstaat je ellendig ambacht niet eens!”»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zinVan avonddauw omgeven.….Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittrenAls Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,In ’t land der Britten en der Franschen,Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.Als sterren talloos aan de hemelstrekenHeldhaftig schittrend in haar glanzen.”»»Heldhaftig schitterende sterren!” dat is wat nieuws! Waarachtig, Frans! de nachtwacht doet het mooier!”En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter domkop dan ik dacht!”Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht, alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem zou niet verraden wat in mij omging.»Vader! ik zie maar al te goed,” begon ik, »hoe weinig ik in staat ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere hulp zijn.”—Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.»Owen?” viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, razend!Maar—welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied verwacht.—Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk uwe wijze plannen?”»Met uw goedvinden,” zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!”»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton, om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen.”»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren.”»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild.”»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen.”»Den duivel zoudt gij kiezen!” riep mijn vader driftig uit. Maar zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?”Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.—»Hoor eens, Frans,” begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen.”»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden handelen,” zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb, is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!”»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!” riep Owen, en de tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op decreditzijde plaatst, dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen.”»Meent gij dan,” vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wilzijn—of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, ik dacht, dat gij mij beter kendet!”Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang van mijn misslag.—Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een jong mensch!—Om ’s Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans, gij kunt u rollen in het goud! Is er,” vervolgde hij zachtkens, »misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor, dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen, wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch; herinner u, wat er geschreven staat:eert uwen vader, opdat het u wel ga, en uwe dagen verlengd worden.”»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht,” zeide ik, »maar mijn vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt van een mijner neven—welnu, hij moge met zijne schatten doen, wat hem goed dunkt—ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud te verkoopen.”»Wat zegt ge? Wat goud?—Ge moest de balans van het laatste kwartaal eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers uitgedrukt—vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone, of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham; want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!”»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken.”»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw neef—ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis—dat is heel iets anders!”»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,” hernam ik.Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader weder binnentrad.—»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!” zeide hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans, heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over deze gewichtige zaak. Denk er over na.”Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden; bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen, dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn, zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten voor eenige weken. Dit laatste—zoo dacht ik verder—zou mij zelfs aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog onvoltooide vertaling van Ariosto’sRazende Roelandte voltooien, welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer’s versmaat, waarin hij zijneTooverkoninginbezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!” trad Owen in het vertrek. In zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.»Mijnheer Frans,” aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, wat ikdoe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar—de jonge Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee dagen weder terug.”»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?”»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is.”»Gelooft gij dat waarlijk?” vroeg ik, min of meer onthutst.»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach, mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk een man en een koopman!”Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te vervullen. Maar trots—die bron van zoo veel goed en kwaad in ons leven,—mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid was voorbij.In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?”—En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?”Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn.”Ik wilde spreken.—»Wees zoo goed en zwijg!” hernam mijn vader.—»Ik verzoek u naar Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen—ik meen, dat hij er zes heeft—heb ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed.”En hiermede verliet mijn vader de kamer.»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?” vroeg ik den deelnemenden vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans—dat is de historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening.”Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon—zooals het scheen—den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.
Mijn vader bezat krachtige zelfbeheersching. Hij gaf zijn misnoegen iemand zelden in woorden te kennen, maar slechts door een zekeren drogen, knorrigen toon. Nooit uitte hij bedreigingen. Nooit ontsnapte hem zelfs een enkele uitdrukking, die zijne gevoeligheid verried. Alles ging bij hem volgens den regel. En het was zijne vaste gewoontesteeds het noodige te doen, zonder veel woorden te verspillen. Met een bitter glimlachje hoorde hij mijne afgebroken antwoorden over den toestand van den Franschen handel aan. Met kalme onbarmhartigheid liet hij mij steeds dieper en dieper in de geheimen van agio, tarief, tarra en disconto verdwalen. Doch, naar ik mij herinner, ontdekte ik op zijn gelaat eerst toen duidelijk sporen van misnoegen, toen hij zag, dat ikniet in staat was, den invloed te verklaren van de daling der agio van het Fransche goud op den wisselkoers.
»Maar dat is nu de merkwaardigste gebeurtenis, die ik ooit beleefd heb,” zeide mijn vader, die toch onze revolutie1had beleefd; »en de jongen weet er zooveel van als een kruier.”
