48. EEN NEUTRAAL LIED VAN DEN OORLOG EN HET OPPERWEZEN.

(De Duitsche kroonprins dicht inUeber Land und Meer:

(De Duitsche kroonprins dicht inUeber Land und Meer:

„Wir stehen still auf PostenIm Arme das Gewehr;Im Westen und im OstenViel Feinde und viel Ehr.”)

„Wir stehen still auf PostenIm Arme das Gewehr;Im Westen und im OstenViel Feinde und viel Ehr.”)

„Wir stehen still auf PostenIm Arme das Gewehr;Im Westen und im OstenViel Feinde und viel Ehr.”)

„Wir stehen still auf Posten

Im Arme das Gewehr;

Im Westen und im Osten

Viel Feinde und viel Ehr.”)

Dus niet slechts op den zwaardeIs ’s prinsen oog gericht,Hij doolt ook in den gaardeDer Muzen, en hij dicht.De kloekste Dichter-welle’Die klotsen klankrijk neerVan d’ allerhöchsten StelleInUeber Land und Meer:Wij staan als Rijks-suppoosten,In d’ armen het geweer;In ’t Westen en in ’t OostenVeel vijanden — veel eer.Wij seinen schoone woordenIn menig telegram,Naar ’t Zuiden en naar ’t NoordenVan Pest tot Amsterdam.De heer vindt Ons het besteEn schenk Ons zijn genâ,In ’t Oosten en in ’t Weste’ —Dat weet Ik van Papa.Wij zullen ’t god beduiden:Hij vaart er ’t beste bij,Als hij van ’t Noord tot ’t ZuidenDe Britten haat als wij.Aan Duitschland blijft de zege,Van d’ Oeral tot Bordeaux,Wij winnen allerwege:Noord, Zuid, Oost, West — O zoo!

Dus niet slechts op den zwaardeIs ’s prinsen oog gericht,Hij doolt ook in den gaardeDer Muzen, en hij dicht.De kloekste Dichter-welle’Die klotsen klankrijk neerVan d’ allerhöchsten StelleInUeber Land und Meer:Wij staan als Rijks-suppoosten,In d’ armen het geweer;In ’t Westen en in ’t OostenVeel vijanden — veel eer.Wij seinen schoone woordenIn menig telegram,Naar ’t Zuiden en naar ’t NoordenVan Pest tot Amsterdam.De heer vindt Ons het besteEn schenk Ons zijn genâ,In ’t Oosten en in ’t Weste’ —Dat weet Ik van Papa.Wij zullen ’t god beduiden:Hij vaart er ’t beste bij,Als hij van ’t Noord tot ’t ZuidenDe Britten haat als wij.Aan Duitschland blijft de zege,Van d’ Oeral tot Bordeaux,Wij winnen allerwege:Noord, Zuid, Oost, West — O zoo!

Dus niet slechts op den zwaardeIs ’s prinsen oog gericht,Hij doolt ook in den gaardeDer Muzen, en hij dicht.

Dus niet slechts op den zwaarde

Is ’s prinsen oog gericht,

Hij doolt ook in den gaarde

Der Muzen, en hij dicht.

De kloekste Dichter-welle’Die klotsen klankrijk neerVan d’ allerhöchsten StelleInUeber Land und Meer:

De kloekste Dichter-welle’

Die klotsen klankrijk neer

Van d’ allerhöchsten Stelle

InUeber Land und Meer:

Wij staan als Rijks-suppoosten,In d’ armen het geweer;In ’t Westen en in ’t OostenVeel vijanden — veel eer.

Wij staan als Rijks-suppoosten,

In d’ armen het geweer;

In ’t Westen en in ’t Oosten

Veel vijanden — veel eer.

Wij seinen schoone woordenIn menig telegram,Naar ’t Zuiden en naar ’t NoordenVan Pest tot Amsterdam.

Wij seinen schoone woorden

In menig telegram,

Naar ’t Zuiden en naar ’t Noorden

Van Pest tot Amsterdam.

De heer vindt Ons het besteEn schenk Ons zijn genâ,In ’t Oosten en in ’t Weste’ —Dat weet Ik van Papa.

De heer vindt Ons het beste

En schenk Ons zijn genâ,

In ’t Oosten en in ’t Weste’ —

Dat weet Ik van Papa.

Wij zullen ’t god beduiden:Hij vaart er ’t beste bij,Als hij van ’t Noord tot ’t ZuidenDe Britten haat als wij.

Wij zullen ’t god beduiden:

Hij vaart er ’t beste bij,

Als hij van ’t Noord tot ’t Zuiden

De Britten haat als wij.

Aan Duitschland blijft de zege,Van d’ Oeral tot Bordeaux,Wij winnen allerwege:Noord, Zuid, Oost, West — O zoo!

Aan Duitschland blijft de zege,

Van d’ Oeral tot Bordeaux,

Wij winnen allerwege:

Noord, Zuid, Oost, West — O zoo!

Motto: „Met Gods hulp hebben onze troepen gisteren de grens van Egypte overschreden.” — (W. B.)

Motto: „Met Gods hulp hebben onze troepen gisteren de grens van Egypte overschreden.” — (W. B.)

De Keizer liet den commandant der troepenToen tot zich roepen.En zei:„De zege is ons nabij;In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenOver mij.Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”De Czar ontbood zijn legercommandantenVan alle kanten.Hij sprak:„Ik heb de zege al in mijn zak!In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenEn zei: „„hakEr flink op los! Steek Insterburg in brand,Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””De Koning van Brittannië riep: „ga halenMijn admiralen,Aanstonds!De zege is aan de kinderen Albions.In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenOver onsEn zei: „„Vecht mede op ’t vasteland,Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””De Koning liet ook aan zijn verre heldenDe mare melden:„Ik benIn oorlog met het ergste, dat ik ken.”De Hindoes hebben toen tot God gebedenDie was tevredenOver henEn zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland,Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””Toen bad ook de Mikádo op zijn eilandTot aller Heiland:„Mijn God,Daar is een volk, dat listig samenrot.Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden.God was tevreden;Zeide totDen Mikado: „„trek naar den overkant.Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen:„Ik ben op jaren,Maar tukOp wraak en nog verzot op krijgsgeluk.Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede.Hij was tevredenEn zei: „„rukNu Servië in. Neem dat als onderpand.Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””De Sultan ging toen aan de DardanellenZijn schepen tellen.Hij dacht„De God van Duitschland heeft een sterke macht.”De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden,God was tevreden.En zei: „„slachtGrieksch-Katholiek en Roomsch en ProtestantTer eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””De President zei: „vrienden, draagt de tijdenVan hoon en lijdenMet mij.Straks is ons bitterst levensjaar voorbij......Wij hebben voor gerechte zaak gestredenWij wilden vrede,Oorlog zij!Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land.De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”Hoog op de duinen staat een blonde Koning;Hij heeft geen woning;Zijn rijkWerd aan een dorre woestenij gelijk.Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden,Ligt het vertreden;Handvol slijkEn smalle kuststrook hield hij van zijn land;Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde.Hij bidt. Hij keerde’t GelaatNiet naar rumoer van marktplein en van straat,Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden...Hij heeft gebedenEn hij gaat,Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant,Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.FRANS BASTIAANSE.

De Keizer liet den commandant der troepenToen tot zich roepen.En zei:„De zege is ons nabij;In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenOver mij.Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”De Czar ontbood zijn legercommandantenVan alle kanten.Hij sprak:„Ik heb de zege al in mijn zak!In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenEn zei: „„hakEr flink op los! Steek Insterburg in brand,Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””De Koning van Brittannië riep: „ga halenMijn admiralen,Aanstonds!De zege is aan de kinderen Albions.In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenOver onsEn zei: „„Vecht mede op ’t vasteland,Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””De Koning liet ook aan zijn verre heldenDe mare melden:„Ik benIn oorlog met het ergste, dat ik ken.”De Hindoes hebben toen tot God gebedenDie was tevredenOver henEn zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland,Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””Toen bad ook de Mikádo op zijn eilandTot aller Heiland:„Mijn God,Daar is een volk, dat listig samenrot.Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden.God was tevreden;Zeide totDen Mikado: „„trek naar den overkant.Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen:„Ik ben op jaren,Maar tukOp wraak en nog verzot op krijgsgeluk.Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede.Hij was tevredenEn zei: „„rukNu Servië in. Neem dat als onderpand.Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””De Sultan ging toen aan de DardanellenZijn schepen tellen.Hij dacht„De God van Duitschland heeft een sterke macht.”De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden,God was tevreden.En zei: „„slachtGrieksch-Katholiek en Roomsch en ProtestantTer eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””De President zei: „vrienden, draagt de tijdenVan hoon en lijdenMet mij.Straks is ons bitterst levensjaar voorbij......Wij hebben voor gerechte zaak gestredenWij wilden vrede,Oorlog zij!Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land.De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”Hoog op de duinen staat een blonde Koning;Hij heeft geen woning;Zijn rijkWerd aan een dorre woestenij gelijk.Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden,Ligt het vertreden;Handvol slijkEn smalle kuststrook hield hij van zijn land;Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde.Hij bidt. Hij keerde’t GelaatNiet naar rumoer van marktplein en van straat,Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden...Hij heeft gebedenEn hij gaat,Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant,Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.FRANS BASTIAANSE.

De Keizer liet den commandant der troepenToen tot zich roepen.En zei:„De zege is ons nabij;In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenOver mij.Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”

De Keizer liet den commandant der troepen

Toen tot zich roepen.

En zei:

„De zege is ons nabij;

In diepen deemoed heb ik God gebeden,

Hij was tevreden

Over mij.

Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”

De Czar ontbood zijn legercommandantenVan alle kanten.Hij sprak:„Ik heb de zege al in mijn zak!In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenEn zei: „„hakEr flink op los! Steek Insterburg in brand,Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Czar ontbood zijn legercommandanten

Van alle kanten.

Hij sprak:

„Ik heb de zege al in mijn zak!

In diepen deemoed heb ik God gebeden,

Hij was tevreden

En zei: „„hak

Er flink op los! Steek Insterburg in brand,

Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Koning van Brittannië riep: „ga halenMijn admiralen,Aanstonds!De zege is aan de kinderen Albions.In diepen deemoed heb ik God gebeden,Hij was tevredenOver onsEn zei: „„Vecht mede op ’t vasteland,Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Koning van Brittannië riep: „ga halen

Mijn admiralen,

Aanstonds!

De zege is aan de kinderen Albions.

In diepen deemoed heb ik God gebeden,

Hij was tevreden

Over ons

En zei: „„Vecht mede op ’t vasteland,

Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Koning liet ook aan zijn verre heldenDe mare melden:„Ik benIn oorlog met het ergste, dat ik ken.”De Hindoes hebben toen tot God gebedenDie was tevredenOver henEn zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland,Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

De Koning liet ook aan zijn verre helden

De mare melden:

„Ik ben

In oorlog met het ergste, dat ik ken.”

De Hindoes hebben toen tot God gebeden

Die was tevreden

Over hen

En zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland,

Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””

Toen bad ook de Mikádo op zijn eilandTot aller Heiland:„Mijn God,Daar is een volk, dat listig samenrot.Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden.God was tevreden;Zeide totDen Mikado: „„trek naar den overkant.Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””

Toen bad ook de Mikádo op zijn eiland

Tot aller Heiland:

„Mijn God,

Daar is een volk, dat listig samenrot.

Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden.

God was tevreden;

Zeide tot

Den Mikado: „„trek naar den overkant.

Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””

Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen:„Ik ben op jaren,Maar tukOp wraak en nog verzot op krijgsgeluk.Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede.Hij was tevredenEn zei: „„rukNu Servië in. Neem dat als onderpand.Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””

Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen:

„Ik ben op jaren,

Maar tuk

Op wraak en nog verzot op krijgsgeluk.

Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede.

Hij was tevreden

En zei: „„ruk

Nu Servië in. Neem dat als onderpand.

Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””

De Sultan ging toen aan de DardanellenZijn schepen tellen.Hij dacht„De God van Duitschland heeft een sterke macht.”De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden,God was tevreden.En zei: „„slachtGrieksch-Katholiek en Roomsch en ProtestantTer eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””

De Sultan ging toen aan de Dardanellen

Zijn schepen tellen.

Hij dacht

„De God van Duitschland heeft een sterke macht.”

De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden,

God was tevreden.

En zei: „„slacht

Grieksch-Katholiek en Roomsch en Protestant

Ter eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””

De President zei: „vrienden, draagt de tijdenVan hoon en lijdenMet mij.Straks is ons bitterst levensjaar voorbij......Wij hebben voor gerechte zaak gestredenWij wilden vrede,Oorlog zij!Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land.De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”

De President zei: „vrienden, draagt de tijden

Van hoon en lijden

Met mij.

Straks is ons bitterst levensjaar voorbij......

Wij hebben voor gerechte zaak gestreden

Wij wilden vrede,

Oorlog zij!

Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land.

De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”

Hoog op de duinen staat een blonde Koning;Hij heeft geen woning;Zijn rijkWerd aan een dorre woestenij gelijk.Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden,Ligt het vertreden;Handvol slijkEn smalle kuststrook hield hij van zijn land;Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.

