HOOFDSTUK XXXIV.

HOOFDSTUK XXXIV.Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaardernog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dienhij verklaart!De Criticus.Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana’s beeld mij voor den geest kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, toen die zonderlinge verschijning mij verraste.»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo ernstig roerend gegeven heeft,”—zeide ik tot mij zelven.—»Ik wil immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen; of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid, voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen.”Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.—Terwijlik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een slag op den schouder ontving, een »holla!” achter mij, en de diepe stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: »Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel eens vroeger om dezen tijd ontmoet.”Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend, waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was, Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor hem was.En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed, dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen te zijn.»Nu ja,” zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen, vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met een handvol volks, in ’t geheel geen vijftien man, te doen.”Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst inde Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in de herberg en van Jarvie’s heldendaad met het gloeiende rakelijzer.»Leve Glasgow!” riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie,” voegde hij er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen, ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om den moed van een flink mensch uit te dooven.—Overigens zult gij licht kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.—Nu, wat gebeurde er verder?”Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen, en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had, begon hij weder luidkeels te lachen.—»Zoo waar ik leef,” zeide hij, »zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!”»Freule Vernon?” vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, die eenige macht over haar scheen te hebben.”»Ja, ja!” hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij, of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen.”Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.—»Gij zijt ziek,” zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is.”De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.»Men zegt wel eens,” zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van ’s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten, en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!”Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!” zeide hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik, dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond, dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren.”»Morris,” hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat een mensch betalen kan.”»Wat zegt gij daar?” riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het gevecht gesneuveld?”»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, mijnheer Campbell!” hernam ik.»In koelen bloede? Vervloekt!” mompelde Robbert. »Maar hoe kwam dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor.”Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris vermoord was.Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde, of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben, als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!”Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt, maar waagde het niet Diana’s naam te noemen.»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik,” zei Mac-Gregor. »De brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens, u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder gevonden, dan ik dacht.”Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.»Was dan,” vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?”»Mij dunkt,” hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb met mijne eigene zaken.”Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel, dat den geheimen gang naar Rashleigh’s verblijf bedekte. Ik herinnerde mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk inhaarooms huis ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en geluk, die het nog armzaligerhof van den naamkoning (den Pretendent) in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden, waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.»Het schijnt dus,” zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, »dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone zijn verblijf hield?”»Juist!” antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, wat ook wel het raadzaamste was.”Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn ijverzuchtigen toorn.»Maar slechts zeer weinigen,” vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen.”»Vermoedelijk,” vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste ongeval van.…”»Die historie van dien Morris, meent ge?” vroeg Robbert op koelen toon, toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten, blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,” hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand gebeurde—dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer genegen was,—dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid rukken zouden,—en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat hij een onschuldig mensch aanklaagde—o daarover heb ik nog dikwijls moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen, dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?”»Mag ik vragen,” hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, om uwe plannen te verijdelen?”»Het zijn geen plannen van mij?” zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie, en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen mes in de hand geven.”Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon ontslaan, en liet nu een stroom vanGaelischegelukwenschen volgen, welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was, ’t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen, dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde, oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven, dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte, die Robberts verhaal even vaak tot mijnestichting vertolkte, waarnaar ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens, dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren van dien aard bekend was.Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde, en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.»Ik ben redelijk wel, neef,” antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak betreft hier,—nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer vijanden verlost zijt.”»Dank u!” hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed vriend hartelijk aangeboden werd.”»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan ééne wijze geworden. Maar,” vervolgde hij, terwijl hij langzaam een houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;—»hij was niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!” en hij nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen.”Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte, als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij groettemij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.»Daarover later!” viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef spreken. Robbert,” vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow, hetzij naar elders.”»Wees onbezorgd!” hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte, wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten.”»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!” antwoordde Jarvie. »Den heer Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel slecht opvoedt.”—Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,—en mijne nicht Helena—nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit alleen aan hare ongerustheid over u—maar wat ik u van uwe vrouw moet zeggen.…”»Stil! geen woord verder!” viel Robbert hem op ernstigen toon in de rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen, wat u lust.”»Goed, goed!” antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch—dat beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft—het zou eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,Eachinen Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.—Iets dergelijks van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven—het is wezenlijk te erg.…”»Als zij het konden, neef,” antwoordde Robbert, »dan zouden zij het zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester voor zijne zonen?”»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee, dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels, die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!”»Niets goedsis niet geheel juist,” antwoordde Robbert; »Jakob kan een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door eene plank van twee duim dikte.”»Des te erger voor beiden!” zeide Jarvie op beslissenden toon; »des te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?”Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.»Gij, Robbert,” vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever van alles goeds! slechts in het groot handel drijf—en.…”Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen; en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark.”»Alle duivels!” riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!”Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog verder aan te dringen.Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog nietvereffend zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!”De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle statie plegen te dragen.»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met het geheim bekend is,” zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen, de lading treffen moest.—»Dit,” zeide hij, op de pistool wijzende, »is mijn thesaurier-generaal.”Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden, zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug, terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn, als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen.”»Geloof mij, neef,” antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld te betalen. Ziedaar uwe duizend mark,” vervolgde hij, een rolletje goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij tot den laatsten duit betaald zijt.”Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde.”»Op mijn woord!” zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, »het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie Louis d’or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen.”»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!” zeide Jarvie, de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij—het strijdt tegen Gods woord.”»Wees onbezorgd, neef!” hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem wel ontbreken.”»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!” hernam Jarvie, die zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje goud begon te tellen.»En zeker niemand uit de Laaglanden,” zeide Robbert en trok de zware borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis d’or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten en kapitaal, gaf hij drie Louis d’or terug voor een kleed voor zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie’s onverwachte grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen onderteekend is.—»In den omtrek van geen drie mijlen,” zeide Robbert, »vindt gij, als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat ons de zaak met minder moeite afdoen,” vervolgde hij en wierp het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om rekeningen te kwiteeren!” zeide hij hierop tegen den van verbazing sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan.”Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette, reeds aangesneden was.—»Gij moet weten,” zeide hij tot Jarvie, en zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen.”Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazonehem recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde gevoelen geweest zijn. Maar Robbert’s verontschuldiging wekte bij mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren reisgenoot onthaalde—haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal maakten, bemerkte ik, dat Robbert’s vriendelijke oplettendheid ons ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten, en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.

