HOOFDSTUK VI.Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.Een bonte rij van krachtige gestalten,In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.(Penrose.)Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht had ontvangen.—»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,” zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u”! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred en—waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van uw broeder zien—zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien.”Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn—zij verdwenen geheel en al met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen vanStonehenge. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeeldenkan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die met het een of ander lichaamsgebrekbeheptis. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het priesterambt te ontzeggen.De trekken van Rashleigh’s gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en wastevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana’s opmerking, dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename schikking te bevorderen.»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken,” zeide zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut.”»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen.”»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind.”»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en klassificeeren.”»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort te zijn.”»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel eene aangename variatie.”»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen.”»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan.”»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk toteen merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?”»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom,” antwoordde Diana: »ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken.”Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!»Gij denkt zeker over mij,” zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.»Dat deed ik ook,” antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik zoo dicht naast mij is!”Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.—»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed.”Ik zweeg beschaamd.»Gij herinnert mij,” vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!”»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen gehoorzamen,” antwoordde ik.»Daar hebt ge het al weder!” hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollenbeker—dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat gij van mij denkt.”Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana’s linkerhand, wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa’s, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden praten.»Mag ik nu,”—zoo begon ik—»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden.”»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse” noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben.”»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?”Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt.”»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons scheidt,” antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh’s stoel ledig was; hij is reeds vertrokken.”»Wees daarvan nog niet zoo zeker,” zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister nietover zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden.”»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?”»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende.”»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?”»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd het daarvoor,” antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben.”»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen,” antwoordde ik glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!”»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.—Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen.”Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woordenovergebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana’s vertrouwelijkheid was even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.»Hij is ons ontsnapt!” riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!”»Goeden avond, mijnheer!” antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.»Gij hebt mooi weder voor uw werk.”»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!” hernam de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!”»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang er voor op te blijven.”»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen—zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste visschen,forellen, zalm en tarbot oppeuzelen—zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?”»Ik niet, vriend,” luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan.”»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!” riep de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel Osbaldistone diende?»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,” antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrekaan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden.”»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken,” antwoordde Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspelDreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond ’s jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde—ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig dankbaar zijn.”»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult.”»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering komen opzoeken.”»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?”»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng.”»Gij vergeet uwe jonge meesteres.”»Welke meesteres?”»Freule Vernon.”»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!”»Meent ge dat inderdaad!” vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed bekend?”»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is—maar wat gaat mij dat aan!”En nu begon hij weder ijverig te spitten.—»Wat is Freule Vernon?”vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten.”»Goed is anders, vrees ik,” hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo’n beetje schuin—gij verstaat mij wel, denk ik.”»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren.”—Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is.…”Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.»Goede hemel!” zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!”»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij …”Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.»Wat is zij?” vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk moet verstaan.”»Nu dan—zij is de allerheftigsteJacobietischevan het gansche Graafschap.”»Wat zou dat! eeneJacobietische? Is dat alles?”Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.—»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan,” mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.
