HOOFDSTUK XXVI.Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,Hij hoont den zachten aard van ’t vlakland, hoont die dwergen.Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.Gray.»Ge komt laat?” vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte.”Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende uitnoodigingenfatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde, ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die, zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de kapers. »Maar het is toch lekker,” zeide hij, »en goede waren komen dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een braaf man, toen ik hem kende:—alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is nu dood.—Ik hoop dat hij genade gevonden heeft.” Dezen drank, dien wij hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde, op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen, welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte, om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen, beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.—»Neen, neen!” zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig aangenaams, mijnheer Osbaldistone,” vervolgde hij, toen hij bemerkte, dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel, dat ieder ’t liefst over zijn beroep of handwerk spreekt.”Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De tuinvan het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen, dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?…”Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.—»Al weder die Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken: dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar de galg. Maar verder, verder!”Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon, maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had, verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.—»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om raad vragen,” vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn.”»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!” hernam Jarvie. »Vraag steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar vaneerwil ik liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man, die stil te huis zit en vlijtig rekent.”»Juist, mijnheer Jarvie!” zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak, en als wij deze slechts redden kunnen.…”»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!” hernam Jarvie. »Gij spreekt als een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert, en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten, ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!”»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?” vroeg ik.»Nu ja!” antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen.”»Maar gelooft gij dan,” vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn, ommij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?”»Hoor eens, eerlijk gesproken,” hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen u hernieuwt—dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen; en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten, wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn.”»Dat begrijp ik wel!” hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh’s streken zijn. En zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest, waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim, zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons ongeluk is.”»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!” zeide Jarvie; »waarlijk veel te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven, geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt, zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie.”Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken, te bezoeken.»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen,” vervolgde Jarvie, »omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt.”»Welzeker!” antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid, maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man, wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal kunnen zijn.”Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.—»Wat ervaring betreft?” hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries Wylie, vroeger bijmij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp., maar komt wel eens ’s Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord Hay,—waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!—Maar zulke voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.—Wat zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen des hemels zouden het overbrengen.”Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen vertrouwen kon.»Neen,” antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen.”Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels, bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en dertig kerspelen wezen, Of zij daar allenGaelischspreken of niet, kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw, geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar, en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan bedraagt de gansche bevolking.…”»Juist 220,800 zielen,” viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn schik was met deze statistiek.»Precies en vlug uitgerekend!” zeide Jarvie.»En daar in het Hoogland elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt, hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook nog zoo traag—en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spadegloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen bedraagt nu.…”»Juist 110,400, als de helft van de geheele som.”»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij dat ook, maar zij kunnen het niet eens.”»Hoe is het mogelijk!” viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der Britsche eilanden!”»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is,” hernam Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen behoeft—wat in zulk een armzalig land reeds veel is—en tevens weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien, dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen, die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!”»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien toestand denkt!” riep ik uit.»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid leefdet!” antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden, ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is, zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne »clan”, zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of, wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen, met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den »heer” slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier in West-Schotland.”»En is die neef van u,” vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een van die »heeren”, welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?”»Neen,” hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want ons bloed is edel Hooglandsch bloed.—Hierop laat ik mij, zoo als gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader, aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!—allen beginnende; »waarde Jarvie!” en eindigende »uw liefhebbende neef.” Zij handelden meestal over geleend geld—zoodat mijn vader, die heel voorzichtig was,—ze steeds bewaarde.”»Maar al is hij dan,” viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen, van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?”»Dat zou ik meenen!” zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man, zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had, gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen.”»Vijf en twintig procent!” riep Owen uit; »een zwaar disconto!”»Ja, die gaf hij terug,” hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt, dat zij Robbert’s vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden, dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt heeft. Toen Robbert te huis kwam—och arme! vond hij verwoesting, waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!”Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goedenJarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht werd,”—begon ik, toen Jarvie zweeg—»werd hij vermoedelijk een van die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?”»Neen, zoo slecht werd hij niet,” hernam Jarvie, »zoo slecht niet; maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting1. Ja, hij dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te voren gewaagd had.”»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?” vroeg ik.»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam, die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen hooren.—Nu, wat ik ook zeggen wilde—ja, Robbert had weldra vele dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden, zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug, of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord—ja, dat moet ieder erkennen—Robbert houdt altijd woord.”»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!” hernam Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop.”»Maar is dat contract van assurantie,” vroeg ik, »zoo als de heer Owen het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen.”»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!” zei Jarvie lachend, terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil, in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zichmet die gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den duivel te doen.”»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten min of meer verkorven?”»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt,” hernam Jarvie. »Zijn hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen, die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch: ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is, soms liever hoor dan een stichtelijk woord—de Heere vergeve mij de zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien strijdig met Gods woord en wet.”Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?—»Gij moet weten.” vervolgde Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders—ik spreek hier immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding—sedert het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden gekomen—doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg, en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen samenfluitenkan, welke allen zijn wil volbrengen—waarachtig, zoo iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden, even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders zaak daarmede te maken heeft.”»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen,” vervolgde Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste Hooglanders—want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge Osbaldistone waren geweest—ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu, nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh zelf geweest, of ten minste een van uwe neven—die zijn toch allen van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt, tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan en redden kon door den arm der justitie.”»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie,” zeide ik. »Ik ben dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken …”»Gij hebt het vermoed?” hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden overal een schier onbepaald crediet. Want—ik zeg het den heer Owen, zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug—geen kantoor was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk demeeste hunner wisselsdisconteeren. Op deze wijze.… merkt gij dan niet, waar ik heen wil?”Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.»Welnu,” vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?”Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste mij.—»Gelooft gij dan,” zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders te bespoedigen?”»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest,”hernamJarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er contanten voor wilden geven—ik heb dat uit de derde hand. Maar die sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden.”»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?” vroeg ik. »Is hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave, die de ontwerpen van zijne partij zou schaden.”»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen,” hernam Jarvie. »De grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden, dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was, zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in zijne benardeomstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier.”»Een boos dier?” vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?”»Robberts vrouw,” hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij willen ophangen.”»Vreemd,” merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking moeten staan.”»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!” hernam Jarvie. »Dat zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?”»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest.”»Dat zou ik denken!” zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam kleinood in onze dagen in waarde houden.”»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde te gaan,” hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting geëvenredigd zijn.”»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen is,” zeide Owen.»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt hebben—en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade’s-Land; John Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere zekerheid verlangen.”Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren terugkrijgen zouden.»Wanhoop niet, mijn goede man!” vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost, al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert gebannen—ik wil hun dat in het gezicht zeggen—welnu, dan bestaan er thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!”Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch, om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.Gretig nam ik dus Jarvie’s aanbod aan, om hem den volgenden morgen te vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijkafscheid van den ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.1Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.↑
