ALGEMEENE INLEIDING.Ornamentale Leeuw.Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op mij genomen.Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn opgenomen—de toekomst zal het leeren!Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook hieraan ontleend.Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den Franschen hofdichter uit de 12eeeuw, wiens groote verdiensten voor de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen.De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen.De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik daarom in mijn verhaal gevolgd heb.Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere sagenbundels zijn verschenen.1Beide behooren tot denArthur-cyclus; de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met dien van Koning Arthur2en het verhaal van zijne liefde voor de schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als deze moeilijk zou kunnen missen.Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene beschrijving wordt gegeven van Arthur’s Komst en Arthur’s Dood, bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot oud-Fransche dicht- of prozawerken.In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12een 13eeeuw verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter eene beperkte keuze noodzakelijk.In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal heb overgenomen.Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof vanVlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, welke in het begin der 14eeeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur’s Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael,3waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, een Walewein-boek, een roman “van den Ridder metter Mouwen”, en een “van de Wrake van Ragisel” benevens nog enkele andere. Deze verhalen, oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den Franschen roman Fergus.Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de 13eeeuw door de dichters Penning en Vostaert.Jacob van Maerlant (± 1235–± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de jaren 1257–1264.“De Historie van den Grale” en “Merlijns Boeck” vormen te zamen de vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem “het boek van Koning Artur”, dat zich bij Maerlant’s “Merlijn” aansluit en de vertaling is van een Fransch “Livre du Roi Artus.”Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te beschouwen.Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding van de volgende verhalen: “Tristan en Isoude”, “Octaviaan”, “Madocs Droom” en “Amadas en Ydoine”, van deze zijn echter geen Nederlandsche bewerkingen bewaard gebleven.Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der verschillende verhalen. Deze inleidingen makenallerminstaanspraak op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk omgeeft. En toch—ondanks al hun pogen—zijn zij slechts gedeeltelijk geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor de Germaansche overweldigers, die in de 5een 6eeeuwhun land kwamen binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de “Historia Brittonum”, waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet die van koning, maar van “dux bellorum”. Dit was een militaire titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche overheersching. Als “dux bellorum” moet Arthur in de 5eeeuw de Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon—Mons Badonis—waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met wonderbaarlijke kracht en dapperheid.Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude verhalen van Wales bekleed zien met den rang van “imperator”, moeten wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield macht te bezitten over Brittannië4, het volk als vanzelfsprekend zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door de Romeinen was ingesteld.Van den aanvang af schijnt Arthur’s naam verbonden te zijn geweest met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. “Mirabilia” bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijnzeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren gebracht. Wij lezen hier van Arthur’s hond: Cabal of Cavall, die met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is.5Verder wordt ons in de “Mirabilia” verteld van het graf, dat Arthur bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm en grootte.Vreemd genoeg komt Arthur’s naam niet voor in het oudste werk over de Britsche geschiedenis: “De Excidio et Conquestu Brittanniae” geschreven door een monnik: Gildas in de 6eeeuw. Wel noemt hij den slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred (871—901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.In eene andere kroniek, de “Annales Cambriae”, welke in een handschrift uit de 6eeeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur’s naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft medegevochten. De slag van Mons Badonis wordthierin genoemd voor het jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag bij Camlan geleverd werd: “in which Arthur and Medraut fell”. Hier vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig einde van Arthur’s roemrijk bestaan.6Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is, dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste ridders der Christenheid.Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken, als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden “Mabinogion”, maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in de Welsche “Triaden”7, die volgens Sir John Rhys8de eerste vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem, hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen, van Modred’s verraad, van den slag bij Camlan, van Arthur’s dood en—dit is zeer belangrijk—van zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach.9In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschapvoor hem overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken, hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark van Cornwall.Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van Tristan met dien van Arthur verbonden is.Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden, dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen moeten worden beschouwd.Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn: “Historia Regum Brittanniae” het eerste volledige verslag gaf van de Arthur-geschiedenis10. Het vraagstuk van Geoffrey’s bronnen is nog steeds onopgelost; of hij ooit het “most ancient book in the British language” gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij, zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van geschiedkundige—of quasi-geschiedkundige—en romantische bestanddeelen erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de meest beminde helden van zijn tijd11. Het boek had een zeer groot succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in Anglo-Normandischeverzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt.Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht “Brut” voltooide, waarin wij de gebeurtenissen uit de “Historia” vermeld zien, met bijvoeging van vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van onzen held.Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld: niet alleen, dat hij—zooals wij reeds in de “Historia” lazen—naar het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in Arthur’s onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. “hope of Britain”, vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen.Ook spreekt Wace in zijn “Brut” het eerst over de Ronde Tafel, welke zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij doet dit in de volgende woorden:“Por les nobles barons qu’il ot,Dont cascuns mieldre estre quidot.....Fist Artus la roonde table,Dont Breton dient mainte fable:Ilve seeient li vassalTuit chevalment et tuit ingal.”12In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als volgt:Pour les nobles barons qu’il avaitDont chacun voulait être meilleur(que l’autre)Arthur faisait la ronde tableDont les Bretons racontent beaucoup de fables.Là s’asseyaient les vassaux,Tous vaillants et tous égals.Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12eeeuw, behalve het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders.In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: “Brut” treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens van den schrijver en heeft ten doel om de “noble deeds of England” te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland, als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren.In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude, Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning in dapperheid overtreffen.Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug13.Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter Chrétien de Troies14, hebben aan den Arthur-cyclus den vorm gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde, van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker, omdat Arthur’s koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich onder Arthur’s vanen schaarden.Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in versmaat, valt in de tweede helft der 12eeeuw, het tweede: dat der proza-romans, in de eerste helft der 13eeeuw.In Engeland werden in de 13een 14eeeuw eveneens romantische gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele uitzondering15staan deze echter verre ten achter bij de Fransche gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid.Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers, waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de hoogere kringen.Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken16.Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen17van ridderromans uit die dagen.Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven?M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: “Tennyson’s Idylls of the King and Arthurian Story from the XVIthCentury”, Glasgow, 1894, vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden, stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven, dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam, terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is de ridderlijkheidin den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan.De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid.Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans aantreffen.Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te kunnen boeien.In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.Het einde der 15eeeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval der ridderschap.Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving van het kasteel was gekomen.Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en hetgevolg was, dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den riddertijd begon te verflauwen.Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde en bekoring.Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de “Morte d’Arthur”, het standaardwerk van Sir Thomas Malory.Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15eeeuw (1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend aan de Fransche ridderromans18en naverteld op eene wijze, welke ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het geschreven werd. Malory’s boek zal altijd een der standaardwerken blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.Vanaf het einde der 15eeeuw komen, zooals hierboven reeds werd aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.In de 19eeeuw valt eene opleving van de waardeering voor de Arthur-legenden waar te nemen.De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor het voetlicht.Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om deoude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne verzen.In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:“Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!”Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling gaande te houden.Houten, (U.), 1920. N. M.—d. F.Ridders in gevecht.1“Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen”, door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.—Zutphen.—W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.2ZieInleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.3Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.4In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.5Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest,Everyman’s Library, London, Dent.De naam “Mabinogion” is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: “Keltische Mythen en Legenden”, door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.—Zutphen.—W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.6De naam Camlan wordt ook genoemd in “Kulhwch and Olwen” en in “The Dream of Rhonabwy”, twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.7De Welsche “Triaden” danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.8Zie John Rhys:“Studies in the Arthurian Legend”, Oxford, 1891.9Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur’s heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.10De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.11In Geoffrey’s werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is vanhet Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12eeeuw.In de “Historia” vinden wij eene beschrijving van Modred’s verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur’s omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: “Vita Merlini”, geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de “Historia” voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey’s hand te zijn.12Brut: regel 9994 e. v.13Zie:Inleiding tot de Sage van Parcival.14Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.15Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.16Zie Inleidingen tot de sagen vanden Leeuwenridder,Tristan en Isolde,Erec en Enide,Parcival.17Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn “Chanson de Saisnes” aldus worden aangeduid:“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”18De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: “the French book says.” Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d’Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie deInleiding tot die Sage).Het vijfde boek, waarin Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht “Morte Arthure”, geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14eeeuw.ARTHURS KOMST.1Ornamentale Leeuw.Ornamentale Draak.Van de geboorte van koning Arthur.In lang vervlogen tijden werd het volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop te dragen.Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eenebeslissende nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te wenschen over.Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden benevelde, gingen de blikken van denvorst steeds vaker naar de overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde hij het niet, tusschenbeide te komen.Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht voor de schoone hertogin liet hem geen rust; ’s nachts kon hij den slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar te bevredigen.Eindelijk had hij een besluit genomen—hij moest, hij zou Igerna de zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet zonder Igerna huiswaarts te keeren.Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte de zware muren met zijne balken en stormrammen.Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem te vragen, wat hem thans te doen stond.Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, met plechtige stem:“Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, diediepe wonden slaat in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen.”Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens een volgeling van Gorlois.Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den strijd op de wallen gedood. De burcht werddoor de belegeraars geheel verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene als haar eigen kind opnam en verzorgde.Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.Kasteeltoren.Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen.Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, om de orde in het rijk te herstellen.Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te spotten viel.Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hunvorst gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou weten te beschermen.Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte.Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde in de morgenzon.Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den maaltijd.Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, dat hem als ’t ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep en ziet—zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. “Van wien?” herhaalde de jongeling lachend, “wel, van niemand!Toen ik op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!”In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde er iets wonderlijks.Ridder met zwaard.Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd.De bejaarde ridder viel voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde van aandoening: “Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen van roem en eer!”Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak ten deel zou vallen.Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en stroomde het veld binnen onder de kreten van: “Den koning heil! Leve Arthur! Leve de koning!” Het was een grootsch oogenblik in het leven van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn volk in ontvangst mocht nemen.De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel—naar alle zijden strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd zijner troepen en ziet—het scheen of deze met een onweerstaanbaren moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van het meer.Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend zwaard omhoog hief.Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand stond de naam van het zwaard te lezen:Excalibur.Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.Jonge edelman en jonkvrouw onder boom.Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra.Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op zijne veldtochten placht te dragen.De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door eengroepje personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn verderen tocht.Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de zegewenschen der gansche bevolking.Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij den mond tot spreken en zeide: “Sire, liever, duizendmaal liever had ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar u geen geluk brengen. Integendeel,” hier werd zijne stem luider en nadrukkelijker, “ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur geven boven al hare zusteren?”Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden lach. “Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,” riep hij uit, “en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!”Merlijn haalde gelaten de schouders op. “Tegen den overmoed der jeugd en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden,” zeide hij, “de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft.” Maar Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra’s hand en de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde hij niet te aarzelen,Lanceloet, den dappersten zijner ridders, zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, vervulde hem met trots en vreugde.Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis met zich brengen zou!Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet bij zich en sprak tot hem: “Heer ridder! morgen zult gij onze woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een passend bruidsgeschenkwillen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?”Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis naar Camelot ondernomen.In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeereenvoudig en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de sombere wouden om haar vaderlijk slot!Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders genadiglijk tot den handkus toeliet.Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het fraais, waarmede men haar omringde,haar als ’t ware bedwelmden, gelijk een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met “Hooge Vrouwe”, voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en—dit kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor—die den ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had aan de strenge etiquette van het hof.Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse verschuldigd was. Maar wanneer hijhaar dan had ingehaald en zij zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich af kon schudden en jong kon zijn met haar.Ornamentale tak.Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten.Zoo verliepen de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra’s vroolijk gesnap werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. ’s Avonds viel ze niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei vreemde gestalten voor haar verscheen.Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en vermeed hij Ginevra’s gezelschap zooveel hij maar kon.Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden,toen plotseling als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, eens en voor altijd.Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van zijn schoonsten droom had toegestaan.Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.Ornamentale tak.Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken.Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep bewogen stem smeektehij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het heil van zijn land en zijn volk.Dankbaar ging zijn oog over de schare in ’t wit gekleede ridders, die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden zich voor ’t eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, toen hij hen smeekte, hem tot steun tewillen zijn bij zijn pogen, om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen in de oogen kreeg.Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking van zijne idealen. Plechtig klonk het “ja! dat zweren wij” uit hunne monden en een glans van voldoening gleed over ’s konings gelaat.Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken, dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet, toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in den rug hunner zetels gegrift.In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen het geboomte van het slotpark.Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijkwoord en hij vervulde zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld, die jong en schoon was als hij.Kasteel.1Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: “De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage.”
