Chapter 15

Stenen brug.Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken.De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen.Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen, wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de plaats van samenkomst aan te geven. Het beekjedroeg die takjes op den stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen, tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was.Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken.Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren.Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar—wat zag hij daar in het door de maan beschenen water—In de takken van den boom, welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het waren de koningen Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door Tristan’s brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk, nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet, al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet, daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan, waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen, nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon: “Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn, waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug, wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in de keuze van uw tijd!” Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: “Edele Vrouwe! ik liet u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappijover mijn land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof, zoodra hem zulks belieft!” “Inderdaad”, antwoordde Isolde, “ik heb medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen”.“Welnu dan”, hernam Tristan, “het zij zoo! Leugen en bedrog zijn machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht inzien, dat hij u aandoet.”Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter, die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning hem gunstiger gezind zou zijn dan thans.Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem: “Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt, kan met ons doen, wat hij wil en kan onzehulp en steun inroepen voor zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming.” “Wat bedoelt gij, liefste?” vroeg de koning. “Heer”, antwoordde Isolde, “bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden, werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u, zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar zijn land laat terugkeeren.”“Dat zal ik”, riep de vorst vol vreugde uit. “Nog heden zend ik een boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar naijver en boosheid hem verjaagd hadden.”Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van zijn herkregen geluk.Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan, den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden.Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnenwensch wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem allengezamenlijkden oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven, zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken.De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: “Sire, het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat, wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat verder dient te geschieden zal ik zorg dragen.”De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester, om hem een dringenden brief te overhandigen.De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet, dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken, om zijn plan te volvoeren.Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg zooeven ter kerke was getogen.In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen éénder muren was geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme, wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze, den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat hij den afstand, die hem van Isolde’s legerstede scheidde en toen alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem, zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte, innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin, die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij, dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend vanfelle smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in Tristan’s bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen, drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings reinigen van de smet, die eraan kleefde.Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den brandstapel geleid.De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken, waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als ’t ware in de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden.Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren, vatten post voor den ingang der kapel. Toenonze held zijne ziel had uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid bestaat voor kinderen en gelieven—zeker is het, dat Tristan’s leven als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand.Gezicht van melaatse.Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde.Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail, de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het strand,Tristan’s wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken, alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde.Wat was er intusschen met de koningin geschied?Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was, ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. “Ik zal dien verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven,” zoo sprak hij; “laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen van den brandstapel.” Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had.Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep, riep met drieste stem tot den vorst: “Sire, ons is ter oore gekomen, dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet, wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u, geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer gij haar den vuurdood laat sterven.”Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark, die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: “Zoo neem haar dan en doet met haar, wat gij wilt!”Daarbij dacht hij, dat hij inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied, zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde in de armen der melaatschen vervolgen.Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin, Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij hunne holen en schuilplaatsen hadden.Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten, in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd, zich wat hooger op en tot Tristan’s onbeschrijfelijke ontzetting herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef hij Isolde’s belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen.Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen.Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene, die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen.De gelieven vluchtten ver weg tot in ’t diepst van het woud, daar eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was, zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren, wat de koning tegen hen zou ondernemen.Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en wisten van geen koude.En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem, maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde, ’s Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen.Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen,dat hij hen lokken kon, waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink, de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel—een lied van liefde en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren.De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen, die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet.Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis, die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen, met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming veilig voortleefde, tothare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had, zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong, maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en verzadigenden overvloed.Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in het leven gemist!Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij Tristan ontwaarde.Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag, hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken, wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen, hoehij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn.Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende takken der boomen.Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen de groene struiken.Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem, zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep zij aan Tristan’s zijde.Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet, daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het stroompje genaderdwas, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen had kunnen overleveren—thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend, maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd, in elkanders armen—neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij met Tristan’s zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf, maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in ’s konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw zijn binnenste—zouden zij toch onschuldig zijn?Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan’s zwaard van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging hij peinzend heen.Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. “Voort, geliefde!” riep hij uit. “Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!”Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verderen verder trokken zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op, achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na, wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij, wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien, hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij zich soms nauwelijks staande kon houden.Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd, die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne armen en zeide met diep ontroerde stem: “Isolde! ik heb langen tijd nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en bentot de overtuiging gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het land, maar waar ik ook gaan moog’, waarheen het lot mij ook zende, mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander zijn.” “Tristan’s verlangen gaat uit naar daden van roem en eer”, zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: “Het zij zoo, Heer! Zonder u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde.” Zoo verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding.Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: “Sire! nog éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot, waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naamder vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten, om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen; wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!”Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen raad in te roepen. Hij las hun Tristan’s boodschap voor en vroeg met luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc, die, de kracht van Tristan’s arm kennend, zich niet met hem in het gevecht wenschte te begeven.Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem: “Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet, wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze bange onzekerheid?” Daarop antwoordde de grijze kanselier: “Mijn zoon, ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote; als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs, maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen, die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooalshij zelf voorstelt, voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan tegen te gaan.”Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper, die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen.De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen, het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak: “Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad, mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleiste komen voor een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt.” Tot in het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht.Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan’s handen over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle aanwezigen het hooren konden: “Heer koning! ik breng u hier Isolde, uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied.”Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten, waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren.Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: “Ik kan u niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig te hebben!” Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde trotsch: “Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop mij inden vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!” Daarop ging hij heen en Isolde volgde hem met hare blikken.Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan, wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren geliefde verraden had.Slang.Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef te doen ondergaan.Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende een jachtrit tot koning Mark: “Sire, wij allen weten thans, dat de koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en het volk zal tevreden zijn.”Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan hun verzoek te voldoen.In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den weg te ruimen.Daarom sprak zij: “Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve zal dan mijn getuige zijn!”Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd, daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende zijne hulp noodig te zullen hebben.Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der grensrivier. Aan de overzijde wachtte koningArthur hen reeds op, omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan, gekleed in een wijdenpelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon te maken om te landen. Daarop riep zij uit: “Zeg mij, edele heeren, hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet, ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij veilig aan wal dragen.”Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: “Liefste, wanneer wij op den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand vallen.” Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds omvat houdend.Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: “Laat hem met vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht.” Daarop reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte.Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkeleroodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden.Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed.Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden sprak: “Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden dan gij, mijn echtgenoot, en”—hier gleed een schalksche glimlach over haar gelaat—“de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken.”Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde’s handen waren blank en ongedeerd.Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen.Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben.In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met zijne jonge vrouw.Helaas! ze zouden weldra in rook verdaanToen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.—De tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten.Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard, waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw, tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen, welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen.Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De koning wendde zijne schreden daarheen,ging de doodelijk verschrikte Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar wachtte.Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin, juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde, zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven, ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en wekte Isolde. “Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt, moet ik verdwenen zijn!” Nog ééne omarming, een laatste stamelen van den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen.Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij, die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was.Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, hetvreeselijk visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit: “Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest, Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen, Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!”Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af, overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken.

