HOOFDSTUK XVI.

HOOFDSTUK XVI.Op zekeren dag, tegen den middag toenik naar mijn boot ging, ontdekte ikmet groote verassing het spoor vaneen naakten menschenvoet, zeer duidelijkin het zand van den oever afgedrukt.Robinson Crusoe.Diana’s zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen; aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken, niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana’s tegenzin in het kloostervermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk oprapen, maar zij voorkwam mij.»Verzen?” zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn antwoord afwachtte.—»Mag ik zoo vrij zijn?—o, als gij bloost en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en veronderstellen, dat het mij vergund is.”»Het is het lezen niet waard!” viel ik haar in de rede; »slechts een losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden.”»Beste vriend,” hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen.”Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto’s lied:»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ikVan ’t hoofsch bedrijf, van ’t koen en heldenmoedig hand’lenVan koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,Uit Afrika, ’t Barbarenland, kwam wand’len.Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.Het goldTrojano’smoord. Hij kwam van verre stranden,Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fierDen grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .…Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en grootTot razernij verviel, om bittren liefde nood .…»O, o! Er staat nog veel meer!” zeide zij, het papier overziende. Ik had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,” zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand, die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid,” vervolgde ik na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig houden, dan wanneer ik—het spreekt van zelf, slechts tot mijne eigen uitspanning—de vertaling van den heerlijken dichter weder opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er mede begonnen.”»Maar het zou de vraag zijn,” zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd niet tot iets beters kondt besteden?”»Gij meent misschien tot eigen werk?” antwoordde ik en gevoelde mij ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft .…”»Vergeef mij waarde neef, ikgeefgeene aanmoediging; gijneemtze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik, over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding heb gegeven.”»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!” hernam ik, en trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij mij bewijst.”»Neen, neen!” vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk, wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen.”Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend was, boos zoude worden.»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en gesproken!” antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!”»Van mijn vader? Volstrekt niets!” hernam ik. »Sedert eene scheiding van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd.”»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne tegenwoordigheid eischten?”»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen.”»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst, bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?”Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet verbergen.»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!” zeide Diana zeer ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen.”»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?”»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!” zeide zij met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk schijnt,” voegde zij er bij.»Maar wat raadt gij mij dan?” vroeg ik, haar antwoord wenschende en vreezende.Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien zijt gij reeds veel te lang hier geweest,” voegde zij er eenigszins zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in Rashleigh’s handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast en zeker overtuigd kunt zijn.”»Ondergang, hoe is dat mogelijk?”»Geen vragen!” vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh’s oogmerken reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader inEngeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke blijven er partij van te trekken.”»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar kunnen afwenden?”»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is, Rashleigh’s plannen zijn van dien aard, dat …” Plotseling bedwong zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,” hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen, bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!”Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe: »O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja, dan ben ik er zeker al te lang gebleven!” Zij bloosde, maar ging standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen het kasteel verlaten,—maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier slechts één wezen terug dat u genegen is;” ging zij voort, zich tot een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden, wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger, veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden.”»Nooit!” riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden, wat ik hier moet achterlaten!”—Ik vatte hare hand en drukte die aan mijne lippen.»Dat is dwaasheid!” riep zij; »dat is krankzinnigheid!” En zij deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,” begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste.”Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening overweldigden zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor de allerlaatste maal.”Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur van den geheimen gang naar Rashleigh’s kamer bedekte, bewogen werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden, uitvorschenden blik op Diana.»Het is niets,” zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter het behangsel.”Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden, verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien, keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana’s herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!” te gehoorzamen. Zeker werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere, onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh’s kuiperijen voor mijn vader ontstaan kon—de onmiskenbaar moeielijke toestand van het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te gaan—dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen en te toetsen.Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze, waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen, die zich tegen debekentenisvan hare neiging verzetten. De blik, waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn, die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken en in plaats daarvan Diana’s houding na te vorschen. »Welaan,”zeide ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel.”Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed, welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden, scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe, zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks, innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.

