HOOFDSTUK XXXI.„Wee den overwonnenen!” riep Brenno trotsch en woest,Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalenEn doet door dat gewicht den prijs van ’t losgeld dalen.Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woordDrijft op het slagveld ijzeren wetten voort.De Galliade.Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, ofhij had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen, waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege, waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken, wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte van mijne oprechtheid te kennen te geven.—»Een vriend, zegt men, is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.—Ik kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en menschen vervloekt is—de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk uitdruk,—ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij—gij meent u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te wenden om mij te helpen.”Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die, wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!”Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?»Mij los te maken?” hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar denanderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom, even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd, en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever, die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot, die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt.”Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?»Dat heer zeide,” antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was, mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt, volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten.”Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des noodlots geschreven, dat Jarvie’s schranderheid dien dag noch hem, noch een ander veel zou baten.Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien hadden. Zij, die den armen Andries ’t eerst op den afstand van een geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene handvrij had, richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te smeeken, de op hem aangelegde gewerenniet los te branden. Eindelijk kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond, waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt, of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond, toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok ontnomen, of zie—daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon, onder vloeken en razen—wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet, maar ik giste het uit zijne hevige gebaren—dwong hij de plunderaars hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoekrukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij, gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend, maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.»Waarachtig niet!” antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben ook wel eens barrevoets geloopen.”Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende bende te brengen.Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet, of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,—later vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield; haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode, gepluimde muts golfden—alles scheen te kennen te geven, dat zij zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was, herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber, den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk had gezien.Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht, begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de aangename gelegenheid,”—zijne bevende stem logenstrafte den nadruk, dien hij op het woordaangenametrachtte te leggen—»in de aangename gelegenheid,”—hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog beter te doen uitkomen—»te zijn, mijne waardenicht goeden morgen te wenschen. Hoe gaat het u?” vervolgde hij en scheen nu weder van lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren, Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u, schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben, indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik, zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering, aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen.”In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde niet met Jarvie’s gemoedelijk praten.»Wie zijt gij,”—begon zij—»die u vermeet, aanspraak op de verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt, noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?”»Of men u,” antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat, en kan in elk geval bewezen worden.”Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter inStuckavrallachanwoonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!” antwoordde Jarvie. »Maar kijk eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer, als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige jongens. Maar nog eens,” vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken—»gij moet u toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner het een of ander kan teverhandelen hebben, wat voor zijne majesteit van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt verheven achten—het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man eert, want Gods woord beveelt het—maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben, kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden, een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen ontwapende hij nog niet ’s konings soldaten, en stoorde nog niet de rust van den staat.”Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd, iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.—»Ja,” zeide zij, »gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven, als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij; wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is, wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten zoeken!”Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man, die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf doen gevoelen.—»Ellendige hond!” riep zij; »durft gij u tegen mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen, om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen, om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor ontwerpen kon—want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.—Zie, al wilde ik u zoo ietsbevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?”»Zeer, zeer zeker!” antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden; dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn goede vrienden vanGregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf ik zweren.”Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren, waarschijnlijk dezelfde, die Thornton’s achterhoede gehoord had. Het gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen, om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen, nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen, kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De neerslachtigheid, welke Thornton’s manhaftige gelaatstrekken benevelde, werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag, dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige, goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild, dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden, werd het op den linkerarm gebonden.Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eenebehaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden, klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen van den doedelzak.Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid te lezen.»Wat beduidt dit, Alaster?” zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is Mac-Gregor, uw vader?”Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame, dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.»Gevangen?” herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen en terugkeeren?”Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig”, dat wil zeggen »de jonge”. Donker haar en een gelaatskleur die van gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen bergbewoner tot eene aangename verschijning.Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren, beproefde de oudste in de Engelsche taal—waarschijnlijk om door de overigen niet verstaan te worden—zich en zijn broeder tegenover hunne moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was, omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden, luisterde ik met opmerkzaamheid.Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren Laaglander, die een teeken bracht van—de naam werd zeer zachtuitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone” te hooren—tot eene samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen, maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had, als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de plaats der samenkomst begeven—den Hooglandschen naam kon ik niet verstaan,—slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild; meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd, zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee plagen bevrijd.” De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt, om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.»En dat hoordet gij, ellendige verraders!” riep Helena, »en gij spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen, of te sterven?”De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen, ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de nabijheid van het huisGartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel bijMonteithovernachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar, maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel genomen worden.Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard, toenmaals Robbertsland genoemd.Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde, de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling, die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als gijzelaar voor Mac-Gregor’s veiligheid teruggebleven was, voor zichbrengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans, de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen, die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen, betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig van anderen was, en mompelde Rashleigh’s naam. Hij smeekte slechts om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen, al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige geschenk van verlenging zijns levens begeerde.—»Ik zou u het leven hebben laten behouden,” zeide zij, »als het voor u een zoo zware, ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond, die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen, dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!”Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!”Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak, trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had daar beneden zijn graf gevonden.