HOOFDSTUK XXVI.Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,Hij hoont den zachten aard van ’t vlakland, hoont die dwergen.Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.Gray.»Ge komt laat?” vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte.”Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende uitnoodigingenfatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde, ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die, zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de kapers. »Maar het is toch lekker,” zeide hij, »en goede waren komen dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een braaf man, toen ik hem kende:—alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is nu dood.—Ik hoop dat hij genade gevonden heeft.” Dezen drank, dien wij hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde, op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen, welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte, om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen, beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.—»Neen, neen!” zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig aangenaams, mijnheer Osbaldistone,” vervolgde hij, toen hij bemerkte, dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel, dat ieder ’t liefst over zijn beroep of handwerk spreekt.”Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De tuinvan het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen, dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?…”Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.—»Al weder die Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken: dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar de galg. Maar verder, verder!”Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon, maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had, verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.—»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om raad vragen,” vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn.”»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!” hernam Jarvie. »Vraag steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar vaneerwil ik liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man, die stil te huis zit en vlijtig rekent.”»Juist, mijnheer Jarvie!” zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak, en als wij deze slechts redden kunnen.…”»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!” hernam Jarvie. »Gij spreekt als een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert, en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten, ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!”»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?” vroeg ik.»Nu ja!” antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen.”»Maar gelooft gij dan,” vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn, ommij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?”»Hoor eens, eerlijk gesproken,” hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen u hernieuwt—dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen; en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten, wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn.”»Dat begrijp ik wel!” hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh’s streken zijn. En zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest, waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim, zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons ongeluk is.”»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!” zeide Jarvie; »waarlijk veel te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven, geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt, zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie.”Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken, te bezoeken.»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen,” vervolgde Jarvie, »omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt.”»Welzeker!” antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid, maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man, wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal kunnen zijn.”Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.—»Wat ervaring betreft?” hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries Wylie, vroeger bijmij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp., maar komt wel eens ’s Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord Hay,—waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!—Maar zulke voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.—Wat zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen des hemels zouden het overbrengen.”Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen vertrouwen kon.»Neen,” antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen.”Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels, bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en dertig kerspelen wezen, Of zij daar allenGaelischspreken of niet, kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw, geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar, en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan bedraagt de gansche bevolking.…”»Juist 220,800 zielen,” viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn schik was met deze statistiek.»Precies en vlug uitgerekend!” zeide Jarvie.»En daar in het Hoogland elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt, hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook nog zoo traag—en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spadegloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen bedraagt nu.…”»Juist 110,400, als de helft van de geheele som.”»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij dat ook, maar zij kunnen het niet eens.”»Hoe is het mogelijk!” viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der Britsche eilanden!”»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is,” hernam Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen behoeft—wat in zulk een armzalig land reeds veel is—en tevens weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien, dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen, die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!”»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien toestand denkt!” riep ik uit.»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid leefdet!” antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden, ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is, zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne »clan”, zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of, wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen, met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den »heer” slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier in West-Schotland.”»En is die neef van u,” vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een van die »heeren”, welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?”»Neen,” hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want ons bloed is edel Hooglandsch bloed.—Hierop laat ik mij, zoo als gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader, aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!—allen beginnende; »waarde Jarvie!” en eindigende »uw liefhebbende neef.” Zij handelden meestal over geleend geld—zoodat mijn vader, die heel voorzichtig was,—ze steeds bewaarde.”»Maar al is hij dan,” viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen, van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?”»Dat zou ik meenen!” zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man, zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had, gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen.”»Vijf en twintig procent!” riep Owen uit; »een zwaar disconto!”»Ja, die gaf hij terug,” hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt, dat zij Robbert’s vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden, dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt heeft. Toen Robbert te huis kwam—och arme! vond hij verwoesting, waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!”Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goedenJarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht werd,”—begon ik, toen Jarvie zweeg—»werd hij vermoedelijk een van die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?”»Neen, zoo slecht werd hij niet,” hernam Jarvie, »zoo slecht niet; maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting1. Ja, hij dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te voren gewaagd had.”»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?” vroeg ik.»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam, die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen hooren.—Nu, wat ik ook zeggen wilde—ja, Robbert had weldra vele dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden, zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug, of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord—ja, dat moet ieder erkennen—Robbert houdt altijd woord.”»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!” hernam Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop.”»Maar is dat contract van assurantie,” vroeg ik, »zoo als de heer Owen het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen.”»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!” zei Jarvie lachend, terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil, in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zichmet die gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den duivel te doen.”»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten min of meer verkorven?”»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt,” hernam Jarvie. »Zijn hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen, die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch: ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is, soms liever hoor dan een stichtelijk woord—de Heere vergeve mij de zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien strijdig met Gods woord en wet.”Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?—»Gij moet weten.” vervolgde Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders—ik spreek hier immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding—sedert het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden gekomen—doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg, en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen samenfluitenkan, welke allen zijn wil volbrengen—waarachtig, zoo iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden, even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders zaak daarmede te maken heeft.”»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen,” vervolgde Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste Hooglanders—want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge Osbaldistone waren geweest—ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu, nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh zelf geweest, of ten minste een van uwe neven—die zijn toch allen van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt, tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan en redden kon door den arm der justitie.”»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie,” zeide ik. »Ik ben dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken …”»Gij hebt het vermoed?” hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden overal een schier onbepaald crediet. Want—ik zeg het den heer Owen, zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug—geen kantoor was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk demeeste hunner wisselsdisconteeren. Op deze wijze.… merkt gij dan niet, waar ik heen wil?”Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.»Welnu,” vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?”Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste mij.—»Gelooft gij dan,” zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders te bespoedigen?”»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest,”hernamJarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er contanten voor wilden geven—ik heb dat uit de derde hand. Maar die sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden.”»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?” vroeg ik. »Is hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave, die de ontwerpen van zijne partij zou schaden.”»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen,” hernam Jarvie. »De grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden, dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was, zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in zijne benardeomstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier.”»Een boos dier?” vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?”»Robberts vrouw,” hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij willen ophangen.”»Vreemd,” merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking moeten staan.”»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!” hernam Jarvie. »Dat zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?”»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest.”»Dat zou ik denken!” zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam kleinood in onze dagen in waarde houden.”»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde te gaan,” hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting geëvenredigd zijn.”»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen is,” zeide Owen.»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt hebben—en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade’s-Land; John Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere zekerheid verlangen.”Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren terugkrijgen zouden.»Wanhoop niet, mijn goede man!” vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost, al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert gebannen—ik wil hun dat in het gezicht zeggen—welnu, dan bestaan er thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!”Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch, om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.Gretig nam ik dus Jarvie’s aanbod aan, om hem den volgenden morgen te vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijkafscheid van den ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.1Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.↑
HOOFDSTUK XXVI.Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,Hij hoont den zachten aard van ’t vlakland, hoont die dwergen.Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.Gray.
Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,Hij hoont den zachten aard van ’t vlakland, hoont die dwergen.Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.Gray.
Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,Hij hoont den zachten aard van ’t vlakland, hoont die dwergen.Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.
Een stam van staal en ijzer woont op de steile bergen,
Hij hoont den zachten aard van ’t vlakland, hoont die dwergen.
Ziet fier en koen en trotsch zijn rotsenwallen rond,
Waar naast de matigheid, ook vrijheid woning vond:
Hij spot met weelde en macht van het laaggelegen land.
Zijn zelfbewustzijn sterkt zijn wettelooze hand.
Gray.
»Ge komt laat?” vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte.”Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende uitnoodigingenfatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde, ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die, zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de kapers. »Maar het is toch lekker,” zeide hij, »en goede waren komen dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een braaf man, toen ik hem kende:—alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is nu dood.—Ik hoop dat hij genade gevonden heeft.” Dezen drank, dien wij hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde, op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen, welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte, om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen, beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.—»Neen, neen!” zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig aangenaams, mijnheer Osbaldistone,” vervolgde hij, toen hij bemerkte, dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel, dat ieder ’t liefst over zijn beroep of handwerk spreekt.”Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De tuinvan het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen, dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?…”Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.—»Al weder die Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken: dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar de galg. Maar verder, verder!”Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon, maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had, verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.—»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om raad vragen,” vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn.”»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!” hernam Jarvie. »Vraag steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar vaneerwil ik liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man, die stil te huis zit en vlijtig rekent.”»Juist, mijnheer Jarvie!” zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak, en als wij deze slechts redden kunnen.…”»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!” hernam Jarvie. »Gij spreekt als een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert, en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten, ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!”»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?” vroeg ik.»Nu ja!” antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen.”»Maar gelooft gij dan,” vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn, ommij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?”»Hoor eens, eerlijk gesproken,” hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen u hernieuwt—dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen; en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten, wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn.”»Dat begrijp ik wel!” hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh’s streken zijn. En zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest, waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim, zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons ongeluk is.”»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!” zeide Jarvie; »waarlijk veel te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven, geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt, zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie.”Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken, te bezoeken.»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen,” vervolgde Jarvie, »omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt.”»Welzeker!” antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid, maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man, wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal kunnen zijn.”Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.—»Wat ervaring betreft?” hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries Wylie, vroeger bijmij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp., maar komt wel eens ’s Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord Hay,—waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!—Maar zulke voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.—Wat zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen des hemels zouden het overbrengen.”Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen vertrouwen kon.»Neen,” antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen.”Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels, bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en dertig kerspelen wezen, Of zij daar allenGaelischspreken of niet, kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw, geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar, en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan bedraagt de gansche bevolking.…”»Juist 220,800 zielen,” viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn schik was met deze statistiek.»Precies en vlug uitgerekend!” zeide Jarvie.»En daar in het Hoogland elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt, hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook nog zoo traag—en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spadegloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen bedraagt nu.…”»Juist 110,400, als de helft van de geheele som.”»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij dat ook, maar zij kunnen het niet eens.”»Hoe is het mogelijk!” viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der Britsche eilanden!”»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is,” hernam Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen behoeft—wat in zulk een armzalig land reeds veel is—en tevens weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien, dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen, die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!”»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien toestand denkt!” riep ik uit.»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid leefdet!” antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden, ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is, zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne »clan”, zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of, wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen, met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den »heer” slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier in West-Schotland.”»En is die neef van u,” vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een van die »heeren”, welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?”»Neen,” hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want ons bloed is edel Hooglandsch bloed.—Hierop laat ik mij, zoo als gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader, aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!—allen beginnende; »waarde Jarvie!” en eindigende »uw liefhebbende neef.” Zij handelden meestal over geleend geld—zoodat mijn vader, die heel voorzichtig was,—ze steeds bewaarde.”»Maar al is hij dan,” viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen, van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?”»Dat zou ik meenen!” zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man, zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had, gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen.”»Vijf en twintig procent!” riep Owen uit; »een zwaar disconto!”»Ja, die gaf hij terug,” hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt, dat zij Robbert’s vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden, dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt heeft. Toen Robbert te huis kwam—och arme! vond hij verwoesting, waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!”Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goedenJarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht werd,”—begon ik, toen Jarvie zweeg—»werd hij vermoedelijk een van die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?”»Neen, zoo slecht werd hij niet,” hernam Jarvie, »zoo slecht niet; maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting1. Ja, hij dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te voren gewaagd had.”»