HOOFDSTUK XVI.Op zekeren dag, tegen den middag toenik naar mijn boot ging, ontdekte ikmet groote verassing het spoor vaneen naakten menschenvoet, zeer duidelijkin het zand van den oever afgedrukt.Robinson Crusoe.Diana’s zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen; aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken, niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana’s tegenzin in het kloostervermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk oprapen, maar zij voorkwam mij.»Verzen?” zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn antwoord afwachtte.—»Mag ik zoo vrij zijn?—o, als gij bloost en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en veronderstellen, dat het mij vergund is.”»Het is het lezen niet waard!” viel ik haar in de rede; »slechts een losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden.”»Beste vriend,” hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen.”Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto’s lied:»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ikVan ’t hoofsch bedrijf, van ’t koen en heldenmoedig hand’lenVan koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,Uit Afrika, ’t Barbarenland, kwam wand’len.Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.Het goldTrojano’smoord. Hij kwam van verre stranden,Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fierDen grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .…Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en grootTot razernij verviel, om bittren liefde nood .…»O, o! Er staat nog veel meer!” zeide zij, het papier overziende. Ik had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,” zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand, die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid,” vervolgde ik na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig houden, dan wanneer ik—het spreekt van zelf, slechts tot mijne eigen uitspanning—de vertaling van den heerlijken dichter weder opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er mede begonnen.”»Maar het zou de vraag zijn,” zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd niet tot iets beters kondt besteden?”»Gij meent misschien tot eigen werk?” antwoordde ik en gevoelde mij ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft .…”»Vergeef mij waarde neef, ikgeefgeene aanmoediging; gijneemtze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik, over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding heb gegeven.”»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!” hernam ik, en trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij mij bewijst.”»Neen, neen!” vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk, wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen.”Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend was, boos zoude worden.»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en gesproken!” antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!”»Van mijn vader? Volstrekt niets!” hernam ik. »Sedert eene scheiding van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd.”»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne tegenwoordigheid eischten?”»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen.”»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst, bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?”Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet verbergen.»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!” zeide Diana zeer ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen.”»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?”»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!” zeide zij met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk schijnt,” voegde zij er bij.»Maar wat raadt gij mij dan?” vroeg ik, haar antwoord wenschende en vreezende.Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien zijt gij reeds veel te lang hier geweest,” voegde zij er eenigszins zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in Rashleigh’s handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast en zeker overtuigd kunt zijn.”»Ondergang, hoe is dat mogelijk?”»Geen vragen!” vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh’s oogmerken reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader inEngeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke blijven er partij van te trekken.”»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar kunnen afwenden?”»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is, Rashleigh’s plannen zijn van dien aard, dat …” Plotseling bedwong zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,” hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen, bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!”Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe: »O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja, dan ben ik er zeker al te lang gebleven!” Zij bloosde, maar ging standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen het kasteel verlaten,—maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier slechts één wezen terug dat u genegen is;” ging zij voort, zich tot een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden, wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger, veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden.”»Nooit!” riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden, wat ik hier moet achterlaten!”—Ik vatte hare hand en drukte die aan mijne lippen.»Dat is dwaasheid!” riep zij; »dat is krankzinnigheid!” En zij deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,” begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste.”Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening overweldigden zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor de allerlaatste maal.”Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur van den geheimen gang naar Rashleigh’s kamer bedekte, bewogen werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden, uitvorschenden blik op Diana.»Het is niets,” zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter het behangsel.”Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden, verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien, keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana’s herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!” te gehoorzamen. Zeker werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere, onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh’s kuiperijen voor mijn vader ontstaan kon—de onmiskenbaar moeielijke toestand van het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te gaan—dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen en te toetsen.Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze, waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen, die zich tegen debekentenisvan hare neiging verzetten. De blik, waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn, die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken en in plaats daarvan Diana’s houding na te vorschen. »Welaan,”zeide ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel.”Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed, welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden, scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe, zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks, innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.

