„Dit gebouw is tot een tijdelijk tehuis voor blinden ingericht. Tal van jonge mannen, die nog voor eenige maanden blij en gezond door ’t leven gingen, nu voor altijd blind, vinden hier een onderkomen en werk. Er worden matten gevlochten, banken getimmerd, schoenen gemaakt. En vele brieven worden er gedicteerd, voor vrienden en verwanten, geschreven door vriendelijke en vertrouwde hand.”Hbl.
„Dit gebouw is tot een tijdelijk tehuis voor blinden ingericht. Tal van jonge mannen, die nog voor eenige maanden blij en gezond door ’t leven gingen, nu voor altijd blind, vinden hier een onderkomen en werk. Er worden matten gevlochten, banken getimmerd, schoenen gemaakt. En vele brieven worden er gedicteerd, voor vrienden en verwanten, geschreven door vriendelijke en vertrouwde hand.”Hbl.
Mijn lief, je moet mij niet meer wederzien;Je moet mij nu dit nieuwe leed besparen,Bedenk, ik moet mijn looden last misschienNog jaren dragen — lange, lange jaren.Ik wou zoo, dat mijn beeld nog voor je stond,Zoo als ik was — voordat het duister daalde,Toen jij mijn liefde in mijn blikken vondt,En uit mijn oogen heel mijn ziele straalde.Nu ben ik oud, al ben ik twintig jaar,Ik heb geen enkle hoop meer, en geen wenschen,Mijn handen tasten en mijn tred is zwaar,Ik ga gebukt, en bang, als oude menschen.Toen ook voor mij de blijde zonne scheen,En levenslust en kracht mij nog bezielden,Toen hebben wij elkaar eens, heel alleen,Bekend hoeveel wij van elkander hielden.Wij wandelden, als kindren, hand in hand,Langs bonte velden en beboomde wegen,En als de zonne daalde op ’t droome-land,Dan keken wij elkander aan, en zwegen.En als ’k je in je blauwe oogen zag,Heel innig, teeder naar je toe gebogen,Dan speeld’ er om je mond een englenlach,En tranen stonden in mijn jongensoogen.Het is nu uit. Mijn leven is voorbij,Het jouwe gaat beginnen. Mijn verlangenIs nog alleen maar, dat ’t blijde zij,Een leven vol van bloemen, zon en zangen!Ik heb je, wat ik voelde, àl gezeid,Toen jij je blonde kopje placht te leggenZacht op mijn schouder, in mijn zonne-tijd;Wat hebben wij elkander nog te zeggen?Mijn hart is zonder wrok. Ik voel geen haatVoor hen, die over mij dit alles brachten;Ik ben als een, die ver van ’t leven staat,Mijn ziele zwijgt, en dood zijn mijn gedachten.Ik zal geduldig wachten op het end,Maar mag ik, vóór de dood mij komt bevrijden,Nog hooren, kind, dat jij gelukkig bent,Dan zal ik blij zijn, blij zijn bij het scheiden,
Mijn lief, je moet mij niet meer wederzien;Je moet mij nu dit nieuwe leed besparen,Bedenk, ik moet mijn looden last misschienNog jaren dragen — lange, lange jaren.Ik wou zoo, dat mijn beeld nog voor je stond,Zoo als ik was — voordat het duister daalde,Toen jij mijn liefde in mijn blikken vondt,En uit mijn oogen heel mijn ziele straalde.Nu ben ik oud, al ben ik twintig jaar,Ik heb geen enkle hoop meer, en geen wenschen,Mijn handen tasten en mijn tred is zwaar,Ik ga gebukt, en bang, als oude menschen.Toen ook voor mij de blijde zonne scheen,En levenslust en kracht mij nog bezielden,Toen hebben wij elkaar eens, heel alleen,Bekend hoeveel wij van elkander hielden.Wij wandelden, als kindren, hand in hand,Langs bonte velden en beboomde wegen,En als de zonne daalde op ’t droome-land,Dan keken wij elkander aan, en zwegen.En als ’k je in je blauwe oogen zag,Heel innig, teeder naar je toe gebogen,Dan speeld’ er om je mond een englenlach,En tranen stonden in mijn jongensoogen.Het is nu uit. Mijn leven is voorbij,Het jouwe gaat beginnen. Mijn verlangenIs nog alleen maar, dat ’t blijde zij,Een leven vol van bloemen, zon en zangen!Ik heb je, wat ik voelde, àl gezeid,Toen jij je blonde kopje placht te leggenZacht op mijn schouder, in mijn zonne-tijd;Wat hebben wij elkander nog te zeggen?Mijn hart is zonder wrok. Ik voel geen haatVoor hen, die over mij dit alles brachten;Ik ben als een, die ver van ’t leven staat,Mijn ziele zwijgt, en dood zijn mijn gedachten.Ik zal geduldig wachten op het end,Maar mag ik, vóór de dood mij komt bevrijden,Nog hooren, kind, dat jij gelukkig bent,Dan zal ik blij zijn, blij zijn bij het scheiden,
Mijn lief, je moet mij niet meer wederzien;Je moet mij nu dit nieuwe leed besparen,Bedenk, ik moet mijn looden last misschienNog jaren dragen — lange, lange jaren.
Mijn lief, je moet mij niet meer wederzien;
Je moet mij nu dit nieuwe leed besparen,
Bedenk, ik moet mijn looden last misschien
Nog jaren dragen — lange, lange jaren.
Ik wou zoo, dat mijn beeld nog voor je stond,Zoo als ik was — voordat het duister daalde,Toen jij mijn liefde in mijn blikken vondt,En uit mijn oogen heel mijn ziele straalde.
Ik wou zoo, dat mijn beeld nog voor je stond,
Zoo als ik was — voordat het duister daalde,
Toen jij mijn liefde in mijn blikken vondt,
En uit mijn oogen heel mijn ziele straalde.
Nu ben ik oud, al ben ik twintig jaar,Ik heb geen enkle hoop meer, en geen wenschen,Mijn handen tasten en mijn tred is zwaar,Ik ga gebukt, en bang, als oude menschen.
Nu ben ik oud, al ben ik twintig jaar,
Ik heb geen enkle hoop meer, en geen wenschen,
Mijn handen tasten en mijn tred is zwaar,
Ik ga gebukt, en bang, als oude menschen.
Toen ook voor mij de blijde zonne scheen,En levenslust en kracht mij nog bezielden,Toen hebben wij elkaar eens, heel alleen,Bekend hoeveel wij van elkander hielden.
Toen ook voor mij de blijde zonne scheen,
En levenslust en kracht mij nog bezielden,
Toen hebben wij elkaar eens, heel alleen,
Bekend hoeveel wij van elkander hielden.
Wij wandelden, als kindren, hand in hand,Langs bonte velden en beboomde wegen,En als de zonne daalde op ’t droome-land,Dan keken wij elkander aan, en zwegen.
Wij wandelden, als kindren, hand in hand,
Langs bonte velden en beboomde wegen,
En als de zonne daalde op ’t droome-land,
Dan keken wij elkander aan, en zwegen.
En als ’k je in je blauwe oogen zag,Heel innig, teeder naar je toe gebogen,Dan speeld’ er om je mond een englenlach,En tranen stonden in mijn jongensoogen.
En als ’k je in je blauwe oogen zag,
Heel innig, teeder naar je toe gebogen,
Dan speeld’ er om je mond een englenlach,
En tranen stonden in mijn jongensoogen.
Het is nu uit. Mijn leven is voorbij,Het jouwe gaat beginnen. Mijn verlangenIs nog alleen maar, dat ’t blijde zij,Een leven vol van bloemen, zon en zangen!
Het is nu uit. Mijn leven is voorbij,
Het jouwe gaat beginnen. Mijn verlangen
Is nog alleen maar, dat ’t blijde zij,
Een leven vol van bloemen, zon en zangen!
Ik heb je, wat ik voelde, àl gezeid,Toen jij je blonde kopje placht te leggenZacht op mijn schouder, in mijn zonne-tijd;Wat hebben wij elkander nog te zeggen?
Ik heb je, wat ik voelde, àl gezeid,
Toen jij je blonde kopje placht te leggen
Zacht op mijn schouder, in mijn zonne-tijd;
Wat hebben wij elkander nog te zeggen?
Mijn hart is zonder wrok. Ik voel geen haatVoor hen, die over mij dit alles brachten;Ik ben als een, die ver van ’t leven staat,Mijn ziele zwijgt, en dood zijn mijn gedachten.
Mijn hart is zonder wrok. Ik voel geen haat
Voor hen, die over mij dit alles brachten;
Ik ben als een, die ver van ’t leven staat,
Mijn ziele zwijgt, en dood zijn mijn gedachten.
