HOOFDSTUK IX.Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.De Weduwe.»Wat voor vreemdeling!” had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders—”In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had gesproken.—»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van belang, mijnheer de rechter,” zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer Morris,” voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten.”Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige ontroering.»Kom! wees toch een man, vriend!” vervolgde Campbell, »beef niet als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, u goede diensten te bewijzen.”»Mijn—heer—Mijn—heer—,” stamelde Morris, »ik geloof, dat gij een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, mijnheer Inglewood,” voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof waarlijk, dat die heer het is.”»Maar wat wil die heer dan toch van mij?” vroeg de vrederechter eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord laat komen.”»Gij zult beiden verkrijgen,” hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u lastig te vallen.”»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt.”»Denkelijk heeft deze man,” vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, zijn valies kwijt te raken?”»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd,” antwoordde de vrederechter.»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!” hernam Campbell; »dit was eene kiesche onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik, door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben.”»Helaas, helaas! alles waarheid!” antwoordde Morris op die lange vraag, met neergebogen hoofd en op klagenden toon.»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?”»Dat niemand daartoe beter in staat is—o ja, dat is ook al waar!” zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?” vroeg de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij zijt beide sterke en flinke kerels.”»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer,” hernam Campbell, »als ik u zeg, dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor aan levensgevaar bloot te stellen.”Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken, en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: »dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig.”De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet, toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, dit papier in te zien.”De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van—(den naam kan ikniet lezen)een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag is; dat hij voor zijne eigen zaken reist—enz. Gegeven in ons kasteel te Inver—Invera—rara.Argyle.”»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,”—zeide Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij den hoed afnemen—»van Mac-Callum More zelven.”»Mac-Callum—wie is dat?” vroeg de vrederechter.»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle.”»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die rooverhistorie weet!”»Met twee woorden, mijnheer,” hernam Campbell, »zal ik u alles verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde, »dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, maar mijn reisgenoot volstrekt niet.”»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen toe!” antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te herroepen,”—vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb groote haast.”»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!” zei de vrederechter en wierp het papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest.”»Ja,” zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide; »ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd, Morris,wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;—veilig, meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn.”Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen geheel besluiteloos.»Wees toch niet bang, zeg ik u!” herhaalde Campbell. »Ik zal woord houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid bezit.”Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok onder Campbell’s geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind.”—Meer hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan, dat beiden vertrokken waren.Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat last krijgen wegens de papieren!” zeide hij. »Eigenlijk had ik ze niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen; heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven.”»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde Diana; »maar zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij houdt van hem als van een zijner eigen zonen.”»Ik wil het wel gelooven,” zei Inglewood, »want toen zijn oudste jongen,Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar luister eens, heidebloempje,” vervolgde hij en trok het meisje bij de hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje.”Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te steken. En deze goede Diana Vernon—zij is, om zoo te zeggen, op Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden, loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in ’sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins over. Ge kent immers ’t versje wel:»In korten tijd verteert tabak,Zoo ook de mensch wordt oud en zwakAls ’t vuur—der jeugd verdooft.En zoo ge ’t niet gelooft,Dan zie die witte, droge aschDer grijsheid—op zijn hoofd.”Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen, en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom, die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag, om het zwijgen dadelijkte willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;—beminnen kan men hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden, dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is.”»Gij gelooft dus,” zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de valk de patrijs meevaart—dat die Campbell ook al een werktuig was van onzen neef Rashleigh?”»Ja, dat geloof ik inderdaad,” hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het huis van den vrederechter ontmoet had.”»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone redster?”»Juist,” antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen; gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt niet, dat gij er verder over spreekt.—Maar wie komt ons daar te gemoet rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!”Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!—ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten, wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank voor de klucht en neem mijn ontslag.”»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet vasthechten, zou dat niet even goed zijn?” zeide Diana. »Maar hoe hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament te maken en te onderteekenen?”Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat ik hem te nietig achtte.»Wat? Rutledge?”—riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloektestreken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu.”»Was het een logen, mijnheer Jobson!” vroeg Diana met gemaakte onnoozelheid. »Het is onmogelijk!”»En ik zeg het u, en herhaal het!” hernam de vertoornde griffier, »en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een’ beunhaas noemde, ja, een’ beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn beroep—te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie—onzen onsterfelijken redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!”»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!” hernam Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt, mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien.…”»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel moet mij zelfs durven dreigen—dat verzeker ik u, freule!”»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient,” viel ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven.”»Hoe, mij—mij—mijnheer—mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?”»O ja, mijnheer!” hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen.”Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!” zeide zij; »de heer Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem een onbeschoft mensch te noemen.”»Zijne woorden raken mij niet,” zeide Jobson eenigszins bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend scheldwoord—maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste soort: daarvoor zal de boer boeten;—boeten zal hij, even als iedereen, die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven.”»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!” zeide Diana. »Gij weet tochbest, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt, en wensch u van harte geluk met het verlies.”»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken, gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in eigendom hebben:—de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft—ik zeg het slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te beproeven, tot aan de knieën door het water waden.”1.»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne Katholieke dwalingen!” zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson, gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!”»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!”Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.»Daar gaat hij heen, die stokebrand!” zei Diana, terwijl zij hem nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde—want wat men ook zeggen moog’, in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke geloof den voorrang.”»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling te geven, die hij voelen zou!” antwoordde ik.»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!” hernam Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren.”»En welke drie dingen zijn dat, freule?” vroeg ik zeer nieuwsgierig.»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?”»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?” antwoordde ik, haar wat dichter naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking volstrekt niet trachtte te verbergen.»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen volgden en toejuichten.”»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft …”»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere helft behoort.”Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!” viel zij mij in de rede; »dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon, dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot eene onderdruktesekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave, godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!””»Dit kwaad is te genezen!” zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed werdt, en …”»Stil!” zeide Diana, den vinger op den mond leggende; »geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot den zegepralenden vijand overloopen.”»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht.”»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak van mijn kommer mede te deelen.”»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is, hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al de Katholieken in Engeland, wier aantal hier—God zij met ons!—steeds nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk en staat, eigenlijk wenschen.”»Welnu, luister!” hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, maar voor anderen.”»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat ik tevens nauwelijks zou geraden hebben.”»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist—indien iemand wist, hoe moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel.Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh’s deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden.”Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.»Ik dank u, ik dank u!” antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit—ja hoe zou dat mogelijk zijn!—doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana’s broeder waart.”»En als ik uw broeder ware,” zeide ik, »ik zou niet sterker dan nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?”»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd geplaatst.”»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was, om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen …”»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!” viel Diana mij in de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te veronderstellen.Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak, dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen.”»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!” zeide ik glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn.”Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de boekenkamer,” zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel over u ontfermen,” voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten, met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne hoofden niet in aanraking.”En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.1Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.↑