Hoog op de duinen staat een blonde Koning;

Hij heeft geen woning;

Zijn rijk

Werd aan een dorre woestenij gelijk.

Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden,

Ligt het vertreden;

Handvol slijk

En smalle kuststrook hield hij van zijn land;

Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.

Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde.Hij bidt. Hij keerde’t GelaatNiet naar rumoer van marktplein en van straat,Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden...Hij heeft gebedenEn hij gaat,Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant,Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.

Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde.

Hij bidt. Hij keerde

’t Gelaat

Niet naar rumoer van marktplein en van straat,

Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden...

Hij heeft gebeden

En hij gaat,

Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant,

Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.

FRANS BASTIAANSE.

FRANS BASTIAANSE.

Ik schei d’r maar uit met m’n rijmen,Ik leg er het bijltje bij neer,Het woordjes en regeltjes lijmen,’k Verdraai het, ik doe het niet meer.Eerst had ’k een succes als de „SpaanscheVlieg” — nu ’s ’t met mijn Glorie gedaanIn ’t droef Ondermaansche, nu Frans BastiaanseMij als concurrent komt verslaan.Hij, een onzer ernstigste dichters,Als Boutens, van Looy en Verwey,Zoekt plotsling kracht in wat lichters.En nu concurreert hij met mij!Waarom blijf je niet op je eigen,Je deftige, hooge terrein?Mijbreng je aan ’t zwijgen — jou gaven die neigenToch meer in een andere lijn?Moet ik dan maar honger gaan lijden?Vaak denk ik: hoe kom ik nog rondIn deze benauwende tijden;Je neemt mij het brood uit den mond!Ik heb toch mijn kroost en mijn vrouw nog!Die valt van gebrek soms in zwijm.Daar net weer. Z’ is blauw nog! Misgun je me nou nogDie schamele tien pop per rijm?’t Is schandelijk. ’t Is om te huilen......Maar wacht eens, ik weet er wat op:We zullen van plaatsen verruilen,We zetten den boel op z’n kop.Ga jij charivaria maken,Venijnig en puntig en bits,Jij kunt ze wel raken! — we wislen van taak, enDan schrijfiksonnett’ in de Gids.Let op, hoe ik bladen op bladenMet droeve sonnetten bedruk,Ik zing van de wee-witte waden,En ’k dicht van het wondre geluk.Ik — nuchter als planters van Deli,En flink als de zoons van De Koo,Ik kweel van de lelie! (Terwijl ik toch veel lie-ver rijmde op Kuyper, en zoo.)Dan vul jij de Nieuw’ AmsterdammerMet Waanwijze Jantj’ en z’n Pa,„Gaat dat zien,” en met deelwoorden-jammer,En je loopt Tante Betje dear na,Met wie ’k vaak zoo’n doux tête-à-tête had!’k Verdwijn als de man-in-de-mist,Alsof ’k „en retraite” zat,en jij schrijft „Hij zèt wat!”......IkDichter —jijRijmspecialist!

Ik schei d’r maar uit met m’n rijmen,Ik leg er het bijltje bij neer,Het woordjes en regeltjes lijmen,’k Verdraai het, ik doe het niet meer.Eerst had ’k een succes als de „SpaanscheVlieg” — nu ’s ’t met mijn Glorie gedaanIn ’t droef Ondermaansche, nu Frans BastiaanseMij als concurrent komt verslaan.Hij, een onzer ernstigste dichters,Als Boutens, van Looy en Verwey,Zoekt plotsling kracht in wat lichters.En nu concurreert hij met mij!Waarom blijf je niet op je eigen,Je deftige, hooge terrein?Mijbreng je aan ’t zwijgen — jou gaven die neigenToch meer in een andere lijn?Moet ik dan maar honger gaan lijden?Vaak denk ik: hoe kom ik nog rondIn deze benauwende tijden;Je neemt mij het brood uit den mond!Ik heb toch mijn kroost en mijn vrouw nog!Die valt van gebrek soms in zwijm.Daar net weer. Z’ is blauw nog! Misgun je me nou nogDie schamele tien pop per rijm?’t Is schandelijk. ’t Is om te huilen......Maar wacht eens, ik weet er wat op:We zullen van plaatsen verruilen,We zetten den boel op z’n kop.Ga jij charivaria maken,Venijnig en puntig en bits,Jij kunt ze wel raken! — we wislen van taak, enDan schrijfiksonnett’ in de Gids.Let op, hoe ik bladen op bladenMet droeve sonnetten bedruk,Ik zing van de wee-witte waden,En ’k dicht van het wondre geluk.Ik — nuchter als planters van Deli,En flink als de zoons van De Koo,Ik kweel van de lelie! (Terwijl ik toch veel lie-ver rijmde op Kuyper, en zoo.)Dan vul jij de Nieuw’ AmsterdammerMet Waanwijze Jantj’ en z’n Pa,„Gaat dat zien,” en met deelwoorden-jammer,En je loopt Tante Betje dear na,Met wie ’k vaak zoo’n doux tête-à-tête had!’k Verdwijn als de man-in-de-mist,Alsof ’k „en retraite” zat,en jij schrijft „Hij zèt wat!”......IkDichter —jijRijmspecialist!

Ik schei d’r maar uit met m’n rijmen,Ik leg er het bijltje bij neer,Het woordjes en regeltjes lijmen,’k Verdraai het, ik doe het niet meer.Eerst had ’k een succes als de „SpaanscheVlieg” — nu ’s ’t met mijn Glorie gedaanIn ’t droef Ondermaansche, nu Frans BastiaanseMij als concurrent komt verslaan.

Ik schei d’r maar uit met m’n rijmen,

Ik leg er het bijltje bij neer,

Het woordjes en regeltjes lijmen,

’k Verdraai het, ik doe het niet meer.

Eerst had ’k een succes als de „Spaansche

Vlieg” — nu ’s ’t met mijn Glorie gedaan

In ’t droef Ondermaansche, nu Frans Bastiaanse

Mij als concurrent komt verslaan.

Hij, een onzer ernstigste dichters,Als Boutens, van Looy en Verwey,Zoekt plotsling kracht in wat lichters.En nu concurreert hij met mij!Waarom blijf je niet op je eigen,Je deftige, hooge terrein?Mijbreng je aan ’t zwijgen — jou gaven die neigenToch meer in een andere lijn?

Hij, een onzer ernstigste dichters,

Als Boutens, van Looy en Verwey,

Zoekt plotsling kracht in wat lichters.

En nu concurreert hij met mij!

Waarom blijf je niet op je eigen,

Je deftige, hooge terrein?

Mijbreng je aan ’t zwijgen — jou gaven die neigen

Toch meer in een andere lijn?

Moet ik dan maar honger gaan lijden?Vaak denk ik: hoe kom ik nog rondIn deze benauwende tijden;Je neemt mij het brood uit den mond!Ik heb toch mijn kroost en mijn vrouw nog!Die valt van gebrek soms in zwijm.Daar net weer. Z’ is blauw nog! Misgun je me nou nogDie schamele tien pop per rijm?

Moet ik dan maar honger gaan lijden?

Vaak denk ik: hoe kom ik nog rond

In deze benauwende tijden;

Je neemt mij het brood uit den mond!

Ik heb toch mijn kroost en mijn vrouw nog!

Die valt van gebrek soms in zwijm.

Daar net weer. Z’ is blauw nog! Misgun je me nou nog

Die schamele tien pop per rijm?

’t Is schandelijk. ’t Is om te huilen......Maar wacht eens, ik weet er wat op:We zullen van plaatsen verruilen,We zetten den boel op z’n kop.Ga jij charivaria maken,Venijnig en puntig en bits,Jij kunt ze wel raken! — we wislen van taak, enDan schrijfiksonnett’ in de Gids.

’t Is schandelijk. ’t Is om te huilen......

Maar wacht eens, ik weet er wat op:

We zullen van plaatsen verruilen,

We zetten den boel op z’n kop.

Ga jij charivaria maken,

Venijnig en puntig en bits,

Jij kunt ze wel raken! — we wislen van taak, en

Dan schrijfiksonnett’ in de Gids.

Let op, hoe ik bladen op bladenMet droeve sonnetten bedruk,Ik zing van de wee-witte waden,En ’k dicht van het wondre geluk.Ik — nuchter als planters van Deli,En flink als de zoons van De Koo,Ik kweel van de lelie! (Terwijl ik toch veel lie-ver rijmde op Kuyper, en zoo.)

Let op, hoe ik bladen op bladen

Met droeve sonnetten bedruk,

Ik zing van de wee-witte waden,

En ’k dicht van het wondre geluk.

Ik — nuchter als planters van Deli,

En flink als de zoons van De Koo,

Ik kweel van de lelie! (Terwijl ik toch veel lie-

ver rijmde op Kuyper, en zoo.)

Dan vul jij de Nieuw’ AmsterdammerMet Waanwijze Jantj’ en z’n Pa,„Gaat dat zien,” en met deelwoorden-jammer,En je loopt Tante Betje dear na,Met wie ’k vaak zoo’n doux tête-à-tête had!’k Verdwijn als de man-in-de-mist,Alsof ’k „en retraite” zat,en jij schrijft „Hij zèt wat!”......IkDichter —jijRijmspecialist!

Dan vul jij de Nieuw’ Amsterdammer

Met Waanwijze Jantj’ en z’n Pa,

„Gaat dat zien,” en met deelwoorden-jammer,

En je loopt Tante Betje dear na,

Met wie ’k vaak zoo’n doux tête-à-tête had!

’k Verdwijn als de man-in-de-mist,

Alsof ’k „en retraite” zat,

en jij schrijft „Hij zèt wat!”......

IkDichter —jijRijmspecialist!

’t Is zeker veelszins aangenamerTe zitten op een Heliekon,Dan in een burgerlijke kamermet sloffen aan en huisjapon;Zijn blikken laten dwalen naar deGebieden buiten ruimte en tijd,Dan naar het wriemlen dezer aarde,Met de al te kleine onmenschelijkheid.Maar somtijds voel je toch wat krieblen,Heel ver beneden aan je voet:Je zit op je fotuil te wieblenEn...... je wilt weten wie dat doet.Je laat zoolang op den ParnassusJe lege stoel aan „Leepers” na,Neemt uit de boekenkast Erasmus,Het deeltje der Kollookwieaa.Dan pak je in Buda-pest de ekspreste —Ah! Buddha pest thans niet alleen!Die voert je naar t’ beschaafde WestenEn...... je vindt Holland als voorheen:Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakkenZijn teebeschuitjes en bis-kwie,En zorgt Verweij voor het verzakkenDer Nederlandsche poëzie.’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog,En geeft op Zaterdag zijn preek,De aloude Groene heeft zijn plaat nog,Daar Braakensiek onsterflijk bleek.De dijken liggen langs de slooten,De velden saai, onogelik,’t Is nog het land der bentgenotenVan Bella-mie en Bilder-dik.Maar zijn soldaten werden menschen,Die zitten niet meer bij de pap,Maar wandlen langs de Zuidergrenschen,Met krachtig mielietère stap.’t Is nog het land waar Wouter Pieters-E zooveel vreugd in heeft beleefdEn waar men honderd HektolietersBoergonje maandliks nodig heeft,Om zun verveling weg te spoelen,Die van de dorre daken geeuwt;’t Is nog het land van modderpoelen,Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt.’t Is nog het land, waar achter iederGordijn een oude juffrouw zit,Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder”Met haar wormsteekig zwart gebit!’t Is nog het land, waar maazemattenGeslaagen worden klandestien,En waar je in donkre Kaazematten’t Neutrale flonker-goud kunt zien.Den rijken hort der Neevelingen,Bewaard in ’t Veilig Rotterdam,Waar lonkende „Reintöchter” zingenVan den Germaanschen Goodestam.— — — — — — — — —Je hebt gelijk, die een fotuil heeftOp den Parnassus onder goôn,IJs niet dat hem een krant in ruil geeftVoor geestlik goed verachtlik loon......Wat je uit de suiker kunt tietreren,Of uit Tabak en koffy haalt,Het word’ tot delging van zijn beerenAn Chaarivaaricus betaald.En morgen neem ik vroeg de ekspreste,Die mij naar den Parnassus spoort,En zit weer bij mijn adelaarsnesten,Door kraai- noch kikkerzang gestoord.FRANS BASTIAANSE.