HOOFDSTUK XVI.Op zekeren dag, tegen den middag toenik naar mijn boot ging, ontdekte ikmet groote verassing het spoor vaneen naakten menschenvoet, zeer duidelijkin het zand van den oever afgedrukt.Robinson Crusoe.

Op zekeren dag, tegen den middag toenik naar mijn boot ging, ontdekte ikmet groote verassing het spoor vaneen naakten menschenvoet, zeer duidelijkin het zand van den oever afgedrukt.Robinson Crusoe.

Op zekeren dag, tegen den middag toenik naar mijn boot ging, ontdekte ikmet groote verassing het spoor vaneen naakten menschenvoet, zeer duidelijkin het zand van den oever afgedrukt.

Op zekeren dag, tegen den middag toen

ik naar mijn boot ging, ontdekte ik

met groote verassing het spoor van

een naakten menschenvoet, zeer duidelijk

in het zand van den oever afgedrukt.

Robinson Crusoe.

Diana’s zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen; aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken, niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana’s tegenzin in het kloostervermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk oprapen, maar zij voorkwam mij.»Verzen?” zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn antwoord afwachtte.—»Mag ik zoo vrij zijn?—o, als gij bloost en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en veronderstellen, dat het mij vergund is.”»Het is het lezen niet waard!” viel ik haar in de rede; »slechts een losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden.”»Beste vriend,” hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen.”Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto’s lied:»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ikVan ’t hoofsch bedrijf, van ’t koen en heldenmoedig hand’lenVan koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,Uit Afrika, ’t Barbarenland, kwam wand’len.Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.Het goldTrojano’smoord. Hij kwam van verre stranden,Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fierDen grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .…Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en grootTot razernij verviel, om bittren liefde nood .…»O, o! Er staat nog veel meer!” zeide zij, het papier overziende. Ik had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,” zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand, die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid,” vervolgde ik na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig houden, dan wanneer ik—het spreekt van zelf, slechts tot mijne eigen uitspanning—de vertaling van den heerlijken dichter weder opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er mede begonnen.”»Maar het zou de vraag zijn,” zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd niet tot iets beters kondt besteden?”»Gij meent misschien tot eigen werk?” antwoordde ik en gevoelde mij ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft .…”»Vergeef mij waarde neef, ikgeefgeene aanmoediging; gijneemtze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik, over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding heb gegeven.”»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!” hernam ik, en trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij mij bewijst.”»Neen, neen!” vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk, wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen.”Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend was, boos zoude worden.»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en gesproken!” antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!”»Van mijn vader? Volstrekt niets!” hernam ik. »Sedert eene scheiding van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd.”»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne tegenwoordigheid eischten?”»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen.”»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst, bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?”Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet verbergen.»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!” zeide Diana zeer ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen.”»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?”»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!” zeide zij met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk schijnt,” voegde zij er bij.»Maar wat raadt gij mij dan?” vroeg ik, haar antwoord wenschende en vreezende.Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien zijt gij reeds veel te lang hier geweest,” voegde zij er eenigszins zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in Rashleigh’s handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast en zeker overtuigd kunt zijn.”»Ondergang, hoe is dat mogelijk?”»Geen vragen!” vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh’s oogmerken reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader inEngeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke blijven er partij van te trekken.”»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar kunnen afwenden?”»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is, Rashleigh’s plannen zijn van dien aard, dat …” Plotseling bedwong zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,” hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen, bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!”Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe: »O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja, dan ben ik er zeker al te lang gebleven!” Zij bloosde, maar ging standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen het kasteel verlaten,—maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier slechts één wezen terug dat u genegen is;” ging zij voort, zich tot een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden, wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger, veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden.”»Nooit!” riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden, wat ik hier moet achterlaten!”—Ik vatte hare hand en drukte die aan mijne lippen.»Dat is dwaasheid!” riep zij; »dat is krankzinnigheid!” En zij deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,” begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste.”Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening overweldigden zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor de allerlaatste maal.”Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur van den geheimen gang naar Rashleigh’s kamer bedekte, bewogen werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden, uitvorschenden blik op Diana.»Het is niets,” zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter het behangsel.”Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden, verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien, keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana’s herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!” te gehoorzamen. Zeker werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere, onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh’s kuiperijen voor mijn vader ontstaan kon—de onmiskenbaar moeielijke toestand van het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te gaan—dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen en te toetsen.Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze, waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen, die zich tegen debekentenisvan hare neiging verzetten. De blik, waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn, die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken en in plaats daarvan Diana’s houding na te vorschen. »Welaan,”zeide ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel.”Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed, welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden, scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe, zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks, innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.