Stenen brug.Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken.De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen.Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen, wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de plaats van samenkomst aan te geven. Het beekjedroeg die takjes op den stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen, tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was.Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken.Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren.Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar—wat zag hij daar in het door de maan beschenen water—In de takken van den boom, welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het waren de koningen Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door Tristan’s brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk, nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet, al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet, daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan, waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen, nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon: “Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn, waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug, wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in de keuze van uw tijd!” Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: “Edele Vrouwe! ik liet u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappijover mijn land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof, zoodra hem zulks belieft!” “Inderdaad”, antwoordde Isolde, “ik heb medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen”.“Welnu dan”, hernam Tristan, “het zij zoo! Leugen en bedrog zijn machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht inzien, dat hij u aandoet.”Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter, die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning hem gunstiger gezind zou zijn dan thans.Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem: “Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt, kan met ons doen, wat hij wil en kan onzehulp en steun inroepen voor zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming.” “Wat bedoelt gij, liefste?” vroeg de koning. “Heer”, antwoordde Isolde, “bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden, werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u, zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar zijn land laat terugkeeren.”“Dat zal ik”, riep de vorst vol vreugde uit. “Nog heden zend ik een boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar naijver en boosheid hem verjaagd hadden.”Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van zijn herkregen geluk.Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan, den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden.Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnenwensch wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem allengezamenlijkden oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven, zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken.De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: “Sire, het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat, wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat verder dient te geschieden zal ik zorg dragen.”De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester, om hem een dringenden brief te overhandigen.De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet, dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken, om zijn plan te volvoeren.Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg zooeven ter kerke was getogen.In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen éénder muren was geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme, wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze, den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat hij den afstand, die hem van Isolde’s legerstede scheidde en toen alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem, zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte, innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin, die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij, dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend vanfelle smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in Tristan’s bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen, drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings reinigen van de smet, die eraan kleefde.Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den brandstapel geleid.De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken, waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als ’t ware in de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden.Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren, vatten post voor den ingang der kapel. Toenonze held zijne ziel had uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid bestaat voor kinderen en gelieven—zeker is het, dat Tristan’s leven als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand.Gezicht van melaatse.Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde.Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail, de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het strand,Tristan’s wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken, alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde.Wat was er intusschen met de koningin geschied?Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was, ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. “Ik zal dien verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven,” zoo sprak hij; “laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen van den brandstapel.” Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had.Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep, riep met drieste stem tot den vorst: “Sire, ons is ter oore gekomen, dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet, wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u, geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer gij haar den vuurdood laat sterven.”Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark, die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: “Zoo neem haar dan en doet met haar, wat gij wilt!”Daarbij dacht hij, dat hij inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied, zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde in de armen der melaatschen vervolgen.Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin, Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij hunne holen en schuilplaatsen hadden.Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten, in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd, zich wat hooger op en tot Tristan’s onbeschrijfelijke ontzetting herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef hij Isolde’s belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen.Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen.Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene, die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen.De gelieven vluchtten ver weg tot in ’t diepst van het woud, daar eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was, zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren, wat de koning tegen hen zou ondernemen.Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en wisten van geen koude.En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem, maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde, ’s Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen.Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen,dat hij hen lokken kon, waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink, de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel—een lied van liefde en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren.De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen, die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet.Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis, die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen, met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming veilig voortleefde, tothare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had, zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong, maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en verzadigenden overvloed.Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in het leven gemist!Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij Tristan ontwaarde.Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag, hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken, wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen, hoehij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn.Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende takken der boomen.Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen de groene struiken.Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem, zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep zij aan Tristan’s zijde.Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet, daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het stroompje genaderdwas, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen had kunnen overleveren—thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend, maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd, in elkanders armen—neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij met Tristan’s zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf, maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in ’s konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw zijn binnenste—zouden zij toch onschuldig zijn?Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan’s zwaard van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging hij peinzend heen.Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. “Voort, geliefde!” riep hij uit. “Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!”Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verderen verder trokken zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op, achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na, wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij, wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien, hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij zich soms nauwelijks staande kon houden.Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd, die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne armen en zeide met diep ontroerde stem: “Isolde! ik heb langen tijd nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en bentot de overtuiging gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het land, maar waar ik ook gaan moog’, waarheen het lot mij ook zende, mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander zijn.” “Tristan’s verlangen gaat uit naar daden van roem en eer”, zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: “Het zij zoo, Heer! Zonder u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde.” Zoo verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding.Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: “Sire! nog éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot, waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naamder vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten, om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen; wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!”Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen raad in te roepen. Hij las hun Tristan’s boodschap voor en vroeg met luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc, die, de kracht van Tristan’s arm kennend, zich niet met hem in het gevecht wenschte te begeven.Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem: “Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet, wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze bange onzekerheid?” Daarop antwoordde de grijze kanselier: “Mijn zoon, ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote; als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs, maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen, die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooalshij zelf voorstelt, voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan tegen te gaan.”Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper, die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen.De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen, het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak: “Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad, mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleiste komen voor een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt.” Tot in het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht.Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan’s handen over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle aanwezigen het hooren konden: “Heer koning! ik breng u hier Isolde, uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied.”Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten, waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren.Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: “Ik kan u niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig te hebben!” Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde trotsch: “Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop mij inden vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!” Daarop ging hij heen en Isolde volgde hem met hare blikken.Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan, wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren geliefde verraden had.Slang.Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef te doen ondergaan.Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende een jachtrit tot koning Mark: “Sire, wij allen weten thans, dat de koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en het volk zal tevreden zijn.”Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan hun verzoek te voldoen.In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den weg te ruimen.Daarom sprak zij: “Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve zal dan mijn getuige zijn!”Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd, daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende zijne hulp noodig te zullen hebben.Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der grensrivier. Aan de overzijde wachtte koningArthur hen reeds op, omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan, gekleed in een wijdenpelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon te maken om te landen. Daarop riep zij uit: “Zeg mij, edele heeren, hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet, ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij veilig aan wal dragen.”Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: “Liefste, wanneer wij op den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand vallen.” Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds omvat houdend.Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: “Laat hem met vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht.” Daarop reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte.Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkeleroodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden.Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed.Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden sprak: “Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden dan gij, mijn echtgenoot, en”—hier gleed een schalksche glimlach over haar gelaat—“de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken.”Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde’s handen waren blank en ongedeerd.Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen.Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben.In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met zijne jonge vrouw.Helaas! ze zouden weldra in rook verdaanToen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.—De tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten.Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard, waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw, tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen, welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen.Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De koning wendde zijne schreden daarheen,ging de doodelijk verschrikte Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar wachtte.Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin, juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde, zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven, ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en wekte Isolde. “Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt, moet ik verdwenen zijn!” Nog ééne omarming, een laatste stamelen van den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen.Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij, die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was.Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, hetvreeselijk visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit: “Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest, Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen, Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!”Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af, overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken.

Stenen brug.

Hoe Tristan en Isolde door middel van een beekje met elkaar spraken.De weken gingen voorbij, Tristan en Isolde kwijnden weg van verlangen en smart. De koningin zat uren lang aan haar venster en staarde zwijgend naar buiten, mijmerend over haar droevig lot. Tristan zat in een hoek van zijn eenzaam vertrek met gebalde vuisten en verwenschte zijn koning en zichzelf. Eindelijk begon Brangwaine, die wist waar Tristan zich schuil hield, zich zóó ongerust te maken over het lijdend uitzien harer meesteres, dat zij peinsde en zon, tot zij ten laatste een middel gevonden had, om de beide gelieven te helpen.

Door de tuinen van het paleis stroomde een helder beekje, dat zijn oorsprong dankte aan eene bron in het naburig bosch. Dit beekje vloeide ook door de vertrekken der koningin, waar het in de warme zomerdagen koelte en verkwikking bracht en den vrouwen eene gelegenheid bood om zich door een bad in het heldere bronwater te verfrisschen. Dit beekje nu moest als liefdesbode dienen. Wanneer Tristan de kans schoon zag om de koningin tot een onderhoud in den slottuin uit te noodigen, wierp hij, op aanraden van Brangwaine, eenige berkentakjes, waarop hij met een scherp voorwerp inkervingen had gemaakt, in het water, om de plaats van samenkomst aan te geven. Het beekjedroeg die takjes op den stroom mede en onder de marmeren overkapping door het paleis binnen, tot in de kamer van Isolde. Zoo konden dus de beiden met elkander spreken, zonder dat iemand vermoedde, wie daarbij hun tolk was.

Wie beschrijft de vreugde van het eerste ontmoeten na zoo lange scheiding? Als een donkere vlinder zweefde Isolde in het nachtelijk uur den slottuin in, waar Tristan haar met uitgespreide armen en een onderdrukten kreet van verlangen ontving. Hij voerde haar mede naar een donkeren hoek van het park, waar de sterren door het dichte gebladerte gluurden en het klateren van het beekje het eenig geluid was, dat de stilte verbrak. Den ganschen nacht bleven zij te zamen in de hoogste zaligheid en eerst in de grijze ochtendschemering, toen de omtrekken van het paleis zich vaag begonnen af te teekenen tegen den roodgekleurden morgenhemel, sloop Isolde terug naar hare vertrekken.

Eenigen tijd lang gelukte het hun, deze nachtelijke bijeenkomsten voor hunne bespieders verborgen te houden, maar weldra ontdekte het waakzaam oog van Melot hun zoet geheim. Vol trots ging hij tot den koning en zeide hem, dat, indien hij slechts zijn voornemen te kennen gaf om voor eenige dagen op de jacht te gaan, hij, Melot, hem weldra het overtuigend bewijs van de schuld der koningin zou kunnen leveren.

Het hart vol bittere schaamte over deze slinksche handelwijze voldeed koning Mark aan het verzoek. Hij zeide tot Isolde, dat hij een verren jachtrit ging ondernemen en dus voor eenige dagen van huis zou zijn. Wat de dwerg vermoed had, gebeurde. Dienzelfden avond nog sloop Tristan den tuin van het kasteel binnen, begaf zich naar de bron en wierp eenige takjes in het beekje, die op den vluggen stroom heendreven in de richting van het paleis. Peinzend stond hij daarna aan den rand van het water en volgde in gedachten de boden zijner liefde, die Isolde tot hem zouden roepen. Maar—wat zag hij daar in het door de maan beschenen water—In de takken van den boom, welke in het beekje weerspiegeld werden, bewogen twee gestalten: het waren de koningen Melot, die zich daar verborgen hadden, ten einde hun samenzijn te bespieden. Bliksemsnel kruisten de gedachten door Tristan’s brein, vóór alles vreesde hij, dat Isolde, die zoo dadelijk, nietsvermoedend, daarheen zou komen, door hare woorden, haar groet, al dadelijk hun geheim zou verraden. Wat te doen? Ongetwijfeld hadden de takjes Isolde nu reeds bereikt en wellicht maakte zijne liefste zich op dit zelfde oogenblik gereed om vol vreugde naar hem toe te snellen. Angstig tuurde hij in de richting van het paleis en ziet, daar naderde reeds eene donkere gedaante. Het was Isolde, die ook hem reeds bemerkt had. Haar hart klopte onstuimig van vreugde en verlangen, zoo dadelijk zou hij op haar toesnellen en haar omvatten met zijne sterke armen. Maar waarom bleef hij zoo onbeweeglijk staan, waarom kwam hij haar niet als gewoonlijk tegemoet om haar te omarmen, nog eer zij de plaats van samenkomst had bereikt? Hare denkvermogens waren door de liefde en de geheimhouding zoozeer gescherpt, dat zij terstond onraad vermoedde en nauwkeurig speurde zij dus rond om te ontdekken, vanwaar het gevaar kon komen. Daar ontdekte zij in den boom de twee gedaanten en onmiddellijk wist zij, wat haar te doen stond. Met kalmen tred naderde zij de plek, waar Tristan haar stond op te wachten en sprak op koelen, hooghartigen toon: “Heer ridder! aan uw dringend verzoek om een onderhoud heb ik gehoor gegeven. Het moet inderdaad wel een zeer gewichtige reden zijn, waarom ge mij op dit nachtelijk uur naar buiten roept. Zeg mij vlug, wat gij op het hart hebt, want weet, dat door hier te komen, ik mijn goeden naam in gevaar breng. Wat zou de koning ervan denken, indien hij wist, dat ik aldus bij nacht en ontij in het park ronddool, om u te ontmoeten? Spreek dus en wees een volgend maal verstandiger in de keuze van uw tijd!” Tristan begreep terstond, waarom Isolde zoo sprak en hij antwoordde haar dus ootmoedig: “Edele Vrouwe! ik liet u om een onderhoud verzoeken, omdat ik u smeeken wilde, de goede verstandhouding tusschen mijn koning en mij te herstellen. Mijn geheele leven heb ik hem trouw gediend; de heerschappijover mijn land heb ik om zijnentwil afgestaan; Morholt heb ik met gevaar van mijn leven verslagen en ik heb door mijne worsteling met den draak eene schoone vrouw voor mijn vorst veroverd. Wat is mijn dank voor dit alles? Als een lastigen bedelaar zendt hij mij weg van het hof, zoodra hem zulks belieft!” “Inderdaad”, antwoordde Isolde, “ik heb medelijden met uw droevig lot, maar hoe kan ik u helpen? Wanneer ik uwe zaak bij den koning bepleit, zullen mijne woorden slechts strekken om zijn wantrouwen aan te wakkeren en uw lot zal daardoor eer slechter dan beter worden. Zijn trouw en edel hart is vergiftigd door de valsche leugens, welke men hem inblaast en ik sta machteloos daar tegen”.