HOOFDSTUK XXXIV.Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaardernog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dienhij verklaart!De Criticus.Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana’s beeld mij voor den geest kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, toen die zonderlinge verschijning mij verraste.»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo ernstig roerend gegeven heeft,”—zeide ik tot mij zelven.—»Ik wil immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen; of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid, voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen.”Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.—Terwijlik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een slag op den schouder ontving, een »holla!” achter mij, en de diepe stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: »Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel eens vroeger om dezen tijd ontmoet.”Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend, waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was, Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor hem was.En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed, dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen te zijn.»Nu ja,” zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen, vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met een handvol volks, in ’t geheel geen vijftien man, te doen.”Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst inde Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in de herberg en van Jarvie’s heldendaad met het gloeiende rakelijzer.»Leve Glasgow!” riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie,” voegde hij er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen, ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om den moed van een flink mensch uit te dooven.—Overigens zult gij licht kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.—Nu, wat gebeurde er verder?”Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen, en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had, begon hij weder luidkeels te lachen.—»Zoo waar ik leef,” zeide hij, »zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!”»Freule Vernon?” vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, die eenige macht over haar scheen te hebben.”»Ja, ja!” hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij, of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen.”Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.—»Gij zijt ziek,” zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is.”De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.»Men zegt wel eens,” zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van ’s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten, en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!”Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!” zeide hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik, dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond, dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren.”»Morris,” hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat een mensch betalen kan.”»Wat zegt gij daar?” riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het gevecht gesneuveld?”»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, mijnheer Campbell!” hernam ik.»In koelen bloede? Vervloekt!” mompelde Robbert. »Maar hoe kwam dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor.”Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris vermoord was.Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde, of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben, als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!”Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt, maar waagde het niet Diana’s naam te noemen.»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik,” zei Mac-Gregor. »De brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens, u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder gevonden, dan ik dacht.”Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.»Was dan,” vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?”»Mij dunkt,” hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb met mijne eigene zaken.”Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel, dat den geheimen gang naar Rashleigh’s verblijf bedekte. Ik herinnerde mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk inhaarooms huis ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en geluk, die het nog armzaligerhof van den naamkoning (den Pretendent) in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden, waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.»Het schijnt dus,” zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, »dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone zijn verblijf hield?”»Juist!” antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, wat ook wel het raadzaamste was.”Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn ijverzuchtigen toorn.»Maar slechts zeer weinigen,” vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen.”»Vermoedelijk,” vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste ongeval van.…”»Die historie van dien Morris, meent ge?” vroeg Robbert op koelen toon, toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten, blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,” hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand gebeurde—dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer genegen was,—dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid rukken zouden,—en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat hij een onschuldig mensch aanklaagde—o daarover heb ik nog dikwijls moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen, dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?”»Mag ik vragen,” hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, om uwe plannen te verijdelen?”»Het zijn geen plannen van mij?” zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie, en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen mes in de hand geven.”Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon ontslaan, en liet nu een stroom vanGaelischegelukwenschen volgen, welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was, ’t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen, dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde, oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven, dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte, die Robberts verhaal even vaak tot mijnestichting vertolkte, waarnaar ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens, dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren van dien aard bekend was.Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde, en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.»Ik ben redelijk wel, neef,” antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak betreft hier,—nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer vijanden verlost zijt.”»Dank u!” hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed vriend hartelijk aangeboden werd.”»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan ééne wijze geworden. Maar,” vervolgde hij, terwijl hij langzaam een houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;—»hij was niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!” en hij nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen.”Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte, als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij groettemij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.»Daarover later!” viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef spreken. Robbert,” vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow, hetzij naar elders.”»Wees onbezorgd!” hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte, wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten.”»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!” antwoordde Jarvie. »Den heer Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel slecht opvoedt.”—Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,—en mijne nicht Helena—nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit alleen aan hare ongerustheid over u—maar wat ik u van uwe vrouw moet zeggen.…”»Stil! geen woord verder!” viel Robbert hem op ernstigen toon in de rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen, wat u lust.”»Goed, goed!” antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch—dat beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft—het zou eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,Eachinen Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.—Iets dergelijks van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven—het is wezenlijk te erg.…”»Als zij het konden, neef,” antwoordde Robbert, »dan zouden zij het zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester voor zijne zonen?”»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee, dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels, die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!”»Niets goedsis niet geheel juist,” antwoordde Robbert; »Jakob kan een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door eene plank van twee duim dikte.”»Des te erger voor beiden!” zeide Jarvie op beslissenden toon; »des te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?”Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.»Gij, Robbert,” vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever van alles goeds! slechts in het groot handel drijf—en.…”Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen; en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark.”»Alle duivels!” riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!”Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog verder aan te dringen.Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog nietvereffend zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!”De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle statie plegen te dragen.»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met het geheim bekend is,” zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen, de lading treffen moest.—»Dit,” zeide hij, op de pistool wijzende, »is mijn thesaurier-generaal.”Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden, zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug, terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn, als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen.”»Geloof mij, neef,” antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld te betalen. Ziedaar uwe duizend mark,” vervolgde hij, een rolletje goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij tot den laatsten duit betaald zijt.”Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde.”»Op mijn woord!” zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, »het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie Louis d’or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen.”»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!” zeide Jarvie, de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij—het strijdt tegen Gods woord.”»Wees onbezorgd, neef!” hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem wel ontbreken.”»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!” hernam Jarvie, die zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje goud begon te tellen.»En zeker niemand uit de Laaglanden,” zeide Robbert en trok de zware borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis d’or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten en kapitaal, gaf hij drie Louis d’or terug voor een kleed voor zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie’s onverwachte grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen onderteekend is.—»In den omtrek van geen drie mijlen,” zeide Robbert, »vindt gij, als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat ons de zaak met minder moeite afdoen,” vervolgde hij en wierp het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om rekeningen te kwiteeren!” zeide hij hierop tegen den van verbazing sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan.”Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette, reeds aangesneden was.—»Gij moet weten,” zeide hij tot Jarvie, en zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen.”Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazonehem recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde gevoelen geweest zijn. Maar Robbert’s verontschuldiging wekte bij mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren reisgenoot onthaalde—haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal maakten, bemerkte ik, dat Robbert’s vriendelijke oplettendheid ons ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten, en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.

