Zittende leeuw.Van Iwein’s verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den leeuw.Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting van haren tegenstander.Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, de leeuw hem als een hond.Op aandoenlijke wijze trachtte het dier zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.Slapende jongeman onder boom.Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne ontmoeting aldaar.Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine’s echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze bekende dingen terug zag, die in hemde herinnering verlevendigden aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de smeeking daarvan niet kon weerstaan. “Dit arme dier heeft mij lief”, zoo dacht hij, “en ter wille van hem zal ik in ’t leven blijven.”Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het volgende: “Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?” Daarop volgde een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij op de deur van de kapelen vroeg dringend: “Wie zijt gij? en waarom klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u helpen”? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem weer te spreken, maar op geheel anderen toon. “Zou er werkelijk nog redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden”.Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein’s gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in hetschoone verleden zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd was? Met ontroerde stem sprak hij: “Wees niet langer bevreesd, Luned, ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te worden. Morgen zien wij elkander hier!”Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem toe, om zich voor ’t eerst na langen tijd aan een goed voorzienen disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige tranen weg.Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: “Weliswaarpast het mij niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden”.Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. “Ter wille van de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb ik mijn woord gegeven, om elders te strijden”. Groot waren de vreugde en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn borstelig haar stond recht overeind,zijne oogen rolden onheilspellend en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppuntgenaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte haar bleek en beschreid gelaat.“Gij komt juist op tijd, edele heer”, sprak zij, “ik vreesde reeds, dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den komenden strijd!”Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen zijne tegenstanders den leeuw zagen,die met dreigend opgeheven kop achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met den uitroep: “Zoo moge het allen verraders vergaan!”Groot was de vreugde allerwegen over Iwein’s overwinning, want de hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging gevolg te geven. “Zeg mij dan tenminste uwen naam”, sprak Laudine, “opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!” “Vrouwe, men noemt mij den Leeuwenridder”, antwoordde Iwein, “meer kan en wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!”Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek wist hij nog in ’t geheim eenige woorden met Luned te wisselen. “Bewaar het geheim van mijn naam”, verzocht hij haar, “maar wanneer gij iets voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken”.Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het land in beroering brachten.In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, was geheel bezijden dewaarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, langs diepe ravijnen en gapende bergkloven.De regen sloeg haar in ’t gezicht en doorweekte hare kleederen.de zon verblindde hare oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooalsafgesproken was, door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand met het schild erin omhoog en sprak: “Wakkere vijand! de vallende schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag van heden”. “Mij gaat het evenzoo”, antwoordde Walewein op hoffelijken toon, “nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wildaar gaarne aan voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der Orcadische eilanden.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard en snelde op Walewein toe met de woorden: “Walewein, mijn dappere, edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats gehad! Zie mij aan,ik ben Iwein, uw neef!” Groot was de vreugde over deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: “Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den edelen redder van jonkvrouwen!”Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte.Leeuw.Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met Laudine verzoent.Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen en als Laudine’s beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, hij zou zekerheid hebben!Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich in de verte.Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoozeide men, was aan de bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende regen op veld en akker neervielen.In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde ridder was, gaf haar ten antwoord: “Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling durft aanbinden?”“Ach neen, Luned”, antwoordde Laudine weenend, “gij weet toch, dat velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar hij....” hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend sloeg zij de handen voor het gezicht.“In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, dien men den Leeuwenridder noemt”, sprak Luned, “en gaarne zou ik hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult willen vervullen.” “Spreek! welke is die voorwaarde”, viel Laudine haar in de rede, “indien het in mijne macht staat haar te vervullen, zal ik niet aarzelen dit te doen.”“Welnu dan, luister!” zeide Luned, “deze ridder leeft sinds langen tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans bovenalles liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking verleenen?” Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te vervullen eisch verwacht. “Welzeker wil ik dat”, antwoordde zij vriendelijk, “voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door eene vrouw verstooten te worden!” “Zweer mij dan op dit heilig boek”, sprak Luned, “dat gij uw woord zult houden”, en Laudine voldeed aan haar verzoek.Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: “Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, die ge mij steldet, te vervullen!”Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: “Niemand kan dit beter dan gij”, sprak zij lachend, “en al moge dit u vreemd toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den Leeuwenridder eens goed in ’t gelaat ziet!”Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:“Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden,maar vraag mij niets meer!” Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van ’t eene avontuur naar ’t andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.Nu dan, zij zou goedertieren zijn en zekondit zijn, zonder gevaar voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, dat hij haar in zijne armen nam.Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine’s bezittingen en leidde met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de donkere wolken heeft verjaagd.