HOOFDSTUK XXXI.„Wee den overwonnenen!” riep Brenno trotsch en woest,Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalenEn doet door dat gewicht den prijs van ’t losgeld dalen.Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woordDrijft op het slagveld ijzeren wetten voort.De Galliade.Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, ofhij had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen, waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege, waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken, wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte van mijne oprechtheid te kennen te geven.—»Een vriend, zegt men, is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.—Ik kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en menschen vervloekt is—de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk uitdruk,—ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij—gij meent u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te wenden om mij te helpen.”Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die, wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!”Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?»Mij los te maken?” hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar denanderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom, even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd, en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever, die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot, die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt.”Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?»Dat heer zeide,” antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was, mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt, volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten.”Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des noodlots geschreven, dat Jarvie’s schranderheid dien dag noch hem, noch een ander veel zou baten.Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien hadden. Zij, die den armen Andries ’t eerst op den afstand van een geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene handvrij had, richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te smeeken, de op hem aangelegde gewerenniet los te branden. Eindelijk kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond, waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt, of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond, toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok ontnomen, of zie—daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon, onder vloeken en razen—wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet, maar ik giste het uit zijne hevige gebaren—dwong hij de plunderaars hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoekrukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij, gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend, maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.»Waarachtig niet!” antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben ook wel eens barrevoets geloopen.”Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende bende te brengen.Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet, of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,—later vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield; haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode, gepluimde muts golfden—alles scheen te kennen te geven, dat zij zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was, herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber, den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk had gezien.Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht, begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de aangename gelegenheid,”—zijne bevende stem logenstrafte den nadruk, dien hij op het woordaangenametrachtte te leggen—»in de aangename gelegenheid,”—hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog beter te doen uitkomen—»te zijn, mijne waardenicht goeden morgen te wenschen. Hoe gaat het u?” vervolgde hij en scheen nu weder van lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren, Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u, schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben, indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik, zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering, aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen.”In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde niet met Jarvie’s gemoedelijk praten.»Wie zijt gij,”—begon zij—»die u vermeet, aanspraak op de verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt, noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?”»Of men u,” antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat, en kan in elk geval bewezen worden.”Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter inStuckavrallachanwoonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!” antwoordde Jarvie. »Maar kijk eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer, als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige jongens. Maar nog eens,” vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken—»gij moet u toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner het een of ander kan teverhandelen hebben, wat voor zijne majesteit van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt verheven achten—het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man eert, want Gods woord beveelt het—maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben, kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden, een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen ontwapende hij nog niet ’s konings soldaten, en stoorde nog niet de rust van den staat.”Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd, iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.—»Ja,” zeide zij, »gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven, als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij; wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is, wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten zoeken!”Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man, die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf doen gevoelen.—»Ellendige hond!” riep zij; »durft gij u tegen mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen, om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen, om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor ontwerpen kon—want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.—Zie, al wilde ik u zoo ietsbevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?”»Zeer, zeer zeker!” antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden; dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn goede vrienden vanGregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf ik zweren.”Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren, waarschijnlijk dezelfde, die Thornton’s achterhoede gehoord had. Het gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen, om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen, nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen, kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De neerslachtigheid, welke Thornton’s manhaftige gelaatstrekken benevelde, werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag, dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige, goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild, dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden, werd het op den linkerarm gebonden.Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eenebehaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden, klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen van den doedelzak.Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid te lezen.»Wat beduidt dit, Alaster?” zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is Mac-Gregor, uw vader?”Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame, dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.»Gevangen?” herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen en terugkeeren?”Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig”, dat wil zeggen »de jonge”. Donker haar en een gelaatskleur die van gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen bergbewoner tot eene aangename verschijning.Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren, beproefde de oudste in de Engelsche taal—waarschijnlijk om door de overigen niet verstaan te worden—zich en zijn broeder tegenover hunne moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was, omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden, luisterde ik met opmerkzaamheid.Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren Laaglander, die een teeken bracht van—de naam werd zeer zachtuitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone” te hooren—tot eene samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen, maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had, als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de plaats der samenkomst begeven—den Hooglandschen naam kon ik niet verstaan,—slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild; meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd, zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee plagen bevrijd.” De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt, om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.»En dat hoordet gij, ellendige verraders!” riep Helena, »en gij spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen, of te sterven?”De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen, ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de nabijheid van het huisGartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel bijMonteithovernachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar, maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel genomen worden.Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard, toenmaals Robbertsland genoemd.Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde, de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling, die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als gijzelaar voor Mac-Gregor’s veiligheid teruggebleven was, voor zichbrengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans, de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen, die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen, betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig van anderen was, en mompelde Rashleigh’s naam. Hij smeekte slechts om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen, al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige geschenk van verlenging zijns levens begeerde.—»Ik zou u het leven hebben laten behouden,” zeide zij, »als het voor u een zoo zware, ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond, die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen, dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!”Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!”Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak, trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had daar beneden zijn graf gevonden.
HOOFDSTUK XXXI.„Wee den overwonnenen!” riep Brenno trotsch en woest,Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalenEn doet door dat gewicht den prijs van ’t losgeld dalen.Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woordDrijft op het slagveld ijzeren wetten voort.De Galliade.
„Wee den overwonnenen!” riep Brenno trotsch en woest,Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalenEn doet door dat gewicht den prijs van ’t losgeld dalen.Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woordDrijft op het slagveld ijzeren wetten voort.De Galliade.
„Wee den overwonnenen!” riep Brenno trotsch en woest,Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalenEn doet door dat gewicht den prijs van ’t losgeld dalen.Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woordDrijft op het slagveld ijzeren wetten voort.
„Wee den overwonnenen!” riep Brenno trotsch en woest,
Toen Rome voor het Gallisch slagzwaard buigen moest,
En bij dat woord werpt hij zijn krijgsstaal in de schalen
En doet door dat gewicht den prijs van ’t losgeld dalen.
Des overwinnaars wil, zijn eigen machtig woord
Drijft op het slagveld ijzeren wetten voort.
De Galliade.
Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, ofhij had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen, waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege, waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken, wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte van mijne oprechtheid te kennen te geven.—»Een vriend, zegt men, is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.—Ik kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en menschen vervloekt is—de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk uitdruk,—ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij—gij meent u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te wenden om mij te helpen.”Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die, wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!”Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?»Mij los te maken?” hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar denanderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom, even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd, en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever, die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot, die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt.”Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?»Dat heer zeide,” antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was, mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt, volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten.”Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des noodlots geschreven, dat Jarvie’s schranderheid dien dag noch hem, noch een ander veel zou baten.Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien hadden. Zij, die den armen Andries ’t eerst op den afstand van een geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene handvrij had, richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te smeeken, de op hem aangelegde gewerenniet los te branden. Eindelijk kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond, waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt, of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond, toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok ontnomen, of zie—daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon, onder vloeken en razen—wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet, maar ik giste het uit zijne hevige gebaren—dwong hij de plunderaars hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoekrukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij, gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend, maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.»Waarachtig niet!” antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben ook wel eens barrevoets geloopen.”Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende bende te brengen.Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet, of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,—later vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield; haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode, gepluimde muts golfden—alles scheen te kennen te geven, dat zij zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was, herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber, den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk had gezien.Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht, begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de aangename gelegenheid,”—zijne bevende stem logenstrafte den nadruk, dien hij op het woordaangenametrachtte te leggen—»in de aangename gelegenheid,”—hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog beter te doen uitkomen—»te zijn, mijne waardenicht goeden morgen te wenschen. Hoe gaat het u?” vervolgde hij en scheen nu weder van lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren, Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u, schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben, indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik, zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering, aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen.”In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde niet met Jarvie’s gemoedelijk praten.»Wie zijt gij,”—begon zij—»die u vermeet, aanspraak op de verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt, noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?”»Of men u,” antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat, en kan in elk geval bewezen worden.”Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter inStuckavrallachanwoonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!” antwoordde Jarvie. »Maar kijk eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer, als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige jongens. Maar nog eens,” vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken—»gij moet u toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner het een of ander kan teverhandelen hebben, wat voor zijne majesteit van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt verheven achten—het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man eert, want Gods woord beveelt het—maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben, kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden, een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen ontwapende hij nog niet ’s konings soldaten, en stoorde nog niet de rust van den staat.”Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd, iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.—»Ja,” zeide zij, »gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven, als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij; wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is, wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten zoeken!”Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man, die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf doen gevoelen.—»Ellendige hond!” riep zij; »durft gij u tegen mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen, om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen, om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor ontwerpen kon—want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.—Zie, al wilde ik u zoo ietsbevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?”»Zeer, zeer zeker!” antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden; dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn goede vrienden vanGregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf ik zweren.”Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren, waarschijnlijk dezelfde, die Thornton’s achterhoede gehoord had. Het gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen, om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen, nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen, kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De neerslachtigheid, welke Thornton’s manhaftige gelaatstrekken benevelde, werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag, dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige, goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild, dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden, werd het op den linkerarm gebonden.Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eenebehaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden, klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen van den doedelzak.Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid te lezen.»Wat beduidt dit, Alaster?” zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is Mac-Gregor, uw vader?”Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame, dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.»Gevangen?” herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen en terugkeeren?”Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig”, dat wil zeggen »de jonge”. Donker haar en een gelaatskleur die van gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen bergbewoner tot eene aangename verschijning.Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren, beproefde de oudste in de Engelsche taal—waarschijnlijk om door de overigen niet verstaan te worden—zich en zijn broeder tegenover hunne moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was, omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden, luisterde ik met opmerkzaamheid.Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren Laaglander, die een teeken bracht van—de naam werd zeer zachtuitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone” te hooren—tot eene samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen, maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had, als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de plaats der samenkomst begeven—den Hooglandschen naam kon ik niet verstaan,—slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild; meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd, zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee plagen bevrijd.” De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt, om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.»En dat hoordet gij, ellendige verraders!” riep Helena, »en gij spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen, of te sterven?”De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen, ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de nabijheid van het huisGartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel bijMonteithovernachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar, maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel genomen worden.Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard, toenmaals Robbertsland genoemd.Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde, de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling, die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als gijzelaar voor Mac-Gregor’s veiligheid teruggebleven was, voor zichbrengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans, de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen, die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen, betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig van anderen was, en mompelde Rashleigh’s naam. Hij smeekte slechts om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen, al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige geschenk van verlenging zijns levens begeerde.—»Ik zou u het leven hebben laten behouden,” zeide zij, »als het voor u een zoo zware, ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond, die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen, dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!”Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!”Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak, trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had daar beneden zijn graf gevonden.
Allerlei pogingen stelde ik in het werk om den ontsnapten Dugald onder de overwinnaars te ontdekken. Ik twijfelde niet meer, ofhij had opzettelijk zijne rol gespeeld, om den Engelschen kapitein in den engen bergpas te lokken. Ja, ik moest de bekwaamheid bewonderen, waarmede de onwetende, zelfs half woeste, geheel onbeschaafde kerel dat doel wist te verbergen, en tegenzin te veinzen, toen hij zich dat valsche bericht had laten afdwingen, waarvan de mededeeling reeds terstond bij hem had vastgestaan. Duidelijk zag ik thans, dat wij niet zonder gevaar de overwinnaars konden naderen, zoo lang zij nog in de eerste opwelling waren hunner woeste vreugde over de behaalde zege, waarin zij wreedheden begingen, die mij nog doen ijzen. Ik zag, dat een paar soldaten, die, zwaar gekwetst, niet konden opstaan, door de overwinnaars, of eigenlijk door eenige in lompen gehulde Hooglandsche jongens, die zich onder hen gemengd hadden, met dolken afgemaakt werden. Ik oordeelde het dan ook niet raadzaam, ons zonder voorspraak aan hen te vertoonen. Maar daar ik Robbert nergens kon ontdekken, wilde ik de bescherming van zijn spion trachten te verkrijgen.
Te vergeefs echter keek ik overal naar hem rond en keerde eindelijk terug, om te zien, of ik mijn ongelukkigen vriend Jarvie kon helpen. Tot mijne innige vreugde bemerkte ik, dat hij reeds uit zijn gevaarlijken toestand verlost was. Zonder eenig letsel zat hij aan den voet der rots, ver beneden het punt, waar hij nog kort te voren in de lucht had gezweefd. Ik spoedde mij naar hem toe, om hem met zijne redding geluk te wenschen, maar dezen gelukwensch ontving hij in het eerst niet zoo hartelijk, als ik ze hem bracht. Een hoestaanval liet hem nauwelijks zoo veel adem, om mij zijn twijfel ten opzichte van mijne oprechtheid te kennen te geven.—»Een vriend, zegt men, is ons vaak meer genegen en doet meer voor ons, dan een broeder.—Ik kwam herwaarts, mijnheer Osbaldistone, in dit land, dat van God en menschen vervloekt is—de Heere vergeve het mij, dat ik mij zoo sterk uitdruk,—ik kwam hierheen, alleen om uwe belangen. En gij—gij meent u al wakker, verstandig en dankbaar te gedragen, dat gij uwe piek schuurt en mij aan mijn lot overlaat, terwijl ik gevaar loop van tusschen die ruwe Hooglanders en Engelsche roodrokken doodgeschoten te worden of te verdrinken. En gij laat mij daar tusschen hemel en aarde, als een vogelverschrikker, hangen, zonder eene poging aan te wenden om mij te helpen.”