»De jonge heer Frans,” merkte Owen schroomvallig en op verzoenenden toon aan, »kan toch niet vergeten hebben, dat, volgens een bevel van den koning der Franschen, van den eersten Mei 1700, de houder van een wissel binnen tien dagen”…
»De jonge heer Frans,” viel mijn vader hem in de rede, »zal alles weten, als gij zoo goed zijt zijn souffleur te wezen. Hoe is het mogelijk, dat Dubourg dit dulden kon! Zeg eens, Owen, welk soort van jongen is die Clement Dubourg, zijn neef, die zwartkop op ons kantoor?”
»Een der bekwaamste kantoorbedienden van ons huis; voor zijne jaren een buitengewoon knap mensch!” antwoordde Owen, wiens hart de jonge Franschman door zijne opgeruimdheid en welwillendheid geheel veroverd had.
»Ja, ja, die zal denkelijk den wisselkoers beter kennen! Dubourg wilde, dat ik ten minste één jongen zou hebben, die zich op de zaken verstaat. Maar ik doorgrond zijn doel, en hij zal ook weten, dat ik niet blind ben. Owen, laat aan Clement, aan het einde van het kwartaal, zijn salaris uitbetalen. Dan kan hij met het schip van zijn oom, dat juist in lading ligt, naar Bordeaux terugkeeren.”
»Hoe! Gij wilt Clement Dubourg uit uw dienst ontslaan, mijnheer Osbaldistone?” vroeg Owen met bevende stem.
»Ja, en wel terstond, zeg ik!” hernam mijn vader. »Het is al genoeg dat wij op ons kantoor een onbekwaam Engelschman hebben, die van wissels noch wisselkoers iets weet; wij behoeven niet nog een sluwen Franschman er bij, die daarvan profiteert.”
Nu had ik in het land van Lodewijk XIV den innigen afkeer van alle willekeur, mij van mijne jeugd reeds eigen, nog in mij versterkt. Ik voelde mij dus gedwongen, een woordje mede te spreken. Ik mocht een verdienstelijk jongeling niet laten straffen, omdat hij uitmuntte in bekwaamheden, die ik niet bezat.
»Beste vader,” dus begon ik; »als ik dat, wat ik had moeten weten, niet geleerd heb, dan moet ik alleen daarvoor lijden. Ik kan den heer Dubourg volstrekt niet beschuldigen, dat hij mij de gelegenheid om mij te bekwamen, niet gegeven heeft. Ik had beter daarvan partij moeten trekken. Maar Clement Dubourg …”
»Hoor eens, wat hem en wat u betreft, zal ik zelf de noodige maatregelen weten te nemen,” viel mijn vader mij in de rede. »In elk geval, is het flink van u, Frans, dat gij zelf de schuld wilt dragen; dat bevalt mij, jongen, dat moet ik bekennen.—Maar den ouden Dubourg,” vervolgde mijn vader, zich tot Owen keerende, »kan ik het niet vergevendat hij mijn zoon alleen maar de gelegenheid tot oefening heeft gegeven. Hij had ook moeten zorgen, dat er gebruik van werd gemaakt, en mij, wanneer dat niet geschiedde, bericht moeten zenden. Maar ge ziet, Owen, dat Frans aangeboren begrippen van recht en billijkheid heeft, zoo als het een Engelschen koopman past.”
»De jonge heer Frans,” zeide de boekhouder, even deftig het hoofd neigend, terwijl hij derechterhand een weinig ophief—die laatste beweging onwillekeurig ontstaan, uit de gewoonte, om, eer hij iets zeide, de pen achter zijn oor te steken: »de jonge heer Frans schijnt het beginsel der zedelijke rekenkunst, den grooten moreelen regel van drieën te verstaan: A verhoude zich tot B, zoo als hij wil, dat B zich tot hem verhoude. Dan komt de som altijd uit.”
Een oogenblik glimlachend om deze rekenkunstige opmerking, vervolgde mijn vader: »Maar dat alles geeft niets, Frans. Gij hebt uw tijd jongensachtig verbeuzeld. Ge moet voortaan leeren werken als een man. Ik zal u een paar maanden lang onder Owens opzicht stellen, om het verzuimde weder in te halen.”
Ik wilde antwoorden, maar Owen keek mij zoo smeekend en tevens waarschuwend aan, dat ik onwillekeurig zweeg.