Diana’s zonderlinge toestand had een sterk gevoel van deelneming en jaloezie in mij verwekt. Het maakte mij tot zulk een scherpen opmerker en bespieder, dat dit haar spoedig in het oog viel, hoewel ik mij beijverde, het voor haar te verbergen. De bewustheid dat ik haar steeds gadesloeg en als het ware bewaakte, scheen haar deels in verlegenheid te brengen, deels verdrietig, ja zelfs pijnlijk te zijn. Nu en dan kwam het mij voor, alsof zij eene gelegenheid zocht om hare gevoeligheid te kennen te geven over eene handelwijze, die haar beleedigen moest. Zij had immers met zooveel openhartigheid den moeilijken toestand, waarin zij zich bevond, geopenbaard. In andere oogenblikken scheen zij gereed, om klachten te uiten. Maar terstond daarop ontzonk haar dan weer de moed. Haar misnoegen verdween onder een geestig antwoord en hare klachten bestierven op hare lippen. Wij stonden eigenlijk in eene zeer zonderlinge betrekking tot elkander. Een groot gedeelte van onzen tijd brachten wij met elkander door, doch verheelden elkander onze wederzijdsche gewaarwordingen, terwijl ieder door des anderen daden tot jaloezie of gevoeligheid geprikkeld werd. Er heerschte vertrouwelijkheid tusschen ons zonder vertrouwen; aan den eenen kant liefde zonder hoop of doel, nieuwsgierigheid zonder eene verstandige, aannemelijke beweegreden; aan den anderen kant verlegenheid en twijfel, waarbij ook soms misnoegen kwam. Toch ben ik overtuigd, dat deze woeling van hartstochten, die voortdurend door duizend prikkelende en aantrekkelijke, hoezeer ook op zich zelf onbeduidende omstandigheden ons beiden steeds aan elkander deed denken, niet weinig bijgedragen heeft om de neiging te voeden die ons tot elkander trok. Mijne ijdelheid verbeeldde zich trouwens reeds vroeg ontdekt te hebben, dat sedert mijn verblijf op het kasteel, Diana’s tegenzin in het kloostervermeerderd was. Toch begreep ik geenszins op eene genegenheid te kunnen rekenen, die in elk geval aan de geheimen van haar zonderlingen toestand ondergeschikt scheen te zijn. Diana dacht te zedelijk streng, dan dat hare genegenheid voor mij haar plichtbesef of hare rede zou hebben kunnen overmeesteren. Een gesprek dat wij toen eens met elkander hadden, deed mij het helder inzien.

Wij zaten bij elkander in de boekenkamer. Diana bladerde in eene uitgave van den Razenden Roeland, die mij toebehoorde, en daaruit viel een blad beschreven papier op den grond. Ik wilde het dadelijk oprapen, maar zij voorkwam mij.

»Verzen?” zeide zij, vluchtig op het papier ziende, en toen zij het ontvouwen had, hield zij het dralend in de hand, alsof zij mijn antwoord afwachtte.—»Mag ik zoo vrij zijn?—o, als gij bloost en stamelt, dan moet ik uwe bescheidenheid wel geweld aandoen, en veronderstellen, dat het mij vergund is.”

