HOOFDSTUK XXI.

HOOFDSTUK XXI.In ’t middernacht’lijk uur op de Rialto,Volbreng ik, peinzende mijn avondgang …Daar dan ontmoeten wij elkander …Venetië gered.Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer,die als een vluchtig spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen” zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die, zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in de omgeving paste.Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij, even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open, om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen, waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te verbergen—de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon, ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest hebben. Haar alleen—fluisterde de bedriegelijke hoop mij in—haar alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis, vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven, dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld »Diana roept u” zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging—hoe welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat gij twijfeldet—bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde, waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn middagmaal eerst na het eindigen van denamiddagsgodsdienstoefeninggehouden enaldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide, die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden, aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker, bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron, uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan, ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten’s lands, zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt, moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden, tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte, welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak, dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok, een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel bestond. Ik hoorde—mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar, mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was, maar innerlijk moest ik bekennen—dat de schets gelijkend was.»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan,” zeide Andries tot zijn geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam is in elkgeval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker halfgek meisje, Diana Vernon—ja, men moest haar liever Diana van Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin—wat zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!—Ja, met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had hij de onbeschaamdheid om te zeggen—die arme verblinde zondaar!—dat Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!”Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden, zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!” eenige opmerkzaamheid blijken, tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.—»Wat! Ik zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries gek zijn! Hij vliegt op als buskruit,” en »Ik zou geduld met hem hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens, de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja, wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die is er zoo slecht niet aan toe.”Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen schande.” Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf, zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien nog zeer tevreden zijn.Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede, stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg enhier en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij aan de brug uit het sprookje, die in Mirza’s droomgezicht over het dal van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden, dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid, waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik denonbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan, in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep, dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken, voordat hij aangesproken wordt.»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!” sprak ik, toen hij bij mij stond.»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer Osbaldistone!”»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone uur te ontmoeten?”»Die ben ik!” hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen waarom.”»Voor dat ik u volg,” hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend zijn.”»Ik ben een mensch,” was het antwoord; »en mijn doel is goed.”»Een mensch?” herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort.”»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft,” antwoordde de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is, is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde bezit, wat is die dan meer?”»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen.”»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit zelf weten.”»Kunt gij mij die hier niet geven?” vroeg ik.»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven.”Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs, ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een onbepaald vertrouwen in te boezemen.»Wat vreest gij dan toch?” vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?”»Ik vrees niets,” antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u.”Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden, nog hooger en somberder schenen.Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt gij bevreesd?”»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?”»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand, en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt.”»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend.”»En ik ben integendeel niet gewapend,” antwoordde mijn geleider. »Maar dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik, wel eenigszins anders om het hart worden.”»En waarom dat?” vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u.”»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen, om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?—bij een man, door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te pakken?—bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou kunnen wezen?”»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?” vroeg ik.»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk mijn lot zouden worden.”Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.—»Gij hebt òf te veel òf te weinig gezegd!” antwoordde ik. »Te veel, dan dat ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent, dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt; te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten onrechte geschiedt.”Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.»Wat is dat?” zeide hij;»tegen een weerlooze, tegen uw vriend?”»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om aan beide te twijfelen.»Dat noem ik moedig gesproken!” hernam mijn geleider. »Ik heb achting voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar de gevangenis.”»Naar de gevangenis?” riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle pogingen en volg geen stap verder!”»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als gevangene!” antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik ben geen gerechtsdienaar—waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit bezoek, geen gevaar, maar demijnewel degelijk. Maar ik waag het onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren, en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer kent dan zijn degen.”Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.»Wat zouden zij er niet om geven,”—zoo begon de onbekende weder, wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,—»wat zouden de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak, eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.—Kom dan, wat draalt gij toch?”Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat—is het? Wat Satan! Op dezen tijd?—Tegen alle orde.…”De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder insluimerde.—»Dugald, vriend Dugald!” zeide mijn geleider vrij luid fluisterende: »hebt gij dan vergeten—ha num Gregarach?”»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!” was het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden en verdere oude wapentuigen prijkten.Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwammij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.