Zijn oordeel speet mij innig. Ik maakte tallooze verontschuldigingen. Ik trachtte hem op alle mogelijke wijzen te overtuigen, dat het mij volstrekt onmogelijk was geweest, hem eenige hulp te verleenen. Dit gelukte mij eindelijk, zoo dat Jarvie, die, wel wat driftig, maar niet onverzoenlijk was, met een hartelijken handdruk en op even hartelijken toon zeide: »Welnu, ik geloof u gaarne! laat alles vergeven en vergeten zijn!”
Ik vroeg hem, hoe het hem gelukt was zich los te maken?
»Mij los te maken?” hernam hij. »Tot den jongsten dag zou ik daar hebben kunnen hangen, als ik mij zelf had moeten helpen. Ik hing immers met het hoofd naar den eenen kant en met de beenen naar denanderen kant, precies als een dwarsbalk. Dugald heeft mij wederom, even als gisteren, uit den nood gered. Met zijn dolk sneed hij de pand van mijn rok af, en hij en een andere knaap hielpen mij op de been. Toch heb ik door die anders akelige historie de deugdzaamheid van het laken leeren kennen. Ware mijn rok van dat nieuwmodische Fransche laken geweest, hij was als een spinneweb vaneen gescheurd, en ik zou jammerlijk om het leven gekomen zijn. Sakkerloot! Die wever, die dat laken geweven heeft, verstaat zijne kunst. Ik bengelde en schommelde daar even veilig tusschen hemel en aarde, als eene boot, die aan een driedubbel kabeltouw voor anker ligt.”
Ik vroeg hem, wat er van zijn redder was geworden?
»Dat heer zeide,” antwoordde Jarvie, »dat het gevaarlijk was, mij terstond naar de dame te begeven. Ik moest wachten, tot hij terugkwam. Ik geloof stellig, dat hij thans naar u zoekt. Want hij is een voorzichtige kerel, die Dugald. Ik zou er op durven zweren, dat hij ten opzichte van zijne dame, zoo als hij haar noemt, volkomen gelijk heeft. Helena Campbell was reeds als meisje geen kat om zonder handschoenen aan te pakken. En als vrouw is zij er niet op verbeterd. Zelfs heeft men mij verzekerd, dat Robbert bang voor haar is. Ik vermoed, dat zij mij niet meer zal herkennen. Wij hebben elkander sedert jaren niet gezien. Als Dugald terugkomt, zullen wij het nader hooren. Laat ons maar op hem wachten.”
Ik was volkomen van zijn gevoelen. Maar het stond in het boek des noodlots geschreven, dat Jarvie’s schranderheid dien dag noch hem, noch een ander veel zou baten.
Wat nu Andries betreft, deze huppelde natuurlijk niet meer op den top der rots heen en weder, toen het geweervuur, waarvoor hij zoo bang was, ophield. Maar hij was op dit standpunt een veel te sterk in het oogvallend voorwerp, dan dat hij de scherpziende blikken der Hooglanders zou kunnen ontgaan, toen zij tijd vonden om eens rond te kijken. Een woest geschreeuw onder de overwinnaars deed ons vermoeden, dat men hem ontdekt had; dit was ook zoo. Terstond snelden eenigen hunner in het bosch en klauterden van onderscheidene kanten de rots op naar de plaats, waar zij de zonderlinge verschijning gezien hadden. Zij, die den armen Andries ’t eerst op den afstand van een geweerschot naderden, schenen volstrekt niet voornemens te zijn, om hem in zijn hachelijken toestand hulp te bieden. Zij legden eenvoudig hunne lange geweren op hem aan, en gaven hem door vrij ondubbelzinnige teekenen te kennen, dat hij trachten moest naar beneden te komen en zich aan hunne genade overgeven, indien hij niet oogenblikkelijk wilde doodgeschoten worden. Op een zoo dreigenden wenk kon Andries niet langer dralen het waagstuk te ondernemen. Het groote gevaar maakte hem onverschilliger omtrent dat, wat minder onvermijdelijk scheen, doodgeschoten te worden. Hij begon moedig van de rots af te klauteren, terwijl hij elken boomstronk, of vooruitstekende punt met koortsachtigen angst vastgreep. Zoo dikwerf hij eene handvrij had, richtte hij die naar de benedenstaande Hooglanders, als om hen te smeeken, de op hem aangelegde gewerenniet los te branden. Eindelijk kwam hij gelukkig beneden bij de dreigende mannen, die zich met den onhandigen klauteraar vrij wat vermaakt hadden. Ja, nu en dan losten zij een schot in de lucht, om de pret te vergrooten, die zijne angst en zijn inspanning van krachten hun veroorzaakte. Op den laatsten rotshoek gleed zijn voet uit en hij viel, zoo lang hij was, op den grond, waar de Hooglanders zich van hem meester maakten, en hem niet alleen al wat hij in zijne zakken had, ontroofden, maar hem ook met zulk eene voorbeeldelooze snelheid zijne pruik en zijne geheele kleeding afnamen, dat de arme man, die als een welgekleede knecht op den rug was gevallen, geheel naakt en met een kaal hoofd weder opstond. Toen sleepten zij hem over de scherpe rotspunten naar den straatweg.