HOOFDSTUK IX.Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.De Weduwe.»Wat voor vreemdeling!” had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders—”In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had gesproken.—»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van belang, mijnheer de rechter,” zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer Morris,” voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten.”Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige ontroering.»Kom! wees toch een man, vriend!” vervolgde Campbell, »beef niet als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, u goede diensten te bewijzen.”»Mijn—heer—Mijn—heer—,” stamelde Morris, »ik geloof, dat gij een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, mijnheer Inglewood,” voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof waarlijk, dat die heer het is.”»Maar wat wil die heer dan toch van mij?” vroeg de vrederechter eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord laat komen.”»Gij zult beiden verkrijgen,” hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u lastig te vallen.”»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt.”»Denkelijk heeft deze man,” vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, zijn valies kwijt te raken?”»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd,” antwoordde de vrederechter.»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!” hernam Campbell; »dit was eene kiesche onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik, door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben.”»Helaas, helaas! alles waarheid!” antwoordde Morris op die lange vraag, met neergebogen hoofd en op klagenden toon.»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?”»Dat niemand daartoe beter in staat is—o ja, dat is ook al waar!” zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?” vroeg de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij zijt beide sterke en flinke kerels.”»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer,” hernam Campbell, »als ik u zeg, dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor aan levensgevaar bloot te stellen.”Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken, en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: »dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig.”De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet, toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, dit papier in te zien.”De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van—(den naam kan ikniet lezen)een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag is; dat hij voor zijne eigen zaken reist—enz. Gegeven in ons kasteel te Inver—Invera—rara.Argyle.”»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,”—zeide Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij den hoed afnemen—»van Mac-Callum More zelven.”»Mac-Callum—wie is dat?” vroeg de vrederechter.»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle.”»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die rooverhistorie weet!”»Met twee woorden, mijnheer,” hernam Campbell, »zal ik u alles verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde, »dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, maar mijn reisgenoot volstrekt niet.”»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen toe!” antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te herroepen,”—vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb groote haast.”»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!” zei de vrederechter en wierp het papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest.”»Ja,” zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide; »ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd, Morris,wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;—veilig, meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn.”Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen geheel besluiteloos.»Wees toch niet bang, zeg ik u!” herhaalde Campbell. »Ik zal woord houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid bezit.”Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok onder Campbell’s geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind.”—Meer hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan, dat beiden vertrokken waren.Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat last krijgen wegens de papieren!” zeide hij. »Eigenlijk had ik ze niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen; heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven.”»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde Diana; »maar zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij houdt van hem als van een zijner eigen zonen.”»Ik wil het wel gelooven,” zei Inglewood, »want toen zijn oudste jongen,Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar luister eens, heidebloempje,” vervolgde hij en trok het meisje bij de hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje.”Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te steken. En deze goede Diana Vernon—zij is, om zoo te zeggen, op Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden, loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in ’sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins over. Ge kent immers ’t versje wel:»In korten tijd verteert tabak,Zoo ook de mensch wordt oud en zwakAls ’t vuur—der jeugd verdooft.En zoo ge ’t niet gelooft,Dan zie die witte, droge aschDer grijsheid—op zijn hoofd.”Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen, en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom, die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag, om het zwijgen dadelijkte willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;—beminnen kan men hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden, dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is.”»Gij gelooft dus,” zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de valk de patrijs meevaart—dat die Campbell ook al een werktuig was van onzen neef Rashleigh?”»Ja, dat geloof ik inderdaad,” hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het huis van den vrederechter ontmoet had.”»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone redster?”»Juist,” antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen; gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt niet, dat gij er verder over spreekt.—Maar wie komt ons daar te gemoet rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!”Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!—ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten, wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank voor de klucht en neem mijn ontslag.”»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet vasthechten, zou dat niet even goed zijn?” zeide Diana. »Maar hoe hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament te maken en te onderteekenen?”Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat ik hem te nietig achtte.»Wat? Rutledge?”—riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloektestreken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu.”»Was het een logen, mijnheer Jobson!” vroeg Diana met gemaakte onnoozelheid. »Het is onmogelijk!”»En ik zeg het u, en herhaal het!” hernam de vertoornde griffier, »en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een’ beunhaas noemde, ja, een’ beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn beroep—te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie—onzen onsterfelijken redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!”»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!” hernam Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt, mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien.…”»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel moet mij zelfs durven dreigen—dat verzeker ik u, freule!”»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient,” viel ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven.”»Hoe, mij—mij—mijnheer—mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?”»O ja, mijnheer!” hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen.”Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!” zeide zij; »de heer Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem een onbeschoft mensch te noemen.”»Zijne woorden raken mij niet,” zeide Jobson eenigszins bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend scheldwoord—maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste soort: daarvoor zal de boer boeten;—boeten zal hij, even als iedereen, die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven.”»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!” zeide Diana. »Gij weet tochbest, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt, en wensch u van harte geluk met het verlies.”»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken, gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in eigendom hebben:—de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft—ik zeg het slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te beproeven, tot aan de knieën door het water waden.”1.»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne Katholieke dwalingen!” zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson, gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!”»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!”Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.»Daar gaat hij heen, die stokebrand!” zei Diana, terwijl zij hem nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde—want wat men ook zeggen moog’, in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke geloof den voorrang.”»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling te geven, die hij voelen zou!” antwoordde ik.»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!” hernam Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren.”»En welke drie dingen zijn dat, freule?” vroeg ik zeer nieuwsgierig.»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?”»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?” antwoordde ik, haar wat dichter naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking volstrekt niet trachtte te verbergen.»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen volgden en toejuichten.”»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft …”»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere helft behoort.”Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!” viel zij mij in de rede; »dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon, dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot eene onderdruktesekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave, godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!””»Dit kwaad is te genezen!” zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed werdt, en …”»Stil!” zeide Diana, den vinger op den mond leggende; »geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot den zegepralenden vijand overloopen.”»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht.”»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak van mijn kommer mede te deelen.”»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is, hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al de Katholieken in Engeland, wier aantal hier—God zij met ons!—steeds nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk en staat, eigenlijk wenschen.”»Welnu, luister!” hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, maar voor anderen.”»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat ik tevens nauwelijks zou geraden hebben.”»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist—indien iemand wist, hoe moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel.Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh’s deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden.”Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.»Ik dank u, ik dank u!” antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit—ja hoe zou dat mogelijk zijn!—doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana’s broeder waart.”»En als ik uw broeder ware,” zeide ik, »ik zou niet sterker dan nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?”»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd geplaatst.”»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was, om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen …”»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!” viel Diana mij in de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te veronderstellen.Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak, dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen.”»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!” zeide ik glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn.”Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de boekenkamer,” zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel over u ontfermen,” voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten, met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne hoofden niet in aanraking.”En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.1Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.↑
HOOFDSTUK IX.Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.De Weduwe.
Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.De Weduwe.
Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.
Daar komt er een terug, zoo’n roover. Hier blijf ’k staan.
Blijf ik zoo dicht bij ’t huis, dan zal hij wel weer gaan,
En kalm gezwegen dan, want schreeuwen kan niet helpen.
De Weduwe.
»Wat voor vreemdeling!” had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders—”In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had gesproken.—»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van belang, mijnheer de rechter,” zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer Morris,” voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten.”Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige ontroering.»Kom! wees toch een man, vriend!” vervolgde Campbell, »beef niet als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, u goede diensten te bewijzen.”»Mijn—heer—Mijn—heer—,” stamelde Morris, »ik geloof, dat gij een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, mijnheer Inglewood,” voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof waarlijk, dat die heer het is.”»Maar wat wil die heer dan toch van mij?” vroeg de vrederechter eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord laat komen.”»Gij zult beiden verkrijgen,” hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u lastig te vallen.”»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt.”»Denkelijk heeft deze man,” vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, zijn valies kwijt te raken?”»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd,” antwoordde de vrederechter.»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!” hernam Campbell; »dit was eene kiesche onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik, door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben.”»Helaas, helaas! alles waarheid!” antwoordde Morris op die lange vraag, met neergebogen hoofd en op klagenden toon.»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?”»Dat niemand daartoe beter in staat is—o ja, dat is ook al waar!” zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?” vroeg de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij zijt beide sterke en flinke kerels.”»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer,” hernam Campbell, »als ik u zeg, dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor aan levensgevaar bloot te stellen.”Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken, en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: »dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig.”De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet, toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, dit papier in te zien.”De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van—(den naam kan ikniet lezen)een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag is; dat hij voor zijne eigen zaken reist—enz. Gegeven in ons kasteel te Inver—Invera—rara.Argyle.”»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,”—zeide Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij den hoed afnemen—»van Mac-Callum More zelven.”»Mac-Callum—wie is dat?” vroeg de vrederechter.»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle.”»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die rooverhistorie weet!”»Met twee woorden, mijnheer,” hernam Campbell, »zal ik u alles verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde, »dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, maar mijn reisgenoot volstrekt niet.”»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen toe!” antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te herroepen,”—vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb groote haast.”»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!” zei de vrederechter en wierp het papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest.”»Ja,” zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide; »ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd, Morris,wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;—veilig, meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn.”Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen geheel besluiteloos.»Wees toch niet bang, zeg ik u!” herhaalde Campbell. »Ik zal woord houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid bezit.”Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok onder Campbell’s geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind.”—Meer hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan, dat beiden vertrokken waren.Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat last krijgen wegens de papieren!” zeide hij. »Eigenlijk had ik ze niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen; heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven.”»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde Diana; »maar zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij houdt van hem als van een zijner eigen zonen.”»Ik wil het wel gelooven,” zei Inglewood, »want toen zijn oudste jongen,Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar luister eens, heidebloempje,” vervolgde hij en trok het meisje bij de hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje.”Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te steken. En deze goede Diana Vernon—zij is, om zoo te zeggen, op Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden, loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in ’sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins over. Ge kent immers ’t versje wel:»In korten tijd verteert tabak,Zoo ook de mensch wordt oud en zwakAls ’t vuur—der jeugd verdooft.En zoo ge ’t niet gelooft,Dan zie die witte, droge aschDer grijsheid—op zijn hoofd.”Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen, en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom, die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag, om het zwijgen dadelijkte willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;—beminnen kan men hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden, dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is.”»Gij gelooft dus,” zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de valk de patrijs meevaart—dat die Campbell ook al een werktuig was van onzen neef Rashleigh?”»Ja, dat geloof ik inderdaad,” hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het huis van den vrederechter ontmoet had.”»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone redster?”»Juist,” antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen; gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt niet, dat gij er verder over spreekt.—Maar wie komt ons daar te gemoet rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!”Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!—ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten, wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank voor de klucht en neem mijn ontslag.”»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet vasthechten, zou dat niet even goed zijn?” zeide Diana. »Maar hoe hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament te maken en te onderteekenen?”Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat ik hem te nietig achtte.»Wat? Rutledge?”—riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloektestreken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu.”»Was het een logen, mijnheer Jobson!” vroeg Diana met gemaakte onnoozelheid. »Het is onmogelijk!”»En ik zeg het u, en herhaal het!” hernam de vertoornde griffier, »en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een’ beunhaas noemde, ja, een’ beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn beroep—te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie—onzen onsterfelijken redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!”»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!” hernam Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt, mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien.…”»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel moet mij zelfs durven dreigen—dat verzeker ik u, freule!”»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient,” viel ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven.”»Hoe, mij—mij—mijnheer—mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?”»O ja, mijnheer!” hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen.”Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!” zeide zij; »de heer Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem een onbeschoft mensch te noemen.”»Zijne woorden raken mij niet,” zeide Jobson eenigszins bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend scheldwoord—maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste soort: daarvoor zal de boer boeten;—boeten zal hij, even als iedereen, die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven.”»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!” zeide Diana. »Gij weet tochbest, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt, en wensch u van harte geluk met het verlies.”»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken, gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in eigendom hebben:—de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft—ik zeg het slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te beproeven, tot aan de knieën door het water waden.”1.»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne Katholieke dwalingen!” zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson, gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!”»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!”Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.»Daar gaat hij heen, die stokebrand!” zei Diana, terwijl zij hem nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde—want wat men ook zeggen moog’, in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke geloof den voorrang.”»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling te geven, die hij voelen zou!” antwoordde ik.»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!” hernam Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren.”»En welke drie dingen zijn dat, freule?” vroeg ik zeer nieuwsgierig.»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?”»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?” antwoordde ik, haar wat dichter naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking volstrekt niet trachtte te verbergen.»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen volgden en toejuichten.”»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft …”»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere helft behoort.”Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!” viel zij mij in de rede; »dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon, dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot eene onderdruktesekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave, godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!””»Dit kwaad is te genezen!” zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed werdt, en …”»Stil!” zeide Diana, den vinger op den mond leggende; »geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot den zegepralenden vijand overloopen.”»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht.”»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak van mijn kommer mede te deelen.”»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is, hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al de Katholieken in Engeland, wier aantal hier—God zij met ons!—steeds nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk en staat, eigenlijk wenschen.”»Welnu, luister!” hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, maar voor anderen.”»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat ik tevens nauwelijks zou geraden hebben.”»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist—indien iemand wist, hoe moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel.Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh’s deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden.”Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.»Ik dank u, ik dank u!” antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit—ja hoe zou dat mogelijk zijn!—doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana’s broeder waart.”»En als ik uw broeder ware,” zeide ik, »ik zou niet sterker dan nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?”»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd geplaatst.”»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was, om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen …”»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!” viel Diana mij in de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te veronderstellen.Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak, dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen.”»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!” zeide ik glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn.”Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de boekenkamer,” zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel over u ontfermen,” voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten, met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne hoofden niet in aanraking.”En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.