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?” vroeg ik.»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam, die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen hooren.—Nu, wat ik ook zeggen wilde—ja, Robbert had weldra vele dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden, zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug, of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord—ja, dat moet ieder erkennen—Robbert houdt altijd woord.”»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!” hernam Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop.”»Maar is dat contract van assurantie,” vroeg ik, »zoo als de heer Owen het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen.”»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!” zei Jarvie lachend, terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil, in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zichmet die gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den duivel te doen.”»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten min of meer verkorven?”»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt,” hernam Jarvie. »Zijn hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen, die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch: ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is, soms liever hoor dan een stichtelijk woord—de Heere vergeve mij de zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien strijdig met Gods woord en wet.”Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?—»Gij moet weten.” vervolgde Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders—ik spreek hier immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding—sedert het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden gekomen—doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg, en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen samenfluitenkan, welke allen zijn wil volbrengen—waarachtig, zoo iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden, even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders zaak daarmede te maken heeft.”»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen,” vervolgde Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste Hooglanders—want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge Osbaldistone waren geweest—ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu, nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh zelf geweest, of ten minste een van uwe neven—die zijn toch allen van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt, tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan en redden kon door den arm der justitie.”»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie,” zeide ik. »Ik ben dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken …”»Gij hebt het vermoed?” hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden overal een schier onbepaald crediet. Want—ik zeg het den heer Owen, zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug—geen kantoor was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk demeeste hunner wisselsdisconteeren. Op deze wijze.… merkt gij dan niet, waar ik heen wil?”Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.»Welnu,” vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?”Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste mij.—»Gelooft gij dan,” zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders te bespoedigen?”»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest,”hernamJarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er contanten voor wilden geven—ik heb dat uit de derde hand. Maar die sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden.”»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?” vroeg ik. »Is hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave, die de ontwerpen van zijne partij zou schaden.”»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen,” hernam Jarvie. »De grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden, dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was, zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in zijne benardeomstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier.”»Een boos dier?” vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?”»Robberts vrouw,” hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij willen ophangen.”»Vreemd,” merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking moeten staan.”»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!” hernam Jarvie. »Dat zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?”»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest.”»Dat zou ik denken!” zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam kleinood in onze dagen in waarde houden.”»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde te gaan,” hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting geëvenredigd zijn.”»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen is,” zeide Owen.»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt hebben—en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade’s-Land; John Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere zekerheid verlangen.”Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren terugkrijgen zouden.»Wanhoop niet, mijn goede man!” vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost, al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert gebannen—ik wil hun dat in het gezicht zeggen—welnu, dan bestaan er thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!”Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch, om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.Gretig nam ik dus Jarvie’s aanbod aan, om hem den volgenden morgen te vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijkafscheid van den ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.
»Ge komt laat?” vroeg Jarvie, toen ik de eetkamer van mijn vriendelijken gastheer binnentrad. »Reeds vijf minuten geleden heeft het één uur geslagen. Matje heeft tot nu toe met het opdisschen gewacht. Het is een ramskop, en die kan niet te gaar zijn. Mijn overleden vader zei steeds: dat hij de ooren het beste er van achtte.”
Ik verontschuldigde mij zoo goed mogelijk over mijn lang wegblijven en zette mij aan tafel, terwijl onze opgeruimde gastheer mijn vriend Owen en mij aanhoudend noodigde, toch toe te tasten en zijne Schotsche lekkernijen niet te versmaden, welke wij echter niet zeer naar onzen Zuidlandschen smaak vonden. Ik was bekend met de gebruiken der wereld en de manier, waarop men dergelijke welgemeende uitnoodigingenfatsoenlijk weigert, en kwam er nog al vrij wel af. Maar kluchtig was het te zien, hoe Owen, die veel strenger begrippen omtrent wellevendheid had en door de meest mogelijke welwillendheid den vriend van zijn kantoor zijne achting poogde te bewijzen, met droevige gedienstigheid den eenen beet na den anderen aan den mond bracht, door zijn keel duwde, en alle gerechten hemelhoog roemde, ofschoon men duidelijk genoeg bespeuren kon, dat het roemen er van hem evenveel moeite kostte als het eten zelf.
Tegen het einde van den maaltijd maakte Jarvie eene kleine kom met brandewijn-punch gereed. Hij vertelde ons, dat hij de kunst om dezen drank te bereiden, van zekeren kapitein Coffinkey had geleerd, die, zoo als hij fluisterend er bijvoegde, ze zelf geleerd had onder de kapers. »Maar het is toch lekker,” zeide hij, »en goede waren komen dikwijls van eene slechte markt. Wat den kapitein aangaat, die was een braaf man, toen ik hem kende:—alleen vloekte hij wat veel. Maar hij is nu dood.—Ik hoop dat hij genade gevonden heeft.” Dezen drank, dien wij hier voor de eerste maal proefden, vonden wij zeer smakelijk. En toen Jarvie ons verteld had, dat de citroenen, welke hij daartoe bezigde, op zijne eigen plantaadje in West-Indië gegroeid waren, ontstond er tusschen hem en Owen een vrij lang gesprek over den handel, die sedert de vereeniging van Schotland met Engeland tusschen Glasgow en de Britsche Koloniën in de West begonnen was, en over de voordeelen, welke deze stad bezat, om gezochte waren naar gindsche markten te zenden. Eenige aanmerkingen, welke Owen over de moeilijkheid maakte, om ladingen voor Amerika te vinden, zonder ze van Engeland te koopen, beantwoordde Jarvie wel wat driftig, maar vrij vaardig.—»Neen, neen!” zoo eindigde hij, »laat elken haring aan zijn eigen kop hangen, en elk schaap aan zijn eigen schenkel. Gij zult zien, dat wij Glasgowers nog zoo erg ver niet ten achteren zijn, dat wij niet zouden kunnen volhouden. Maar dit onderwerp heeft zeker voor u weinig aangenaams, mijnheer Osbaldistone,” vervolgde hij, toen hij bemerkte, dat ik reeds eenige minuten gezwegen had; »maar gij weet immers wel, dat ieder ’t liefst over zijn beroep of handwerk spreekt.”
