end_of_chapter.jpg
In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op het met boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de kloosterhallen verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt. Sedert dien tijd, zoo deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen 's nachts de geesten van de verjaagde monniken tusschen de ruïnes van het koor en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de verwoesters hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven, telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en Drachenburg. Een graf ontbreekt; bij de laatste verwoesting hebben de kloosterschenders dit geopend.
Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift, dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik.
Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en ofschoon zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep: "Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" zoo toch omzweefden hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de pijnigende gestalten van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten.
Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd over de perkamentrollengebogen. Uren verstreken, en de morgenzon verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels, die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens, rekten en verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die hem hoonend omzweefden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging hij, in kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de rustige omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de vogels in de groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos hemaan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts een klank "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Vermoeid was zijn dolende voet, afgemat zijn overspannen hersenen. Op een steen zonk de monnik neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende droom voerde zijn geest weg. In door licht omgeven sferen vond hij zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de hemelen roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk wezen heeft kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel, die op bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die voor den hoogmoedige onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt wordt. De taal van Hem, die hen uit het stof te voorschijn riep, zij het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: "Duizend jaren zijn denHeer gelijk een dag!" Met een lichte rilling opent de monnik de oogen.
"Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" mompelt hij, zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk is reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing bemerkt hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een vreemde, dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den binnengekomene.
Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen en wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust de tachtigjarige sneeuw.
"Hoe is uw naam, vreemde broeder?" vraagt hij op vriendelijken, welwillenden toon.
Afgrijzen maakt zich van den monnik meester.
"Maurus," mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. "Bernard, de Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde regeeringsjaar van koning Koenraad, dien men den Frank noemde."
Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen, en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De prior wenkt een broeder.
"Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf, evenals Koenraad, dien men den Frank noemde."
De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige, leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde: "Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is."
Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde! In zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had, als bazuingeschal van hetlaatste oordeel: driehonderd jaren! Met opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit.
"Mijne broeders," prevelt hij met brekende stem, "eert steeds het onvergankelijke woord des Heerenen zoekt niet doorte dringen in wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer, zij mij armen zondaar genadig!"
Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn lijk.
end_of_chapter.jpg
Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge steenen zuil; in die streek bekend onder den naam van "Hochkreuz". Vriendelijk komt de steen uit het schaduwrijke groen te voorschijn, als de toerist daar op den dag voorbij komt. 's Avonds daarentegen maakt het vervallen, verweerde gedenkteeken, wanneer dit plotseling op den eenzamen weg voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna griezeligen indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent, die sedert oudsher — het "Hochkreuz" staat daar reeds vele eeuwen — het grijze gedenkteeken omzweeft.
De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de tegenwoordige ruïne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op den Godesberg een oud strijder, diein het Rijnland zeer geroemd werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde intwee flinke zonenvoort. De oudste was geheel het evenbeeld zijner moeder; hij bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor kwam het, dat de oogen van den vader met meer welgevallen op hem, dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd reeds menig dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had.
Maar toch was de grijsaard hem daardoor nietminder goed gezind.Hij hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen beker ledigde, hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij niet meer afkeerig van ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden gemalin vervuld worden, die steeds gehoopt had, dat de Keulsche bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling mocht sieren, terwijl Erich, de oudste, heer van Godesberg zou zijn.
Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende; dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte in stilteeen zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde te onttrekken.
15_roland.jpg[Illustratie:Roland in der Schlacht von RoncevallesNach dem Gemälde von A. Guesnet]
Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het land der droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd, datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een vurige wensch in zijn binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen op den burcht zijner voorvaderen, den anderen voor het altaar van den Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd door de armen en verdrukten.
In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken, maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek van den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht van den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd, zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht, een waardig dienaar van den Heer wordt."
Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb."
Treurig hoorde de andere hem aan.
"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen, maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders veracht."
Toen werd het stil in de ridderzaal.
Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet van den Godesbergtot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen, alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede, dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als een gewichtig geschrift nagelaten had.
Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast, zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.
Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende honden. Daar ritselt hetloover, hijgend baant de ever zich een weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.
"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de oudste schertsend.
"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en trekt bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.
De schildknapen buigen zich tot den stervende over.
"Mijn broeder!" In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld worden ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het bericht, dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen is, in het Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den Godesburcht, waar de jonge slotheer in het graf zijner vaderen bijgezet werd. De burcht bleef verlaten, de naaste verwanten van het adellijke geslacht wilden hun woning in de gezegende "Rheingau" dicht bij de Palts niet voor de onzalige vesting verruilen, en zoo woonde daar slechts de poortwachter.
Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem in den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige ruïne.
Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is destijds een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld. Gisteren nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis van zijn broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn broedermoord op het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch gevlucht. Het helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit den weg te ruimen, dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet gegaan, toen het slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De moordenaar, wiens hand gesidderd had, werd door booze geesten verdreven.
Jaren zijn intusschen verstreken.
Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het Zevengebergte hadden laten bouwen, Half pelgrim,half bedelaar. Het gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam gebroken, zooals wellicht de ziel.
Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem niet verder dragen.
De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op zijn oud gelaat.
"Bij God, zijt gij het, ridder —"
Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en smeekt hem, zich zijner te erbarmen.
"Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger woud versloeg," klaagt de ongelukkige. "Reeds tweemaal tien jaar boet ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het heilige graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen, Godserbarming over mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van mijn handen, en met moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland getrokken. Hierheen werd ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij als knaap en als jongeling gekend hebt, smeek ik om een plaatsje tusschen deze muren, waar ikde ruïne van Godesberg aan den overkant kan zien, en waar ik boete kan doen en bidden, totdat de dood mijn arme ziel wegdraagt."
Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen zondaar.
***
***
Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de dood gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het zingen van treurliederen grafwaarts gedragen.
Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop van Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoewel er eeuwen overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere "Hochkreuz" nog steeds op deze plaats.
end_of_chapter.jpg
Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als een groot drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch, dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was een warme dag, hij maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De avondzon weerkaatste in den Rijn, toen de heer Erich mismoedig het geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde.
Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg (thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door de bekwame hand derwaardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk.
16_griet.jpg[Illustratie:Jan und GrietSteinbild am Jan von Werth = Denkmal in Köln]
Menige bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur.
De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten, en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een ruwe klant bekend stond, trok een ernstig gezicht: "Twaalf bokalen: Denk ook aan het betalen, mijnheer de drinker!"
Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen moet hebben.
"Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad."
De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij trok een boos gezicht. "Als gij geen geld meer hebt, dan houd ik uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw broek en uw schande weer in."
Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud fluisterden elkaar eenvreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun kruinen, evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten, dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten....
Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen het.
Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg "Zum Junkerhof" genaamd, maar de ondeugende nakomelingen van de vrome voorvaderen verdoopten haar "zur Junkerhose" en vertellen elkaar bij den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer en Godesberger hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich.
end_of_chapter.jpg
Het was in hetmidden der vijftiende eeuw. De schaduwen des doods spreidden zich over Keulen uit. Een vrouw in een donker gewaad ging schoorvoetend door de straten: de zwarte pest. Haar giftige adem drong in stulpen en paleizen en vernietigde het leven van duizenden.
Op ontelbare huizen schilderden de doodgravers het zwarte kruis, een teeken, dat het vreeselijke spook daar binnengetreden was. Het aantal dooden steeg zoo zeer, dat velen geen rechtsstreeksche begravenis ten deel viel. Men wierp de lichamen der ongelukkigen in een gemeenschappelijk graf, bedekte het dunnetjes met aarde en plaatste er een kruis op. Het jammeren en klagen in de oude stad Keulen was niet om aan te hooren.
Op de Neumarkt, dicht bij de kerk der Apostelen, woonde in een prachtig patriciërshuis de rijke raadsheer Mengis von Aducht. Ook hem trof het verschrikkelijke noodlot; zijn jeugdige gemalin werd door de pest aangetast en stierf.