’t Is zeker veelszins aangenamerTe zitten op een Heliekon,Dan in een burgerlijke kamermet sloffen aan en huisjapon;Zijn blikken laten dwalen naar deGebieden buiten ruimte en tijd,Dan naar het wriemlen dezer aarde,Met de al te kleine onmenschelijkheid.Maar somtijds voel je toch wat krieblen,Heel ver beneden aan je voet:Je zit op je fotuil te wieblenEn...... je wilt weten wie dat doet.Je laat zoolang op den ParnassusJe lege stoel aan „Leepers” na,Neemt uit de boekenkast Erasmus,Het deeltje der Kollookwieaa.Dan pak je in Buda-pest de ekspreste —Ah! Buddha pest thans niet alleen!Die voert je naar t’ beschaafde WestenEn...... je vindt Holland als voorheen:Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakkenZijn teebeschuitjes en bis-kwie,En zorgt Verweij voor het verzakkenDer Nederlandsche poëzie.’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog,En geeft op Zaterdag zijn preek,De aloude Groene heeft zijn plaat nog,Daar Braakensiek onsterflijk bleek.De dijken liggen langs de slooten,De velden saai, onogelik,’t Is nog het land der bentgenotenVan Bella-mie en Bilder-dik.Maar zijn soldaten werden menschen,Die zitten niet meer bij de pap,Maar wandlen langs de Zuidergrenschen,Met krachtig mielietère stap.’t Is nog het land waar Wouter Pieters-E zooveel vreugd in heeft beleefdEn waar men honderd HektolietersBoergonje maandliks nodig heeft,Om zun verveling weg te spoelen,Die van de dorre daken geeuwt;’t Is nog het land van modderpoelen,Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt.’t Is nog het land, waar achter iederGordijn een oude juffrouw zit,Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder”Met haar wormsteekig zwart gebit!’t Is nog het land, waar maazemattenGeslaagen worden klandestien,En waar je in donkre Kaazematten’t Neutrale flonker-goud kunt zien.Den rijken hort der Neevelingen,Bewaard in ’t Veilig Rotterdam,Waar lonkende „Reintöchter” zingenVan den Germaanschen Goodestam.— — — — — — — — —Je hebt gelijk, die een fotuil heeftOp den Parnassus onder goôn,IJs niet dat hem een krant in ruil geeftVoor geestlik goed verachtlik loon......Wat je uit de suiker kunt tietreren,Of uit Tabak en koffy haalt,Het word’ tot delging van zijn beerenAn Chaarivaaricus betaald.En morgen neem ik vroeg de ekspreste,Die mij naar den Parnassus spoort,En zit weer bij mijn adelaarsnesten,Door kraai- noch kikkerzang gestoord.FRANS BASTIAANSE.

’t Is zeker veelszins aangenamerTe zitten op een Heliekon,Dan in een burgerlijke kamermet sloffen aan en huisjapon;

’t Is zeker veelszins aangenamer

Te zitten op een Heliekon,

Dan in een burgerlijke kamer

met sloffen aan en huisjapon;

Zijn blikken laten dwalen naar deGebieden buiten ruimte en tijd,Dan naar het wriemlen dezer aarde,Met de al te kleine onmenschelijkheid.

Zijn blikken laten dwalen naar de

Gebieden buiten ruimte en tijd,

Dan naar het wriemlen dezer aarde,

Met de al te kleine onmenschelijkheid.

Maar somtijds voel je toch wat krieblen,Heel ver beneden aan je voet:Je zit op je fotuil te wieblenEn...... je wilt weten wie dat doet.

Maar somtijds voel je toch wat krieblen,

Heel ver beneden aan je voet:

Je zit op je fotuil te wieblen

En...... je wilt weten wie dat doet.

Je laat zoolang op den ParnassusJe lege stoel aan „Leepers” na,Neemt uit de boekenkast Erasmus,Het deeltje der Kollookwieaa.

Je laat zoolang op den Parnassus

Je lege stoel aan „Leepers” na,

Neemt uit de boekenkast Erasmus,

Het deeltje der Kollookwieaa.

Dan pak je in Buda-pest de ekspreste —Ah! Buddha pest thans niet alleen!Die voert je naar t’ beschaafde WestenEn...... je vindt Holland als voorheen:

Dan pak je in Buda-pest de ekspreste —

Ah! Buddha pest thans niet alleen!

Die voert je naar t’ beschaafde Westen

En...... je vindt Holland als voorheen:

Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakkenZijn teebeschuitjes en bis-kwie,En zorgt Verweij voor het verzakkenDer Nederlandsche poëzie.

Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakken

Zijn teebeschuitjes en bis-kwie,

En zorgt Verweij voor het verzakken

Der Nederlandsche poëzie.

’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog,En geeft op Zaterdag zijn preek,De aloude Groene heeft zijn plaat nog,Daar Braakensiek onsterflijk bleek.

’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog,

En geeft op Zaterdag zijn preek,

De aloude Groene heeft zijn plaat nog,

Daar Braakensiek onsterflijk bleek.

De dijken liggen langs de slooten,De velden saai, onogelik,’t Is nog het land der bentgenotenVan Bella-mie en Bilder-dik.

De dijken liggen langs de slooten,

De velden saai, onogelik,

’t Is nog het land der bentgenoten

Van Bella-mie en Bilder-dik.

Maar zijn soldaten werden menschen,Die zitten niet meer bij de pap,Maar wandlen langs de Zuidergrenschen,Met krachtig mielietère stap.

Maar zijn soldaten werden menschen,

Die zitten niet meer bij de pap,

Maar wandlen langs de Zuidergrenschen,

Met krachtig mielietère stap.

’t Is nog het land waar Wouter Pieters-E zooveel vreugd in heeft beleefdEn waar men honderd HektolietersBoergonje maandliks nodig heeft,

’t Is nog het land waar Wouter Pieters-

E zooveel vreugd in heeft beleefd

En waar men honderd Hektolieters

Boergonje maandliks nodig heeft,

Om zun verveling weg te spoelen,Die van de dorre daken geeuwt;’t Is nog het land van modderpoelen,Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt.

Om zun verveling weg te spoelen,

Die van de dorre daken geeuwt;

’t Is nog het land van modderpoelen,

Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt.

’t Is nog het land, waar achter iederGordijn een oude juffrouw zit,Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder”Met haar wormsteekig zwart gebit!

’t Is nog het land, waar achter ieder

Gordijn een oude juffrouw zit,

Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder”

Met haar wormsteekig zwart gebit!

’t Is nog het land, waar maazemattenGeslaagen worden klandestien,En waar je in donkre Kaazematten’t Neutrale flonker-goud kunt zien.

’t Is nog het land, waar maazematten

Geslaagen worden klandestien,

En waar je in donkre Kaazematten

’t Neutrale flonker-goud kunt zien.

Den rijken hort der Neevelingen,Bewaard in ’t Veilig Rotterdam,Waar lonkende „Reintöchter” zingenVan den Germaanschen Goodestam.— — — — — — — — —Je hebt gelijk, die een fotuil heeftOp den Parnassus onder goôn,IJs niet dat hem een krant in ruil geeftVoor geestlik goed verachtlik loon......

Den rijken hort der Neevelingen,

Bewaard in ’t Veilig Rotterdam,

Waar lonkende „Reintöchter” zingen

Van den Germaanschen Goodestam.

— — — — — — — — —

Je hebt gelijk, die een fotuil heeft

Op den Parnassus onder goôn,

IJs niet dat hem een krant in ruil geeft

Voor geestlik goed verachtlik loon......

Wat je uit de suiker kunt tietreren,Of uit Tabak en koffy haalt,Het word’ tot delging van zijn beerenAn Chaarivaaricus betaald.

Wat je uit de suiker kunt tietreren,

Of uit Tabak en koffy haalt,

Het word’ tot delging van zijn beeren

An Chaarivaaricus betaald.

En morgen neem ik vroeg de ekspreste,Die mij naar den Parnassus spoort,En zit weer bij mijn adelaarsnesten,Door kraai- noch kikkerzang gestoord.

En morgen neem ik vroeg de ekspreste,

Die mij naar den Parnassus spoort,

En zit weer bij mijn adelaarsnesten,

Door kraai- noch kikkerzang gestoord.

FRANS BASTIAANSE.

FRANS BASTIAANSE.

(Eerbiedig opgedragen aan den Duitschen Kroonprins.)

Rosika Schwimmer schrijft in hetHbl.over den keizer van Oostenrijk: „In de grootste spanning zocht men naar de psychologische en materieele bron, waaruit zijn onpartijdigheid en democratie moesten voortkomen. En men vond een oorzaak, die inderdaad verbluffend was. De bioskoop bleek de opvoedende kracht voor den vorst te zijn geweest. Karl en Zita hebben vroeger in een kleine plaats gewoond, waar zij buitengewoon vaak naar de bioscoop gingen. — De vaakbespotte kleinburgerlijke en proletarische films hebben in de vorsten-opvoeding van het koningspaar een belangrijke taak vervuld.”

Rosika Schwimmer schrijft in hetHbl.over den keizer van Oostenrijk: „In de grootste spanning zocht men naar de psychologische en materieele bron, waaruit zijn onpartijdigheid en democratie moesten voortkomen. En men vond een oorzaak, die inderdaad verbluffend was. De bioskoop bleek de opvoedende kracht voor den vorst te zijn geweest. Karl en Zita hebben vroeger in een kleine plaats gewoond, waar zij buitengewoon vaak naar de bioscoop gingen. — De vaakbespotte kleinburgerlijke en proletarische films hebben in de vorsten-opvoeding van het koningspaar een belangrijke taak vervuld.”

Wie is er die thans nog minachtend beweert:„Zoo’n spul is voor meid’ en soldaten!”Men heeft nu van Rosika Schwimmer geleerdHeel anders daar over te praten.Toekomstige heerschers, die smachtende dorstNaar kennis en kracht voor ’t regeeren!De prachtbioskoop is de School voor den Vorst,Om ’t billijk en grondig te leeren. —Te lang hebt Gij, Hoogheid, die lessen gemist,O, Hoop des Heelals, Kroonprins Willem!Zoon van den doorluchtigen Telegrafist......Nu weet Gij ’t. Dus — op! naar de Film!Vooreerst: als Gij denkt aan Pa’s kiesrechtbesluit,Dan kunt Gij de vraag niet negeeren:„Hoe komen de lagere standen vooruit?”„DE BANKDIEFSTAL” zal het u leeren.Verlangt gij een blik in ’t klassieke te slaan,— Wat iederen heerscher gerad’ is —Gij hebt maar te kiezen waarheen Gij wilt gaan:Naar „CLEOPATRA” of naar „QUO VADIS?”Leer voorts, Prins, dat hij, die de Liefde erlangt,Een prijs uit het Lotspel van God loot;Ga dus naar de Film, die het Leven vervangt,Met aanteekenboekje en potlood,En let er goed op, hoe de minnaar zich weert,De doffer de duif met gekir kust;En als ’t U de film „LIEFDE’S LIST” al niet leert,Dan doet zeker „PEG UIT HET CIRCUS” ’t,„MIJN SCHOONMOEDER”, „LIEFDE VERLOOCHENT ZICH NIET”,„HET HART OF WAT VROUWEN VERMOGEN”,„DE VROUW EN DE WIJN”, of „HET EEUWIGE LIED”,„DE MAAGD MET DE VURIGE OOGEN”.Gij weet, dat den vorst ook bekend dient te zijn,Wat tot de verbeelding kan spreken;Uw Hoogheid bezoek’ dus „DE HAND OM ’T GORDIJN”,„HET SPOOK”, „’T GEHEIMZINNIGE TEEKEN”,„DE ZWEVENDE LICHTEN”, „EEN BLIK DOOR DE KIER”,„DE KLOP OP DE DEUR”, „DE GELUIDEN”,„HET HUIS MET DE 5000 KAARSEN”, „’T PAPIER”,„WAT DE BLOEDVLEK OP ’T BALKLEED BEDUIDDE”.En wordt Gij wat sentimenteel, of wat week,— We zagen al eens de symptomen! —Dan vindt Gij weer kracht in „DE DUIVELSCHE STREEK”,„DE VAMPIERS”, „HET BLOED”, „SATANS DROOMEN”.Geniet BILLY RITCHIE — die ’s fenomenaal!Ook d’ Explicateur maak’ U wijzer;En d’ „Au, niet zoo hard!” ’s uit de duistere zaal......Dat alles, dat vormt U tot Keizer.Geen vorst kent zijn vak, die geen Zond’ heeft gezienEn Misdaad. Bezoek dus „DE WREKER”,„DE GIFTMENGSTER”, „SLUIPMOORD”, „DE BLOEDHAAT”misschien,„DE WRAAK VAN HOMUNCULUS” zeker.Uw Hoogheid raak’ met de sensatie bekendVan kippenvel, rilling en griezel:„’T GEWELF DER VERSCHRIKKINGEN”, zie Gij tot ’t end!En „DE STAP OP HET KRAKENDE KIEZEL”.„DE WRAAK VAN DE RAZENDE ROODHUID GESTILD”,„DE STRAF VAN DE GLOEIENDE STAVEN”,„HET STIJGENDE WATER”, „HET VALLUIK”, „GEVILD”,„DE SCHIJNDOOD OF LEVEND BEGRAVEN”......— — — — — — — — —P. S.Doch juist als de mensch zich ’t meest zadelvast voelt,Dan komt soms de Duivel, en wipt ’m;Maar dit is...... enfin...... niet voor dames bedoeld,Ik zet het dus in een P. S.:Verlangt Gij rein, matig te blijven en kuisch,En wolken van kinderen te krijgen,Bezoek dan, o Prins (laat de Hofdames thuis)— Incognito! — „MOGEN WIJ ZWIJGEN?”!

