HOOFDSTUK XI.Wat scheelt er aan, o mannen,Wat drukt uw ziele weder?Wat buigt in ’t Balwieries vesteUw hoofden diep ter neder.Oud-Schotsche Ballade.De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!” zeide hij; »maar waag niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor iedereen, tot welke partij hij ook behoort?—”»Ik moet zeggen oom,” viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan.”»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk en klaar.”Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen vertrouwde.»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen iedereen die onschuld handhaven.”»Rashleigh”, zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding.”Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?”antwoordde hij. »Als een verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat—iets, dat, om u de waarheid te zeggen, niet licht gebeurt—dan is hij zoo hardnekkig, datik het steeds ’t best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien, ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den heiligen Vader.”»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt.”»Beste neef, eene dwaze opvatting—als ik mijns vaders opvatting zoo zou mogen noemen—kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting rijzen.”»Maar dat wensch ik niet,” antwoordde ik; »ik begeer niemand’s achting, onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten,Zoodra ik daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden.”Rashleigh’s gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.—»Hoe gelukkig zijt gij, neef Frans!” zoo begon hij; »gij gaat en komt, als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid, bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen.…”Hij zweeg.—»Hoe? Wat bedoelt ge?” vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?”»Wel voor een tijdelijke opoffering,—want meer zal het toch niet zijn—” hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen.”Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik weet niet,” zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner ledige uren zoo goed kent.”»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen zeer geroemd en bewonderd hebben.”Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester in Apollo’s tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij, door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid mededeelt, op een avond op mijne kamer,” voegde hij er bij; »zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng ik bepaald een offer. En als ikbedenk, tot welk stil en vreedzaam beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het offer groot is.”Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen,” antwoordde ik, »dat het u wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom, de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen.”Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaaktenederigheidmet wat al te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen,” zeide hij, »op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester—nu ja—; maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof, en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,” voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon, afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon aan te slaan—»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den Italiaanschen tuinierszoon?”»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen,” hernam ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige waarde is.”»Dit zou ook ik niet doen,” antwoordde hij weder. »Als ik maar overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken.”»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets omtrent hem vernemen?”»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets van uw vader!”»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin dieslechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is, juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat.”»Een uitmuntend portret!” riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog, omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld.”»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens een beschrijving van de streken hier, waar.…”»Waar gij schipbreuk hebt geleden?” viel Rashleigh mij in de rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had.”»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins verdient!” hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet eenbekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?”Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol hier goed te spelen.»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend dan voorheen het geval was,” begon hij. »In hare jeugd was ik haar leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was, door hare geheel bijzondere betrekkingen—kortom, onze wederzijdsche omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven, dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar.”»Het klooster of een bruidegom?” herhaalde ik. »Moet Diana tusschen deze beide uitersten kiezen?”»Ja!” antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt.”Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!” dacht ik bij mij zelven. »Mij wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?” Ik nam mij voor, zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook met geweld afpersen.Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins onbezonnen en ruw was.»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste voorzichtigheid,” antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen en wat ik bezit, met Diana te deelen.”»O, Rashleigh! akelige kerel!” dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet.”»Maar aan de andere zijde,” vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen.”»Thorncliff verdringen?” herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?”»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is, zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het best geschikt is, om den stam voort te planten.”»Ha, ha!” lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te nemen, maar het ging mij slecht af.—»Diana zou misschien liever wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou kunnen verbinden.”»Dat kan ik juist niet zeggen!” antwoordde hij. »In onze familie is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft.”»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!” viel ik hem in de rede.»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben, om Diana te onderwijzen en te leiden.”»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over denkt.…?”»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen,” hernam Rashleigh, maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich gul ontsluitendhart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd, dat ik bijtijds verstandig was.”Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen, die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde!Diana Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem, gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij daarover bekommeren? Ze is Katholiek—ze is eene Jacobietin.…—Ja! ze is een woest schepsel daarenboven—ik zou wel dol moeten zijn om er aan te denken!”Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde stemming, dat ik aan tafel verscheen.