“Welnu dan”, hernam Tristan, “het zij zoo! Leugen en bedrog zijn machtiger vijanden dan ijzer en staal. Van dit oogenblik af geef ik den strijd daartegen op en zal morgen van hier trekken, om nimmer terug te keeren! Vaarwel Vorstin! gij hebt mij twee maal het leven gered, geen wonder dus, dat ik u aanhang in onderdanige liefde en trouw. Moge het u wel gaan en moge uw gemaal spoedig het onrecht inzien, dat hij u aandoet.”

Met deze woorden scheidden de twee gelieven, koning Mark echter, die tot in het diepst van zijn hart geroerd was door hetgeen hij gehoord had, keerde zich vol woede tegen den dwerg, slingerde hem uit den boom tegen den grond en zou hem zeker gedood hebben, als niet Melot zich met een behendigen sprong uit de voeten gemaakt had. Hij vluchtte uit het rijk en besloot niet terug te keeren, vóór de koning hem gunstiger gezind zou zijn dan thans.

Den volgenden morgen reeds keerde de vorst terug naar zijn paleis. Zóózeer verlangde hij naar zijne jonge vrouw, van wier onschuld hij thans ten volle overtuigd was, dat hij eene reden verzon om zijne voorgewende reis te onderbreken en in aller ijl naar Tintagel terugkeerde. Toen hij Isolde vroeg, hoe zij gedurende zijne afwezigheid den tijd had doorgebracht, antwoordde zij hem: “Heer, wij vrouwen zijn vreemde wezens. Wie op ons medelijden werkt, kan met ons doen, wat hij wil en kan onzehulp en steun inroepen voor zijne zaak, ook al heeft die zelve niet onze volle instemming.” “Wat bedoelt gij, liefste?” vroeg de koning. “Heer”, antwoordde Isolde, “bij het spreken dezer woorden dacht ik aan Tristan. Hij heeft zich bij mij beklaagd over de hardvochtige wijze, waarop hij door u behandeld is geworden. Hij ziet zich gedwongen, van hier te gaan, al doet het hem leed u te verlaten. Hoewel gij weet, dat ik hem niet mag lijden, werd ik toch door zijne woorden geroerd en besloot om nog éénmaal een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Daarom verzoek ik u, zijne trouw en zijne verdiensten te gedenken, alvorens gij hem naar zijn land laat terugkeeren.”

“Dat zal ik”, riep de vorst vol vreugde uit. “Nog heden zend ik een boodschapper om Tristan op te sporen en van nu af aan zal hij weer zijne oude plaats innemen aan mijn hof en in mijn hart, vanwaar naijver en boosheid hem verjaagd hadden.”

Zoo geschiedde het. Tristan keerde terug naar het hof en ten aanzien der geheele hofhouding verzoende de vorst zich met zijn neef. Wel morden en klaagden de baronnen, maar de koning was voor het oogenblik geheel doof voor hunne aantijgingen en genoot met volle teugen van zijn herkregen geluk.

Maar ook ditmaal was zijne rust niet van langen duur. Meer en meer verspreidde zich onder de leden der hofhouding het gerucht van de zondige verhouding, die bestond tusschen koningin Isolde en Tristan, den neef des konings. Zelfs het volk in de straten van Tintagel lachte meesmuilend, wanneer de grijze vorst met zijne jonge gemalin voorbij reed en bespotte hun koning over zijne verblindheid. Toen kwamen op een dag de baronnen in grooten getale bijeen, begaven zich naar koning Mark en eischten, dat hij in deze zaak recht zou doen en zijne eer en die van zijn hof voor verderen smaad zou behoeden.

Het duurde lang, eer zij Mark konden overtuigen, dat hij handelend moest optreden, indien hij wilde voorkomen, dat zijn huwelijk tot een onderwerp van spot werd voor het gansche volk. Eindelijk dreigden zijne ridders hem dat, indien hij niet aan hunnenwensch wilde voldoen, zij zich in hunne burchten zouden terugtrekken en hem allengezamenlijkden oorlog zouden aandoen. Voor deze bedreiging moest de vorst zwichten en hij stemde erin toe, om Melot uit zijne ballingschap terug te roepen en hem nogmaals eene kans te geven, zijne beschuldiging door overtuigende bewijzen waar te maken.

De gelegenheid daartoe liet niet lang op zich wachten. Eens op een avond nam de dwerg den koning ter zijde en sprak tot hem: “Sire, het oogenblik is gekomen, waarop ik u door feiten kan aantoonen, dat, wat ik zeide omtrent de koningin en Heer Tristan, waarheid was. Let nu goed op, wat ik u zeg. Heden avond, wanneer Tristan reeds te bed ligt, moet gij hem opdragen, om vóór het aanbreken van den dag eene dringende boodschap naar het hof van koning Arthur te brengen. Gij zelve moet uw voornemen te kennen geven om te middernacht de mis bij te wonen. Daardoor zult gij uwe gemalin alleen achterlaten. Voor wat verder dient te geschieden zal ik zorg dragen.”

De koning deed, wat hem verzocht was. Eenigen tijd nadat Tristan zich ter ruste had begeven in een hoek van de groote zaal, waar ook de koning en koningin sliepen, trad Mark aan zijne legerstede en beval hem, om bij het eerste ochtendgloren zijn paard te zadelen en zich op weg te begeven naar het paleis van koning Arthur te Winchester, om hem een dringenden brief te overhandigen.

De eerste gedachte van Tristan was, dat hij niet heen kon gaan zonder afscheid te hebben genomen van Isolde en zoodra hoorde hij niet, dat Mark zich gereed maakte om de nachtelijke mis in de slotkapel te gaan bijwonen, of hij besloot van die afwezigheid gebruik te maken, om zijn plan te volvoeren.

Stilte heerschte in de groote zaal, waaruit de koning met zijn gevolg zooeven ter kerke was getogen.