Ik zal geduldig wachten op het end,Maar mag ik, vóór de dood mij komt bevrijden,Nog hooren, kind, dat jij gelukkig bent,Dan zal ik blij zijn, blij zijn bij het scheiden,
Ik zal geduldig wachten op het end,
Maar mag ik, vóór de dood mij komt bevrijden,
Nog hooren, kind, dat jij gelukkig bent,
Dan zal ik blij zijn, blij zijn bij het scheiden,
Bello, heb je zoo geleden?Arme kerel, kom eens hier.Zoo. Zoo. Ben je nou tevreden,Mager, afgejakkerd dier?’k Heb je lekker laten wasschenVan de modder en de mest;Ja, je hield niet van dat plassen!Maar ’t was voor je eigen best.O, je baas was wel venijnig,Treurig leven was je deel;Eten kreeg je veel te weinig,Schoppen kreeg je veel te veel.Nou begint een ander leven,Zonder zorgen of verdriet;’k Zal je goed te eten geven,Schoppen, kerel, krijg je niet!Rijst, en velletjes van worstjes —Zeg, bevalt je dat menu?Aardappels en zoo, en korstjes,Goed gedrenkt in lekkere jus.’k Zal je wel eens dikwijls fuiven,— Nee, niet likken! Dat vin’ ’k vies —Op verrukkelijke kluiven;Graten niet. Die zijn voor Mies.’n Enkele keer een stukje leverDoor je droge hondebrood —En je dankt den milden geverMet een extra-zware poot.Uren zull’ we samen wandlen,Al maar keuvlen met mekaar,En van allerlei behandlen;Ik vertel. Jij luistert maar.En dan gaan we naar de duinen,Waar de zilte zeewind speelt,Jij rent naar de hoogste kruinen —Plotsling...... stokstijf! Als een beeld!Dan weer pijlsnel naar beneden,In een toomelooze vaart,Zaligheid der zaligheden!Tuimlend over kop en staart.En, als ik eens uit geweest ben,Wordt je slaapje plots gestoord;Jij, omdat j’ een hartelijk beest ben,Voeltmijn komst voordat je ’m hoort.Op......! Je luistert...... ’t lijf naar voren,Trillend in een blij gebeef......Recht gespitst je beide ooren......En je kop zoo’n beetje scheef......Kijk, je staart begint te wuiven,Flap! Daar sta je, vóór je ’t weet,Bij de deur, met lange snuiven,Zoo je snoet plat op de reet......Hoor! De huisdeur wordt ontsloten......Jij, verrukt van ’t slot-geraas,Staat te traplen op je pootenHiep, hoera!! Daar is de baas!!Zeg...... vanwaar die doffe blikken......?Strakjes keek je nog zoo goed;Bello! Beest, je laat me schrikken,Kom, kom, kom, ’n beetje moed!Nou niet als-maar pooten geven!’k Snap ’t: je zweert me eeuwig trouw;Top! Accoord!...... Hei, wacht nou even?Niet je snoet zoo in me mouw!Moet ’k je kop nou weer eens strijken?Kijk, wat wordt ie glanzend glad!’t Zou nog wel eens kunnen blijken,Dat ’k een koopje aan je had!En, ’t is niet om je te vleien,Maar je hebt een mooi gebit!En je haar is zacht en zijen,Zwart, met plekjes van sneeuw-wit.Ja, je pooten staan wat krom nou,Door dat tuig, dat zat zoo slecht......Bello! Niet zoo’n zucht! Waarom nou?Wees gerust — dat komt terecht!’t Is hier nog wel uit te houen,Wel gezellig, hè, en warm!Koest nou! Koest nou! Niet zoo douwen,Met je kop zoo onder m’ arm!Zoo. Laat ik je hier nou leggen;O, wat dankbaar kijk je m’ aan!Laat ons voortaan — wil je zeggen —Poot-in-hand door ’t leven gaan......En zoo praatt’ ik boud en blijde......Even strekt’ hij nog zijn poot......Zachtkens zonk zijn kop op zijde......’n Zucht. En toen was Bello dood.
Bello, heb je zoo geleden?Arme kerel, kom eens hier.Zoo. Zoo. Ben je nou tevreden,Mager, afgejakkerd dier?’k Heb je lekker laten wasschenVan de modder en de mest;Ja, je hield niet van dat plassen!Maar ’t was voor je eigen best.O, je baas was wel venijnig,Treurig leven was je deel;Eten kreeg je veel te weinig,Schoppen kreeg je veel te veel.Nou begint een ander leven,Zonder zorgen of verdriet;’k Zal je goed te eten geven,Schoppen, kerel, krijg je niet!Rijst, en velletjes van worstjes —Zeg, bevalt je dat menu?Aardappels en zoo, en korstjes,Goed gedrenkt in lekkere jus.’k Zal je wel eens dikwijls fuiven,— Nee, niet likken! Dat vin’ ’k vies —Op verrukkelijke kluiven;Graten niet. Die zijn voor Mies.’n Enkele keer een stukje leverDoor je droge hondebrood —En je dankt den milden geverMet een extra-zware poot.Uren zull’ we samen wandlen,Al maar keuvlen met mekaar,En van allerlei behandlen;Ik vertel. Jij luistert maar.En dan gaan we naar de duinen,Waar de zilte zeewind speelt,Jij rent naar de hoogste kruinen —Plotsling...... stokstijf! Als een beeld!Dan weer pijlsnel naar beneden,In een toomelooze vaart,Zaligheid der zaligheden!Tuimlend over kop en staart.En, als ik eens uit geweest ben,Wordt je slaapje plots gestoord;Jij, omdat j’ een hartelijk beest ben,Voeltmijn komst voordat je ’m hoort.Op......! Je luistert...... ’t lijf naar voren,Trillend in een blij gebeef......Recht gespitst je beide ooren......En je kop zoo’n beetje scheef......Kijk, je staart begint te wuiven,Flap! Daar sta je, vóór je ’t weet,Bij de deur, met lange snuiven,Zoo je snoet plat op de reet......Hoor! De huisdeur wordt ontsloten......Jij, verrukt van ’t slot-geraas,Staat te traplen op je pootenHiep, hoera!! Daar is de baas!!Zeg...... vanwaar die doffe blikken......?Strakjes keek je nog zoo goed;Bello! Beest, je laat me schrikken,Kom, kom, kom, ’n beetje moed!Nou niet als-maar pooten geven!’k Snap ’t: je zweert me eeuwig trouw;Top! Accoord!...... Hei, wacht nou even?Niet je snoet zoo in me mouw!Moet ’k je kop nou weer eens strijken?Kijk, wat wordt ie glanzend glad!’t Zou nog wel eens kunnen blijken,Dat ’k een koopje aan je had!En, ’t is niet om je te vleien,Maar je hebt een mooi gebit!En je haar is zacht en zijen,Zwart, met plekjes van sneeuw-wit.Ja, je pooten staan wat krom nou,Door dat tuig, dat zat zoo slecht......Bello! Niet zoo’n zucht! Waarom nou?Wees gerust — dat komt terecht!’t Is hier nog wel uit te houen,Wel gezellig, hè, en warm!Koest nou! Koest nou! Niet zoo douwen,Met je kop zoo onder m’ arm!Zoo. Laat ik je hier nou leggen;O, wat dankbaar kijk je m’ aan!Laat ons voortaan — wil je zeggen —Poot-in-hand door ’t leven gaan......En zoo praatt’ ik boud en blijde......Even strekt’ hij nog zijn poot......Zachtkens zonk zijn kop op zijde......’n Zucht. En toen was Bello dood.
Bello, heb je zoo geleden?Arme kerel, kom eens hier.Zoo. Zoo. Ben je nou tevreden,Mager, afgejakkerd dier?
Bello, heb je zoo geleden?
Arme kerel, kom eens hier.
Zoo. Zoo. Ben je nou tevreden,
Mager, afgejakkerd dier?
’k Heb je lekker laten wasschenVan de modder en de mest;Ja, je hield niet van dat plassen!Maar ’t was voor je eigen best.
’k Heb je lekker laten wasschen
Van de modder en de mest;
Ja, je hield niet van dat plassen!
Maar ’t was voor je eigen best.
O, je baas was wel venijnig,Treurig leven was je deel;Eten kreeg je veel te weinig,Schoppen kreeg je veel te veel.
O, je baas was wel venijnig,
Treurig leven was je deel;
Eten kreeg je veel te weinig,
Schoppen kreeg je veel te veel.
Nou begint een ander leven,Zonder zorgen of verdriet;’k Zal je goed te eten geven,Schoppen, kerel, krijg je niet!