ALGEMEENE INLEIDING.Ornamentale Leeuw.Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op mij genomen.Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn opgenomen—de toekomst zal het leeren!Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook hieraan ontleend.Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den Franschen hofdichter uit de 12eeeuw, wiens groote verdiensten voor de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen.De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen.De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik daarom in mijn verhaal gevolgd heb.Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere sagenbundels zijn verschenen.1Beide behooren tot denArthur-cyclus; de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met dien van Koning Arthur2en het verhaal van zijne liefde voor de schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als deze moeilijk zou kunnen missen.Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene beschrijving wordt gegeven van Arthur’s Komst en Arthur’s Dood, bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot oud-Fransche dicht- of prozawerken.In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12een 13eeeuw verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter eene beperkte keuze noodzakelijk.In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal heb overgenomen.Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof vanVlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, welke in het begin der 14eeeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur’s Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael,3waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, een Walewein-boek, een roman “van den Ridder metter Mouwen”, en een “van de Wrake van Ragisel” benevens nog enkele andere. Deze verhalen, oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den Franschen roman Fergus.Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de 13eeeuw door de dichters Penning en Vostaert.Jacob van Maerlant (± 1235–± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de jaren 1257–1264.“De Historie van den Grale” en “Merlijns Boeck” vormen te zamen de vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem “het boek van Koning Artur”, dat zich bij Maerlant’s “Merlijn” aansluit en de vertaling is van een Fransch “Livre du Roi Artus.”Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te beschouwen.Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding van de volgende verhalen: “Tristan en Isoude”, “Octaviaan”, “Madocs Droom” en “Amadas en Ydoine”, van deze zijn echter geen Nederlandsche bewerkingen bewaard gebleven.Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der verschillende verhalen. Deze inleidingen makenallerminstaanspraak op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk omgeeft. En toch—ondanks al hun pogen—zijn zij slechts gedeeltelijk geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor de Germaansche overweldigers, die in de 5een 6eeeuwhun land kwamen binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de “Historia Brittonum”, waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet die van koning, maar van “dux bellorum”. Dit was een militaire titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche overheersching. Als “dux bellorum” moet Arthur in de 5eeeuw de Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon—Mons Badonis—waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met wonderbaarlijke kracht en dapperheid.Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude verhalen van Wales bekleed zien met den rang van “imperator”, moeten wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield macht te bezitten over Brittannië4, het volk als vanzelfsprekend zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door de Romeinen was ingesteld.Van den aanvang af schijnt Arthur’s naam verbonden te zijn geweest met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. “Mirabilia” bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijnzeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren gebracht. Wij lezen hier van Arthur’s hond: Cabal of Cavall, die met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is.5Verder wordt ons in de “Mirabilia” verteld van het graf, dat Arthur bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm en grootte.Vreemd genoeg komt Arthur’s naam niet voor in het oudste werk over de Britsche geschiedenis: “De Excidio et Conquestu Brittanniae” geschreven door een monnik: Gildas in de 6eeeuw. Wel noemt hij den slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred (871—901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.In eene andere kroniek, de “Annales Cambriae”, welke in een handschrift uit de 6eeeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur’s naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft medegevochten. De slag van Mons Badonis wordthierin genoemd voor het jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag bij Camlan geleverd werd: “in which Arthur and Medraut fell”. Hier vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig einde van Arthur’s roemrijk bestaan.6Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is, dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste ridders der Christenheid.Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken, als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden “Mabinogion”, maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in de Welsche “Triaden”7, die volgens Sir John Rhys8de eerste vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem, hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen, van Modred’s verraad, van den slag bij Camlan, van Arthur’s dood en—dit is zeer belangrijk—van zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach.9In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschapvoor hem overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken, hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark van Cornwall.Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van Tristan met dien van Arthur verbonden is.Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden, dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen moeten worden beschouwd.Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn: “Historia Regum Brittanniae” het eerste volledige verslag gaf van de Arthur-geschiedenis10. Het vraagstuk van Geoffrey’s bronnen is nog steeds onopgelost; of hij ooit het “most ancient book in the British language” gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij, zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van geschiedkundige—of quasi-geschiedkundige—en romantische bestanddeelen erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de meest beminde helden van zijn tijd11. Het boek had een zeer groot succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in Anglo-Normandischeverzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt.Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht “Brut” voltooide, waarin wij de gebeurtenissen uit de “Historia” vermeld zien, met bijvoeging van vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van onzen held.Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld: niet alleen, dat hij—zooals wij reeds in de “Historia” lazen—naar het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in Arthur’s onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. “hope of Britain”, vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen.Ook spreekt Wace in zijn “Brut” het eerst over de Ronde Tafel, welke zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij doet dit in de volgende woorden:“Por les nobles barons qu’il ot,Dont cascuns mieldre estre quidot.....Fist Artus la roonde table,Dont Breton dient mainte fable:Ilve seeient li vassalTuit chevalment et tuit ingal.”12In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als volgt:Pour les nobles barons qu’il avaitDont chacun voulait être meilleur(que l’autre)Arthur faisait la ronde tableDont les Bretons racontent beaucoup de fables.Là s’asseyaient les vassaux,Tous vaillants et tous égals.Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12eeeuw, behalve het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders.In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: “Brut” treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens van den schrijver en heeft ten doel om de “noble deeds of England” te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland, als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren.In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude, Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning in dapperheid overtreffen.Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug13.Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter Chrétien de Troies14, hebben aan den Arthur-cyclus den vorm gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde, van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker, omdat Arthur’s koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich onder Arthur’s vanen schaarden.Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in versmaat, valt in de tweede helft der 12eeeuw, het tweede: dat der proza-romans, in de eerste helft der 13eeeuw.In Engeland werden in de 13een 14eeeuw eveneens romantische gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele uitzondering15staan deze echter verre ten achter bij de Fransche gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid.Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers, waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de hoogere kringen.Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken16.Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen17van ridderromans uit die dagen.Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven?M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: “Tennyson’s Idylls of the King and Arthurian Story from the XVIthCentury”, Glasgow, 1894, vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden, stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven, dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam, terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is de ridderlijkheidin den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan.De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid.Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans aantreffen.Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te kunnen boeien.In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.Het einde der 15eeeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval der ridderschap.Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving van het kasteel was gekomen.Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en hetgevolg was, dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den riddertijd begon te verflauwen.Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde en bekoring.Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de “Morte d’Arthur”, het standaardwerk van Sir Thomas Malory.Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15eeeuw (1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend aan de Fransche ridderromans18en naverteld op eene wijze, welke ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het geschreven werd. Malory’s boek zal altijd een der standaardwerken blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.Vanaf het einde der 15eeeuw komen, zooals hierboven reeds werd aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.In de 19eeeuw valt eene opleving van de waardeering voor de Arthur-legenden waar te nemen.De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor het voetlicht.Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om deoude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne verzen.In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:“Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!”Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling gaande te houden.Houten, (U.), 1920. N. M.—d. F.Ridders in gevecht.1“Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen”, door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.—Zutphen.—W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.2ZieInleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.3Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.4In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.5Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest,Everyman’s Library, London, Dent.De naam “Mabinogion” is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: “Keltische Mythen en Legenden”, door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.—Zutphen.—W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.6De naam Camlan wordt ook genoemd in “Kulhwch and Olwen” en in “The Dream of Rhonabwy”, twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.7De Welsche “Triaden” danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.8Zie John Rhys:“Studies in the Arthurian Legend”, Oxford, 1891.9Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur’s heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.10De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.11In Geoffrey’s werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is vanhet Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12eeeuw.In de “Historia” vinden wij eene beschrijving van Modred’s verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur’s omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: “Vita Merlini”, geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de “Historia” voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey’s hand te zijn.12Brut: regel 9994 e. v.13Zie:Inleiding tot de Sage van Parcival.14Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.15Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.16Zie Inleidingen tot de sagen vanden Leeuwenridder,Tristan en Isolde,Erec en Enide,Parcival.17Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn “Chanson de Saisnes” aldus worden aangeduid:“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”18De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: “the French book says.” Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d’Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie deInleiding tot die Sage).Het vijfde boek, waarin Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht “Morte Arthure”, geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14eeeuw.
Ornamentale Leeuw.
Doordat ik mij bij mijne studie in de Engelsche Taal en Letterkunde meer in het bijzonder had beziggehouden met de studie der Arthur-sagen en dus wist, hoe uitgebreid het veld daarvan is, heb ik niet dan met eenige aarzeling de bewerking van eenige dier sagen voor de pers op mij genomen.
Het was inderdaad niet gemakkelijk om uit het groote aantal Arthur-sagen, welke verspreid zijn over de letterkunde van bijkans gansch Europa, eene geschikte keuze te doen. Of ik hierin geslaagd ben met de tien verhalen, welke in de volgende bladzijden zijn opgenomen—de toekomst zal het leeren!
Het ligt voor de hand, dat ik door mijne reeds genoemde studie gedreven werd om mij, wat de keuze der sagen betreft, het eerst te wenden tot de Engelsche letterkunde; het meerendeel mijner verhalen is dan ook hieraan ontleend.
Een tweetal sagen: de sage van den Leeuwenridder en die van Erec en Enide hebben elk als bron een gedicht van Chrétien de Troies, den Franschen hofdichter uit de 12eeeuw, wiens groote verdiensten voor de ontwikkeling der Arthur-sagen nauwelijks kunnen worden overschat en op wiens werken ik nog meermalen hoop terug te komen.
De Tristan-sage mag beschouwd worden te behooren tot de wereld-literatuur, aangezien dichters van alle tijden en van alle volken haar tot onderwerp van hunne werken hebben gekozen.
De Parcival- en Graal-sagen vonden hare hoogste volmaking in het Middel-Hoogduitsche gedicht van Wolfram von Eschenbach, hetwelk ik daarom in mijn verhaal gevolgd heb.
Ik heb mij, wat betreft deze beide verhalen, van eene opname in mijn bundel niet laten weerhouden door het feit, dat zij reeds in andere sagenbundels zijn verschenen.1Beide behooren tot denArthur-cyclus; de naam van Tristan wordt reeds in de oudste documenten verbonden met dien van Koning Arthur2en het verhaal van zijne liefde voor de schoone Isolde moet dus zeer zeker beschouwd worden als behoorende tot de Arthur-sagen. Wat het Graal-verhaal betreft, deze zeer bijzondere sage houdt zulk een nauw verband met de lotgevallen van de ridders der Tafel-Ronde en heeft bovendien zulk een grooten invloed gehad op het wezen der Arthur-legenden, dat men haar in eene verzameling als deze moeilijk zou kunnen missen.
Het eerste en het laatste der opgenomen verhalen, waarin eene beschrijving wordt gegeven van Arthur’s Komst en Arthur’s Dood, bevatten de oudste overleveringen aangaande dezen held; die overleveringen zijn van zuiver Britschen oorsprong. De andere verhalen, mogen zij al door mij aan de Engelsche letterkunde zijn ontleend, zijn toch steeds in hunnen oorspronkelijken vorm terug te voeren tot oud-Fransche dicht- of prozawerken.
In deze tien verhalen hoop ik in hoofdtrekken een beeld te hebben gegeven van de Arthur-sagen, zooals deze zich in de 12een 13eeeuw verspreidden over de letterkunde van Europa. Het kan uiteraard slechts een zeer gebrekkig beeld zijn, want het aantal sagen, dat zich in den loop dezer eeuwen rond den eigenlijken kern ontwikkeld heeft, is inderdaad verbazingwekkend; het bestek dezer uitgave maakte echter eene beperkte keuze noodzakelijk.
In verband hiermede moet ik met een enkel woord mijn leedwezen betuigen over het feit, dat ik uit de Middel-Nederlandsche letterkunde, welke toch ook verscheidene Arthur-sagen bevat, geen enkel verhaal heb overgenomen.
Niet gaarne zou ik den schijn op mij laden, als keurde ik de letterkunde van mijn eigen land minder aandacht waardig dan die van andere landen. Waar echter na de Britsche Arthur-sagen de oud-Fransche ridderromans door hunne grootere oorspronkelijkheid mij vóór alles de vermelding waard schenen, zoo moge gebrek aan plaats-ruimte als mijne verontschuldiging dienen, dat ik geen gelegenheid had, ook een der Middel-Nederlandsche Arthur-romans in mijn bundel op te nemen.
Het zij mij echter vergund, hier een kort overzicht te geven van de meest belangrijke der Arthur-verhalen van Nederlandschen bodem.
Op enkele uitzonderingen na zijn het vertalingen en min of meer getrouwe navolgingen van Fransche romans, welke door Vlaanderen en Brabant ons land waren binnengekomen. Immers aan het hof vanVlaanderen, onder de hooge bescherming der kunstlievende Vlaamsche graven en gravinnen, kwam de Fransche dichtkunst tot ongekenden bloei en hier ontstonden ook de beste ridderromans uit die dagen.
Geen wonder, dat deze verhalen ook spoedig doordrongen tot in ons land, waar zij een dankbaar onthaal vonden, al was de geest, die eruit sprak, geheel vreemd aan den volksaard hier te lande.
Het meerendeel der Middel-Nederlandsche Arthur-sagen is tot ons gekomen in de groote Lancelot-compilatie: eene verzameling sagen, welke in het begin der 14eeeuw werd bijeengebracht door Lodewijk van Velthem. Het werk omvat drie deelen: 1º een zeer uitgebreid berijmd verslag van de avonturen van Lancelot, welk verslag helaas slechts gedeeltelijk tot ons is gekomen, 2º de Graalqueste en 3º Artur’s Dood. Verder komen in deze compilatie voor: een roman over Percevael,3waarvan slechts een duizendtal versregels bewaard zijn gebleven, een Walewein-boek, een roman “van den Ridder metter Mouwen”, en een “van de Wrake van Ragisel” benevens nog enkele andere. Deze verhalen, oorspronkelijk onafhankelijk van elkander, werden door Velthem door zijn Lancelot-roman heengevlochten, de onderlinge samenhang is echter zeer gebrekkig. Bijzondere vermelding onder deze toegevoegde romans verdient het verhaal van Ferguut, den eenvoudigen boerenzoon, die door zijne liefde voor de schoone Galiene zich ontwikkelt tot een volmaakt ridder. Deze roman is in zijn geheel bewaard gebleven, het is eene bewerking, waarschijnlijk door twee dichters, van den Franschen roman Fergus.
Ook vinden wij in de Lancelot-compilatie den roman van Moriaen, die te meer onze belangstelling vraagt, omdat hiervan geen bron bestaat en wij hem dus als een oorspronkelijk werk mogen beschouwen. Dit is ook het geval met den roman van Walewein, die geschreven werd in de 13eeeuw door de dichters Penning en Vostaert.
Jacob van Maerlant (± 1235–± 1290), de beroemde Vlaamsche dichter en schrijver, wijdde in de eerste periode van zijn werktijd zijne volle aandacht aan den ridderroman. Hij vervaardigde bewerkingen van de romans van Merlijn, den Graal en van Torec, alle tusschen de jaren 1257–1264.
“De Historie van den Grale” en “Merlijns Boeck” vormen te zamen de vertaling van een Franschen proza-roman van Robert de Borron. In 1326 voltooide Lodewijk van Velthem “het boek van Koning Artur”, dat zich bij Maerlant’s “Merlijn” aansluit en de vertaling is van een Fransch “Livre du Roi Artus.”