HOOFDSTUK XXI.In ’t middernacht’lijk uur op de Rialto,Volbreng ik, peinzende mijn avondgang …Daar dan ontmoeten wij elkander …Venetië gered.Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer,die als een vluchtig spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen” zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die, zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in de omgeving paste.Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij, even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open, om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen, waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te verbergen—de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon, ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest hebben. Haar alleen—fluisterde de bedriegelijke hoop mij in—haar alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis, vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven, dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld »Diana roept u” zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging—hoe welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat gij twijfeldet—bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde, waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn middagmaal eerst na het eindigen van denamiddagsgodsdienstoefeninggehouden enaldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide, die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden, aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker, bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron, uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan, ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten’s lands, zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt, moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden, tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte, welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak, dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok, een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel bestond. Ik hoorde—mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar, mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was, maar innerlijk moest ik bekennen—dat de schets gelijkend was.»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan,” zeide Andries tot zijn geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam is in elkgeval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker halfgek meisje, Diana Vernon—ja, men moest haar liever Diana van Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin—wat zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!—Ja, met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had hij de onbeschaamdheid om te zeggen—die arme verblinde zondaar!—dat Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!”Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden, zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!” eenige opmerkzaamheid blijken, tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.—»Wat! Ik zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries gek zijn! Hij vliegt op als buskruit,” en »Ik zou geduld met hem hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens, de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja, wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die is er zoo slecht niet aan toe.”Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen schande.” Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf, zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien nog zeer tevreden zijn.Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede, stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg enhier en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij aan de brug uit het sprookje, die in Mirza’s droomgezicht over het dal van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden, dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid, waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik denonbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan, in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep, dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken, voordat hij aangesproken wordt.»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!” sprak ik, toen hij bij mij stond.»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer Osbaldistone!”»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone uur te ontmoeten?”»Die ben ik!” hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen waarom.”»Voor dat ik u volg,” hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend zijn.”»Ik ben een mensch,” was het antwoord; »en mijn doel is goed.”»Een mensch?” herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort.”»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft,” antwoordde de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is, is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde bezit, wat is die dan meer?”»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen.”»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit zelf weten.”»Kunt gij mij die hier niet geven?” vroeg ik.»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven.”Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs, ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een onbepaald vertrouwen in te boezemen.»Wat vreest gij dan toch?” vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?”»Ik vrees niets,” antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u.”Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden, nog hooger en somberder schenen.Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt gij bevreesd?”»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?”»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand, en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt.”»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend.”»En ik ben integendeel niet gewapend,” antwoordde mijn geleider. »Maar dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik, wel eenigszins anders om het hart worden.”»En waarom dat?” vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u.”»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen, om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?—bij een man, door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te pakken?—bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou kunnen wezen?”»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?” vroeg ik.»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk mijn lot zouden worden.”Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.—»Gij hebt òf te veel òf te weinig gezegd!” antwoordde ik. »Te veel, dan dat ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent, dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt; te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten onrechte geschiedt.”Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.»Wat is dat?” zeide hij;»tegen een weerlooze, tegen uw vriend?”»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om aan beide te twijfelen.»Dat noem ik moedig gesproken!” hernam mijn geleider. »Ik heb achting voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar de gevangenis.”»Naar de gevangenis?” riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle pogingen en volg geen stap verder!”»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als gevangene!” antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik ben geen gerechtsdienaar—waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit bezoek, geen gevaar, maar demijnewel degelijk. Maar ik waag het onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren, en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer kent dan zijn degen.”Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.»Wat zouden zij er niet om geven,”—zoo begon de onbekende weder, wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,—»wat zouden de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak, eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.—Kom dan, wat draalt gij toch?”Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat—is het? Wat Satan! Op dezen tijd?—Tegen alle orde.…”De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder insluimerde.—»Dugald, vriend Dugald!” zeide mijn geleider vrij luid fluisterende: »hebt gij dan vergeten—ha num Gregarach?”»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!” was het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden en verdere oude wapentuigen prijkten.Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwammij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.

HOOFDSTUK XXI.In ’t middernacht’lijk uur op de Rialto,Volbreng ik, peinzende mijn avondgang …Daar dan ontmoeten wij elkander …Venetië gered.

In ’t middernacht’lijk uur op de Rialto,Volbreng ik, peinzende mijn avondgang …Daar dan ontmoeten wij elkander …Venetië gered.

In ’t middernacht’lijk uur op de Rialto,Volbreng ik, peinzende mijn avondgang …Daar dan ontmoeten wij elkander …

In ’t middernacht’lijk uur op de Rialto,

Volbreng ik, peinzende mijn avondgang …

Daar dan ontmoeten wij elkander …

Venetië gered.

Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer,die als een vluchtig spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen” zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die, zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in de omgeving paste.Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij, even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open, om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen, waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te verbergen—de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon, ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest hebben. Haar alleen—fluisterde de bedriegelijke hoop mij in—haar alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis, vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven, dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld »Diana roept u” zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging—hoe welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat gij twijfeldet—bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde, waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn middagmaal eerst na het eindigen van denamiddagsgodsdienstoefeninggehouden enaldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide, die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden, aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker, bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron, uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan, ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten’s lands, zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt, moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden, tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte, welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak, dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok, een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel bestond. Ik hoorde—mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar, mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was, maar innerlijk moest ik bekennen—dat de schets gelijkend was.»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan,” zeide Andries tot zijn geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam is in elkgeval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker halfgek meisje, Diana Vernon—ja, men moest haar liever Diana van Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin—wat zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!—Ja, met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had hij de onbeschaamdheid om te zeggen—die arme verblinde zondaar!—dat Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!”Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden, zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!” eenige opmerkzaamheid blijken, tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.—»Wat! Ik zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries gek zijn! Hij vliegt op als buskruit,” en »Ik zou geduld met hem hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens, de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja, wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die is er zoo slecht niet aan toe.”Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen schande.” Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf, zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien nog zeer tevreden zijn.Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede, stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg enhier en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij aan de brug uit het sprookje, die in Mirza’s droomgezicht over het dal van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden, dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid, waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik denonbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan, in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep, dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken, voordat hij aangesproken wordt.»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!” sprak ik, toen hij bij mij stond.»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer Osbaldistone!”»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone uur te ontmoeten?”»Die ben ik!” hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen waarom.”»Voor dat ik u volg,” hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend zijn.”»Ik ben een mensch,” was het antwoord; »en mijn doel is goed.”»Een mensch?” herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort.”»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft,” antwoordde de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is, is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde bezit, wat is die dan meer?”»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen.”»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit zelf weten.”»Kunt gij mij die hier niet geven?” vroeg ik.»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven.”Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs, ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een onbepaald vertrouwen in te boezemen.»Wat vreest gij dan toch?” vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?”»Ik vrees niets,” antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u.”Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden, nog hooger en somberder schenen.Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt gij bevreesd?”»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?”»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand, en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt.”»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend.”»En ik ben integendeel niet gewapend,” antwoordde mijn geleider. »Maar dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik, wel eenigszins anders om het hart worden.”»En waarom dat?” vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u.”»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen, om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?—bij een man, door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te pakken?—bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou kunnen wezen?”»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?” vroeg ik.»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk mijn lot zouden worden.”Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.—»Gij hebt òf te veel òf te weinig gezegd!” antwoordde ik. »Te veel, dan dat ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent, dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt; te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten onrechte geschiedt.”Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.»Wat is dat?” zeide hij;»tegen een weerlooze, tegen uw vriend?”»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om aan beide te twijfelen.»Dat noem ik moedig gesproken!” hernam mijn geleider. »Ik heb achting voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar de gevangenis.”»Naar de gevangenis?” riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle pogingen en volg geen stap verder!”»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als gevangene!” antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik ben geen gerechtsdienaar—waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit bezoek, geen gevaar, maar demijnewel degelijk. Maar ik waag het onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren, en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer kent dan zijn degen.”Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.»Wat zouden zij er niet om geven,”—zoo begon de onbekende weder, wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,—»wat zouden de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak, eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.—Kom dan, wat draalt gij toch?”Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat—is het? Wat Satan! Op dezen tijd?—Tegen alle orde.…”De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder insluimerde.—»Dugald, vriend Dugald!” zeide mijn geleider vrij luid fluisterende: »hebt gij dan vergeten—ha num Gregarach?”»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!” was het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden en verdere oude wapentuigen prijkten.Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwammij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.

Een angstig voorgevoel overviel mij, zonder dat ik eene bevredigende reden er voor geven kon. Ik sloot mij in de kamer van de herberg op. Want mijn geleider, die er op aandrong, dat ik met hem de St. Enochskerk bezoeken moest, waar een rechtzinnig geestelijke zou prediken, had ik bevolen alleen te gaan. Welk besluit was in mijn toestand het beste? Deze vraag hield mij ernstig bezig. Bijgeloovig was ik niet, maar ik geloof, dat elk mensch, die in een benauwden toestand al de hulpmiddelen van zijn verstand vruchteloos uitgeput heeft, in een aanval van vertwijfeling licht verleid kan worden om zijne verbeelding den vrijen teugel te vieren. Hij geeft zich dan geheel aan het toeval over, òf aan die grillige indrukken, die in hem opkomen en hem, ondanks zich zelven, medesleepen. Er lag iets zoo zonderling terugstootends in de onaangename gelaatstrekken van den Schotschen koopman, dat ik niet kon besluiten, mij aan hem te vertrouwen. Maar bovendien, die waarschuwer,die als een vluchtig spook onder het gewelf verdwenen was, als in het »rijk der schimmen” zoo iets moest de verbeelding van een jong mensch wel boeien, die, zoo als gij u wel zult herinneren, tevens een dichter was, en dus in de omgeving paste.