Het verdriet van den heer von Aducht was grenzenloos. Hij bracht den ganschen nacht bij het omhulsel van de ontslapene, innig geliefde vrouw door, kleedde haar in haar wit bruidskleed, dat zij eenige jaren geleden gedragen had, versierde de kist met welriekende bloemen en liet de doode de schitterende kettingen en kostbare ringen, waarvan ze zooveel gehouden had, mede in de groeve nemen.
De nacht lag treurig over het kerkhof naast de Apostelenkerk, waar Richmodis in haar versch gedolven graf rustte.
Stilte heerschte op den doodenakker. Daar beweegt zich de grendel der kerkhofsdeur. Twee schaduwen sluipen op de teenen langs de donkere rij der graven en richten hun schreden naar een versch gedolven graf, dat hun welbekend is. Zij hebben het zelf gegraven. De beide doodgravers van het kerkhof der Heilige Apostelen zijn het, die de bloeiende vrouw van den raadsheer in den namiddag begraven hebben. Zij sloten het deksel, en terwijl de ridder zich jammerend over de innig geliefde gade heenboog, hingen de begeerige blikken der beide mannen aan de schitterende kettingen en kostbare ringen, die de doode versierden.
De grafkransen ritselen in de duisternis en hard klinkt het spitten met de spaden. Geleidelijk wordt het graf leeger, en de aardkluiten daarnaast hoopen zich steeds meer op. Nu hoort men een dof geluid, ze zijn tot aan het deksel der doodkist gekomen. Treurig flikkert het schijnsel eener lantaarn uit het vochtige graf. Zij hebben het deksel opengebroken, terzijde geschoven en buigen zich nu vol hebzucht over de gestalte in het witte gewaad. Schel valt het licht der lantaarn, die de eene man in de hand houdt, op het levenlooze gelaat der vrouw in de doodkist, terwijl de andere man snel de ringen van haar gevouwen handen trekt.
Daar beweegt zich plotseling de gestalte in de lijkkist, de smalle witte vingeren bewegen zich. Bleek van schrik snellen de roovers weg, ze laten de kist open en vergeten de gereedschappen.
Een klagende zucht steeg uit het graf op. Eenige minuten later richtte de levendbegravene zich met moeite op. Met opengesperde oogen beschouwde zij haar omgeving en ontzetting maakte zich van haar meester. Rillend kijkt zij naar de ruimte, die zij verlaten heeft, en naar de plaats, waar ze zich bevindt. Was het een droom, die haar kwelde?
Zij roept met zwakke stem. Niemand antwoordt, slechts het ritselende herfstloof en de toppen der kerkhofsboomen, die door den wind bewogen werden. Verder rondom doodsche stilte.
Plotseling begreep ze haar vreeselijken toestand: terwijl ze schijndood was, had men haar als ontslapene begraven. Haar hart dreigde stil te staan van gruwelijke ontzetting. Zij greep de achtergelaten lantaarn en wankelde tusschen de graven door naar den uitgang, dien de roovers vergeten hadden te sluiten.
Verlaten waren de straten. Slechts de sterren zagen de wankelende gestalte in het sneeuwwitte gewaad, die zich gelijk een schim, dikwijls minutenlang tegen de huizen der straten leunend, naar de Neumarkt voortbewoog.
Zwijgend groette het grijze patriciërshuis de weeropgestane meesteres. Een venster was nog verlicht. De arme vrouw beneden kromp ineen. Dat was het vertrek, dat getuige van haar jonge liefde geweest was, waarin zij tijdens de vreeselijke ziekte geleden had, en waaruit men haar als doode gedragen had, om in den vochtigen grafkelder te ontwaken. Wellicht vertoefde haar bedroefde gemaal op het oogenblik in deze kamer, doorliep haar met rustelooze schreden, om dan eindelijk, door verdriet overstelpt, zijn hoofdin de onaangeroerde kussens te begraven, met den naam zijner geliefde Richmodis op de lippen.