Nou begint een ander leven,
Zonder zorgen of verdriet;
’k Zal je goed te eten geven,
Schoppen, kerel, krijg je niet!
Rijst, en velletjes van worstjes —Zeg, bevalt je dat menu?Aardappels en zoo, en korstjes,Goed gedrenkt in lekkere jus.
Rijst, en velletjes van worstjes —
Zeg, bevalt je dat menu?
Aardappels en zoo, en korstjes,
Goed gedrenkt in lekkere jus.
’k Zal je wel eens dikwijls fuiven,— Nee, niet likken! Dat vin’ ’k vies —Op verrukkelijke kluiven;Graten niet. Die zijn voor Mies.
’k Zal je wel eens dikwijls fuiven,
— Nee, niet likken! Dat vin’ ’k vies —
Op verrukkelijke kluiven;
Graten niet. Die zijn voor Mies.
’n Enkele keer een stukje leverDoor je droge hondebrood —En je dankt den milden geverMet een extra-zware poot.
’n Enkele keer een stukje lever
Door je droge hondebrood —
En je dankt den milden gever
Met een extra-zware poot.
Uren zull’ we samen wandlen,Al maar keuvlen met mekaar,En van allerlei behandlen;Ik vertel. Jij luistert maar.
Uren zull’ we samen wandlen,
Al maar keuvlen met mekaar,
En van allerlei behandlen;
Ik vertel. Jij luistert maar.
En dan gaan we naar de duinen,Waar de zilte zeewind speelt,Jij rent naar de hoogste kruinen —Plotsling...... stokstijf! Als een beeld!
En dan gaan we naar de duinen,
Waar de zilte zeewind speelt,
Jij rent naar de hoogste kruinen —
Plotsling...... stokstijf! Als een beeld!
Dan weer pijlsnel naar beneden,In een toomelooze vaart,Zaligheid der zaligheden!Tuimlend over kop en staart.
Dan weer pijlsnel naar beneden,
In een toomelooze vaart,
Zaligheid der zaligheden!
Tuimlend over kop en staart.
En, als ik eens uit geweest ben,Wordt je slaapje plots gestoord;Jij, omdat j’ een hartelijk beest ben,Voeltmijn komst voordat je ’m hoort.
En, als ik eens uit geweest ben,
Wordt je slaapje plots gestoord;
Jij, omdat j’ een hartelijk beest ben,
Voeltmijn komst voordat je ’m hoort.
Op......! Je luistert...... ’t lijf naar voren,Trillend in een blij gebeef......Recht gespitst je beide ooren......En je kop zoo’n beetje scheef......
Op......! Je luistert...... ’t lijf naar voren,
Trillend in een blij gebeef......
Recht gespitst je beide ooren......
En je kop zoo’n beetje scheef......
Kijk, je staart begint te wuiven,Flap! Daar sta je, vóór je ’t weet,Bij de deur, met lange snuiven,Zoo je snoet plat op de reet......
Kijk, je staart begint te wuiven,
Flap! Daar sta je, vóór je ’t weet,
Bij de deur, met lange snuiven,
Zoo je snoet plat op de reet......
Hoor! De huisdeur wordt ontsloten......Jij, verrukt van ’t slot-geraas,Staat te traplen op je pootenHiep, hoera!! Daar is de baas!!
Hoor! De huisdeur wordt ontsloten......
Jij, verrukt van ’t slot-geraas,
Staat te traplen op je pooten
Hiep, hoera!! Daar is de baas!!
Zeg...... vanwaar die doffe blikken......?Strakjes keek je nog zoo goed;Bello! Beest, je laat me schrikken,Kom, kom, kom, ’n beetje moed!
Zeg...... vanwaar die doffe blikken......?
Strakjes keek je nog zoo goed;
Bello! Beest, je laat me schrikken,
Kom, kom, kom, ’n beetje moed!
Nou niet als-maar pooten geven!’k Snap ’t: je zweert me eeuwig trouw;Top! Accoord!...... Hei, wacht nou even?Niet je snoet zoo in me mouw!
Nou niet als-maar pooten geven!
’k Snap ’t: je zweert me eeuwig trouw;
Top! Accoord!...... Hei, wacht nou even?
Niet je snoet zoo in me mouw!
Moet ’k je kop nou weer eens strijken?Kijk, wat wordt ie glanzend glad!’t Zou nog wel eens kunnen blijken,Dat ’k een koopje aan je had!
Moet ’k je kop nou weer eens strijken?
Kijk, wat wordt ie glanzend glad!
’t Zou nog wel eens kunnen blijken,
Dat ’k een koopje aan je had!
En, ’t is niet om je te vleien,Maar je hebt een mooi gebit!En je haar is zacht en zijen,Zwart, met plekjes van sneeuw-wit.
En, ’t is niet om je te vleien,
Maar je hebt een mooi gebit!
En je haar is zacht en zijen,
Zwart, met plekjes van sneeuw-wit.
Ja, je pooten staan wat krom nou,Door dat tuig, dat zat zoo slecht......Bello! Niet zoo’n zucht! Waarom nou?Wees gerust — dat komt terecht!
Ja, je pooten staan wat krom nou,
Door dat tuig, dat zat zoo slecht......
Bello! Niet zoo’n zucht! Waarom nou?
Wees gerust — dat komt terecht!
’t Is hier nog wel uit te houen,Wel gezellig, hè, en warm!Koest nou! Koest nou! Niet zoo douwen,Met je kop zoo onder m’ arm!
’t Is hier nog wel uit te houen,
Wel gezellig, hè, en warm!
Koest nou! Koest nou! Niet zoo douwen,
Met je kop zoo onder m’ arm!
Zoo. Laat ik je hier nou leggen;O, wat dankbaar kijk je m’ aan!Laat ons voortaan — wil je zeggen —Poot-in-hand door ’t leven gaan......
Zoo. Laat ik je hier nou leggen;
O, wat dankbaar kijk je m’ aan!
Laat ons voortaan — wil je zeggen —
Poot-in-hand door ’t leven gaan......
En zoo praatt’ ik boud en blijde......Even strekt’ hij nog zijn poot......Zachtkens zonk zijn kop op zijde......’n Zucht. En toen was Bello dood.
En zoo praatt’ ik boud en blijde......
Even strekt’ hij nog zijn poot......
Zachtkens zonk zijn kop op zijde......
’n Zucht. En toen was Bello dood.
Op Snap, mijn herdershond, overreden.
Op Snap, mijn herdershond, overreden.
Snap, mijn goeie ouwe jongen,Toen je lag daar, op de grond,Met je leden scheef-verwrongen,Snap, mijn mooie trouwe hond,Toen ik bleek, bewogen beefde,Zwevend tusschen hoop en vrees,Of mijn vriendje soms nog leefde,Toen je brekend oog bewees,Dat je niet meer bij zou komen,Dat je mij verlaten had —Snap, toen heb ik dwaas staan droomen,Midden in de drukke stad......Eindelijk heb ik j’ opgenome’,Half nog suffend nam ik j’ op,En je ooren hingen loome,Op mijn schouder lag je kop,Om mijn hals je koude pooten,Als een kind bij moeder ligt;’k Heb je oogen maar gesloten,Want dat was zoo’n naar gezicht —’t Was om ’t volk wat te vermijdenDat ’k een taxi roepen liet,’k Zei: „Chauffeur, wat zachtjes rijden!”Waarom weet ik eig’lijk niet.’k Heb mijn kamer afgesloten.’k Legde j’ op je schapenvacht,Met je snoet zoo in je pooten,Als je wel te slapen placht.’t Was zoo rustig; ver van ’t leven,Ver van ’t drukke stadsgewoel;Daarom ben ik toen maar evenStil gaan zitten in mijn stoel......’k Heb je peinzend vergelekenMet de menschen, goed en rein,Die Gods wetten nooit verbreken,Zedelijk en geloovig zijn;Altijd vol van s’ naasten zonden,Zelden vol van s’ naasten leed,Koude harten, hoofsche monden,Nette menschen, braaf en wreed,Die precies de vormen weten,Naar elkaars „At home”-pjes gaan,Geen verjaardag ooit vergeten,Geen receptie overslaan.Jij wist niets van „Reine zeden”,Huwlijkstrouw? — Dat vond je zot!Jij hebt nooit Het Woord beleden,Jij geloofde in geen God.Maar jouw heele honden-levenHeb je, Snap, mij elken dag,Al de hartelijkheid gegeven,Die in jouw karakter lag.Jij was nooit één dag humeurig,Zooals wij zijn — eens per week! —En wanneer ik soms wat treurigIn mijn smeulend haardvuur keek,In één van die malle vlagen,Vlagen van melancholie,Dan kwam jij mij zwijgend vragen,Met je kop — zoo op mijn knie,Of ’t mij dan geen troost kon schenken,— ’k Zag ’t in j’ oogen, klaar als glas —Als ik even wou bedenken,Dat jij, Snap, er óók nog was?......Och, jij zult er niets van weten,Zedeloos, goddeloos, vriendelijk beest,Maar ik zal je nooit vergeten,Want je bent mijn vriend geweest. —En als men m’ een plaats mocht geven,Na mijn dood, in ’t Hemelsch Oord,Wegens mijn fatsoenlijk levenNaar de reg’len van Het Woord,En men hield jou, Snap, er buiten,Snap, zoo goddeloos...... maar zóó trouw!Dan liep ik den Hemel uit, enKwam ik in de Hel, bij jou!