Als gevaren mij omringden, zoo als ik gewaarschuwd was, dan was er slechts één weg om ze te leeren kennen, en middelen te vinden, ze te ontwijken. Ik moest dan mijn onbekenden raadgever ontmoeten, bij wien ik immers slechts welmeenende oogmerken mocht veronderstellen. Ik dacht meer dan eens aan Rashleigh en diens listen. Maar mijne reis was zoo snel in zijn werk gegaan, dat ik niet gelooven kon, dat hij reeds van mijne komst in Glasgow onderricht, of voorbereid kon zijn, een aanslag tegen mij te wagen. Het ontbrak mij dan ook niet aan moed en vastberadenheid. Ik bezat lichaamskracht, en had mij, even als destijds alle jongelingen in Frankrijk, in den wapenhandel geoefend. Een enkelen vijand vreesde ik niet. Sluipmoord was in die dagen zeldzaam. Ook was de opgegeven plaats van bijeenkomst te open, om eenig te voren beraamd geweld te vermoeden. Kortom, ik besloot mijn geheimen raadsman op de brug te ontmoeten, en mij daarna door de omstandigheden te laten leiden. Ik wil voor u niet verbergen, waarde Tresham, wat ik toenmaals weliswaar voor mij zelven trachtte te verbergen—de onderdrukte, heimelijk gevoede hoop, dat Diana Vernon, ofschoon ik ook niet gissen kon hoe en door welke middelen, bij de zoo zonderlinge, dubbelzinnige waarschuwing, welke ik onder zulke verrassende omstandigheden ontvangen had, de hand in het spel moest hebben. Haar alleen—fluisterde de bedriegelijke hoop mij in—haar alleen was mijne reis bekend. Zij had, volgens hare eigen bekentenis, vrienden en invloed in Schotland. Zij had mij een talisman gegeven, dien ik zou aanwenden, zoodra alle middelen mislukten. Wie anders dus dan Diana, bezat de middelen, de kennis, de neiging, om de gevaren af te wenden, die, naar het scheen, mij op den voet volgden. Deze vleiende overweging drong zich weder meer en meer aan mij op. In het eerst, voordat ik mij aan tafel zette, kwam die gedachte zeer onbestemd vóór mijn geest. Maar zij had bekoorlijkheid voor mij. En terwijl ik mijn sober maal nuttigde, vooral een half uur later, toen misschien eenige glazen goeden rooden wijn haar aanwakkerden, was het denkbeeld »Diana roept u” zoo krachtig in mij, dat ik, als het ware om aan een bedriegelijke verleidster te ontsnappen, welker gevaarlijken invloed ik levendig gevoelde, flesch en schotels wegschoof en mij naar buiten spoedde, als om mij zelven te ontvluchten. Maar deze poging—hoe welgemeend ook, waaraan ik in elk geval niet gaarne zien zoude dat gij twijfeldet—bewerkte juist het tegendeel van hetgeen zij bewerken moest. Want onwillekeurig nam ik mijn weg naar de brug over de Clyde, waar de geheimzinnige waarschuwer beloofd had mij te zullen ontmoeten.

Mijne zeer vrome waardin wilde tusschen de voor- en namiddagspredikatie, om den Sabbath niet te schenden, volstrekt geen werk verrichten, en dus ook geen eten koken. Daarom had ik mijn middagmaal eerst na het eindigen van denamiddagsgodsdienstoefeninggehouden enaldus ook de waarschuwing van den onbekende, om tot aan schemeravond te huis te blijven, in acht genomen. Toch moesten nog verscheidene uren verloopen, eer de bepaalde tijd van onze bijeenkomst daar was. Ongeduldig zag ik de oogenblikken voortkruipen. Ik kan u bijna niet zeggen, hoe langzaam mij hun slakkengang scheen. Langs den oostelijken oever der rivier wandelden op eene uitgestrekte weide, die zoowel tot bleekveld als tot wandelplaats diende, talrijke groepen in hun Zondagspak uitgedoschte Glasgowers, terwijl anderen met deftige stappen de lange brug op en neer gingen. Allen, jong en oud, schenen zich, met een dankbaar gemoed voor de genoten weldaden, aan de heiligheid van den dag te wijden. Het maakte een aangenamen indruk. Al was ook de vrome stemming bij sommigen slechts eene onwillekeurige aandoening, misschien zelfs een aangenomen masker, bij de meesten kon men duidelijk zien, dat zij uit de echte bron, uit het hart, opwelde. Hoe vele menschen ik ook voorbij zag gaan, ik hoorde nooit meer dan één tegelijk overluid spreken. Slechts zeer weinigen kwamen terug om nog eenige minuten te wandelen. Hoe ook het schoone weêr en het niet minder schoone oord hen, die toch op dezen dag van hunne gewone werkzaamheden uitrustten, uitnoodigden, allen spoedden zich naar huis. Waarlijk, wie, zoo als ik, weet hoe men buiten’s lands, zelfs onder de Fransche Protestanten, den Zondag gewoonlijk doorbrengt, moet zeker iets Joods, maar tevens iets bijzonder treffends vinden in deze wijze van den Sabbath te vieren. Terwijl ik zoo langs den oever heen en weder slenterde en degenen, die dadelijk huiswaarts keerden, tegenkwam, begon ik eindelijk te begrijpen, dat ik mij hier licht tot een voorwerp der opmerkzaamheid, zoo niet van allerlei aanmerkingen maken kon. Ik koos dus een minder bezochte weg. Het verschafte mij in zekeren zin een afleiding, al wandelende er op te letten, om de aandacht der overige wandelaars te ontwijken. De lanen der vlakte, welke even als die van het St. Jamespark te Londen met boomen vrij dicht bezet zijn, maakten het mij nog al gemakkelijk.