De vrouw in het doodskleed zuchtte. Zij klopte zoo hard aan de deur als haar zwakke krachten het toelieten. Een oude dienaar stak na een poosje zijn hoofd achter het luik in de eikenhouten deur en in de schemering bemerkte hij met ontzetting het spookachtige wezen.
Richmodis noemde hem bij den naam en beval hem haar te openen. Bij den klank dezer stem kromp de oude ineen. Bleek van schrik snelde hij de treden op en het vertrek van zijn heer binnen, terwijl hij stamelde:
"Heer de dooden staan op! Buiten voor het huis staat onze goede vrouw en wil binnenkomen."
Maar de raadsheer schudde verdrietig zijn hoofd.
"Richmodis, mijn geliefde gade is dood en keert nooit weder. Nooit komt ze terug,"herhaalde hij vol onuitsprekelijk leed, "eer zou ik denken, dat de schimmels uit de stal naar de torenkamer zouden opstijgen."
Daar dreunde plotseling donderende hoefslagen op den Innenhof en spoedig daarna op de steenen trappen. Toen de heer van Aducht de deur uitsnelde, zag hij zijn beide schimmels de trappen oprennen.
Een oogenblik later keken twee hinnikende paarden over de raamkozijnen in den sterrennacht, beneden echter hield een man lachend en huilend tegelijk zijn geliefde vrouw in de armen gesloten, die het graf hem weergegeven had.
***
***
Nog vele jaren leefde mevrouw Richmodis aan de zijde van haar echtgenoot, terwijl een schaar allerliefste kinderen hun gelukkige echtvereeniging volmaakte. Innige vroomheid verhelderde het leven der stille huisvrouw, die sedert dien tijd nooit meer gelachen heeft. Een kunstig misgewaad heeft zij voor de kerk der Heilige Apostelen geborduurd, en de heer von Aducht heeft de gebeurtenis op het kerkhof in de Apostelenkerk in een koornis laten schilderen ter blijvende gedachtenis.Het schilderij isthans verbleekt.
Als gij nu, lezer, in Keulen komt en zijn Dom en kerken bewondert, ga dan ook naar de Neumarkt, waar ge twee uit hout gesneden paardenkoppen uit het dakvenster van een ouderwetsch huis zult zien kijken, als herinneringsteeken aan deze gedenkwaardige geschiedenis van Richmodis von Aducht.
end_of_chapter.jpg
17_karl.jpg[Illustratie:Karl der GrosseNach dem Gemälde von Albrecht Dürer]
Te Keulen vervoegde zich op den avond voor het feest van Jezus Hemelvaart, een eenvoudig bouwmeester bij den machtigen aartsbisschop Koenraad von Hochstaden en bood hem het ontwerp voor een kerk aan. Op trotschen toon beweerde hij, dat zij een der schoonste kerken van de wereld zou worden. Daar de kerkvorst over de grootschheid van het ontwerp hoogst verbaasd was, droeg hij den vermetelen bouwmeester de uitvoering daarvan op.
Spoedig verhieven zich op de ruime plaats waar reeds eenmaal tijdens de regeering van den eersten Frankenkoning een Dom gestaan had (Hildebold, de aartsbisschop, had dezen laten bouwen, en de woeste Noormannen hadden hem verwoest), statige hooge muren. Reusachtige zuilen met prachtige welvingen vereenigden zich tot een trotsch godshuis.
Iedereen bewonderde den bouwmeester, wiens scheppende geest binnenkort duizenden handenin beweging zette, en meester Gerhards naam werd spoedig in de Duitsche en Waalsche landen met lof genoemd. Het koor was reeds voltooid. Uit alle omliggende plaatsen, zelfs uit verre landen kwamen bedevaartgangers naar den Dom te Keulen om het stoffelijk overschot der drie koningen, die in het koor rustten, te aanbidden. De lofliederen der vrome christenen weergalmden door de trotsche gewelven.