Zittende leeuw.Van Iwein’s verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den leeuw.Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting van haren tegenstander.Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, de leeuw hem als een hond.Op aandoenlijke wijze trachtte het dier zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.Slapende jongeman onder boom.Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne ontmoeting aldaar.Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine’s echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze bekende dingen terug zag, die in hemde herinnering verlevendigden aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de smeeking daarvan niet kon weerstaan. “Dit arme dier heeft mij lief”, zoo dacht hij, “en ter wille van hem zal ik in ’t leven blijven.”Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het volgende: “Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?” Daarop volgde een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij op de deur van de kapelen vroeg dringend: “Wie zijt gij? en waarom klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u helpen”? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem weer te spreken, maar op geheel anderen toon. “Zou er werkelijk nog redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden”.Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein’s gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in hetschoone verleden zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd was? Met ontroerde stem sprak hij: “Wees niet langer bevreesd, Luned, ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te worden. Morgen zien wij elkander hier!”Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem toe, om zich voor ’t eerst na langen tijd aan een goed voorzienen disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige tranen weg.Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: “Weliswaarpast het mij niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden”.Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. “Ter wille van de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb ik mijn woord gegeven, om elders te strijden”. Groot waren de vreugde en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn borstelig haar stond recht overeind,zijne oogen rolden onheilspellend en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppuntgenaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte haar bleek en beschreid gelaat.“Gij komt juist op tijd, edele heer”, sprak zij, “ik vreesde reeds, dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den komenden strijd!”Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen zijne tegenstanders den leeuw zagen,die met dreigend opgeheven kop achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met den uitroep: “Zoo moge het allen verraders vergaan!”Groot was de vreugde allerwegen over Iwein’s overwinning, want de hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging gevolg te geven. “Zeg mij dan tenminste uwen naam”, sprak Laudine, “opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!” “Vrouwe, men noemt mij den Leeuwenridder”, antwoordde Iwein, “meer kan en wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!”Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek wist hij nog in ’t geheim eenige woorden met Luned te wisselen. “Bewaar het geheim van mijn naam”, verzocht hij haar, “maar wanneer gij iets voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken”.Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het land in beroering brachten.In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, was geheel bezijden dewaarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, langs diepe ravijnen en gapende bergkloven.De regen sloeg haar in ’t gezicht en doorweekte hare kleederen.de zon verblindde hare oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooalsafgesproken was, door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand met het schild erin omhoog en sprak: “Wakkere vijand! de vallende schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag van heden”. “Mij gaat het evenzoo”, antwoordde Walewein op hoffelijken toon, “nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wildaar gaarne aan voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der Orcadische eilanden.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard en snelde op Walewein toe met de woorden: “Walewein, mijn dappere, edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats gehad! Zie mij aan,ik ben Iwein, uw neef!” Groot was de vreugde over deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: “Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den edelen redder van jonkvrouwen!”Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte.Leeuw.Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met Laudine verzoent.Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen en als Laudine’s beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, hij zou zekerheid hebben!Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich in de verte.Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoozeide men, was aan de bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende regen op veld en akker neervielen.In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde ridder was, gaf haar ten antwoord: “Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling durft aanbinden?”“Ach neen, Luned”, antwoordde Laudine weenend, “gij weet toch, dat velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar hij....” hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend sloeg zij de handen voor het gezicht.“In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, dien men den Leeuwenridder noemt”, sprak Luned, “en gaarne zou ik hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult willen vervullen.” “Spreek! welke is die voorwaarde”, viel Laudine haar in de rede, “indien het in mijne macht staat haar te vervullen, zal ik niet aarzelen dit te doen.”“Welnu dan, luister!” zeide Luned, “deze ridder leeft sinds langen tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans bovenalles liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking verleenen?” Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te vervullen eisch verwacht. “Welzeker wil ik dat”, antwoordde zij vriendelijk, “voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door eene vrouw verstooten te worden!” “Zweer mij dan op dit heilig boek”, sprak Luned, “dat gij uw woord zult houden”, en Laudine voldeed aan haar verzoek.Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: “Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, die ge mij steldet, te vervullen!”Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: “Niemand kan dit beter dan gij”, sprak zij lachend, “en al moge dit u vreemd toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den Leeuwenridder eens goed in ’t gelaat ziet!”Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:“Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden,maar vraag mij niets meer!” Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van ’t eene avontuur naar ’t andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.Nu dan, zij zou goedertieren zijn en zekondit zijn, zonder gevaar voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, dat hij haar in zijne armen nam.Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine’s bezittingen en leidde met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de donkere wolken heeft verjaagd.