Juist kwam ik eene dezer lanen door, toen ik plotseling tot mijne verrassing de scherpe stem van den tuinman Andries hoorde, die, in het besef van zijne tegenwoordige gewichtigheid een weinig luider sprak, dan anderen met de plechtigheid van den dag bestaanbaar achtten. Er bleef mij, ofschoon het juist het beste middel niet was, om op die wijze de lastige praatzucht en nog lastiger nieuwsgierigheid van mijn reisgenoot te ontgaan, niets anders over dan mij schielijk achter een boom te verschuilen. Hij wandelde naast een man met een ernstig voorkomen, wiens kleeding hoofdzakelijk uit een zwarten rok, een neerhangenden hoed met een breeden rand, en een langen mantel bestond. Ik hoorde—mijne eigen karakterbeschrijving. Weliswaar, mijne eigenliefde vond het eene grove karikatuur, die beleedigend was, maar innerlijk moest ik bekennen—dat de schets gelijkend was.

»Ja, zoo als ik u zeg, mijnheer Hammorgan,” zeide Andries tot zijn geleider, »zoo is hij, van top tot teen. Het ontbreekt hem niet aan verstand. Hij beseft wel zoo wat hetgeen goed, oorbaar en raadzaam is in elkgeval, maar eer men zich omkeert heeft hij alles weder vergeten. Dat komt voornamelijk daar van daan, dat hij zich altijd met die gekke poëzie bezig houdt. Dat brengt hem het hoofd geheel op hol. Een ouden, half verdorden eik kan hij met even veel belangstelling aanstaren, alsof het een appelboom met heerlijke vruchten was. Een kale rots, waarvan eene beek neerstort, is hem veel aangenamer dan de weligste moestuin. Ook babbelt hij veel liever met een zeker halfgek meisje, Diana Vernon—ja, men moest haar liever Diana van Epheze noemen, want zij is niet veel beter dan eene Heidin—wat zeg ik, beter, zij is veel erger, want zij is eene Papiste!—Ja, met die, of met andere ledigloopers, loopt en babbelt hij veel liever, dan dat hij van u, of van mij, of van andere verstandige lieden bedaard zou aanhooren, wat hem hier en hiernamaals van nut zou kunnen zijn. Ach, verstandig moet men eigenlijk niet met hem spreken, mijnheer Hammorgan! Dat baat niets. Alles is wildzang bij hem. Naar bedaarde rede luistert hij niet. Wat dunkt u? Onlangs had hij de onbeschaamdheid om te zeggen—die arme verblinde zondaar!—dat Davids psalmen heerlijke gedichten waren! Alsof de heilige Psalmist een rijmelaar geweest was, zooals hij en andere wereldlingen!”

Bij het aanhooren dezer stichtelijke beoordeeling van mijn aard en letterkundige bezigheden, dacht ik in mijn rechtmatigen toorn den tuinman, bij de eerste gelegenheid de beste, met eene voelbare antikritiek te dienen. Zijn geleider liet slechts door enkele woorden, zooals: »ei, ei! wat ge zegt! wel zoo!” eenige opmerkzaamheid blijken, tot hij eindelijk eene vrij lange aanmerking maakte, wier inhoud ik slechts uit de antwoorden van mijn reisgenoot kon gissen.—»Wat! Ik zou hem eens goed mijne meening zeggen? Neen, dan moest Andries gek zijn! Hij vliegt op als buskruit,” en »Ik zou geduld met hem hebben? Ik weet waarlijk niet waarom ik dat doen zou. Overigens, de jongen is niet kwaad: hij moet maar iemand hebben, die zoo wat op hem past. Het goud loopt hem tusschen de vingers door als water. Ja, wie dicht bij hem is, wanneer hij zijne beurs getrokken heeft, die is er zoo slecht niet aan toe.”