»Het is het lezen niet waard!” viel ik haar in de rede; »slechts een losse proeve van vertaling. Lieve freule, er zou waarlijk een al te gestreng vonnis moeten volgen, als gij, die het oorspronkelijke zoo goed kent, als de rechter over deze proeve wildet optreden.”

»Beste vriend,” hernam Diana; »wilt gij een goeden raad van mij aannemen? Hengel dan toch niet met zoo veel nederigheid: tien tegen een, dat gij er geen enkele vleierij mede vangt! Gij weet immers dat ik tot het geslacht der waarheidsprekers behoor. Apollo zelfs zou van mij geene vleierij over zijne lier ontvangen.”

Dit zeggende, las zij de eerste stanze van Ariosto’s lied:

»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ikVan ’t hoofsch bedrijf, van ’t koen en heldenmoedig hand’lenVan koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,Uit Afrika, ’t Barbarenland, kwam wand’len.Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.Het goldTrojano’smoord. Hij kwam van verre stranden,Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fierDen grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .…Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en grootTot razernij verviel, om bittren liefde nood .…

»Van vrouwen, ridders, waapnen, van liefdegloed, ook zing ik

Van ’t hoofsch bedrijf, van ’t koen en heldenmoedig hand’len

Van koning Agramant, die, met zijn Moorsche drommen,

Uit Afrika, ’t Barbarenland, kwam wand’len.

Hem drijft de woeste wrake, de lust naar roof en moord,

Dwars door het golfgeloei der zee naar Frankrijk voort.

Het goldTrojano’smoord. Hij kwam van verre stranden,

Dien eedlen held te wreken, zoo dapper en zoo fier

Den grooten Karel wil als Keizer hij onttroonen .…

Maar ook van Roland zingt mijn zachte dichterslier.

Hoe hij, die dappre held, die geest, zoo wijs en groot

Tot razernij verviel, om bittren liefde nood .…

»O, o! Er staat nog veel meer!” zeide zij, het papier overziende. Ik had de zoetste tonen gehoord, die ooit sterfelijke ooren konden streelen; den klank der verzen van een jongen dichter, door geliefde lippen uitgesproken. Zij hield op eenmaal op.

»Ja, er staat veel meer dan uwe aandacht waardig is, freule,” zeide ik een weinig gevoelig en nam het papier uit hare hand, die niet tegenstreefde. »Och, in mijne eenzaamheid,” vervolgde ik na eenig stilzwijgen, »dacht ik mij niet beter te kunnen bezig houden, dan wanneer ik—het spreekt van zelf, slechts tot mijne eigen uitspanning—de vertaling van den heerlijken dichter weder opvatte, voor eenige maanden, aan de oevers der Garonne, ben ik er mede begonnen.”

»Maar het zou de vraag zijn,” zeide Diana ernstig, »of gij uw tijd niet tot iets beters kondt besteden?”

»Gij meent misschien tot eigen werk?” antwoordde ik en gevoelde mij ten hoogste gestreeld. »Om u de waarheid te zeggen, mijn geest is vaardiger in het vinden van woorden en rijmklanken dan van dichterlijke gedachten. Daarom is het mij een genot, dat ik gebruiken kan wat Ariosto mij voorlegt. Maar de aanmoediging, die gij mij geeft .…”

»Vergeef mij waarde neef, ikgeefgeene aanmoediging; gijneemtze. Ik bedoelde noch eigen werk, noch vertalingen, toen ik meende dat gij uw tijd tot iets beters besteden kondt. Gij moest noch het een, noch het ander doen. Maar gij zijt min of meer gevoelig, zie ik, over mijne aanmerking. Het doet mij leed, dat ik u daartoe aanleiding heb gegeven.”

»O neen, niet gevoelig, waarlijk niet gevoelig!” hernam ik, en trachtte een opgeruimde houding aan te nemen, wat mij echter niet wilde gelukken. »Ik ben u zeer verplicht voor de deelneming, die gij mij bewijst.”