Wie is er die thans nog minachtend beweert:„Zoo’n spul is voor meid’ en soldaten!”Men heeft nu van Rosika Schwimmer geleerdHeel anders daar over te praten.Toekomstige heerschers, die smachtende dorstNaar kennis en kracht voor ’t regeeren!De prachtbioskoop is de School voor den Vorst,Om ’t billijk en grondig te leeren. —Te lang hebt Gij, Hoogheid, die lessen gemist,O, Hoop des Heelals, Kroonprins Willem!Zoon van den doorluchtigen Telegrafist......Nu weet Gij ’t. Dus — op! naar de Film!Vooreerst: als Gij denkt aan Pa’s kiesrechtbesluit,Dan kunt Gij de vraag niet negeeren:„Hoe komen de lagere standen vooruit?”„DE BANKDIEFSTAL” zal het u leeren.Verlangt gij een blik in ’t klassieke te slaan,— Wat iederen heerscher gerad’ is —Gij hebt maar te kiezen waarheen Gij wilt gaan:Naar „CLEOPATRA” of naar „QUO VADIS?”Leer voorts, Prins, dat hij, die de Liefde erlangt,Een prijs uit het Lotspel van God loot;Ga dus naar de Film, die het Leven vervangt,Met aanteekenboekje en potlood,En let er goed op, hoe de minnaar zich weert,De doffer de duif met gekir kust;En als ’t U de film „LIEFDE’S LIST” al niet leert,Dan doet zeker „PEG UIT HET CIRCUS” ’t,„MIJN SCHOONMOEDER”, „LIEFDE VERLOOCHENT ZICH NIET”,„HET HART OF WAT VROUWEN VERMOGEN”,„DE VROUW EN DE WIJN”, of „HET EEUWIGE LIED”,„DE MAAGD MET DE VURIGE OOGEN”.Gij weet, dat den vorst ook bekend dient te zijn,Wat tot de verbeelding kan spreken;Uw Hoogheid bezoek’ dus „DE HAND OM ’T GORDIJN”,„HET SPOOK”, „’T GEHEIMZINNIGE TEEKEN”,„DE ZWEVENDE LICHTEN”, „EEN BLIK DOOR DE KIER”,„DE KLOP OP DE DEUR”, „DE GELUIDEN”,„HET HUIS MET DE 5000 KAARSEN”, „’T PAPIER”,„WAT DE BLOEDVLEK OP ’T BALKLEED BEDUIDDE”.En wordt Gij wat sentimenteel, of wat week,— We zagen al eens de symptomen! —Dan vindt Gij weer kracht in „DE DUIVELSCHE STREEK”,„DE VAMPIERS”, „HET BLOED”, „SATANS DROOMEN”.Geniet BILLY RITCHIE — die ’s fenomenaal!Ook d’ Explicateur maak’ U wijzer;En d’ „Au, niet zoo hard!” ’s uit de duistere zaal......Dat alles, dat vormt U tot Keizer.Geen vorst kent zijn vak, die geen Zond’ heeft gezienEn Misdaad. Bezoek dus „DE WREKER”,„DE GIFTMENGSTER”, „SLUIPMOORD”, „DE BLOEDHAAT”misschien,„DE WRAAK VAN HOMUNCULUS” zeker.Uw Hoogheid raak’ met de sensatie bekendVan kippenvel, rilling en griezel:„’T GEWELF DER VERSCHRIKKINGEN”, zie Gij tot ’t end!En „DE STAP OP HET KRAKENDE KIEZEL”.„DE WRAAK VAN DE RAZENDE ROODHUID GESTILD”,„DE STRAF VAN DE GLOEIENDE STAVEN”,„HET STIJGENDE WATER”, „HET VALLUIK”, „GEVILD”,„DE SCHIJNDOOD OF LEVEND BEGRAVEN”......— — — — — — — — —P. S.Doch juist als de mensch zich ’t meest zadelvast voelt,Dan komt soms de Duivel, en wipt ’m;Maar dit is...... enfin...... niet voor dames bedoeld,Ik zet het dus in een P. S.:Verlangt Gij rein, matig te blijven en kuisch,En wolken van kinderen te krijgen,Bezoek dan, o Prins (laat de Hofdames thuis)— Incognito! — „MOGEN WIJ ZWIJGEN?”!

Wie is er die thans nog minachtend beweert:„Zoo’n spul is voor meid’ en soldaten!”Men heeft nu van Rosika Schwimmer geleerdHeel anders daar over te praten.Toekomstige heerschers, die smachtende dorstNaar kennis en kracht voor ’t regeeren!De prachtbioskoop is de School voor den Vorst,Om ’t billijk en grondig te leeren. —Te lang hebt Gij, Hoogheid, die lessen gemist,O, Hoop des Heelals, Kroonprins Willem!Zoon van den doorluchtigen Telegrafist......Nu weet Gij ’t. Dus — op! naar de Film!Vooreerst: als Gij denkt aan Pa’s kiesrechtbesluit,Dan kunt Gij de vraag niet negeeren:„Hoe komen de lagere standen vooruit?”„DE BANKDIEFSTAL” zal het u leeren.Verlangt gij een blik in ’t klassieke te slaan,— Wat iederen heerscher gerad’ is —Gij hebt maar te kiezen waarheen Gij wilt gaan:Naar „CLEOPATRA” of naar „QUO VADIS?”Leer voorts, Prins, dat hij, die de Liefde erlangt,Een prijs uit het Lotspel van God loot;Ga dus naar de Film, die het Leven vervangt,Met aanteekenboekje en potlood,En let er goed op, hoe de minnaar zich weert,De doffer de duif met gekir kust;En als ’t U de film „LIEFDE’S LIST” al niet leert,Dan doet zeker „PEG UIT HET CIRCUS” ’t,„MIJN SCHOONMOEDER”, „LIEFDE VERLOOCHENT ZICH NIET”,„HET HART OF WAT VROUWEN VERMOGEN”,„DE VROUW EN DE WIJN”, of „HET EEUWIGE LIED”,„DE MAAGD MET DE VURIGE OOGEN”.Gij weet, dat den vorst ook bekend dient te zijn,Wat tot de verbeelding kan spreken;Uw Hoogheid bezoek’ dus „DE HAND OM ’T GORDIJN”,„HET SPOOK”, „’T GEHEIMZINNIGE TEEKEN”,„DE ZWEVENDE LICHTEN”, „EEN BLIK DOOR DE KIER”,„DE KLOP OP DE DEUR”, „DE GELUIDEN”,„HET HUIS MET DE 5000 KAARSEN”, „’T PAPIER”,„WAT DE BLOEDVLEK OP ’T BALKLEED BEDUIDDE”.En wordt Gij wat sentimenteel, of wat week,— We zagen al eens de symptomen! —Dan vindt Gij weer kracht in „DE DUIVELSCHE STREEK”,„DE VAMPIERS”, „HET BLOED”, „SATANS DROOMEN”.Geniet BILLY RITCHIE — die ’s fenomenaal!Ook d’ Explicateur maak’ U wijzer;En d’ „Au, niet zoo hard!” ’s uit de duistere zaal......Dat alles, dat vormt U tot Keizer.Geen vorst kent zijn vak, die geen Zond’ heeft gezienEn Misdaad. Bezoek dus „DE WREKER”,„DE GIFTMENGSTER”, „SLUIPMOORD”, „DE BLOEDHAAT”misschien,„DE WRAAK VAN HOMUNCULUS” zeker.Uw Hoogheid raak’ met de sensatie bekendVan kippenvel, rilling en griezel:„’T GEWELF DER VERSCHRIKKINGEN”, zie Gij tot ’t end!En „DE STAP OP HET KRAKENDE KIEZEL”.„DE WRAAK VAN DE RAZENDE ROODHUID GESTILD”,„DE STRAF VAN DE GLOEIENDE STAVEN”,„HET STIJGENDE WATER”, „HET VALLUIK”, „GEVILD”,„DE SCHIJNDOOD OF LEVEND BEGRAVEN”......— — — — — — — — —P. S.Doch juist als de mensch zich ’t meest zadelvast voelt,Dan komt soms de Duivel, en wipt ’m;Maar dit is...... enfin...... niet voor dames bedoeld,Ik zet het dus in een P. S.:Verlangt Gij rein, matig te blijven en kuisch,En wolken van kinderen te krijgen,Bezoek dan, o Prins (laat de Hofdames thuis)— Incognito! — „MOGEN WIJ ZWIJGEN?”!

Wie is er die thans nog minachtend beweert:

„Zoo’n spul is voor meid’ en soldaten!”

Men heeft nu van Rosika Schwimmer geleerd

Heel anders daar over te praten.

Toekomstige heerschers, die smachtende dorst

Naar kennis en kracht voor ’t regeeren!

De prachtbioskoop is de School voor den Vorst,

Om ’t billijk en grondig te leeren. —

Te lang hebt Gij, Hoogheid, die lessen gemist,

O, Hoop des Heelals, Kroonprins Willem!

Zoon van den doorluchtigen Telegrafist......

Nu weet Gij ’t. Dus — op! naar de Film!

Vooreerst: als Gij denkt aan Pa’s kiesrechtbesluit,

Dan kunt Gij de vraag niet negeeren:

„Hoe komen de lagere standen vooruit?”

„DE BANKDIEFSTAL” zal het u leeren.

Verlangt gij een blik in ’t klassieke te slaan,

— Wat iederen heerscher gerad’ is —

Gij hebt maar te kiezen waarheen Gij wilt gaan:

Naar „CLEOPATRA” of naar „QUO VADIS?”

Leer voorts, Prins, dat hij, die de Liefde erlangt,

Een prijs uit het Lotspel van God loot;

Ga dus naar de Film, die het Leven vervangt,

Met aanteekenboekje en potlood,

En let er goed op, hoe de minnaar zich weert,

De doffer de duif met gekir kust;

En als ’t U de film „LIEFDE’S LIST” al niet leert,

Dan doet zeker „PEG UIT HET CIRCUS” ’t,

„MIJN SCHOONMOEDER”, „LIEFDE VERLOOCHENT ZICH NIET”,

„HET HART OF WAT VROUWEN VERMOGEN”,

„DE VROUW EN DE WIJN”, of „HET EEUWIGE LIED”,

„DE MAAGD MET DE VURIGE OOGEN”.

Gij weet, dat den vorst ook bekend dient te zijn,

Wat tot de verbeelding kan spreken;

Uw Hoogheid bezoek’ dus „DE HAND OM ’T GORDIJN”,

„HET SPOOK”, „’T GEHEIMZINNIGE TEEKEN”,

„DE ZWEVENDE LICHTEN”, „EEN BLIK DOOR DE KIER”,

„DE KLOP OP DE DEUR”, „DE GELUIDEN”,

„HET HUIS MET DE 5000 KAARSEN”, „’T PAPIER”,

„WAT DE BLOEDVLEK OP ’T BALKLEED BEDUIDDE”.

En wordt Gij wat sentimenteel, of wat week,

— We zagen al eens de symptomen! —

Dan vindt Gij weer kracht in „DE DUIVELSCHE STREEK”,

„DE VAMPIERS”, „HET BLOED”, „SATANS DROOMEN”.

Geniet BILLY RITCHIE — die ’s fenomenaal!

Ook d’ Explicateur maak’ U wijzer;

En d’ „Au, niet zoo hard!” ’s uit de duistere zaal......

Dat alles, dat vormt U tot Keizer.

Geen vorst kent zijn vak, die geen Zond’ heeft gezien

En Misdaad. Bezoek dus „DE WREKER”,

„DE GIFTMENGSTER”, „SLUIPMOORD”, „DE BLOEDHAAT”

misschien,

„DE WRAAK VAN HOMUNCULUS” zeker.

Uw Hoogheid raak’ met de sensatie bekend

Van kippenvel, rilling en griezel:

„’T GEWELF DER VERSCHRIKKINGEN”, zie Gij tot ’t end!

En „DE STAP OP HET KRAKENDE KIEZEL”.

„DE WRAAK VAN DE RAZENDE ROODHUID GESTILD”,

„DE STRAF VAN DE GLOEIENDE STAVEN”,

„HET STIJGENDE WATER”, „HET VALLUIK”, „GEVILD”,

„DE SCHIJNDOOD OF LEVEND BEGRAVEN”......

— — — — — — — — —

P. S.

Doch juist als de mensch zich ’t meest zadelvast voelt,

Dan komt soms de Duivel, en wipt ’m;

Maar dit is...... enfin...... niet voor dames bedoeld,

Ik zet het dus in een P. S.:

Verlangt Gij rein, matig te blijven en kuisch,

En wolken van kinderen te krijgen,

Bezoek dan, o Prins (laat de Hofdames thuis)

— Incognito! — „MOGEN WIJ ZWIJGEN?”!

Gerijmd na Karl en Zita’s staatsgreep op 22 October 1921.