Wat hij verder zeide, kon ik niet verstaan, daar hij zich met zijn metgezel verwijderde. De opwelling van mijn misnoegen bedaarde spoedig. Ik bedacht dat Andries juist geen ongelijk zou hebben, als hij mij, op zijne wijze, toeriep: »een luisteraar hoort zijne eigen schande.” Wie luisteren wil naar eene beoordeeling van zich zelf, zooals dit in de keuken door de dienstboden geschiedt, moet er zich wel degelijk op voorbereiden, om ongenadig gehavend te worden. Als ik dit in aanmerking nam, mocht ik over mijn beoordeelaar misschien nog zeer tevreden zijn.

Intusschen was dit kleine avontuur mij in zoo verre aangenaam, dat het mij voor eenige oogenblikken den tijd kortte, die mij zoo lang viel. De nacht begon intusschen te vallen, en de langzamerhand toenemende duisternis wierp eerst eene gelijkvormige donkere tint over de breede, stille en diepe rivier, die daarop een somber aanzien kreeg enhier en daar flauw door het maanlicht beschenen werd. De nog zeer hechte oude brug over de Clyde, was nauwelijks zichtbaar. Het herinnerde mij aan de brug uit het sprookje, die in Mirza’s droomgezicht over het dal van Bagdad liep. De lage bogen, zwart als de rivier waaruit zij zich verhieven, geleken meer op holen, die het donkere water verslonden, dan op poorten, om het door te laten. Met den aanbrekenden nacht werd het al stiller. Slechts nu en dan zweefde langs de rivier een schemerend licht, als kleine gezelschappen huiswaarts gingen, die na den dag des Heeren plichtmatig door het bijwonen van den openbaren godsdienst en onthouding van alle wereldsche vermaken gevierd te hebben, een vriendschappelijk maal genoten hadden, het eenige, wat de Presbyterianen zich op den Sabbath veroorloofden. Soms hoorde men ook den hoefslag van een paard, dat dezen of genen landman, die den Zondag in Glasgow had doorgebracht, naar zijn dorpje terugvoerde. Van lieverlede werden deze geluiden en verschijningen zeldzamer. Ze hielden weldra geheel en al op. Eenzaam wandelde ik nu langs den oever der rivier, en de plechtige stilte werd slechts van tijd tot tijd door den klokslag afgebroken, die van den kerktoren helder door de stilte klonk.

Naarmate de nacht vorderde, werd mijn ongeduld over de onzekerheid, waarin ik mij bevond, met ieder oogenblik levendiger en eindelijk bijna onbedwingbaar. Reeds vroeg ik mij zelven af, of de laffe grap van een gek, of de sluwheid van een schelm, of het overlegde plan van een schurk mij bedrogen had. Met een gemengd gevoel van ongerustheid en misnoegen begaf ik mij naar de brug. Eindelijk sloeg de klok der hoofdkerk twaalf ure. Doch nauwelijks was de klank van den laatsten slag verdwenen, of eene menschelijke gedaante, de eerste, welke ik sedert twee uren gezien had, kwam van den westelijken oever de brug over. Ik ging haar te gemoet met eene gewaarwording, alsof van het gevolg dezer bijeenkomst mijn levenslot afhing; zoozeer had mijne gespannen verwachting mijne bezorgdheid gaande gemaakt. Toen ik denonbekende naderde, zag ik, dat hij van meer dan middelbare grootte en vrij gezet was. Een ruitermantel bedekte hem. Ik vertraagde mijne schreden en bleef, toen ik nabij hem was, bijna stilstaan, in de verwachting dat hij mij aanspreken zou. Maar ik zag mij zeer onaangenaam te leur gesteld, toen hij verder ging zonder iets te zeggen. Ik had volstrekt geen voorwendsel, om hem het eerst aan te spreken. Ofschoon hij op het tot onze bijeenkomst bepaald uur verscheen, kon hij nochtans een vreemdeling zijn. Hij ging mij voorbij; ik bleef staan en zag hem na in twijfel of ik hem volgen zou. De onbekende begaf zich naar het oosteinde der brug, bleef daar staan, keek om, keerde terug en kwam weder naar mij toe. Ik begreep, dat hij ditmaal mijn stilzwijgen vreemd zou kunnen vinden, als ware hij een geest, die, zoo als men wel eens zegt, niet vermag te spreken, voordat hij aangesproken wordt.