Snap, mijn goeie ouwe jongen,Toen je lag daar, op de grond,Met je leden scheef-verwrongen,Snap, mijn mooie trouwe hond,Toen ik bleek, bewogen beefde,Zwevend tusschen hoop en vrees,Of mijn vriendje soms nog leefde,Toen je brekend oog bewees,Dat je niet meer bij zou komen,Dat je mij verlaten had —Snap, toen heb ik dwaas staan droomen,Midden in de drukke stad......Eindelijk heb ik j’ opgenome’,Half nog suffend nam ik j’ op,En je ooren hingen loome,Op mijn schouder lag je kop,Om mijn hals je koude pooten,Als een kind bij moeder ligt;’k Heb je oogen maar gesloten,Want dat was zoo’n naar gezicht —’t Was om ’t volk wat te vermijdenDat ’k een taxi roepen liet,’k Zei: „Chauffeur, wat zachtjes rijden!”Waarom weet ik eig’lijk niet.’k Heb mijn kamer afgesloten.’k Legde j’ op je schapenvacht,Met je snoet zoo in je pooten,Als je wel te slapen placht.’t Was zoo rustig; ver van ’t leven,Ver van ’t drukke stadsgewoel;Daarom ben ik toen maar evenStil gaan zitten in mijn stoel......’k Heb je peinzend vergelekenMet de menschen, goed en rein,Die Gods wetten nooit verbreken,Zedelijk en geloovig zijn;Altijd vol van s’ naasten zonden,Zelden vol van s’ naasten leed,Koude harten, hoofsche monden,Nette menschen, braaf en wreed,Die precies de vormen weten,Naar elkaars „At home”-pjes gaan,Geen verjaardag ooit vergeten,Geen receptie overslaan.Jij wist niets van „Reine zeden”,Huwlijkstrouw? — Dat vond je zot!Jij hebt nooit Het Woord beleden,Jij geloofde in geen God.Maar jouw heele honden-levenHeb je, Snap, mij elken dag,Al de hartelijkheid gegeven,Die in jouw karakter lag.Jij was nooit één dag humeurig,Zooals wij zijn — eens per week! —En wanneer ik soms wat treurigIn mijn smeulend haardvuur keek,In één van die malle vlagen,Vlagen van melancholie,Dan kwam jij mij zwijgend vragen,Met je kop — zoo op mijn knie,Of ’t mij dan geen troost kon schenken,— ’k Zag ’t in j’ oogen, klaar als glas —Als ik even wou bedenken,Dat jij, Snap, er óók nog was?......Och, jij zult er niets van weten,Zedeloos, goddeloos, vriendelijk beest,Maar ik zal je nooit vergeten,Want je bent mijn vriend geweest. —En als men m’ een plaats mocht geven,Na mijn dood, in ’t Hemelsch Oord,Wegens mijn fatsoenlijk levenNaar de reg’len van Het Woord,En men hield jou, Snap, er buiten,Snap, zoo goddeloos...... maar zóó trouw!Dan liep ik den Hemel uit, enKwam ik in de Hel, bij jou!
Snap, mijn goeie ouwe jongen,Toen je lag daar, op de grond,Met je leden scheef-verwrongen,Snap, mijn mooie trouwe hond,Toen ik bleek, bewogen beefde,Zwevend tusschen hoop en vrees,Of mijn vriendje soms nog leefde,Toen je brekend oog bewees,Dat je niet meer bij zou komen,Dat je mij verlaten had —Snap, toen heb ik dwaas staan droomen,Midden in de drukke stad......Eindelijk heb ik j’ opgenome’,Half nog suffend nam ik j’ op,En je ooren hingen loome,Op mijn schouder lag je kop,Om mijn hals je koude pooten,Als een kind bij moeder ligt;’k Heb je oogen maar gesloten,Want dat was zoo’n naar gezicht —’t Was om ’t volk wat te vermijdenDat ’k een taxi roepen liet,’k Zei: „Chauffeur, wat zachtjes rijden!”Waarom weet ik eig’lijk niet.’k Heb mijn kamer afgesloten.’k Legde j’ op je schapenvacht,Met je snoet zoo in je pooten,Als je wel te slapen placht.’t Was zoo rustig; ver van ’t leven,Ver van ’t drukke stadsgewoel;Daarom ben ik toen maar evenStil gaan zitten in mijn stoel......’k Heb je peinzend vergelekenMet de menschen, goed en rein,Die Gods wetten nooit verbreken,Zedelijk en geloovig zijn;Altijd vol van s’ naasten zonden,Zelden vol van s’ naasten leed,Koude harten, hoofsche monden,Nette menschen, braaf en wreed,Die precies de vormen weten,Naar elkaars „At home”-pjes gaan,Geen verjaardag ooit vergeten,Geen receptie overslaan.Jij wist niets van „Reine zeden”,Huwlijkstrouw? — Dat vond je zot!Jij hebt nooit Het Woord beleden,Jij geloofde in geen God.Maar jouw heele honden-levenHeb je, Snap, mij elken dag,Al de hartelijkheid gegeven,Die in jouw karakter lag.Jij was nooit één dag humeurig,Zooals wij zijn — eens per week! —En wanneer ik soms wat treurigIn mijn smeulend haardvuur keek,In één van die malle vlagen,Vlagen van melancholie,Dan kwam jij mij zwijgend vragen,Met je kop — zoo op mijn knie,Of ’t mij dan geen troost kon schenken,— ’k Zag ’t in j’ oogen, klaar als glas —Als ik even wou bedenken,Dat jij, Snap, er óók nog was?......Och, jij zult er niets van weten,Zedeloos, goddeloos, vriendelijk beest,Maar ik zal je nooit vergeten,Want je bent mijn vriend geweest. —En als men m’ een plaats mocht geven,Na mijn dood, in ’t Hemelsch Oord,Wegens mijn fatsoenlijk levenNaar de reg’len van Het Woord,En men hield jou, Snap, er buiten,Snap, zoo goddeloos...... maar zóó trouw!Dan liep ik den Hemel uit, enKwam ik in de Hel, bij jou!
Snap, mijn goeie ouwe jongen,
Toen je lag daar, op de grond,
Met je leden scheef-verwrongen,
Snap, mijn mooie trouwe hond,
Toen ik bleek, bewogen beefde,
Zwevend tusschen hoop en vrees,
Of mijn vriendje soms nog leefde,
Toen je brekend oog bewees,
Dat je niet meer bij zou komen,
Dat je mij verlaten had —
Snap, toen heb ik dwaas staan droomen,
Midden in de drukke stad......
Eindelijk heb ik j’ opgenome’,
Half nog suffend nam ik j’ op,
En je ooren hingen loome,
Op mijn schouder lag je kop,
Om mijn hals je koude pooten,
Als een kind bij moeder ligt;
’k Heb je oogen maar gesloten,
Want dat was zoo’n naar gezicht —
’t Was om ’t volk wat te vermijden
Dat ’k een taxi roepen liet,
’k Zei: „Chauffeur, wat zachtjes rijden!”
Waarom weet ik eig’lijk niet.
’k Heb mijn kamer afgesloten.
’k Legde j’ op je schapenvacht,
Met je snoet zoo in je pooten,
Als je wel te slapen placht.
’t Was zoo rustig; ver van ’t leven,
Ver van ’t drukke stadsgewoel;
Daarom ben ik toen maar even
Stil gaan zitten in mijn stoel......
’k Heb je peinzend vergeleken
Met de menschen, goed en rein,
Die Gods wetten nooit verbreken,
Zedelijk en geloovig zijn;
Altijd vol van s’ naasten zonden,
Zelden vol van s’ naasten leed,
Koude harten, hoofsche monden,
Nette menschen, braaf en wreed,
Die precies de vormen weten,
Naar elkaars „At home”-pjes gaan,
Geen verjaardag ooit vergeten,
Geen receptie overslaan.
Jij wist niets van „Reine zeden”,
Huwlijkstrouw? — Dat vond je zot!
