Mainz

Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en toonzette, ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd heeft. En daar hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere vereering den naam "Frau" d. i. meesteres hooger schatte dan "Weib" wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den naam "Frauenlob" geschonken en onder dezen is hij meer bekend, dan onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen.

Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn leven, maar meer nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat de lier van den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werdbesloten den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk vooral de schaar van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn zieleheil baden. Acht van de schoonste vrouwen droegen zijn kist, die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden klonken aan het graf van den minnezanger de grafliederen en zachte vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die hem zoo dikwijls zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk er van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden zanger vergoten werden.

Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige vrouwenfiguur van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger, die den lof der vrouw in onvergetelijke liederen bezongen heeft.

end_of_chapter.jpg

In het jaar Duizend ongeveer hadden de inwoners van Mainz een vromen kerkvoogd, Bisschop Willigis. Hij was de zoon van een wagenmaker, en alleen door ijzeren wilskracht en groote bekwaamheid was hij tot de waardigheid van eersten bisschop gestegen. De brave burgers van Mainz beminden en vereerden den edelen dienaar Gods zeer, de trotsche kanunniken en stijve patriciërs daarentegen was het hoogst onaangenaam zich te buigen, voor iemand, die in de armoedige hut van een wagenmaker geboren was.

Ernstig, doch met zachtheid verweet de bisschop eenigen van hen, dat ze zich te veel op hun voorouders lieten voorstaan. Dat verdroot de hooghartige heeren, en eens op een nacht haalden zij een grap uit bij de vertrekken van hun geestelijken heer en teekenden met krijt op alle deuren reusachtige raderen.

Toen de bisschop 's morgens vroeg naar de mis in de Domkerk ging, zag hij het baldadigewerk van de spotvogels. Zwijgend keek hij naar de raderen, doch zijn kapelaan, die naast hem stond, wachtte in angstige spanning te vergeefs op het losbreken van den toorn van de beleedigden kerkvorst. Integendeel op het gelaat van den bisschop vertoonde zich een vroolijke glimlach. Vervolgens gebood hij een schilder te roepen, en toen deze gekomen was, beval hij hem overal, waar de spotvogels de raderen geteekend hadden in een vuurrood veld, zichtbaar voor iedereen, witte raderen te schilderenen daaronderhet spreukje:

"Willigis, Willigis!Denk, hoe laag je afkomst is!"

En zelfs nog verder is hij gegaan; de wagenmaker heeft hem een ploegrad moeten maken' en dit heeft hij boven zijn legerstede laten ophangen; om steeds aan zijn afkomst herinnerd te worden.

Sedert dien dag hielden de spotters zich stil. De inwoners van Mainz echter hechtten zich met nog grootere liefde aan hun bisschop, die, niettegenstaande het hooge ambt, dat hij bekleedde, toch zoo eenvoudig bleef. En van dien tijd af voeren alle bisschoppen van Mainz de witte raderen in een rood veld in hun wapen.

end_of_chapter.jpg

03_quellgebiet.jpg[Illustratie:Aus dem Quellgebiet des RheinesNear the Source of the Rhine        Au pays du Rhin]

In 't heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld, als de koning aller Rijnwijnen. Alle vrienden van het Rijnsche druivensap kennen hem, maar weinigen genieten hem in zijn vorstelijke echtheid. Vorstelijk is hij, niet omdat een vorstenhand den sleutel van den Johannisberg bezit, maar omdat een vorstenhand hem in de gezegende "Rheingau" geplant heeft. En deze gekroonde schenker was niemand anders dan de groote Karel, de machtige beheerscher van het Frankenrijk.

Eens stond hij — 't was voorjaar — op het platform van zijn slot te Ingelheim en liet zijn blikken weiden over het wonderschoone landschap aan zijn voeten. Er was 's nachts sneeuw gevallen en een wit kleed bedekte de Rüdesheimer heuvels. Terwijl het oog van den keizer nadenkend op het witte landschap rustte, bemerkte hij, dat op de rug van den Johannisbergde sneeuw gauwer door de zonnestralen smolt dan op de heuvels in het rond. De groote Karolus, die als een echt Duitsch keizer ook een diepdenker was, meende, dat daar, waar zulk een gezegende zonnegloed viel, ook meer dan gras gedijen kon.