»Gij zijt nog laat op weg, mijnheer!” sprak ik, toen hij bij mij stond.

»Ik ben mijn woord getrouw, en gij zijt dit ook, hoop ik, mijnheer Osbaldistone!”

»Gij zijt dus degeen, die mij uitnoodigde, om u hier op dit ongewone uur te ontmoeten?”

»Die ben ik!” hernam de onbekende. »Volg mij en gij zult vernemen waarom.”

»Voor dat ik u volg,” hernam ik, »moet ik met uw naam en doel bekend zijn.”

»Ik ben een mensch,” was het antwoord; »en mijn doel is goed.”

»Een mensch?” herhaalde ik. »De aanduiding is zeer kort.”

»Zij is voldoende voor hem die geene andere te geven heeft,” antwoordde de onbekende. »Wie zonder naam, zonder vriend, zonder vaderland is, is ten minste nog altijd een mensch. En zelfs wie al dat genoemde bezit, wat is die dan meer?”

»Maar dat is in elk geval eene veel te algemeene verklaring van uw persoon, dan dat een vreemdeling zich aan u zou kunnen toevertrouwen.”

»En toch is zij de eenige, die ik voornemens ben u te geven. Nu kunt gij mij volgen. Maar wilt gij hier blijven zonder de inlichtingen te erlangen welke ik u wensch te verstrekken, welnu, dan moet gij dit zelf weten.”

»Kunt gij mij die hier niet geven?” vroeg ik.

»Gij moet ze door middel van uwe eigen oogen ontvangen, niet door middel van mijn mond. Of gij volgt mij of gij blijft zonder die belangrijke mededeelingen aangaande het bericht, dat ik u wil geven.”

Er lag in den toon en het voorkomen van den man iets droogs, stelligs, ja iets min of meer ruws, dat juist niet zeer geschikt was om een onbepaald vertrouwen in te boezemen.

»Wat vreest gij dan toch?” vervolgde hij. »Voor wien meent gij dat uw leven van zooveel belang is, dat men trachten zou het u te ontrooven?”

»Ik vrees niets,” antwoordde ik op vasten toon, doch eenigszins haastig. »Welaan, vooruit maar, ik volg u.”

Wij gingen heen, maar tegen mijne verwachting terug naar de stad, en slopen als spoken door de ledige straten, terwijl in het schemerlicht der maan de hooge, sombere voorgevels der huizen met hunne sieraden, nog hooger en somberder schenen.

Na eenige minuten brak mijn geleider het zwijgen aldus af: »Zijt gij bevreesd?”

»Ik herhaal uwe eigene woorden: Waarom zou ik bevreesd zijn?”

»Omdat gij u met een onbekende bevindt, misschien met een vijand, en wel op eene plaats, waar gij geen vrienden en vele vijanden hebt.”

»Ik vrees u, noch hen. Ik ben jong, moedig en goed gewapend.”

»En ik ben integendeel niet gewapend,” antwoordde mijn geleider. »Maar dat doet er niet toe. Eene gewillige hand ontbreekt het nooit aan kracht tot tegenweer. Gij verzekert mij, dat gij niets vreest. Maar zoo gij wist, wien gij thans naast u hebt, zou het u, geloof ik, wel eenigszins anders om het hart worden.”

»En waarom dat?” vroeg ik. »Nog eens, ik vrees volstrekt niets van u.”

»Niets van mij? Het kan zijn! Maar vreest gij de gevolgen niet, die het zou kunnen hebben, wanneer men u bij een man vond, wiens naam men in deze eenzame straten slechts fluisterend behoeft te noemen, om zelfs de steenen te doen oprijzen om hem te grijpen?—bij een man, door wiens hoofd over te leveren de helft der inwoners van Glasgow hun fortuin zouden kunnen maken, als zij maar gelukkig genoeg waren hem te pakken?—bij een man, wiens gevangenneming een even welkome boodschap in Edinburg zou zijn, als ooit een gewonnen slag in Vlaanderen zou kunnen wezen?”

»En wie zijt gij dan, wiens naam zoo geducht is?” vroeg ik.

»Uw vijand niet. Want ik breng u naar eene plaats, waar, zoo men mij herkende, een ijzer aan mijn been en een strop om mijn hals dadelijk mijn lot zouden worden.”