(Zie de aanteekening op bl. 99)

(Zie de aanteekening op bl. 99)

O, keizerlijke kwibus! Kwast,Met Zita aan je zij!Jan Klaassen uit de poppenkastDeed nooit zoo mal als jij.Per vliegmachine kwam je an,En hebt met man en macht,Met haar de heele ratteplanIn rep en roer gebracht.Maar van een „Schlager” had ’t niet veel —Die kluchtspel-heldendaad!Je kreeg van ’t volk, integendeelRott’ appels in ’t gelaat.Je brak je woord. Dat doet men meer.Daar zegt geen mensch iets van;Voor vorsten geldt een andre eerDan voor den mindren man.Maar nu is ’t knersing en geween,Acherm! Wat zal je doen?De schrik zit — lees ik — in je been,De moed zit in je schoen.Och, eiglijk is het medelij,Dat ons het hart vervult,Want deze potsenmakerijIsnietje eigen schuld.Neen. Evenals maar al te vaakIn dezen rommeltijdDoor prikkelfilms tot roof en braakHet „boefje” werd verleid......Zooals zoo meenge montre maagd,Onschuldig, zoet en zacht,Door ’t hitsend trilbeeld opgejaagd,Tot zonde werd gebracht —Zoo is de schuld van ’t droevig lot(Waakt, ouders, die dit leest!!)Van dezen armen Don QuichotDe BIOSKOOP geweest!

O, keizerlijke kwibus! Kwast,Met Zita aan je zij!Jan Klaassen uit de poppenkastDeed nooit zoo mal als jij.Per vliegmachine kwam je an,En hebt met man en macht,Met haar de heele ratteplanIn rep en roer gebracht.Maar van een „Schlager” had ’t niet veel —Die kluchtspel-heldendaad!Je kreeg van ’t volk, integendeelRott’ appels in ’t gelaat.Je brak je woord. Dat doet men meer.Daar zegt geen mensch iets van;Voor vorsten geldt een andre eerDan voor den mindren man.Maar nu is ’t knersing en geween,Acherm! Wat zal je doen?De schrik zit — lees ik — in je been,De moed zit in je schoen.Och, eiglijk is het medelij,Dat ons het hart vervult,Want deze potsenmakerijIsnietje eigen schuld.Neen. Evenals maar al te vaakIn dezen rommeltijdDoor prikkelfilms tot roof en braakHet „boefje” werd verleid......Zooals zoo meenge montre maagd,Onschuldig, zoet en zacht,Door ’t hitsend trilbeeld opgejaagd,Tot zonde werd gebracht —Zoo is de schuld van ’t droevig lot(Waakt, ouders, die dit leest!!)Van dezen armen Don QuichotDe BIOSKOOP geweest!

O, keizerlijke kwibus! Kwast,Met Zita aan je zij!Jan Klaassen uit de poppenkastDeed nooit zoo mal als jij.

O, keizerlijke kwibus! Kwast,

Met Zita aan je zij!

Jan Klaassen uit de poppenkast

Deed nooit zoo mal als jij.

Per vliegmachine kwam je an,En hebt met man en macht,Met haar de heele ratteplanIn rep en roer gebracht.

Per vliegmachine kwam je an,

En hebt met man en macht,

Met haar de heele ratteplan

In rep en roer gebracht.

Maar van een „Schlager” had ’t niet veel —Die kluchtspel-heldendaad!Je kreeg van ’t volk, integendeelRott’ appels in ’t gelaat.

Maar van een „Schlager” had ’t niet veel —

Die kluchtspel-heldendaad!

Je kreeg van ’t volk, integendeel

Rott’ appels in ’t gelaat.

Je brak je woord. Dat doet men meer.Daar zegt geen mensch iets van;Voor vorsten geldt een andre eerDan voor den mindren man.

Je brak je woord. Dat doet men meer.

Daar zegt geen mensch iets van;

Voor vorsten geldt een andre eer

Dan voor den mindren man.

Maar nu is ’t knersing en geween,Acherm! Wat zal je doen?De schrik zit — lees ik — in je been,De moed zit in je schoen.

Maar nu is ’t knersing en geween,

Acherm! Wat zal je doen?

De schrik zit — lees ik — in je been,

De moed zit in je schoen.

Och, eiglijk is het medelij,Dat ons het hart vervult,Want deze potsenmakerijIsnietje eigen schuld.

Och, eiglijk is het medelij,

Dat ons het hart vervult,

Want deze potsenmakerij

Isnietje eigen schuld.

Neen. Evenals maar al te vaakIn dezen rommeltijdDoor prikkelfilms tot roof en braakHet „boefje” werd verleid......

Neen. Evenals maar al te vaak

In dezen rommeltijd

Door prikkelfilms tot roof en braak

Het „boefje” werd verleid......

Zooals zoo meenge montre maagd,Onschuldig, zoet en zacht,Door ’t hitsend trilbeeld opgejaagd,Tot zonde werd gebracht —

Zooals zoo meenge montre maagd,

Onschuldig, zoet en zacht,

Door ’t hitsend trilbeeld opgejaagd,

Tot zonde werd gebracht —

Zoo is de schuld van ’t droevig lot(Waakt, ouders, die dit leest!!)Van dezen armen Don QuichotDe BIOSKOOP geweest!

Zoo is de schuld van ’t droevig lot

(Waakt, ouders, die dit leest!!)

Van dezen armen Don Quichot

De BIOSKOOP geweest!

Mies, mijn mooie, grijze poesje,Ligt genoeglijk in haar soesjeVoor mijn open haard,Op het warme, wollen kleedje.Kijk, zij droomt — beweegt een beetje’t Puntje van haar staart.Mies ontwaakt, en wascht haar snoetje;Dan, behoedzaam, voet-voor-voetje,Sluipt zij naar mij toe.Hoepla! Plotseling springt zij op je!Spint verheugd, en geeft een kopje:Mies is blij te moe.Ikniet minder, dat begrijpje!Met mijn poes en met mijn pijpje,Onder ’ndakvan rook!’k Streel het zachte zijden velletje;Mies en ik, wij zijn een stelletje,Mies is lui — ik ook.’t Is zoo rustig, ’t is zoo stille,Is ’t geen plaatje? geen idylle?Vriendschap, Vreugd en Vree.En we denken geen van beidenAan het slachten en het strijden,En het Wereld-wee......’k Soes wat over „Charivari”......Kijk, daar huppelt mijn kanarieUit zijn open kooi.Mies springt eensklaps van mijn schoot enHeft, met tijgeraard, haar poot, en......Pats! Zij heeft haar prooi!’t Bloed druipt tappelings langs haar kaken,’k Hoor de broze beentjes kraken,Hoe ’k die kat verwensch!’k Tracht een scheldwoord te verzinnen,Wacht! daar schiet m’ er een te binnen:Schaamje, Mies! Jij... MENSCH!!

Mies, mijn mooie, grijze poesje,Ligt genoeglijk in haar soesjeVoor mijn open haard,Op het warme, wollen kleedje.Kijk, zij droomt — beweegt een beetje’t Puntje van haar staart.Mies ontwaakt, en wascht haar snoetje;Dan, behoedzaam, voet-voor-voetje,Sluipt zij naar mij toe.Hoepla! Plotseling springt zij op je!Spint verheugd, en geeft een kopje:Mies is blij te moe.Ikniet minder, dat begrijpje!Met mijn poes en met mijn pijpje,Onder ’ndakvan rook!’k Streel het zachte zijden velletje;Mies en ik, wij zijn een stelletje,Mies is lui — ik ook.’t Is zoo rustig, ’t is zoo stille,Is ’t geen plaatje? geen idylle?Vriendschap, Vreugd en Vree.En we denken geen van beidenAan het slachten en het strijden,En het Wereld-wee......’k Soes wat over „Charivari”......Kijk, daar huppelt mijn kanarieUit zijn open kooi.Mies springt eensklaps van mijn schoot enHeft, met tijgeraard, haar poot, en......Pats! Zij heeft haar prooi!’t Bloed druipt tappelings langs haar kaken,’k Hoor de broze beentjes kraken,Hoe ’k die kat verwensch!’k Tracht een scheldwoord te verzinnen,Wacht! daar schiet m’ er een te binnen:Schaamje, Mies! Jij... MENSCH!!

Mies, mijn mooie, grijze poesje,Ligt genoeglijk in haar soesjeVoor mijn open haard,Op het warme, wollen kleedje.Kijk, zij droomt — beweegt een beetje’t Puntje van haar staart.

Mies, mijn mooie, grijze poesje,

Ligt genoeglijk in haar soesje

Voor mijn open haard,

Op het warme, wollen kleedje.

Kijk, zij droomt — beweegt een beetje

’t Puntje van haar staart.

Mies ontwaakt, en wascht haar snoetje;Dan, behoedzaam, voet-voor-voetje,Sluipt zij naar mij toe.Hoepla! Plotseling springt zij op je!Spint verheugd, en geeft een kopje:Mies is blij te moe.

Mies ontwaakt, en wascht haar snoetje;

Dan, behoedzaam, voet-voor-voetje,

Sluipt zij naar mij toe.

Hoepla! Plotseling springt zij op je!

Spint verheugd, en geeft een kopje:

Mies is blij te moe.

Ikniet minder, dat begrijpje!Met mijn poes en met mijn pijpje,Onder ’ndakvan rook!’k Streel het zachte zijden velletje;Mies en ik, wij zijn een stelletje,Mies is lui — ik ook.

Ikniet minder, dat begrijpje!

Met mijn poes en met mijn pijpje,

Onder ’ndakvan rook!

’k Streel het zachte zijden velletje;

Mies en ik, wij zijn een stelletje,

Mies is lui — ik ook.

’t Is zoo rustig, ’t is zoo stille,Is ’t geen plaatje? geen idylle?Vriendschap, Vreugd en Vree.En we denken geen van beidenAan het slachten en het strijden,En het Wereld-wee......

’t Is zoo rustig, ’t is zoo stille,

Is ’t geen plaatje? geen idylle?

Vriendschap, Vreugd en Vree.

En we denken geen van beiden

Aan het slachten en het strijden,

En het Wereld-wee......

’k Soes wat over „Charivari”......Kijk, daar huppelt mijn kanarieUit zijn open kooi.Mies springt eensklaps van mijn schoot enHeft, met tijgeraard, haar poot, en......Pats! Zij heeft haar prooi!

’k Soes wat over „Charivari”......

Kijk, daar huppelt mijn kanarie

Uit zijn open kooi.

Mies springt eensklaps van mijn schoot en

Heft, met tijgeraard, haar poot, en......

Pats! Zij heeft haar prooi!

’t Bloed druipt tappelings langs haar kaken,’k Hoor de broze beentjes kraken,Hoe ’k die kat verwensch!’k Tracht een scheldwoord te verzinnen,Wacht! daar schiet m’ er een te binnen:Schaamje, Mies! Jij... MENSCH!!

’t Bloed druipt tappelings langs haar kaken,

’k Hoor de broze beentjes kraken,

Hoe ’k die kat verwensch!

’k Tracht een scheldwoord te verzinnen,

Wacht! daar schiet m’ er een te binnen:

Schaamje, Mies! Jij... MENSCH!!

Stemmings-Rijm.

Het is griezlig weer.Hu. De regen pletst neer.En de wind schudt de deur en de ruiten.Je kamer is guur.Zonder licht. Zonder vuur.’t Is net zoo naar binnen als buiten.Een warm kopje thee?Kun je denken. O nee.Daar gaat, snap je, veel te veel gas aan.Je zit kil en krom.Met een reisdeken om.Een voetenzak. Handschoenen. Jas aan.Je vrienden gaan zien?Voor een praatje misschien?Gezelligheid? Onzin. Illusie.’t Prodit en prodatBen je gauw genoeg zat.En het eindigt gewoonlijk met ruzie.Landziekig en wee,Slof je naar je café.Voor de krant. Om een hapje te eten.’n Partijtje biljart —Wat dan ook. Om je smartEn je narigheid wat te vergeten.Maar het licht is te mat.Ja. En lees je nog wat,Dan is ’t van de Krieg und kein Ende.Je weet het al wel.’t Is alles de hel.En bloed. En bedrog. En ellende.En het bruinbrood is grauw.En het wittebrood blauw.En oudbakken, al heet het ook „net versch.”En het bier smaakt als inkt.En de whisky, die stinkt.De visch is goed voor de briketpers.Je gaat maar weer heen.Door het donker alleen.Trapt in alles. En botst, op de hoeken.Je stoot er een blauw.Jij hem. En hij jou.Razen. Tieren. En schelden. En vloeken.Zoo zit je weer thuis.Krats. Daar hoor je een muis.Een muizeval? Rattekruid? Baat niet.Hier faalt zelfs de kat.Want je huis is te nat.En ze deeglijk te luksburgen gaat niet.D’r zit niets meer op,Dan met mokkenden kopDen dag met den nacht te verruilen.Het land als de pest.Ruk maar op. Naar je nest.Diep onder de dekens. En huilen.