Dadelijk liet hij den grijzen Koenraad zijn wapendrager bij zich komen en gebood hem bij het aanbreken van den volgenden dag zijn paard te zadelen en naar Orleans, de stad van den edelen wijn, te rijden, met de boodschap aan de brave burgers, dat de keizer hun voortreffelijken wijn nog steeds genadig in herinnering had en dat hij gaarne zulk een edel gewas aan den Rijn zou bezitten, waarom hij den getrouwen burgers van Orleans verzocht een pootrank naar de "Rheingau" te zenden.

Aldus ging de schrandere koningsbode op weg en nog voordat de maan haar cirkelkring geëindigd had, was hij weer in het keizerlijke slot te Ingelheim terug. Alom heerschte daarover groote vreugde. Karolus zelf, de groote keizer voer naar Rüdesheim en plantte eigenhandig de Fransche wijnrank in de aarde van het Rijnland.

Het werk van den keizer was geen voorbijgaande gril geweest. Zorgvuldig liet hij zich over den stand der druiven in Rüdesheim en ophelling van den Johannisberg op de hoogte houden en toen de derde herfst in het land gekomen was, kwam tegelijk met hem Keizer Karel uit zijn lievelingsstad Aken in de "Rheingau". En het juichen van de oogsters weerklonk in de wijngaarden van Rüdesheim en Johannisberg.

Plechtig werd het eerste geurige product der wijnpers den keizer aangeboden; een gouden vocht in een gouden bokaal. Een koninklijke wijn! Een flinke teug heeft de groote Karel genomen en opgetogen den kostelijken drank geprezen. De vurige, zachte Johannisberger is zijn lievelingsdrank geworden, die hem op hoogen leeftijd den last der jaren deed vergeten. En wat Karel de Groote ondervond, dat bemerkt nog heden een ieder wien dit druivenbloed in den beker parelt. In het heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld als de koning aller Rijnwijnen, de Johannisberger.

***

***

Zeer schoon wordt de sage vervolgd van keizer Karel, die zijn druiven zegent. Door den mond van den dichter is hij in een lied herschapen, dat men dikwijls hoort zingen aan de oevers van den Rijn, waar de druiven groeien.

Elk voorjaar, als op de heuvels en in de dalen aan den vloed de druiven bloeien en de welriekende geur van de druivenbloesems de lucht vervult, wandelt 's nachts een hooge schaduw door de wijngaarden. Koninklijk is zijn gestalte, de purperen mantel golft om zijn schouders en op zijn hoofd schittert de keizerkroon. Het is Karel de Groote, keizer der Franken, die voor ongeveer duizend jaar den wijnstok naar Rüdesheim en aan den rand van den Johannisberg overplantte. De heerlijke geur van de druiven heeft hem uit zijn graf te Aken gewekt en hij is gekomen om de druiven, die hij geplant heeft, te zegenen. Het zachte schijnsel der volle maan verlicht den weg van den keizer en bij Rüdesheim bouwt zij een gouden brug over den stroom. Daarover schrijdt de keizer voort en verder trekt hij langs de heuvels, alom zijn zegen over de druiven uitstortende. Bij het eerste hanengekraai keert hij in zijn graf te Aken terug en hervat zijn eeuwenlangen slaap, totdat hij het volgende jaar opnieuw door den geur der druiven gewekt wordt, om zijn zegenrijken tocht door de "Rheingau" te volbrengen.

***

***

En nu, waarde lezer, zal ik U als derde verhaal nog een vroolijke geschiedenis van deJohannisberger monniken meedeelen. Eens, kwam onverwachts de hooge abt het klooster op den. Johannisberg bezoeken, juist toen de rijpe druiven aan de stokken hingen. De eerwaarde abt vroeg met belangstelling naar alles, betoonde zijn ingenomenheid met de levenswijze der brave monniken, en noodigde eindelijk, als blijk van zijn welwillendheid, het geheele convent uit met hem een avonddrank te gebruiken.

"De wijn vroolijkt het hart der menschen op!"