In een hoek van het vertrek stonden eenige wachten half slapend op hunne wapenen geleund, in vage omtrekken teekende zich de rijk gebeeldhouwde legerstede der koningin, welke tegen éénder muren was geplaatst, in het zwakke maanlicht af. Tristan richtte zich overeind in zijn bed, dat meer dan eene speerlengte van dat der koningin verwijderd was en speurde voorzichtig in het rond. Geen geluid verbrak de stilte, toen plotseling van uit een hoek der zaal eene kromme, wanstallige gedaante naar voren sloop en zich met geruischloozen tred door het vertrek bewoog. Bij het onzekere schijnsel der maan ontwaarde Tristan, hoe Melot, want het was niemand anders dan deze, den grond tusschen de beide bedden met meel bestrooide, dat hij in een korfje bij zich droeg. Terstond begreep onze held, welken valstrik men hem daar gespannen had en glimlachend over de verijdeling van dien boozen toeleg, legde hij zich weer neder om te overleggen, wat hem te doen stond. Weldra was zijn besluit genomen. Met de oogen mat hij den afstand, die hem van Isolde’s legerstede scheidde en toen alles weer stil was in het vertrek, waagde hij den sprong, die hem, zonder den vloer te raken, in het bed der geliefde bracht. Eene korte, innige omhelzing, eenige haastige woorden tot afscheid en Tristan keerde op dezelfde wijze naar zijne slaapplaats terug. Hij was geen oogenblik te vroeg, want reeds klonk het geluid van stemmen aan de deur en kort daarop verlichtte het roodachtig schijnsel van fakkels het gansche vertrek. De wachten schrokken op uit hunne sluimering en grepen haastig naar hunne wapens, daar trad reeds koning Mark, van de mis teruggekeerd, de zaal binnen. Zijn eerste blik gold de koningin, die zich slapend hield, evenals Tristan, daarna keek hij naar den vloer tusschen de beide bedden. Geen sporen van voetstappen waren in het fijngestrooide meel te bekennen, maar wacht, wat beduidde die donkere streep? Bij het licht der haastig bijgehouden fakkels bukte de koning zich diep voorover en tot zijne verbazing bespeurde hij, dat eene reeks bloeddruppels zich op den vloer afteekende, die als een onweerlegbaar bewijsstuk de legersteden der beide schuldigen verbond. Met een vreeselijken kreet was koning Mark in één sprong bij het bed der koningin; hij sloeg het dek terug en ziet, op het blanke linnen kleurden helderroode bloedvlekken. Steunend vanfelle smart sloeg de vorst de handen voor het gelaat. Hij zonk bijna ineen van schaamte en verdriet, maar toen men hem berichtte, dat ook in Tristan’s bed dezelfde roode sporen waren opgemerkt, en dat het bloed scheen voort te komen uit eene pas genezen beenwond, die door de een of andere buitengewone krachtsinspanning was opengesprongen, drong al het vernederende en pijnlijke van het tooneel eerst recht tot hem door. Hij ontstak in hevige woede en beval, dat men de beide schuldigen zou binden en hen zou opsluiten in den donkersten kerker van het paleis. Den volgenden dag, zoo zwoer hij, zouden zij naast elkander den vuurdood sterven en ten aanzien van het gansche volk zouden de lekkende vlammen van den brandstapel den naam des konings reinigen van de smet, die eraan kleefde.

Den volgenden morgen verspreidde zich alras de mare der komende dingen onder de inwoners der stad. Bij alle rangen en standen heerschte diep medelijden met het lot der arme koningin. Al veroordeelde men haar om wat zij gedaan had, toch achtte men de straf te zwaar en met angst en ontsteltenis zag men toe bij het maken der toebereidselen voor de vreeselijke gebeurtenis. Tristan werd het eerst naar den brandstapel geleid.

De weg, dien de gevangenen moesten nemen om het marktplein te bereiken, waar hun vonnis zou voltrokken worden, voerde gedeeltelijk langs de kust en zoo kwamen zij ook langs een punt, waar op een vooruitspringend rotsblok eene kleine kapel gebouwd was. Deze kapel, die als ’t ware in de ruimte hing boven het zandige strand, dat langs den voet der rotsen liep, werd veel bezocht door hen, die vrienden en bloedverwanten op zee hadden en aldaar voor hunne veiligheid kwamen bidden.

Toen nu Tristan langs de kapel kwam, verzocht hij zijne bewakers hem toe te staan om zich een oogenblik naar binnen te begeven voor een laatst gebed tot God, Dien hij daar zoo dikwijls had aangeroepen. Begaan met het lot van den jongen ridder, stonden zijne begeleiders hem dit toe; Tristan trad binnen en zij, die bij hem waren, vatten post voor den ingang der kapel. Toenonze held zijne ziel had uitgestort in een vurig gebed, stond hij nog eene wijle te peinzen aan een der hooge vensters die uitzicht gaven op zee en terwijl hij zijn blik liet gaan over het oneindige watervlak, bedacht hij, hoe veel zoeter het moest zijn te rusten in de koele, blauwe golven dan ten aanzien van eene nieuwsgierige menigte een langzamen folterdood in de vlammen te sterven. Één sprong naar beneden en het zou gedaan zijn met allen angst en strijd en wie weet of koning Mark, wanneer hij hoorde, dat Tristan voorgoed uit den weg was, zijne jonge vrouw niet op nieuw in genade zou aannemen. Zoo zou hij misschien Isolde het leven kunnen redden, mocht hij dan aarzelen? Met een enkelen vuistslag verbrijzelde hij één der glasruiten, het volgend oogenblik stond hij in de vensteropening en met uitgespreide armen waagde hij den sprong. Men zegt wel eens, dat er eene afzonderlijke voorzienigheid bestaat voor kinderen en gelieven—zeker is het, dat Tristan’s leven als door een wonder gespaard bleef. De wind blies zijn wijden mantel omhoog en maakte er een valscherm van, dat de kracht van zijn val brak en hem ongedeerd deed neerkomen op het zachte zand.

Gezicht van melaatse.

Hoe Tristan zijne geliefde uit de handen der melaatschen redde.Toen de krijgsknechten een oogenblik later in de kapel traden om Tristan tot meerderen spoed aan te manen, vonden zij haar ledig. Bij onderzoek verrieden de scherven op den grond en de zeewind, die door het open venstergat blies, langs welken weg hun gevangene ontsnapt was. Zij twijfelden niet, of Tristan had bij den sprong in dien diepen afgrond het leven verloren, dus keerden zij terug naar het paleis om onder angst en beven dit den koning mede te deelen. Alleen Gouvernail, de trouwe dienaar, die zijn meester op diens laatsten tocht gevolgd was, besloot de zaak nader te onderzoeken. Hij begaf zich naar het strand,Tristan’s wapenen en strijdros met zich mede nemend en wat hij nauwelijks had durven hopen, bleek waarheid te zijn, hij trof zijn geliefden heer ongedeerd en in goeden welstand aan. Terstond spoorde hij hem aan te vluchten, maar Tristan weigerde te vertrekken, alvorens hij zekerheid had omtrent het lot van Isolde.

Wat was er intusschen met de koningin geschied?

Toen koning Mark vernam, dat Tristan aan zijne straf ontkomen was, ontstak hij in blinde woede. Het baatte niet, of men hem trachtte te overtuigen, dat hij den gevaarlijken sprong onmogelijk levend kon volbracht hebben, Mark hield vol, dat de gevangene ontsnapt moest zijn. Eene uitdrukking van duivelschen haat vertrok zijn gelaat en zijne trekken waren verwrongen van woede en wraaklust, toen hij daarop beval, dat men Isolde naar den brandstapel zou geleiden. “Ik zal dien verrader dat ontnemen, wat hem meer waard is dan zijn eigen leven,” zoo sprak hij; “laat hij zelf dan maar ontsnappen, zonder zijne minnares is hem het bestaan toch tot eene kwelling, die erger is dan de pijnen van den brandstapel.” Isolde echter hief hare geboeide handen omhoog en dankte God, dat Hij Tristan uit de klauwen des doods gered had.

Reeds knetterden en laaiden de vlammen, reeds had men de touwen losgebonden, waarmede men de koningin geboeid had en bereidde de ademloos wachtende menigte zich voor, om het vreeselijk schouwspel te zien beginnen, toen de menschendrom naar beide kanten uiteenweek om een troep melaatschen door te laten, die zich door de menigte heendrong. Hij, die aan het hoofd van deze afzichtelijke bende liep, riep met drieste stem tot den vorst: “Sire, ons is ter oore gekomen, dat gij heden eene schoone vrouw op den brandstapel dooden wilt. Ziet, wij zijn melaatschen en hebben geene vrouwen, daarom vragen wij u, geef ons deze, gij zult daardoor beter gewroken zijn, dan wanneer gij haar den vuurdood laat sterven.”

Een gemompel van afgrijzen ging door de menigte, maar koning Mark, die door haat en hartstocht geheel verblind was, riep uit: “Zoo neem haar dan en doet met haar, wat gij wilt!”Daarbij dacht hij, dat hij inderdaad niet beter gewroken kon worden dan op deze wijze. Wanneer Tristan nog leefde en hij hoorde, wat er met Isolde was geschied, zou die gedachte hem meer folteren dan het bericht van haren dood en tot krankzinnig makens toe zou hem het denkbeeld van zijne geliefde in de armen der melaatschen vervolgen.

Met schelle kreten van vreugde omringden de uitgestootenen de koningin, Isolde strekte smeekend de armen uit naar haren echtgenoot en bad hem, haar toch duizendmaal liever den vuurdood te laten sterven dan een dergelijk lot te doen ondergaan. Maar Mark was onverbiddelijk en zegevierend voerden de melaatschen haar mede naar het woud, waar zij hunne holen en schuilplaatsen hadden.

Zoo kwamen zij voorbij de plek, waar Tristan en Gouvernail, in het struikgewas verborgen, den loop der gebeurtenissen afwachtten. Hunne aandacht werd getrokken door het geschreeuw der bende, die luid joelend naderde en voorzichtig tuurden zij naar den weg om te zien wat er gaande was. Daar naderde de troep van afgrijselijke gestalten, in hun midden trokken en sleepten zij iets voort, wat, dat konden de beide wachtenden niet zoo spoedig ontdekken. Plotseling richtte de gebogen gestalte, die te midden der melaatschen werd voortgesleurd, zich wat hooger op en tot Tristan’s onbeschrijfelijke ontzetting herkende hij het bleeke, schoone gelaat zijner geliefde. Met één sprong was hij uit het kreupelhout op den weg, met woeste sabelhouwen dreef hij Isolde’s belagers uiteen en het volgend oogenblik hield hij haar in zijne armen en bedekte haar gelaat met wilde kussen.