Van den roman van Torec, die opgenomen werd in de Lancelot-compilatie, is tot nu toe geen Fransch origineel gevonden, dus is deze waarschijnlijk als eene oorspronkelijke schepping van Maerlant te beschouwen.
Behalve bovengenoemde ridderromans, welke althans gedeeltelijk nog in wezen zijn, moeten er nog vele andere hier te lande bekend zijn geweest. Zoo maakt Maerlant in zijne verschillende werken melding van de volgende verhalen: “Tristan en Isoude”, “Octaviaan”, “Madocs Droom” en “Amadas en Ydoine”, van deze zijn echter geen Nederlandsche bewerkingen bewaard gebleven.
Na deze korte uitweiding op het gebied der letterkunde van ons eigen land keeren wij terug naar de sagen in dezen bundel.
In de inleidingen, welke daaraan voorafgaan, heb ik getracht, een kort overzicht te geven van het ontstaan en de ontwikkeling der verschillende verhalen. Deze inleidingen makenallerminstaanspraak op wetenschappelijke waarde en volledigheid; zij hebben slechts ten doel om hem of haar, die iets naders omtrent het wezen der sage wil weten, eenigszins in zijn pogen daartoe van dienst te zijn en den belangstellenden lezer enkele werken aan de hand te doen, waarin hij zijne weetgierigheid kan bevredigen. Daar ik in deze inleidingen elke sage afzonderlijk besproken heb, wil ik hier nog slechts het een en ander zeggen over het ontstaan en den ontwikkelingsgang der Arthur-sage in het algemeen. Ook dit kan niet meer zijn dan eene vluchtige schets; eene eenigszins volledige beschouwing over dit zeer uitgebreide onderwerp zou buiten het kader dezer inleiding vallen en is trouwens in verschillende handboeken voor een ieder, die er belang in stelt, te lezen. Ik zal dus kort zijn.
Wie was Koning Arthur? Wanneer en waar heeft hij geleefd? Ziedaar twee vragen, waarmede geleerden van alle tijden zich hebben bezig gehouden en tot welker beantwoording zij hebben trachten te geraken door een nauwkeurig onderzoek van alle beschikbare documenten, welke eenig licht zouden kunnen werpen in het duister dat dit vraagstuk omgeeft. En toch—ondanks al hun pogen—zijn zij slechts gedeeltelijk geslaagd. De gestalte van Koning Arthur blijft gehuld in een waas van geheimzinnigheid, waardoor het ons slechts nu en dan vergund wordt een blik te slaan op zijne werkelijke persoonlijkheid.
Voor de weinige op historie berustende overleveringen van onzen held moeten wij ons wenden tot Wales, het land, waarheen de oudste bewoners van Brittannië, de Britten, een Keltische volksstam, de wijk namen voor de Germaansche overweldigers, die in de 5een 6eeeuwhun land kwamen binnenvallen. Wij vinden den naam van Arthur het eerst vermeld in de “Historia Brittonum”, waarvan de schrijver: Nennius of Nynniaw genaamd, afkomstig was uit Wales en geleefd moet hebben omstreeks het jaar 800.
Zijn werk kan in twee deelen gesplitst worden; in het eerste, quasi-historische deel, geeft hij eene vluchtige schets van de geschiedenis van Brittannië van de oudste tijden af tot de achtste eeuw toe; het tweede deel is van meer romantischen aard.
De rang, welken Arthur volgens dit werk bekleedde, was niet die van koning, maar van “dux bellorum”. Dit was een militaire titel, waarschijnlijk afkomstig uit den tijd der Romeinsche overheersching. Als “dux bellorum” moet Arthur in de 5eeeuw de Britten hebben aangevoerd in niet minder dan twaalf veldslagen tegen de Saksen, waarvan er twee beroemd zijn geworden in de Arthuriaansche letterkunde. Dit zijn: de veldslag bij het slot Guinnion, waarin Arthur het beeld der Heilige Maagd op zijne schouders droeg, welk feit kan beschouwd worden als de eerste aanwijzing van zijne verheerlijking als held der Christenheid en de slag bij den berg Badon—Mons Badonis—waarvan vermeld wordt, dat Arthur bij die gelegenheid eigenhandig negen honderd en zestig vijanden doodde. Hierin zien wij de eerste kenteekenen van de neiging om onzen held te begiftigen met wonderbaarlijke kracht en dapperheid.
Wij zien dus, dat volgens het werk van Nennius Arthur een soort legeraanvoerder geweest moet zijn. Wanneer wij hem nu in de oude verhalen van Wales bekleed zien met den rang van “imperator”, moeten wij dit hieraan toeschrijven, dat, toen de Romeinsche keizer ophield macht te bezitten over Brittannië4, het volk als vanzelfsprekend zijn titel overdroeg op den militairen bevelhebber, wiens ambt door de Romeinen was ingesteld.
Van den aanvang af schijnt Arthur’s naam verbonden te zijn geweest met het begrip van het wonderlijke en bovennatuurlijke. Lezen wij reeds in het eerste deel van het werk van Nennius over zijne schitterende wapenfeiten, welke getuigenis afleggen van zijn bovenmenschelijken moed, in het tweede deel, dat de z. g. “Mirabilia” bevat, (d. w. z. zekere natuurwonderen en andere merkwaardigheden, welke in Brittannië waren voorgekomen en welke Nennius volgens zijnzeggen beschreef, zooals anderen vóór hem gedaan hadden wordt de romantische zijde van zijne persoonlijkheid nog meer naar voren gebracht. Wij lezen hier van Arthur’s hond: Cabal of Cavall, die met zijne voorpooten een afdruk maakte in een hoop steenen, waarvan sindsdien de bovenste steen nooit meer verwijderd kon worden. Waar men hem ook heen droeg, steeds werd hij den volgenden morgen weer op zijne oude plaats aangetroffen. Het maken van dien afdruk geschiedde, toen Arthur met zijn hond op jacht was naar het wilde zwijn Troit of Trwyth, waarvan ook in andere oude verhalen van Wales sprake is.5
Verder wordt ons in de “Mirabilia” verteld van het graf, dat Arthur bouwde voor zijn zoon Amir, en dat voortdurend veranderde van vorm en grootte.
Vreemd genoeg komt Arthur’s naam niet voor in het oudste werk over de Britsche geschiedenis: “De Excidio et Conquestu Brittanniae” geschreven door een monnik: Gildas in de 6eeeuw. Wel noemt hij den slag bij Mons Badonis, doch den naam van den held van dien slag noemt hij niet. Wij kunnen dit misschien hieruit verklaren, dat Gildas behoorde tot de Romeinsche partij en met minachting neerzag op alles, wat Britsch was. Wij mogen dus niet van hem verwachten, dat hij één der leiders der Britten in zijn werk zou prijzen. Om soortgelijke redenen kan de naam van onzen held zijn weggelaten uit de Angel-Saksische Kroniek, welke ten tijde van Koning Alfred (871—901) begonnen werd en de geschiedenis van Brittannië geeft vanaf de verovering door Julius Caesar (55 vóór Chr.) tot den dood van koning Steven en de troonsbestijging van Hendrik II in 1154.
In eene andere kroniek, de “Annales Cambriae”, welke in een handschrift uit de 6eeeuw bewaard is gebleven, vinden wij daarentegen Arthur’s naam vermeld in verband met eenige veldslagen, waarin hij heeft medegevochten. De slag van Mons Badonis wordthierin genoemd voor het jaar 516, terwijl 537 wordt vermeld als zijnde het jaar, waarin de slag bij Camlan geleverd werd: “in which Arthur and Medraut fell”. Hier vinden wij de eerste aanduiding van den beruchten veldslag, die door latere schrijvers en dichters wordt beschreven als het rampzalig einde van Arthur’s roemrijk bestaan.6
Reeds zijn wij aan het einde gekomen van de korte reeks der geschiedkundige overleveringen aangaande den persoon van Arthur. Thans dient nog verklaard te worden, hoe het mogelijk is, dat een legeraanvoerder van een klein en overwonnen volk in korten tijd verheven werd tot koning in het rijk der romantiek, tot vorst over een schitterend hof en tot heer en meester over de beroemdste ridders der Christenheid.
Een blik op de oude letterkunde van Wales toont ons, dat de schrijvers van dat land niet zooveel aandacht aan onzen held hebben geschonken, als men zou verwachten. Weliswaar komt hij voor in den reeds genoemden “Mabinogion”, maar slechts in vijf van de twaalf verhalen, welke in de vertaling van Lady Guest zijn opgenomen. In de oudste gedichten van Wales vinden wij slechts nu en dan melding van zijn naam en in de Welsche “Triaden”7, die volgens Sir John Rhys8de eerste vermelding van Koning Arthur bevatten, zijn de toespelingen op hem, hoewel zeer belangwekkend, tamelijk vaag. Wij lezen hierin van Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen, van Modred’s verraad, van den slag bij Camlan, van Arthur’s dood en—dit is zeer belangrijk—van zijne begrafenis in een paleis op het eiland Avallach.9
In eene andere Triade vinden wij den naam van onzen held in verband gebracht met de drie beroemde zwijnenhoeders van het land. Een hunner is Drystan, zoon van Tallwch, die de zwijnen hoedt van March, zoon van Meirchion, terwijl de eigenlijke hoeder eene boodschapvoor hem overbrengt naar Essylt. In zijne afwezigheid komen Koning Arthur en zijne ridders en pogen Drystan één zijner dieren afhandig te maken, hetgeen hun echter niet gelukt. Drystan is natuurlijk niemand anders dan Tristan en Essylt is Isolde, de vrouw van zijn oom, koning Mark van Cornwall.
Men ziet hieruit, hoe reeds in de oudste overleveringen de naam van Tristan met dien van Arthur verbonden is.
Al deze vermeldingen wijzen op oude overleveringen betreffende den persoon van Arthur, welke overleveringen niet altijd begrijpelijk waren voor de middeleeuwsche schrijvers en daardoor vaak op verwarde wijze door hen werden weergegeven. Het bestaan van die overleveringen moeten wij in het oog houden, wanneer wij straks willen verklaren, hoe de verhalen omtrent onzen held plotseling zóó zeer uitgebreid werden, dat zij tenslotte als een der groote middeleeuwsche sagenkringen moeten worden beschouwd.
Het mag betwijfeld worden of zij ooit tot dezen ongekenden bloei geraakt zouden zijn, als hieraan niet de stoot was gegeven door het werk van Geoffrey of Monmouth, die ons omstreeks het jaar 1139 in zijn: “Historia Regum Brittanniae” het eerste volledige verslag gaf van de Arthur-geschiedenis10. Het vraagstuk van Geoffrey’s bronnen is nog steeds onopgelost; of hij ooit het “most ancient book in the British language” gebruikte, waarover hij in zijne opdracht aan Robert, graaf van Gloucester, spreekt en hetwelk hij voorgeeft ter vertaling in het Latijn te hebben ontvangen van een zekeren Walter, aartsdeken van Oxford, blijft altijd een punt van twijfel uitmaken. Hoe dit ook zij, zooveel is zeker, dat de schrijver door eene handige samensmelting van geschiedkundige—of quasi-geschiedkundige—en romantische bestanddeelen erin geslaagd is om Koning Arthur eene plaats te verzekeren onder de meest beminde helden van zijn tijd11. Het boek had een zeer groot succes, ondanks de verwijten van kroniekschrijvers als William of Newburgh, die het eene schandelijke bedriegerij noemde. Het succes blijkt wel het best uit de vele vertalingen en navolgingen. Zoo werd het werk korten tijd vóór den dood des schrijvers overgebracht in Anglo-Normandischeverzen door een zekeren Geoffrey Gaimar, wiens gedicht echter in zijn oorspronkelijken vorm verloren is geraakt.
Verder werd zijn werk tot grondslag genomen door den Normandischen dichter Wace, die in 1155 zijn gedicht “Brut” voltooide, waarin wij de gebeurtenissen uit de “Historia” vermeld zien, met bijvoeging van vele Bretonsche legenden en nieuwe gebeurtenissen in het leven van onzen held.
Zoo wordt ons aangaande het sterven van Koning Arthur medegedeeld: niet alleen, dat hij—zooals wij reeds in de “Historia” lazen—naar het eiland Avalon werd gevoerd om aldaar genezing te vinden voor zijne wonden, maar dat hij eens vandaar zou wederkeeren, ten einde de heerschappij over de Britten opnieuw te aanvaarden. Dit vertrouwen in Arthur’s onsterfelijkheid en terugkeer, de z. g. “hope of Britain”, vinden wij in de latere geschriften over onzen held steeds weer uitgedrukt, maar Wace is de eerste geweest om ervan te gewagen.
Ook spreekt Wace in zijn “Brut” het eerst over de Ronde Tafel, welke zulk eene belangrijke rol vervult in de latere Arthur-verhalen. Hij doet dit in de volgende woorden:
“Por les nobles barons qu’il ot,Dont cascuns mieldre estre quidot.....Fist Artus la roonde table,Dont Breton dient mainte fable:Ilve seeient li vassalTuit chevalment et tuit ingal.”12
“Por les nobles barons qu’il ot,
Dont cascuns mieldre estre quidot.....
Fist Artus la roonde table,
Dont Breton dient mainte fable:
Ilve seeient li vassal
Tuit chevalment et tuit ingal.”12
In hedendaagsch Fransch overgezet luiden deze regels ongeveer als volgt:
Pour les nobles barons qu’il avaitDont chacun voulait être meilleur(que l’autre)Arthur faisait la ronde tableDont les Bretons racontent beaucoup de fables.Là s’asseyaient les vassaux,Tous vaillants et tous égals.
Pour les nobles barons qu’il avait
Dont chacun voulait être meilleur(que l’autre)
Arthur faisait la ronde table
Dont les Bretons racontent beaucoup de fables.