Ik bleef staan en trad zoo ver terug, dat ik mijn geleider zoo nauwkeurig kon opnemen, als in de schemering mogelijk was, terwijl ik mij tevens tegen elken plotselingen aanval nu veilig achtte.—»Gij hebt òf te veel òf te weinig gezegd!” antwoordde ik. »Te veel, dan dat ik u, een vreemdeling, zou kunnen vertrouwen, daar gij zelf bekent, dat gij door de gestrengheid der wetten van dit land vervolgd wordt; te weinig, zoo gij mij niet bewijzen kunt, dat die vervolging ten onrechte geschiedt.”

Toen ik dit gezegd had, trad hij een stap naar mij toe. Ik week onwillekeurig terug en legde de hand aan mijn degen.

»Wat is dat?” zeide hij;»tegen een weerlooze, tegen uw vriend?”

»Ik weet nog niet, of gij het een of het ander zijt, en ronduit gesproken, uwe woorden en uw gedrag geven mij alleszins recht, om aan beide te twijfelen.

»Dat noem ik moedig gesproken!” hernam mijn geleider. »Ik heb achting voor den man, wiens hand in staat is, om, des noods, zijn hoofd te verdedigen. Dus zonder omwegen, mijn vriend! Ik breng u naar de gevangenis.”

»Naar de gevangenis?” riep ik uit. »En op wiens bevel, of om welke misdaad? Mijn leven eerder, dan mijne vrijheid! Ik trotseer alle pogingen en volg geen stap verder!”

»Versta mij toch wel, ik breng u er niet heen als gevangene!” antwoordde hij, en voegde er op fieren toon bij: »ik ben geen gerechtsdienaar—waarvoor ziet gij mij aan? Neen, ik breng u derwaarts bij een gevangene, uit wiens mond gij het gevaar zult vernemen, waarin gij u hier bevindt. Uwe vrijheid loopt, bij dit bezoek, geen gevaar, maar demijnewel degelijk. Maar ik waag het onverschrokken om uwent wil. Want ik tel eigenlijk geen gevaren, en stel belang in een braven jongeling, die geen andere beschermer kent dan zijn degen.”

Terwijl hij dit zeide, waren wij in de hoofdstraat gekomen en stonden voor een groot steenen gebouw, welks vensters, zoo als ik meende te ontwaren, met ijzeren staven voorzien waren.

»Wat zouden zij er niet om geven,”—zoo begon de onbekende weder, wiens langzame uitspraak, wanneer hij in den toon van vertrouwelijk gesprek viel, meer en meer zijne geboorteplaats verried,—»wat zouden de Glasgowsche trawanten van vrouw Justitia er niet om geven, als zij hem achter deze traliën in ijzers en banden hadden, die thans onder Gods vrije lucht zoo vrij is, als een hert in de bosschen. Maar het zou hun toch luttel baten, al hadden zij mij ook van het hoofd tot de voeten in de boeien geklonken. Zij zouden, eer de morgen aanbrak, eene ledige kooi en den vogel gevlogen vinden.—Kom dan, wat draalt gij toch?”

Bij die woorden klopte hij aan een laag poortje. Iemand, die uit een droom scheen te ontwaken, antwoordde met eene schelle stem: »Wat—is het? Wat Satan! Op dezen tijd?—Tegen alle orde.…”

De stem werd langzamerhand flauwer, alsof de spreker weder insluimerde.—»Dugald, vriend Dugald!” zeide mijn geleider vrij luid fluisterende: »hebt gij dan vergeten—ha num Gregarach?”

»Alle duivels, ja waarachtig! bijna zou ik het vergeten hebben!” was het vlugge antwoord, en ik hoorde, hoe de gevangenbewaarder zich spoedde om de deur te openen, terwijl mijn geleider en hij nog eenige woorden, in eene voor mij volstrekt onverstaanbare taal, wisselden. De grendels werden weggeschoven, doch met eene voorzichtigheid, die de vrees verried, dat men het knarsen daarvan mocht hooren. Wij stonden in het nauwe voorportaal, waaruit een smalle trap naar de tweede verdieping en een paar lage deuren naar vast gegrendelde vertrekken leidden. De kale muren waren met boeien en andere, tot gruwzamer doeleinden bestemde, werktuigen behangen, tusschen welke hellebaarden en verdere oude wapentuigen prijkten.

Daar stond ik nu als door een onverwacht toeval en in nachtelijk geheim, in eene der gevangenissen van Schotland. Onwillekeurig kwammij mijn avontuur in Northumberland in de gedachte. Ik verwenschte de zonderlinge omstandigheden, die mij nog eens, zonder dat ik het door eigene schuld verdiend had, in hoogst onaangename aanraking met de wetten van het land dreigden te brengen. Ik was slechts als vreemdeling hier. Het kon wel eens gevaarlijk worden.


Back to IndexNext