Met deze spreuk van den vromen koning David begon de abt zijn rede en vervolgde: "Gods milde hand zal uwe wijnstokken ook den volgenden herfst zegenen. Laat ons daarom, waarde Broeders, eenige flesschen uit het groote vat met matigheid op waardige wijze ledigen. Doch neemt, voordat we ons aan Gods edele gaven laven uw getijdenboek en laat ons met een kort gebed beginnen."

"Getijdenboek?" gaat het fluisterend door den kring en de oogjes in de welgedane, waardige gezichten flikkeren van hulpelooze verlegenheid.

"Ja, het getijdenboek!" Het door strenge lijnen doorploegde gelaat vanden verstandigen abtbeschouwt zwijgend de broeders. Zij zoeken, zoeken steeds voort.

Geleidelijk verdwijnende rimpels van het aangezicht van den abt en speelt daar zelfs niet een onmerkbaar lachje op het vervallen gelaat?

"Houdt nu op met zoeken en laat ons drinken! Gemoedelijk ontneemt hij den broeder, bottelier de bestoven flesch. Bij God, ik had den kurketrekker hier aan den Rijn wel mogen meebrengen." Schertsend zegt de vriendelijke heer dit, nadat hij zijn zakken doorzocht heeft.

"Een kurketrekker?" In een oogwenk voelt ieder in zijn zakken en voor de oogen van den waardigen abt verschijnen evenveel kurketrekkers als broeders om hem heen staan.

Toen kwam er een glans van vergenoegen op het waardige gelaat van den abt: "Bravo vrome Heeren. Welk een rijke zegen aan kurketrekkers. Doch laat het u niet verlegen maken en den dag van heden bederven. Morgen echter — — — maar laten wij denken evenals koning David."

end_of_chapter.jpg

Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje historische waarheid bevat.

In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden "Rheingau" verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid, ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken zich dikwijls terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard, secretaris des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel en verheugde zich in de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel afstak bij de schaar stoere krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder.

Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond als de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels van de raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de gloedvolle blikken van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden in vertrouwelijke minne-uurtjes.

Elk van hen beminde en werd wederbemind.

Het was hun eerste liefde.

Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had hij zulks kunnen gissen.

In het doodstil nachtelijk uur, als iedereen sliep, sloop Eginhard in het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel den Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee vanzalige verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag.

Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde voor de dochter van zijn heer rein als het licht der sterren; geen toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.

Maar het lot was niet met hen.

Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel, die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten wilde, bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had.

Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken. Wat nu te doen?

De liefde is vindingrijk.

Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem de witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de sporen van twee allerliefste voetjes af.

Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het venster en keek ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover en zag Emma, zijn meest geliefde dochter, die op den rug — Karel opende wijder de oogen — een man droeg, en deze man — een zachte kreet kwam over Karels lippen — was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers streden smart en woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou te groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht met den schrijver door den gebieder over milioenen overvallen werd.

Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden, zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.

Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels doorploegden zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich en sprak: "Wat verdient een koninklijke princes, die 's nachts een man in haar vertrekken ontvangt?"

De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang naar den naam van deze vorstendochter.

Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen het woord:

"Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke vrouw nooit gestraft."

"En wat verdient een gunsteling des keizers, die 's nachts in de vertrekken van een koninklijke princes sluipt?"

Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl hij zich fier oprichtte:

"Den dood, mijn Heer en Keizer!"

Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en maakte plaats voor zachtere gevoelens.Eenige oogenblikken later gaf de keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.

Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij voor haar vader op de knieën.

"Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!" En de groote omfloersde oogen keken smeekend omhoog.

"Genade!" mompelde ook Eginhard en boog de knie.

De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd kind, werden zijn woorden zachter.

"Daar gij elkaar bemint — hij legde bijzonder den klemtoon op dit woord — wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken."

De deur sloot zich achter hem.

Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stemdeed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.

"Ween niet, geliefde," fluisterde hij, "door dat je vader, mijn gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd."

Heviger vloeiden haar tranen.

"Kom," ging hij bewogen voort, "de liefde zal ons geleiden."

Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.

Jaren zijn verstreken.

Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.

's Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen, dan zagen zijhem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.

De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.

Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.

Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen om de herten van het woud te treffen.

Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.

Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem.

Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de koninklijke bespieder een armoedig vertrek.

Wellicht is dit de kluis van een vroom man,denkt hij en klopt aan de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt, zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt, terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt, weigert, het moede hoofd in de handen.

Minuten verstrijken.

Slaapt hij?

Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.

Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkereoogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.

04_hohenrätier.jpg[Illustratie:Der letzte HohenrätierNach dem Gemälde von E. StückelbergThe Last Hohenrätier       Le dernier Hohenrätier]

Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.

De keizer slaakte een diepen zucht.

Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit: een pastelteekening in een donkere lijst.

"Hoe heet je, kleine?" vroeg de keizer.

"Emma," antwoordde het kind.

"Emma!" herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar rein voorhoofd.

Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend om vergeving.

"Emma, Eginhard!" roept Karel met trillende stem en omarmt hen weenend. "Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!"

Boven de eenzame hut zweeft de engel des vredes.

Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim, en gevoelde zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats, waar hij hen wedergevonden had, liet hij een klooster oprichten en later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d. i. stad der zaligen) genaamd.

In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in dezelfde sarcophaag bijgezet.

end_of_chapter.jpg

In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen, luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: "Op, naar Jerusalem!"

Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser, heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onderde aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen, als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.

Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land, waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten; velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af: "Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind Mechtilde den sluier aan zal nemen."

En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.

Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De dappere kruisvaarders bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland aan den Rijn.

Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met de woorden: "Welkom, vader!" Toen kwam er plotseling een herinnering bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.

In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had, vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar.

Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige land in de grootste wanhoop afgelegd had. Toen weerklonk een gil door het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste stem: "Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd, mij voor eeuwig te zullen toebehooren!"

Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het zwijgen op: "Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!" Met ingehouden toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de gasten uiteen.

Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek, leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.

Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel den kalmeerenden nacht toe.

Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de tegenovergelegenFelsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.

"Geliefde!" klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren geen sterren; een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.

Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw in de afgrijselijke diepte en werd door het stroomende water van den Rijn verzwolgen.

Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde, het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht, waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem, de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in deplooien van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.

Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen, legde hij in de grootste treurigheidopnieuw een belofteaf; hij zou een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn onzalig kind ontlook.

Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de moeder Gods bij hem gekomen.

Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal "Not Gottes!" hooren roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor de zielsrust van Mechtilde. "Not Gottes" heeft hij het genoemd en zoo heet het nog heden.

end_of_chapter.jpg

Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sombere wijze verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel verder veroordeeld is geworden.

Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn, een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen, die stroomaf voeren, tol.

Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt.

Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.

Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen maaltijd zat, om voedsel.

Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in lompen gehulde menigte, mannen, vrouwenen kinderen met holle oogen en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld, ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren, liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.

Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto riep echter spottend tot zijn getrouwen: "Hoort hoe de korenmuizen piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het niet waar is."

Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop, en daar hij een voorgevoel van Godsoordeel had, ontvluchtte hij per schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na, en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de, door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.

Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk moet hij, vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.

***

***

Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van Mainz dit niet onaangenaam,zoo toch was de trotsche, despotische geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken liet — doorsnuffelen, "müsen" zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt de "Rheinländer" nog heden — zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in omloop gebracht hebben.

end_of_chapter.jpg

Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen.

Het was ongeveer in den tijd, waarop door de flinke regeering van Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met openlijken hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn tusschen de rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit.

Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als schurftige honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd, en hij voerde zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen met ontzetting de vlammen uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en andere gevreesde roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen hoorde men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter werd zij vol dankbaarheid geprezen.

Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke waarschuwing.

Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan een vergelding hiernamaals liet de achterblijvenden geen rust; want menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen met het bloed zijns naasten bevlekt.

Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een boetkapel gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen genomen voor het boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer, den kluizenaar.

Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met dooden en treurenden stroomop- en afwaarts gevaren — in het schip der kerk hebben zij de lijkkisten neergezet — en met plechtige woorden heeft de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken. Daarop heeft men de nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf ter aarde besteld. Vele tranen moeten er toen in de nieuw gewijde kerk gestort zijn.

Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben de geloovigenen de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor de arme zielen der veroordeelden gebeden.


Back to IndexNext