HOOFDSTUK XI.Wat scheelt er aan, o mannen,Wat drukt uw ziele weder?Wat buigt in ’t Balwieries vesteUw hoofden diep ter neder.Oud-Schotsche Ballade.De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!” zeide hij; »maar waag niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor iedereen, tot welke partij hij ook behoort?—”»Ik moet zeggen oom,” viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan.”»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk en klaar.”Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen vertrouwde.»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen iedereen die onschuld handhaven.”»Rashleigh”, zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding.”Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?”antwoordde hij. »Als een verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat—iets, dat, om u de waarheid te zeggen, niet licht gebeurt—dan is hij zoo hardnekkig, datik het steeds ’t best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien, ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den heiligen Vader.”»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt.”»Beste neef, eene dwaze opvatting—als ik mijns vaders opvatting zoo zou mogen noemen—kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting rijzen.”»Maar dat wensch ik niet,” antwoordde ik; »ik begeer niemand’s achting, onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten,Zoodra ik daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden.”Rashleigh’s gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.—»Hoe gelukkig zijt gij, neef Frans!” zoo begon hij; »gij gaat en komt, als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid, bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen.…”Hij zweeg.—»Hoe? Wat bedoelt ge?” vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?”»Wel voor een tijdelijke opoffering,—want meer zal het toch niet zijn—” hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen.”Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik weet niet,” zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner ledige uren zoo goed kent.”»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen zeer geroemd en bewonderd hebben.”Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester in Apollo’s tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij, door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid mededeelt, op een avond op mijne kamer,” voegde hij er bij; »zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng ik bepaald een offer. En als ikbedenk, tot welk stil en vreedzaam beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het offer groot is.”Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen,” antwoordde ik, »dat het u wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom, de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen.”Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaaktenederigheidmet wat al te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen,” zeide hij, »op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester—nu ja—; maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof, en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,” voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon, afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon aan te slaan—»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den Italiaanschen tuinierszoon?”»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen,” hernam ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige waarde is.”»Dit zou ook ik niet doen,” antwoordde hij weder. »Als ik maar overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken.”»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets omtrent hem vernemen?”»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets van uw vader!”»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin dieslechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is, juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat.”»Een uitmuntend portret!” riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog, omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld.”»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens een beschrijving van de streken hier, waar.…”»Waar gij schipbreuk hebt geleden?” viel Rashleigh mij in de rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had.”»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins verdient!” hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet eenbekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?”Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol hier goed te spelen.»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend dan voorheen het geval was,” begon hij. »In hare jeugd was ik haar leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was, door hare geheel bijzondere betrekkingen—kortom, onze wederzijdsche omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven, dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar.”»Het klooster of een bruidegom?” herhaalde ik. »Moet Diana tusschen deze beide uitersten kiezen?”»Ja!” antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt.”Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!” dacht ik bij mij zelven. »Mij wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?” Ik nam mij voor, zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook met geweld afpersen.Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins onbezonnen en ruw was.»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste voorzichtigheid,” antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen en wat ik bezit, met Diana te deelen.”»O, Rashleigh! akelige kerel!” dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet.”»Maar aan de andere zijde,” vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen.”»Thorncliff verdringen?” herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?”»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is, zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het best geschikt is, om den stam voort te planten.”»Ha, ha!” lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te nemen, maar het ging mij slecht af.—»Diana zou misschien liever wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou kunnen verbinden.”»Dat kan ik juist niet zeggen!” antwoordde hij. »In onze familie is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft.”»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!” viel ik hem in de rede.»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben, om Diana te onderwijzen en te leiden.”»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over denkt.…?”»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen,” hernam Rashleigh, maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich gul ontsluitendhart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd, dat ik bijtijds verstandig was.”Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen, die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde!Diana Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem, gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij daarover bekommeren? Ze is Katholiek—ze is eene Jacobietin.…—Ja! ze is een woest schepsel daarenboven—ik zou wel dol moeten zijn om er aan te denken!”Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde stemming, dat ik aan tafel verscheen.
HOOFDSTUK XI.Wat scheelt er aan, o mannen,Wat drukt uw ziele weder?Wat buigt in ’t Balwieries vesteUw hoofden diep ter neder.Oud-Schotsche Ballade.