»Neen, neen!” vervolgde Diana onverbiddelijk; »uit den gedwongen toon uwer stem spreekt gevoeligheid en een weinigje misnoegen. Maar word niet boos, als ik u nog wat dieper in het hart moet grijpen. Wezenlijk, wat ik u verder te zeggen heb, zal u misschien nòg sterker treffen.”

Ik zag nu hoe kinderachtig mijn gedrag was, en hoe Diana hare meerderheid boven mij handhaafde. Ik zeide, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik om eene berisping, waarvan het goede doel mij bekend was, boos zoude worden.

»Zoo mag ik het hooren. Dat is oprecht gedacht en gesproken!” antwoordde zij. »Ik wist wel, dat de booze geest der dichterlijke gevoeligheid snel zou vervliegen. Maar laat mij ernstig zijn. Hebt gij sinds kort iets van uw vader gehoord!”

»Van mijn vader? Volstrekt niets!” hernam ik. »Sedert eene scheiding van vele maanden heeft hij mij nog niet met één enkelen regel vereerd.”

»Zonderling! Gij zijt toch een wonderlijk soort van menschen, gij heeren, die den naam van Osbaldistone voert! Gij weet dus niet, dat hij naar Holland is vertrokken om dringende zaken, die daar zijne tegenwoordigheid eischten?”

»Tot op dit oogenblik heb ik er geen woord van vernomen.”

»Dan zal het zeker voor u eene verrassing en zeer zeker geen aangename verrassing zijn, te vernemen, dat uw vader, tot na zijne terugkomst, bijna het gansche bestuur van zijne zaken te Londen, zonder eenige beperking, aan Rashleigh opgedragen heeft?”

Hevig ontzet, kon ik mijne verbazing en mijne bezorgdheid niet verbergen.

»Gij hebt gegronde reden om ongerust te zijn!” zeide Diana zeer ernstig. »Ware ik in uwe plaats, dan zou ik de gevaren, die uit zulk een geheel verkeerden maatregel kunnen, ja, hoogst waarschijnlijk zullen ontstaan, zoo spoedig mogelijk trachten te verijdelen.”

»Maar hoe zou mij dat mogelijk zijn?”

»Voor iemand, die moed en ijver bezit, is alles mogelijk!” zeide zij met een blik, met een fonkelend oog, dat mij aan de heldinnen uit de riddertijden herinnerde, wier bemoediging de kampvechters met een hoogere, schier bovenmenschelijke dapperheid bezielde. »Maar den vreesachtige is alles onmogelijk, juist omdat het hem onmogelijk schijnt,” voegde zij er bij.

»Maar wat raadt gij mij dan?” vroeg ik, haar antwoord wenschende en vreezende.

Zij zweeg een oogenblik en zeide toen op vasten toon: »dat gij onverwijld het kasteel verlaat en naar Londen terugkeert. Misschien zijt gij reeds veel te lang hier geweest,” voegde zij er eenigszins zachter bij; »doch dat was uwe schuld niet. Elk uur dat gij van nu af hier verspilt, is eene misdaad; ja, eene misdaad. Want ik moet ronduit verklaren, dat, als uw vader zijne zaken nog lang in Rashleigh’s handen laat, gij van zijn onherstelbaren ondergang vast en zeker overtuigd kunt zijn.”

»Ondergang, hoe is dat mogelijk?”

»Geen vragen!” vervolgde zij. »Geloof mij: Rashleigh’s oogmerken reiken verder dan het bezit van geld. Het beheer en het vrije bestuur van uws vaders inkomsten en goederen moet hem tot de uitvoering van zijne eerzuchtige en geheime plannen dienen. Zoo lang uw vader inEngeland bleef, was dat onmogelijk. Maar gedurende zijne afwezigheid zal Rashleigh velerlei gelegenheden hebben, en hij zal niet in gebreke blijven er partij van te trekken.”