HOOFDSTUK XXXIV.Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaardernog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dienhij verklaart!De Criticus.

Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaardernog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dienhij verklaart!De Criticus.

Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaardernog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dienhij verklaart!

Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder

nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien

hij verklaart!

De Criticus.

Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana’s beeld mij voor den geest kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, toen die zonderlinge verschijning mij verraste.»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo ernstig roerend gegeven heeft,”—zeide ik tot mij zelven.—»Ik wil immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen; of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid, voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen.”Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.—Terwijlik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een slag op den schouder ontving, een »holla!” achter mij, en de diepe stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: »Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel eens vroeger om dezen tijd ontmoet.”Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend, waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was, Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor hem was.En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed, dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen te zijn.»Nu ja,” zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen, vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met een handvol volks, in ’t geheel geen vijftien man, te doen.”Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst inde Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in de herberg en van Jarvie’s heldendaad met het gloeiende rakelijzer.»Leve Glasgow!” riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie,” voegde hij er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen, ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om den moed van een flink mensch uit te dooven.—Overigens zult gij licht kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.—Nu, wat gebeurde er verder?”Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen, en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had, begon hij weder luidkeels te lachen.—»Zoo waar ik leef,” zeide hij, »zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!”»Freule Vernon?” vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, die eenige macht over haar scheen te hebben.”»Ja, ja!” hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij, of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen.”Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.—»Gij zijt ziek,” zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is.”De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.»Men zegt wel eens,” zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van ’s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten, en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!”Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!” zeide hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik, dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond, dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren.”»Morris,” hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat een mensch betalen kan.”»Wat zegt gij daar?” riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het gevecht gesneuveld?”»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, mijnheer Campbell!” hernam ik.»In koelen bloede? Vervloekt!” mompelde Robbert. »Maar hoe kwam dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor.”Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris vermoord was.Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde, of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben, als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!”Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt, maar waagde het niet Diana’s naam te noemen.»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik,” zei Mac-Gregor. »De brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens, u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder gevonden, dan ik dacht.”Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.»Was dan,” vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?”»Mij dunkt,” hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb met mijne eigene zaken.”Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel, dat den geheimen gang naar Rashleigh’s verblijf bedekte. Ik herinnerde mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk inhaarooms huis ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en geluk, die het nog armzaligerhof van den naamkoning (den Pretendent) in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden, waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.»Het schijnt dus,” zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, »dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone zijn verblijf hield?”»Juist!” antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, wat ook wel het raadzaamste was.”Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn ijverzuchtigen toorn.»Maar slechts zeer weinigen,” vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen.”»Vermoedelijk,” vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste ongeval van.…”»Die historie van dien Morris, meent ge?” vroeg Robbert op koelen toon, toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten, blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,” hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand gebeurde—dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer genegen was,—dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid rukken zouden,—en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat hij een onschuldig mensch aanklaagde—o daarover heb ik nog dikwijls moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen, dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?”»Mag ik vragen,” hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, om uwe plannen te verijdelen?”»Het zijn geen plannen van mij?” zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie, en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen mes in de hand geven.”Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon ontslaan, en liet nu een stroom vanGaelischegelukwenschen volgen, welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was, ’t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen, dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde, oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven, dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte, die Robberts verhaal even vaak tot mijnestichting vertolkte, waarnaar ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens, dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren van dien aard bekend was.Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde, en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.»Ik ben redelijk wel, neef,” antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak betreft hier,—nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer vijanden verlost zijt.”»Dank u!” hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed vriend hartelijk aangeboden werd.”»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan ééne wijze geworden. Maar,” vervolgde hij, terwijl hij langzaam een houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;—»hij was niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!” en hij nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen.”Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte, als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij groettemij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.»Daarover later!” viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef spreken. Robbert,” vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow, hetzij naar elders.”»Wees onbezorgd!” hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte, wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten.”»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!” antwoordde Jarvie. »Den heer Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel slecht opvoedt.”—Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,—en mijne nicht Helena—nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit alleen aan hare ongerustheid over u—maar wat ik u van uwe vrouw moet zeggen.…”»Stil! geen woord verder!” viel Robbert hem op ernstigen toon in de rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen, wat u lust.”»Goed, goed!” antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch—dat beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft—het zou eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,Eachinen Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.—Iets dergelijks van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven—het is wezenlijk te erg.…”»Als zij het konden, neef,” antwoordde Robbert, »dan zouden zij het zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester voor zijne zonen?”»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee, dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels, die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!”»Niets goedsis niet geheel juist,” antwoordde Robbert; »Jakob kan een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door eene plank van twee duim dikte.”»Des te erger voor beiden!” zeide Jarvie op beslissenden toon; »des te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?”Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.»Gij, Robbert,” vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever van alles goeds! slechts in het groot handel drijf—en.…”Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen; en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark.”»Alle duivels!” riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!”Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog verder aan te dringen.Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog nietvereffend zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!”De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle statie plegen te dragen.»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met het geheim bekend is,” zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen, de lading treffen moest.—»Dit,” zeide hij, op de pistool wijzende, »is mijn thesaurier-generaal.”Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden, zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug, terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn, als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen.”»Geloof mij, neef,” antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld te betalen. Ziedaar uwe duizend mark,” vervolgde hij, een rolletje goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij tot den laatsten duit betaald zijt.”Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde.”»Op mijn woord!” zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, »het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie Louis d’or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen.”»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!” zeide Jarvie, de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij—het strijdt tegen Gods woord.”»Wees onbezorgd, neef!” hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem wel ontbreken.”»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!” hernam Jarvie, die zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje goud begon te tellen.»En zeker niemand uit de Laaglanden,” zeide Robbert en trok de zware borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis d’or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten en kapitaal, gaf hij drie Louis d’or terug voor een kleed voor zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie’s onverwachte grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen onderteekend is.—»In den omtrek van geen drie mijlen,” zeide Robbert, »vindt gij, als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat ons de zaak met minder moeite afdoen,” vervolgde hij en wierp het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om rekeningen te kwiteeren!” zeide hij hierop tegen den van verbazing sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan.”Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette, reeds aangesneden was.—»Gij moet weten,” zeide hij tot Jarvie, en zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen.”Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazonehem recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde gevoelen geweest zijn. Maar Robbert’s verontschuldiging wekte bij mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren reisgenoot onthaalde—haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal maakten, bemerkte ik, dat Robbert’s vriendelijke oplettendheid ons ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten, en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.

Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana’s beeld mij voor den geest kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, toen die zonderlinge verschijning mij verraste.

»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo ernstig roerend gegeven heeft,”—zeide ik tot mij zelven.—»Ik wil immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen; of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid, voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen.”

Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.—Terwijlik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een slag op den schouder ontving, een »holla!” achter mij, en de diepe stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: »Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel eens vroeger om dezen tijd ontmoet.”

Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend, waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was, Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor hem was.

En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed, dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.

Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen te zijn.

»Nu ja,” zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen, vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met een handvol volks, in ’t geheel geen vijftien man, te doen.”

Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst inde Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in de herberg en van Jarvie’s heldendaad met het gloeiende rakelijzer.

»Leve Glasgow!” riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie,” voegde hij er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen, ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om den moed van een flink mensch uit te dooven.—Overigens zult gij licht kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.—Nu, wat gebeurde er verder?”

Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen, en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had, begon hij weder luidkeels te lachen.—»Zoo waar ik leef,” zeide hij, »zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!”

»Freule Vernon?” vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, die eenige macht over haar scheen te hebben.”

»Ja, ja!” hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij, of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen.”

Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.—

»Gij zijt ziek,” zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is.”

De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.

»Men zegt wel eens,” zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van ’s konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten, en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!”

Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.

»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!” zeide hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik, dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond, dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren.”

»Morris,” hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat een mensch betalen kan.”

»Wat zegt gij daar?” riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het gevecht gesneuveld?”

»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, mijnheer Campbell!” hernam ik.

»In koelen bloede? Vervloekt!” mompelde Robbert. »Maar hoe kwam dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor.”

Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris vermoord was.

Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde, of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben, als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!”

Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt, maar waagde het niet Diana’s naam te noemen.

»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik,” zei Mac-Gregor. »De brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens, u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder gevonden, dan ik dacht.”

Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.

»Was dan,” vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?”

»Mij dunkt,” hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb met mijne eigene zaken.”

Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel, dat den geheimen gang naar Rashleigh’s verblijf bedekte. Ik herinnerde mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk inhaarooms huis ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en geluk, die het nog armzaligerhof van den naamkoning (den Pretendent) in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden, waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.

»Het schijnt dus,” zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, »dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone zijn verblijf hield?”