»Wat voor vreemdeling!” had de vrederechter geroepen. »Ik hoop toch niet, dat het ambtsbezigheden betreft anders—”
In den binnentredenden vreemdeling herkende ik dadelijk den Schot Robbert Campbell, dien ik onderweg in de dorpsherberg had gesproken.—»De oorzaak van mijne komst is zeker eene zaak van belang, mijnheer de rechter,” zeide hij luid. »Ik moest u dus dringend verzoeken, mijne zaak in ernstige overweging te nemen. Gij, mijnheer Morris,” voegde hij er bij, terwijl hij een bijna woesten blik op den man wierp, »weet zeer goed, wie ik ben. Gij hebt toch niet vergeten wat er voorgevallen is, toen wij elkander onlangs op weg ontmoetten.”
Morris werd doodsbleek en begon te beven. Alles verried zijne hevige ontroering.
»Kom! wees toch een man, vriend!” vervolgde Campbell, »beef niet als een misdadiger. Ik hoop dat gij er geen bezwaar in zult zien, mijnheer den vrederechter te verklaren dat gij mij kent, dat gij mij gezien hebt, en dat gij mij zelfs als een rijk man en als man van eer kent. Gij weet zeer goed, dat gij een tijdlang in mijne nabuurschap zult wonen, waar ik dan in staat, en tevens gaarne geneigd zal zijn, u goede diensten te bewijzen.”
»Mijn—heer—Mijn—heer—,” stamelde Morris, »ik geloof, dat gij een man van eer zijt, en ook, zoo als gij zegt, een rijk man. Ja, mijnheer Inglewood,” voegde hij er met luide stem bij, »ik geloof waarlijk, dat die heer het is.”
»Maar wat wil die heer dan toch van mij?” vroeg de vrederechter eenigszins boos. »De een brengt hier den ander binnen. Ik krijg een gezelschap dat mij geen rust laat, en niet eens aan het woord laat komen.”
»Gij zult beiden verkrijgen,” hernam Campbell, »en wel zeer spoedig. Ik kom alleen, om u van een lastigen plicht te ontheffen; niet om u lastig te vallen.”
»Waarachtig? dan zijt gij van harte welkom, zoo welkom, als ooit een Schot in Engeland geweest is. Maar maak het kort, vriend! Zeg mij zonder omwegen, zoo beknopt mogelijk, wat gij mij te zeggen hebt.”
»Denkelijk heeft deze man,” vervolgde Campbell, »u reeds verhaald, dat zekere Robbert Campbell bij hem was, toen hij het ongeluk had, zijn valies kwijt te raken?”
»Dien naam heeft hij in zijn gansche verhaal niet genoemd,” antwoordde de vrederechter.
»Zoo! zoo! Ja, ik raad het al!” hernam Campbell; »dit was eene kiesche onthouding; gij wildet een vreemdeling niet in uwe zaak betrekken. Maar ik heb vernomen dat mijne getuigenis hier noodig is, om dezen braven man, den heer Frans Osbaldistone, van een geheel ongegronde aanklacht te zuiveren. Ik geef u dus volkomen vrijheid mijn naam hier in deze zaak te mengen. Wees dus zoo goed den heer vrederechter te zeggen, dat ik u verscheidene mijlen ver op uwe reis vergezeld heb, en wel op uw dringend en herhaald verzoek, hetwelk ik eerst stellig weigerde, maar waaraan ik eindelijk, toen ik u weder inhaalde, voldeed; dat ik, door u daartoe overgehaald, van mijn voornemen om naar Rothburg te gaan, afgezien heb, en, tot mijn ongeluk, met u gegaan ben.”
»Helaas, helaas! alles waarheid!” antwoordde Morris op die lange vraag, met neergebogen hoofd en op klagenden toon.
»Evenzoo wilt gij toch wel den achtbaren heer rechter duidelijk maken, dat niemand beter in staat is dan ik, om in deze zaak getuigenis te geven, daar ik, gedurende het gansche voorval bij u en naast u was?”
»Dat niemand daartoe beter in staat is—o ja, dat is ook al waar!” zeide Morris met een diepen gesmoorden zucht.
»Maar voor den duivel, waarom hebt gij hem dan niet geholpen?” vroeg de vrederechter. »Zoo als de heer Morris zegt, waren er slechts twee roovers; gij zoudt dus de kans met hen hebben kunnen wagen; want gij zijt beide sterke en flinke kerels.”
»Neem mij niet kwalijk, Mijnheer,” hernam Campbell, »als ik u zeg, dat ik mijn geheele leven een zeer vreedzaam man was, die twist en vechtpartijen als de pest haat. Mijnheer Morris, die, zoo als ik hoor, militair is, zou, als het hem goeddacht, tegenstand hebben kunnen bieden. Naar ik hoor, had hij eene zeer aanzienlijke som gelds bij zich. Ik had slechts mijn nietige eigendom te verdedigen, en als man van vreedzame gezindheid had ik geen lust mij daarvoor aan levensgevaar bloot te stellen.”
Ik keek Campbell goed aan, terwijl hij sprak. Maar ik moet betuigen, nooit een sterker kontrast opgemerkt te hebben dan er gelegen was tusschen de koene, trotseerende hardheid van zijne ruwe gelaatstrekken, en de vriendelijke, bedaarde, kunstelooze eenvoud van den toon zijner woorden. Een flauw, spotachtig glimlachje loerde in de hoeken van zijn mond, en scheen te verraden, hoe verachtelijk en grappig hemzelven de bedaarde en vreedzame houding scheen, die hij noodig oordeelde aan te nemen. Ja, ik kon het vermoeden niet van mij weren, dat hij bij de aan Morris gepleegde gewelddadigheid iets gansch anders was dan lotgenoot of toeschouwer van het ongeluk.
Het scheen alsof er in de ziel van den vrederechter op dat oogenblik een soortgelijk vermoeden opsteeg; althans hij riep plotseling uit: »dat is een zeer zonderling geval! eene vreemde zaak! Waarachtig.”