Zittende leeuw.
Van Iwein’s verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den leeuw.Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.
Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting van haren tegenstander.
Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, de leeuw hem als een hond.Op aandoenlijke wijze trachtte het dier zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.
Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.
Slapende jongeman onder boom.
Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne ontmoeting aldaar.Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine’s echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze bekende dingen terug zag, die in hemde herinnering verlevendigden aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de smeeking daarvan niet kon weerstaan. “Dit arme dier heeft mij lief”, zoo dacht hij, “en ter wille van hem zal ik in ’t leven blijven.”
Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het volgende: “Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?” Daarop volgde een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij op de deur van de kapelen vroeg dringend: “Wie zijt gij? en waarom klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u helpen”? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem weer te spreken, maar op geheel anderen toon. “Zou er werkelijk nog redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden”.
Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein’s gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in hetschoone verleden zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd was? Met ontroerde stem sprak hij: “Wees niet langer bevreesd, Luned, ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te worden. Morgen zien wij elkander hier!”
Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem toe, om zich voor ’t eerst na langen tijd aan een goed voorzienen disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige tranen weg.
Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: “Weliswaarpast het mij niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden”.
Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. “Ter wille van de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb ik mijn woord gegeven, om elders te strijden”. Groot waren de vreugde en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.
Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn borstelig haar stond recht overeind,zijne oogen rolden onheilspellend en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.
Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppuntgenaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.
Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.
Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte haar bleek en beschreid gelaat.
“Gij komt juist op tijd, edele heer”, sprak zij, “ik vreesde reeds, dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den komenden strijd!”
Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen zijne tegenstanders den leeuw zagen,die met dreigend opgeheven kop achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met den uitroep: “Zoo moge het allen verraders vergaan!”
Groot was de vreugde allerwegen over Iwein’s overwinning, want de hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging gevolg te geven. “Zeg mij dan tenminste uwen naam”, sprak Laudine, “opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!” “Vrouwe, men noemt mij den Leeuwenridder”, antwoordde Iwein, “meer kan en wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!”
Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek wist hij nog in ’t geheim eenige woorden met Luned te wisselen. “Bewaar het geheim van mijn naam”, verzocht hij haar, “maar wanneer gij iets voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken”.
Luned beloofde gaarne zulks te doen en nadat zij hem nogmaals haar innigen dank had betuigd, reed Iwein verder. Hij kwam echter slechts moeilijk vooruit, want de vele verwondingen, die hij in den strijd had opgeloopen, maakten het hem bijna onmogelijk zich in het zadel overeind te houden en ook de leeuw sleepte zich moeizaam verder. Toen hij dus na korten tijd voorbij de muren van een slot kwam, aarzelde hij niet, daar een onderkomen te verzoeken. De ontvangst, die men hem bereidde, overtrof zijne stoutste verwachtingen. De bewoners omringden hem en zijn leeuw met vriendelijke zorgen, zij ontdeden hem van zijne wapenrusting en kleederen, wieschen zijne wonden en bestreken ze met een pijnstillend middel en geleidden hem toen naar een luchtig vertrek waar hij, na een hartig maal genoten te hebben, eene zachte legerstede vond om zijne vermoeide en stijve ledematen op uit te strekken.
In deze gastvrije omgeving nemen wij tijdelijk afscheid van onzen held om onzen blik te richten op andere gebeurtenissen, welke het land in beroering brachten.