»Maar hoe zou ik, in twist met mijn vader en uitgesloten van alle toezicht op zijne zaken, alleen door mijne tegenwoordigheid het gevaar kunnen afwenden?”

»Uwe tegenwoordigheid alleen zal reeds zeer veel uitwerken. Uw aanspraak op medetoezicht is gegrond op uw geboorterecht, en niemand kan u dat betwisten. De hulp van uws vaders eersten boekhouder en van diens vertrouwde vrienden zal u steunen. En wat de hoofdzaak is, Rashleigh’s plannen zijn van dien aard, dat …” Plotseling bedwong zij zich, alsof zij vreesde te veel te zullen zeggen. »Kortom,” hernam zij weder, »zij zijn even als alle baatzuchtige en gewetenlooze plannen. Men laat die spoedig varen, zoodra zij, die ze ontwierpen, bemerken, dat zij ontdekt zijn en nagegaan worden. En nu, ge weet immers wat uw geliefkoosde dichter uitroept:

»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!”

»Te paard, te paard! Wie laf is, kan hier dralen!”

Toen echter, door een onweerstaanbare opwelling, riep ik haar toe: »O, Diana, kunt gij mij aanraden het kasteel te verlaten? Ja, dan ben ik er zeker al te lang gebleven!” Zij bloosde, maar ging standvastig voort: »Ja, ik geef u dien raad, en ge moet niet alleen het kasteel verlaten,—maar nooit hier terugkeeren. Gij laat hier slechts één wezen terug dat u genegen is;” ging zij voort, zich tot een glimlachje dwingende. Maar dat wezen is reeds lang gewoon, om hare vriendschap, en al wat haar troost schenkt, aan het welzijn van anderen op te offeren. In de wijde wereld zult gij honderden vinden, wier vriendschap even onbaatzuchtig zal zijn, maar veel voordeeliger, veel minder beperkt en belemmerd door ongunstige omstandigheden, veel minder onder den invloed van kwaadsprekende tongen en booze tijden.”

»Nooit!” riep ik uit, »nooit! De geheele wereld kan mij niet vergoeden, wat ik hier moet achterlaten!”—Ik vatte hare hand en drukte die aan mijne lippen.

»Dat is dwaasheid!” riep zij; »dat is krankzinnigheid!” En zij deed pogingen om hare hand uit de mijne los te maken, maar niet met zooveel ernst als noodig was om te slagen. Ik hield haar hand wel eene minuut lang in de mijne. »Hoor mij, mijnheer Osbaldistone,” begon zij eindelijk weder, »en matig deze onwaardige uitbarsting van hartstocht. Ik ben door eene plechtige overeenkomst de bruid des Hemels, tenzij ik liever met de laaghartigheid van Rashleigh Osbaldistone, of met de dierlijke ruwheid van zijn broeder, huwen wil. Ik ben dus de bruid des Hemels, en reeds van mijne wieg af aan het klooster verloofd. Aan mij zijn dus dergelijke uitroepingen en betuigingen verspild: ze bewijzen slechts te meer, hoe noodzakelijk het is, dat gij van hier vertrekt en wel ten spoedigste.”

Plotseling hield zij op, zweeg een oogenblik als door aandoening overweldigden zei toen met een gesmoorde stem: »verlaat mij terstond! Wij zullen elkander hier nog eenmaal zien, maar dan voor de allerlaatste maal.”

Plotseling zag zij even om. Mijne oogen volgden de richting der hare. En het kwam mij voor, alsof het behangsel, dat de deur van den geheimen gang naar Rashleigh’s kamer bedekte, bewogen werd. Ik vermoedde, dat wij bespied werden. Ik wierp een vragenden, uitvorschenden blik op Diana.

»Het is niets,” zeide zij met eene flauwe stem, »er is een gat achter het behangsel.”