Là s’asseyaient les vassaux,
Tous vaillants et tous égals.
Deze regels bewijzen, dat men in het midden der 12eeeuw, behalve het werk van Geoffrey, in het verfranschte Engeland en in Normandië nog eene menigte andere verhalen kende over Arthur en zijne ridders.
In de eerste jaren der volgende eeuw werden de werken van Geoffrey en van Wace voor de Engelsch-sprekende bevolking van Brittannië toegankelijk gemaakt door de vertaling van Layamon, een Engelsch priester uit Worcestershire. In zijn allitereerend gedicht: “Brut” treffen wij een aantal Welsche legenden aan, welke Wace niet kende. Het werk van Layamon geeft uiting aan de vaderlandslievende gevoelens van den schrijver en heeft ten doel om de “noble deeds of England” te verheerlijken en Arthur, den grooten Christenkoning van Engeland, als het ware tot zijn land en volk terug te doen keeren.
In het z. g. Fransche tijdperk der Arthur-sagen wordt de kleine groep van Arthur en zijne twee of drie getrouwe trawanten uit de oude, Keltische overleveringen: Key, Bedivere en Walewein, uitgebreid tot een schitterenden hofkring, waarvan deel uitmaken ridders als Lanceloet, Tristan en Parcival, wier daden zelfs die van hun koning in dapperheid overtreffen.
Op de wijze, waarop de Arthur-sagen in handen der Fransche dichters zijn gekomen, kom ik later nog met een enkel woord terug13.
Die Fransche dichters nu, met aan het hoofd de beroemde hofdichter Chrétien de Troies14, hebben aan den Arthur-cyclus den vorm gegeven, waaronder wij hem thans kennen en bewonderen. Zij hebben er aan toegevoegd de sagen van Lanceloet, van Tristan en Isolde, van den Heiligen Graal enz. enz. Dit viel hun des te gemakkelijker, omdat Arthur’s koninkrijk, ergens in het verre Westen gelegen, allengs zijne vaste grenzen verloren had en deze onbegrensdheid het mogelijk maakte, dat ridders uit de verste streken van het rijk der mythe zich onder Arthur’s vanen schaarden.
Wij moeten twee tijdperken onderscheiden in de behandeling van het Arthuriaansche thema in Frankrijk. Het eerste: dat der romans in versmaat, valt in de tweede helft der 12eeeuw, het tweede: dat der proza-romans, in de eerste helft der 13eeeuw.
In Engeland werden in de 13een 14eeeuw eveneens romantische gedichten over onzen held en zijne ridders geschreven; met eene enkele uitzondering15staan deze echter verre ten achter bij de Fransche gedichten in letterkundige beteekenis en dichterlijke schoonheid.
Wij moeten hierbij echter niet vergeten, dat de kring van lezers, waarvoor deze Engelsche romans geschreven werden, tot de volksklasse behoorde, daar Fransch in die dagen de taal was van het hof en de hoogere kringen.
Ook in Duitschland vonden de romantische gedichten grooten bijval en navolging. Over enkele dier gedichten hoop ik later te spreken16.
Zoo groeide en bloeide de Arthur-cyclus in de Middeleeuwen, tot wij hem mogen beschouwen als de meest populaire der drie groote kringen17van ridderromans uit die dagen.
Waaraan moeten wij die voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de verhalen der Tafel Ronde toeschrijven?
M. W. Maccallum in zijn werk, getiteld: “Tennyson’s Idylls of the King and Arthurian Story from the XVIthCentury”, Glasgow, 1894, vindt er eene verklaring voor. De ridderschap, zoo zegt hij, trachtte eene overbrugging te vinden voor de tegenovergestelde machten in de Middeleeuwen: de kerkelijk-godsdienstige denkbeelden der geestelijkheid en het ruwe leven der leeken. Toen de nieuwe leerstellingen der kerk de hoogere klassen der Middeleeuwsche samenleving begonnen te beïnvloeden, stelden deze zich niet langer tevreden met het vrije, bandelooze leven, dat zij tot hiertoe geleid hadden. Hoe konden zij, die hunne eigen meesters waren, die elken wensch of begeerte, welke bij hen opkwam, terstond zochten te bevredigen, die leefden in zorgelooze weelde, hoe konden zij een dergelijk bestaan vereenigen met de drie geloften van gehoorzaamheid, kuischheid en armoede, waartoe de kerk hen wenschte te verbinden? Toen was het, zegt Maccallum, dat de grondslagen werden gelegd voor het rijk der ridderschap. Al bestond dit rijk meer in de harten en de verbeelding der menschen dan in de werkelijkheid, toch is de ridderlijkheidin den loop der eeuwen nooit geheel ten onder gegaan.
De ridder vormde in de Middeleeuwen als het ware de schakel tusschen den monnik, die zijn leven doorbracht in strenge afzondering van de wereld en den gewonen leek. De invloed der kerk was reeds te bespeuren bij den aanvang van de loopbaan des jongen ridders. Ook hij werd gebonden door drie geloften, weliswaar niet door de strenge geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, maar door die van mildheid, hoffelijkheid en eerbaarheid.
Toch blijft hij een man van de wereld in den volsten zin des woords en talloos zijn dan ook de beschrijvingen van vroolijke feestgelagen, van zang en dans en schitterende hoffeesten, welke wij in de ridderromans aantreffen.
Om nu de voorkeur van het Middeleeuwsche publiek voor de Arthur-sagen te verklaren, toont de schrijver aan, hoe van de drie groote kringen van ridder-romans in dien van Karel den Grooten het kerkelijke bestanddeel de overhand heeft. De romans van Alexander daarentegen, hoezeer zij ook getuigenis afleggen van de groote bekoring, welke de glans en pracht van het Oosten steeds voor de Westersche volkeren bezeten heeft, bevatten te weinig dieperen zin om op den duur te kunnen boeien.
In de Arthur-romans, zoo besluit Maccallum zijn betoog, worden de beide stroomingen vereenigd tot een harmonisch geheel.
Koning Arthur, wiens wonderbaarlijke heldendaden, beschreven in de gloeiende bewoordingen der oude Keltische verhalen, hem bij uitstek geschikt maakten om als held te worden vereerd, voldeed door zijn strijden voor het Christelijk geloof aan de eischen van hen, die vóór alles eene godsdienstige strekking zochten in de oude verhalen.
Het einde der 15eeeuw bracht het einde der Middeleeuwen en het verval der ridderschap.
Twee gebeurtenissen, hoe weinig zij ook op het eerste gezicht verband houden met het bestaan der ridderlijke samenleving, maakten er plotseling een einde aan. Ik doel hier op de uitvinding van het buskruit en die der boekdrukkunst. De eerste maakte het beeld van den ridder, die zich roem verwierf in den strijd met zijn lans en schild, tot eene onmogelijkheid. De tweede, welke eene snel toenemende bekendheid van andere landen en volkeren met zich mede bracht, doodde de illusie van de onbekende, gevaarvolle landstreken, waarin de ridder zich waagde, zoodra hij buiten de naaste omgeving van het kasteel was gekomen.
Nieuwe onderwerpen begonnen de menschen te boeien; de vele ontdekkingen en uitvindingen eischten al hunne aandacht op en hetgevolg was, dat de algemeene belangstelling voor de romantische verhalen uit den riddertijd begon te verflauwen.
Op het oogenblik zelve, dat de oude verhalen van koning Arthur in de vergetelheid dreigden te geraken, werden zij, wat Engeland betrof, van den ondergang gered en neergelegd in een werk van blijvende waarde en bekoring.
Een ieder, die zich met het bestudeeren der Arthur-sagen heeft beziggehouden, zal begrijpen, dat ik hier doel op de “Morte d’Arthur”, het standaardwerk van Sir Thomas Malory.
Dit werk, dat geschreven werd omstreeks het midden der 15eeeuw (1469), bevat eene verzameling Arthur-sagen, nagenoeg alle ontleend aan de Fransche ridderromans18en naverteld op eene wijze, welke ons thans nog evenzeer weet te bekoren als het publiek, waarvoor het geschreven werd. Malory’s boek zal altijd een der standaardwerken blijven van de Arthuriaansche letterkunde en dichters, zooals Alfred Tennyson, musici, schilders en geleerden op het gebied der folk-lore hebben door alle tijden heen steeds daaruit hunne kennis geput.
Vanaf het einde der 15eeeuw komen, zooals hierboven reeds werd aangeduid, andere onderwerpen de aandacht der schrijvers en dichters opeischen. Gedurende de volgende drie eeuwen hooren wij weinig over Koning Arthur en zijne ridders, hoewel het feit, dat, om bij Engeland te blijven, dichters als Spenser, Milton en Dryden het onderwerp hunne aandacht waardig keurden, als een bewijs mag dienen, dat de belangstelling voor de oude sagen niet geheel verdwenen was.
In de 19eeeuw valt eene opleving van de waardeering voor de Arthur-legenden waar te nemen.
De romantiek had eene algemeene belangstelling voor de Middeleeuwen wakker gemaakt en zoo kwamen ook de oude ridderverhalen weer voor het voetlicht.
Niet alleen, dat geleerden van alle landen zich beijverden om deoude gedichten door critische uitgaven en verklarende aanteekeningen genietbaar te maken voor hen, die met de oude taal onbekend waren, niet alleen, dat er eene gansche letterkunde ontstond van belangrijke studies en beschouwingen over die sagen, ook de dichters van alle landen namen de oude verhalen ter hand en verwerkten ze in hunne verzen.
In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik gelegenheid hebben op de namen van die dichters en schrijvers terug te komen, ik zal ze hier dus niet noemen. Zij allen bewijzen, dat de belangstelling voor de verhalen der Tafel Ronde thans bijkans even levendig is, als toen de Middeleeuwsche dichter Jean Bodel uitriep:
“Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!”
“Li Conte de Bretaingne sont si vain et plaisant!”
Moge de volgende bladzijden er toe bijdragen om die belangstelling gaande te houden.
Houten, (U.), 1920. N. M.—d. F.
Ridders in gevecht.
1“Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen”, door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.—Zutphen.—W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.2ZieInleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.3Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.4In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.5Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest,Everyman’s Library, London, Dent.De naam “Mabinogion” is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: “Keltische Mythen en Legenden”, door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.—Zutphen.—W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.6De naam Camlan wordt ook genoemd in “Kulhwch and Olwen” en in “The Dream of Rhonabwy”, twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.7De Welsche “Triaden” danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.8Zie John Rhys:“Studies in the Arthurian Legend”, Oxford, 1891.9Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur’s heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.10De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.11In Geoffrey’s werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is vanhet Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12eeeuw.In de “Historia” vinden wij eene beschrijving van Modred’s verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur’s omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: “Vita Merlini”, geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de “Historia” voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey’s hand te zijn.12Brut: regel 9994 e. v.13Zie:Inleiding tot de Sage van Parcival.14Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.15Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.16Zie Inleidingen tot de sagen vanden Leeuwenridder,Tristan en Isolde,Erec en Enide,Parcival.17Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn “Chanson de Saisnes” aldus worden aangeduid:“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”18De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: “the French book says.” Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d’Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie deInleiding tot die Sage).Het vijfde boek, waarin Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht “Morte Arthure”, geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14eeeuw.
1“Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen”, door H. A. Guerber, bewerkt door Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.—Zutphen.—W. T. Thieme & Cie. hoofdstuk XI en XIV.
2ZieInleiding tot de Sage van Tristan en Isolde.
3Eene bewerking van het gelijknamige gedicht van Chrétien de Troies.
4In het jaar 401 werden de Romeinsche legioenen naar Italië teruggeroepen, om dit land te helpen verdedigen tegen de invallen der barbaren.
In 410 waren de laatste Romeinen uit Brittannië verdwenen en werden de oorspronkelijke bewoners van het land, na ongeveer 300 jaar door hen geregeerd geweest te zijn, weder aan hun eigen lot overgelaten.
5Zie hiervoor het verhaal van Kilhwch and Olwen in de bekende sagenverzameling van Wales: The Mabinogion, Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest,Everyman’s Library, London, Dent.De naam “Mabinogion” is een verzamelnaam voor de overleveringen, liederen en sagen, welke de jongeling, die zich voor het ambt van Bard bekwamen wilde, behoorde te kennen. De Barden vormden eene afzonderlijke klasse, waartoe men eerst na eene strenge, letterkundige opleiding kon worden toegelaten. Hij, die zich hieraan onderwierp, werd Mabinog genoemd. In de inleidingen tot de verschillende sagen zal ik nog meermalen gelegenheid vinden om op den Mabinogion terug te komen.
Zie ook over de Mabinogion-verhalen en de plaats der Arthur-sage in de Keltische literatuur: “Keltische Mythen en Legenden”, door T. W. Rolleston, bewerkt door Dr B. C. Goudsmit.—Zutphen.—W. J. Thieme & Cie., bld. 308 e. v.
6De naam Camlan wordt ook genoemd in “Kulhwch and Olwen” en in “The Dream of Rhonabwy”, twee verhalen van zuiver Britschen oorsprong uit den Mabinogion, verder vinden wij hem vermeld in de Welsche Triaden en tot tweemaal toe in oude Welsche gedichten.
7De Welsche “Triaden” danken hun naam aan de omstandigheid, dat de personen en zaken, welke daarin beschreven worden, telkens in groepen van drie vermeld staan. Waarschijnlijk wijst deze vorm van schrijven terug op een tijd, toen men zijne kennis nog slechts uit mondelinge overleveringen putte en de verschillende feiten in groepen van drie rangschikte om ze des te gemakkelijker te kunnen onthouden.
8Zie John Rhys:“Studies in the Arthurian Legend”, Oxford, 1891.
9Avallach is het latere Avalon. Wij vinden hier de eerste aanwijzing van Arthur’s heengaan naar het land der gelukzaligen, waar hij, volgens latere schrijvers, het eeuwige leven ging genieten.