Wat scheelt er aan, o mannen,Wat drukt uw ziele weder?Wat buigt in ’t Balwieries vesteUw hoofden diep ter neder.Oud-Schotsche Ballade.
Wat scheelt er aan, o mannen,Wat drukt uw ziele weder?Wat buigt in ’t Balwieries vesteUw hoofden diep ter neder.
Wat scheelt er aan, o mannen,
Wat drukt uw ziele weder?
Wat buigt in ’t Balwieries veste
Uw hoofden diep ter neder.
Oud-Schotsche Ballade.
De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!” zeide hij; »maar waag niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor iedereen, tot welke partij hij ook behoort?—”»Ik moet zeggen oom,” viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan.”»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk en klaar.”Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen vertrouwde.»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen iedereen die onschuld handhaven.”»Rashleigh”, zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding.”Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?”antwoordde hij. »Als een verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat—iets, dat, om u de waarheid te zeggen, niet licht gebeurt—dan is hij zoo hardnekkig, datik het steeds ’t best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien, ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den heiligen Vader.”»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt.”»Beste neef, eene dwaze opvatting—als ik mijns vaders opvatting zoo zou mogen noemen—kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting rijzen.”»Maar dat wensch ik niet,” antwoordde ik; »ik begeer niemand’s achting, onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten,Zoodra ik daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden.”Rashleigh’s gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.—»Hoe gelukkig zijt gij, neef Frans!” zoo begon hij; »gij gaat en komt, als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid, bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen.…”Hij zweeg.—»Hoe? Wat bedoelt ge?” vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?”»Wel voor een tijdelijke opoffering,—want meer zal het toch niet zijn—” hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen.”Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik weet niet,” zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner ledige uren zoo goed kent.”»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen zeer geroemd en bewonderd hebben.”Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester in Apollo’s tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij, door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid mededeelt, op een avond op mijne kamer,” voegde hij er bij; »zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng ik bepaald een offer. En als ikbedenk, tot welk stil en vreedzaam beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het offer groot is.”Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen,” antwoordde ik, »dat het u wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom, de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen.”Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaaktenederigheidmet wat al te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen,” zeide hij, »op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester—nu ja—; maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof, en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,” voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon, afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon aan te slaan—»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den Italiaanschen tuinierszoon?”»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen,” hernam ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige waarde is.”»Dit zou ook ik niet doen,” antwoordde hij weder. »Als ik maar overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken.”»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets omtrent hem vernemen?”»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets van uw vader!”»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin dieslechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is, juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat.”»Een uitmuntend portret!” riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog, omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld.”»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens een beschrijving van de streken hier, waar.…”»Waar gij schipbreuk hebt geleden?” viel Rashleigh mij in de rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had.”»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins verdient!” hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet eenbekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?”Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol hier goed te spelen.»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend dan voorheen het geval was,” begon hij. »In hare jeugd was ik haar leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was, door hare geheel bijzondere betrekkingen—kortom, onze wederzijdsche omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven, dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar.”»Het klooster of een bruidegom?” herhaalde ik. »Moet Diana tusschen deze beide uitersten kiezen?”»Ja!” antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt.”Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!” dacht ik bij mij zelven. »Mij wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?” Ik nam mij voor, zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook met geweld afpersen.Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins onbezonnen en ruw was.»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste voorzichtigheid,” antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen en wat ik bezit, met Diana te deelen.”»O, Rashleigh! akelige kerel!” dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet.”»Maar aan de andere zijde,” vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen.”»Thorncliff verdringen?” herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?”»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is, zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het best geschikt is, om den stam voort te planten.”»Ha, ha!” lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te nemen, maar het ging mij slecht af.—»Diana zou misschien liever wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou kunnen verbinden.”»Dat kan ik juist niet zeggen!” antwoordde hij. »In onze familie is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft.”»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!” viel ik hem in de rede.»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben, om Diana te onderwijzen en te leiden.”»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over denkt.…?”»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen,” hernam Rashleigh, maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich gul ontsluitendhart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd, dat ik bijtijds verstandig was.”Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen, die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde!Diana Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem, gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij daarover bekommeren? Ze is Katholiek—ze is eene Jacobietin.…—Ja! ze is een woest schepsel daarenboven—ik zou wel dol moeten zijn om er aan te denken!”Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde stemming, dat ik aan tafel verscheen.