Hij, die echter het meeste reden had, om zich te verheugen, deed zulks niet. In zijn borst, die eerst van vreugde gezwollen had, nestelden zich nu treurige gedachten. Onophoudelijk fluisterde de grauwe zorg, de dochter van het voortdurende getob den schepper van het geheel in het oor, of zijn dagen wel toereikend zouden zijn, om het geheel te voltooien. Of de dood hem niet eens verhinderen zou, den grootsten triomf zijns levens te vieren.
Zijn vrouw sloeg met smart deze verandering gade. Tevergeefs beproefde zij de rimpels van zijn voorhoofd te doen verdwijnen.
Hoe meer deze vermoedens in zijn binnenste wortel schoten, des te meer spoed zette meester Gerhard achter den bouw van den Dom. Men schreef 1252 in den kalender. Reeds verhief zich de noordelijke toren statig omhoog. Metmeer ijver, dan voorheen begaf de bouwmeester zich van den eenen steiger naar den anderen.
Juist stond hij op de Domkraan. Reusachtige trachietblokken uit het inwendige van den Drachenfels gehaald, heschen de metselaars omhoog. Hoogst vergenoegd ziet de meester toe, de vreugde schittert in zijn oogen. Daar staat plotseling een vreemdeling aan zijn zijde, dien hij niet heeft zien aankomen. Een scharlaken mantel omgeeft zijn rechtopgaande gestalte, een gouden ketting glinstert op zijn borst en lustig fladdert de hanenveer op zijn fluweelen baret. Hij begon zijn aanspraak met den groet der metselaars. Zelf was hij een meester in de bouwkunst, vele jaren geleden had hij een huis gebouwd — terwijl hij dit zeide fonkelden zijn schitterende oogen vreemdsoortig onder de dunne wenkbrauwen — waaraan de tand des tijds tevergeefs knaagde, koningen en keizers, aanzienlijke heeren en prelaten hadden het reeds bezichtigd.
Zwijgend nam de meester den hoovaardigen spreker op. Maar deze begon het reusachtige werk van den bouwmeester van den Dom bovenmate te prijzen.
"Doch lijkt het u van een arm sterfelijk wezen geen vermetele handelwijze, om zulk een werk te beginnen?" vroeg hij plotseling op bijnaruwen toon. "De eerste steen had u moeten zeggen, dat een ander oogsten zal, wat gij gezaaid hebt."
"Wie zou mij beletten te voltooien, wat ik begon?" vroeg de bouwmeester eenigszins angstig het antwoord afwachtend.
"Het leven — of noem het de dood!" antwoordde de andere op scherpen toon. Daarop vervolgt hij spottend: "Zelfs een wurm, kunt gij, arme menschen, niet aan uw wil onderwerpen en reeds vanaf uw eersten ademtocht bedreigt u uw hevigste vijand en zekerste overwinnaar, de dood."
"Ik zal echter volbrengen, wat ik begon!" roept de bouwmeester eigenzinnig uit. "Ik wil er om wedden, zelfs met den duivel."
"Hola!" lacht de vreemdeling strijdlustig. "Met iemand, die zoo vermetel is, ga ik gaarne een weddenschap aan. Eer verstout ik mij een beekje van Trier naar Keulen te leiden, wel vijftig uur gaans, waarin eenden zullen zwemmen, dan dat gij uw Dom voltooit."
"Het zij zoo!" zegt meester Gerhard op somberen toon en slaat verblind toe, als de vreemdeling zijn rechterhand aanbiedt. Deze was ijskoud en een huivering overviel hem.
Toen begon de andere te lachen, spottend en zegevierend.
"Prijs der weddenschap je ziel!"
Ontzet krimpt de ontstelde meester ineen. Reeds heeft de andere den vuurrooden mantel geopend.
"Tot weerziens, vermetele!" Een stormwind steekt op en voert hem huilend weg.
Sedert dezen dag worden de wolken op het voorhoofd van den bouwmeester steeds donkerder. Rusteloos doolt hij op de steigers, rusteloos verricht hij zijn arbeid. Hoe meer hij haar uitbreiding nagaat, des te meer overvalt hem de angst, dat hij haar nooit volbrengen zal. Bij het aanbreken van den dag was hij reeds bij zijn werklieden, en zelfs 's avonds liep hij rond, de vlijtigen prijzende, de luien berispende. Dikwijls ook staarde hij in de richting van Trier, of daar niets ongewoons te zien was. Met hoopvolle verbazing bemerkte hij, dat zijn tegenpartij volstrekt geen moeite scheen te doen, om de weddenschap te winnen. Niets deed vermoeden, dat er groote werken in het Trierer land ondernomen werden.