Tot verontschuldiging van mijne verstrooiing voerde ik mijn hoogst moeielijken toestand aan en de voorvallen, welke mij nog voor weinige oogenblikken bejegend waren. Zoo kreeg ik gelegenheid om mijne geschiedenis omstandig en onafgebroken te verhalen. Van mijne onbeduidende wond alleen sprak ik niet. Jarvie hoorde mij met veel opmerkzaamheid en ook naar het scheen met deelneming aan, terwijl hij met zijne kleine grijze oogen pinkte, dikwijls een snuifje nam en mij van tijd tot tijd door allerlei korte uitroepen in de rede viel. Toen ik aan het tweegevecht kwam, vouwde Owen de handen, en in zijne ten hemel geslagen oogen las ik droefheid en verbazing. Maar Jarvie riep plotseling: »dat kan er niet door! Neen, dat kan er niet door! den degen tegen zijn bloedverwant te trekken, zie, dat is door goddelijke en menschelijke wetten verboden, en den degen te trekken in de straten van een koninklijken burcht, daarop staat geldboete en gevangenis. De tuinvan het Collegie heeft insgelijks dat voorrecht, het moest eene plaats van rust en vrede zijn. Voor die zware tractementen, welke die heeren daar genieten, konden zij er, dunkt mij, wel voor zorgen, dat de menschen in hun tuin elkander den hals niet afsnijden, noch dat die wilde studenten zoo woest met sneeuwballen gooien. Waarlijk, als ik met Matje daar ga wandelen, moet ik telkens bukken of uitwijken, of zij smijten mij een gat in het hoofd. Maar ga voort! Wat volgde er?…”
Toen ik van Campbells plotselinge verschijning gewaagde, sprong Jarvie verrast op en liep in de kamer op en neer.—»Al weder die Robbert! Die Robbert is dol, volslagen dol! Hij zal nog opgehangen worden, en zoo zijne bloedverwanten tot eene eeuwige schande strekken: dat zal men zien en hooren! Mijn overleden vader weefde hem zijne eerste kousen. Maar waarachtig! onze schepen, de touwslager, zal hem de laatste das draaien. Ja, ja! hij is reeds op den rechten weg naar de galg. Maar verder, verder!”
Ik verhaalde hem het gansche voorval, zoo nauwkeurig als ik kon, maar Jarvie vond nog steeds veel duisters erin, tot ik, niet zonder tegenzin, op mijn avontuur met Morris en mijne eerste ontmoeting met Campbell terugkwam. Jarvie, die zeer opmerkzaam geluisterd had, verzonk in ernstig gepeins, toen ik met mijn verhaal ten einde was.—
»Mijnheer Jarvie, ik moet omtrent een en ander u ten vriendelijkste om raad vragen,” vervolgde ik. »Zonder twijfel zult gij mij de beste en doelmatigste middelen aan de hand doen, om voor mijns vaders belangen en mijne eer met goed gevolg werkzaam te zijn.”
»Gij hebt gelijk, mijn jongen, volkomen gelijk!” hernam Jarvie. »Vraag steeds raad bij hen die ouder en wijzer zijn dan gij. Wordt niet als een tweede goddelooze Rehabeam, die met jonge baardelooze knapen raadpleegde, en de oude raadsmannen verachtte, die aan de voeten van zijn vader Salomo gezeten, en, zoo als onze leeraar onlangs zeer juist aanmerkte, deel aan zijne wijsheid gehad hadden. Maar vaneerwil ik liefst niet hooren: het komt hier alleen op het crediet aan. De eer begaat dikwerf moord en doodslag, en vecht, als een kwade jongen, op de publieke straat; maar het crediet is een bedaard, fatsoenlijk man, die stil te huis zit en vlijtig rekent.”
»Juist, mijnheer Jarvie!” zeide Owen; »crediet is de hoofdzaak, en als wij deze slechts redden kunnen.…”
»Goed gezegd, mijnheer Owen, best!” hernam Jarvie. »Gij spreekt als een verstandig koopman. Maar om weder op Robbert te komen, gaarne geloof ik, dat hij dezen jongen heer van dienst zal zijn, zoo hij er toe in staat is. Hij heeft wezenlijk een goed hart, die arme Robbert, en al heb ik ook vroeger door hem twee honderd pond verloren, en al mag ik van mijn duizend pond Schotsch ook niet veel terugverwachten, ik zeg toch en blijf er bij: Robbert meent het goed!”
»Ik mag hem dus voor een eerlijk man houden?” vroeg ik.
»Nu ja!” antwoordde Jarvie met een kuchje. »Nu ja, zoo op zijn Hooglandsch. Eerlijk op zijne manier, zoo als men pleegt te zeggen.”
»Maar gelooft gij dan,” vervolgde ik, »dat hij in staat zou zijn, ommij op zijne manier eerlijk te dienen? Kan ik mij gerust naar de plaats begeven, waar hij mij genoodigd heeft?”
»Hoor eens, eerlijk gesproken,” hernam Jarvie, »ja, het zal u de moeite wel loonen. Zelf ziet gij, dat gij zonder gevaar hier niet blijven kunt. Die ellendige Morris heeft niet ver van hier een kommiesplaatsje gekregen te Greenock. Ieder weet nu wel, dat hij eigenlijk niets anders is dan een tweebeenig schepsel met een schaapskop en een hazenhart, die niets verstandigs doet, maar zijne evenmenschen op allerlei wijzen plaagt en kwelt. Maar als hij zijne aanklacht tegen u hernieuwt—dan moet de overheid er zich aan laten gelegen liggen; en dan zou men u provisioneel tusschen vier muren kunnen opsluiten, wat voor uws vaders belangen lang niet nuttig zou zijn.”
»Dat begrijp ik wel!” hernam ik. »Maar ik zie niet in, hoe ik mijn vader een dienst zou kunnen bewijzen door Glasgow te verlaten. Daar zal waarschijnlijk het hoofdtooneel van Rashleigh’s streken zijn. En zou ik mij nu aan de twijfelachtige trouw van een man overgeven, van wien ik niets meer weet, dan dat hij de rechterlijke macht vreest, waarvoor hij zeker goede redenen zal hebben, en dat hij om een geheim, zeker gevaarlijk doel te bereiken, een nauw verbond met den man heeft gesloten, die waarschijnlijk de oorzaak en bewerker van ons ongeluk is.”
»Gij beoordeelt Robbert veel te streng!” zeide Jarvie; »waarlijk veel te streng en onbillijk! Gij weet niet, hoe het eigenlijk in onze bergen toegaat, in het Hoogland, zoo als wij het noemen. Dat is dáár een geheel ander menschenras dan bij ons. Dáár zijn geene gerechtshoven, geene magistraten, die, even als wij, degens dragen, zonder ze ooit uit de scheede te trekken. Neen, het hoofd van den stam beveelt, zijne lieden moeten volgen en hebben geene andere wet dan hunne lange dolken. Het zwaard is de aanklager, het schild is de aangeklaagde, en de sterkste heeft gelijk. Zie, dat noemen wij Hooglandsche justitie.”
Owen zuchtte diep. Ik zelf gevoelde bij deze beschrijving juist niet veel lust om zulk een wetteloos land, als deze Schotsche bergstreken, te bezoeken.