Nauwelijks hadden de blikken der Hooglanders Jarvie en mij ontdekt, of eenigen van hen omsingelden ons, dreigden ons met hunne dolken en zwaarden en hielden ons hunne pistolen voor. Aan tegenweer viel niet te denken. Wij hadden geen wapens, om zulk eene bedreiging te kunnen beantwoorden. Wij onderwierpen ons dus aan ons lot, en de ongastvrije handen der Hooglanders wilden ons dadelijk in denzelfden toestand brengen, waarin zich de van angst en koude rillende Andries bevond, toen er onverwachts redding kwam opdagen. Reeds had men mij mijn met kant bezetten halsdoek, en Jarvie het overschot van zijn reisrok ontnomen, of zie—daar verscheen Dugald! Op scherp verwijtenden toon, onder vloeken en razen—wat hij eigenlijk zeide, verstond ik niet, maar ik giste het uit zijne hevige gebaren—dwong hij de plunderaars hun werk te staken en het reeds geroofde terug te geven. Mijn halsdoekrukte hij den eenen Hooglander uit de hand. Ja, hij knoopte mij dien in zijn ijver zoo stijf om den hals, dat ik vermoedde, dat hij, gedurende zijn verblijf in Glasgow, niet alleen den cipier gediend, maar ook les bij den scherprechter genomen had. Toen nu nog meer Hooglanders ons omringden, begaf Dugald zich naar beneden, en beval den overigen, ons, en wel inzonderheid Jarvie, bij het afklimmen de noodige hulp te bewijzen. Maar vruchteloos schreeuwde Andries uit volle keel, om ook voor zich Dugalds bescherming te erlangen. Hij had door diens bemiddeling ten minste zijne schoenen terug te bekomen.
»Waarachtig niet!” antwoordde Dugald; »gij hebt die niet noodig. Ge zijt zoo ver ik weet van zulke voorname afkomst niet. Je ouders hebben ook wel eens barrevoets geloopen.”
Vrij snel bracht men ons naar den engen pas, waar het gevecht was geleverd, om ons als gevangenen voor de aanvoerdster der zegepralende bende te brengen.
Ik merkte, dat Dugald in een vrij hevigen twist met zijne metgezellen raakte. Eenigen wilden beweren, dat hij onze gevangenneming aan hen te danken had, doch met groote bedreigingen antwoordde hij hierop. Eindelijk stonden wij voor de roemruchtige heldin, wier uiterlijk voorkomen mij nog meer bezorgdheid gaf, dan dat van de woeste, ruwe of krijgshaftige mannen, die ons omringden. Ik wist niet, of Helena Mac-Gregor werkelijk deel aan het gevecht had genomen,—later vernam ik het tegendeel. Maar de bloedvlekken op hare handen en naakte armen, het bloedige zwaard, dat zij nog in de hand hield; haar gloeiend gelaat, en wanordelijke haren, die uit hare roode, gepluimde muts golfden—alles scheen te kennen te geven, dat zij zelve medegestreden had. Haar scherp zwart oog en hare gelaatstrekken verrieden, dat hare ziel vol was van trotsche bewustheid van bevredigde wraak. In haar voorkomen was overigens volstrekt niets bloeddorstigs of wreeds. Toen de eerste opwelling van vrees bij mij geweken was, herinnerde zij mij aan de beelden van de vrome heldinnen, welke ik in de Katholieke kerken van Frankrijk had gezien. Zij was echter niet schoon genoeg voor eene Judith. Ook had zij in hare gelaatstrekken geenszins het geïnspireerde van eene Debora of van de vrouw van Heber, den Keniter, aan wier voeten de machtige onderdrukker van Israël, die in het Heidensch Haroseth woonde, machteloos neerzeeg en stierf. Maar toch deed de hooge graad van geestdrift, waarmede zij bezield was, en haar gelaat en geheel haar voorkomen mij denken aan de afbeeldingen van de heldinnen der Heilige Schrift, zooals ik ze op menig schilderstuk had gezien.
Hoe ik eene zoo zonderlinge vrouw zou aanspreken, wist ik niet. Maar Jarvie, wien de geforceerde marsch wederom buiten adem had gebracht, begon na een voorbereidend hoesten aldus: »Ik acht mij gelukkig, in de aangename gelegenheid,”—zijne bevende stem logenstrafte den nadruk, dien hij op het woordaangenametrachtte te leggen—»in de aangename gelegenheid,”—hernam hij en poogde het bijvoegelijk naamwoord nog beter te doen uitkomen—»te zijn, mijne waardenicht goeden morgen te wenschen. Hoe gaat het u?” vervolgde hij en scheen nu weder van lieverlede in zijn gewonen toon te geraken. »Hoe hebt gij het in al dien tijd gemaakt? Zijt gij mij dan geheel vergeten, Mevrouw Mac-Gregor Campbell? Nu, gij zult u toch, vertrouw ik, mijn vader wel herinneren, Nicolaas Jarvie, den wijkmeester op de Zoutmarkt te Glasgow. Hij was een braaf man, een man, op wien men staat kon maken, en hij hield bijzonder veel van u en de uwen. Zoo als ik zeg, het verheugt mij zeer u te zien als de echtgenoote van mijn waarden neef. Reeds zou ik u, schuldig en plichtmatig, als mijne bloedverwante omhelsd hebben, indien slechts uw volk mij de armen niet zoo vasthield; en mag ik, zonder omwegen, de waarheid zeggen, dan zou ik u, onder verbetering, aanraden, eer gij uwe vrienden verwelkomt, eerst wat water te gebruiken, om de bloedige sporen van den oorlog af te wisschen.”
In den vertrouwelijken toon van deze begroeting lag iets, wat met de overprikkelde gemoedsgesteldheid der heldin geenszins strookte. Zij was nog in den vollen roes harer vreugde over de zege in een gevaarlijken strijd. Zij was bezig over leven en dood uitspraak te doen. Dat stemde niet met Jarvie’s gemoedelijk praten.
»Wie zijt gij,”—begon zij—»die u vermeet, aanspraak op de verwantschap met Mac-Gregor te maken, maar noch zijne kleeding draagt, noch zijne taal spreekt? Wie zijt gij, die de taal en de gewoonten van een hond hebt, en u toch bij het hert wilt nederleggen?”
»Of men u,” antwoordde de onversaagde Jarvie, »die verwantschap duidelijk genoeg verklaard heeft, weet ik niet, maar ze bestaat, en kan in elk geval bewezen worden.”