Reeds begon zijn hoop te herleven. Al won hij niet, dan zou hij toch in geen geval verliezen, aldus troostte meester Gerhard zich.
Op een dag stond hij op den top van den voltooiden toren. Daar werd een hand op zijn schouder gelegd. Hij wendde zich verschrikt om. Achter hem stond de afschuwelijke bouwmeester. Was hij de duivel zelf of slechts een duivelsche magister van de zwarte kunst?
"Welnu, meester Gerhard, hoe staat het met uw werk? Ik zie, dat gij rustig voortgaat. Gelukkigerwijs heb ik mijn arbeid spoedig volbracht, anders liep ik gevaar mijn weddenschap te verliezen."
"Ik heb bij me zelf gedacht," zegt de meester op spottenden toon, "dat gij niet al te veel aarde beweegt, om uw kanaal te graven."
"Zoo weet dan, waarde neef, dat ik alleen meer volbreng, dan honderd arbeiders te zamen, en zooals ik u reeds gezegd heb, mijn werk is bijna klaar." Op lichtgeraakten toon zeide de man in den scharlaken mantel dit.
"Werkelijk?" Meester Gerhards oogen dwaalden onrustig rond. "Ik zou wel eens willen weten, met welke helsche kunsten gij dit klaargespeeld hebt."
"Zooals ge wilt, Neef! Gij behoeft mij slecht te volgen." Hij vat den meester bij de hand, beneemt hem de zinnen en voert hem door de lucht. Na eenige minuten betreden zij de aarde. Huiverend herkent de meester het Land vanTrier. Aan zijn voeten ontspringt een bron en stroomt in een opening der rotsen.
"Kom, oude," zegt de Satan lachend en terwijl hij zich buigt, verdwijnt hij onder een rots. Ontsteld volgt meester Gerhard hem. Hij bevindt zich in een grot der rotsen. Het water van de bron stroomt kabbelend in een kanaal, welks begin hij aanschouwt.
"Ziet gij, dat ik niet loog en mijn tijd wel besteed heb," zegt de duivel zegevierend. "Indien gij wilt, volgen de beekjes mij, en kunt gij zelf oordeelen over datgene, wat ik volbracht heb."
Nauwelijks had hij dit gezegd, toen een geheimzinnige kracht den bouwmeester aangreep en hem met huiveringwekkende snelheid voorwaarts duwde. De Satan voorop. Bleek als de dood aanschouwde de meester het werk. Geen twijfel was meer mogelijk, hij had de weddenschap verloren. Doffe wanhoop maakte zich van hem meester. Maar zeldzaam! Reeds na korten tijd nam zijn vertrokken gelaat weer een rustige uitdrukking aan, het scheen zelfs of er een onderdrukte glimlach op zijn gelaat speelde.
De uitgang was bereikt; door dezelfde magische kracht, die hem weggedragen had, voelde meester Gerhard zich weer op de aarde teruggevoerd.
"Dit is de helft van mijn werk, zeide de Booze, terwijl een grijnzende lach om zijn lippen speelde. Nu zullen wij de beloofde eenden zien, lieve Neef!"
Driemaal klapte hij in de handen en beval Gerhard op te letten. Thans, bijna vroolijk gestemd, luisterde deze oplettend. Minuten verstreken. Leeg bleef de uitgang van het beekje. Geen eendengesnater werd hoorbaar.
Nogmaals klapte de Satan in de handen, harder dan den eersten keer. Weder wachtte hij te vergeefs. Spottend glimlachte de Domarchitect. Een gillenden kreet stiet de andere uit en verdween, terwijl meester Gerhard mompelde:
"Nooit zal hij zijn weddenschap winnen. Ik, Gerhard von Ryle ken alleen de oorzaak."