»Wij spreken eigenlijk zelden over deze dingen,” vervolgde Jarvie, »omdat ze ons genoegzaam bekend zijn. Wat baat het ook, zijn vaderland bij Engelschen en vreemden zwart te maken en zijne maagschap te vernederen? Het is een slechte vogel, die zijn eigen nest bevuilt.”
»Welzeker!” antwoordde ik. »Doch geen doellooze nieuwsgierigheid, maar wezenlijk belang noopt mij berichten in te winnen. Gij zult het mij dus, hoop ik, niet kwalijk nemen, dat ik u om meer inlichtingen verzoek. Voor mijns vaders rekening moet ik met verscheidene landeigenaars in die woeste streken zaken doen, en gij zijt de man, wiens ervaring en kunde mij in dit opzicht van zeer veel nut zal kunnen zijn.”
Deze vleierij bleef niet zonder uitwerking.—»Wat ervaring betreft?” hernam Jarvie. »Ja, ervaring kan men mij zeker niet ontzeggen. Ook heb ik onder ons al eenig onderzoek gedaan. Andries Wylie, vroeger bijmij op het kantoor, is nu bij Mac-Vittie en Comp., maar komt wel eens ’s Zaterdagmiddags hier, om een slokje te drinken bij zijn vorigen patroon. Wilt gij u nu door een Glasgowschen wever laten leiden en onderrichten, wel nu, ik zal dit aan den zoon van een ouden handelsvriend niet weigeren. Dat deed mijn vader in zijn tijd ook niet. Ja, ik heb er zelf wel eens aan gedacht, om mijn licht voor den hertog van Argyle te laten schijnen of voor zijn broeder, Lord Hay,—waarom toch zou ik het onder een korenmaat plaatsen!—Maar zulke voorname heeren bekommeren zich luttel om lieden van onze soort.—Wat zou een arme wever in hunne oogen beteekenen! Zij zien meer op den persoon, die iets zegt, dan op hetgeen wat hij zegt. En dat is heel jammer. Evenwel, kwaad wil ik niet van hem spreken. Immers staat er geschreven: Vervloek den rijkaard niet in uwe binnenkamer: de vogelen des hemels zouden het overbrengen.”
Jarvie bezat de misschien loffelijke gewoonte, aan zulke inleidingen de noodige of liever onnoodige uitgebreidheid te geven. Ik brak zijn woorden dus maar af door de verzekering, dat hij Owen en mij volkomen vertrouwen kon.
»Neen,” antwoordde hij, »daarom zeg ik het niet, want ik vrees niemand. Waarom zou ik ook vreezen? Ik zeg immers niets, wat als hoogverraad zou kunnen beschouwd worden. Maar de Hooglanders hebben lange armen, en wanneer men zich naar hunne gebergten begeeft, om dezen of genen bloedverwant te bezoeken, is men met hunne geslachten liefst in goede verstandhouding. Maar gij moet weten, dat ik zoo mijne eigen opmerkingen heb gemaakt, en de heer Owen weet, dat dit de eenige menschelijke kennis is, welke zich stellig laat bewijzen.”
Owen bleef niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen, en Jarvie vervolgde: »Dat Hoogland is eene woeste streek vol heuvels, bosschen, holen, meren, rivieren en bergen; ja, waarachtig! De duivel zelf zou zijn vleugels gaan voelen, als hij er overheen wilde vliegen. In dat land nu en op de Orkadische eilanden, die niet veel beter zijn of misschien nog erger, zullen omtrent twee honderd en dertig kerspelen wezen, Of zij daar allenGaelischspreken of niet, kan ik u niet stellig zeggen, maar dit weet ik, dat het een ruw, geheel onbeschaafd volk is. Bereken ik ieder kerspel slechts matig op achthonderd menschen, na aftrek der kinderen onder de negen jaar, en ik tel er dan een vijfde bij voor kinderen van negen jaar, dan bedraagt de gansche bevolking.…”
»Juist 220,800 zielen,” viel Owen hem in de rede, die zeer in zijn schik was met deze statistiek.
»Precies en vlug uitgerekend!” zeide Jarvie.»En daar in het Hoogland elk man, van achttien tot zes en vijftig jaar, de wapenen draagt, hebt gij een getal van ten minste 57,500 weerbare menschen. Maar nu moet gij in aanmerking nemen, wat helaas! eene treurige waarheid is, dat landbouw, veeteelt, visscherij en andere eerlijke bedrijven niet aan de helft van het volk werk verschaffen, al arbeidt het ook nog zoo traag—en het arbeidt wezenlijk, alsof de ploeg en de spadegloeiend heet waren. En deze helft van volstrekt werkelooze menschen bedraagt nu.…”
»Juist 110,400, als de helft van de geheele som.”
»Goed uitgerekend, mijnheer Owen, best uitgerekend! Onder deze laatste helft mogen nu omtrent 28,700 knappe jonge kerels zijn, die tot den wapenhandel bekwaam zijn en ook de wapens dragen. Zij denken er volstrekt niet aan, om hun eigen kost te winnen, al konden zij dat ook, maar zij kunnen het niet eens.”
»Hoe is het mogelijk!” viel ik hem in de rede; »dat zou inderdaad een treurige toestand zijn voor zulk een aanzienlijk gedeelte der Britsche eilanden!”
»Ik kan u dat zoo duidelijk maken, als twee maal twee vier is,” hernam Jarvie. »Wanneer ik veronderstel, dat elk kerspel vijftig ploegen behoeft—wat in zulk een armzalig land reeds veel is—en tevens weiden genoeg heeft voor paarden, ossen en een vijftigtal koeien, dan kan ik niet meer dan vijf en zeventig huisgezinnen, ieder van zes zielen, of, in eene ronde som, vijf honderd menschen berekenen, die arbeiden en zich daarvoor desnoods met zure melk en haverbrei voeden. Waarvan de andere vijf honderd leven, weet geen mensch!”
»Maar dat is verschrikkelijk. Men beeft ervan, als men aan dien toestand denkt!” riep ik uit.