10De schrijver geeft ons in zijn werk een verslag van de geschiedenis der Britten, van af den tijd van Brutus, den z.g. stichter van hun volk tot den dood van Cadwallader, den laatsten Britschen koning, in 689. De geschiedenis van Arthur beslaat hierin vijf van de twaalf boeken, waarin de schrijver zijn werk verdeelde.
11In Geoffrey’s werk wordt Arthur verheven tot den rang van wereldveroveraar, en almachtig heerscher over een schitterend hof, dat de weerspiegeling is vanhet Normandische hof van die dagen. Geoffrey komt de eer toe van de eerste te zijn geweest, die zijn held omringde met de ridderlijke gebruiken van het hoofsche leven uit de 12eeeuw.
In de “Historia” vinden wij eene beschrijving van Modred’s verraad en van de ontvoering van koningin Ginevra. Ook is Geoffrey de eerste geweest, die ons een helder beeld schonk van den ouden toovenaar Merlijn, een der belangrijkste personen uit Arthur’s omgeving. Een eigenaardig Latijnsch gedicht: “Vita Merlini”, geschreven omstreeks 1148, waarin wij avonturen van Merlijn vermeld vinden, welke niet in de “Historia” voorkomen, wordt verondersteld ook van Geoffrey’s hand te zijn.
12Brut: regel 9994 e. v.
13Zie:Inleiding tot de Sage van Parcival.
14Over Chrétien de Troies zie Inleidingen tot de Sagen van den Leeuwenridder, Erec en Enide, en Lanceloet en Elaine.
15Zooals de Sage van Heer Walewein en den groenen Ridder, in mijn bundel opgenomen.
16Zie Inleidingen tot de sagen vanden Leeuwenridder,Tristan en Isolde,Erec en Enide,Parcival.
17Deze zijn: de Karelromans, de Alexanderromans en de Arthurromans, welke door den Franschen dichter Jean Bodel in zijn “Chanson de Saisnes” aldus worden aangeduid:
“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”
“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”
“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”
“Ne sonts que trois matières à nul home attendant,
De France et de Bretaingne et de Rome la grant.”
18De schrijver noemt zijne bronnen slechts in vage termen, zooals: “the French book says.” Eene meerdere bekendheid met de Fransche ridderromans heeft zijne bronnen echter aan het licht gebracht, zoodat wij ze thans kennen voor al de een-en-twintig boeken, waarin de Morte d’Arthur verdeeld is, met uitzondering van die voor Boek VII, de geschiedenis van Heer Gareth. (Zie deInleiding tot die Sage).
Het vijfde boek, waarin Arthur’s veldtocht tegen de Romeinen vermeld wordt, is het eenige, waarvan de stof aan de Engelsche letterkunde ontleend is. De bron hiervoor is het allitereerende Middel-Engelsche gedicht “Morte Arthure”, geschreven door een onbekend gebleven dichter omstreeks het midden der 14eeeuw.
ARTHURS KOMST.1Ornamentale Leeuw.Ornamentale Draak.Van de geboorte van koning Arthur.In lang vervlogen tijden werd het volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop te dragen.Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eenebeslissende nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te wenschen over.Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden benevelde, gingen de blikken van denvorst steeds vaker naar de overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde hij het niet, tusschenbeide te komen.Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht voor de schoone hertogin liet hem geen rust; ’s nachts kon hij den slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar te bevredigen.Eindelijk had hij een besluit genomen—hij moest, hij zou Igerna de zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet zonder Igerna huiswaarts te keeren.Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte de zware muren met zijne balken en stormrammen.Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem te vragen, wat hem thans te doen stond.Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, met plechtige stem:“Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, diediepe wonden slaat in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen.”Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens een volgeling van Gorlois.Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den strijd op de wallen gedood. De burcht werddoor de belegeraars geheel verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene als haar eigen kind opnam en verzorgde.Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.Kasteeltoren.Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen.Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, om de orde in het rijk te herstellen.Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te spotten viel.Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hunvorst gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou weten te beschermen.Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte.Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde in de morgenzon.Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den maaltijd.Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, dat hem als ’t ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep en ziet—zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. “Van wien?” herhaalde de jongeling lachend, “wel, van niemand!Toen ik op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!”In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde er iets wonderlijks.Ridder met zwaard.Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd.De bejaarde ridder viel voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde van aandoening: “Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen van roem en eer!”Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak ten deel zou vallen.Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en stroomde het veld binnen onder de kreten van: “Den koning heil! Leve Arthur! Leve de koning!” Het was een grootsch oogenblik in het leven van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn volk in ontvangst mocht nemen.De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel—naar alle zijden strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd zijner troepen en ziet—het scheen of deze met een onweerstaanbaren moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van het meer.Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend zwaard omhoog hief.Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand stond de naam van het zwaard te lezen:Excalibur.Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.Jonge edelman en jonkvrouw onder boom.Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra.Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op zijne veldtochten placht te dragen.De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door eengroepje personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn verderen tocht.Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de zegewenschen der gansche bevolking.Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij den mond tot spreken en zeide: “Sire, liever, duizendmaal liever had ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar u geen geluk brengen. Integendeel,” hier werd zijne stem luider en nadrukkelijker, “ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur geven boven al hare zusteren?”Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden lach. “Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,” riep hij uit, “en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!”Merlijn haalde gelaten de schouders op. “Tegen den overmoed der jeugd en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden,” zeide hij, “de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft.” Maar Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra’s hand en de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde hij niet te aarzelen,Lanceloet, den dappersten zijner ridders, zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, vervulde hem met trots en vreugde.Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis met zich brengen zou!Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet bij zich en sprak tot hem: “Heer ridder! morgen zult gij onze woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een passend bruidsgeschenkwillen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?”Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis naar Camelot ondernomen.In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeereenvoudig en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de sombere wouden om haar vaderlijk slot!Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders genadiglijk tot den handkus toeliet.Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het fraais, waarmede men haar omringde,haar als ’t ware bedwelmden, gelijk een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met “Hooge Vrouwe”, voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en—dit kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor—die den ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had aan de strenge etiquette van het hof.Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse verschuldigd was. Maar wanneer hijhaar dan had ingehaald en zij zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich af kon schudden en jong kon zijn met haar.Ornamentale tak.Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten.Zoo verliepen de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra’s vroolijk gesnap werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. ’s Avonds viel ze niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei vreemde gestalten voor haar verscheen.Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en vermeed hij Ginevra’s gezelschap zooveel hij maar kon.Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden,toen plotseling als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, eens en voor altijd.Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van zijn schoonsten droom had toegestaan.Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.Ornamentale tak.Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken.Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep bewogen stem smeektehij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het heil van zijn land en zijn volk.Dankbaar ging zijn oog over de schare in ’t wit gekleede ridders, die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden zich voor ’t eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, toen hij hen smeekte, hem tot steun tewillen zijn bij zijn pogen, om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen in de oogen kreeg.Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking van zijne idealen. Plechtig klonk het “ja! dat zweren wij” uit hunne monden en een glans van voldoening gleed over ’s konings gelaat.Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken, dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet, toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in den rug hunner zetels gegrift.In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen het geboomte van het slotpark.Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijkwoord en hij vervulde zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld, die jong en schoon was als hij.Kasteel.1Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: “De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage.”
Ornamentale Leeuw.
Ornamentale Draak.
Van de geboorte van koning Arthur.In lang vervlogen tijden werd het volk der Britten geregeerd door een vorst, die uitmuntte in wijsheid en dapperheid. Zijn naam was Uther Pendragon, hetgeen in de oude Britsche taal zeggen wilde: Uther met den drakenkop. Men had hem die benaming geschonken, omdat hij gewoon was op zijn helm een gouden drakenkop te dragen.
Deze vorst bestuurde zijn volk met wijsheid en verstand en voerde zijne dappere legerscharen ter overwinning in vele veldtochten tegen de Saksen, die het land met hunne woeste invallen plachten te teisteren. Eindelijk gelukte het Uther zijnen vijanden eenebeslissende nederlaag toe te brengen en den vrede in zijn rijk te herstellen.
Zegevierend keerden de Britsche legers terug naar de hoofdstad van het land, Winchester. In de landstreken, waar zij doortrokken, stonden de inwoners langs den weg geschaard om hen te huldigen; zij werden behangen met kransen van groen en bloemen, wijn en andere lafenis werd hun geboden en de lucht was vervuld van het gejubel der menigte. Nooit schalden de juichkreten hooger op, dan wanneer de statige figuur van Uther Pendragon zichtbaar werd. Recht en fier zat de koning in den zadel, met een minzamen glimlach dankte hij het volk voor de hem gebrachte hulde; de zon overgoot zijne vorstelijke gestalte met hare stralen en deed den gouden drakenkop op zijn helm schitteren.
Na den glorierijken intocht in Winchester, riep Uther zijne baronnen bijeen, om aldaar met hem het Paaschfeest te vieren. Van alle zijden kwamen de edelen met hunne vrouwen en gevolg aangereden om aan die uitnoodiging gehoor te geven en weldra was het in de straten der oude bisschopsstad een gewoel en gedraaf van knechten en vrouwen in hunne kleurige kleedij, die vooruit gezonden waren om alles voor de ontvangst hunner meesters in gereedheid te brengen.
Op den dag van het heilige feest der opstanding was er in de zalen van het koninklijk paleis een groot gastmaal aangericht, waaraan eenige honderden personen deelnamen. Onder de hooge gewelven weergalmde een luid rumoer van stemmen, waartusschen nu en dan een vroolijk gelach opdaverde; nu eens klonken eenige regels van een lustig drinklied, dan weer ontaardde het vroolijk praten in een heftig twistgesprek, maar over het algemeen liet de stemming onder de gasten niets te wenschen over.
Onder de genoodigden bevond zich ook hertog Gorlois van Cornwallis met zijne jonge vrouw Igerna. Deze laatste was eene plaats aangewezen tegenover den koning en naarmate de uren verliepen, de wijn het bloed in de aderen der aanzittenden verhitte en hunne hoofden benevelde, gingen de blikken van denvorst steeds vaker naar de overzijde der tafel, waar zij bleven rusten op het gelaat der schoone hertogin. Herhaaldelijk richtte hij het woord tot haar, hij deed haar de fijnste schotels toekomen en uit zijne gansche houding sprak duidelijk de groote bewondering, die hij voor haar had opgevat.
Van zijne plaats aan den disch bespiedde Gorlois op eenigen afstand de houding van den vorst tegenover zijne vrouw. Met ergernis en wantrouwen zag hij hoe Uther teedere blikken naar Igerna wierp en haar boven alle andere dames de voorkeur scheen te geven. Gorlois moest zich op de lippen bijten om zijne woede te bedwingen, onrustig schoof hij heen en weer op zijn zetel, hij luisterde nauwelijks naar wat er om hem heen gesproken werd en liet de uitgezochte spijzen ongebruikt aan zich voorbijgaan; met inspanning van al zijne zintuigen poogde hij het gesprek, dat daarginds tusschen die beiden gevoerd werd, te volgen.
Eindelijk was de maaltijd afgeloopen en verspreidde het gezelschap zich in het park om het paleis. Den ganschen avond week de koning niet van de zijde der hertogin en steeds duidelijker werd het den aanwezigen, dat het hem ernst was met de hulde, die hij haar bewees. Vol verbeten woede moest Gorlois toezien, nochtans waagde hij het niet, tusschenbeide te komen.
Toen de gasten zich echter ter ruste hadden begeven en alles sliep in het paleis, gaf Gorlois zijne dienaren heimelijk bevel, zijne paarden te zadelen en vóór het eerste morgenkrieken was hij met zijn gevolg al op eenige mijlen afstands van de hoofdstad, op weg naar zijn land.
De woede en spijt van koning Uther, toen hij het vertrek van Igerna bemerkte, kenden geene grenzen. Terstond zond hij eenige zendboden naar Cornwallis om den hertog te gelasten, dadelijk terug te keeren, maar Gorlois weigerde kortaf, aan dien oproep gehoor te geven. Zijne weigering deed de woede van den vorst nog toenemen, zijn hartstocht voor de schoone hertogin liet hem geen rust; ’s nachts kon hij den slaap niet vatten en overdag liep hij rond als een getemd dier, al zijn denken slechts op één doel gericht: zijn verlangen naar haar te bevredigen.
Eindelijk had hij een besluit genomen—hij moest, hij zou Igerna de zijne kunnen noemen, al moest hij haar met kracht van wapenen aan haren echtgenoot ontrukken. Hiertoe rustte hij een machtig leger uit en aan het hoofd daarvan trok hij naar Cornwallis, vastbesloten niet zonder Igerna huiswaarts te keeren.
Gorlois had door vertrouwde dienaren laten verspieden, wat er aan het hof voorviel, zoodoende was de voorgenomen veldtocht van den vorst hem in tijds medegedeeld en kon hij zijne maatregelen nemen, om het welslagen daarvan zoo mogelijk te verhinderen. Ten einde de veiligheid van zijne vrouw zooveel hij kon te verzekeren, plaatste hij haar met hare vrouwen in den sterken burcht van Tintagel, die hoog op de rotsen aan de kust van Cornwallis gelegen was. Van de zeezijde was deze burcht beslist onneembaar, want de kale rotswanden rezen bijkans loodrecht uit het water omhoog; van de landzijde kon men hem slechts genaken langs een smal en bochtig bergpad, dat desnoods door twee of drie man verdedigd kon worden. Hijzelf begaf zich met zijne volgelingen in het machtige slot van Dimilioc. Zijn toeleg gelukte. Uther, die vernam, dat Gorlois zich in Dimilioc bevond, en niet anders meende, of Igerna was bij hem, sloeg het beleg voor die vesting en bewerkte de zware muren met zijne balken en stormrammen.