De Schot scheen te gissen, hoe wij over hem begonnen te denken. Hij veranderde dus van toon en houding, liet uit zijne gelaatstrekken iets van die spottende huichelachtige uitdrukking van nederigheid verdwijnen, welke juist de verdenking tegen hem bij mij had doen ontstaan. Wat vrijmoediger en ruwronder zeide hij luide: »Hoort eens, het is waar, ik ben een bedaarde kerel, die zich met geen vechten of plukharen bemoeit. Maar als het noodig is, ja, dan kan ik vechten en kloppen, meer dan genoeg. Dat was echter volstrekt het geval niet, toen ik dien mijnheer ontmoette. Ik had zoo goed als niets bij me. En nu wensch ik alleen nog u te verzoeken, opdat u geheel verzekerd moogt zijn, mijnheer, dat ik een man van eer en van goede gezindheden ben, dit papier in te zien.”
De vrederechter nam het papier en las half overluid: »Hiermede wordt verklaard, dat toonder dezes, Robbert Campbell van—(den naam kan ikniet lezen)een man van goede afkomst en van een vredelievend gedrag is; dat hij voor zijne eigen zaken reist—enz. Gegeven in ons kasteel te Inver—Invera—rara.Argyle.”
»Een klein getuigenis dat ik mij verschafte van den hertog,”—zeide Campbell, terwijl hij de hand aan zijn hoofd bracht, als wilde hij den hoed afnemen—»van Mac-Callum More zelven.”
»Mac-Callum—wie is dat?” vroeg de vrederechter.
»In Engeland noemt men hem hertog van Argyle.”
»Ik ken den hertog van Argyle zeer goed als een voortreffelijk man en een waar vriend van zijn vaderland. Ik was bij hem in het jaar 1714, toen hij den hertog van Marlbourough uit den zadel lichtte. Ja, ik wenschte wel, dat wij meer zulke edellieden hadden. Hij was steeds een eerlijke Tory en met Ormond nauw verbonden. Dat hij zich aan de nieuwe regeering onderworpen heeft, deed hij even als ik, om de rust en den vrede van ons land te bevorderen. Ik kan mij niet verbeelden, dat het vrees zou geweest zijn, die dezen grooten man bewogen heeft, vrees om zijne eereposten en zijn regiment, gelijk sommige lieden willen beweren. Zijne getuigenis, is volkomen voldoende, mijnheer Campbell. Laat mij nu eens hooren, wat gij zoo al van die rooverhistorie weet!”
»Met twee woorden, mijnheer,” hernam Campbell, »zal ik u alles verhalen. Even goed kan de heer Morris een pas geboren kind, of ook mij zelven beschuldigen, als hij den heer Frans Osbaldistone beschuldigd heeft. Ik kan verklaren, dat degeen, dien hij voor genoemden heer heeft aangezien, kleiner en dikker was; ja ik durf zelfs stellig zeggen, dat die man geheel andere gelaatstrekken had, dan de heer Osbaldistone, want ik heb iets van zijn gezicht gezien, toen zijn masker een weinig verschoof. Ook twijfel ik niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich met een eenigszins streng gelaat naar Morris keerde, »dat deze heer Morris gaarne zal willen toestemmen, dat ik betere gelegenheid had dan hij, om op te merken en te onderscheiden, wie er eigenlijk bij waren. Want ik was, den Hemel zij dank! volkomen kalm, maar mijn reisgenoot volstrekt niet.”
»Ik stem het toe, mijnheer Campbell, ik stem het volkomen toe!” antwoordde Morris, en deinsde bevend terug, toen Campbell met zijn stoel nader bij hem schoof. »Ik ben bereid, ja, ik heb vast besloten om mijne verklaring tegen den heer Osbaldistone te herroepen,”—vervolgde hij tegen den vrederechter. »En ik verzoek u, hem te vergunnen weder aan zijne eigen zaken te gaan, wat gij mij insgelijks wel zult willen veroorloven. Zeer waarschijnlijk hebt gij met den heer Campbell nog het een en ander af te handelen, en ik heb groote haast.”
»Welaan dan! Weg met uwe aanklacht!” zei de vrederechter en wierp het papier op het vuur. »Mijnheer Osbaldistone, gij zijt vrij. En gij, mijnheer Morris, kunt gerust gaan, waarheen gij verkiest.”
»Ja,” zeide Campbell, terwijl hij een blik op Morris wierp, die met een nederig gegrijns in alles toestemde wat de vrederechter zeide; »ja, zoo gerust als een pad, die onder eene egge ligt. Wees onbezorgd, Morris,wij gaan samen! Ik wil weten dat gij veilig zijt. Gij twijfelt, hoop ik, niet aan mijn woord van eer, wanneer ik u dat zeg;—veilig, meen ik, tot aan den eersten kruisweg. Daar zullen wij van elkander afscheid nemen, en, zoo wij elkander in Schotland niet als vrienden wederzien, dan zal het uw eigen schuld zijn.”
Morris stond op aarzelend en met angstigen blik als een veroordeeld misdadiger, die zich naar de gerechtsplaats moet begeven. Hij scheen geheel besluiteloos.
»Wees toch niet bang, zeg ik u!” herhaalde Campbell. »Ik zal woord houden. En wie weet, mijn heldhaftige vriend, of wij niet het een of ander spoor van uw valies machtig kunnen worden, zoo gij slechts naar goeden raad wilt luisteren. Kom, onze paarden zijn gezadeld. Zeg den heer vrederechter vaarwel, en toon dat gij Engelsche wellevendheid bezit.”
Door deze woorden eenigszins bemoedigd, nam Morris afscheid en vertrok onder Campbell’s geleide. Maar zeer waarschijnlijk werd hij op nieuw door zorg en vrees overvallen, eer zij het huis verlieten. Want ik hoorde, dat Campbell hem de verzekering van zijne bescherming herhaalde, terwijl zij door de voorkamer gingen. »Bij mijne ziel, vriendlief, gij zijt zoo veilig, als in uws vaders tuin. Sakkerloot, dat een kerel met zulk een zwarten baard niet meer moed heeft dan een eendvogel! Kom, volg mij als een man, niet als een bang kind.”—Meer hoorde ik niet, en kort daarop kondigde de hoefslag der paarden aan, dat beiden vertrokken waren.
Innig verheugd was de vrederechter over den afloop eener zaak, die hem met eenigen last gedreigd had. Eén zaak echter veroorzaakte hem eenige ongerustheid, de gedachte namelijk wat toch zijn griffier van de wijze, waarop hij zich van een en ander afgemaakt had, wel zeggen zou.