»Ja, gij zoudt nog meer beven, als gij in hunne nabijheid leefdet!” antwoordde Jarvie. »Neem zelfs aan, dat de helft van hen nu en dan in de Laaglanden het een of ander vindt, waarmede zij zich kunnen onderhouden; dat deze ons, bij voorbeeld, in den hooi- en oogsttijd behulpzaam zijn, of met veedrijven. Maar hoe vele honderden, ja duizenden Hooglanders zwerven dan nog niet rond, die niet arbeiden en ook geen gebrek willen lijden en dus bij hunne naastbestaanden kost en inwoning vinden, of ook wel daarvan leven, dat zij doen wat het hoofd van den stam hun beveelt, het moge recht of onrecht zijn. Vele honderden begeven zich naar de grenzen van de Laaglanden, waar wat te halen is. Zij leven van veedieverij en andere rooverijen. Dat is toch maar erg in een Christenland. En wat nog wel het allerergste is, zij zijn er trotsch op en achten het een dappere daad, als zij eene kudde stelen. Ja, zij meenen, dat dit dappere mannen, zoo als zij zich gelieven te noemen, meer betaamt, dan op eene eerlijke wijze tegen dagloon te arbeiden. De groote lui zijn even erg, als de kleine. Zij bevelen het stelen. Zij rooven wel niet zelf, maar verbieden het ook niet, en verleenen den dief bescherming en schuilplaatsen in hunne bosschen en sterke kasteelen, als de misdaad gepleegd is. Elk Opperhoofd onderhoudt zoo vele lieden van zijn naam, of van zijne »clan”, zoo als wij het noemen, als zijne inkomsten hem vergunnen; of, wat hetzelfde is, zoo vele als zich zelven, op eerlijke of oneerlijke wijze, onderhouden kunnen. Dus zwerven zij met geweer en pistolen, met dolk en sabel rond, en zijn steeds gereed, om, zoodra het den »heer” slechts behaagt, de rust van het land te verstoren. Zoo hebben zij het sinds vele eeuwen in de Hooglanden gemaakt; steeds waren zij eene plaag voor hunne vreedzame, godvruchtige buren, zooals wij hier in West-Schotland.”
»En is die neef van u,” vroeg ik, »die zich mijn vriend noemt, ook een van die »heeren”, welke zulk eene gewapende rooverbende onderhouden?”
»Neen,” hernam Jarvie; »hij is geen van de opperhoofden, zoo als men hen noemt. Hij is echter van zeer goede afkomst. Ik ken zijne familie. Hij is, zooals ik gezegd heb, een bloedverwant van mij. Want ons bloed is edel Hooglandsch bloed.—Hierop laat ik mij, zoo als gij licht denken kunt, volstrekt niets voorstaan; want dat beteekent niets. Maar ik zou u toch brieven kunnen laten lezen van zijn vader, aan mijn vader zaliger, de hemel zij hem genadig!—allen beginnende; »waarde Jarvie!” en eindigende »uw liefhebbende neef.” Zij handelden meestal over geleend geld—zoodat mijn vader, die heel voorzichtig was,—ze steeds bewaarde.”
»Maar al is hij dan,” viel ik hem in de rede, »geen van de hoofdmannen, van wie ik zoo menig historietje heb hooren verhalen, dan heeft hij in elk geval toch in het Hoogland zeer veel invloed?”
»Dat zou ik meenen!” zeide Jarvie. »Iedereen in het heele land kent hem. Robbert was eens een ijverig, vreedzaam veehandelaar, een man, zoo als men er onder tien duizend geen beter zou hebben kunnen vinden. Het was een genot hem in zijn plaid te zien en in zijne bergschoenen, met het schild op den rug, het zwaard en de dolk in den gordel, wanneer hij een honderd stuks Hooglandsch vee geleidde met een dozijn wakkere knapen, even ruw en woest, als de dieren die zij dreven. In den handel was Robbert steeds beleefd en eerlijk, en als hij meende, dat deze of gene klant te duur van hem gekocht had, gaf hij hem gaarne iets tot schadevergoeding terug. Ik weet, dat hij wel eens op het pond sterling, vijf shillings heeft laten vallen.”
»Vijf en twintig procent!” riep Owen uit; »een zwaar disconto!”
»Ja, die gaf hij terug,” hervatte Jarvie, »en vooral wanneer hij begreep, dat de kooper een behoeftig man was, die volstrekt geen verlies dragen kon. Maar er kwamen hachelijke tijden, en Robbert waagde te roekeloos. Mijne schuld was het niet. Ik heb het hem honderd-, ja duizendmaal gezegd. Zijne crediteuren, en vooral een rijke buurman, vielen als hongerige gieren op zijne goederen aan. Men zegt zelfs, dat men zijne vrouw het huis uitgeworpen en daarenboven schandelijk mishandeld heeft. Dat schreeuwde om wraak! Zie, ik ben een vreedzaam man en lid van onze achtbare regeering, maar had iemand mijn dienstmeisje, mijn Matje, zoo mishandeld, als men zegt, dat zij Robbert’s vrouw mishandeld hebben, ik geloof waarlijk, dat ik in staat zou zijn geweest, om het beroemde zwaard aan te gorden, dat mijn overleden vader in den slag bij de Bothwell-brug gebruikt heeft. Toen Robbert te huis kwam—och arme! vond hij verwoesting, waar hij overvloed had achtergelaten. Hij zag naar het oosten, naar het westen, naar alle kanten heen, maar vond nergens toevlucht, nergens troost, nergens hoop. Toen drukte hij de muts diep in de oogen, gespte het zwaard aan, snelde naar het gebergte en was voor ons verloren!”
Tegenstrijdige gewaarwordingen smoorden hier de stem van den goedenJarvie. Het was duidelijk te zien, dat hij zich op de verwantschap met dien Hooglander heimelijk niet weinig liet voorstaan, terwijl hij openlijk diens stamboom scheen te verachten. Van den vriend in welvaart sprak hij met eene warme genegenheid, die zijne deelneming aan zijne rampen en zijne smart over de gevolgen ervan nog hartelijker maakte.
»En toen uw bloedverwant op zulke wijs getergd en tot wanhoop gebracht werd,”—begon ik, toen Jarvie zweeg—»werd hij vermoedelijk een van die roovers, die gij ons zoo even afgeschilderd hebt?”
»Neen, zoo slecht werd hij niet,” hernam Jarvie, »zoo slecht niet; maar hij ging aan het heffen van »de zwarte belasting1. Ja, hij dreef dien handel in het groot; veel verder dan ooit iemand het te voren gewaagd had.”
»Wat is dat, zwarte belasting? Hoe moet ik dat verstaan?” vroeg ik.