Daar ontving hij het bericht, dat de hertogin met haar gevolg zich in het naburige slot van Tintagel bevond. Radeloos over den verloren tijd liet hij Merlijn, den ouden toovenaar, bij zich komen, om hem te vragen, wat hem thans te doen stond.
Toen de koning hem de zaak had uiteengezet, zag de grijze ziener eenigen tijd peinzend voor zich uit, daarna sprak hij langzaam, met plechtige stem:
“Sire, ik ben met uw lot begaan en zal u helpen. Al ken ik de pijn van het liefdesverlangen niet uit eigen ondervinding, ik heb de uitwerking ervan bij mijne medemenschen voldoende gadegeslagen om te weten, dat zij eene vreeselijke kwelling is, diediepe wonden slaat in het menschelijk hart en waarvoor geene andere genezing bestaat dan de bevrediging der opgewekte begeerten. Maar niet alleen om u van dit lijden te verlossen voldoe ik aan uw verzoek. Er is ook een andere reden, die mij daartoe aanzet. Luister naar mijne woorden, o vorst. Deze vrouw, die gij zoo boven alles bemint, zal u een zoon schenken, die koning zal worden over een machtig rijk, die beroemd zal zijn in alle streken der wereld en van wiens moed de dichters en zangers tot in lengte van dagen zullen gewagen. Wanneer ge mij belooft, dien zoon in zijne jeugd aan mij af te staan, opdat ik zijne eerste schreden leide op het pad der wijsheid, zoo zal ik aan uw dringend verlangen voldoen en nog heden nacht zult gij Igerna de uwe noemen.”
Met bevende stem beloofde Uther alles te zullen doen, wat Merlijn van hem verlangde, mits deze hem helpen wilde. Daarop ontvouwde de toovenaar zijn plan. Door eene geheime toovermacht verleende hij den koning het aanzien van hertog Gorlois, hijzelve nam de gedaante aan van een bloedverwant des hertogen en Ulfius, een vertrouwd vriend van den koning, schonk hij de gestalte van Heer Brastias, eveneens een volgeling van Gorlois.
Zoo betraden zij het rotspad, dat naar Tintagel voerde, en vertoonden zich aan de poorten van het slot, die, toen de wachters den slotheer herkenden, terstond wijd werden geopend. Met luid gejuich begroetten de bewoners hun geliefden meester en ook bij Igerna bestond niet de minste twijfel, of het was inderdaad Gorlois, die de gevaren van eene vijandelijke ontmoeting had getrotseerd, om haar te bezoeken. Dien avond hield Uther, gelijk hij zoo vurig gewenscht had, de geliefde zijns harten in zijne armen en Merlijns voorspelling ging in vervulling: Igerna zou het leven schenken aan een zoon, die voorbestemd was, om de eerste vorst der Christenheid te worden.
Het leger van koning Uther had tijdens de afwezigheid der aanvoerders een aanval gewaagd op het belegerde slot. Daarbij werd Gorlois in den strijd op de wallen gedood. De burcht werddoor de belegeraars geheel verwoest en geplunderd en de ruwe krijgsknechten van den koning namen eruit, wat van hunne gading was. Daarna zonden zij eenige knechten uit de overwonnen bezetting naar Igerna, om haar den dood van haar gemaal te melden. Wie beschrijft echter de verbazing dezer boodschappers, toen zij bij het binnentreden in Tintagel hunnen heer en meester in levenden lijve naast de hertogin zagen zitten! Ontsteld weken de boden terug en zagen elkander verbijsterd aan; hoe was het mogelijk, dat Gorlois, dien zij met eigene oogen levenloos in zijn tent hadden zien liggen, thans gezond van lijf en leden voor hen zat? Hier moesten hoogere machten in het spel zijn, die de dooden tot het leven konden terugroepen. Zóózeer waren de mannen uit het veld geslagen, dat zij met geen enkel woord van het doel hunner komst waagden te reppen.
Nog dienzelfden dag keerde Uther naar zijn leger terug, onder voorwendsel, dat hij trachten wilde, zich met zijn vorst te verzoenen. In zijn kamp aangekomen, hoorde hij, wat er geschied was en hoewel de dood van den dapperen Gorlois hem leed deed, kon het niet anders, of zijn hart klopte sneller bij de gedachte, dat nu de eenige belemmering voor de vervulling zijner droomen uit den weg was geruimd.
Zoo spoedig mogelijk keerde hij naar Tintagel terug, waar weldra het huwelijk tusschen hem en Igerna op plechtige wijze werd ingezegend.
Toen de tijd daartoe aangebroken was, werd op een morgen in het vroege voorjaar aan Uther een zoon geboren. Men wikkelde het kind in linnen doeken en droeg het de breede trappen van het kasteel af, het park door, tot men aan eene kleine poort in den slotmuur kwam. Daar wachtte de oude Merlijn, die met eerbiedige teederheid het kind in zijne armen nam. Hij bracht het naar de woning van een eenvoudig, rechtschapen edelman, Ector genaamd, wiens vrouw den jonggeborene als haar eigen kind opnam en verzorgde.
Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.
Het kind wordt aan Merlijn overgegeven.
Kasteeltoren.
Van Uther Pendragons dood en hoe Arthur tot koning werd gekozen.Nadat Uther lange jaren gelukkig met Igerna geleefd had, openbaarde zich bij hem eene sleepen de kwaal, die hem weldra aan den rand van het graf bracht. Ondanks de hulp van bekwame heelmeesters en de liefderijke verzorging zijner echtgenoote was het een ieder weldra duidelijk, dat de koning sterven moest. Rouw en droefenis heerschten alom in het land, toen de mare van het naderend einde zich onder het volk verspreidde, maar de vijanden des konings vatten nieuwen moed en zonnen op wraak. Zij sloten een geheim verbond met de heidensche volksstammen buiten de landgrenzen en deden een onverhoedschen inval in het rijk. Toen vlamde Uthers oude strijdlust voor het laatst op tot eene laaiende vlam en hij zwoer een duren eed, dat hij de verraders zou straffen voor hun snooden toeleg. Daartoe riep hij zijne vazallen om zijn ziekbed bijeen en wist hen door zijne onverflauwbare geestdrift en vastberadenheid zoodanig te bezielen, dat zij beloofden, alles te zullen doen, wat in hun vermogen lag, om de orde in het rijk te herstellen.
Zoo ziek als hij was, liet de koning zich temidden zijner soldaten dragen en maakte den veldtocht persoonlijk mede. Zijne tegenwoordigheid werkte bezielend op den geest zijner strijders en de heidenen moesten tot hunne schande ondervinden, dat er met den zieken koning niet te spotten viel.
Ten einde raad namen zij hunne toevlucht tot verraad. In de nabijheid van Uthers legerplaats bevond zich eene bron, waaruit de dienaren des konings gewoon waren diens drinkwater te putten. De valsche verraders strooiden nu een snelwerkend gif in het heldere bronwater en reeds den volgenden morgen bezweek koning Uther onder de vreeselijkste pijnen.
Wat nu te doen? Voor zoover de baronnen wisten, was hunvorst gestorven zonder een rechtmatigen erfgenaam van den troon na te laten. Wie moest nu in zijne plaats regeeren en het land voor de rampen van een burgerkrijg behoeden? Goede raad was duur en in hunne wanhoop wendden de edelen zich tot Merlijn. Deze gaf toen den aartsbisschop van Canterbury opdracht, om alle ridders van het rijk samen te roepen in Londen, waar zij gezamenlijk het Kerstfeest zouden vieren. Op den heiligen geboortedag van Christus, zoo voorspelde hij, zou God een wonder doen geschieden, om den man aan te wijzen, die het arme, geteisterde land tegen de invallen der barbaren zou weten te beschermen.
Zoo geschiedde het. Op den Kerstmorgen verzamelden de vazallen zich in de trotsche St. Paulskerk om de heilige mis bij te wonen. Vroom prevelden zij hunne gebeden, plechtig klonken de koraalgezangen door de hooge ruimte en eene stemming van wijding heerschte onder de nedergeknielde menigte.
Voor het hoogaltaar stond de grijze prelaat en hief de heilige hostie omhoog, met handen, die beefden van godsdienstige ontroering, terwijl hij met trillende stem God smeekte om een redder te zenden in den nood.
Toen de ridders na afloop der godsdienstoefening uit het kerkgebouw traden, zagen zij een ongewoon schouwspel op het ruime plein vóór de kathedraal. In een hoek, tegen de muren der kerk, lag een groot, grijs steenblok. Hoe dit daar gekomen was, wist niemand, zeker was het, dat het gedurende den dienst op onverklaarbare wijze daarheen moest zijn gebracht. Op het steenblok rustte een massief ijzeren aanbeeld en daarin stak een groot slagzwaard, welks gouden scheede glinsterde in de morgenzon.
Weldra had zich om het aanbeeld eene dichte haag van nieuwsgierigen verzameld, die tevergeefs trachtten de vreemde letters te ontcijferen, welke in het zwaard stonden gegrift. Ook beproefden velen het wapen uit het aanbeeld te trekken, maar er was geene beweging in te krijgen en spoedig zagen zij dan ook het nuttelooze van hun pogen in.
Na zich verdiept te hebben in allerlei gissingen omtrent de herkomst van den steen, gaven de ridders eindelijk het zoeken naar eene verklaring van het raadsel op; zij wezen vier onder de jongere edellieden aan, om den steen te bewaken en begaven zich aan den maaltijd.
Na afloop daarvan zou een groot steekspel gehouden worden op het open veld vóór het koninklijk paleis, waarvoor duizenden toeschouwers waren samengestroomd. Onder de ridders, die zich voor de deelneming aan het tournooi hadden opgegeven, behoorde ook Key, de zoon van Ector. Deze laatste was met zijn gansche gezin, waaronder ook Arthur, thans een knaap van vijftien jaren, naar Londen getogen om bij dit wapenfeit van Key tegenwoordig te zijn. Op het laatste oogenblik, even vóór de strijd zou beginnen, bemerkte Key, dat er eene kleinigheid haperde aan zijn zwaard, waardoor het in den strijd onbruikbaar zou zijn. Niet wetend, wat te doen, verzocht hij zijn jongen pleegbroeder, hem een zwaard te halen uit de uitrusting van een der andere ridders. Gewillig liep de jonge Arthur naar den ingang van het slot, toen zijn oog werd getroffen door het glinsterend zwaard in den steen. De ridders, die aangewezen waren om de wacht bij het wapen te houden, hadden zich een oogenblik verwijderd, om naar de toebereidselen voor het steekspel te gaan zien en zoo stond het zwaard onbewaakt en schitterde en straalde in den zonneschijn. Arthur, die niet tegenwoordig was geweest bij de mis en dientengevolge nog niets vernomen had omtrent de vreemde verschijning van het steenblok op het kerkplein, ontwaarde met vreugde het wapen, dat hem als ’t ware in de hand gegeven werd. Met vlugge schreden liep hij op het aanbeeld toe, nam het zwaard bij den rijk versierden greep en ziet—zonder eenige moeite trok hij het uit het aanbeeld los. In een oogwenk was hij ermede bij Key teruggekeerd, maar toen deze het kostbare wapen in handen nam, kon hij niet nalaten te vragen, van wien zijn broeder dit fraaie zwaard ter leen had ontvangen. “Van wien?” herhaalde de jongeling lachend, “wel, van niemand!Toen ik op het punt was, het paleis binnen te gaan, ontdekte ik plotseling op het plein voor de kathedraal een stalen aanbeeld, dat rustte op een steenblok en waarin dit zwaard was gestoken. Daar het wapen aan niemand scheen toe te behooren, en het er schoon en deugdelijk uitzag, meende ik niet beter te kunnen doen, dan het voor u mede te brengen. Zonder de minste moeite trok ik het uit het staal en liep er fluks mee hierheen. Moge het u in den strijd veel geluk brengen!”
In stomme verbazing had Key naar de woorden van zijn pleegbroeder geluisterd, ook hij had nog niets van de vreemde ontdekking vernomen en begreep dus weinig van de zonderlinge beschrijving, die Arthur hem gaf. Aarzelend bezag hij het fraaie wapen, dat hem zoo verleidelijk toeblonk, maar hij dorst het niet gebruiken, eer hij zijns vaders raad had ingeroepen. Juist kwam Ector aangeloopen en binnen weinige oogenblikken had Key hem het gebeurde medegedeeld. Toen geschiedde er iets wonderlijks.
Ridder met zwaard.
Hoe koning Arthur als koning gehuldigd werd.De bejaarde ridder viel voor zijn pleegzoon op de knieën en riep met eene stem, die beefde van aandoening: “Heil u, o koning, gij, die door God gezonden zijt, om het land te redden uit den nood en ons volk te voeren langs wegen van roem en eer!”
Met groote, verschrikte oogen blikte Arthur op zijn pleegvader neer, wiens woorden hem als een raadsel in de ooren klonken, maar toen Ector hem het geheim zijner geboorte verklaarde en Merlijn hem de waarheid daarvan kwam bevestigen, drong het besef zijner hooge roeping allengs tot hem door. Al voelde hij zich eensdeels bezwaard door den last, dien men hem op de schouders legde, toch klopte zijn hart sneller bij de gedachte aan den roem, die hem in de vervulling van zijne taak ten deel zou vallen.
Het gerucht van zijne daad verspreidde zich alras onder de aanwezige ridders en weldra ging de mare als een loopend vuur onder het volk, dat Arthur, de pleegzoon van Heer Ector, niemand anders was dan de wettige zoon en rechtmatige erfgenaam van den overleden koning.
Toen het tournooi zou beginnen en de ridders in wijden boog het strijdperk binnenreden, voerden zij Arthur in hun midden en niet zoodra had het volk hem ontdekt, of het verbrak de omheining en stroomde het veld binnen onder de kreten van: “Den koning heil! Leve Arthur! Leve de koning!” Het was een grootsch oogenblik in het leven van den jongen prins, toen hij voor de eerste maal de hulde van zijn volk in ontvangst mocht nemen.