HOOFDSTUK VI.Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.Een bonte rij van krachtige gestalten,In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.(Penrose.)Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht had ontvangen.—»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,” zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u”! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred en—waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van uw broeder zien—zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien.”Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn—zij verdwenen geheel en al met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen vanStonehenge. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeeldenkan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die met het een of ander lichaamsgebrekbeheptis. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het priesterambt te ontzeggen.De trekken van Rashleigh’s gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en wastevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana’s opmerking, dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename schikking te bevorderen.»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken,” zeide zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut.”»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen.”»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind.”»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en klassificeeren.”»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort te zijn.”»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel eene aangename variatie.”»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen.”»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan.”»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk toteen merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?”»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom,” antwoordde Diana: »ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken.”Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!»Gij denkt zeker over mij,” zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.»Dat deed ik ook,” antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik zoo dicht naast mij is!”Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.—»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed.”Ik zweeg beschaamd.»Gij herinnert mij,” vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!”»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen gehoorzamen,” antwoordde ik.»Daar hebt ge het al weder!” hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollenbeker—dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat gij van mij denkt.”Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana’s linkerhand, wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa’s, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden praten.»Mag ik nu,”—zoo begon ik—»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden.”»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse” noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben.”»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?”Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt.”»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons scheidt,” antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh’s stoel ledig was; hij is reeds vertrokken.”»Wees daarvan nog niet zoo zeker,” zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister nietover zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden.”»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?”»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende.”»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?”»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd het daarvoor,” antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben.”»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen,” antwoordde ik glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!”»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.—Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen.”Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woordenovergebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana’s vertrouwelijkheid was even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.»Hij is ons ontsnapt!” riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!”»Goeden avond, mijnheer!” antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.»Gij hebt mooi weder voor uw werk.”»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!” hernam de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!”»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang er voor op te blijven.”»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen—zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste visschen,forellen, zalm en tarbot oppeuzelen—zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?”»Ik niet, vriend,” luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan.”»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!” riep de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel Osbaldistone diende?»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,” antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrekaan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden.”»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken,” antwoordde Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspelDreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond ’s jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde—ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig dankbaar zijn.”»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult.”»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering komen opzoeken.”»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?”»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng.”»Gij vergeet uwe jonge meesteres.”»Welke meesteres?”»Freule Vernon.”»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!”»Meent ge dat inderdaad!” vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed bekend?”»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is—maar wat gaat mij dat aan!”En nu begon hij weder ijverig te spitten.—»Wat is Freule Vernon?”vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten.”»Goed is anders, vrees ik,” hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo’n beetje schuin—gij verstaat mij wel, denk ik.”»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren.”—Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is.…”Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.»Goede hemel!” zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!”»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij …”Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.»Wat is zij?” vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk moet verstaan.”»Nu dan—zij is de allerheftigsteJacobietischevan het gansche Graafschap.”»Wat zou dat! eeneJacobietische? Is dat alles?”Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.—»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan,” mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.
HOOFDSTUK VI.Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.Een bonte rij van krachtige gestalten,In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.(Penrose.)
Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.Een bonte rij van krachtige gestalten,In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.(Penrose.)
Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.Een bonte rij van krachtige gestalten,In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.
Het dreunt in ’t oud en ruim gewelf.
Een bonte rij van krachtige gestalten,
In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen,
Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift.
Met krijgsmans zelfbewustheid—zoo schreden zij naar binnen.
(Penrose.)
Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht had ontvangen.—»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,” zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u”! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred en—waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van uw broeder zien—zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien.”Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn—zij verdwenen geheel en al met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen vanStonehenge. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeeldenkan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die met het een of ander lichaamsgebrekbeheptis. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het priesterambt te ontzeggen.De trekken van Rashleigh’s gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en wastevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana’s opmerking, dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename schikking te bevorderen.»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken,” zeide zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut.”»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen.”»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind.”»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en klassificeeren.”»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort te zijn.”»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel eene aangename variatie.”»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen.”»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan.”»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk toteen merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?”»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom,” antwoordde Diana: »ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken.”Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!»Gij denkt zeker over mij,” zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.»Dat deed ik ook,” antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik zoo dicht naast mij is!”Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.—»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed.”Ik zweeg beschaamd.»Gij herinnert mij,” vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!”»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen gehoorzamen,” antwoordde ik.»Daar hebt ge het al weder!” hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollenbeker—dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat gij van mij denkt.”Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana’s linkerhand, wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa’s, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden praten.»Mag ik nu,”—zoo begon ik—»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden.”»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse” noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben.”»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?”Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt.”»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons scheidt,” antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh’s stoel ledig was; hij is reeds vertrokken.”»Wees daarvan nog niet zoo zeker,” zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister nietover zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden.”»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?”»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende.”»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?”»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd het daarvoor,” antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben.”»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen,” antwoordde ik glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!”»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.—Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen.”Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woordenovergebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana’s vertrouwelijkheid was even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.»Hij is ons ontsnapt!” riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!”»Goeden avond, mijnheer!” antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.»Gij hebt mooi weder voor uw werk.”»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!” hernam de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!”»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang er voor op te blijven.”»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen—zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste visschen,forellen, zalm en tarbot oppeuzelen—zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?”»Ik niet, vriend,” luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan.”»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!” riep de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel Osbaldistone diende?»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,” antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrekaan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden.”»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken,” antwoordde Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspelDreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond ’s jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde—ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig dankbaar zijn.”»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult.”»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering komen opzoeken.”»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?”»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng.”»Gij vergeet uwe jonge meesteres.”»Welke meesteres?”»Freule Vernon.”»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!”»Meent ge dat inderdaad!” vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed bekend?”»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is—maar wat gaat mij dat aan!”En nu begon hij weder ijverig te spitten.—»Wat is Freule Vernon?”vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten.”»Goed is anders, vrees ik,” hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo’n beetje schuin—gij verstaat mij wel, denk ik.”»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren.”—Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is.…”Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.»Goede hemel!” zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!”»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij …”Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.»Wat is zij?” vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk moet verstaan.”»Nu dan—zij is de allerheftigsteJacobietischevan het gansche Graafschap.”»Wat zou dat! eeneJacobietische? Is dat alles?”Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.—»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan,” mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.
Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht had ontvangen.—»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen,” zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u”! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred en—waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van uw broeder zien—zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien.”
Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn—zij verdwenen geheel en al met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen vanStonehenge. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeeldenkan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.
Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die met het een of ander lichaamsgebrekbeheptis. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het priesterambt te ontzeggen.
De trekken van Rashleigh’s gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en wastevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana’s opmerking, dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.
Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename schikking te bevorderen.
»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken,” zeide zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut.”
»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen.”
»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind.”
»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en klassificeeren.”
»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort te zijn.”
»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel eene aangename variatie.”
»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen.”
»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan.”
»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk toteen merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?”
»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom,” antwoordde Diana: »ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken.”
Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!
»Gij denkt zeker over mij,” zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.
»Dat deed ik ook,” antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik zoo dicht naast mij is!”
Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.—»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed.”
Ik zweeg beschaamd.
»Gij herinnert mij,” vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!”
»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen gehoorzamen,” antwoordde ik.
»Daar hebt ge het al weder!” hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollenbeker—dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat gij van mij denkt.”
Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana’s linkerhand, wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa’s, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden praten.
»Mag ik nu,”—zoo begon ik—»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden.”
»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse” noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben.”
»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?”
Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt.”
»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons scheidt,” antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh’s stoel ledig was; hij is reeds vertrokken.”
»Wees daarvan nog niet zoo zeker,” zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister nietover zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden.”
»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?”
»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende.”
»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?”
»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd het daarvoor,” antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben.”
»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen,” antwoordde ik glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!”
»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.—Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen.”
Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woordenovergebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana’s vertrouwelijkheid was even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.
Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.
Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.
»Hij is ons ontsnapt!” riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.
Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!”
»Goeden avond, mijnheer!” antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.
»Gij hebt mooi weder voor uw werk.”
»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!” hernam de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!”
»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang er voor op te blijven.”
»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen—zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste visschen,forellen, zalm en tarbot oppeuzelen—zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?”
»Ik niet, vriend,” luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan.”
»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!” riep de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.
Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel Osbaldistone diende?
»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus,” antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.
»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrekaan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden.”
»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken,” antwoordde Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspelDreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond ’s jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde—ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig dankbaar zijn.”
»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult.”
»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering komen opzoeken.”
»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?”
»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng.”
»Gij vergeet uwe jonge meesteres.”
»Welke meesteres?”
»Freule Vernon.”
»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!”
»Meent ge dat inderdaad!” vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed bekend?”
»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is—maar wat gaat mij dat aan!”
En nu begon hij weder ijverig te spitten.—»Wat is Freule Vernon?”vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten.”
»Goed is anders, vrees ik,” hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo’n beetje schuin—gij verstaat mij wel, denk ik.”
»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren.”—Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is.…”
Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.
»Goede hemel!” zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!”
»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij …”
Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.
»Wat is zij?” vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk moet verstaan.”
»Nu dan—zij is de allerheftigsteJacobietischevan het gansche Graafschap.”
»Wat zou dat! eeneJacobietische? Is dat alles?”
Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.—
»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan,” mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.