Jij hebt nooit Het Woord beleden,
Jij geloofde in geen God.
Maar jouw heele honden-leven
Heb je, Snap, mij elken dag,
Al de hartelijkheid gegeven,
Die in jouw karakter lag.
Jij was nooit één dag humeurig,
Zooals wij zijn — eens per week! —
En wanneer ik soms wat treurig
In mijn smeulend haardvuur keek,
In één van die malle vlagen,
Vlagen van melancholie,
Dan kwam jij mij zwijgend vragen,
Met je kop — zoo op mijn knie,
Of ’t mij dan geen troost kon schenken,
— ’k Zag ’t in j’ oogen, klaar als glas —
Als ik even wou bedenken,
Dat jij, Snap, er óók nog was?......
Och, jij zult er niets van weten,
Zedeloos, goddeloos, vriendelijk beest,
Maar ik zal je nooit vergeten,
Want je bent mijn vriend geweest. —
En als men m’ een plaats mocht geven,
Na mijn dood, in ’t Hemelsch Oord,
Wegens mijn fatsoenlijk leven
Naar de reg’len van Het Woord,
En men hield jou, Snap, er buiten,
Snap, zoo goddeloos...... maar zóó trouw!
Dan liep ik den Hemel uit, en
Kwam ik in de Hel, bij jou!
„Het is verboden een wapen bij zich te hebben...”Wapenwet.
„Het is verboden een wapen bij zich te hebben...”Wapenwet.
„Het is verboden een wapen bij zich te hebben...”
Wapenwet.
Zeg, heb j’ er wel eens even over nagedacht,Dat woorden, lachjes, blikken, kunnen wonden — dooden?Geen wet heeft ’t dragen van dat wapentuig verboden,En ’t heeft toch al zoo heel veel wonden toegebracht,Want ’t wreede woord is van je lippen, vóór je ’t weet:Toe, jongens, weest niet wreed!Je makkers noemen je zoo gauw een ruize-kei.Geen kunst, ze te vermaken met je grove grappen,Als ’t je niet deert den stumper op het hart te trappen;Zie, ieder juicht je toe, en lacht — behalvehij!Kijk naar zijn droeven blik, en zie wat je misdeed —Toe, jongens, weest niet wreed!Jij, vluggert, die zoo makkelijk je lessen leert,Bedwing je, smoor dien harden hoonlach, jonge spotter,Als daar een zwakke broeder, in beangst gestotter,Blijft steken in zijn les, zoo moeizaam bestudeerd,Waarop hij heeft gezwoegd, met tranen en met zweet —Toe, jongens, weest niet wreed!Jouw pak —Papabetaalde ’t! — is volmaakt van snit.Maar moet je nu je buurman, d’ armen drommel, plagen,Omdat ie d’ oude plunje van zijn broer moet dragen?Doe net of je niet ziet, dat ’t ding hem leelijk zit;Hij ging heusch graag precies zoo fijn als jij gekleed!Toe, jongens, weest niet wreed!Bespot hem niet, „die neus,” „die kromme,” of „die bult,”Dankt God, dat gij zoo welgemaakt zijt, slanke knapen;Weest er niet trotsch op! G’ hebt u zelf niet zoo geschapen!Dat hij niet mooier is, is niet zijn eigen schuld.Kom, maakt, dat hij het eens een oogenblik vergeet!Toe, jongens, weest niet wreed!„Die katjang!” — O, ik weet, je meent het niet zoo kwaad,Maar stel je nu eens voor, datjijzoo was geboren,Zou jij daar dan graag elken,elkendag van hooren?Denk hier eens aan, en — wedden, dat je ’t voortaan laat?Er zijn toch leuke jongensnamen bij de vleet!Toe, jongens, weest niet wreed!„Die rooie” gaf wel graag een stukje van zijn pink,Om zijn pruik voor jouw blonden krullebol te ruilen,En eenzaam ligt hij ’s nachts misschien in bed te huilen;Hij hield zich overdag zoo kranig en zoo flink,Maar als hij ’s heel alleen is met zijn stille leed......Toe, jongens, weest niet wreed!Je bent nog jong. De zonne schijnt, de lente lacht,Je speelt een vroolijk spel in tien of twaalf bedrijven;Kom, laat dat stuk voor allemaal eenblijspelblijven!Wie weet wat jou, of d’ andren, in de wereld wacht?Daar ’s meen’ge droeve rol in ’t Spel, dat ’t Leven heet......Toe, jongens, weest niet wreed!
Zeg, heb j’ er wel eens even over nagedacht,Dat woorden, lachjes, blikken, kunnen wonden — dooden?Geen wet heeft ’t dragen van dat wapentuig verboden,En ’t heeft toch al zoo heel veel wonden toegebracht,Want ’t wreede woord is van je lippen, vóór je ’t weet:Toe, jongens, weest niet wreed!Je makkers noemen je zoo gauw een ruize-kei.Geen kunst, ze te vermaken met je grove grappen,Als ’t je niet deert den stumper op het hart te trappen;Zie, ieder juicht je toe, en lacht — behalvehij!Kijk naar zijn droeven blik, en zie wat je misdeed —Toe, jongens, weest niet wreed!Jij, vluggert, die zoo makkelijk je lessen leert,Bedwing je, smoor dien harden hoonlach, jonge spotter,Als daar een zwakke broeder, in beangst gestotter,Blijft steken in zijn les, zoo moeizaam bestudeerd,Waarop hij heeft gezwoegd, met tranen en met zweet —Toe, jongens, weest niet wreed!Jouw pak —Papabetaalde ’t! — is volmaakt van snit.Maar moet je nu je buurman, d’ armen drommel, plagen,Omdat ie d’ oude plunje van zijn broer moet dragen?Doe net of je niet ziet, dat ’t ding hem leelijk zit;Hij ging heusch graag precies zoo fijn als jij gekleed!Toe, jongens, weest niet wreed!Bespot hem niet, „die neus,” „die kromme,” of „die bult,”Dankt God, dat gij zoo welgemaakt zijt, slanke knapen;Weest er niet trotsch op! G’ hebt u zelf niet zoo geschapen!Dat hij niet mooier is, is niet zijn eigen schuld.Kom, maakt, dat hij het eens een oogenblik vergeet!Toe, jongens, weest niet wreed!„Die katjang!” — O, ik weet, je meent het niet zoo kwaad,Maar stel je nu eens voor, datjijzoo was geboren,Zou jij daar dan graag elken,elkendag van hooren?Denk hier eens aan, en — wedden, dat je ’t voortaan laat?Er zijn toch leuke jongensnamen bij de vleet!Toe, jongens, weest niet wreed!„Die rooie” gaf wel graag een stukje van zijn pink,Om zijn pruik voor jouw blonden krullebol te ruilen,En eenzaam ligt hij ’s nachts misschien in bed te huilen;Hij hield zich overdag zoo kranig en zoo flink,Maar als hij ’s heel alleen is met zijn stille leed......Toe, jongens, weest niet wreed!Je bent nog jong. De zonne schijnt, de lente lacht,Je speelt een vroolijk spel in tien of twaalf bedrijven;Kom, laat dat stuk voor allemaal eenblijspelblijven!Wie weet wat jou, of d’ andren, in de wereld wacht?Daar ’s meen’ge droeve rol in ’t Spel, dat ’t Leven heet......Toe, jongens, weest niet wreed!
Zeg, heb j’ er wel eens even over nagedacht,Dat woorden, lachjes, blikken, kunnen wonden — dooden?Geen wet heeft ’t dragen van dat wapentuig verboden,En ’t heeft toch al zoo heel veel wonden toegebracht,Want ’t wreede woord is van je lippen, vóór je ’t weet:Toe, jongens, weest niet wreed!
Zeg, heb j’ er wel eens even over nagedacht,
Dat woorden, lachjes, blikken, kunnen wonden — dooden?
Geen wet heeft ’t dragen van dat wapentuig verboden,
En ’t heeft toch al zoo heel veel wonden toegebracht,
Want ’t wreede woord is van je lippen, vóór je ’t weet:
Toe, jongens, weest niet wreed!
Je makkers noemen je zoo gauw een ruize-kei.Geen kunst, ze te vermaken met je grove grappen,Als ’t je niet deert den stumper op het hart te trappen;Zie, ieder juicht je toe, en lacht — behalvehij!Kijk naar zijn droeven blik, en zie wat je misdeed —Toe, jongens, weest niet wreed!
Je makkers noemen je zoo gauw een ruize-kei.
Geen kunst, ze te vermaken met je grove grappen,
Als ’t je niet deert den stumper op het hart te trappen;
Zie, ieder juicht je toe, en lacht — behalvehij!