De heldere winterzon bescheen het kleurige schouwspel—naar alle zijden strekten zich de besneeuwde velden van Engeland uit en op het van sneeuw gezuiverde, groene grasveld verdrong zich de joelende, juichende menigte van poorters en poorteressen in hunne bonte kleederdracht, waartusschen de wapenrustingen en bepluimde helmen der ridders glinsterend afstaken. Temidden van die mengeling van kleuren troonde de jonge, blozende knaap op zijn vurig ros. Vroolijk zwaaide hij naar alle kanten met zijn muts, de wind speelde door zijne blonde lokken, zijne oogen glinsterden van trots en vreugde en de opwinding kleurde zijne wangen helder rood. Met welgevallen zag Merlijn op eenigen afstand toe; zijn opzet was gelukt, met groote geestdrift schaarde het volk zich om zijn jongen vorst, wiens plotseling verschijnen in de ure des gevaars door eene bovenaardsche macht bewerkstelligd scheen te zijn.
Korten tijd daarop ondernam Arthur zijn eersten veldtocht aan het hoofd zijner troepen en ziet—het scheen of deze met een onweerstaanbaren moed en volhardingszin bezield waren. De zegevierende legers drongen door tot in de verste hoeken van het koninkrijk en brachten den heidenschen horden eene verpletterende nederlaag toe. Ten slotte waren Wallis, Schotland en Ierland van de kwellingen der barbaren bevrijd en kon de koning met een gerust gemoed naar zijne hoofdstad terugkeeren.
Eens geschiedde het, in een strijd tegen oproerige vazallen, dat Arthur zijn zwaard verloor. Den nacht daarop bracht hij in gezelschap van Merlijn door in de woning van een vromen kluizenaar. Toen hij den volgenden morgen, na het bijwonen der mis, vertrekken wilde, verzocht Merlijn den jongen vorst hem te vergezellen naar eene naburige plek, waar Arthur, zoo beloofde de toovenaar, een nieuw wapen zou vinden.
Na eenigen tijd zwijgend door een bosch te zijn gegaan, kwamen zij aan een klein meer, zooals men dikwijls in dichte wouden verscholen vindt. Op het watervlak, dat donker beschaduwd werd door de boomen, die het meertje omringden, groeiden hier en daar waterplanten, een enkele blanke waterlelie dreef er tusschen, langs den oever schoten riet en biezen welig omhoog. Geen geluid verbrak de stilte van deze eenzame plek, het droomerig ruischen van den wind door de boomen en het kraken der dorre takken onder de voeten der tochtgenooten waren de eenige klanken, die vernomen werden. Vragend zag Arthur zijn grijzen begeleider aan, maar deze zweeg en wees slechts naar het midden van het meer.
Nieuwsgierig volgde de jeugdige vorst deze aanwijzing met de oogen, geen golfje beroerde het watervlak, tot plotseling uit de donkere diepte een arm omhoog stak, gehuld in wit fluweel, die een glinsterend zwaard omhoog hief.
Toen kwam er beweging in de gestalte van den ouden ziener; met een snel gebaar beduidde hij Arthur, om plaats te nemen in een bootje, dat tusschen het riet verborgen lag, en naar het midden van het meer te roeien, waar de hand hem wenkte. In een toestand van verbijstering gaf Arthur aan dit bevel gehoor en nam eerbiedig het zwaard uit de blanke hand aan, die daarop in het water verdween. Het was een wapen van groote schoonheid; de greep was van het zuiverste goud, bezet met flonkerende edelgesteenten en de kling was van het beste staal, sterk en veerkrachtig en glinsterend als zilver. In het goud van den greep waren letters gegrift in eene vreemde taal en langs den rand stond de naam van het zwaard te lezen:Excalibur.
Toen Arthur zich dien dag in het gevecht waagde en het zwaard Excalibur uit de scheede trok, werden zijne vijanden verblind door den schitterenden glans van het staal; ontzet deinsden zij achteruit en toen Arthur het wapen met krachtigen zwaai door de lucht bewoog, duurde het niet lang, of zij namen in wanorde de vlucht.
Jonge edelman en jonkvrouw onder boom.
Hoe de edelen er bij den koning op aan drongen, dat hij een huwelijk zou sluiten en hoe hij Merlijn vertelde van zijne liefde voor Ginevra.Toen Arthur het land eenigen tijd in vrede geregeerd had, begonnen de ridders en edellieden er op aan te dringen, dat hun koning een huwelijk zou sluiten, om te verhoeden, dat het rijk na zijn dood in vreemde handen zou overgaan. Als steeds wendde de koning zich tot Merlijn, om diens raad in te winnen. Toen de toovenaar hem vroeg, of hij zijne keuze reeds bepaald had, knikte de jongeling blozend van ja en op Merlijns verder aandringen vertelde hij hem het volgende.
Eenigen tijd tevoren was er een verzoek om hulp ingekomen van koning Leodogran van Cameliard, wiens landstreken te lijden hadden onder de invallen der heidenen. Getrouw aan zijne roeping om de boozen te bestrijden en de zwakken te helpen, waar hem daartoe de gelegenheid geboden werd, was Arthur met een leger naar Cameliard getrokken, om te zien, wat hij doen kon. Zoo was hij langs den burcht van koning Leodogran gereden te midden zijner ridders, gekleed als dezen in eene eenvoudige wapenrusting, een stalen helm op het hoofd, zooals hij op zijne veldtochten placht te dragen.
De bewoners van den burcht stonden op de wallen geschaard en begroetten het voorbijtrekkende leger met uitroepen van vreugde en dankbaarheid.
Maar Arthur zag niet op; zijn blik werd geboeid door eengroepje personen, die zich naast de poort van den burcht hadden opgesteld.
Daar, tegen den grijzen, verweerden slotmuur geleund, temidden harer dienaressen, stond de liefelijke gestalte van Ginevra, de eenige dochter van koning Leodogran en tuurde omhoog naar de voorbijrijdende ridderschaar, nieuwsgierig, wie van hen de jonge koning zou zijn. Weinig kon zij vermoeden, dat zij het hart van dengene, dien zij zocht, in vlam zette door hare lieftallige schoonheid en dat de herinnering aan haar den koning steeds bij zou blijven op zijn verderen tocht.
Wanneer hij dreigde te versagen in den strijd tegen de heidenen, die, met het boschachtig terrein van Cameliard bekend, hem van alle zijden bestookten, verscheen opnieuw het bekoorlijke beeld der jonge prinses voor zijn geest en scheen hem te smeeken, om vol te houden en haar te redden van de gevaren, die haar bedreigden. Dan greep hij met vaste hand zijn zwaard Excalibur en waagde zich in het dichtst van het krijgsgewoel, zijne manschappen door zijn persoonlijk voorbeeld aansporend tot vernieuwde krachtsinspanning.
Na een langen, hardnekkigen strijd gelukte het hem, de heidenen uit het land te verdrijven. Ook richtte hij eene slachting aan onder de wilde dieren, die de omgeving door hunne rooftochten onveilig maakten, en door de dichte wouden liet hij paden maken voor de ridders en jagers. Daarna keerde hij terug naar Camelot, vergezeld van de zegewenschen der gansche bevolking.
Nooit had hij echter de schoone Ginevra kunnen vergeten en nu er sprake was van een huwelijk, keerden zijne gedachten vanzelf terug naar het beeld van de eenige vrouw, die zijn hart had weten te bekoren.
Nadat hij dit alles aan Merlijn had medegedeeld, eindigde hij met de verklaring, dat hij prinses Ginevra en geene andere tot zijne echtgenoote begeerde, waarop hij zijn grijzen raadsman verzocht, hem bij de vervulling van dien wensch behulpzaam te willen zijn.
De oude toovenaar zweeg; somber staarden zijne oogen voor zich uit, zijn voorhoofd was in diepe rimpels samengetrokken, als werd zijn geest gepijnigd door een smartelijk visioen; eindelijk opende hij den mond tot spreken en zeide: “Sire, liever, duizendmaal liever had ik gezien, dat uwe keuze eene andere was geweest. Schoon is zij en bevallig, de jonge prinses, maar nochtans zal een huwelijk met haar u geen geluk brengen. Integendeel,” hier werd zijne stem luider en nadrukkelijker, “ik zie donkere wolken samenpakken aan den horizon, ik zie tweedracht en vijandschap, wantrouwen, afgunst en bedrog door haar toedoen de overmacht krijgen in uw rijk en het ten slotte ten val brengen. Daarom, o koning, kies u eene andere bruid. Er zijn vele schoone vrouwen in uw rijk, waarom zoudt gij deze ééne de voorkeur geven boven al hare zusteren?”
Arthur echter wierp het hoofd in den nek en barstte uit in een luiden lach. “Uwe neiging tot profeteeren wordt met den dag sterker, Merlijn,” riep hij uit, “en krijgt de overhand boven uw gezond verstand. Hoe kan nu een jong meisje, dat bovendien één en al onschuld en lieftalligheid is, een machtig rijk als het mijne ten val brengen? Wat weet zij van de kuiperijen en samenspanningen van het staatkundig leven, zij, die nooit buiten de muren van haars vaders paleistuin geweest is? Neen, uwe zwartgallige bespiegelingen kunnen mij niet van mijn plan terughouden! Ginevra wordt de mijne, wanneer haar vader tenminste mijn aanzoek om haar hand niet afslaat!”
Merlijn haalde gelaten de schouders op. “Tegen den overmoed der jeugd en den drang van het menschelijk hart valt niet te strijden,” zeide hij, “de toekomst zal leeren, wie van ons beiden gelijk heeft.” Maar Arthur luisterde nauwelijks naar zijne woorden; reeds woelden duizenden gedachten en voornemens door zijn brein en vóór alles vroeg hij zich af, wien hij onder zijne ridders zou belasten met de eervolle opdracht om bij koning Leodogran aanzoek te gaan doen om Ginevra’s hand en de jonge prinses naar zijne hoofdstad te geleiden. Lang behoefde hij niet te aarzelen,Lanceloet, den dappersten zijner ridders, zijn strijdmakker en boezemvriend zou hij verzoeken, die hooge taak op zich te nemen; geen, dat wist hij, zou er zich op waardiger wijze van weten te kwijten. Aldus geschiedde het.
Op een fraaien lentemorgen reed Lanceloet aan het hoofd van een talrijk gevolg de hoofdstad uit in de richting van Cameliard. Hij aanvaardde den tocht met gevoelens van dankbare voldoening, het geluk en het aanzien van zijn vorst gingen hem boven alles en dat deze hem nu uitverkoren had voor het volbrengen dezer gewichtige zending, vervulde hem met trots en vreugde.
Helaas! hoe weinig vermoedde hij welke noodlottige gevolgen deze reis met zich brengen zou!
Koning Leodogran aarzelde geen oogenblik, om zijne toestemming te geven tot het aanzoek des konings, integendeel, hij voelde zich ten hoogste vereerd en gevleid bij de gedachte, dat zijne dochter koningin zou worden van het machtige Britsche rijk. Toen hij Ginevra had medegedeeld, welke onderscheiding haar te beurt was gevallen, werd het jonge meisje beurtelings bleek en rood van vrees voor de onbekende toekomst en kinderlijk verlangen naar de weelde en eerbewijzen, die haar als koningin ten deel zouden vallen. Het kwam geen oogenblik bij haar op, om den wil haars vaders in deze te weerstreven, stipte gehoorzaamheid aan de bevelen harer ouders was haar van hare vroegste jeugd af ingeprent en ook in de keuze van haren echtgenoot was het haar niet vergund eene eigen meening te bezitten.
Weldra werden de toebereidselen gemaakt voor het vertrek der jonge prinses uit hare ouderlijke woning. Op den avond, vóór zij de reis naar haren bruidegom zou aanvaarden, riep de koning Lanceloet bij zich en sprak tot hem: “Heer ridder! morgen zult gij onze woning verlaten om onze dochter naar het hof van haren toekomstigen echtgenoot te voeren. Wij hebben ervoor gezorgd, dat hare uitrusting en bruidschat in overeenstemming zijn met den hoogen rang, dien zij zal bekleeden. Maar ook aan koning Arthur zelven zouden wij gaarne een passend bruidsgeschenkwillen aanbieden. Landstreken en kasteelen bezit hij in overvloed, talrijker en schooner dan ik ze hem geven kan. Toch weet ik iets, waar ik hem genoegen mee kan doen. Vele jaren geleden ontving ik van zijn vader, Uther Pendragon, dien ik in den strijd tegen de barbaren had bijgestaan, als belooning voor mijne hulp, de Tafel Ronde, waaraan honderd en vijftig ridders kunnen aanzitten. Tot heden ben ik er niet in geslaagd, hun aantal voltallig te maken, slechts honderd dappere mannen heb ik om mij heen kunnen verzamelen. Deze honderd nu en de Tafel zelve wil ik aan koning Arthur afstaan als blijk mijner ingenomenheid met het huwelijk mijner dochter. Wat dunkt u, zou een dergelijk geschenk den vorst welgevallig zijn?”
Vol vreugde dankte Lanceloet koning Leodogran uit naam van zijn heer voor zijne kostbare gift en den volgenden morgen vroeg werd de reis naar Camelot ondernomen.
In de heldere Mei-zon trok de stoet door de dichte wouden van Cameliard en bereikte weldra de grens van Arthurs rijk. Daar werd hij opgewacht door boodschappers van den koning, die Ginevra kostbare geschenken aanboden en haar uit zijn naam welkom heetten in haar nieuwe vaderland.