»Juist!” antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, wat ook wel het raadzaamste was.”

Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn ijverzuchtigen toorn.

»Maar slechts zeer weinigen,” vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen.”

»Vermoedelijk,” vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste ongeval van.…”

»Die historie van dien Morris, meent ge?” vroeg Robbert op koelen toon, toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten, blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk,” hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand gebeurde—dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer genegen was,—dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid rukken zouden,—en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat hij een onschuldig mensch aanklaagde—o daarover heb ik nog dikwijls moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen, dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?”

»Mag ik vragen,” hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, om uwe plannen te verijdelen?”

»Het zijn geen plannen van mij?” zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie, en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen mes in de hand geven.”

Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon ontslaan, en liet nu een stroom vanGaelischegelukwenschen volgen, welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was, ’t eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen, dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde, oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven, dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.

Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.

Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte, die Robberts verhaal even vaak tot mijnestichting vertolkte, waarnaar ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens, dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren van dien aard bekend was.

Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde, en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.

»Ik ben redelijk wel, neef,” antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak betreft hier,—nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer vijanden verlost zijt.”

»Dank u!” hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed vriend hartelijk aangeboden werd.”

»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan ééne wijze geworden. Maar,” vervolgde hij, terwijl hij langzaam een houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;—»hij was niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!” en hij nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen.”

Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte, als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.

Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij groettemij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.

»Daarover later!” viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef spreken. Robbert,” vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow, hetzij naar elders.”

»Wees onbezorgd!” hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte, wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten.”

»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!” antwoordde Jarvie. »Den heer Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel slecht opvoedt.”—Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,—en mijne nicht Helena—nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit alleen aan hare ongerustheid over u—maar wat ik u van uwe vrouw moet zeggen.…”

»Stil! geen woord verder!” viel Robbert hem op ernstigen toon in de rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen, wat u lust.”

»Goed, goed!” antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch—dat beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft—het zou eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch,Eachinen Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.—Iets dergelijks van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven—het is wezenlijk te erg.…”

»Als zij het konden, neef,” antwoordde Robbert, »dan zouden zij het zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester voor zijne zonen?”

»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee, dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels, die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!”

»Niets goedsis niet geheel juist,” antwoordde Robbert; »Jakob kan een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door eene plank van twee duim dikte.”

»Des te erger voor beiden!” zeide Jarvie op beslissenden toon; »des te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?”

Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.

»Gij, Robbert,” vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever van alles goeds! slechts in het groot handel drijf—en.…”

Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen; en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark.”

»Alle duivels!” riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!”

Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog verder aan te dringen.

Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog nietvereffend zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!”

De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle statie plegen te dragen.

»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met het geheim bekend is,” zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen, de lading treffen moest.—»Dit,” zeide hij, op de pistool wijzende, »is mijn thesaurier-generaal.”

Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden, zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.

Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug, terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn, als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen.”

»Geloof mij, neef,” antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld te betalen. Ziedaar uwe duizend mark,” vervolgde hij, een rolletje goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij tot den laatsten duit betaald zijt.”

Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde.”

»Op mijn woord!” zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, »het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie Louis d’or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen.”

»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!” zeide Jarvie, de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij—het strijdt tegen Gods woord.”

»Wees onbezorgd, neef!” hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem wel ontbreken.”

»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!” hernam Jarvie, die zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje goud begon te tellen.

»En zeker niemand uit de Laaglanden,” zeide Robbert en trok de zware borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis d’or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.

Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten en kapitaal, gaf hij drie Louis d’or terug voor een kleed voor zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie’s onverwachte grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen onderteekend is.—

»In den omtrek van geen drie mijlen,” zeide Robbert, »vindt gij, als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat ons de zaak met minder moeite afdoen,” vervolgde hij en wierp het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om rekeningen te kwiteeren!” zeide hij hierop tegen den van verbazing sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan.”

Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette, reeds aangesneden was.—»Gij moet weten,” zeide hij tot Jarvie, en zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen.”

Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazonehem recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde gevoelen geweest zijn. Maar Robbert’s verontschuldiging wekte bij mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren reisgenoot onthaalde—haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.

Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal maakten, bemerkte ik, dat Robbert’s vriendelijke oplettendheid ons ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten, en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.


Back to IndexNext