»Zeer waarschijnlijk zal ik nu met dien satanschen Jobson vrij wat last krijgen wegens de papieren!” zeide hij. »Eigenlijk had ik ze niet moeten verbranden. Maar, wat is er ook aan gelegen! Op de keper beschouwd is het hem toch maar alleen om zijne emolumenten te doen; heeft hij zijne duiten binnen, dan zal hij wel tot bedaren komen. Maar nu, mijne schoone Diana! na allen in vrijheid gesteld te hebben, wensch ik tegen u wel een bevel van gevangenhouding uit te vaardigen en u gedurende dezen avond aan de bewaking van mijne oude huishoudster over te geven. Ik laat dan onze buurvrouwen noodigen en uwe neven halen; de oude vioolspeler is heden ook niet bezet, en dan hebben wij een recht vroolijken avond. De heer Osbaldistone ledigt een paar flesschen met mij, en dan zullen wij beiden de vreugde niet bederven.”
»Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde Diana; »maar zoo als de zaken thans staan, moeten wij terstond naar het kasteel terugkeeren, waar men volstrekt niet weet, wat er van ons geworden is. Mijn oom zal over zijn neef niet weinig ongerust zijn, want hij houdt van hem als van een zijner eigen zonen.”
»Ik wil het wel gelooven,” zei Inglewood, »want toen zijn oudste jongen,Archie, ongelukkig om het leven kwam, bij die treurige zaak met Sir John Fenwick, placht de oude Sir Hildebrand hem even dikwerf als een der andere zes jongens te roepen, en dan te klagen, dat hij zich niet herinneren kon welken van zijne zes zonen men opgeknoopt had. Dus ga maar naar huis en stel het vaderlijk hart gerust. Maar luister eens, heidebloempje,” vervolgde hij en trok het meisje bij de hand vriendelijk tot zich, »neem dan ten minste tot afscheid een goeden raad mede. Laat een andermaal het recht zijn gewonen loop, en bemors uwe poezelige vingertjes niet met die oude beschimmelde prullen van rechtsgeleerd Latijn, Fransch en verdraaid Engelsch. Maar vooral, laat de jongeheeren hun eigen weg gaan; wees hun niet tot gids, mijn schatje, want licht zoudt gij, hun den rechten weg wijzende, zelve op een dwaalweg kunnen geraken, mijn lief dwaallichtje.”
Na deze woorden keerde hij zich minzaam tot mij: »En gij, mijn goede Frans, schijnt mij een wakkere jongen te zijn. Ja, ja, ik kan mij uw vader nog uit mijn schooltijd zeer goed herinneren. Luister eens jongen, reis voortaan niet meer zoo laat in den avond, en steek den draak niet meer met onbekende reizigers op den publieken weg. Niet iedereen behoeft zich uwe aardigheden te laten welgevallen, en met crimineele misdaden is het, in elk geval, gevaarlijk, den draak te steken. En deze goede Diana Vernon—zij is, om zoo te zeggen, op Gods wijde wereld geheel alleen, van ieder verlaten. Ze mag rijden, loopen en springen naar hartelust. Daarom, pas op, knaap, en bewaak deze Diana zorgvuldig, of, waarachtig, ik zou in staat zijn om zelf weder jong te worden en met u op dood en leven te vechten, hoeveel moeite mij dit ook kosten zou. En hiermede vaartwel, kinderen! Gaat in ’sHemels naam, en laat mij aan mijne tabakspijp en mijn stil gepeins over. Ge kent immers ’t versje wel:
»In korten tijd verteert tabak,Zoo ook de mensch wordt oud en zwakAls ’t vuur—der jeugd verdooft.En zoo ge ’t niet gelooft,Dan zie die witte, droge aschDer grijsheid—op zijn hoofd.”
»In korten tijd verteert tabak,
Zoo ook de mensch wordt oud en zwak
Als ’t vuur—der jeugd verdooft.
En zoo ge ’t niet gelooft,
Dan zie die witte, droge asch
Der grijsheid—op zijn hoofd.”
Aangenaam troffen mij de teekenen van verstand en gevoel, welke de vrederechter door den nevel van vadsigheid en achteloosheid liet doorschemeren. Ik bedankte hem voor zijne welgemeende vermaningen, en nam hartelijk afscheid van den braven man en zijne gastvrije woning.
Wij vonden een maaltijd gereed in de voorkamer, en gebruikten ook iets. Op het voorplein wachtte ons een bediende van mijn oom, die ons bij onze aankomst de paarden afgenomen en, naar zijn zeggen, van Rashleigh bevel ontvangen had, om ons naar huis te vergezellen. Zwijgend stegen wij te paard en reden zoo eenigen tijd voort. Ik was te zeer vervuld van de gebeurtenissen van dezen dag, om het zwijgen dadelijkte willen afbreken. Eindelijk zeide Diana, hetgeen zij dacht onwillekeurig in woorden brengend: »Ja, men moet Rashleigh vreezen en hem met verbazing beschouwen;—beminnen kan men hem echter niet. Hij doet wat hij wil, en maakt alle andere menschen tot zijne speelpoppen: voor elke rol die hem invalt, heeft hij een acteur gereed, en voor elk geval weet hij een hulpmiddel te vinden, dat gereed schijnt te liggen en doelmatig is.”
»Gij gelooft dus,” zeide ik, mij meer aan den zin van hetgeen zij zeide dan aan hare woorden houdende, »dat deze heer Campbell, die zoo juist ter rechter tijd verscheen en mijn aanklager meenam, zooals de valk de patrijs meevaart—dat die Campbell ook al een werktuig was van onzen neef Rashleigh?”
»Ja, dat geloof ik inderdaad,” hernam Diana. »Ik vermoed zelfs, misschien eenigszins kwaaddenkend, dat hij op dat rechte oogenblik volstrekt niet zou verschenen zijn, indien ik Rashleigh niet in het huis van den vrederechter ontmoet had.”
»Ik ben dus voornamelijk aan u mijn dank verschuldigd, schoone redster?”
»Juist,” antwoordde Diana. »Maar houdt het er nu maar voor, dat die dank reeds betuigd en met een vriendelijk lachje ontvangen is. Maar val mij daarmee niet meer lastig. Ik zou er misschien eerder bij geeuwen, dan mij betamelijk gedragen. Zie! Ik wenschte u een dienst te bewijzen; gelukkig ben ik daartoe in staat geweest. Maar ik begeer nu volstrekt niet, dat gij er verder over spreekt.—Maar wie komt ons daar te gemoet rennen? O! de griffier Jobson. Wat gloeit hij! Zeker van dienstijver!”
Hij was het, en had inderdaad groote haast, hoewel hij, zooals wij spoedig bemerkten, innig boos scheen te zijn. Hij reed op ons toe en hield stil, toen wij, hem koeltjes groetende, voorbij wilden rijden.