Nu verhaalde hij vrij omstandig, dat zijne moeder de dochter van een Hooglander was geweest, wiens nog levende dochter inStuckavrallachanwoonde, die met Robbert Mac-Gregor in den vierden graad was vermaagschapt. Maar de heldin tot wie hij sprak, besnoeide den stamboom van Jarvie, door hem met de trotsche vraag in de rede te vallen, of een machtige stroom eenige verwantschap zou willen erkennen met het water, dat de aan zijne oevers wonende lieden tot geringe huiselijke behoeften afgeleid hadden?
»Zeer juist aangemerkt, waarde nicht!” antwoordde Jarvie. »Maar kijk eens, de stroom zou wel tevreden zijn, wanneer hij in den zomer, als zijn kiezel door de zonnestralen gebleekt is, een gedeelte van dat afgeleide water terug had. Ik weet wel, gij Hooglanders acht ons Glasgowers niet, omdat wij anders dan gij gekleed gaan, en ook eene andere taal spreken. Maar ieder spreekt de taal, die hij als kind geleerd heeft. Ik zou er vrij gek uitzien, als mijn ronde buik in een kort Hooglandsch rokje zat, en mijne korte beenen onder de knieën met banden omwonden waren, even als die van uwe langbeenige jongens. Maar nog eens,” vervolgde hij, niettegenstaande Dugalds wenken hem scheen aan te raden, te zwijgen, en de Amazone zelve haar misnoegen over zijne praatzucht duidelijk liet blijken—»gij moet u toch herinneren, dat zelfs de koning soms met een eenvoudigen daglooner het een of ander kan teverhandelen hebben, wat voor zijne majesteit van zeer veel belang is. Hoe hoog gij uwen man ook boven mij moogt verheven achten—het is niet meer dan billijk, dat eene vrouw den man eert, want Gods woord beveelt het—maar, zoo als ik zeg, hoe hoogen dunk gij ook van uw man tegenover mijne geringheid moogt hebben, kan ik u echter verzekeren, dat er tijden zijn geweest, waarin hij mijne diensten geenszins versmaadde, en mijne hulp gaarne erkend zou hebben. Ook heb ik u, toen gij met hem in het huwelijk zoudt treden, een snoer fraaie parelen gezonden. Ja, toen was Robbert een eerlijke veehandelaar en wist nog niets van al dat vechten en plukharen; toen ontwapende hij nog niet ’s konings soldaten, en stoorde nog niet de rust van den staat.”
Hier viel zij hem in de rede. Hij had een teedere snaar aangeroerd, iets wat zijne nicht volstrekt niet dulden kon. Met fierheid richtte zij zich op en verried de hevigheid harer gewaarwordingen door een luid lachen, waaruit spot en verbittering spraken.—»Ja,” zeide zij, »gij en uws gelijken zoudt met ons verwant kunnen zijn, wanneer wij ons vernederden om als ellendelingen onder uwe heerschappij te leven, als houthakkers en waterdragers, en wij ons getroostten wildbraad voor uwe gastmalen te leveren, om als slaven door uwe wetten onderdrukt en door u met voeten getreden te worden. Maar neen! wij zijn vrij; wij zijn vrij door dezelfde daad, die ons huis en hof, voedsel en deksel, ja, die mij alles, alles ontroofde, die mij smart als ik er aan denk, dat ik nog voor niets anders meer dan om mij te wreken op de aarde kan zijn. Welaan! Het werk, dat heden zoo goed begonnen is, wil ik door eene daad voortzetten, die elken band tusschen Mac-Gregor en de ellendelingen uit de Laaglanden voor altijd zal verbreken! Hier Allan! Dugald! Bindt deze Saksers bij elkander en werpt hen in het Hooglandsche meer; daar mogen zij hunne Hooglandsche bloedverwanten zoeken!”
Ontzet over dit bevel, wilde Jarvie bedenkingen inbrengen. Hij zou daarmee de hevige drift der Hooglandsche Amazone slechts nog meer ontvlamd hebben, doch toen trad Dugald tusschen beide. Dezelfde man, die zich in het Engelsch zoo langzaam en gebrekkig uitdrukte, liet zich thans in zijne moedertaal ongemeen vlug hooren, om, zoo als ik uit alles merken kon, ons met den meesten ijver te verdedigen.
Zijne gebiedster viel hem in de Engelsche taal in de rede, als wilde zij ons den doodsangst in al zijne bitterheid reeds vooraf doen gevoelen.—»Ellendige hond!” riep zij; »durft gij u tegen mijne bevelen verzetten? Al zou ik u ook bevelen, den een de tong uit den mond te snijden en dien in de keel van den ander te duwen, om te zien wie daarmede het best Saksisch sprak; of den eenen het hart uit te rukken en het in de borst van den ander te plaatsen, om te zien wie het best verraderlijke aanslagen tegen Mac-Gregor ontwerpen kon—want zoo placht men oudtijds in de dagen van wraak te handelen, als onze voorvaderen beleedigingen te straffen hadden.—Zie, al wilde ik u zoo ietsbevelen, dan nog zou het u passen zonder eenige tegenwerping mijn wil ootmoedig te gehoorzamen. Hebt gij mij verstaan?”
»Zeer, zeer zeker!” antwoordde Dugald, »uw wil zou moeten geschieden; dat zou niets meer dan billijk zijn. Maar mij dunkt, dat het u veel meer voldoening zou verschaffen, dien leelijken kapitein met zijn korporaal en nog een paar van die roodrokken in het meer te laten werpen, dan dezen brave heeren eenig leed toe te brengen. Zij zijn goede vrienden vanGregarach. En, ik zeg u, op zijn hun gegeven woord zijn zij herwaarts gekomen. En zij denken aan geen verraad, dat durf ik zweren.”