Daarop steeg hij te paard, nam Isolde vóór zich op het zadel en joeg met Gouvernail in pijlsnelle vaart het bosch in, ver, ver weg naar het woud van Morois, dat aan de grens van Cornwallis was gelegen.

Zoodra koning Mark hoorde, wat er gebeurd was, liet hij een ban uitvaardigen, waarin hij honderd gouden kronen uitloofde aan dengene, die Tristan of Isolde levend of dood zou weten te vangen.

De gelieven vluchtten ver weg tot in ’t diepst van het woud, daar eerst voelden zij zich veilig voor de dienaren des konings. Zij bouwden zich eene hut van takken en bladeren en toen hunne woning gereed was, zond Tristan zijn trouwen dienaar terug naar het hof, om na te speuren, wat de koning tegen hen zou ondernemen.

Tristan en Isolde bleven dus alleen in het groote bosch en toen in hunne harten de schrik over het gebeurde allengs vervaagde, begon er voor hen een leven van geluk en vrede, zooals zij het nog nooit gekend hadden. Weliswaar was hun bestaan vol ontberingen, maar het genot elkander geheel te mogen toebehooren, deed hen deze gemakkelijk over het hoofd zien. Wat deerde het, of zij zich moesten voeden met het vleesch der dieren uit het woud en de wilde vruchten, die zij tusschen de struiken vonden? Zij smaakten hun beter dan de fijnste schotels in het paleis van koning Mark, omdat zij ze in elkanders gezelschap mochten verorberen. Wat gaf het, of de wind soms blies door de reten der loofhut, zij drongen zich wat dichter tegen elkander en wisten van geen koude.

En hoe schoon was het bosch! Als de hemel blauw en helder was en de zonnestralen grillige figuren trokken op den bemosten woudbodem, maar ook als de regen op het bladerendak ruischte en witte nevels tusschen de boomstammen zweefden. Altijd ontdekten Tristan en Isolde weer nieuwe schoonheden in het landschap, dat hen omringde, ’s Morgens liepen zij op bloote voeten over het bedauwde gras, waar hunne voetstappen blauwige sporen nalieten; tegen den middag zochten zij de schaduw en vlijden zich neder onder de breede kruin van een beuk, of, als de hitte al te drukkend werd, namen zij een bad in het koele water van een beekje en lieten zich door zon en wind drogen.

Als het avond werd, zaten zij langen tijd zwijgend bijeen en luisterden naar den wind, die door de hooge boomen suisde, of naar het lied van den nachtegaal, die in de takken boven hun hoofd zijne zoetste liefdeszangen uitkweelde. Tristan bezat de gave om het zingen der vogels zóó getrouw te kunnen nabootsen,dat hij hen lokken kon, waarheen hij maar wilde. Meermalen kwamen dan de glinsterende goudvink, de schrandere lijster, de kleine, sierlijke meesjes, het lustige winterkoninkje en de nachtegaal, hun aller koning, op zijn lokkend gefluit aanvliegen. Zij streken neer op het dak der loofhut en dan werd het een roepen en zingen, een kweelen en tjilpen, als nooit te voren in het bosch gehoord was. Tristan en Isolde zaten dicht bijeen en luisterden naar het koor van stemmen. Dan voelden zij hoe al die trillende, hijgende vogelkeeltjes een zelfde lied zongen, waarvan zij den weerklank hoorden in hunne eigen ziel—een lied van liefde en geluk, van lente en zonneschijn, dat zoo oud is als de wereld en dat toch steeds nieuw blijft voor hen, die het hooren.

De lente ging voorbij en werd gevolgd door den zomer. Alles bloeide en geurde in het woud en ook het geluk van Tristan en Isolde bereikte zijn hoogtepunt in de rustige kalmte om hen heen. Maar reeds al te spoedig werd het killer in het bosch, de dagen werden koeler en de nachten kouder. Toen zagen de twee gelieven uit naar een passend winterverblijf, dat zij vonden in eene donkere rotsspelonk. Tristan behing de wanden met dierenvellen, afkomstig van het wild, dat hij in de afgeloopen maanden gedood had. Hij maakte eene opening in de rots om den rook te laten ontsnappen en toen de eerste sneeuw begon te vallen, betrokken zij hunne nieuwe woning. De winter kwam met stormen, die gierden om de tochtige spelonk, met vorst, die de beekjes in het bosch deed stollen en de sneeuw deed kraken onder den voet.

Tristan en Isolde zaten te zamen bij het rookende vuur en vertelden elkander verhalen over gelieven uit vroegere tijden, over Phyllis, die zoo lang op haar minnaar wachtte, tot zij veranderd werd in een moerbeiboom, uit welks bladerengeruisch men tot op heden nog duidelijk het zuchten en steunen der arme verlatene vernemen kan. Of van Griseldis, de lijdzame, die door haar gemaal gehoond en versmaad werd en die, toen hij haar op den brandstapel wilde ter dood brengen, met haar kind naar het woud vluchtte, waar zij onder Gods bescherming veilig voortleefde, tothare onschuld aan het licht werd gebracht. Ook van Dido en Aeneas spraken zij, van Byblis, de koningsdochter, die haar eigen broeder lief kreeg en hem vervolgde over de gansche wereld, tot zij veranderd werd in een vogel, die immer rusteloos over de wateren der aarde drijft. Over al deze gelieven spraken zij met elkander, maar steeds was hunne slotsom deze, dat geen hunner de liefde gekend had, zooals zij die kenden, en dat hunne eigen wederzijdsche genegenheid schooner en inniger was dan twee menschen ooit voor elkander gevoeld hadden. Dan scheen het hun, of de donkere rotsspelonk zich uitbreidde tot eene zaal vol glanzend licht, waar de wanden behangen waren met fonkelende edelgesteenten, waar geen geluid van buiten doordrong, maar waar slechts de zoete stem der liefde gehoord werd; waar de fontein van den hartstocht hare parelende wateren omhoog zond en waar koude en ontbering plaats moesten maken voor koesterende warmte en verzadigenden overvloed.

Wie kent niet het tooverslot der liefde? De een bouwt het in de stad, de ander op het land, want het is aan geen plaats gebonden. Te beklagen zijn zij, die het niet kennen, zij hebben het schoonste in het leven gemist!

Maar van liefde alleen kan men helaas niet leven. Terwijl de harten van Tristan en Isolde zich koesterden in warmen gloed, verstijfden hunne lichamen in de barre koude en allengs zag onze held, hoe zijne geliefde er bleek en lijdend begon uit te zien, terwijl Isolde hetzelfde bij Tristan ontwaarde.

Somtijds, wanneer Isolde vermoeid tegen hem aanleunde en hij zag, hoe haar schoon gelaat mager en ingevallen was, ontwaakte voor een oogenblik bij Tristan de gedachte, of hij zijne geliefde geen onrecht aandeed, door haar aldus bloot te stellen aan een leven vol armoede en ontbering, haar, die geboren en getogen was in weelde en overvloed. En Isolde op hare beurt kon soms een gevoel van smart niet onderdrukken, wanneer zij bedacht hoe Tristan om harentwil afstand had gedaan van al den roem, die hem anders zoo rijkelijk ten deel zou zijn gevallen, hoehij door haar toedoen rondzwierf als een verstootene, hij, die een der meest gevierde ridders van het land placht te zijn.

Het voorjaar naderde, de beekjes ruischten met onstuimige vaart van de heuvels omlaag, en in het bosch zongen de vogels in de groenende takken der boomen.

Toen gebeurde het, dat koning Mark zich gereed maakte om een grooten tocht, die verscheidene dagen duren zou, te ondernemen naar het woud van Morois. Weldra werd de stilte van het bosch verstoord door vroolijke stemmen, onder de hooge boomen werden de tenten der ridders opgeslagen en groote vuren zonden hunne rookwolken omhoog, tusschen de groene struiken.

Onze gelieven bemerkten niets van dit alles, want het woud van Morois was verscheidene dagreizen diep en tot nog toe was hunne eenzaamheid niet verstoord geworden. Eens op een dag was Tristan reeds vroeg op de jacht getogen en kwam tegen den middag doodelijk vermoeid terug; hij strekte zich uit in de schaduw der loofhut, legde zijn zwaard naast zich neder en viel weldra in een diepen slaap. Isolde zag hem daar liggen. Langen tijd beschouwde zij aandachtig zijn dierbaar gelaat en als eene felle pijn doorschokte haar de gedachte, hoe men in hem, zooals hij daar voor haar lag, nauwelijks meer den fieren edelman zou herkennen, die aan het hof haars vaders was gekomen om hare hand te vragen. Eene wijle bleef zij zoo in droef gepeins verzonken, toen werd ook zij door de loome voorjaarslucht bevangen en weldra sliep zij aan Tristan’s zijde.