»En laat ons dan,” ging mijn vader voort, »den inhoud van mijn brief van den eersten der vorige maand, waarop gij mij zulk een onoverlegd en onvoldoend antwoord gezonden hebt, nog eens bedaard nagaan. Maar schenk u eerst eens in, en geef Owen de flesch aan.”
Aan moed, aan vermetelheid, zoo men wil, ontbrak het mij nooit.—
»Het spijt mij,” antwoordde ik, »dat mijn brief u onvoldoende voorkomt. Maar onoverlegd was hij waarlijk niet, want ik heb het voorstel van mijn vader rijpelijk overwogen, en het deed mij innig leed, dat ik mij tot afwijzing genoopt zag.”
Eene korte poos keek mijn vader mij zeer scherp aan, maar wendde toen de oogen plotseling van mij af. Daar hij niets antwoordde, meende ik te moeten voortgaan. Ik deed het echter met eenigszins onvaste stem, terwijl hij er nu en dan een woord tusschen bromde.
»Waarlijk vader, geloof mij, er is geen stand waarvoor ik zooveel hoogachting koester, als voor den koopmans-stand, ook al ware hij de uwe niet.”
»Wezenlijk?”
»Hij verbindt volken met volken, voorziet in de behoeften der menschheid, bevordert de algemeene welvaart: ja, hij is voor de gansche beschaafde wereld datgene, wat het gewone verkeer voor het huiselijke leven, of liever, wat lucht en voedsel voor ons lichaam zijn.”
»Is het waar?”
»En toch vader, moet ik blijven weigeren een stand te kiezen, waarvoor ik zoo weinig geschiktheid en aanleg bezit.”
»Wees maar niet bang, ik zal wel zorgen, dat gij de noodige geschiktheid krijgt. Gij zijt van nu af niet meer Dubourg’s gast en kweekeling.”
»Maar, waarde vader, ik spreek immers niet van gebrek aan onderricht, maar van mijne onbekwaamheid, om mij dat onderricht ten nutte te maken.”
»Gekheid! Hebt gij een dagboek gehouden, zooals ik u bevolen heb?”
»Ja vader.”
»Welnu, haal het eens hier.”
Bedoeld boek was een soort van aanteekenboek, waarin, volgens mijns vaders raad, alles moest opgeteekend worden, wat mij in den handel opmerkenswaardig scheen. Daar ik wel voorzien had, dat hij inzage van dit, voor hem zoo gewichtige boek zou verlangen, was ik er op bedacht geweest, om er vooral zulke dingen in op te teekenen, welke ik veronderstelde dat hem het meest zouden bevallen. Doch al te vaak had de pen geschreven, zonder dat het hoofd er deel aan had. Ook stond er in het boek, dat mij gewoonlijk voor de hand lag, allerlei wat met den handel in volstrekt geen verband stond. Nochtans, ik bood het mijn vader aan, in de stille hoop, dat hij niet ongelukkig juist eene bladzijde zou opslaan, die zijn misnoegen tegen mij nog verhoogen zou. Owens gelaat, dat bij mijns vaders vraag min of meer betrokken was, begon na mijn bereidwillig antwoord werkelijk weder op te helderen. Hij glimlachte vriendelijk, toen ik met een boek dat er vrij kantoorachtig uitzag—lang folio in ruw perkament gebonden met blinkende koperen klampen voorzien,—uit mijne kamer terugkwam. Dit had ten minste het voorkomen van gezette handels-studie. Mijn deelnemende vriend schepte weer moed. Hoe genoeglijk meesmuilde hij, toen mijn vader het boek doorbladerende, eenige aanteekeningen las en zijne korte aanmerkingen er tusschen mompelde.—Brandewijn—op fust.TeNancy.29. Cognac en Rochelle 27. Bordeaux 52.—»Bravo, Frans, zeer juist!”—»Impost en tolgelden, zieSaxby’sTabellen.”—»Niet goed, wat bij Saxby staat, had hier moeten staan, dan blijft het in het geheugen.”—Uitvoer en invoer—lijnwaad—stokvisch—middelvisch—klipvisch.—»Hierbij had ge moeten aanteekenen, dat al die vischsoorten alsstokvischingevoerd worden. Hoe veel duim lang is een gewone stokvisch?”