In een naburig graafschap woonden twee zusters, die na den dood van haar vader in strijd waren geraakt over de verdeeling zijner nagelaten bezittingen. De oudste der beiden, eene valsche, begeerige vrouw, was niet tevreden met het deel der goederen, dat haar, rechtens haars vaders laatste beschikkingen, was toegewezen en in alle stilte ging zij naar het hof, om een ridder te zoeken, die de andere helft der bezittingen voor haar zou willen bemachtigen. De beschrijving, die zij den koning van haren toestand en de houding harer zuster gaf, was geheel bezijden dewaarheid en zij wist haar verhaal op zulk eene aandoenlijke wijze voor te dragen, dat Walewein, tot wien zij zich richtte, haar beloofde het zwaard voor haar op te nemen. Hij verzocht haar echter onder geene voorwaarde zijn naam te noemen. Intusschen had de jongere zuster ingezien, dat zij zonder geweld van wapenen haar rechtmatig erfdeel nooit zou kunnen behouden; ook zij begaf zich dus naar het hof om de hulp van een ridder in te roepen.
Walewein, wien zij om hulp verzocht, moest haar echter zijn steun ontzeggen, al deelde hij haar de reden zijner weigering niet mede.
Diep teleurgesteld bezon de jonkvrouw zich, tot wien zij zich nu zou wenden, maar geen der andere ridders boezemde haar zóóveel vertrouwen in, als juist Walewein. Toen gebeurde het, dat er aan het hof geruchten doordrongen over den moed en de behendigheid van den Leeuwenridder. De edelman, wiens zonen Iwein uit de handen van den reus had verlost, kwam aan het hof en gaf in geestdriftige bewoordingen uiting aan zijne dankbaarheid jegens den onbekende, die hem en den zijnen onschatbare diensten had bewezen. Hij vertelde Walewein, hoe de vreemde ridder zich zijn vriend had genoemd en hoe hij het heldenfeit gedeeltelijk om zijnentwille volbracht had. Toen de jonkvrouw zooveel hoorde spreken over dezen befaamden Leeuwenridder, die, zoo zeide men, reeds eenmaal eene jonkvrouw van den brandstapel gered had, besloot zij aan hem en geen ander te vragen, of hij haar helpen wilde. Zij verzocht den koning, haar veertig dagen uitstel van vonnis te geven, wat haar werd toegestaan en nog dienzelfden dag besteeg zij haren telganger om haren moeilijken tocht te ondernemen. Dagen achtereen reed zij voort, maar nergens kon zij een spoor ontdekken van hem, dien zij zocht. Wel hadden alle menschen, die zij op haren weg ontmoette, wondere verhalen gehoord over de heldendaden van den Leeuwenridder, maar niemand wist te zeggen, waar hij zich op het oogenblik bevond. Wanhopig vervolgde het arme meisje haren tocht: door bosschen en velden, langs diepe ravijnen en gapende bergkloven.De regen sloeg haar in ’t gezicht en doorweekte hare kleederen.de zon verblindde hare oogen en verschroeide hare teedere huid, maar zij sloeg geen acht op dit alles en reed voort, altijd voort, zich slechts terwille van haar paard nu en dan eenige uren rust gunnend. Zoo kwam zij ook aan het kasteel van Laudine, waar men haar vertelde van de bevrijding van Luned en van de vreeselijke straf, die de vreemde ridder haren beschuldigers had doen ondergaan. Toen zij verzocht te mogen vernemen, in welke richting de Leeuwenridder vertrokken was, bracht men haar naar Luned, die haar op vriendelijke wijze te woord stond en zelfs aanbood haar een eindweegs te vergezellen, tot aan de plaats waar zij haren redder vaarwel had gezegd. Toen reed de jonkvrouw weer op goed geluk verder en kwam weldra aan het kasteel waar Iwein zoo liefderijk verpleegd was. Op hare vraag of men aldaar ook een ridder kende, die vergezeld van een leeuw door het land trok op avontuur, kreeg zij tot hare groote vreugde ten antwoord, dat hij, dien zij zocht, slechts eenige uren tevoren, het slot had verlaten en dat de hoefsporen van zijn paard nog duidelijk den weg aangaven, dien hij gekozen had.