Kijk naar zijn droeven blik, en zie wat je misdeed —
Toe, jongens, weest niet wreed!
Jij, vluggert, die zoo makkelijk je lessen leert,Bedwing je, smoor dien harden hoonlach, jonge spotter,Als daar een zwakke broeder, in beangst gestotter,Blijft steken in zijn les, zoo moeizaam bestudeerd,Waarop hij heeft gezwoegd, met tranen en met zweet —Toe, jongens, weest niet wreed!
Jij, vluggert, die zoo makkelijk je lessen leert,
Bedwing je, smoor dien harden hoonlach, jonge spotter,
Als daar een zwakke broeder, in beangst gestotter,
Blijft steken in zijn les, zoo moeizaam bestudeerd,
Waarop hij heeft gezwoegd, met tranen en met zweet —
Toe, jongens, weest niet wreed!
Jouw pak —Papabetaalde ’t! — is volmaakt van snit.Maar moet je nu je buurman, d’ armen drommel, plagen,Omdat ie d’ oude plunje van zijn broer moet dragen?Doe net of je niet ziet, dat ’t ding hem leelijk zit;Hij ging heusch graag precies zoo fijn als jij gekleed!Toe, jongens, weest niet wreed!
Jouw pak —Papabetaalde ’t! — is volmaakt van snit.
Maar moet je nu je buurman, d’ armen drommel, plagen,
Omdat ie d’ oude plunje van zijn broer moet dragen?
Doe net of je niet ziet, dat ’t ding hem leelijk zit;
Hij ging heusch graag precies zoo fijn als jij gekleed!
Toe, jongens, weest niet wreed!
Bespot hem niet, „die neus,” „die kromme,” of „die bult,”Dankt God, dat gij zoo welgemaakt zijt, slanke knapen;Weest er niet trotsch op! G’ hebt u zelf niet zoo geschapen!Dat hij niet mooier is, is niet zijn eigen schuld.Kom, maakt, dat hij het eens een oogenblik vergeet!Toe, jongens, weest niet wreed!
Bespot hem niet, „die neus,” „die kromme,” of „die bult,”
Dankt God, dat gij zoo welgemaakt zijt, slanke knapen;
Weest er niet trotsch op! G’ hebt u zelf niet zoo geschapen!
Dat hij niet mooier is, is niet zijn eigen schuld.
Kom, maakt, dat hij het eens een oogenblik vergeet!
Toe, jongens, weest niet wreed!
„Die katjang!” — O, ik weet, je meent het niet zoo kwaad,Maar stel je nu eens voor, datjijzoo was geboren,Zou jij daar dan graag elken,elkendag van hooren?Denk hier eens aan, en — wedden, dat je ’t voortaan laat?Er zijn toch leuke jongensnamen bij de vleet!Toe, jongens, weest niet wreed!
„Die katjang!” — O, ik weet, je meent het niet zoo kwaad,
Maar stel je nu eens voor, datjijzoo was geboren,
Zou jij daar dan graag elken,elkendag van hooren?
Denk hier eens aan, en — wedden, dat je ’t voortaan laat?
Er zijn toch leuke jongensnamen bij de vleet!
Toe, jongens, weest niet wreed!
„Die rooie” gaf wel graag een stukje van zijn pink,Om zijn pruik voor jouw blonden krullebol te ruilen,En eenzaam ligt hij ’s nachts misschien in bed te huilen;Hij hield zich overdag zoo kranig en zoo flink,Maar als hij ’s heel alleen is met zijn stille leed......Toe, jongens, weest niet wreed!
„Die rooie” gaf wel graag een stukje van zijn pink,
Om zijn pruik voor jouw blonden krullebol te ruilen,
En eenzaam ligt hij ’s nachts misschien in bed te huilen;
Hij hield zich overdag zoo kranig en zoo flink,
Maar als hij ’s heel alleen is met zijn stille leed......
Toe, jongens, weest niet wreed!
Je bent nog jong. De zonne schijnt, de lente lacht,Je speelt een vroolijk spel in tien of twaalf bedrijven;Kom, laat dat stuk voor allemaal eenblijspelblijven!Wie weet wat jou, of d’ andren, in de wereld wacht?Daar ’s meen’ge droeve rol in ’t Spel, dat ’t Leven heet......Toe, jongens, weest niet wreed!
Je bent nog jong. De zonne schijnt, de lente lacht,
Je speelt een vroolijk spel in tien of twaalf bedrijven;
Kom, laat dat stuk voor allemaal eenblijspelblijven!
Wie weet wat jou, of d’ andren, in de wereld wacht?
Daar ’s meen’ge droeve rol in ’t Spel, dat ’t Leven heet......
Toe, jongens, weest niet wreed!
Als ’s nachts de wind de boomen zwiept,Dat al de takken kraken,Den schoorsteen schokt, en snerpt en piept,En stormloopt langs de daken;Wanneer ’t daarbuiten briescht en gilt,En schrille stemmen gieren,De lucht-demonen dol en wildHun woeste dansen zwieren —Dan lig ik in mijn sponde loom,En dankbaar voor het duister,Want door mijn wake doolt de droom......Zoo lig ik lang, en luister.Daar hoor ik plots een zachten tik,Ik heb niet hooren loopen,Ik mompel: binnen! zonder schrik;De deur gaat zachtkens open.En zie, daar in het duister staat,In gracelijke deining,Gehuld in transparant gewaad,Een lichte geestverschijning.Het is de geest der mijmerij,Een soort van elfenkoning;Ik wenk hem: kom wat naderbij,Wees welkom in mijn woning!Hij zet zich op mijn sponde neer,En vat mijn hand gezellig;Zijn blik is vriendelijk en teer,Maar toch wel vast en stellig.Hij spreekt mij toe, zijn stem is zacht,En klinkt gedempt in d’ ooren,Maar met een innerlijke kracht —Heel prettig om te hooren.’k Verbaas me dat ’k me niet verbaas,En alles zoo gewoon vind,En met dien gast in nevelwaasDirect den juisten toon vind.Ik laat het meest het woord aan hem,En luister maar geduldig,Als hij vertelt, met zachte stem,Verhalen menigvuldig.Hij spreekt ontroerend mooi met mij,Van lang vervlogen dingen,En toovert mij de bontste rijVan schoone erinneringen.Hij blijkt veel beter nog dan ikVan al mijn doen te weten,Van menig heerlijk oogenblik,Dat ’k heelemaal was vergeten.Hij spreekt mij van wat valsch, wat echt,Wat bitter, en wat zoet was;’k Heb nooit geweten, dat ’k zóó slecht —En ook niet, dat ’k zoo goed was.Soms vangt een droeve sproke aan,Heel zachtjes toegefluisterd,Totdat op eens een enkle traanMijn starend oog verduistert.Dan is ’t weer of zijn woord mij lichtIn zoete droome wiegelt,Terwijl mijn lach zich op ’t gezichtVan mijn gezel weerspiegelt.Zoo blijven wij, wijl d’ ure vliedt,Intieme dingen fluistren;Het noodweer buiten hoor ik niet:’k Lig naar mijn vriend te luistren.Dan — als hij ziet, dat nieuwe lust,En nieuwe moed in ’t levenMij weer bezielt, dat hij mij rustEn vrede heeft hergeven,Dan zegt hij zacht vaarwel, en gaatZooals hij was gekomen;En ik, wat moe van al ’t gepraat,Verzink in diepe droomen......O, eenling, die de stilte vreest,Gedoog, dat ik u rade;Spreek dikwijls met dien goeden GeestIn wolken-witte wade.Gij moet dien Gids, en Godsgezant,Uw zielsvertrouwen schenken,Hij voert u door een wonderland,Langs wegen van ’t Herdenken.Alleen-zijn is geen eenzaamheid,Verdwaasden, die ’t verwenschen!Weet, dat gij enkel eenzaam zijt,Te midden van de menschen.