»Ei, ei, mijnheer Osbaldistone!—ei, ei, Freule Vernon! Ja, ik zie al hoe het met de zaken staat! Buiten twijfel is er borg gesteld gedurende mijne afwezigheid? Ik zou intusschen wel eens willen weten, wie zich met de zorg voor de noodige schrifturen belast heeft. Maar als mijnheer de vrederechter in het vervolg meer dergelijke maatregelen neemt, dan moge hij naar een anderen griffier omzien, want ik bedank voor de klucht en neem mijn ontslag.”
»Of als hij zich zijn tegenwoordigen griffier aan zijn roksmouw liet vasthechten, zou dat niet even goed zijn?” zeide Diana. »Maar hoe hebt gij den boer Rutledge gevonden? Was hij in staat zijn testament te maken en te onderteekenen?”
Deze vraag verhoogde de woede van den rechtsgeleerde. Hij zag Diana zoo kwaadaardig aan, dat ik grooten lust gevoelde, om hem met mijne karwats om de ooren te slaan. Ik onthield mij echter, alleen omdat ik hem te nietig achtte.
»Wat? Rutledge?”—riep hij, voor zoover zijne drift hem het spreken vergunde. »Die man is zoo gezond als gij. Louter bedrog, vervloektestreken! Dat historietje van zijne ziekte is een logen. Misschien hebt gij het te voren wel geweten, anders hoort gij het nu.”
»Was het een logen, mijnheer Jobson!” vroeg Diana met gemaakte onnoozelheid. »Het is onmogelijk!”
»En ik zeg het u, en herhaal het!” hernam de vertoornde griffier, »en bovendien voeg ik er nog bij, dat de oude vrek mij een’ beunhaas noemde, ja, een’ beunhaas, freule! en dat het mij slechts om geld te doen was; dat ik steeds schraapte en naar mij toe haalde, waar ik van rechtswege maar schrapen en naar mij toe halen kon. Zoo iets behoef ik mij toch evenmin te laten zeggen, als wien ook van mijn beroep—te minder, daar ik griffier van den vrederechter ben en mijne bezoldiging geniet krachtens de verordening uit het drie en dertigste regeeringsjaar van Hendrik VIII en het eerste regeeringsjaar van koning Willem, glorierijker en onsterfelijker memorie—onzen onsterfelijken redder, die ons van de Papisten en Pretendenten, van de houten klompen en beddepannen, freule Vernon! en van dat alles heeft verlost!”
»Zeker zijn dat heel erge dingen, die klompen en beddepannen!” hernam Diana, die er vermaak in scheen te vinden zijne boosheid nog meer te prikkelen. »Het verheugt mij, dat gij thans geen beddepan noodig hebt, mijnheer Jobson! Bijna vrees ik, dat de boer zijne onbeschoftheid niet enkel bij woorden heeft gelaten, maar u misschien.…”
»Geslagen heeft, meent gij? Neen, waarachtig niet! Geen levend schepsel moet mij zelfs durven dreigen—dat verzeker ik u, freule!”
»Het komt er slechts op aan, in hoe verre gij het verdient,” viel ik hem in de rede. »Uwe manier van met freule Vernon te spreken is zoo onbeschoft, dat ik, zoo gij geen anderen toon aanneemt, het wel eens de moeite waard zou kunnen achten, u, zonder veel komplimenten met mijn karwats een lesje in de wellevendheid te geven.”
»Hoe, mij—mij—mijnheer—mij? Weet gij wel, met wien gij spreekt?”
»O ja, mijnheer!” hernam ik. »Gij zelf noemt u griffier van den vrederechter en de boer Rutledge noemde u een beunhaas, maar in geene van deze beide hoedanigheden zijt gij gerechtigd, u jegens eene fatsoenlijke dame onbeschoft te gedragen.”
Diana legde hare hand op mijn arm. »Kom, kom!” zeide zij; »de heer Jobson moet geen klappen hebben. Ik ben waarlijk jegens hem zoo mild niet, dat ik hem zelfs een enkelen slag met uwe karwats gun. Want dit zou hem misschien weder zoo veel opleveren, dat hij er eenigen tijd van leven kon. Ook hebt gij hem, dunkt mij, genoeg gezegd, door hem een onbeschoft mensch te noemen.”
»Zijne woorden raken mij niet,” zeide Jobson eenigszins bedaarder. »Onbeschoft is ook geene injurie, geen in rechten geldend scheldwoord—maar beunhaas is formeele laster, laster van de ergste soort: daarvoor zal de boer boeten;—boeten zal hij, even als iedereen, die zich verstout, dat woord op eene boosaardige wijs te herhalen, ten einde de openbare rust te storen en mij mijn goeden naam te ontrooven.”
»Laat dit nu genoeg zijn, mijnheer Jobson!” zeide Diana. »Gij weet tochbest, dat, volgens uwe wetten, daar, waar niets te halen is, zelfs de koning zijn recht verliest. En wat nu het ontrooven van uwen goeden naam betreft, ik beklaag den armen drommel, die hem krijgt, en wensch u van harte geluk met het verlies.”
»Bravo! hm! bravo! De edele freule is heel aardig! Goeden nacht! Ik heb niets meer te zeggen. Maar er bestaan nog oude wetten tegen de Papisten, welke men eigenlijk tot het welzijn van het land beter behoorde te handhaven. Ja, er bestaan van koningin Elizabeth en Jacob I strafwetten tegen allen, die de mis bijwonen en die misboeken, gebedenboeken, historiën van Heiligen, en dergelijk Paapsch goed in eigendom hebben:—de Papisten kunnen worden opgeroepen, om den eed van getrouwheid af te leggen. En wat u vooral betreft—ik zeg het slechts om u te waarschuwen, freule Diana Vernon: daar gij ongehuwd zijt, en geen wettigen beschermer hebt, zijt gij, als eene overtuigde weerspannige Papiste, verplicht, u naar uwe woning te begeven en wel langs den naasten weg, op straffe van als ongehoorzaam jegens den koning behandeld te worden. Gij moet aan de gewone veren zoo spoedig mogelijk de overvaart beproeven, en moogt er niet langer dan gedurende ééne ebbe en één vloed verblijven; en als het overvaren op die plaatsen niet geschieden kan, dan moet gij, om den overtocht te beproeven, tot aan de knieën door het water waden.”1.
»Wel wel! dit is zeker een echt-Protestantsche boete voor mijne Katholieke dwalingen!” zeide Diana glimlachend. »Ik dank u voor uw onderricht, mijnheer Jobson. Ik zal mij, zoo spoedig mogelijk, naar huis begeven en heel huiselijk leven. Goeden nacht, waarde heer Jobson, gij heldere spiegel der rechtsgeleerde wellevendheid!”
»Goeden nacht, en herinner u, dat de wet niet met zich laat spotten!”
Na deze woorden verliet de griffier ons, en wij vervolgden onzen weg.
