Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie vesting, sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts.
Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was, in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens versierde vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard. Destijds leefden als bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads eigen vrouw en wettig kind, zijn aanvallig dochtertje Agnes.
En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen zoon geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen worden. Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder hen waren zelfs een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het meisje had reeds een keuze gedaan. De gelukkige was de jonge ridderlijkeheld van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart geschonken en was zoo gelukkig, dat haar moeder dit verbond goedkeurde. Den paltsgraaf kon dit niet verborgen blijven, en deze ontdekking ontstemde hem zeer. Hertog Hendrik was een Welf en dus een rechtstreeksche vijand van zijn broer, den beheerscher der Staufen. De verwantschap met Brunswijk was daardoor onmogelijk, te meer, omdat de keizer reeds lang het plan koesterde, de dochter van den paltsgraaf aan een lid van zijn huis uit te huwelijken, opdat het paltsgraafschap voor de Waiblingers behouden bleef.
Met oprechte bezorgdheid herinnerde de paltsgraaf zich, dat de hertog van Brunswijk niet alleen een der schoonste mannen, maar ook een der moedigste strijders van de Duitsche ridderschap was. En zoo liet hij op een dag, nadat hij tot laat in den nacht over de netelige zaak nagedacht had, de Palts geheel opknappen, de donkere vertrekken, meer op hokken dan op kamers gelijkend, reinigen en in orde brengen en verklaarde toen aan zijn gemalin en dochter Agnes, die hij beiden tot een tocht naar het eiland overgehaald had, dat hier nu voor onbepaalden tijd hun woonplaats zou zijn.
De waardige paltsgravin beklaagde zich zeerover de onrechtvaardige strengheid van haar heer gemaal en de schoone Agnes vergoot bittere tranen. Op verstandige wijze deelde Koenraad hun waarschuwend mede, dat zoolang zijn dochtertje niet van den Welf afzag, hij zijn noodzakelijk voornemen niet veranderen kon. Toen is hij zeer voldaan vertrokken, meenende een buitengewoon schrander plan uitgevoerd te hebben. De zalige jeugd lag echter reeds te ver achter hem, want anders had hij zich moeten herinneren, dat de liefde der jeugd — om een volstrekt niet dichterlijke vergelijking te gebruiken — evenals de spijker in den muur is: hoe meer men hem slaat, des te vaster houdt hij! Hij had zich ook te binnen moeten brengen, wat Salomo reeds in zijn Hooglied gezegd heeft: "De gloed der liefde is een vlam, die noch door stortbuien, noch door stormen uitgedoofd kan worden."
En evenals de wind de vlammen aanwakkert en slechts de vonken uitdooft, zoo ging het ook hier met de scheiding der liefde; wat haar een hinderpaal moest zijn, dat werd haar juist ten voordeel. Beschut door de duisternis van den nacht bezocht de vermetele hertog der Welfen verkleed de vesting op het eiland. Agnes weigerde den geliefden man den toegang niet. Met vurige smeekbeden bestormden zij de moeder, opdat deze hun liefdesgeluk niet in den weg zou staan. De paltsgravin kon hieraan geen weerstand bieden.
Den volgenden dag, tegen het vallen van den avond, kwam er onbemerkt een priester op het eiland, die de hand van den Welf in die van de Staufin legde. In het lage vertrek van den burcht werd bij het bleeke schijnsel der kaarsen het huwelijk voltrokken. In het eenzame kamertje van de Palts hield de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar intocht.
***
***
Maanden van ongestoord, stil geluk waren verstreken. Dagen waren echter in aantocht, die de paltsgravin, nog meer dan de jonge vrouw met zorg tegemoet zag. Het was nu dringend noodzakelijk den paltsgraaf hetgeen gebeurd was, mede te deelen. Op een dag, toen hij voor het eerst na langen tijd op het kasteel verscheen, viel zijn dochter hem te voet en onthulde hem een dubbel geheim. Eerst moet de waardige paltsgraaf als een steenen beeld gestaan hebben, maar toen in alle hem bekende talen geraasd en getierd hebben, totdat zijn zachtzinnige gemalin hem met zachte, vleiende woorden smeekte zijn dochter te ontzien, diewel bijzondere zorg noodig had. Toen is de vreeselijke toorn bedaard, en daar zijn trouwe echtgenoote hem nu zeide, dat hij zelf onbewust medegewerkt had, om een bitteren geslachtshaat door zijn geliefd kind te doen eindigen, toen ontspanden zijn harde trekken zich. Geleidelijk werden ze zacht en zachter, en eindelijk heeft de paltsgraaf zich tot zijn dochter overgebogen, haar zeer teeder bij den naam genoemd, en op de door water omringde vesting op het eiland is zacht de engel der verzoening nedergedaald.
***
***
Paltsgraaf Koenraad is aan het hof van keizer Roodbaard te Speyer verschenen en heeft zijn keizerlijken broeder met een zuurzoet gezicht het voorgevallene meegedeeld. De oude Roodbaard heeft daarbij geglimlacht en den edelen heer Koenraad gedankt, dat hij een middel gevonden had om de Welfen en Staufen nader tot elkaar te brengen. Ook bood hij aan, peet te worden over het kindje, dat verwacht werd.