Juist wilde Helena Campbell hierop antwoorden, toen zich eenige tonen van een doedelzak op den weg naar Aberfoil deden hooren, waarschijnlijk dezelfde, die Thornton’s achterhoede gehoord had. Het gevecht was van zoo korten duur geweest, dat de gewapenden, die dat krijgsmuziek volgden, niet spoedig genoeg hadden kunnen aankomen, om deel aan den strijd te nemen, hoewel zij hunne schreden verhaast hadden, toen het schieten hun in de ooren klonk. Thans verschenen zij slechts om de overwinning hunner landslieden te helpen vieren.
De nieuw aangekomenen onderscheidden zich in het oogloopend en zeer ten hunnen voordeele van diegenen, die over de manschappen van Thornton gezegepraald hadden. Onder de Hooglanders, die tot het gevolg van Helena Campbell behoorden, waren grijsaards en knapen, nauwelijks in staat om de wapens te voeren; ja, zelfs vrouwen, kortom, menschen, die alleen in dringenden nood gewapend werden. De neerslachtigheid, welke Thornton’s manhaftige gelaatstrekken benevelde, werd dan ook vermeerderd door smartelijke schaamte, toen hij zag, dat het een overigens verachtelijken vijand slechts door overmacht en door eene gunstige stelling gelukt was, zijne dappere soldaten te overwinnen. Maar de dertig of veertig Hooglanders, die nu aankwamen en zich met de overigen vereenigden, waren allen deels in den bloei hunner jeugd, deels van mannelijken leeftijd. Het waren krachtige, goed gebouwde mannen, wier gespierde leden in de korte kousen en onder den omgegorden plaid zich voordeelig voordeden. Ook waren zij beter gewapend dan de andere bende. De volgelingen der Amazone hadden deels geweren, deels bijlen, sikkels en allerlei oude wapens; zelfs hadden eenigen niets anders dan knodsen, dolken en lange messen. De naderenden hadden echter meestal pistolen in den gordel, en bijna allen dolken naast de zakken, die zij voor het lijf droegen. Ieder had een goed geweer, een zwaard op zijde; daarbij een sterk rond schild, dat van licht hout gemaakt, met leder overtrokken en sierlijk met koperen spijkers bezet was, met een ingeschroefde stalen punt in het midden. Dit schild droegen zij onderweg, of wanneer zij op den vijand schoten, op den rug, maar zoodra zij met het zwaard den aanval deden, werd het op den linkerarm gebonden.
Al spoedig bemerkte men, dat deze uitgelezen bende niet van zulk eene overwinning terugkwam, als hunne slecht gewapende makkers bevochten hadden. De doedelzak liet van tijd tot tijd eenige klagende tonen hooren, die geheel iets anders uitdrukten dan vreugde over eenebehaalde zege. Zwijgend, met neergeslagen, sombere blikken, verschenen zij voor de vrouw van haar opperhoofd. Toen zij vóór haar stonden, klonken, na eene korte stilte, nog eenmaal de woeste weemoedige tonen van den doedelzak.
Helena naderde hen snel, en op haar gelaat was toorn en bezorgdheid te lezen.
»Wat beduidt dit, Alaster?” zeide zij tot den speelman. »Waartoe deze klaagtonen in het oogenblik der overwinning? Robbert! Jakob! Waar is Mac-Gregor, uw vader?”
Hare zonen, die deze bende aanvoerden, naderden met langzame, dralende schreden. Zij mompelden eenige Gaelische woorden, waarop de moeder eensklaps een luiden gil gaf, een schrillen schreeuw door de rotsen en door al de vrouwen en knapen luide herhaald, terwijl deze de handen samensloegen en huilden, alsof hun laatste uur geslagen was. En de weerklank der bergen, die, sedert het gedruisch en gewoel van het gevecht ophield, gezwegen had, werd weder gehoord. Het was een vreeselijk jammergeschrei; het joeg zelfs de nachtvogels uit hunne rotsholen, verschrikt van een gehuil, dat akeliger en van nog droeviger voorbeduiding dan hun eigen, zich midden op den dag liet hooren.
»Gevangen?” herhaalde Helena, toen het geschreeuw eindelijk bedaarde. »Gevangen? En gij leeft, om het mij te zeggen? Ellendige lafaards! Heb ik u daarom gezoogd, dat gij uw bloed tegen uws vaders vijanden zoudt sparen? Durfdet en kondet gij hem gevangen zien nemen en terugkeeren?”
Tot Mac-Gregors zonen waren deze harde woorden gericht. Zij waren jongelingen, de oudste had nauwelijks den leeftijd van twintig jaren bereikt. Hamisch, of Jakob heette de oudste der beiden; hij was een hoofd langer en veel schooner dan zijn broeder. Zijne lichtblauwe oogen en het weelderige blonde haar, dat van onder zijne fraaie blauwe muts te voorschijn golfde, maakten hem tot het type van een knappen Hooglandschen jongeling. De jongere heette Robbert, maar om hem van zijn vader te onderscheiden, noemden de Hooglanders hem »Oig”, dat wil zeggen »de jonge”. Donker haar en een gelaatskleur die van gezondheid en levendigheid getuigde, maakten ook dezen jeugdigen bergbewoner tot eene aangename verschijning.
Schaamte en verdriet benevelden de gelaatstrekken der broeders, toen zij daar voor hunne moeder stonden. Met de eerbiedigste onderdanigheid ontvingen zij de verwijten, waarmede zij overladen werden. Toen eindelijk de gramschap der Amazone eenigszins scheen te bedaren, beproefde de oudste in de Engelsche taal—waarschijnlijk om door de overigen niet verstaan te worden—zich en zijn broeder tegenover hunne moeder te rechtvaardigen. Ik stond zoo dicht bij hem, dat ik zeer veel van hetgeen hij zeide verstond. Daar het voor mij van groot belang was, omtrent deze gewichtige gebeurtenis nauwkeurig onderricht te worden, luisterde ik met opmerkzaamheid.