Nu gebeurde het juist op dien dag, dat koning Mark bij de vervolging van een hert zich verder dan gewoonlijk in het bosch gewaagd had en zoo in de nabijheid der loofhut was gekomen. Uitgeput van vermoeienis had hij eindelijk de jacht opgegeven en zich in de schaduw nedergezet, daarbij had hij zijn jagermeester opgedragen, om hem een frisschen dronk te halen uit het beekje, dat hij in de verte hoorde kabbelen. Dit beekje nu was hetzelfde, waaraan Tristan en Isolde hunnen dorst plachten te lesschen; toen de jachtmeester dus aan den oever van het stroompje genaderdwas, ontwaarde hij op eenigen afstand de loofhut en daarvóór, slapend op den grond, de gestalten der beiden. Omzichtig sloop hij door het struikgewas terug naar de plek, waar zijn meester hem wachtte en deelde hem mede, wat hij gezien had. Toen ontwaakten in het hart van den vorst opnieuw de oude wrok en haat tegen de beide wezens, die hem het dierbaarst geweest waren op aarde en die hem zoo jammerlijk bedrogen hadden. Al had hij in het afgeloopen jaar dikwijls berouw gehad over zijne onverzoenlijke houding jegens hen en al had hem meermalen de gedachte gekweld, hoe hij Isolde aan de melaatschen had kunnen overleveren—thans kregen wraaklust en bitterheid opnieuw de overhand in zijne ziel en met het ontbloot zwaard in de hand begaf hij zich naar de hem aangewezen plaats. Inderdaad, daar lagen zij, de beiden, die hem zooveel grievend leed hadden berokkend, maar niet zooals hij ze zich had voorgesteld, dicht aaneengevlijd, in elkanders armen—neen, zij sliepen als twee kinderen zij aan zij met Tristan’s zwaard tusschen hen in. Koning Mark werd onwillekeurig getroffen door de verandering, die hij bij hen opmerkte; beiden waren sterk vermagerd, hunne kleederen hingen hun als lompen aan het lijf, maar om hunne lippen speelde een gelukkige glimlach en zij bleven schoon door hunne jeugd en natuurlijke bevalligheid. De stormen in ’s konings hart bedaarden; een straal van hoop verlichtte opnieuw zijn binnenste—zouden zij toch onschuldig zijn?

Langzaam bukte hij zich voorover, nam behoedzaam Tristan’s zwaard van den grond en legde er het zijne voor in de plaats. Daarna ging hij peinzend heen.

Na eenigen tijd ontwaakte Tristan uit zijne sluimering en zijn zwaard opnemend, bemerkte hij de verwisseling. Snel wekte hij Isolde. “Voort, geliefde!” riep hij uit. “Terwijl wij sliepen is uw echtgenoot hier geweest, zeker is hij heengegaan, om zijne dienaren te halen en ons dan door hen te laten dooden. Laat ons vluchten, eer het te laat is!”

Opnieuw begon toen voor hen het zwerversleven; verderen verder trokken zij het bosch in, bij elk geritsel in de struiken schrikten zij op, achter elken boom speurden zij verraad. Eindelijk meenden zij eene veilige schuilplaats te hebben gevonden. Daar bouwde Tristan opnieuw eene hut en terwijl Isolde zich, uitgeput van vermoeienis, terstond ter ruste begaf, zat hij langen tijd voor den ingang, tuurde omhoog naar den hemel, waar donkere wolken langs het luchtruim joegen en dacht na, wat hem te doen stond. Gedurende de reis had hij met stijgenden angst bemerkt, hoe Isolde ondanks inspanning van al hare krachten, niet meer opgewassen bleek tegen de vermoeienissen van hun zwerversbestaan. Wel had zij dit steeds voor hem verborgen trachten te houden, maar hij, wiens blik door de liefde verscherpt was, had maar al te goed gezien, hoe hare krachten gesloopt werden door de lange dagreizen en hoe zij zich soms nauwelijks staande kon houden.

Opnieuw scheen eene stem hem toe te fluisteren, dat hij verkeerd deed met Isolde langer bloot te stellen aan een leven vol kommer en ontbering. Hoe kon hij het aanzien dat zij, de koningin van een machtig rijk, die gekleed placht te gaan in zijde en fluweel, op wier wenken eene gansche hofhouding vloog, dat die vrouw thans een moeilijker en zorgvoller bestaan voerde dan de minste harer hovelingen, dat zij slapen moest op een bed van bladeren en hare voeten wondde aan de scherpe steenen der boschpaden. Maar ook Isolde kon den slaap niet vatten; zij zag, hoe Tristan in sombere houding zat te peinzen en zij vergeleek hem opnieuw bij den Tristan van vroeger, den fieren jongeling, wiens naam door alle ridders met eerbied werd genoemd, die blijde liederen tokkelde op zijne harp en door zijne hoofsche bevalligheid de harten der vrouwen voor zich wist te winnen. Mocht zij langer van hem vergen, dat hij om harentwil afstand deed van alles wat het hart van een man dierbaar was: roem en aanzien, krijgsmanseer en vertrouwen? Daar trad Tristan de hut binnen, hij nam haar in zijne armen en zeide met diep ontroerde stem: “Isolde! ik heb langen tijd nagedacht over wat koning Mark gedaan heeft en bentot de overtuiging gekomen, dat hij geen kwade bedoelingen met ons had, toen hij zijn zwaard tusschen ons neerlegde. Immers, wanneer hij zich had willen wreken had hij ons gemakkelijk in den slaap kunnen dooden. Hij heeft dit niet gedaan, dus is hij ons blijkbaar goed gezind. Moeten wij de hand der verzoening, die hij ons reikt, niet aannemen? Wanneer ik u weder veilig in uwe vroegere rechten hersteld weet, verlaat ik het land, maar waar ik ook gaan moog’, waarheen het lot mij ook zende, mijn hart blijft steeds bij u en in gedachten zullen wij bij elkander zijn.” “Tristan’s verlangen gaat uit naar daden van roem en eer”, zoo dacht Isolde, maar zij sprak slechts: “Het zij zoo, Heer! Zonder u is mijn leven leeg en waardeloos, maar mijne gedachten zullen u volgen op uwe reizen en wanneer de roem van uwe daden wijd en zijd weerklinkt, zal mijn hart sneller kloppen van trots en vreugde.” Zoo verborgen deze beiden hunne innigste gevoelens en poogden slechts elkander moed in te spreken voor de naderende scheiding.

Den volgenden morgen begaven zij zich op weg naar de woning van een vromen kluizenaar, die daar in de eenzaamheid van het woud leefde. Hem vertrouwde Tristan de zorg over zijne geliefde toe, hij zelf begaf zich naar Tintagel, waar hij een pijl, omwikkeld met een brief van den volgenden inhoud, in de kamer van koning Mark schoot: “Sire! nog éénmaal waag ik het een beroep te doen op uwe rechtvaardigheid. Zonder eenig vertoon van rechtspraak hebt gij uwe gemalin, eene prinses van den bloede, veroordeeld tot den brandstapel. Alsof dit niet genoeg was, hebt gij haar op het laatste oogenblik overgeleverd aan een lot, waarvan de gedachte alleen het menschelijk gemoed van ontzetting doet rillen. Van dit lot heb ik met Gods hulp haar kunnen redden. Elke poging om haar tot u terug te brengen hebt gij door uw ban en den prijs, dien gij op onze hoofden zettet, verijdeld. Thans is een jaar verstreken. Het teere gestel der koningin heeft zeer geleden door de ontberingen, welke ik haar niet heb kunnen besparen. Zijn er nog onder uw gevolg, die den lasterpraat over den goeden naamder vorstin volhouden, zoo ben ik bereid, hun met het zwaard in de vuist daarover te woord te staan. Ik bied u hierbij aan, koningin Isolde tot u terug te brengen, mits gij uw koninklijk woord geeft, haar eene haar passende ontvangst te bereiden. Ik zelve zal dan het land verlaten, om mogelijke nieuwe beschuldigingen te voorkomen. Wanneer gij mijn voorstel aanneemt, laat dan uw antwoord toekomen aan den kluizenaar in het woud van Morois, weigert gij om Isolde als uwe wettige echtgenoote te erkennen, dan blijft ons geen andere uitweg dan de dood, maar wacht u in dat geval voor de wraak van koning Gumurun en de zijnen; wanneer zij vernemen zullen, wat er is geschied!”

Nog dienzelfden dag riep koning Mark zijne edelen bijeen, om hunnen raad in te roepen. Hij las hun Tristan’s boodschap voor en vroeg met luider stem wie van hen bereid was, met Tristan te strijden over het goed recht zijner beschuldiging, maar allen zwegen, ook Meriadoc, die, de kracht van Tristan’s arm kennend, zich niet met hem in het gevecht wenschte te begeven.

Met minachtenden blik zag koning Mark om zich heen. Waar bleven nu de hooghartige woorden, waarmede de edelen hunne vorstin hadden aangeklaagd? Verbitterd over zooveel lafhartigheid wendde hij zich tot zijn kanselier, een eerwaardigen grijsaard en sprak tot hem: “Vader, mijn hart is vervuld van onrust en twijfel, ik weet niet, wat te doen. Wilt gij mij helpen en mij een uitweg toonen uit deze bange onzekerheid?” Daarop antwoordde de grijze kanselier: “Mijn zoon, ik ben een geestelijke en als zoodanig gehoorzaam aan de wetten en voorschriften der Heilige Kerk. Wat God heeft samengebracht, zal de mensch niet scheiden. Koningin Isolde is uwe wettige echtgenoote; als zoodanig zult gij haar eeren en beschermen, hoe kondt gij haar dan al dien tijd aan de zorg van een anderen man overlaten? Bovendien ben ik overtuigd, dat zij onschuldig is. Wij beiden zijn oud en grijs, maar Tristan en Isolde zijn kinderen, jong, dartel en onervaren. Het is mijns inziens uw plicht om de koningin opnieuw de plaats toe te kennen, die haar toekomt. Tristan echter zou ik, zooalshij zelf voorstelt, voor eenigen tijd van het hof verwijderd houden, om allen argwaan tegen te gaan.”