»Daar gaat hij heen, die stokebrand!” zei Diana, terwijl zij hem nakeek. »Het is toch inderdaad te erg, dat lieden van fatsoen en hoogen stand aan de gewettigde onbeschoftheden van zulk een ellendigen deugniet blootgesteld zijn. En dat alleen, omdat zij gelooven, wat voor honderd jaren de gansche beschaafde wereld geloofde—want wat men ook zeggen moog’, in ouderdom heeft toch zeker het Katholieke geloof den voorrang.”
»Waarachtig, ik had grooten lust, den gemeenen schelm een rammeling te geven, die hij voelen zou!” antwoordde ik.
»Begrijp toch dat dit een heel domme streek geweest zou zijn!” hernam Diana. »En toch, ik erken het, als mijne hand slechts wat krachtiger geweest ware, dan zou ik hem haar gewicht, geloof ik, zelve hebben laten voelen. Maar, wat baat hier klagen? Er zijn eigenlijk drie dingen, waarom ik zeer te beklagen ben, ten minste als iemand het de moeite waard achtte, medelijden voor mij te koesteren.”
»En welke drie dingen zijn dat, freule?” vroeg ik zeer nieuwsgierig.
»Wilt gij mij eene hartelijke deelneming beloven als ik het u zeg?”
»O, kunt gij daaraan nog twijfelen?” antwoordde ik, haar wat dichter naderend, vol hartelijke deelneming, waarvan ik de uitdrukking volstrekt niet trachtte te verbergen.
»Welaan dan; want het is, in elk geval, een zeer verleidend iets, medelijden te vinden. Hoor nu mijne drie bezwaren. Vooreerst ben ik een meisje en geen jongen, en men zou mij in het gekkenhuis zetten als ik slechts de helft van datgene deed, waartoe ik eigenlijk wel lust heb. Bezat ik uw gelukkig voorrecht, om te kunnen doen wat u behaagt, dan werd de gansche wereld misschien gek, als ze mij allen volgden en toejuichten.”
»Wat dit betreft, kan ik u de deelneming, die ge verwacht, niet schenken. Dit soort van ongeluk is op deze wereld zoo algemeen, dat het wel de helft van alle Adamskinderen treft, en de andere helft …”
»Is er zoo veel te beter aan toe, dat de mannen met alle kracht hunne voorrechten vasthouden. Maar ik vergeet, dat ook gij tot die andere helft behoort.”
Glimlachend wilde ik antwoorden. »Neen, neen!” viel zij mij in de rede; »dit zachte glimlachje is, zonder twijfel, de inleiding tot eene aardige vleierij over de bijzondere voorrechten van Diana Vernon, dat zij eene der geboren slavinnen mag zijn. Spaar u de moeite, om die lofrede te houden, beste vriend! Laat intusschen eens zien, of gij meer op mijne zijde zult zijn bij mijn tweede punt van aanklacht, zoo als die rechtsverdraaier van straks het noemen zou. Ik behoor tot eene onderdruktesekte, tot een verdrongen en vervolgd geloof. Kan ik eenige hoop koesteren, dat men mij, even als alle andere brave, godvreezende meisjes, om mijn godsdienst achten zal? Neen. Als het mijn goeden vriend, den vrederechter Inglewood, invalt, kan hij mij in een verbeterhuis opsluiten, alleen omdat ik God naar de wijze mijner voorvaderen dien, en kan hij tot mij zeggen, wat men eens tot eene ongelukkige abdis zeide, toen men haar uit haar klooster verjoeg:»Ga heen, wijf, en spin voor den kost!””
»Dit kwaad is te genezen!” zeide ik ernstig. »Vraag onze geleerden, raadpleeg uw eigen helder verstand, beste freule, en gij zult zeer zeker inzien, dat de afwijkingen van het geloof, waarin gij opgevoed werdt, en …”
»Stil!” zeide Diana, den vinger op den mond leggende; »geen woord meer hierover! Het geloof mijner brave voorvaderen verloochenen? Neen! evenmin zou ik, als man, het vaandel in het heetste oogenblik van den slag verlaten en als een lafhartige huurling tot den zegepralenden vijand overloopen.”
»Ik eerbiedig uw moed. Hij stelt u aan allerlei onaangenaamheden bloot. Maar voor de wonden, die men ter wille van zijn geweten ontvangt, vindt men in zich zelf dadelijk balsem die verzacht.”
»Wel mogelijk, doch zij doen toch pijn. Maar ik merk wel dat het u, bij uwe hardvochtigheid, evenmin treffen zou, zoo ik hennep of vlas moest hekelen, als dat ik veroordeeld ben, om, in plaats van een vilten hoed met eene kokarde, eene muts te dragen. En daarom wil ik mij liever de vergeefsche moeite besparen, om u ook de derde oorzaak van mijn kommer mede te deelen.”
»O, neen, waarde freule, onttrek mij uw vertrouwen niet. Ik beloof u, al de deelneming in uw zeldzaam lot, geheel aan het derde ongeluk te wijden. Maar vooraf moet gij mij verzekeren, dat het geen ongeluk is, hetwelk gij met het gansche vrouwelijke geslacht deelt, of ook met al de Katholieken in Engeland, wier aantal hier—God zij met ons!—steeds nog veel grooter is, dan wij Protestanten, in onzen ijver voor kerk en staat, eigenlijk wenschen.”
»Welnu, luister!” hernam Diana, ernstiger dan ik haar nog ooit gezien had. »Ja, het is een ongeluk dat waarlijk medelijden verdient. Van nature ben ik, zooals gij bemerken kunt, vrijmoedig en openhartig, een gul, oprecht meisje; gaarne wilde ik jegens alle menschen ongeveinsd en eerlijk handelen. Maar mijn noodlot heeft mij in zoo vele netten en strikken verward, dat ik het nauwelijks wagen durf een enkel woord te spreken, uit vrees voor de kwade gevolgen, niet voor mij, maar voor anderen.”
»Dat is zeker een ongeluk waarover ik u hartelijk beklaag, doch dat ik tevens nauwelijks zou geraden hebben.”
»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist—indien iemand wist, hoe moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel.Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh’s deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden.”
Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.
»Ik dank u, ik dank u!” antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit—ja hoe zou dat mogelijk zijn!—doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana’s broeder waart.”
»En als ik uw broeder ware,” zeide ik, »ik zou niet sterker dan nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?”
»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd geplaatst.”
»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was, om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen …”
»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!” viel Diana mij in de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te veronderstellen.Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak, dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen.”
»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!” zeide ik glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn.”
Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.
»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de boekenkamer,” zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel over u ontfermen,” voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten, met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne hoofden niet in aanraking.”
En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.
1Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.↑
1Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.↑
1Deze en dergelijke wetten werden inderdaad onder de regeering van Eduard VI, Elizabeth en Jacob I tegen de Katholieken uitgevaardigd.↑