De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.
»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!” zeide hij; »maar waag niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor iedereen, tot welke partij hij ook behoort?—”
»Ik moet zeggen oom,” viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan.”
»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk en klaar.”
Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen vertrouwde.
»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen iedereen die onschuld handhaven.”
»Rashleigh”, zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding.”
Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.
Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.
»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?”antwoordde hij. »Als een verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat—iets, dat, om u de waarheid te zeggen, niet licht gebeurt—dan is hij zoo hardnekkig, datik het steeds ’t best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien, ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den heiligen Vader.”
»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt.”
»Beste neef, eene dwaze opvatting—als ik mijns vaders opvatting zoo zou mogen noemen—kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting rijzen.”
»Maar dat wensch ik niet,” antwoordde ik; »ik begeer niemand’s achting, onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten,Zoodra ik daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden.”
Rashleigh’s gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.—»Hoe gelukkig zijt gij, neef Frans!” zoo begon hij; »gij gaat en komt, als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid, bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen.…”
Hij zweeg.—
»Hoe? Wat bedoelt ge?” vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?”
»Wel voor een tijdelijke opoffering,—want meer zal het toch niet zijn—” hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen.”
Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik weet niet,” zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner ledige uren zoo goed kent.”
»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen zeer geroemd en bewonderd hebben.”
Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester in Apollo’s tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij, door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.
»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid mededeelt, op een avond op mijne kamer,” voegde hij er bij; »zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng ik bepaald een offer. En als ikbedenk, tot welk stil en vreedzaam beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het offer groot is.”
Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen,” antwoordde ik, »dat het u wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom, de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen.”
Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaaktenederigheidmet wat al te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.
»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen,” zeide hij, »op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester—nu ja—; maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof, en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet,” voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon, afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon aan te slaan—»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den Italiaanschen tuinierszoon?”
»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen,” hernam ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige waarde is.”
»Dit zou ook ik niet doen,” antwoordde hij weder. »Als ik maar overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken.”
»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets omtrent hem vernemen?”
»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets van uw vader!”
»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin dieslechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is, juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat.”
»Een uitmuntend portret!” riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog, omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld.”
»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens een beschrijving van de streken hier, waar.…”
»Waar gij schipbreuk hebt geleden?” viel Rashleigh mij in de rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had.”
»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins verdient!” hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet eenbekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?”
Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol hier goed te spelen.
»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend dan voorheen het geval was,” begon hij. »In hare jeugd was ik haar leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was, door hare geheel bijzondere betrekkingen—kortom, onze wederzijdsche omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven, dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar.”
»Het klooster of een bruidegom?” herhaalde ik. »Moet Diana tusschen deze beide uitersten kiezen?”
»Ja!” antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt.”
Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!” dacht ik bij mij zelven. »Mij wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?” Ik nam mij voor, zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook met geweld afpersen.
Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins onbezonnen en ruw was.
»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste voorzichtigheid,” antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen en wat ik bezit, met Diana te deelen.”
»O, Rashleigh! akelige kerel!” dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet.”
»Maar aan de andere zijde,” vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen.”
»Thorncliff verdringen?” herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?”
»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is, zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het best geschikt is, om den stam voort te planten.”
»Ha, ha!” lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te nemen, maar het ging mij slecht af.—»Diana zou misschien liever wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou kunnen verbinden.”
»Dat kan ik juist niet zeggen!” antwoordde hij. »In onze familie is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft.”
»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!” viel ik hem in de rede.
»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben, om Diana te onderwijzen en te leiden.”
»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over denkt.…?”
»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen,” hernam Rashleigh, maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich gul ontsluitendhart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd, dat ik bijtijds verstandig was.”
Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen, die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde!Diana Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem, gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij daarover bekommeren? Ze is Katholiek—ze is eene Jacobietin.…—Ja! ze is een woest schepsel daarenboven—ik zou wel dol moeten zijn om er aan te denken!”
Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde stemming, dat ik aan tafel verscheen.