Het gezelschap, waarbij zich ook de honderd ridders der Tafel Ronde hadden aangesloten, was nu zóó talrijk geworden, dat het onmogelijk was, onder het rijden steeds bij elkander te blijven. Lanceloet en Ginevra reden meestal op eenigen afstand voor den overigen stoet uit. Geen oogenblik verloor de eerste de hem toevertrouwde prinses uit het oog, eerbiedig bleef hij haar ter zijde en poogde haar de ongemakken van den langen rit zooveel mogelijk te besparen. Ginevra zelve voelde zich als een vrijgelaten vogel, die uit de nauwe kooi is ontsnapt en jubelend het onbegrensde luchtruim invliegt. Hare gansche jeugd had zij doorgebracht in den burcht haars vaders en van de wereld daarbuiten kende zij slechts de sombere dennenbosschen van Cameliard, waaruit de zon nooit de donkere schaduwen geheel wist te verdringen.
De levenswijze aan het hof van koning Leodogran was zeereenvoudig en huiselijk en het bestaan der jonge prinses verschilde dan ook niet veel van dat der edelvrouwen in de riddersloten uit hare omgeving.
En nu? Hoe geheel verschillend was dit nieuwe landschap van dat harer geboortestreek! Om haar heen golfden de velden van Brittannië, badend in het schitterend licht der lentezon. Overal groeide en bloeide het, dat het een lust was om te zien, soms scheen het, of zij door eene zee van bloemen en welig opschietende gewassen reden, waartusschen de pooten der paarden geheel schuil gingen. In de helderblauwe lucht jubelden en kweelden de vogels; om haar heen zoemden de bijen; het was, of de geheele natuur feest vierde, het wonderschoone, altijd nieuwe feest der lente. Soms ook voerde hun weg door een boschrijk gebied, maar hoe verschillend waren deze loofbosschen met hun teergroen bladerdak, afstekend tegen den onbewolkten voorjaarshemel, van de sombere wouden om haar vaderlijk slot!
Hier drongen de koesterende zonnestralen tot op den bemosten bodem, waar zij lichtplekjes tooverden van vreemden, steeds wisselenden vorm, hier sprongen de eekhorentjes met kluchtige sprongen van tak op tak en bouwden de vogels hunne nesten onder het beschuttende loover, hier was het àl leven, jong, dartel leven, dat men hoorde en zag!
Maar niet alleen de schoone natuur om haar heen, deed het hart der jonge prinses luide kloppen, de hulde en eerbied, die men haar alom bewees, waren daar mede de oorzaak van. Zij genoot volop van die nieuwe gewaarwording, het middelpunt te zijn van eene bewonderende, eerbiedig buigende omgeving. Met kinderlijk genot liet zij zich door hare dienstmaagden helpen en bedienen en haar hart klopte luide van trots en voldoening, wanneer zij de eerbiedig knielende ridders genadiglijk tot den handkus toeliet.
Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.
Koningin Ginevra op weg naar haren toekomstigen echtgenoot.
De overgang was ook zoo groot, van haar eenvoudig meisjesleven naar den rang van koningin, geen wonder, dat hare plotselinge vrijheid en al het fraais, waarmede men haar omringde,haar als ’t ware bedwelmden, gelijk een prikkelende wijn de zinnen der menschen bedwelmt. Het kwam haar soms voor als een droom, dat zij het was, Ginevra, die men aansprak met “Hooge Vrouwe”, voor wie men draafde en liep om het haar naar den zin te maken, die des avonds, wanneer de zon begon te dalen, hare tenten opgeslagen vond op eene beschutte plek en zich daar liet bedienen en verzorgen tot het oogenblik dat zij zich uitstrekte op eene zachte legerstede; die overladen werd met de fraaiste geschenken, en—dit kwam haar nog het wonderlijkst en schoonst van alles voor—die den ganschen dag een jong en hoffelijk ridder aan hare zijde vond, wiens levenstaak het scheen te zijn, hare reis zoo aangenaam mogelijk te maken. Nu, daar slaagde hij dan ook volkomen in, zoo verzekerde zij hem meermalen met de kinderlijke onbevangenheid, die haar in de oogen van haren begeleider zoo bekoorlijk maakte. Hij was de eerste jonge man, met wien zij langeren tijd alleen vertoefde en als vanzelf liet zij hem deelen in de vreugde en blijdschap over haar nieuw bestaan. Al hare opgetogenheid over de schoone natuur, hare lang gewenschte vrijheid, het heerlijke lenteweer en de fraaie geschenken van haren bruidegom vertrouwde zij hem toe in opgewonden bewoordingen. Wanneer zij dan zoo vroolijk babbelend naast hem voortreed, gevoelde Lanceloet, die gewoon was aan den omgang met de vormelijke edelvrouwen aan het hof, zich diep ontroerd door den natuurlijken eenvoud van hare ziel, welker aandoeningen zij zoo onbevangen voor hem bloot legde en zijn hart werd door medelijden bewogen, wanneer hij bedacht, hoeveel dit eenvoudige kind nog zou moeten leeren, alvorens zij zich geheel aangepast had aan de strenge etiquette van het hof.
Soms gebeurde het, dat Ginevra in eene plotselinge bui van dartelheid haar paard de sporen gaf en van zijne zijde wegvluchtte. Hij was dan wel genoodzaakt, haar te volgen, al strookte een dergelijk spel niet geheel met den eerbied, dien hij aan zijne toekomstige meesteresse verschuldigd was. Maar wanneer hijhaar dan had ingehaald en zij zich lachend en hijgend gewonnen gaf, met blozende wangen en oogen, die glinsterden van vreugde en levenslust, kon hij het niet over zich verkrijgen, dien gelukkigen lach van haar gelaat te verdrijven door eene toespeling te maken op de plichten van haren toekomstigen staat.
Wanneer zij het overige gezelschap door hun dollen rit geheel uit het oog hadden verloren, gaf ook hij zich geheel over aan de bekoring van dit samenzijn, alleen met dit jonge, lieftallige kind, in die bloeiende lentewereld en ook hij voelde zich als verjongd, nu hij het stijve pantser der hoofsche gebruiken voor eene wijle van zich af kon schudden en jong kon zijn met haar.
Ornamentale tak.
Hoe Ginevra en Lanceloet liefde voor elkander opvatten.Zoo verliepen de dagen in onbezorgd genieten, maar weldra kwam er eene merkbare verandering in de houding der jonge lieden. Ginevra’s vroolijk gesnap werd meermalen onderbroken door lange poozen van stilzwijgen, waarin het jonge meisje mijmerend voor zich uit staarde. ’s Avonds viel ze niet, als in de eerste dagen van hun tocht terstond in een vasten, droomloozen slaap, waaruit zij eerst den volgenden morgen verkwikt ontwaakte; neen, zij lag langen tijd te woelen tusschen de donzen kussens van haar rustbed en wanneer zij eindelijk insliep, had zij onrustige droomen, waarin haar toekomstige echtgenoot onder allerlei vreemde gestalten voor haar verscheen.
Ook Lanceloet had de rust en de blijde tevredenheid der eerste dagen verloren. Hij moest zich geweld aandoen, om vroolijk en natuurlijk te schijnen, soms beklemde hem een gevoel van bange vrees voor de toekomst; dan weer joeg eene vreemde onrust hem in de eenzaamheid en vermeed hij Ginevra’s gezelschap zooveel hij maar kon.
Eindelijk kwam de ontknooping; op een zoelen Mei-avond hadden zij langen tijd zwijgend naast elkander voortgereden,toen plotseling als door eenzelfde ingeving gedreven, beiden de oogen opsloegen en elkander aanzagen. In dien blik verrieden zij het geheim, dat zij zoo angstig hadden pogen te verbergen, thans was het uit met veinzen; wat zij zoo langen tijd hadden gehoopt en gevreesd was nu tot zekerheid geworden. Geen woord werd er tusschen hen gewisseld, maar beiden wisten met onweerlegbare stelligheid dat zij elkander toebehoorden, eens en voor altijd.
Eindelijk kwamen de torens van Camelot in het gezicht. Luid bazuingeschal en trompetgeschetter kondigden aan, dat hunne nadering op het kasteel was opgemerkt; weldra wapperden bontgekleurde vaandels en banieren van alle torens en huizen en het volk van Camelot stroomde de poorten der stad uit, om zijne toekomstige vorstin te begroeten.
Weinige oogenblikken later heette Arthur zijne jonge bruid welkom binnen de muren van zijn voorvaderlijk slot. Het was een der schoonste oogenblikken in zijn leven, toen hij Ginevra daar zag binnentreden en in zijn hart dankte hij God, dat Hij hem de verwezenlijking van zijn schoonsten droom had toegestaan.
Toen koning Arthur vernam, welk eene kostbare gift hij van koning Leodogran als bruidsgeschenk ontvangen had, droeg hij Merlijn op, het getal der ridders aan te vullen door edellieden uit zijne eigen omgeving. Op den dag van het huwelijk des konings zou dan de plechtige inwijding der Tafel Ronde plaats hebben.
Ornamentale tak.
Hoe het huwelijk tusschen koning Arthur en Ginevra werd voltrokken.Weldra brak die dag aan, een stralende Meimorgen. In de kerk van den heiligen Stefanus in Camelot zegende Dubricius, Aartsbisschop van de stad der Legioenen, in tegenwoordigheid van het gansche hof en vele genoodigden, het huwelijk in tusschen Arthur en Ginevra. Met diep bewogen stem smeektehij Gods heiligen zegen af voor de verbintenis dier beide jonge menschen, daarna wees hij hen op de heilige plichten, die zij op zich hadden genomen, niet alleen jegens elkander, maar ook jegens hun volk. Ernstig, maar toch met eene uitdrukking van innige voldoening op zijn gelaat, hoorde Arthur naar de woorden van den grijzen geestelijke; vol hoop en vreugdevolle verwachting ging hij de toekomst tegemoet, bezield met de beste voornemens voor het heil van zijn land en zijn volk.
Dankbaar ging zijn oog over de schare in ’t wit gekleede ridders, die langs de trappen van het altaar stonden opgesteld; kon een man zich beteren steun wenschen dan deze? Toen bleef zijn blik rusten op de schoone vrouw aan zijne zijde en zijn hart begon onstuimig te kloppen van trots en geluk, zij bovenal zou hem helpen en bijstaan, zij zou zich met hem verheugen in den bloei van zijn rijk, maar zij zou ook de zorgen des levens met hem deelen en met hare zachte hand de rimpels van zijn voorhoofd weten weg te strijken. Inderdaad, wel mocht hij zich gelukkig prijzen en vol moed het leven ingaan, waar hij zulk eene vrouw en zulke vrienden naast zich had.
Daar werden de plechtige woorden gesproken, die Arthur en Ginevra tot man en vrouw maakten; tegelijk viel een heldere zonnestraal door de gekleurde kerkvensters en belichtte het jonge paar, dat eerbiedig voor het altaar lag neergeknield. Arthur hief het hoofd op en zag recht in het stralend zonnelicht, dat zijne haren als goud deed glanzen, maar de jonge bruid boog het hoofd nog dieper over haar saamgevouwen handen, als schuwde zij den lichtstraal, die naar binnen drong.
Eindelijk was de plechtigheid afgeloopen en vertoonden de jonggehuwden zich voor ’t eerst in hun nieuwen staat aan de juichende volksmenigte.
Dienzelfden middag had de inwijding der Tafel Ronde plaats. De koning nam plaats op eene kleine verhevenheid aan het hoofd zijner ridders, daarna sprak hij hen toe en zijne stem beefde van aandoening, toen hij hen smeekte, hem tot steun tewillen zijn bij zijn pogen, om zijn rijk tot bloei en welvaart te brengen. Hij wees hen op de groote macht van het kwade in de wereld en hij zwoer hun, steeds de boozen te zullen bestrijden en de zwakken en hulpeloozen te helpen.
Er was iets verhevens in de figuur van den jongen vorst, die bezield met de schoonste voornemens het leven inging; geen wonder, dat zijne woorden op alle aanwezigen diepen indruk maakten en menigeen de tranen in de oogen kreeg.
Nadat Arthur zijne ridders aldus had toegesproken, verbond hij hen door eeden van trouw en gehoorzaamheid om mede te werken tot verwezenlijking van zijne idealen. Plechtig klonk het “ja! dat zweren wij” uit hunne monden en een glans van voldoening gleed over ’s konings gelaat.
Daarna trad de bisschop van Canterbury naar voren en zegende de zetels der Tafel Ronde. Toen daarop het oogenblik was aangebroken, dat de ridders voor de eerste maal zouden gaan aanzitten, klonk een langgerekt bazuingeschal van de vier hoeken der wallen en was het of een warm gouden licht in de hooge ruimte der zaal drong. En ziet, toen zij opstonden, vonden zij hunne namen met vergulde letters in den rug hunner zetels gegrift.
In de volgende dagen werden de bruiloftsfeesten met grooten luister gevierd; de zalen van het koninklijk slot weergalmden van het gejoel der feestvierende menigte, op de grasvelden in het park deden de potsenmakers met hunne kluchtige sprongen en buitelingen de omstanders schudden van het lachen en in een hoek van den tuin vermaakte Arthurs hofnar het gezelschap met zijne dolle kwinkslagen. Vreugde en blijdschap heerschten alom, de ridders van de Tafel Ronde wedijverden in hoofsche voorkomendheid jegens de edelvrouwen; tot zelfs de natuur scheen feest te vieren met de menschen, want dag in dag uit straalde de zon aan den blauwen hemel en speelde de zoele zuidenwind tusschen het geboomte van het slotpark.
Stralend van geluk bewoog de jonge vorst zich onder de menigte zijner gasten. Voor elk hunner had hij een vriendelijkwoord en hij vervulde zijne gastheersplichten op de meest hoffelijke wijze.
Zoo begon Arthurs huwelijksleven, onder zang en dans en in eene wereld, die jong en schoon was als hij.
Kasteel.
1Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: “De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage.”
1Voor de geschiedkundige en legendarische overleveringen aangaande den persoon van Koning Arthur, zie inleidend hoofdstuk: “De Oorsprong en Ontwikkeling der Arthursage.”