Dankbaar luisterde koning Mark naar de woorden van zijn trouwen dienaar en ijlings zond hij naar de woning van den kluizenaar een boodschapper, die Tristan verzoeken moest om de koningin op eene vastgestelde plaats te brengen, waar haar gemaal haar op eervolle wijze zou ontvangen.

De plek, die Mark voor de samenkomst had bestemd, was eene doorwaadbare plaats in de rivier, die langs den zoom van het woud van Morois vloeide. Daarheen begaven zich de beide gelieven op den aangewezen tijd. Alvorens afscheid te nemen van zijne hooge gasten, was de kluizenaar naar de naastbijgelegen stad gereden en had daar van zijne moeizaam vergaarde spaarpenningen een stel kleederen voor de koningin gekocht, waarin zij op passende wijze voor haren gemaal zou kunnen verschijnen. Op een wit muildier gezeten, eveneens een geschenk van den vromen vader, reed Isolde langzaam naar den oever der rivier, aan hare zijde ging Tristan, nog steeds in lompen gekleed. Beiden zwegen, het scheen of hunne kelen dichtgesnoerd waren van smart, hun harten waren beklemd en als gedrukt door een zwaren last, zóó vreesden zij de naderende scheiding. Ten laatste verbrak Isolde de stilte en sprak: “Tristan, dierbare vriend, vóór wij scheiden heb ik eene laatste bede aan u, die ge mij, hoop ik, niet zult weigeren. Wanneer ge mij straks tot mijn echtgenoot voert, en gij verlaat dit land, blijf ik hier geheel alleen achter. Wie zal zeggen, of de koning mij werkelijk goed gezind is; of het hem ernst was, toen hij beloofde, mij opnieuw als zijne gemalin te zullen eeren en beschermen? Wie zal mij helpen, indien hij gedurende uwe afwezigheid booze plannen tegen mij smeedt? Daarom smeek ik u, om u voorloopig schuil te houden in de nabijheid der stad, mocht ik uwe hulp noodig hebben, dan behoef ik slechts Brangwaine naar u toe te zenden en ge zijt bij mij. Indien de koning echter woord houdt en mijne vrees dus ongegrond blijkt te zijn, zoo zou ik u willen verzoeken, om nog éénmaal in den tuin van het paleiste komen voor een laatst vaarwel, eer ik u voor altijd moet verliezen. Dit zal dan de laatste verboden daad zijn, waartoe ons de liefde brengt.” Tot in het diepst van zijne ziel bedroefd beloofde Tristan de koningin aan haar verzoek te voldoen en zwijgend vervolgden zij hun zwaren tocht.

Aan den oever der rivier wachtte het volk van Tintagel met wuivende banieren en wapperende vaandels zijne koningin op; in schitterende kleedij stonden de hovelingen om hun koning geschaard. Daar naderden de beide gestalten aan den anderen oever. Een luid gejuich steeg op uit de menigte, toen het rijdier der koningin voet aan wal zette en zij hunne geliefde meesteres opnieuw in hun midden zagen. Koning Mark trad naar voren en nam de teugels van het muildier uit Tristan’s handen over, de laatste sprak daarop met luidklinkende stem, zoodat alle aanwezigen het hooren konden: “Heer koning! ik breng u hier Isolde, uwe echtgenoote, weder. Zij is de uwe, zooals zij dit altijd geweest is. Vóór ik heenga, wend ik mij hier tot mijne vijanden onder uwe baronnen en daag hen uit tot een eerlijken kamp, waarin zal worden beslist, aan welke zijde meer onrecht is geschied.”

Niemand antwoordde hem. Toen vatte Dinas van Lidan, een trouw en eerlijk ridder en een waar vriend van Tristan, moed; hij nam den koning ter zijde en vermaande hem, om Tristan niet aldus te laten vertrekken en daardoor een der beste en edelste ridders van zijn hof te verliezen. Maar de overige ridders, die Tristan vijandig gezind waren, spoorden den koning aan, om in zijn heengaan te berusten, waar dit hem den vrede aan zijn hof zou verzekeren.

Met een enkelen handdruk scheidden de gelieven, Tristan wendde zich om en wilde heengaan; toen eerst sprak koning Mark tot hem: “Ik kan u niet aldus in lompen zien vertrekken. Zoo ge wilt, ga dan naar mijne schatkamer en neem daaruit, zooveel gij voor uwen tocht denkt noodig te hebben!” Tristan echter wierp het hoofd in den nek en antwoordde trotsch: “Geen penning, Heer, zou ik van u willen aannemen. Ik hoop mij inden vreemde loon genoeg te kunnen verwerven!” Daarop ging hij heen en Isolde volgde hem met hare blikken.

Eenigen tijd scheen het of de rust en vrede aan het hof waren teruggekeerd. De koning was opgewekter dan hij in lang geweest was en de verraders: Meriadoc, Melot en hunne handlangers verheugden zich over de wijze, waarop zij Tristan uit den weg hadden geruimd. Toen gebeurde het, dat Meriadoc zelve liefde opvatte voor zijne schoone vorstin en hoopte wederkeerig door haar bemind te zullen worden. Isolde echter behandelde hem met koele minachting en zag hem nauwelijks aan, wanneer hij het woord tot haar richtte. Al hare gedachten, al hare verlangens waren bij Tristan, hoe zou zij dan een blik over hebben voor dezen lafaard, die, zooals zij heel goed wist, haar en haren geliefde verraden had.

Slang.

Hoe Meriadoc den koning trachtte over te halen om Isolde de vuurproef te doen ondergaan.Langzamerhand begon het in de ziel van Meriadoc te koken van woede en hartstocht, hij zon op een middel om zich te wreken en toen hij meende dit gevonden te hebben, sprak hij gedurende een jachtrit tot koning Mark: “Sire, wij allen weten thans, dat de koningin rein en onschuldig is, het volk echter mort en klaagt en roept om bewijzen. Zooals gij vroeger Tristan en Isolde zonder eenige rechtspraak tot den vuurdood hebt veroordeeld, zoo hebt gij uwe gemalin eveneens zonder rechtspraak wederom in uwe gunsten aangenomen. Het volk meent, dat gij de wetten des lands door zoo te handelen met voeten treedt. Wat doet nu een man, wiens vrouw ten onrechte van trouwbreuk beschuldigd wordt? Hij laat haar door de vuurproef in het aangezicht van alle menschen hare onschuld bewijzen. Handel gij eveneens zoo en het volk zal tevreden zijn.”

Koning Mark barstte bij het hooren van deze woorden uit in een stortvloed van verwenschingen tegen den spreker, die hem zijne rust niet gunde en hem steeds weer met nieuwe verwijten overstelpte. Meriadoc en zijne vrienden lieten echter niet af en dreigden het hof te zullen verlaten, indien hij bleef weigeren aan hun verzoek te voldoen.

In toornige stemming keerde de vorst huiswaarts. Isolde, die terstond vreesde, dat zijne ontstemming in verband stond met Tristan, wiens schuilplaats wellicht ontdekt was, rustte niet, vóór zij den waren grond van zijn toorn ontdekt had. Verruimd haalde zij adem, toen zij den eisch der baronnen hoorde; nog was Tristan dus veilig en wellicht bood zich hier eene gelegenheid om alle verdenking voorgoed uit den weg te ruimen.

Daarom sprak zij: “Heer! ditmaal beschuldigt gij uwe edelen ten onrechte. Zij hebben gelijk; dit is de eenige wijze, waarop ik mij in de oogen van het volk van alle blaam zal kunnen zuiveren. Daarom ben ik bereid, de vuurproef te ondergaan, echter niet alleen in tegenwoordigheid uwer baronnen, die toch niet zouden ophouden mij te belasteren! Neen, ik verzoek u dringend, een bode te zenden naar koning Arthur van Engeland en hem uit te noodigen met zijn geheele gevolg bij het komende godsgericht tegenwoordig te zijn. Hij zelve zal dan mijn getuige zijn!”

Aanvankelijk wilde de koning niets van haar plan hooren, maar Isolde bleef aandringen en eindelijk besloot hij aan haren wensch gehoor te geven. Aan den oever der rivier die de rijken van Cornwallis en Engeland scheidde, zou men samenkomen om van het plechtig Godsgericht getuige te zijn. Toen men tijd en plaats bepaald had, zond de koningin hare dienares naar Tristan en verzocht hem, zich, als pelgrim vermomd, daarheen te begeven en hare komst af te wachten, daar zij meende zijne hulp noodig te zullen hebben.

Op den dag, die voor de vuurproef was vastgesteld, kwamen koning Mark en koningin Isolde met hunne gansche hofhouding naar den oever der grensrivier. Aan de overzijde wachtte koningArthur hen reeds op, omgeven door zijne ridderschap. Aan beide zijden was aan de oevers eene dichte menigte samengestroomd, die in spanning de komende gebeurtenissen afwachtte. Aan den rand van het water zat Tristan, gekleed in een wijdenpelgrimsmantel; hij hield den voorbijgangers zijn houten geldbakje voor en smeekte hun op klagelijken toon om eene aalmoes. Daar naderde de boot, die de koningin over den stroom moest brengen. Langs den oever was het water zeer ondiep, waardoor het vaartuig niet geheel aan land kon komen en de inzittenden moesten over den modderigen rivieroever den vasten bodem bereiken. Isolde stond op de voorplecht van het schip en zag hoe men toebereidselen begon te maken om te landen. Daarop riep zij uit: “Zeg mij, edele heeren, hoe ik den oever zal bereiken zonder mijne kleederen te bevuilen op den modderigen waterkant. Ik wil niet, dat een man van ridderlijken stam mij aanraakt alvorens ik de vuurproef heb doorstaan, maar ziet, ginds zit een vrome pelgrim aan den rand van het water, die kan mij veilig aan wal dragen.”