Het is griezlig weer.Hu. De regen pletst neer.En de wind schudt de deur en de ruiten.Je kamer is guur.Zonder licht. Zonder vuur.’t Is net zoo naar binnen als buiten.Een warm kopje thee?Kun je denken. O nee.Daar gaat, snap je, veel te veel gas aan.Je zit kil en krom.Met een reisdeken om.Een voetenzak. Handschoenen. Jas aan.Je vrienden gaan zien?Voor een praatje misschien?Gezelligheid? Onzin. Illusie.’t Prodit en prodatBen je gauw genoeg zat.En het eindigt gewoonlijk met ruzie.Landziekig en wee,Slof je naar je café.Voor de krant. Om een hapje te eten.’n Partijtje biljart —Wat dan ook. Om je smartEn je narigheid wat te vergeten.Maar het licht is te mat.Ja. En lees je nog wat,Dan is ’t van de Krieg und kein Ende.Je weet het al wel.’t Is alles de hel.En bloed. En bedrog. En ellende.En het bruinbrood is grauw.En het wittebrood blauw.En oudbakken, al heet het ook „net versch.”En het bier smaakt als inkt.En de whisky, die stinkt.De visch is goed voor de briketpers.Je gaat maar weer heen.Door het donker alleen.Trapt in alles. En botst, op de hoeken.Je stoot er een blauw.Jij hem. En hij jou.Razen. Tieren. En schelden. En vloeken.Zoo zit je weer thuis.Krats. Daar hoor je een muis.Een muizeval? Rattekruid? Baat niet.Hier faalt zelfs de kat.Want je huis is te nat.En ze deeglijk te luksburgen gaat niet.D’r zit niets meer op,Dan met mokkenden kopDen dag met den nacht te verruilen.Het land als de pest.Ruk maar op. Naar je nest.Diep onder de dekens. En huilen.

Het is griezlig weer.Hu. De regen pletst neer.En de wind schudt de deur en de ruiten.Je kamer is guur.Zonder licht. Zonder vuur.’t Is net zoo naar binnen als buiten.

Het is griezlig weer.

Hu. De regen pletst neer.

En de wind schudt de deur en de ruiten.

Je kamer is guur.

Zonder licht. Zonder vuur.

’t Is net zoo naar binnen als buiten.

Een warm kopje thee?Kun je denken. O nee.Daar gaat, snap je, veel te veel gas aan.Je zit kil en krom.Met een reisdeken om.Een voetenzak. Handschoenen. Jas aan.

Een warm kopje thee?

Kun je denken. O nee.

Daar gaat, snap je, veel te veel gas aan.

Je zit kil en krom.

Met een reisdeken om.

Een voetenzak. Handschoenen. Jas aan.

Je vrienden gaan zien?Voor een praatje misschien?Gezelligheid? Onzin. Illusie.’t Prodit en prodatBen je gauw genoeg zat.En het eindigt gewoonlijk met ruzie.

Je vrienden gaan zien?

Voor een praatje misschien?

Gezelligheid? Onzin. Illusie.

’t Prodit en prodat

Ben je gauw genoeg zat.

En het eindigt gewoonlijk met ruzie.

Landziekig en wee,Slof je naar je café.Voor de krant. Om een hapje te eten.’n Partijtje biljart —Wat dan ook. Om je smartEn je narigheid wat te vergeten.

Landziekig en wee,

Slof je naar je café.

Voor de krant. Om een hapje te eten.

’n Partijtje biljart —

Wat dan ook. Om je smart

En je narigheid wat te vergeten.

Maar het licht is te mat.Ja. En lees je nog wat,Dan is ’t van de Krieg und kein Ende.Je weet het al wel.’t Is alles de hel.En bloed. En bedrog. En ellende.

Maar het licht is te mat.

Ja. En lees je nog wat,

Dan is ’t van de Krieg und kein Ende.

Je weet het al wel.

’t Is alles de hel.

En bloed. En bedrog. En ellende.

En het bruinbrood is grauw.En het wittebrood blauw.En oudbakken, al heet het ook „net versch.”En het bier smaakt als inkt.En de whisky, die stinkt.De visch is goed voor de briketpers.

En het bruinbrood is grauw.

En het wittebrood blauw.

En oudbakken, al heet het ook „net versch.”

En het bier smaakt als inkt.

En de whisky, die stinkt.

De visch is goed voor de briketpers.

Je gaat maar weer heen.Door het donker alleen.Trapt in alles. En botst, op de hoeken.Je stoot er een blauw.Jij hem. En hij jou.Razen. Tieren. En schelden. En vloeken.

Je gaat maar weer heen.

Door het donker alleen.

Trapt in alles. En botst, op de hoeken.

Je stoot er een blauw.

Jij hem. En hij jou.

Razen. Tieren. En schelden. En vloeken.

Zoo zit je weer thuis.Krats. Daar hoor je een muis.Een muizeval? Rattekruid? Baat niet.Hier faalt zelfs de kat.Want je huis is te nat.En ze deeglijk te luksburgen gaat niet.

Zoo zit je weer thuis.

Krats. Daar hoor je een muis.

Een muizeval? Rattekruid? Baat niet.

Hier faalt zelfs de kat.

Want je huis is te nat.

En ze deeglijk te luksburgen gaat niet.

D’r zit niets meer op,Dan met mokkenden kopDen dag met den nacht te verruilen.Het land als de pest.Ruk maar op. Naar je nest.Diep onder de dekens. En huilen.

D’r zit niets meer op,

Dan met mokkenden kop

Den dag met den nacht te verruilen.

Het land als de pest.

Ruk maar op. Naar je nest.

Diep onder de dekens. En huilen.

Door het torpedo-werk van de Duitsche duikboot verdronken meer dan 1600 personen. Het bericht van de heldendaad der bemanning bracht over Duitschland, schrijft deKöln. Zeitung, „eine jublende Freude.” Alle opvarenden verkregen het IJzeren Kruis.

Door het torpedo-werk van de Duitsche duikboot verdronken meer dan 1600 personen. Het bericht van de heldendaad der bemanning bracht over Duitschland, schrijft deKöln. Zeitung, „eine jublende Freude.” Alle opvarenden verkregen het IJzeren Kruis.

Als de vrede is gesloten,En de strijd gestreden is,Als er bloeds genoeg vergoten,Leeds genoeg geleden is;Als de zwakke landman zwoegend— Want de sterken zijn gedood —’t Bloedgedrenkte land doorploegendOp verminkte lijken stoot;Als de tranen wat gedroogd zijnVan de weduw en de wees,De belastingen verhoogd zijn,En de prijs van ’t brood en ’t vleesch;Als het aantal werkelooze’Niet meer weeklijks, daaglijks, stijgt,En de werkman, na een pooze,Hier of daar een plaatsje krijgt;Als de zaken weer gaan loopen,En de rust is weergekeerd —Hebben w’allen, laat ons hopen,Eéne wijze les geleerd:Dat in heel ons brave levenEigenbaat, -belang, gewin,Drijfveer is van al ons streven —Nimmer God of Godsdienstzin,En dat Vroomheid, Recht en Waarheid,— Noem ’t maar „Godsdienst” voor ’t gemak —Liggen — ’t blijkt met groote klaarheid —Bovenaan het oppervlak.Want zoodra we ’t wenschelijk achtenVoor het winnen van den strijd,Bannen w’ alle Godsgedachten,Daarvoor is er dan geen tijd.En, al roepend: Heere, Heere!Zett’ we Godsdienst aan den kant;Moord en doodslag komt in eere,En de Bijbel wordt verbrand.Ja, het universum staat danOp zijn kop, zoo lijkt het wel:In den Hemel huist de Satan,En de Heer is in de hel.Want de felsteBloedgebeden,Tot onz’ Ouden God gericht,Stijgen... loodrecht naar beneden!Bidden blijft maar Christenplicht.Ieder van de Tien GebodenOvertreden w’ elken dag;Rooven, branden, liegen, dooden,Zelfs verstikken — alles mag.Wie, vervuld van ’t „Onze Vader”,Doet, wat Jezus heeft geleerd,Wordt direkt, als landverrader,Afgemaakt — gefusilleerd.„Hebt uw vijand lief, mijn kinderen!”Sprak de man van Nazareth;Maar de luint zegt tot zijn mindren:„Prikt ’m met je bajonet!”En de krant bezielt gedurigDen soldaat met haat en nijd;Zeer terecht: dat maakt hem vurigEn bloeddorstig in den strijd.Jack of Karl, die thuis zoo knusjesMet zijn broertjes samenzat,Steeds iets meebracht voor zijn zusjes,Als hij thuiskwam, uit de stad...Kijk, daar staat hij, d’arme jongen...Stil!... nou moet je handig zijn...Steek ’m daar... net naast z’n longen!...Mooi!!... hij kronkelt zich van pijn!Prik ’m nog eens!... Kijk ’m spartelen!...Hak z’n voet af!... of z’n hand!...Lekker eiglijk wel, dat martelen...!’tMagnu. ’t Is voor ’t Vaderland!!Dood je er één — je wordt bewonderd,Tien — dan krijg j’ een lintje thuis,Maar verzuip j’ ’r zestienhonderd,Dan verdien je ’t IJzeren Kruis.Ja, ’t was „schitterend”, dat erken ik,Zestienhonderd!Hoor je ’t wel?Zelfs ’t vergaan van de TitanicWas hierbij maar kinderspel.Hoor ze jammeren... huilen... Luister!Hijgend, hunkrend naar wat lucht,Tot ze zinken naar het duister,Met een laatste droeve zucht...Hoort! De maar’ verkondigt luide:„Zestienhonderd tegelijk!!”En een jubelende FreudeSpreidt zich over ’t gansche rijk.Al de Hoofden van de Staten,Keizer, Koning, President,Tsaar, Ministers, Diplomaten,Uit het Witboek welbekend,Zij, die verantwoordlijk warenVoor het Wereld-moordnaars-werk,Waren ook de steunpilarenVan de Christelijke Kerk.Dominees, pastoors, rabbijnen,Och, wat staat je zaakje zwak!’k Zou maar stiekempjes verdwijnen,Gaat maar in ’n ander vak!’k Stel je voor om dit te zeggen:Daar de Godsdienst is verjaard,En ’t Geloof het af moest leggen,Wordt de Kerk failliet verklaard.

Als de vrede is gesloten,En de strijd gestreden is,Als er bloeds genoeg vergoten,Leeds genoeg geleden is;Als de zwakke landman zwoegend— Want de sterken zijn gedood —’t Bloedgedrenkte land doorploegendOp verminkte lijken stoot;Als de tranen wat gedroogd zijnVan de weduw en de wees,De belastingen verhoogd zijn,En de prijs van ’t brood en ’t vleesch;Als het aantal werkelooze’Niet meer weeklijks, daaglijks, stijgt,En de werkman, na een pooze,Hier of daar een plaatsje krijgt;Als de zaken weer gaan loopen,En de rust is weergekeerd —Hebben w’allen, laat ons hopen,Eéne wijze les geleerd:Dat in heel ons brave levenEigenbaat, -belang, gewin,Drijfveer is van al ons streven —Nimmer God of Godsdienstzin,En dat Vroomheid, Recht en Waarheid,— Noem ’t maar „Godsdienst” voor ’t gemak —Liggen — ’t blijkt met groote klaarheid —Bovenaan het oppervlak.Want zoodra we ’t wenschelijk achtenVoor het winnen van den strijd,Bannen w’ alle Godsgedachten,Daarvoor is er dan geen tijd.En, al roepend: Heere, Heere!Zett’ we Godsdienst aan den kant;Moord en doodslag komt in eere,En de Bijbel wordt verbrand.Ja, het universum staat danOp zijn kop, zoo lijkt het wel:In den Hemel huist de Satan,En de Heer is in de hel.Want de felsteBloedgebeden,Tot onz’ Ouden God gericht,Stijgen... loodrecht naar beneden!Bidden blijft maar Christenplicht.Ieder van de Tien GebodenOvertreden w’ elken dag;Rooven, branden, liegen, dooden,Zelfs verstikken — alles mag.Wie, vervuld van ’t „Onze Vader”,Doet, wat Jezus heeft geleerd,Wordt direkt, als landverrader,Afgemaakt — gefusilleerd.„Hebt uw vijand lief, mijn kinderen!”Sprak de man van Nazareth;Maar de luint zegt tot zijn mindren:„Prikt ’m met je bajonet!”En de krant bezielt gedurigDen soldaat met haat en nijd;Zeer terecht: dat maakt hem vurigEn bloeddorstig in den strijd.Jack of Karl, die thuis zoo knusjesMet zijn broertjes samenzat,Steeds iets meebracht voor zijn zusjes,Als hij thuiskwam, uit de stad...Kijk, daar staat hij, d’arme jongen...Stil!... nou moet je handig zijn...Steek ’m daar... net naast z’n longen!...Mooi!!... hij kronkelt zich van pijn!Prik ’m nog eens!... Kijk ’m spartelen!...Hak z’n voet af!... of z’n hand!...Lekker eiglijk wel, dat martelen...!’tMagnu. ’t Is voor ’t Vaderland!!Dood je er één — je wordt bewonderd,Tien — dan krijg j’ een lintje thuis,Maar verzuip j’ ’r zestienhonderd,Dan verdien je ’t IJzeren Kruis.Ja, ’t was „schitterend”, dat erken ik,Zestienhonderd!Hoor je ’t wel?Zelfs ’t vergaan van de TitanicWas hierbij maar kinderspel.Hoor ze jammeren... huilen... Luister!Hijgend, hunkrend naar wat lucht,Tot ze zinken naar het duister,Met een laatste droeve zucht...Hoort! De maar’ verkondigt luide:„Zestienhonderd tegelijk!!”En een jubelende FreudeSpreidt zich over ’t gansche rijk.Al de Hoofden van de Staten,Keizer, Koning, President,Tsaar, Ministers, Diplomaten,Uit het Witboek welbekend,Zij, die verantwoordlijk warenVoor het Wereld-moordnaars-werk,Waren ook de steunpilarenVan de Christelijke Kerk.Dominees, pastoors, rabbijnen,Och, wat staat je zaakje zwak!’k Zou maar stiekempjes verdwijnen,Gaat maar in ’n ander vak!’k Stel je voor om dit te zeggen:Daar de Godsdienst is verjaard,En ’t Geloof het af moest leggen,Wordt de Kerk failliet verklaard.

