HOOFDSTUK IV.

HOOFDSTUK IV.„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.Maar waarom zijt gij dan nog boos,Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?Churchill.Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk,des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.—Gewoonlijk was dan het bestellen van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in denKouseband, in denLeeuwof in denBeerdankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,—hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof te vinden was.Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer” teDarlington, in het bisdomBurham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?” vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,” alias straatroovers.»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb,” hernam de waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is.”»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn,” zeide mijn reismakker, zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maarbij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is.”»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen,” viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.»O neen, kastelein!” riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer te verdienen valt.”»Best geantwoord, vriend Campbell!” hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?”»Zoo als gewoonlijk,” antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht.”»Maar verstandige lieden en gekken willen ’s middags ook wel wat eten,” merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga niet vinden zult!”En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,—zooals het den verstandigsten mensch wel eens gaat,—zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude MargarethaRickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,—ik wil het wel gul bekennen—dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit eenOpera. Ik herinner mij nog die woorden:»Ja, de eik en de esch, en het groene klimopIn Northumberland groeien zij zoo weelderig op!”In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone’s, een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de SchotscheDuivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van dien naam, had, even als Achilles de maagdenChryseïsenBriseïs, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, enook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, nochbetwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell’s gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte derlaatstgenoemdescheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen1, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig’s en Tory’s zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in den persoon van koning George den troon had bestegen2. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit den »Zwarten Beer” veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.—»Gij zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke recht optreden!” riep de eene partij.—»Gij zijt immers een Presbyteriaan,”schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!”»Mijne heeren,” zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den ontvangerder belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heerdáár, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vrienddáártoevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben.”Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn »bravo!” ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op weg overvallen hadden.»Hola, vriend Jonathan!” viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen.”»En hebt gij dan,” vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,—»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?”»Nu ja!” antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel ophef van te maken!”»Waarlijk,” hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?”Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.—»Wij kunnen wel niet met elkander reizen,” antwoordde hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft.”Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze van hem poogde te ontslaan.»Ik wil al uwe reiskosten betalen,” zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.»Ik bedank u hartelijk!” hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden.”»Och, ik heb ook volstrekt geen haast,” antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest.Inzulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten.”»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen,” zeide Campbell. »Ik reis,” voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt.”En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend,” zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig.”»Gij vergist u,” antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik.”»Och,” hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen zijn.”»Waarschijnlijk weet die mijnheer,” antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen.”De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.1In September 1715.↑21714.↑

HOOFDSTUK IV.„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.Maar waarom zijt gij dan nog boos,Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?Churchill.Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk,des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.—Gewoonlijk was dan het bestellen van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in denKouseband, in denLeeuwof in denBeerdankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,—hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof te vinden was.Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer” teDarlington, in het bisdomBurham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?” vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,” alias straatroovers.»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb,” hernam de waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is.”»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn,” zeide mijn reismakker, zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maarbij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is.”»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen,” viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.»O neen, kastelein!” riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer te verdienen valt.”»Best geantwoord, vriend Campbell!” hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?”»Zoo als gewoonlijk,” antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht.”»Maar verstandige lieden en gekken willen ’s middags ook wel wat eten,” merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga niet vinden zult!”En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,—zooals het den verstandigsten mensch wel eens gaat,—zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude MargarethaRickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,—ik wil het wel gul bekennen—dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit eenOpera. Ik herinner mij nog die woorden:»Ja, de eik en de esch, en het groene klimopIn Northumberland groeien zij zoo weelderig op!”In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone’s, een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de SchotscheDuivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van dien naam, had, even als Achilles de maagdenChryseïsenBriseïs, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, enook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, nochbetwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell’s gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte derlaatstgenoemdescheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen1, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig’s en Tory’s zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in den persoon van koning George den troon had bestegen2. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit den »Zwarten Beer” veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.—»Gij zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke recht optreden!” riep de eene partij.—»Gij zijt immers een Presbyteriaan,”schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!”»Mijne heeren,” zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den ontvangerder belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heerdáár, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vrienddáártoevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben.”Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn »bravo!” ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op weg overvallen hadden.»Hola, vriend Jonathan!” viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen.”»En hebt gij dan,” vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,—»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?”»Nu ja!” antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel ophef van te maken!”»Waarlijk,” hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?”Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.—»Wij kunnen wel niet met elkander reizen,” antwoordde hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft.”Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze van hem poogde te ontslaan.»Ik wil al uwe reiskosten betalen,” zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.»Ik bedank u hartelijk!” hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden.”»Och, ik heb ook volstrekt geen haast,” antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest.Inzulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten.”»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen,” zeide Campbell. »Ik reis,” voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt.”En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend,” zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig.”»Gij vergist u,” antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik.”»Och,” hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen zijn.”»Waarschijnlijk weet die mijnheer,” antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen.”De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.1In September 1715.↑21714.↑

HOOFDSTUK IV.„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.Maar waarom zijt gij dan nog boos,Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?Churchill.

„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.Maar waarom zijt gij dan nog boos,Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?Churchill.

„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.Maar waarom zijt gij dan nog boos,Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?