Bij het vernemen van deze blijde tijding besteeg de jonkvrouw ijlings weer haren telganger en reed in snellen draf in de aangeduide richting. Weldra bespeurde zij in de verte, een ruiter, die zich slechts langzaam voortbewoog. Spoedig had zij hem ingehaald en gelukkig bleek het de lang gezochte te zijn. In korte bewoordingen legde zij hem haar geval uiteen en terstond beloofde Iwein haar te zullen helpen. Te zamen trokken zij nu op naar het hof van koning Arthur, waar zij korten tijd vóór den afloop van den gestelden termijn aankwamen. Toen de dag was aangebroken, waarop de zaak der zusters beslist zou worden, liet de koning haar beiden voor zich verschijnen en trachtte nogmaals door eene minnelijke schikking het geschil tot eene oplossing te brengen. De jongste zuster was geneigd om hiertoe mede te werken, maar de oudste, die hare verwachtingen bouwde op den sterken arm van Walewein, weigerde hooghartig om met welke schikking dan ook genoegen te nemen. Zij stond er op, dat de zaak, zooalsafgesproken was, door een tweestrijd op leven en dood beslist zou worden. Daarbij rekende zij er op, dat hare zuster er niet in geslaagd zou zijn, een beschermer te vinden en indien zij er al een gevonden had, zou hij toch zeker niet opgewassen zijn tegen Walewein. De laatste had zich eenigen tijd tevoren uit de stad verwijderd en kwam nu op het vastgestelde tijdstip het strijdperk binnenrijden, gekleed in eene vreemde wapenrusting. Reeds wilde de oudste jonkvrouw zich smalend tot hare zuster wenden met de vraag, waar nu háár kampioen bleef, toen Iwein, die zich tot dusver in de stad verborgen had gehouden, in fiere houding van de andere zijde het perk binnenreed.
Weldra gaven drie korte bazuinstooten het sein, dat het gevecht een aanvang zou nemen en in gestrekten draf reden de beide ridders op elkander toe. Hadden zij zich slechts aan elkander bekend gemaakt, hoe geheel anders zou dan hunne ontmoeting geweest zijn! Nu sloegen de zwaarden met kletterend gedruisch tegen elkaar, de rossen steigerden en snoven en hulden de strijders in een wolk van opdwarrelend zand, de helmen weerkaatsten de felle zonnestralen en de kleurige schilden zwaaiden van de eene zijde naar de andere. Het scheen of het gevecht eindeloos zou voortduren, nu eens was het of Iwein, dan weer of Walewein de zege zou behalen, maar steeds wist de andere partij zich te herstellen en wierp zich met vernieuwde woede in den strijd. Toen eindelijk de avond begon te vallen en de duisternis de beide helden aan het oog der toeschouwers dreigde te onttrekken, hief Iwein de hand met het schild erin omhoog en sprak: “Wakkere vijand! de vallende schemering maakt het ons onmogelijk, om verder te strijden. Niemand zal het ons ten kwade duiden, indien wij ons gevecht staken. Vóór wij echter scheiden, zeg mij, bid ik u, wie gij zijt want nog nooit heb ik zulk een sterken tegenstander te bestrijden gehad, als op den dag van heden”. “Mij gaat het evenzoo”, antwoordde Walewein op hoffelijken toon, “nimmer nog had ik zóóveel moeite om mij tegenover mijn vijand staande te houden. Wat nu uw verzoek betreft, ik wildaar gaarne aan voldoen. Mijn naam is Walewein en ik ben de zoon van Lot, koning der Orcadische eilanden.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Iwein wierp zijn zwaard ver van zich af, sprong van zijn paard en snelde op Walewein toe met de woorden: “Walewein, mijn dappere, edele vriend! Welk een afschuwelijk misverstand heeft hier plaats gehad! Zie mij aan,ik ben Iwein, uw neef!” Groot was de vreugde over deze ontmoeting, de beide vrienden omarmden elkander en stortten tranen van aandoening over dit treffend wederzien. Daarna begaven zij zich naar den koning, waar een edelmoedige strijd begon over de vraag, wien de lauweren der overwinning toekwamen. Iwein wilde ze aan Walewein en deze wederkeerig aan Iwein toegekend zien. Eindelijk besloten zij de beslissing aan den koning over te laten en deze sprak in tegenwoordigheid van het gansche hof het eindvonnis uit, waarbij de bezittingen gelijkelijk onder de zusters werden verdeeld.