Volgens het verhaal van zijn zoon, was Mac-Gregor door een zekeren Laaglander, die een teeken bracht van—de naam werd zeer zachtuitgesproken, doch ik meende »Osbaldistone” te hooren—tot eene samenkomst uitgenoodigd. Mac-Gregor had die uitnoodiging aangenomen, maar tevens bevolen, den man, die de boodschap overgebracht had, als gijzelaar terug te houden, ten einde hij zeker zou kunnen zijn, van goed behandeld te worden. Toen had hij zich naar de plaats der samenkomst begeven—den Hooglandschen naam kon ik niet verstaan,—slechts door twee mannen uit zijn gevolg, Angus Breek en den kleinen Vrory, vergezeld. Dit had hij volstrekt zoo gewild; meer mochten hem niet volgen. Maar na verloop van omtrent een half uur was een der beide geleiders met de treurige mare teruggekomen, dat hun opperhoofd door eene bende soldaten, onder aanvoering van Galbraith van Garschattachin, overvallen en gevangen genomen was. Naar de verzekering van den ongeluksbode had Mac-Gregor bij zijne gevangenneming gedreigd, zich op den gijzelaar te zullen laten wreken, waarop Galbraith met minachting geantwoord had: »Ieder moge zijn man ophangen! Wij hangen den dief op en gij den tollenaar, dan wordt het land op eens van twee plagen bevrijd.” De terugkeerende geleider, Angus Breek, dien men niet zoo streng als zijn gebieder bewaakt had, was gelukkig ontsnapt, om den zijnen deze noodlottige tijding te brengen.
»En dat hoordet gij, ellendige verraders!” riep Helena, »en gij spoeddet u niet terug om uw vader te redden, om hem te verlossen, of te sterven?”
De jonge Mac-Gregor sprak met de meeste bescheidenheid van des vijands groote overmacht. Hij voegde er bij, dat, daar de vijand geen voorbereidselen maakte, om weder op te breken, hij zich terstond naar het dal had begeven, om eene genoegzame macht bijeen te verzamelen, ten einde zijns vaders bevrijding met hoop op een gelukkigen uitslag te kunnen ondernemen. De soldaten wilden, zoo als hij gehoord had, in de nabijheid van het huisGartartan, of in het oud aan zee liggend kasteel bijMonteithovernachten. Wel was dit slot sterk en verdedigbaar, maar wanneer men het met eene talrijke bende waagde, dan kon het wel genomen worden.
Ik heb eerst later vernomen, dat de aanhangers van het opperhoofd in twee sterke benden verdeeld waren, van welke de eene de bezetting van Inversnaid met kapitein Thornton gadesloeg, en de andere tegen de vijandige Hooglanders. Deze laatsten hadden zich met de koninklijke soldaten en de Neder-Schotten vereenigd, om een inval te doen in de woeste, bergachtige streken tusschen de meeren Lomond, Katrine en Hard, toenmaals Robbertsland genoemd.
Onverwijld werden nu eenige boden uitgezonden, om, naar ik vermoedde, de hier en daar verstrooide krijgsmacht bijeen te brengen, ten einde de Laaglanders aan te tasten. De smart, de droefheid en vertwijfeling, die in het eerst op aller gelaat te lezen waren, wisselden af met de streelende hoop hun opperhoofd te redden en hunne wraak te bevredigen.
Van dezelfde wraakzucht gloeiende, liet Helena den man, die als gijzelaar voor Mac-Gregor’s veiligheid teruggebleven was, voor zichbrengen. Misschien hadden hare zonen, de noodlottige gevolgen vreezende, den ongelukkige buiten haar gezicht gehouden. Maar was dat inderdaad het geval geweest, dan vermocht hunne menschlievende voorzorg zijn wreed lot slechts eenige oogenblikken te vertragen. Op haar bevel sleurden zij den man, die reeds halfdood van schrik was, voor haar. Tot mijne uiterste verbazing en innige ontroering herkende ik in zijne door doodsangst reeds misvormde trekken, mijn ouden bekende Morris.
Hij viel voor haar neder om hare knieën te omvatten. Maar zij trad terug alsof zijne aanraking eene heiligschennis ware. In diepen ootmoed kon hij slechts den zoom van haar plaid kussen. Nooit heb ik met zooveel zielsangst om lijfsgenade hooren smeeken. Die angst was zelfs zoo hevig, dat in plaats van hem, zoo als doorgaans, de tong te verlammen, bij hem buitengewoon welsprekend maakte. Met doodsbleeke wangen, met krampachtig samengevouwen handen, en oogen, die zich voor de laatste maal op het aardsche schenen te vestigen, betuigde hij, onder de duurste eeden, dat hij volstrekt niets van een aanslag tegen Robbert, dien hij als zijn eigen leven liefhad en eerbiedigde, geweten had. Zich zelven echter in zijne angst tegensprekende, voegde hij er nog bij, dat hij slechts het werktuig van anderen was, en mompelde Rashleigh’s naam. Hij smeekte slechts om zijn leven; daarvoor wilde hij alles geven, wat hij in de wereld bezat. Slechts zijn leven vroeg hij, al moest hij het ook onder kwellingen en ontberingen, als gevangene, als slaaf, voortsleepen, al moest het akeligste berghol zijn verblijf zijn.
Onmogelijk kan ik de diepe verachting beschrijven, waarmede de vrouw van Mac-Gregor op den smeekende neerzag, die niets dan het armzalige geschenk van verlenging zijns levens begeerde.—»Ik zou u het leven hebben laten behouden,” zeide zij, »als het voor u een zoo zware, ondragelijk drukkende last ware, als het voor mij is en voor elke edele, harer eigene waarde bewuste ziel. Maar gij, ellendige, gij zoudt door uwe schande, door uwe eerloosheid, uwe opeengestapelde misdaden niet in het minst zelfs gekweld, zeker niet gefolterd worden. Worm! Gij zoudt door de wereld kruipen. Gij zoudt leven en uw leven genieten, terwijl de brave verraden wordt, terwijl schurken zonder naam, zonder afkomst, den dapperen, maar ongelukkigen man op den nek trappen. Gij zoudt uw leven genieten als een slachtershond, die in de ingewanden wroet, terwijl de dapperen geslacht worden! Neen, dat genot zult gij niet smaken, ellendige! sterven zult gij, en wel vóórdat die wolk daar voorbij de zon is gedreven!”
Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!”
Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak, trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had daar beneden zijn graf gevonden.