Als ’s nachts de wind de boomen zwiept,Dat al de takken kraken,Den schoorsteen schokt, en snerpt en piept,En stormloopt langs de daken;Wanneer ’t daarbuiten briescht en gilt,En schrille stemmen gieren,De lucht-demonen dol en wildHun woeste dansen zwieren —Dan lig ik in mijn sponde loom,En dankbaar voor het duister,Want door mijn wake doolt de droom......Zoo lig ik lang, en luister.Daar hoor ik plots een zachten tik,Ik heb niet hooren loopen,Ik mompel: binnen! zonder schrik;De deur gaat zachtkens open.En zie, daar in het duister staat,In gracelijke deining,Gehuld in transparant gewaad,Een lichte geestverschijning.Het is de geest der mijmerij,Een soort van elfenkoning;Ik wenk hem: kom wat naderbij,Wees welkom in mijn woning!Hij zet zich op mijn sponde neer,En vat mijn hand gezellig;Zijn blik is vriendelijk en teer,Maar toch wel vast en stellig.Hij spreekt mij toe, zijn stem is zacht,En klinkt gedempt in d’ ooren,Maar met een innerlijke kracht —Heel prettig om te hooren.’k Verbaas me dat ’k me niet verbaas,En alles zoo gewoon vind,En met dien gast in nevelwaasDirect den juisten toon vind.Ik laat het meest het woord aan hem,En luister maar geduldig,Als hij vertelt, met zachte stem,Verhalen menigvuldig.Hij spreekt ontroerend mooi met mij,Van lang vervlogen dingen,En toovert mij de bontste rijVan schoone erinneringen.Hij blijkt veel beter nog dan ikVan al mijn doen te weten,Van menig heerlijk oogenblik,Dat ’k heelemaal was vergeten.Hij spreekt mij van wat valsch, wat echt,Wat bitter, en wat zoet was;’k Heb nooit geweten, dat ’k zóó slecht —En ook niet, dat ’k zoo goed was.Soms vangt een droeve sproke aan,Heel zachtjes toegefluisterd,Totdat op eens een enkle traanMijn starend oog verduistert.Dan is ’t weer of zijn woord mij lichtIn zoete droome wiegelt,Terwijl mijn lach zich op ’t gezichtVan mijn gezel weerspiegelt.Zoo blijven wij, wijl d’ ure vliedt,Intieme dingen fluistren;Het noodweer buiten hoor ik niet:’k Lig naar mijn vriend te luistren.Dan — als hij ziet, dat nieuwe lust,En nieuwe moed in ’t levenMij weer bezielt, dat hij mij rustEn vrede heeft hergeven,Dan zegt hij zacht vaarwel, en gaatZooals hij was gekomen;En ik, wat moe van al ’t gepraat,Verzink in diepe droomen......O, eenling, die de stilte vreest,Gedoog, dat ik u rade;Spreek dikwijls met dien goeden GeestIn wolken-witte wade.Gij moet dien Gids, en Godsgezant,Uw zielsvertrouwen schenken,Hij voert u door een wonderland,Langs wegen van ’t Herdenken.Alleen-zijn is geen eenzaamheid,Verdwaasden, die ’t verwenschen!Weet, dat gij enkel eenzaam zijt,Te midden van de menschen.
Als ’s nachts de wind de boomen zwiept,Dat al de takken kraken,Den schoorsteen schokt, en snerpt en piept,En stormloopt langs de daken;Wanneer ’t daarbuiten briescht en gilt,En schrille stemmen gieren,De lucht-demonen dol en wildHun woeste dansen zwieren —Dan lig ik in mijn sponde loom,En dankbaar voor het duister,Want door mijn wake doolt de droom......Zoo lig ik lang, en luister.
Als ’s nachts de wind de boomen zwiept,
Dat al de takken kraken,
Den schoorsteen schokt, en snerpt en piept,
En stormloopt langs de daken;
Wanneer ’t daarbuiten briescht en gilt,
En schrille stemmen gieren,
De lucht-demonen dol en wild
Hun woeste dansen zwieren —
Dan lig ik in mijn sponde loom,
En dankbaar voor het duister,
Want door mijn wake doolt de droom......
Zoo lig ik lang, en luister.
Daar hoor ik plots een zachten tik,Ik heb niet hooren loopen,Ik mompel: binnen! zonder schrik;De deur gaat zachtkens open.En zie, daar in het duister staat,In gracelijke deining,Gehuld in transparant gewaad,Een lichte geestverschijning.Het is de geest der mijmerij,Een soort van elfenkoning;Ik wenk hem: kom wat naderbij,Wees welkom in mijn woning!
Daar hoor ik plots een zachten tik,
Ik heb niet hooren loopen,
Ik mompel: binnen! zonder schrik;
De deur gaat zachtkens open.
En zie, daar in het duister staat,
In gracelijke deining,
Gehuld in transparant gewaad,
Een lichte geestverschijning.
Het is de geest der mijmerij,
Een soort van elfenkoning;
Ik wenk hem: kom wat naderbij,
Wees welkom in mijn woning!
Hij zet zich op mijn sponde neer,En vat mijn hand gezellig;Zijn blik is vriendelijk en teer,Maar toch wel vast en stellig.Hij spreekt mij toe, zijn stem is zacht,En klinkt gedempt in d’ ooren,Maar met een innerlijke kracht —Heel prettig om te hooren.’k Verbaas me dat ’k me niet verbaas,En alles zoo gewoon vind,En met dien gast in nevelwaasDirect den juisten toon vind.
Hij zet zich op mijn sponde neer,
En vat mijn hand gezellig;
Zijn blik is vriendelijk en teer,
Maar toch wel vast en stellig.
Hij spreekt mij toe, zijn stem is zacht,
En klinkt gedempt in d’ ooren,
Maar met een innerlijke kracht —
Heel prettig om te hooren.
’k Verbaas me dat ’k me niet verbaas,
En alles zoo gewoon vind,
En met dien gast in nevelwaas
Direct den juisten toon vind.
Ik laat het meest het woord aan hem,En luister maar geduldig,Als hij vertelt, met zachte stem,Verhalen menigvuldig.Hij spreekt ontroerend mooi met mij,Van lang vervlogen dingen,En toovert mij de bontste rijVan schoone erinneringen.Hij blijkt veel beter nog dan ikVan al mijn doen te weten,Van menig heerlijk oogenblik,Dat ’k heelemaal was vergeten.
Ik laat het meest het woord aan hem,
En luister maar geduldig,
Als hij vertelt, met zachte stem,
Verhalen menigvuldig.
Hij spreekt ontroerend mooi met mij,
Van lang vervlogen dingen,
En toovert mij de bontste rij
Van schoone erinneringen.
Hij blijkt veel beter nog dan ik
Van al mijn doen te weten,
Van menig heerlijk oogenblik,
Dat ’k heelemaal was vergeten.
Hij spreekt mij van wat valsch, wat echt,Wat bitter, en wat zoet was;’k Heb nooit geweten, dat ’k zóó slecht —En ook niet, dat ’k zoo goed was.Soms vangt een droeve sproke aan,Heel zachtjes toegefluisterd,Totdat op eens een enkle traanMijn starend oog verduistert.Dan is ’t weer of zijn woord mij lichtIn zoete droome wiegelt,Terwijl mijn lach zich op ’t gezichtVan mijn gezel weerspiegelt.
Hij spreekt mij van wat valsch, wat echt,
Wat bitter, en wat zoet was;
’k Heb nooit geweten, dat ’k zóó slecht —
En ook niet, dat ’k zoo goed was.
Soms vangt een droeve sproke aan,
Heel zachtjes toegefluisterd,
Totdat op eens een enkle traan
Mijn starend oog verduistert.
Dan is ’t weer of zijn woord mij licht
In zoete droome wiegelt,
Terwijl mijn lach zich op ’t gezicht
Van mijn gezel weerspiegelt.
Zoo blijven wij, wijl d’ ure vliedt,Intieme dingen fluistren;Het noodweer buiten hoor ik niet:’k Lig naar mijn vriend te luistren.Dan — als hij ziet, dat nieuwe lust,En nieuwe moed in ’t levenMij weer bezielt, dat hij mij rustEn vrede heeft hergeven,Dan zegt hij zacht vaarwel, en gaatZooals hij was gekomen;En ik, wat moe van al ’t gepraat,Verzink in diepe droomen......
Zoo blijven wij, wijl d’ ure vliedt,
Intieme dingen fluistren;
Het noodweer buiten hoor ik niet:
’k Lig naar mijn vriend te luistren.
Dan — als hij ziet, dat nieuwe lust,
En nieuwe moed in ’t leven
Mij weer bezielt, dat hij mij rust
En vrede heeft hergeven,
Dan zegt hij zacht vaarwel, en gaat
Zooals hij was gekomen;
En ik, wat moe van al ’t gepraat,
Verzink in diepe droomen......
O, eenling, die de stilte vreest,Gedoog, dat ik u rade;Spreek dikwijls met dien goeden GeestIn wolken-witte wade.Gij moet dien Gids, en Godsgezant,Uw zielsvertrouwen schenken,Hij voert u door een wonderland,Langs wegen van ’t Herdenken.Alleen-zijn is geen eenzaamheid,Verdwaasden, die ’t verwenschen!Weet, dat gij enkel eenzaam zijt,Te midden van de menschen.
O, eenling, die de stilte vreest,
Gedoog, dat ik u rade;
Spreek dikwijls met dien goeden Geest
In wolken-witte wade.