Daarop gaf hij last, de wonden der beide helden door bekwame heelmeesters te doen onderzoeken en verbinden. Terwijl men hiermede bezig was rende plotseling onder vervaarlijk gebrul de leeuw het paleis binnen. Sinds vroeg in den morgen zocht hij zijn meester, want Iwein had hem in alle stilte en heimelijk verlaten, opdat het trouwe dier zijn vertrek niet zou bemerken. Toen de leeuw zijn heer nu terugvond uitte hij zijne vreugde door in groote sprongen om hem heen te loopen, zijne handen en voeten te likken en een luid gebrul uit te stooten. De hovelingen, die aanvankelijk bij het zien van den leeuw vol schrik waren weggevlucht, maar op eenige geruststellende woorden van Iwein weer naderbij kwamen, riepen vol vreugde uit: “Heil den Leeuwenridder! den dapperen bestrijder van reuzen, den edelen redder van jonkvrouwen!”
Toen Walewein zag, dat de befaamde Leeuwenridder en Iwein één en dezelfde persoon waren, dankte hij hem voor wat hij voor zijne zuster gedaan had; en vervolgens begaven de beide vrienden zich naar de feestzaal van het paleis, waar een rijk voorziene disch hen wachtte.
Leeuw.
Hoe Iwein zich opnieuw naar de bron begeeft en hoe hij zich met Laudine verzoent.Na eenige dagen rust genoten te hebben, maakte Iwein zich weer reisvaardig, ondanks de dringende smeekbeden van zijne vrienden, die hem althans eenigen tijd aan het hof wenschten te behouden. Hij kon niet langer bevrediging vinden in de afleidingen van het hoofsche leven, zijn hart werd nog steeds verteerd van verlangen naar Laudine en temidden van de vroolijkste jachtpartijen en uitbundigste feestgelagen verviel hij somtijds in een droef gepeins, waaruit zijne vrienden hem slechts met moeite wisten los te rukken.
Daarom maakte hij zich op zekeren morgen, toen alle bewoners van het kasteel nog sliepen, reisvaardig en trok opnieuw de wereld in. Als vanzelf stuurde hij zijn paard in de richting van de bron en niet lang daarna stond hij weer onder de breede takken van den ouden boom. Door nieuwsgierigheid gedreven, greep zijne hand naar den ketting. Wat zou er gebeuren indien hij opnieuw de toovermachten uit de bron opriep? Zou een ander ridder zijn plaats hebben ingenomen en als Laudine’s beschermer aan den horizont verschijnen? Hij moest, hij zou zekerheid hebben!
Met vaste hand liet hij den schotel in de bron neerdalen, haalde haar gevuld omhoog en schudde eenige waterdroppels op den steen.
Terstond herhaalden zich de hem bekende natuurverschijnselen. De donder rommelde, de bliksemstralen schoten langs den donkeren hemel en de hagelsteenen kletterden ratelend op hem neer. In spanning wachtte hij het einde van het onweer af. Eindelijk werd de lucht weer blauw, de vogels streken neer op den boom, maar geen ruiter vertoonde zich in de verte.
Terwijl Iwein links en rechts spiedde of er geen ridder ter verdediging van de bron opdaagde, heerschten in het kasteel van Laudine groote angst en verslagenheid. Een vreemde ridder, zoozeide men, was aan de bron verschenen en had de tooverkrachten, die daarin verscholen lagen, in werking gesteld. Ten gevolge van deze daad dreunde het slot weldra op zijn grondvesten en de angstige bewoners, die in groepen bij de vensters in de groote zaal stonden samengeschoold, tuurden angstig naar buiten, in de onheilspellende duisternis. Nu en dan verlichtte een kronkelende bliksemflits het landschap en toonde aan de bevende toeschouwers, hoe de zware hagelsteenen als een vernieling brengende regen op veld en akker neervielen.