Met gebiedende stem riepen de ridders den pelgrim naderbij, deze nam Isolde vast in zijne armen en waadde met haar door den stroom. Terwijl hij haar zoo voortdroeg, fluisterde zij: “Liefste, wanneer wij op den oever zijn gekomen, laat u dan met mij in uwe armen in het zand vallen.” Tristan deed, wat hem geboden was: zoodra hij voet aan wal gezet had, struikelde hij en viel op den grond, de koningin steeds omvat houdend.

Met stokken en speren snelden de ridders en dienaren naderbij, om den onhandige te straffen, maar vóór zij Tristan konden bereiken, was de koningin overeind gesprongen en sprak vriendelijk: “Laat hem met vrede. Hij is moede en uitgeput van zijn langen pelgrimstocht.” Daarop reikte zij den pelgrim een gouden gesp, dien zij loshaakte van haar kleed en begaf zich naar de plek, waar koning Arthur hen wachtte.

Vóór de vorstelijke tent stonden op eene houten tafel de heilige reliquieën uitgestald, die door de ridders eerbiedig werden bewaakt. Op eenigen afstand was een groot vuur aangelegd, waarin enkeleroodgloeiende bouten staken. Daar omheen hadden zich de geestelijken geschaard, die geheel verdiept waren in het prevelen hunner gebeden.

Isolde begaf zich naar de voor haar ingerichte tent en ontdeed zich van hare kostbare bovenkleederen. Zij nam zich de gouden kroon van het hoofd, legde hare sieraden af en hulde zich in een wijd boetekleed.

Zoo trad zij voor hare rechters. In ademlooze stilte zag het volk toe, hoe zij zich naar de plek begaf, waar de beide vorsten naast elkander hadden plaats genomen, waarop zij de volgende woorden sprak: “Sire, mijn echtgenoot, en gij, Sire, die heer zijt over het machtige Engeland, ik verschijn hier voor u beiden, in het kleed eener boetelinge, om mijne onschuld te bewijzen, ten aanzien van allen, die hier tegenwoordig zijn. Daarbij zweer ik, dat geen man ter wereld ooit aan mijne zijde gelegen heeft, noch mij in zijne armen heeft gehouden dan gij, mijn echtgenoot, en”—hier gleed een schalksche glimlach over haar gelaat—“de vrome pelgrim, die mij zooeven aan land gedragen heeft. Deze woorden ben ik bereid om door de vuurproef waar te maken.”

Daarop ging Isolde met vaste schreden, doch met angstig kloppend hart, naar het vuur, greep den gloeienden ijzeren bout, die er in stak, met beide handen vast en droeg dien tot vóór den zetel des konings. Daar gekomen liet zij hem op den grond vallen, en stak hare beide handen omhoog, de palmen naar de beide vorsten gericht. Een kreet van verlichting steeg op uit de menigte, Isolde’s handen waren blank en ongedeerd.

Plechtig daalde koning Mark van zijn hoogen zetel af en kuste zijne gemalin op beide wangen. Het bewijs harer onschuld was nu geleverd en niemand zou het meer wagen, een vinger tegen haar op te heffen.

Onder luid vreugdebetoon trok het volk huiswaarts en ook de beide vorsten namen afscheid van elkander, waarbij koning Arthur Isolde verzekerde van zijn steun, indien zij dien ooit noodig mocht hebben.

In gelukkige stemming reisde koning Mark terug naar zijn paleis, de laatste schaduw van twijfel was uit zijn hart verdwenen en hij bouwde zich de schoonste luchtkasteelen van zijn toekomstig samenleven met zijne jonge vrouw.

Helaas! ze zouden weldra in rook verdaan

Toen Isolde in het slot te Tintagel was teruggekeerd, zond zij terstond Brangwaine met eene boodschap naar Tristan om hem uit te noodigen tot een laatste samenzijn, alvorens hij het land zou verlaten.—De tuinen om het paleis lagen te stoven in zomersche hitte, toen de beide gelieven zich naar de afgesproken plek begaven. Geen windje beroerde het dichte loof der boomen, de zon schoot hare verzengende stralen neer op bloemen en struiken; mensch en dier zochten tevergeefs naar eene koele plek om de brandende hitte voor eene wijle te ontvluchten.

Brangwaine had de wacht betrokken voor den ingang van den boomgaard, waar Tristan en Isolde hun laatste, bitter-zoete samenzijn genoten. Alle inwoners van het slot hadden zich in de koele zalen teruggetrokken, niemand dreigde dus hen te storen. Nog éénmaal hield Tristan Isolde in zijne armen, nog éénmaal spraken zij over hunne liefde en de pijn en zaligheid, welke deze hun gebracht had, daarop stak de koningin Tristan eenen ring aan den vinger, waarmede hij haar, waar hij zich ook bevond, tot zich kon roepen, indien hij hare tegenwoordigheid om de een of andere reden dringend vereischte. In ruil voor dit geschenk vroeg zij Tristan, haar zijnen hond Husdan af te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldeed. Zoo spraken zij over het naderend afscheid en zwoeren elkander onwankelbare trouw, tot zij eindelijk, uitgeput door de groote hitte en de aandoeningen, welke zij doorstaan hadden, in elkanders armen in slaap vielen.

Eenigen tijd nadien begaf koning Mark, die ongerust begon te worden over het lang uitblijven der koningin, zich in den tuin om Isolde te zoeken. Een dienaar, dien hij daar ontmoette, verwees hem naar den boomgaard, waar hij meende de koningin te hebben zien binnengaan. De koning wendde zijne schreden daarheen,ging de doodelijk verschrikte Brangwaine met een vriendelijken groet voorbij en trad den boomgaard binnen, weinig vermoedend, welk een vreeselijke aanblik hem daar wachtte.

Zoo gebeurde het, dat, juist toen koning Mark volle zekerheid meende te hebben verkregen omtrent de onschuld zijner gemalin, juist toen Tristan en Isolde elkander voor eeuwig vaarwel hadden gezegd, de beide gelieven werden ontdekt. Bij eene kronkeling in het pad ontdekte koning Mark hunne gestalten, rustend in het gras onder de groene vruchtboomen. In enge omarming hielden zij elkander omstrengeld, hunne hoofden waren dicht te zamen gevlijd en hunne monden waren vereenigd in een kus. Mark streek zich verward over het voorhoofd. Droomde of waakte hij? Waren dit inderdaad Isolde, zijne geliefde gemalin, en Tristan, zijn neef, die hem dierbaarder was dan zijn eigen zoon? Was het dus toch waar, wat de baronnen over hen gezegd hadden? Vol afgrijzen, met de handen in wanhoop omhoog geheven, ijlde de koning terug naar zijn paleis om getuigen te halen bij dit ontzettend schouwspel. Het geluid zijner wegsnellende voetstappen deed Tristan ontwaken, nog juist zag hij de gedaante des konings om den hoek van het pad verdwijnen. In een oogwenk was hij overeind en wekte Isolde. “Vlug, liefste, wij zijn ontdekt! Uw echtgenoot is hier geweest en is nu heengegaan om getuigen te halen. Vóór hij terugkomt, moet ik verdwenen zijn!” Nog ééne omarming, een laatste stamelen van den geliefden naam en Tristan verdween tusschen de boomen.

Toen de koning spoedig daarop in den boomgaard trad, gevolgd door eene schaar van edelen en baronnen, lag Isolde in slapende houding in het gras. Het hoofd met de golvende blonde haren rustte op haren arm en zij ademde kalm en rustig als een kind. Weinig vermoedden zij, die haar zoo zagen liggen, dat stormen van hartstocht en verlangen door haar hart joegen en dat hare ziel tot stervens toe bedroefd was.

Sprakeloos van verbazing zag koning Mark neer op het liefelijk beeld der slapende. Was het dan slechts een droom geweest, hetvreeselijk visioen, dat in vlammende lijnen in zijn brein gegrift stond? De baronnen konden een glimlach niet onderdrukken, toen zij den verbaasd ontstelden blik des konings ontmoetten en Dinas van Lidan riep uit: “Het is slechts een gevolg van uw overspannen geestestoestand geweest, Sire, die u schimmen voor den geest toovert en ze u voor werkelijkheid doet aanzien. Wij allen weten immers, dat Tristan na den terugkeer der koningin het land heeft verlaten. Wij allen weten ook, dat uwe gemalin rein en onschuldig is, wilt gij dan nog sterker bewijs dan dat van de onlangs doorstane vuurproef? Bedwing toch uw wantrouwen, Sire, het voert u op dwaalwegen en doet uwe wijsheid geen eer aan!”

Beschaamd hoorde de koning deze woorden aan en wendde zich af, overtuigd, dat Heer Dinas inderdaad waarheid had gesproken.


Back to IndexNext