Owen, die mij in verlegenheid zag, waagde het, mij het antwoord toe te fluisteren; gelukkig verstond ik hem: »Achttien duim, vader,” antwoordde ik dadelijk.
»En een klipvisch?—Vier en twintig—»Zeer juist,” hernam mijn vader. »Dat is van groot belang voor den handel op Portugal. Maar wat staat hier?—»Bordeaux gesticht in het jaar.—Chateau Trompette—Paleis van Gallienus.”—Goed, ook al goed! gij ziet, Owen, hij heeft er zoo’n soort van kladboek van gemaakt, waarin elk dagelijksch voorval, inkoop, orders, betalingen,wisselacceptatiën, ontvangsten, endossementen, kommissiën en dergelijke dingen door elkander opgeteekend worden.”
»En welke men later geregeld in het journaal of grootboek overdraagt,” hernam Owen. »Het verheugt mij, dat mijnheer Frans zoo ordelijk is.”
Ik bespeurde zelf, dat ik in mijns vaders gunst begon te stijgen, en vreesde dat hij nu nog sterker er op zou aandringen, dat ik mij totkoopman vormen zou. Tot het tegendeel besloten, wenschte ik reeds niet zoo ordelijk geweest te zijn, als mijn vriend Owen mij geliefde te noemen. Maar de wensch was niet noodig. Eensklaps viel er een blad papier uit het boek. Owen gaf mij dadelijk den wenk, dat men losse bladen in kantoorboeken steeds met een weinigje stijfsel moest vast hechten. Maar mijn vader had het papier opgenomen en riep nu:»»De zwarte Prins!” Wat is dat? Verzen! Wat drommel jongen, gij zijt nog grooter domkop dan ik dacht!”
Als een echt koopman zag mijn vader met zekere minachting op gedichten neder. Ja met zijne strenge geloofsbegrippen als Presbyteriaan, hield hij zulke bezigheden voor nietswaardig en goddeloos. Veroordeel hem hierom niet, mijn vriend. Bedenk, welk een leven vele dichters op het einde der zeventiende eeuw geleid hebben. De sekte, tot welke mijn vader behoorde, had—ten minste zij zeide dit—even als de Puriteinen een afkeer van letterkunde. Eene hoogst onaangename verrassing werd dus door de ontijdige ontdekking van die noodlottige verzen veroorzaakt. Als de krulpruik, die de goede Owen destijds droeg, zich plotseling had kunnen vervormen en de haren te berge doen rijzen, dan ware de arbeid des kappers in een oogwenk verwoest, want overstelpend was Owen’s verbazing over deze vreeselijke ontdekking. Als de kantoorkas geroofd ware, als eene fout in het optrekken van eene in het net geschreven rekening ontdekt ware—het zou hem niet zoo getroffen hebben. Mijn vader las enkele regels, met afgebroken en stamelende stem, alsof hij niet in staat was den zin te begrijpen, soms ook spotachtig declameerend steeds met eene bijtende ironie, die den dichter diep moest vernederen.
Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,Die Fontarabie’s weerklank wijd doet hooren,Die ’t sneuvelen des krijgsmans meldt?Die aan den grooten Karel droef verkonde:Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwonddeOp Spaanschen grond den eed’len Franschen held?
Hoort gij den doffen klank van dien geduchten horen,
Die Fontarabie’s weerklank wijd doet hooren,
Die ’t sneuvelen des krijgsmans meldt?
Die aan den grooten Karel droef verkonde:
Dat Paynims woest gespuis tot stervens toe verwondde
Op Spaanschen grond den eed’len Franschen held?
»Fontarabie’sweerklank,” mompelde mijn vader, terwijl hij het hoofd schudde: »Fontarabie’s jaarmarkthad je moeten schrijven!Verkondemet één d opverwonddemet twee d’s te laten rijmen, is ook niet fraai.—En ofmeldtopheldgoed rijmt is evenzoo de vraag … En danPaynims? Wat isPaynims? Kondet gij niet gezegd hebbenHeidenen? Schrijf ten minste in ’t Engelsch, als gij onzin schrijven moet!”
’t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,Voortijlend angsten zaait en schrik:Brittannie’s zwaard dat Frankrijk’s trots deed bukken.Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukkenDe held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.