In wanhoop wrong Laudine hare handen en vertwijfeld vroeg zij zich af, wat er straks geschieden zou, wanneer de vreemde ridder niemand vond om hem voor zijn onheilsdaad te straffen. Ten einde raad wendde zij zich om steun tot Luned en deze, die wel vermoedde, wie de vreemde ridder was, gaf haar ten antwoord: “Hooge Vrouwe! het is moeilijk u te raden, want gij verkeert inderdaad in een zeer benarden toestand. Is er dan niet één onder uwe ridders, die den strijd tegen den vreemdeling durft aanbinden?”
“Ach neen, Luned”, antwoordde Laudine weenend, “gij weet toch, dat velen hunner afwezig zijn en dat er voor deze onderneming meer moed en zelfopoffering noodig zijn, dan ik onder degenen, die hier zijn, zal kunnen vinden. Één was er, die niet geaarzeld zou hebben, maar hij....” hier werd haar stem door snikken onderbroken en luid klagend sloeg zij de handen voor het gezicht.
“In dat geval ken ik slechts één man, die u helpen kan en dat is hij, dien men den Leeuwenridder noemt”, sprak Luned, “en gaarne zou ik hem voor u gaan zoeken, ware het niet dat hij slechts onder ééne voorwaarde u zal willen helpen en ik weet niet, of gij die zult willen vervullen.” “Spreek! welke is die voorwaarde”, viel Laudine haar in de rede, “indien het in mijne macht staat haar te vervullen, zal ik niet aarzelen dit te doen.”
“Welnu dan, luister!” zeide Luned, “deze ridder leeft sinds langen tijd in onmin met zijne gemalin, die hij nochtans bovenalles liefheeft. Hij kent geen anderen wensch op aarde dan zich met haar te verzoenen en eischt van elk, wien hij zijn diensten aanbiedt, dat hij of zij alles zullen doen, wat in hun vermogen ligt, om die verzoening tot stand te brengen. Wilt ook gij daartoe uwe medewerking verleenen?” Laudine ademde verruimd op, zij had een moeilijker te vervullen eisch verwacht. “Welzeker wil ik dat”, antwoordde zij vriendelijk, “voorwaar, zulk een dapper, edel man verdient niet door eene vrouw verstooten te worden!” “Zweer mij dan op dit heilig boek”, sprak Luned, “dat gij uw woord zult houden”, en Laudine voldeed aan haar verzoek.
Daarop begaf de trouwe dienares zich in aller ijl naar de bron, waar zij haar vermoeden bewaarheid vond. Iwein zat onder den boom, en staarde peinzend voor zich uit, het hoofd gesteund op de hand. Vóór hem lag de leeuw, met zijn trouwen blik op het gelaat zijns meesters gericht. Toen deze Luned zag naderen, sprong hij verheugd op, want aan de uitdrukking van haar gelaat zag hij, dat zij goede tijding bracht. Nadat hij van haar vernomen had, welke plechtige belofte zij Laudine had afgedwongen, kende zijne blijdschap geene grenzen meer en ontroerd kuste hij haar de hand met tranen van vreugdevolle dankbaarheid in de oogen. Zonder een oogenblik te verliezen begaven zij zich op weg naar het kasteel, waar hunne nadering met vreugdekreten werd begroet. De tijding van hunne aankomst drong spoedig door tot Laudine, die bij het hooren ervan een zucht van blijde verlichting slaakte. Terstond gaf zij bevel, den vreemdeling in hare vertrekken te ontbieden en weldra traden Luned en de Leeuwenridder hare kamer binnen. Toen Iwein voor den zetel was gekomen van haar, die hij zoo innig liefhad, naar wie al zijne verlangens, al zijn denken en streven der laatste jaren waren uitgegaan, viel hij eerbiedig op de knieën voor haar neer en drukte den zoom van haar kleed aan zijne lippen. Laudine echter stak hem vriendelijk de hand toe, deed hem opstaan en zeide: “Heb dank, dat gij gekomen zijt, edele Heer! en weest overtuigd dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen ligt, om de voorwaarde, die ge mij steldet, te vervullen!”
Hier kwam Luned op vroolijken toon tusschenbeide: “Niemand kan dit beter dan gij”, sprak zij lachend, “en al moge dit u vreemd toeschijnen, gij zult mijne woorden beter begrijpen, wanneer gij den Leeuwenridder eens goed in ’t gelaat ziet!”