Als de vrede is gesloten,En de strijd gestreden is,Als er bloeds genoeg vergoten,Leeds genoeg geleden is;

Als de vrede is gesloten,

En de strijd gestreden is,

Als er bloeds genoeg vergoten,

Leeds genoeg geleden is;

Als de zwakke landman zwoegend— Want de sterken zijn gedood —’t Bloedgedrenkte land doorploegendOp verminkte lijken stoot;

Als de zwakke landman zwoegend

— Want de sterken zijn gedood —

’t Bloedgedrenkte land doorploegend

Op verminkte lijken stoot;

Als de tranen wat gedroogd zijnVan de weduw en de wees,De belastingen verhoogd zijn,En de prijs van ’t brood en ’t vleesch;

Als de tranen wat gedroogd zijn

Van de weduw en de wees,

De belastingen verhoogd zijn,

En de prijs van ’t brood en ’t vleesch;

Als het aantal werkelooze’Niet meer weeklijks, daaglijks, stijgt,En de werkman, na een pooze,Hier of daar een plaatsje krijgt;

Als het aantal werkelooze’

Niet meer weeklijks, daaglijks, stijgt,

En de werkman, na een pooze,

Hier of daar een plaatsje krijgt;

Als de zaken weer gaan loopen,En de rust is weergekeerd —Hebben w’allen, laat ons hopen,Eéne wijze les geleerd:

Als de zaken weer gaan loopen,

En de rust is weergekeerd —

Hebben w’allen, laat ons hopen,

Eéne wijze les geleerd:

Dat in heel ons brave levenEigenbaat, -belang, gewin,Drijfveer is van al ons streven —Nimmer God of Godsdienstzin,

Dat in heel ons brave leven

Eigenbaat, -belang, gewin,

Drijfveer is van al ons streven —

Nimmer God of Godsdienstzin,

En dat Vroomheid, Recht en Waarheid,— Noem ’t maar „Godsdienst” voor ’t gemak —Liggen — ’t blijkt met groote klaarheid —Bovenaan het oppervlak.

En dat Vroomheid, Recht en Waarheid,

— Noem ’t maar „Godsdienst” voor ’t gemak —

Liggen — ’t blijkt met groote klaarheid —

Bovenaan het oppervlak.

Want zoodra we ’t wenschelijk achtenVoor het winnen van den strijd,Bannen w’ alle Godsgedachten,Daarvoor is er dan geen tijd.

Want zoodra we ’t wenschelijk achten

Voor het winnen van den strijd,

Bannen w’ alle Godsgedachten,

Daarvoor is er dan geen tijd.

En, al roepend: Heere, Heere!Zett’ we Godsdienst aan den kant;Moord en doodslag komt in eere,En de Bijbel wordt verbrand.

En, al roepend: Heere, Heere!

Zett’ we Godsdienst aan den kant;

Moord en doodslag komt in eere,

En de Bijbel wordt verbrand.

Ja, het universum staat danOp zijn kop, zoo lijkt het wel:In den Hemel huist de Satan,En de Heer is in de hel.

Ja, het universum staat dan

Op zijn kop, zoo lijkt het wel:

In den Hemel huist de Satan,

En de Heer is in de hel.

Want de felsteBloedgebeden,Tot onz’ Ouden God gericht,Stijgen... loodrecht naar beneden!Bidden blijft maar Christenplicht.

Want de felsteBloedgebeden,

Tot onz’ Ouden God gericht,

Stijgen... loodrecht naar beneden!

Bidden blijft maar Christenplicht.

Ieder van de Tien GebodenOvertreden w’ elken dag;Rooven, branden, liegen, dooden,Zelfs verstikken — alles mag.

Ieder van de Tien Geboden

Overtreden w’ elken dag;

Rooven, branden, liegen, dooden,

Zelfs verstikken — alles mag.

Wie, vervuld van ’t „Onze Vader”,Doet, wat Jezus heeft geleerd,Wordt direkt, als landverrader,Afgemaakt — gefusilleerd.

Wie, vervuld van ’t „Onze Vader”,

Doet, wat Jezus heeft geleerd,

Wordt direkt, als landverrader,

Afgemaakt — gefusilleerd.

„Hebt uw vijand lief, mijn kinderen!”Sprak de man van Nazareth;Maar de luint zegt tot zijn mindren:„Prikt ’m met je bajonet!”

„Hebt uw vijand lief, mijn kinderen!”

Sprak de man van Nazareth;

Maar de luint zegt tot zijn mindren:

„Prikt ’m met je bajonet!”

En de krant bezielt gedurigDen soldaat met haat en nijd;Zeer terecht: dat maakt hem vurigEn bloeddorstig in den strijd.

En de krant bezielt gedurig

Den soldaat met haat en nijd;

Zeer terecht: dat maakt hem vurig

En bloeddorstig in den strijd.

Jack of Karl, die thuis zoo knusjesMet zijn broertjes samenzat,Steeds iets meebracht voor zijn zusjes,Als hij thuiskwam, uit de stad...

Jack of Karl, die thuis zoo knusjes

Met zijn broertjes samenzat,

Steeds iets meebracht voor zijn zusjes,

Als hij thuiskwam, uit de stad...

Kijk, daar staat hij, d’arme jongen...Stil!... nou moet je handig zijn...Steek ’m daar... net naast z’n longen!...Mooi!!... hij kronkelt zich van pijn!

Kijk, daar staat hij, d’arme jongen...

Stil!... nou moet je handig zijn...

Steek ’m daar... net naast z’n longen!...

Mooi!!... hij kronkelt zich van pijn!

Prik ’m nog eens!... Kijk ’m spartelen!...Hak z’n voet af!... of z’n hand!...Lekker eiglijk wel, dat martelen...!’tMagnu. ’t Is voor ’t Vaderland!!

Prik ’m nog eens!... Kijk ’m spartelen!...

Hak z’n voet af!... of z’n hand!...

Lekker eiglijk wel, dat martelen...!

’tMagnu. ’t Is voor ’t Vaderland!!

Dood je er één — je wordt bewonderd,Tien — dan krijg j’ een lintje thuis,Maar verzuip j’ ’r zestienhonderd,Dan verdien je ’t IJzeren Kruis.

Dood je er één — je wordt bewonderd,

Tien — dan krijg j’ een lintje thuis,

Maar verzuip j’ ’r zestienhonderd,

Dan verdien je ’t IJzeren Kruis.

Ja, ’t was „schitterend”, dat erken ik,Zestienhonderd!Hoor je ’t wel?Zelfs ’t vergaan van de TitanicWas hierbij maar kinderspel.

Ja, ’t was „schitterend”, dat erken ik,

Zestienhonderd!Hoor je ’t wel?

Zelfs ’t vergaan van de Titanic

Was hierbij maar kinderspel.

Hoor ze jammeren... huilen... Luister!Hijgend, hunkrend naar wat lucht,Tot ze zinken naar het duister,Met een laatste droeve zucht...

Hoor ze jammeren... huilen... Luister!

Hijgend, hunkrend naar wat lucht,

Tot ze zinken naar het duister,

Met een laatste droeve zucht...

Hoort! De maar’ verkondigt luide:„Zestienhonderd tegelijk!!”En een jubelende FreudeSpreidt zich over ’t gansche rijk.

Hoort! De maar’ verkondigt luide:

„Zestienhonderd tegelijk!!”

En een jubelende Freude

Spreidt zich over ’t gansche rijk.

Al de Hoofden van de Staten,Keizer, Koning, President,Tsaar, Ministers, Diplomaten,Uit het Witboek welbekend,

Al de Hoofden van de Staten,

Keizer, Koning, President,

Tsaar, Ministers, Diplomaten,

Uit het Witboek welbekend,

Zij, die verantwoordlijk warenVoor het Wereld-moordnaars-werk,Waren ook de steunpilarenVan de Christelijke Kerk.

Zij, die verantwoordlijk waren

Voor het Wereld-moordnaars-werk,

Waren ook de steunpilaren

Van de Christelijke Kerk.

Dominees, pastoors, rabbijnen,Och, wat staat je zaakje zwak!’k Zou maar stiekempjes verdwijnen,Gaat maar in ’n ander vak!

Dominees, pastoors, rabbijnen,

Och, wat staat je zaakje zwak!

’k Zou maar stiekempjes verdwijnen,

Gaat maar in ’n ander vak!

’k Stel je voor om dit te zeggen:Daar de Godsdienst is verjaard,En ’t Geloof het af moest leggen,Wordt de Kerk failliet verklaard.

’k Stel je voor om dit te zeggen:

Daar de Godsdienst is verjaard,

En ’t Geloof het af moest leggen,

Wordt de Kerk failliet verklaard.

Helfferich in den Rijksdag, 21 April ’21: „Het Verdrag van Versailles is gegrondvest op den leugen van Duitschland’s schuld aan den oorlog.”Dr. Riesser: „Het staat voor den geschiedschrijver vast, dat Duitschland alles gedaan heeft wat binnen zijn bereik lag om der uitgeputte wereld vrede te brengen.”

Helfferich in den Rijksdag, 21 April ’21: „Het Verdrag van Versailles is gegrondvest op den leugen van Duitschland’s schuld aan den oorlog.”

Dr. Riesser: „Het staat voor den geschiedschrijver vast, dat Duitschland alles gedaan heeft wat binnen zijn bereik lag om der uitgeputte wereld vrede te brengen.”

Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog.De schurken schoolden saam, en legden listig lagen,Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen;Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog.Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar,Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is,Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is;Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!”Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein!De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede!Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede,Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn.En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd,Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven,Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven.Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.

Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog.De schurken schoolden saam, en legden listig lagen,Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen;Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog.Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar,Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is,Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is;Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!”Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein!De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede!Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede,Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn.En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd,Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven,Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven.Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.

Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog.De schurken schoolden saam, en legden listig lagen,Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen;Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog.

Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog.

De schurken schoolden saam, en legden listig lagen,

Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen;

Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog.

Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar,Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is,Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is;Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!”

Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar,

Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is,

Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is;

Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!”

Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein!De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede!Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede,Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn.

Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein!

De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede!

Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede,

Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn.

En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd,Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven,Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven.Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.

En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd,

Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven,

Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven.

Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.

Iambisch-choriambische Ode aan de Pers, bedoeld als scandeer-oefening voor de Gymnasiale jeugd.

Hoog bezoek. Vergezeld van zijn oom, Prins Heinrich van Pruisen, zijn adjudant en den burgemeester van Wieringen, bracht de ex-kroonprins van Duitschland Zaterdagmiddag een bezoek aan huize Duinwijk alhier, om zich door zijn tandarts te laten behandelen. Na een verblijf van eenige uren op Duinwijk aanvaardde het gezelschap, in 2 auto’s gezeten, den terugtocht naar Wieringen. —O. H. C.

Hoog bezoek. Vergezeld van zijn oom, Prins Heinrich van Pruisen, zijn adjudant en den burgemeester van Wieringen, bracht de ex-kroonprins van Duitschland Zaterdagmiddag een bezoek aan huize Duinwijk alhier, om zich door zijn tandarts te laten behandelen. Na een verblijf van eenige uren op Duinwijk aanvaardde het gezelschap, in 2 auto’s gezeten, den terugtocht naar Wieringen. —O. H. C.

Het Plebs, en zijn slavin, de Pers,Vergapen zich aanDen Schijn.Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-versVan heden gewijdZal zijn.Ex-kroonprins, arme kerel, zeg,’k Heb medelij, man,Met jou;Daar zit je vele mijlen weg,Gescheiden van kroost,En vrouw.Je bent gevangen in een oord,Daar erregens aanDe pool,Waarvan geen mensch ooit had gehoord,Dan soms in de les,Op school.De streek is dor als een woestijn,Verlaten en kil,En kaal;Je huis is somber, grauw en klein,Naar, burgerlijk enBanaal.Met de notab’len van ’t gehucht,Een kringetje, klein,En triest,Speel j’ elken avond, met een zucht,Een robbertje bridge,Of whist.Je gaat naar Pa, maar nooit alleen;Eerst vraag j’ of het magAan Ruys;Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen,En net zoo terug,Naar huis.Je droomde j’eens een ander lot......Jou wachtte eenKeizerskroon!Je vader hield zich voor een god,En jou voor eenGodenzoon......Omringd van vleiers groeide j’op,Je zwelgd’ in hun hoofschGelal;Jij, jeugdig godje in den dop,Beheerscher — ééns! — van’t Heelal!Zoo peinzend sta je aan den dijk,Spuwt kringetjes inDe sloot;Je voelt jezelf een levend lijk,Een mummie, lang voorJe dood.Hoor! Troost je met dit zoet bedrog,Verongelukt schipOp ’t strand!Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog:De leutertaal vanDe krant.Dat ’t dan met gulden lettren staIn ’t princelijkLevensboek:„Wanneer ik naar Mijn tandarts ga,Dan heet dat nogHOOG BEZOEK.”