„De Schot is een arme zot”, zegt trotsch de Engelschman.

’t Mag zijn.—De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht.

Maar waarom zijt gij dan nog boos,

Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?

Churchill.

Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk,des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.—Gewoonlijk was dan het bestellen van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in denKouseband, in denLeeuwof in denBeerdankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,—hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof te vinden was.Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer” teDarlington, in het bisdomBurham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?” vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,” alias straatroovers.»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb,” hernam de waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is.”»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn,” zeide mijn reismakker, zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maarbij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is.”»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen,” viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.»O neen, kastelein!” riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer te verdienen valt.”»Best geantwoord, vriend Campbell!” hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?”»Zoo als gewoonlijk,” antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht.”»Maar verstandige lieden en gekken willen ’s middags ook wel wat eten,” merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga niet vinden zult!”En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,—zooals het den verstandigsten mensch wel eens gaat,—zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude MargarethaRickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,—ik wil het wel gul bekennen—dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit eenOpera. Ik herinner mij nog die woorden:»Ja, de eik en de esch, en het groene klimopIn Northumberland groeien zij zoo weelderig op!”In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone’s, een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de SchotscheDuivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van dien naam, had, even als Achilles de maagdenChryseïsenBriseïs, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, enook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, nochbetwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell’s gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte derlaatstgenoemdescheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen1, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig’s en Tory’s zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in den persoon van koning George den troon had bestegen2. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit den »Zwarten Beer” veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.—»Gij zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke recht optreden!” riep de eene partij.—»Gij zijt immers een Presbyteriaan,”schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!”»Mijne heeren,” zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den ontvangerder belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heerdáár, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vrienddáártoevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben.”Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn »bravo!” ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op weg overvallen hadden.»Hola, vriend Jonathan!” viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen.”»En hebt gij dan,” vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,—»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?”»Nu ja!” antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel ophef van te maken!”»Waarlijk,” hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?”Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.—»Wij kunnen wel niet met elkander reizen,” antwoordde hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft.”Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze van hem poogde te ontslaan.»Ik wil al uwe reiskosten betalen,” zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.»Ik bedank u hartelijk!” hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden.”»Och, ik heb ook volstrekt geen haast,” antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest.Inzulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten.”»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen,” zeide Campbell. »Ik reis,” voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt.”En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend,” zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig.”»Gij vergist u,” antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik.”»Och,” hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen zijn.”»Waarschijnlijk weet die mijnheer,” antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen.”De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.

Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk,des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.—Gewoonlijk was dan het bestellen van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.

Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in denKouseband, in denLeeuwof in denBeerdankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,—hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof te vinden was.

Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer” teDarlington, in het bisdomBurham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.

»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?” vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg,” alias straatroovers.

»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb,” hernam de waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is.”

»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn,” zeide mijn reismakker, zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maarbij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is.”

»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen,” viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.

»O neen, kastelein!” riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer te verdienen valt.”

»Best geantwoord, vriend Campbell!” hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?”

»Zoo als gewoonlijk,” antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht.”

»Maar verstandige lieden en gekken willen ’s middags ook wel wat eten,” merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga niet vinden zult!”

En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.

Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,—zooals het den verstandigsten mensch wel eens gaat,—zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude MargarethaRickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,—ik wil het wel gul bekennen—dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit eenOpera. Ik herinner mij nog die woorden:

»Ja, de eik en de esch, en het groene klimopIn Northumberland groeien zij zoo weelderig op!”

»Ja, de eik en de esch, en het groene klimop

In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!”

In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone’s, een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de SchotscheDuivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van dien naam, had, even als Achilles de maagdenChryseïsenBriseïs, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.

Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, enook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.

Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, nochbetwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell’s gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte derlaatstgenoemdescheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen1, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.

Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig’s en Tory’s zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in den persoon van koning George den troon had bestegen2. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit den »Zwarten Beer” veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.

Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.—»Gij zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke recht optreden!” riep de eene partij.—»Gij zijt immers een Presbyteriaan,”schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!”

»Mijne heeren,” zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den ontvangerder belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heerdáár, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vrienddáártoevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben.”

Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn »bravo!” ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op weg overvallen hadden.

»Hola, vriend Jonathan!” viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen.”

»En hebt gij dan,” vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,—»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?”

»Nu ja!” antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel ophef van te maken!”

»Waarlijk,” hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?”

Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.—»Wij kunnen wel niet met elkander reizen,” antwoordde hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft.”

Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze van hem poogde te ontslaan.

»Ik wil al uwe reiskosten betalen,” zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.

»Ik bedank u hartelijk!” hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden.”

»Och, ik heb ook volstrekt geen haast,” antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest.Inzulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten.”

»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen,” zeide Campbell. »Ik reis,” voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt.”

En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend,” zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig.”

»Gij vergist u,” antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik.”

»Och,” hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen zijn.”

»Waarschijnlijk weet die mijnheer,” antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen.”

De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.

Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.

1In September 1715.↑21714.↑

1In September 1715.↑21714.↑

1In September 1715.↑

21714.↑


Back to IndexNext