’t Was waar, het droef bericht, dat over zee en landen,
Met vleugelen des winds naar Engelands verre stranden,
Voortijlend angsten zaait en schrik:
Brittannie’s zwaard dat Frankrijk’s trots deed bukken.
Bij Cressy en Poitiers den vijand hieuw in stukken
De held ligt in Bordeaux en geeft den laatsten snik.
»Precies! »Vleugelen des winds”, dat is prachtig!”
»»Heft op—mijn stervend hoofd,”—zoo spreekt, naar adem hijgend,De eedle prins, met moeite zich nog nijgendTot ’t riddertal in breeden kring geschaard.»Richt mij nog even op—dat ik den glans der zonne—Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,Nog even zie,—voor ’k scheide van deze aard!”
»»Heft op—mijn stervend hoofd,”—zoo spreekt, naar adem hijgend,
De eedle prins, met moeite zich nog nijgend
Tot ’t riddertal in breeden kring geschaard.
»Richt mij nog even op—dat ik den glans der zonne
—Zoo lieflijk spieglend in de stroomende Garonne,
Nog even zie,—voor ’k scheide van deze aard!”
»Maar dat is glad mis, dat gijGaronneopzonnelaat rijmen. Weet ge niet hoe men het woord Garonne uitspreekt? Schaam je, Frans; je verstaat je ellendig ambacht niet eens!”
»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zinVan avonddauw omgeven.….Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittrenAls Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,In ’t land der Britten en der Franschen,Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.Als sterren talloos aan de hemelstrekenHeldhaftig schittrend in haar glanzen.”
»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zinVan avonddauw omgeven.….Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittrenAls Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”
»»O ziet!—als ik—ook zij—slaapt zachtkens in.
Omhult—het hoofd zich nog, met zorgenvollen zin
Van avonddauw omgeven.….
Zoo zullen—als drupplendauw—de tranenpaarlen schittren
Als Englands vrouwenrei verneemt het woord, het bittre:
Haar Zwarte Prins liet hier het leven!”
De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,In ’t land der Britten en der Franschen,Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.Als sterren talloos aan de hemelstrekenHeldhaftig schittrend in haar glanzen.”
De zonne zinkt!… De zon ook van mijn roem!
Doch dat men mij steeds onvergeetlijk noem,
In ’t land der Britten en der Franschen,
Dan zal ’t ons Albion aan Helden nooit ontbreken.
Als sterren talloos aan de hemelstreken
Heldhaftig schittrend in haar glanzen.”
»»Heldhaftig schitterende sterren!” dat is wat nieuws! Waarachtig, Frans! de nachtwacht doet het mooier!”
En met die woorden wierp hij het papier verachtelijk weg, en herhaalde het kompliment: »Hoor eens, Frans, ge zijt werkelijk nog grooter domkop dan ik dacht!”
Wat moest ik zeggen, mijn waarde Tresham? Ik stikte bijna van ergernis, terwijl mijn vader mij bedaard, maar somber, minachtend aanzag. De goede Owen, handen en oogen ten hemel slaande, trok een gezicht, alsof hij den naam van zijn patroon onder failliet verklaarden in de krant had gelezen. Eindelijk vermande ik mij om te spreken. Ik bedwong zoo veel mogelijk mijne gewaarwordingen. De toon mijner stem zou niet verraden wat in mij omging.
»Vader! ik zie maar al te goed,” begon ik, »hoe weinig ik in staat ben, om de gewichtige plaats, welke gij mij hebt toegedacht, te vervullen. Gelukkig verlang ik ook niet naar de schatten, die ik mij daardoor zou kunnen verwerven. De heer Owen zal voor u eene betere hulp zijn.”—Ik zeide dit eenigszins spijtig, omdat ik oordeelde, dat Owen mijne zaak te snel losgelaten had.
»Owen?” viel mijn vader mij in de rede. »De jongen is dol, razend!Maar—welaan! gij verwijst mij zoo onverschillig naar Owen. Zie! Ik had van mijn zoon in dit geval meer eerbied verwacht.—Maar goed! zeg mij dan eens, wat zijn dan nu eigenlijk uwe wijze plannen?”
»Met uw goedvinden,” zeide ik, al mijn moed verzamelend, »zou ik een paar jaren willen reizen. Of ook wel, ofschoon het een weinig laat is, een paar jaar te Oxford of te Cambridge studeeren!”