Vervolgens is in de Palts een prachtig feest gevierd, en eenigen tijd daarna, heeft in het eenvoudige kamertje van den burcht, waareenige maanden geleden de liefde, de onoverwinnelijke triomfeerend haar intocht had gehouden, de eerste kreet van een kind de gelukkigste moeder in verrukking gebracht. Dit alles geschiedde volgens den wensch van den paltsgraaf.
Nog altijd toont men den bezoekers dit kamertje van de Palts als herinnering aan deze gebeurtenissen.
end_of_chapter.jpg
Op een hoogte bij Oberwesel liggen de puinhoopen van een ridderburcht. Hij heette Schönburg en moet dezen naam te danken hebben aan zeven jonkvrouwen, die daar eenmaal gewoond hebben, en wier schoonheid ver door het Rijnland beroemd was. Zij waren zich hun bekoorlijkheid wel bewust, en toen het slot en bosch na den dood van den vader hun eigendom werden — door verdriet moet hij vroegtijdig gestorven zijn, daar de hemel hem geen zoon geschonken had — kwamen er vele vereerders opdagen, om naar de hand van een derzeven schoonhedente dingen.
Maar de inborst der al te vroeg wees geworden zusters was zeer slecht, en de zwakke tucht van een oude tante vermocht hun overmoedigen, onvrouwelijken aard slechts ten deele te beheerschen. Toen nu ook dit familielid stierf, die bij hen de plaats der moeder bekleed had, brak de verderfelijke zucht naarvrijheid bij de levenslustige meisjes nog meer los.
Van de trotsche, schoone zusters van den burcht Schönburg bij Oberwesel deden vele vreemde verhalen de ronde, hoe ze uitreden en woeste jachtpartijen, ja zelfs de valkenjacht meemaakten, hoe ze menig knap ridder, die van een der jonkvrouwen de hand vroeg, eerst voor den gek hielden en hem door hun schandelijke behaagzucht in verrukking brachten, om den verliefden aanbidder ten slotte met spot en hoon af te wijzen.
Vervuld van schaamte en toorn heeft menig ridder den burcht bij Oberwesel verlaten en met verontwaardiging en verachting de namen der sirenen uit zijn gedachte verbannen, die eerst aan het oprecht gemeende aanzoek met gehuichelde bedeesdheid gehoor gaven, om dan den overgelukkigen minnaar met spottenden lach te verklaren, dat zij de vrijheid veel te lief hadden, dan dat ze die voor een man opofferen wilden.
Ongelukkigerwijs waren er toch altijd dwaze lieden, die deze praatjes niet geloofden en op den naam en manieren afgingen en hun geluk bij de zusters beproefden. Bij allen eindigde deze proefneming treurig. Geen aanbidder was het tot nu toe gelukt het hart van een dezerpreutsche schoonen voor een dieperen indruk vatbaar te maken. Sedert eenige jaren hadden zij reeds hun laag spel gespeeld.
Eens heerschte er wederom luidruchtige vroolijkheid in de staatsiezaal van het slot. Een schaar ridderlijke figuren waren om de schitterende tafel gezeten, en onder hen waren ook in het volle bewustzijn van hun zegevierende schoonheid de zeven jonkvrouwen, die elkaar nog overtroffen in overmoedige scherts.
Een onaangenaam voorval bedierf voor een oogenblik de feeststemming; twee ridders hadden om een der zusters twist gekregen, en de hevige ijverzucht wond de jeugdige gemoederen steeds meer op. In hevige spanning volgden de anderen den woordenstrijd van de twee medeminnaars. In den beginne scheen men behagen te scheppen in den ridderlijken strijd, maar later, toen ze reeds van de zwaarden gebruik wilden maken, trok men de jongelingen van elkaar.
Een gelukkig woord vond een der dischgenooten om de opgewonden menigte te kalmeeren. Men zou, om de herhaling van een dergelijken twist te voorkomen, er op aandringen, dat de jonkvrouwen eindelijk een beslissing namen, opdat elk der pretendenten — want ze bekenden allen dit te zijn — eindelijk zou weten, waaraan hij zich te houden had. Dezevoorslag werd zeer toegejuicht, alleen de burchtfreules waren ontstemd en keurden dezen aanmatigenden wensch zeer af.
Met alle behaagzieke kunsten bestormden zij de minnaars, zoodat ieder van hen dacht, dat hij de uitverkorene was, en eindelijk werd een der zusters wankelmoedig. Haar volgde een tweede, en eindelijk, nadat ze lang zacht met elkaar gefluisterd hadden, verklaarden ze allen met lachenden mond en veelbelovende gelaatsuitdrukking, dat ze den volgenden morgen over het lot van hun aanbidders beslissen zouden.
***
***
Het afgesproken uur brak aan, en in de staatsiezaal van het slot verzamelden de ridders zich in afwachting. Aller oogen hingen vol spanning aan de deur, waardoor de schoone meesteressen verschijnen zouden. De vleugeldeuren openden zich en een dienstbode meldde den ridders, dat de jonkvrouwen beneden in den tuin aan den oever van den vloed wachtten.