Gij moet dien Gids, en Godsgezant,
Uw zielsvertrouwen schenken,
Hij voert u door een wonderland,
Langs wegen van ’t Herdenken.
Alleen-zijn is geen eenzaamheid,
Verdwaasden, die ’t verwenschen!
Weet, dat gij enkel eenzaam zijt,
Te midden van de menschen.
Zoo schijnt de zee den scheepling schuimend grijs,Of zonnig groen, naar ’t lichten van de luchten,Zoo als wij luide zingen — zachtkens zuchten,Naar wat de ziel zegt, — op dezelfde wijs.Hoe angstig bij de teederste geruchten,Hoe onverstoord bij ’t scheurend schril gekrijschLeven wij lustig! — toch in stil gepeis,En mat bij ’t hopen, moedig in het duchten.Terwijl wij zoeken, glijdt ons vaartuig voort,Tot wij in blijden ernst en donkre vreugdDe lijnen speuren van de verre kusten.Daar naadren wij het Onbekende Oord,Met kalmte in ons — bijna zielsverheugd,Want ginder zullen wij dan eindlijk rusten.
Zoo schijnt de zee den scheepling schuimend grijs,Of zonnig groen, naar ’t lichten van de luchten,Zoo als wij luide zingen — zachtkens zuchten,Naar wat de ziel zegt, — op dezelfde wijs.Hoe angstig bij de teederste geruchten,Hoe onverstoord bij ’t scheurend schril gekrijschLeven wij lustig! — toch in stil gepeis,En mat bij ’t hopen, moedig in het duchten.Terwijl wij zoeken, glijdt ons vaartuig voort,Tot wij in blijden ernst en donkre vreugdDe lijnen speuren van de verre kusten.Daar naadren wij het Onbekende Oord,Met kalmte in ons — bijna zielsverheugd,Want ginder zullen wij dan eindlijk rusten.
Zoo schijnt de zee den scheepling schuimend grijs,Of zonnig groen, naar ’t lichten van de luchten,Zoo als wij luide zingen — zachtkens zuchten,Naar wat de ziel zegt, — op dezelfde wijs.
Zoo schijnt de zee den scheepling schuimend grijs,
Of zonnig groen, naar ’t lichten van de luchten,
Zoo als wij luide zingen — zachtkens zuchten,
Naar wat de ziel zegt, — op dezelfde wijs.
Hoe angstig bij de teederste geruchten,Hoe onverstoord bij ’t scheurend schril gekrijschLeven wij lustig! — toch in stil gepeis,En mat bij ’t hopen, moedig in het duchten.
Hoe angstig bij de teederste geruchten,
Hoe onverstoord bij ’t scheurend schril gekrijsch
Leven wij lustig! — toch in stil gepeis,
En mat bij ’t hopen, moedig in het duchten.
Terwijl wij zoeken, glijdt ons vaartuig voort,Tot wij in blijden ernst en donkre vreugdDe lijnen speuren van de verre kusten.
Terwijl wij zoeken, glijdt ons vaartuig voort,
Tot wij in blijden ernst en donkre vreugd
De lijnen speuren van de verre kusten.
Daar naadren wij het Onbekende Oord,Met kalmte in ons — bijna zielsverheugd,Want ginder zullen wij dan eindlijk rusten.
Daar naadren wij het Onbekende Oord,
Met kalmte in ons — bijna zielsverheugd,
Want ginder zullen wij dan eindlijk rusten.
Mijn boekje, ga — en maak mij, als het kan, wat vrinden.De wereld is zoo wijd — de menschen zijn zoo klein,Het is zoo moeilijk soms, den verren vriend te vinden;Waar wonen zij, die onze geestverwanten zijn?Mijn boekje, ga — en laat de Ruize-rijmen spreken.Als gij maar hier of daar wat kleur brengt of wat licht,Dan hebt gij, kleine bode, ondanks uw gebreken,Gehoorzaam aan mijn woord, naar wensch uw werk verricht.Mijn boekje, ga — begin met moed uw zwerversleven,Verkondig wat ik voeld’ en dacht, met klaren klank......Wie ik geërgerd heb, die mogen ’t mij vergeven,En wie tevreden zijn, don’t mention it! — geen dank.
Mijn boekje, ga — en maak mij, als het kan, wat vrinden.De wereld is zoo wijd — de menschen zijn zoo klein,Het is zoo moeilijk soms, den verren vriend te vinden;Waar wonen zij, die onze geestverwanten zijn?Mijn boekje, ga — en laat de Ruize-rijmen spreken.Als gij maar hier of daar wat kleur brengt of wat licht,Dan hebt gij, kleine bode, ondanks uw gebreken,Gehoorzaam aan mijn woord, naar wensch uw werk verricht.Mijn boekje, ga — begin met moed uw zwerversleven,Verkondig wat ik voeld’ en dacht, met klaren klank......Wie ik geërgerd heb, die mogen ’t mij vergeven,En wie tevreden zijn, don’t mention it! — geen dank.
Mijn boekje, ga — en maak mij, als het kan, wat vrinden.De wereld is zoo wijd — de menschen zijn zoo klein,Het is zoo moeilijk soms, den verren vriend te vinden;Waar wonen zij, die onze geestverwanten zijn?
Mijn boekje, ga — en maak mij, als het kan, wat vrinden.
De wereld is zoo wijd — de menschen zijn zoo klein,
Het is zoo moeilijk soms, den verren vriend te vinden;
Waar wonen zij, die onze geestverwanten zijn?
Mijn boekje, ga — en laat de Ruize-rijmen spreken.Als gij maar hier of daar wat kleur brengt of wat licht,Dan hebt gij, kleine bode, ondanks uw gebreken,Gehoorzaam aan mijn woord, naar wensch uw werk verricht.
Mijn boekje, ga — en laat de Ruize-rijmen spreken.
Als gij maar hier of daar wat kleur brengt of wat licht,
Dan hebt gij, kleine bode, ondanks uw gebreken,
Gehoorzaam aan mijn woord, naar wensch uw werk verricht.
Mijn boekje, ga — begin met moed uw zwerversleven,Verkondig wat ik voeld’ en dacht, met klaren klank......Wie ik geërgerd heb, die mogen ’t mij vergeven,En wie tevreden zijn, don’t mention it! — geen dank.
Mijn boekje, ga — begin met moed uw zwerversleven,
Verkondig wat ik voeld’ en dacht, met klaren klank......
Wie ik geërgerd heb, die mogen ’t mij vergeven,
En wie tevreden zijn, don’t mention it! — geen dank.
VerbeteringenInhoud„33” in „23” (19 Het enkele woord 23)Inhoud„56” in „55” (55 Een faillissement)Inhoud, toegevoegd (Lof der Zotheid, I)Inhoud„toneelstuk” in „tooneelstuk” (een tooneelstuk?)1„ijn” in „zijn” (Hij groeit geweldig door zijn haar)4” toegevoegd (vandaag mooi weer?” —)7. toegevoegd (8. ST. NICOLAASKLACHT.)11inspringing weggehaald (Hij heeft het rustig, vrank en vrij)12inspringing toegevoegd (Die het Menschdom)12„vernuftig” in „vernuftigs” (Veel vernuftigs)35’ in ” (die huichelaar!”)38’ in ” (geestdrift” en)42„eind” in „ein” (und ein „Stück Papier.”)42inspringing toegevoegd (Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”,)52„gedinstingeerd” in gedistingeerd (Scheldt dan gedistingeerd!)68” toegevoegd (grootsch en prachtig!”)77„45” in „35” (35. DIVINA COMOEDIA.)81„ toegevoegd („Ik mag wel)89„kom” in „Kom” (Ja. ’k Kom ten langen leste)91” toegevoegd (klas masseur.”)93” toegevoegd (Dat ’s Gods hand.”)100„ toegevoegd („LIEFDE VERLOOCHENT)1002 x „ toegevoegd („SLUIPMOORD) („DE BLOEDHAAT)101„Zij” in „Gij” (zie Gij tot ’t end)104, in . (En ze deeglijk te luksburgen gaat niet.)113. toegevoegd (nooit schoenderen.)116” toegevoegd (juffrouw,” of)118„ toegevoegd („’t Gaat daar om)156„ toegevoegd („Dit is Cromwell’s)161„ toegevoegd („’k Moet tien voet dichter bij hem staan)163„ toegevoegd („is deze aarde;)194„e” in „o” (3o. Bovendien acht ik het ongewensch)235„woarin” in „waarin” (waarin Bob toon)236„boeksertje” in „boksertje” (Snoezig boksertje)238. in , (Wanneer hij wordt veroordeeld,)240„borreel” in „borrel” (Wie niet van een borrel houdt)