»Dat zal ik u uitleggen. Robbert vond eenige wakkere knapen, die hem blind volgden. Want hij voert een ouden, gevreesden naam, een naam, die het lang tegen den Koning, het Parlement, en zelfs tegen de Kerk heeft volgehouden, een roemrijken naam, hoe men hem ook vernederd heeft. Mijne moeder was insgelijks een Mac-Gregor. Dat mag iedereen hooren.—Nu, wat ik ook zeggen wilde—ja, Robbert had weldra vele dappere metgezellen; en toen hij nu zag dat aan de zuidelijke grenzen van het Hoogland zoo vele plunderingen en rooverijen gepleegd werden, zeide hij den pachters, dat als zij hem vier pond Schotsch voor elke honderd pond van hunne inkomsten wilden betalen, hij hen schadeloos zou houden, en dat was toch eene zeer billijke voorwaarde. Hadden zij dan zelfs een enkelen spijker door diefstal verloren, dan moesten zij maar Robbert daarvan kennis geven, en die bezorgde hun het gestolene terug, of betaalde de volle waarde. En hij hield steeds getrouw woord—ja, dat moet ieder erkennen—Robbert houdt altijd woord.”
»Zeker zonderling, geheel tegen de wetten, dat is waar!” hernam Jarvie; »dergelijke heffingen en betalingen zijn wel beide degelijk strafbaar. Maar wanneer de wet mijne schuren en mijn stal niet kan beschermen, waarom zou ik dan niet een onderhandsch akkoordje met een Hooglander tot beveiliging ervan mogen sluiten? Antwoord eens daarop.”
»Maar is dat contract van assurantie,” vroeg ik, »zoo als de heer Owen het noemt, volkomen vrijwillig van de zijde des pachters! Wat gebeurt dan, wanneer iemand weigert zich aan die belasting te onderwerpen.”
»Ha, ha! Nu denkt gij zeker: daar heb ik hem!” zei Jarvie lachend, terwijl hij den vinger tegen den neus legde. »Nu ja, ik raad zeker iederen vriend, met Robbert zulk een akkoordje te maken; hij zal er zich wèl bij bevinden. Want men moge zoo waakzaam zijn als men wil, in de lange nachten kan er veel kwaads gepleegd worden. In het eerst waren er eenige pachters van de Grahames en Cohoons, die zichmet die gekheid, zoo als zij het geliefden te noemen, niet wilden inlaten. Maar in den eerstvolgenden winter ondervonden zij tot hunne onberekenbare schade, dat zij dom, aartsdom gehandeld hadden, en dat al hun vee gestolen werd, en nu achten de meesten het raadzaam, met Robbert zulk een verdrag aan te gaan. Met ieder van zijne contractanten meent hij het wezenlijk goed, maar die hem in de wielen rijdt, heeft met den duivel te doen.”
»En door zijn heldendaden heeft hij het denkelijk met de landswetten min of meer verkorven?”
»Verkorven? Nu ja, zooals gij dat noemen wilt,” hernam Jarvie. »Zijn hals zou wel ondervinden, hoe zwaar hij weegt, wanneer zij hem machtig konden worden. Maar Robbert heeft zeer vele goede vrienden onder de grooten, en ik zou u eene zeer aanzienlijke familie kunnen noemen, die haar best doet, om hem een scherpen doorn voor anderen te doen zijn. Overigens is hij zulk een sluwe, doortrapte schalk, en is door zoo menig dol avontuur heengekomen, dat men van zijn leven een dik boek zou kunnen schrijven, even als van Robin-Hood of Willem Wallace, vol van stoute daden en wonderbare reddingen, zoo als men des winteravonds gaarne in het hoekje van den haard leest. Zonderling is het toch: ik ben een vredelievend man, de zoon van een vredelievend vader. Want mijn vader beminde den vrede zoo zeer, dat hij buiten de vergaderingen op het stadhuis, waar hij ex officio moest tegenspreken, nooit iemand sprak, zelfs zijne vrouw, mijne lieve moeder niet. Maar gelooft gij wel, dat het Hooglandsche bloed, bij het herinneren aan die koene avonturen, warm begint te worden, ja dat ik ze, wat nog erger is, soms liever hoor dan een stichtelijk woord—de Heere vergeve mij de zonde! Toch zijn het ijdelheden, zondige ijdelheden, en bovendien strijdig met Gods woord en wet.”
Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?—»Gij moet weten.” vervolgde Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders—ik spreek hier immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding—sedert het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden gekomen—doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg, en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen samenfluitenkan, welke allen zijn wil volbrengen—waarachtig, zoo iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden, even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.
»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders zaak daarmede te maken heeft.”
»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen,” vervolgde Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste Hooglanders—want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge Osbaldistone waren geweest—ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu, nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh zelf geweest, of ten minste een van uwe neven—die zijn toch allen van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt, tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan en redden kon door den arm der justitie.”
»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie,” zeide ik. »Ik ben dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken …”
»Gij hebt het vermoed?” hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden overal een schier onbepaald crediet. Want—ik zeg het den heer Owen, zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug—geen kantoor was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk demeeste hunner wisselsdisconteeren. Op deze wijze.… merkt gij dan niet, waar ik heen wil?”
Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.
»Welnu,” vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?”
Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste mij.—»Gelooft gij dan,” zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders te bespoedigen?”
»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest,”hernamJarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er contanten voor wilden geven—ik heb dat uit de derde hand. Maar die sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden.”
»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?” vroeg ik. »Is hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave, die de ontwerpen van zijne partij zou schaden.”
»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen,” hernam Jarvie. »De grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden, dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was, zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in zijne benardeomstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier.”
»Een boos dier?” vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?”
»Robberts vrouw,” hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij willen ophangen.”
»Vreemd,” merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking moeten staan.”
»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!” hernam Jarvie. »Dat zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?”
»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest.”
»Dat zou ik denken!” zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam kleinood in onze dagen in waarde houden.”
»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde te gaan,” hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting geëvenredigd zijn.”
»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen is,” zeide Owen.
»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt hebben—en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade’s-Land; John Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere zekerheid verlangen.”
Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren terugkrijgen zouden.
»Wanhoop niet, mijn goede man!” vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost, al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert gebannen—ik wil hun dat in het gezicht zeggen—welnu, dan bestaan er thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!”
Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch, om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.
Gretig nam ik dus Jarvie’s aanbod aan, om hem den volgenden morgen te vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijkafscheid van den ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.
1Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.↑
1Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.↑
1Black-mail, eene soort van veiligheids-assurantie.↑