»Maar mijn Hemel, wie heeft ooit zoo iets gehoord! Eindelijk zou het tijd zijn, dat gij reeds fortuin in de wereld begon te maken. En nu wilt gij nog bij pedanten, schoolvossen en Jacobieten in de leer gaan. Waarom niet liever onder de jongens te Westminster of te Eton, om les in het declineeren en conjugeeren te nemen. Als gij dan uwe les niet kent, kunt ge nog met den stok op den rug krijgen.”
»Als gij oordeelt, dat ik reeds te ver in jaren gevorderd ben voor mijn plan, dan wil ik gaarne naar het vaste land terugkeeren.”
»Neen, neen! Gij hebt daar reeds tijd genoeg verspild.”
»Dan zou ik den militairen stand boven elk ander beroep kiezen.”
»Den duivel zoudt gij kiezen!” riep mijn vader driftig uit. Maar zich snel beheerschend, zeide hij: »gij maakt mij bijna even gek, als gij zelf zijt. Zeg, Owen, is het niet, om dol te worden?”
Owen schudde het hoofd en keek voor zich neer.—
»Hoor eens, Frans,” begon mijn vader weder; »kort en goed! Ik had uw leeftijd, toen mijn vader mij vriendelijk te kennen gaf, dat ik mijn fortuin moest gaan zoeken. Hij zette mij daarom buiten de deur en gaf mijn wettig erfdeel aan mijn jongeren broeder. Op een ouden afgeleefden jachtknol en met tien pond op zak, verliet ik het kasteel Osbaldistone. Na dien tijd heb ik geen voet meer over den drempel van het vaderlijke huis gezet. Ik zal dien ook nooit weder betreden. Of mijn broeder, de vossenjager, nog leeft, of dat hij den hals reeds heeft gebroken, weet ik niet. Het raakt mij ook niet. Maar hij heeft kinderen, Frans. En ik zeg u, een van hen wordt mijn zoon, als gij nog langer weigert aan mijn wensch te voldoen.”
»Met uw eigendom kunt en moogt gij zeker naar uw eigen goedvinden handelen,” zeide ik, misschien meer boos dan eerbiedig.
»Welzeker, Frans, wat ik bezit, is mijn wettig eigendom. IJzeren vlijt in het verwerven en zorgvolle inspanning om het verworvene uit te breiden, geeft recht van eigendom. Maar dat zeg ik u. Geen hommel zal zich van mijn honig voeden. Bedenk u wel! Wat ik gezegd heb, is rijp overlegd. En wat ik besloten heb, dat zal geschieden!”
»Maar mijn waarde patroon, hooggeachte patroon!” riep Owen, en de tranen stonden hem in de oogen. »Het is toch uwe gewoonte niet, gewichtige zaken zoo overijld af te doen. Laat mijnheer Frans zelf de balans maken, eer gij de rekening sluit. Hij heeft u lief, en als hij zijne kinderlijke gehoorzaamheid op decreditzijde plaatst, dan zal hij van zijne bezwaren zeker terugkomen.”
»Meent gij dan,” vroeg mijn vader zeer ernstig, »dat ik hem tweemaal moet vragen, of hij mijn vriend, mijn helper, mijn vertrouweling wilzijn—of hij mijne zorgen en mijn vermogen met mij deelen wil? Owen, ik dacht, dat gij mij beter kendet!”
Hij zag mij aan, als of hij er nog iets wilde bijvoegen, maar keerde zich schielijk om en verliet de kamer. Ik beken het gaarne; die laatste woorden mijns vaders, het nieuwe gezichtspunt, dat hij daarmeê aan de zaak gaf, verraste en trof mij diep. Bijna geloof ik, dat, indien hij zijne pogingen om mij over te halen daarmede begonnen had, hij misschien geene reden zou gehad hebben, om over mij ontevreden te zijn.