Maar een hevige zwaarmoedigheid was sedert het laatste avontuur over den Dombouwmeester gekomen. Nog meer dan vroeger zag men hem op de steigers en ladders. Geheele uren bracht hij in somber gepeins door. Nu hij zijn tegenpartij, waarmede hij zich vermeten had te strijden, kende — wie zou het anders kunnen zijn, dan de duivel in persoon — was hij zich van het gevaar, waarin hij en zijn onsterfelijke ziel zich bevond, bewust.
18_abschied.jpg[Illustratie:Des Schwanenritters AbschiedNach dem Gemälde von W. von KaulbachLohengrins Departure Le départ du chevalier au cygne]
Dikwijls, nadat er eenige minuten van angstig nadenken voorbij gegaan waren, vloog er een gimlach over zijn trekken. Hij haalde diep adem, terwijl hij vol moed bij zich zelf zeide:
"Hij zal zijn weddenschap niet winnen, ik weet waarom."
De jeugdige gade was zeer neergedrukt door het vreemdsoortige gedrag van den meester. Zijn geslotenheid behaagde haar geenszins. Tevergeefs beproefden haar koozende lippen den zwijgenden mond van haar peinzenden echtgenoot het geheim te ontrukken, dat zijn tong bewaarde. Niet ongaarne ontvingen de lippen des meesters den rijken schat der vrouwelijke teederheid, maar op alle smeekbeden en verzekeringen van de door nieuwsgierigheid geprikkelde vrouw, glimlachten zij slechts bitter en spraken evenveel over het geheim als de oesters over hun schalen. Op een dag trad een rondtrekkend magister het huis van den bouwmeester binnen, toen deze juist bij den Dombouw vertoefde.
Een scharlaken mantel omhulde de rechtopgaande gestalte en lustig woei de hanenveer van de zwart fluweelen baret. Zeer minzaam gedroeg de vreemdeling zich, zijn voorkomen was zeer aangenaam en vriendelijk waren zijn woorden. Hij wilde den meester bezoeken endaar hij hem niet thuis trof, voerde hij een onderhoudend gesprek met zijn jonge vrouw. Spoedig klonken de woorden minder terughoudend van de lippen der bedeesde vrouw. Veel medegevoel en een warm hart vond zij bij den vreemdeling. Innige deelneming betoonde hij de veronachtzaamde gade, en tot dank deelde zij hem onder zuchten en klachten mede, hoe de achterdocht zich tusschen haar en haar echtgenoot geplaatst had, sedert hij een geheim verborg, dat hem veel verdriet veroorzaakte.
Merkbaar trokken de wenkbrauwen zich samen, onmerkbaar spitsten zich de ooren van den troostbrengenden vreemdeling.
"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt, zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn geheim kent," deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. "Beproef, schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de macht uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade, wat zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste vrouw in het heilige Keulen worden."
De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen der verleidster op de halsstarrige stilzwijgendheid van den manaf. Drie dagen na zijn eerste bezoek verscheen de magister opnieuw.
"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult."
Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden magister dringend zich te verklaren.
"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden, en gij kent zijn geheim."
Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister aan. 's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den droomer en wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had.
"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper, "ik ken zijn geheim."
"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht, aan wie de slang destijds den appel bood.
"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit op deze gedachte komen."
Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den dag — nauwelijks had de meester zijn huis verlaten — de rondtrekkende magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach hooren en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den meester achter.
Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend in dit water en werd door meerdere gevolgd.
Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de klauwachtige handen.
"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit en stort zich in de diepte.
Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok luidt in den toren — de bliksem was in het huis van den bouwmeester van den Dom geslagen.
De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche torens. De inwoners van Keulen beweerden, dat de geest van meester Gerhard 's nachts klagend om denDom zweefde. Toornig verweet hij den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde, onvoltooid liet. Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis van Duitschland.
Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats, waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte stortte, is zijn beeltenis in steenter eeuwige gedachtenisopgericht.