Het denkbeeld van bij deze gelegenheid bespied en beluisterd te worden, verontwaardigde mij. In eene hevige opwelling van drift zou ik bijna op den luisteraar losgegaan zijn. Maar, tot mijn geluk misschien, keerde ik dadelijk tot kalme, verstandige voorzichtigheid terug. Ik besefte de noodzakelijkheid om mijne drift te bedwingen en Diana’s herhaald gebod: »verlaat mij! verlaat mij!” te gehoorzamen. Zeker werd ik daardoor voor eene zeer onbezonnene daad behoed. Ik spoedde mij weg, maar met storm in het hart. Vruchteloos trachtte ik, toen ik mij alleen op mijne kamer bevond, mijne opgewondenheid te doen bedaren.

Allerlei verwarde gedachten vervulden mij, vlogen pijlsnel door mijne ziel, verduisterden ieder ander denkbeeld, even als dichte nevels in bergachtige oorden, zwarte wolken, die al wat dient om den reiziger door de woestijn den weg te wijzen, onzichtbaar maken. De duistere, onbestemde bezorgdheid voor een gevaar, dat door Rashleigh’s kuiperijen voor mijn vader ontstaan kon—de onmiskenbaar moeielijke toestand van het beminnelijke meisje, dat door eene vroegere beslissing verplicht was, den sluier te kiezen, of eene ongelukkige echtverbintenis aan te gaan—dit alles drong zich op voor mijne ziel, en mijn verstand was volstrekt buiten staat, om eene enkele gedachte bedaard te overwegen en te toetsen.

Maar niets bracht mij erger in de war, dan de herinnering aan de wijze, waarop Diana de bekentenis mijner neiging tot haar had opgenomen. Hare houding, tusschen deelneming en een vast besluit wankelend, scheen te verraden, dat er in haar hart eene stem ten mijnen voordeele sprak, maar niet sterk genoeg, om de hindernissen te overwinnen, die zich tegen debekentenisvan hare neiging verzetten. De blik, waarmede zij de beweging van het behangsel voor die geheime deur had opgemerkt, verried duidelijk eer vrees dan verrassing. Ik las daaruit de bezorgdheid voor een gevaar, dat ik voor ernstig gegrond moest houden. Want Diana was geenszins aan de gewone aanvallen van vrouwelijke zenuwachtigheid onderhevig. Zij zou, zonder wezenlijke reden, geen vrees gevoelen. Van welken aard konden deze geheimen zijn, die haar als een tooverkring omringden, die steeds op hare gedachten en handelingen een zoo machtigen invloed schenen te hebben?

Aan deze twijfeling klemde ik mij vast. Ik was al blijde, de vraag over de betamelijkheid of juistheid van mijn gedrag te kunnen ontwijken en in plaats daarvan Diana’s houding na te vorschen. »Welaan,”zeide ik eindelijk tot mij zelven, »vóór dat ik het kasteel verlaat, wil ik weten wat ik in het vervolg van dit zoo betooverende schepsel te wachten heb. Openhartigheid en geheim schijnen met elkander de heerschappij over haar leven te deelen; de ééne geeft haar woorden en gevoelens in, en de andere hult al hare daden in een somberen nevel.”

Er was nog iets in mij, behalve de deelneming, door nieuwsgierigheid en een rustelooze hartstocht opgewekt. Het was eene opwelling van geheime jaloezie, maar die ik mij zelven niet wilde bekennen. De invloed, welken Diana aan de onzichtbare wezens, die hare daden bestuurden, scheen te vergunnen, wekte die ijverzucht. Als onkruid onder de tarwe, zoo groeit jaloezie te midden van de ontkiemende liefde. Hoe meer ik over haar karakter nadacht, des te meer werd ik, mijns ondanks, innerlijk overtuigd, dat zij geene leiding dulden zou, die niet uit genegenheid ontstaan was. In mijn binnenste knaagde de bittere argwaan, dat die invloed, welke haar zoo veel vrees aanjoeg, op eene andere liefde was gebouwd. Deze kwellende twijfel prikkelde meer en meer het verlangen, om het geheim van haar toestand te ontdekken. Ik nam een besluit en overlegde een plan, het geheim te ontraadselen.


Back to IndexNext