Maar het was te laat! Ik bezat iets, wellicht veel van mijns vaders halsstarrige vastberadenheid. En de hemel wilde nu eenmaal dat ik in mijne zonde mijne straf zou vinden, hoezeer niet naar den omvang van mijn misslag.—Toen wij alleen waren, vestigde Owen zijne oogen op mij. Een paar keer blonk er een traan in. Hij keek mij aan, alsof hij, vóór dat hij den moeielijken post van bemiddelaar op zich nam, wilde uitvorschen, hoe mijne hardnekkigheid het best te bestrijden was. Eindelijk riep hij weemoedig uit: »Ach God, mijnheer Frans! Lieve hemel! dat ik zulk een dag moest beleven! En van zoo een jong mensch!—Om ’s Hemels wil, zie toch eerst oplettend het debet en credit van uw rekening na. Bedenk wat gij verliest: een aanzienlijk vermogen, een der beste handelshuizen van de City, reeds met roem bekend onder de oude firma van Tresham en Trent, en nu nog beter onder de tegenwoordige van Osbaldistone en Tresham. Beste mijnheer Frans, gij kunt u rollen in het goud! Is er,” vervolgde hij zachtkens, »misschien het een of ander in de bezigheden van ons kantoor, dat u niet bevalt, zeg het mij, ik zal het voor u in orde brengen, wekelijks, dagelijks, juist zooals gij wilt. Ach, bedenk u toch; herinner u, wat er geschreven staat:eert uwen vader, opdat het u wel ga, en uwe dagen verlengd worden.”
»Zeer verplicht, vriend Owen, zeer verplicht,” zeide ik, »maar mijn vader weet immers, hoe hij over zijn geld kan beschikken. Hij spreekt van een mijner neven—welnu, hij moge met zijne schatten doen, wat hem goed dunkt—ik verkies mijne vrijheid niet tegen wat goud te verkoopen.”
»Wat zegt ge? Wat goud?—Ge moest de balans van het laatste kwartaal eens zien! Het aandeel van elken compagnon werd in vijf cijfers uitgedrukt—vijf cijfers, denk eens! En dat alles zou aan een papist ten deel vallen, aan een domoor uit de noordelijke provinciën, aan iemand, die niet voor onzen koning is! O het zal mij den doodsteek geven, lieve mijnheer Frans! Ik heb gearbeid, niet als een mensch, neen als een paard, en dat alles uit liefde tot onze firma. Denk eens, hoe fraai het klinken zou: Osbaldistone, Tresham en Osbaldistone, of misschien wel, wie weet het: Osbaldistone en Zoon en Tresham; want mijnheer uw vader kan al de anderen uitkoopen!”
»Maar, mijn beste Owen; mijn neef heet immers ook Osbaldistone, en dan zal toch de naam van het huis in uwe ooren even fraai klinken.”
»Foei, mijnheer Frans! Zoo gij wist, hoe veel ik van u houd. Uw neef—ja, is zeer zeker een Roomsche, even als zijn vader, en natuurlijk ook tegen het protestantsche koningshuis—dat is heel iets anders!”
»Nu, nu, er zijn onder de Katholieken ook zeer brave lieden,” hernam ik.
Juist wilde Owen met vrij wat warmte hierop antwoorden, toen mijn vader weder binnentrad.—»Gij hebt gelijk, Owen, en ik had ongelijk!” zeide hij. »Wij zullen tijd nemen, om de zaak nader te overwegen. Frans, heden over vier weken moet gij mij uw stellig besluit mededeelen over deze gewichtige zaak. Denk er over na.”
Ik boog zwijgend. Ik was blij met het uitstel. Het deed mij vermoeden, dat mijn vader zijn streng voornemen min of meer verzacht had.