Iwein begreep, dat het beslissende oogenblik gekomen was, hij sloeg langzaam het vizier omhoog en zag Laudine smeekend aan. Deze deinsde achteruit met een kreet van schrik en allerlei verschillende gewaarwordingen doorkruisten hare ziel. Een blik op Iweins gelaat deed het geheele verleden in haar ontwaken; zij doorleefde weer het volmaakte geluk der eerste huwelijksmaanden, de smart om de wreede scheiding, het smachtend verlangen naar Iweins terugkomst, gevolgd door het gevoel van bittere vernedering, toen de termijn verstreek, zonder dat hij tot haar wederkeerde. Daarna de lange strijd tusschen haar trots en haar liefde, waarin ten slotte de laatste, naar zij meende, de nederlaag had geleden. Vreemd, nu hij daar vóór haar stond en haar aanzag met dien innigen, smeekenden blik scheen het of de muur van gekrenkten hoogmoed, dien zij met zooveel strijd en moeite tusschen hen beiden had opgetrokken, als sneeuw versmolt voor de zon harer liefde, die haar woorden van vergeving en teederheid naar de lippen drong en die haar de handen naar hem deed uitstrekken in een gebaar van hulpeloos verlangen. Maar neen, zij kon en wilde zich niet zoo gewonnen geven! Had zij dan geen trots meer, was zij vergeten, hoe deze man haar gekrenkt en vernederd had en haar tot een voorwerp van spot en beklag had gemaakt in de oogen harer dienaren? Neen, duizendmaal neen! liever sterven van verdriet en verlangen dan hem toonen, hoe groot de macht was, die hij over haar bezat. Met geweld dwong zij de woorden van liefde terug, welke haar op de lippen zweefden en toen zij sprak, was haar stem ijskoud:
“Wat beduidt dit vreemde spel, Heer ridder? Is het nog niet genoeg, dat gij mij eens voorgelogen hebt? Wilt gij thans ten tweede male misbruik maken van mijn goed vertrouwen? Welnu dan, wees gerust, den eed, dien ik gezworen heb, zal ik houden,maar vraag mij niets meer!” Vóór zij zich evenwel kon afwenden, begon Iwein te spreken. Hij vertelde haar alles, wat hem in de laatste jaren overkomen was; hij smeekte haar om vergiffenis voor wat hij misdreven had en verhaalde haar, wat er sindsdien gebeurd was; hij beschreef haar zijn waanzin, zijn rusteloos zwerven, zijn dwalen van ’t eene avontuur naar ’t andere en zijne blijdschap, toen hij eene kans zag om zich met haar te verzoenen. Uit dit alles sprak zooveel eerlijk schuldbewustzijn, maar ook zooveel innige liefde, dat Laudine het steeds moeilijker vond, om zich tegen den verzachtenden invloed, die van zijne woorden uitging, te verzetten. Peinzend zag zij op hem neer. Wat zou zij doen? Haar gevoel van eigenwaarde eischte van hem eene volledige boete, welnu, die had hij gedaan. Als een berouwvol zondaar lag hij voor haar nedergeknield, het hing slechts van haar af, of hij eindeloos gelukkig, dan wel diep rampzalig uit die houding zou opstaan.
Nu dan, zij zou goedertieren zijn en zekondit zijn, zonder gevaar voor zichzelve. Immers, deze man, dat voelde zij duidelijk, zou haar nooit weer verlaten en haar wil zou voortaan ook de zijne zijn.
Toen Iwein dan ook zijn verhaal beëindigd had en haar met eene stomme vraag in de oogen aanzag, reikte zij hem hare beide handen en liet toe, dat hij haar in zijne armen nam.
Daarmede namen de zwerftochten van den Leeuwenridder een einde. Hij aanvaardde opnieuw het beheer over Laudine’s bezittingen en leidde met haar samen een lang en gelukkig leven. Nooit ontstond er meer eenige verwijdering tusschen hen en de liefde, die zij elkander toedroegen, maakte hun leven gelijk aan een klaren, blauwen hemel, zooals wij dien zien, wanneer de storm is uitgewoed en de wind de donkere wolken heeft verjaagd.