Het Plebs, en zijn slavin, de Pers,Vergapen zich aanDen Schijn.Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-versVan heden gewijdZal zijn.Ex-kroonprins, arme kerel, zeg,’k Heb medelij, man,Met jou;Daar zit je vele mijlen weg,Gescheiden van kroost,En vrouw.Je bent gevangen in een oord,Daar erregens aanDe pool,Waarvan geen mensch ooit had gehoord,Dan soms in de les,Op school.De streek is dor als een woestijn,Verlaten en kil,En kaal;Je huis is somber, grauw en klein,Naar, burgerlijk enBanaal.Met de notab’len van ’t gehucht,Een kringetje, klein,En triest,Speel j’ elken avond, met een zucht,Een robbertje bridge,Of whist.Je gaat naar Pa, maar nooit alleen;Eerst vraag j’ of het magAan Ruys;Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen,En net zoo terug,Naar huis.Je droomde j’eens een ander lot......Jou wachtte eenKeizerskroon!Je vader hield zich voor een god,En jou voor eenGodenzoon......Omringd van vleiers groeide j’op,Je zwelgd’ in hun hoofschGelal;Jij, jeugdig godje in den dop,Beheerscher — ééns! — van’t Heelal!Zoo peinzend sta je aan den dijk,Spuwt kringetjes inDe sloot;Je voelt jezelf een levend lijk,Een mummie, lang voorJe dood.Hoor! Troost je met dit zoet bedrog,Verongelukt schipOp ’t strand!Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog:De leutertaal vanDe krant.Dat ’t dan met gulden lettren staIn ’t princelijkLevensboek:„Wanneer ik naar Mijn tandarts ga,Dan heet dat nogHOOG BEZOEK.”

Het Plebs, en zijn slavin, de Pers,Vergapen zich aanDen Schijn.Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-versVan heden gewijdZal zijn.

Het Plebs, en zijn slavin, de Pers,

Vergapen zich aan

Den Schijn.

Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-vers

Van heden gewijd

Zal zijn.

Ex-kroonprins, arme kerel, zeg,’k Heb medelij, man,Met jou;Daar zit je vele mijlen weg,Gescheiden van kroost,En vrouw.

Ex-kroonprins, arme kerel, zeg,

’k Heb medelij, man,

Met jou;

Daar zit je vele mijlen weg,

Gescheiden van kroost,

En vrouw.

Je bent gevangen in een oord,Daar erregens aanDe pool,Waarvan geen mensch ooit had gehoord,Dan soms in de les,Op school.

Je bent gevangen in een oord,

Daar erregens aan

De pool,

Waarvan geen mensch ooit had gehoord,

Dan soms in de les,

Op school.

De streek is dor als een woestijn,Verlaten en kil,En kaal;Je huis is somber, grauw en klein,Naar, burgerlijk enBanaal.

De streek is dor als een woestijn,

Verlaten en kil,

En kaal;

Je huis is somber, grauw en klein,

Naar, burgerlijk en

Banaal.

Met de notab’len van ’t gehucht,Een kringetje, klein,En triest,Speel j’ elken avond, met een zucht,Een robbertje bridge,Of whist.

Met de notab’len van ’t gehucht,

Een kringetje, klein,

En triest,

Speel j’ elken avond, met een zucht,

Een robbertje bridge,

Of whist.

Je gaat naar Pa, maar nooit alleen;Eerst vraag j’ of het magAan Ruys;Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen,En net zoo terug,Naar huis.

Je gaat naar Pa, maar nooit alleen;

Eerst vraag j’ of het mag

Aan Ruys;

Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen,

En net zoo terug,

Naar huis.

Je droomde j’eens een ander lot......Jou wachtte eenKeizerskroon!Je vader hield zich voor een god,En jou voor eenGodenzoon......

Je droomde j’eens een ander lot......

Jou wachtte een

Keizerskroon!

Je vader hield zich voor een god,

En jou voor een

Godenzoon......

Omringd van vleiers groeide j’op,Je zwelgd’ in hun hoofschGelal;Jij, jeugdig godje in den dop,Beheerscher — ééns! — van’t Heelal!

Omringd van vleiers groeide j’op,

Je zwelgd’ in hun hoofsch

Gelal;

Jij, jeugdig godje in den dop,

Beheerscher — ééns! — van

’t Heelal!

Zoo peinzend sta je aan den dijk,Spuwt kringetjes inDe sloot;Je voelt jezelf een levend lijk,Een mummie, lang voorJe dood.

Zoo peinzend sta je aan den dijk,

Spuwt kringetjes in

De sloot;

Je voelt jezelf een levend lijk,

Een mummie, lang voor

Je dood.

Hoor! Troost je met dit zoet bedrog,Verongelukt schipOp ’t strand!Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog:De leutertaal vanDe krant.

Hoor! Troost je met dit zoet bedrog,

Verongelukt schip

Op ’t strand!

Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog:

De leutertaal van

De krant.

Dat ’t dan met gulden lettren staIn ’t princelijkLevensboek:„Wanneer ik naar Mijn tandarts ga,Dan heet dat nogHOOG BEZOEK.”

Dat ’t dan met gulden lettren sta

In ’t princelijk

Levensboek:

„Wanneer ik naar Mijn tandarts ga,

Dan heet dat nog

HOOG BEZOEK.”

Een Nachtgedachte.

Mijn zoon, als deze woorden u bereiken,Heb ik mijns levens laatste daad gedaan.Voor ’t naad’rend Noodlot heb ik willen wijken,Ik ben vrijwillig in den dood gegaan.Stil is de nacht. De menschen slapen allen.En, eenzaam in dit kille, vreemde landZit ik ter neer, verlaten en vervallen;Ik ben alleen, en schrijf met vaste hand.Ik heb, vol fantasie van vooze vinding,Mijn leven in één dwazen droom geleid,Een droom van schitring, schijnschoon en verblinding.Van prinsenpraal en heerschersheerlijkheid.Ik heb u grootgebracht in wanbegrippen,Ik leidde u als een dwaas het hollend paard.En toen ik mij de teugels liet ontglippen,Toen rende ’t ros in nog verdolder vaart.Ik heb een dwaalleer aan mijn kind verkondigd,Ik leerde u lust tot ijdlen roem en macht;Mijn zoon, wij hebben beiden zwaar gezondigd —Mijn schuldenlast was grooter dan mijn kracht.Wie peilt het bloed, gevloeid op d’ aard in stroomen?Wie telt de jonge doôn, in d’ aard gelegd?Eén woord had al dat wereldwee voorkomen,Eén woord van mij. Ik heb het niet gezegd.Wat ik de laatste stonden heb geleden,Toen het te dagen in mijn hart begon,Was meer dan in zijn felste wraakgebedenMijn vijand van den Wreker vragen kon.Zooals de schipper, ’t zinkend schip besturend,Vergeefs een haven zoekt in rots’ge kust,Geen lichtstraal speurt hij, door het duister turend...Zóó angstig zocht mijn zieke ziel naar rust.Laat dan mijn doode stemme tot u spreken,U wacht niets meer dan schande, smaad en leed.Gij kunt met eigen hand uw boeien breken,Volvoer de daad — doe wat uw vader deed.

Mijn zoon, als deze woorden u bereiken,Heb ik mijns levens laatste daad gedaan.Voor ’t naad’rend Noodlot heb ik willen wijken,Ik ben vrijwillig in den dood gegaan.Stil is de nacht. De menschen slapen allen.En, eenzaam in dit kille, vreemde landZit ik ter neer, verlaten en vervallen;Ik ben alleen, en schrijf met vaste hand.Ik heb, vol fantasie van vooze vinding,Mijn leven in één dwazen droom geleid,Een droom van schitring, schijnschoon en verblinding.Van prinsenpraal en heerschersheerlijkheid.Ik heb u grootgebracht in wanbegrippen,Ik leidde u als een dwaas het hollend paard.En toen ik mij de teugels liet ontglippen,Toen rende ’t ros in nog verdolder vaart.Ik heb een dwaalleer aan mijn kind verkondigd,Ik leerde u lust tot ijdlen roem en macht;Mijn zoon, wij hebben beiden zwaar gezondigd —Mijn schuldenlast was grooter dan mijn kracht.Wie peilt het bloed, gevloeid op d’ aard in stroomen?Wie telt de jonge doôn, in d’ aard gelegd?Eén woord had al dat wereldwee voorkomen,Eén woord van mij. Ik heb het niet gezegd.Wat ik de laatste stonden heb geleden,Toen het te dagen in mijn hart begon,Was meer dan in zijn felste wraakgebedenMijn vijand van den Wreker vragen kon.Zooals de schipper, ’t zinkend schip besturend,Vergeefs een haven zoekt in rots’ge kust,Geen lichtstraal speurt hij, door het duister turend...Zóó angstig zocht mijn zieke ziel naar rust.Laat dan mijn doode stemme tot u spreken,U wacht niets meer dan schande, smaad en leed.Gij kunt met eigen hand uw boeien breken,Volvoer de daad — doe wat uw vader deed.

Mijn zoon, als deze woorden u bereiken,Heb ik mijns levens laatste daad gedaan.Voor ’t naad’rend Noodlot heb ik willen wijken,Ik ben vrijwillig in den dood gegaan.

Mijn zoon, als deze woorden u bereiken,

Heb ik mijns levens laatste daad gedaan.

Voor ’t naad’rend Noodlot heb ik willen wijken,

Ik ben vrijwillig in den dood gegaan.

Stil is de nacht. De menschen slapen allen.En, eenzaam in dit kille, vreemde landZit ik ter neer, verlaten en vervallen;Ik ben alleen, en schrijf met vaste hand.

Stil is de nacht. De menschen slapen allen.

En, eenzaam in dit kille, vreemde land

Zit ik ter neer, verlaten en vervallen;

Ik ben alleen, en schrijf met vaste hand.

Ik heb, vol fantasie van vooze vinding,Mijn leven in één dwazen droom geleid,Een droom van schitring, schijnschoon en verblinding.Van prinsenpraal en heerschersheerlijkheid.

Ik heb, vol fantasie van vooze vinding,

Mijn leven in één dwazen droom geleid,

Een droom van schitring, schijnschoon en verblinding.

Van prinsenpraal en heerschersheerlijkheid.

Ik heb u grootgebracht in wanbegrippen,Ik leidde u als een dwaas het hollend paard.En toen ik mij de teugels liet ontglippen,Toen rende ’t ros in nog verdolder vaart.

Ik heb u grootgebracht in wanbegrippen,

Ik leidde u als een dwaas het hollend paard.

En toen ik mij de teugels liet ontglippen,

Toen rende ’t ros in nog verdolder vaart.

Ik heb een dwaalleer aan mijn kind verkondigd,Ik leerde u lust tot ijdlen roem en macht;Mijn zoon, wij hebben beiden zwaar gezondigd —Mijn schuldenlast was grooter dan mijn kracht.

Ik heb een dwaalleer aan mijn kind verkondigd,

Ik leerde u lust tot ijdlen roem en macht;

Mijn zoon, wij hebben beiden zwaar gezondigd —

Mijn schuldenlast was grooter dan mijn kracht.

Wie peilt het bloed, gevloeid op d’ aard in stroomen?Wie telt de jonge doôn, in d’ aard gelegd?Eén woord had al dat wereldwee voorkomen,Eén woord van mij. Ik heb het niet gezegd.

Wie peilt het bloed, gevloeid op d’ aard in stroomen?

Wie telt de jonge doôn, in d’ aard gelegd?

Eén woord had al dat wereldwee voorkomen,

Eén woord van mij. Ik heb het niet gezegd.

Wat ik de laatste stonden heb geleden,Toen het te dagen in mijn hart begon,Was meer dan in zijn felste wraakgebedenMijn vijand van den Wreker vragen kon.

Wat ik de laatste stonden heb geleden,

Toen het te dagen in mijn hart begon,

Was meer dan in zijn felste wraakgebeden

Mijn vijand van den Wreker vragen kon.

Zooals de schipper, ’t zinkend schip besturend,Vergeefs een haven zoekt in rots’ge kust,Geen lichtstraal speurt hij, door het duister turend...Zóó angstig zocht mijn zieke ziel naar rust.

Zooals de schipper, ’t zinkend schip besturend,

Vergeefs een haven zoekt in rots’ge kust,

Geen lichtstraal speurt hij, door het duister turend...

Zóó angstig zocht mijn zieke ziel naar rust.

Laat dan mijn doode stemme tot u spreken,U wacht niets meer dan schande, smaad en leed.Gij kunt met eigen hand uw boeien breken,Volvoer de daad — doe wat uw vader deed.

Laat dan mijn doode stemme tot u spreken,

U wacht niets meer dan schande, smaad en leed.

Gij kunt met eigen hand uw boeien breken,

Volvoer de daad — doe wat uw vader deed.


Back to IndexNext