De proeftijd verliep langzaam, zonder eenig opmerkelijk voorval. Ik ging uit en in, beschikte naar welgevallen over mijn tijd. Mijn vader deed mij geene enkele vraag, maakte over niets hoegenaamd eenige aanmerking. Het is waar, ik zag hem slechts zeer zelden; bijna alleen aan tafel, waar hij zeer zorgvuldig vermeed eene snaar aan te roeren, die ook voor mij natuurlijk hoogst onaangenaam zou geklonken hebben. Meestal spraken wij over het nieuws van den dag en andere gewone onderwerpen. Wie ons alsdan zoo vertrouwelijk koutende gehoord had, zou waarlijk niet vermoed hebben, dat wij het omtrent een allergewichtigst punt nog volkomen oneens waren. Toch drukte het mij als de nachtmerrie. Zou hij inderdaad zijn woord houden en mij willen onterven ten voordeele van een neef, van wiens bestaan hij niet eens genoegzaam zeker was? Had ik de zaak ernstiger overwogen, dan zou mij het gedrag van mijn grootvader in eene soortgelijke omstandigheid niet veel goeds voorspeld hebben. Ik beoordeelde mijns vaders karakter verkeerd. De herinnering aan de liefde en de goedheid, die ik voor mijn vertrek naar Frankrijk, van hem en van allen in huis genoten had, maakte mij veel te zorgeloos. Ik bedacht niet, dat menig vader jegens zijne kinderen zoo lang zij jong zijn, zeer toegevend is, omdat hij op hunne genegenheid prijs stelt; maar zich toch overmatig streng betoont, als diezelfde kinderen later aan zijne vaak te hoog gespannen verwachtingen niet voldoen. Ik maakte mij wijs, dat ik eigenlijk niets te vreezen had. In het ergste geval zou eene kortstondige verkoeling in zijne vaderlijke liefde het gevolg der oneenigheid zijn, misschien ook eene verbanning naar buiten voor eenige weken. Dit laatste—zoo dacht ik verder—zou mij zelfs aangenaam wezen. Het zou mij gelegenheid verschaffen, om eene nog onvoltooide vertaling van Ariosto’sRazende Roelandte voltooien, welke ik in Engelsche verzen wilde overbrengen. Ja, ik was met die gedachte zoo geheel en al vervuld, dat ik mijne papieren weder bijeen zocht, en op zekeren dag vlijtig Spencer’s versmaat, waarin hij zijneTooverkoninginbezingt, bestudeerde, toen er zachtkens aan mijne kamerdeur getikt werd. Op mijn: »binnen!” trad Owen in het vertrek. In zijne levenswijs en gewoonten was de goede man zoo stipt, dat hij thans zeer waarschijnlijk voor de eerste maal op de tweede verdieping van ons huis kwam, hoe bekend hij ook op de eerste was. Zelfs nu nog kan ik niet begrijpen, hoe het hem gelukt was mijne kamer te ontdekken.
»Mijnheer Frans,” aldus begon hij, de betuiging van mijne aangename verrassing plotseling afbrekende; »ik durf niet beslissen, of dat, wat ikdoe, wel geoorloofd is; want wat in het kantoor gebeurt, moet daarbinnen blijven. Het spreekwoord zegt: Vertel niet aan den pakhuisknecht hoeveel bladzijden het grootboek heeft. Maar—de jonge Twineal is ruim veertien dagen afwezig geweest, en eerst sedert twee dagen weder terug.”
»Best, mijn waarde Owen! Maar wat gaat ons dat aan?”
»Laat mij uitspreken, mijnheer Frans! Uw vader belastte hem met eene geheime zending. Handelszaken kunnen het niet geweest zijn, want zoo iets zou toch altijd eerst uit mijne boeken blijken. Ik voor mij geloof stellig, dat Twineal in Northumberland geweest is.”
»Gelooft gij dat waarlijk?” vroeg ik, min of meer onthutst.
»Sedert zijne terugkomst spreekt hij van niets anders dan van zijne nieuwe rijlaarzen, zijne groote sporen en van een hanengevecht te York. Dat is toch, dunkt mij, zoo duidelijk, als tweemaal twee. Ach, mijn beste Frans, bezin u toch; gehoorzaam uw vader en word tegelijk een man en een koopman!”
Op dat oogenblik gevoelde ik eene sterke neiging om mij te onderwerpen. Bijna wilde ik den goeden Owen de aangename opdracht geven mijn vader te zeggen, dat ik bereid was om zijn wensch te vervullen. Maar trots—die bron van zoo veel goed en kwaad in ons leven,—mijn trots hield mij terug. Het toestemmende woord wilde mij niet over de lippen, en toen ik mij, aarzelend kuchend, moeite gaf om het er uit te krijgen, hoorden wij mijns vaders stem, die Owen riep. Snel ging de brave man de kamer uit, en de gunstige gelegenheid was voorbij.
In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.
Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?”—En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?”
Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.
»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn.”
Ik wilde spreken.—
»Wees zoo goed en zwijg!” hernam mijn vader.—»Ik verzoek u naar Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen—ik meen, dat hij er zes heeft—heb ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed.”
En hiermede verliet mijn vader de kamer.
»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?” vroeg ik den deelnemenden vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.
»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans—dat is de historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening.”
Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon—zooals het scheen—den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.
1Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.↑
1Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.↑
1Die van 1689, toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd.↑