Snel begaven ze zich daarheen. Ontzettende verbazing teekende zich op hun gezichten af, toen zij beneden gekomen, de zusters in een boot aantroffen, die zacht aan den oever van den Rijnschommelde. Met een vreemdsoortig glimlachje wenkten zij de aankomenden; toen hief de oudste zich in de boot op en riep ver verstaanbaar:
"Geeft uw hoop op; want geen van ons zou het ooit invallen u te beminnen en te huwen. Wij hebben de vrijheid veel te lief, dan dat we die voor een man willen opofferen. Op een familiegoed in de buurt van Keulen denken we nog vele verliefde minnaars te ontnuchteren, evenals wij u gedaan hebben, edele heeren. De boot brengt ons daarheen. Vaarwel!"
Een spottend lachen besloot deze schimprede en, terwijl het scheepje zich in beweging zette, weerklonk zevenmaal een spottende afscheidsgroet. Sprakeloos van schaamte en toorn stonden de bedrogen ridders daar. Op eens verhief zich een geweldige storm op de rivier. De boot wankelde en het lachen der zeven jonkvrouwen veranderde in gillend angstgeschreeuw. Het werd overstemd door het loeien der golven, die zich van de boot meester maakten en haar met haar inzittenden in de draaikolk begroeven.
***
***
Op de plaats, waar deze jonkvrouwen, wier harten zoo hard als rotsen waren, in de diepte verdwenen, verhieven zich zeven rotspunten uithet water. Nog heden steken deze zeven steenen, de zeven preutsche jonkvrouwen van die streek, waarschuwend uit den vloed omhoog.
end_of_chapter.jpg
08_willigis.jpg[Illustratie:Bischof Willigis in der KlosterschuleNach dem Gemälde von Lindenschmitt]
Boven het liefelijke stadje St. Goar ligt Rheinfels, een der meest grootsche ruïnen van den Rijn. In het midden der dertiende eeuw werd deze buitengewoon versterkte vesting door graaf Dietherr, die tot het beroemde geslacht der Katzenelnbogen behoorde, gebouwd. Reeds na verloop van een tiental jaren heeft zij bloedige gevechten voor haar onneembare muren gezien; toen zes en twintig steden aan den Rijn haar gedurende vijftien maanden, te vergeefs belegerden en duizenden strijders voor haar wallen den dood vonden.
Vervolgens heeft sedert eeuwen de vlag van den Hessischen landgraaf van haar tinnen gewapperd. Ten tijde der Fransche revolutie, die op de mogendheden, welke hun tusschenkomst wilden verleenen, haar woeste troepen afzond, werd zij door Gallische krijgswoede in puin geschoten.
Even weemoedig als de geschiedenis van dezen meest indrukwekkenden Rijnburcht is desage, die uit den tijd, dat nog ridders en schildknapen de vertrekken vulden, aan dezen burcht verbonden is. De graaf van Rheinfels bezat een allerliefst dochtertje. Onder de vele pretendenten, die de jonkvrouw ten huwelijk vroegen, bevond zich ook Georg Brömser uit Rüdesheim, en aan hem had ze haar hart geschonken. Niemand was daarover meer vertoornd, dan de ridder van Berge. Hij behoorde weliswaar tot een geslacht, waaruit eenmaal een Keulsch aartsbisschop gesproten was, maar hem ontbrak, behalve aardsche goederen ook in hooge mate een ridderlijk gemoed.
Daarom had de burchtheer van Rheinfels zich wel gewacht, zijn lieftallige dochter met haar aanzienlijken bruidschat aan van Berge toe te vertrouwen. Dit was de jonkvrouw volstrekt niet onaangenaam, want zij gevoelde voor den onstuimigen minnaar met zijn ruwe manieren niet de minste toeneiging. Daarentegen hing haar hart met innige liefde aan den ridder van Brömser.
Zoo werd, nadat de gebruikelijke engagementstijd verstreken was, de bruiloftsdag bepaald. Op een morgen echter, bij het aanbreken van den dageraad is de heer van Brömser op Rheinfels aangekomen, nadat hij den ganschen nacht op zijn dampend paard gezeten had. Hijbracht slecht nieuws. Zijn keizerlijk gebieder, Albrecht genaamd, had de ridderschap, die hem toegedaan was, ten strijde tegen de eedgenooten opgeroepen, die hun trouweed geschonden, de keizerlijke beheerders verjaagd en hun leenheer den oorlog verklaard hadden. De edelen van den Rijn hadden van den keizer een dringende oproeping gekregen ter bestrijding van dezen hooggaanden opstand. Als trouw vazal had de heer van Brömser geen minuut over de beslissing geaarzeld.
Hij troostte de verdrietige bruid met liefdevolle woorden. In het vertrouwen op God berustte het meisje in haar treurig lot, en de graaf van Rheinfels prees de vastberadenheid van den schoonzoon. Voordat deze wegreed, nam hij een lindeboompje, dat hij buiten in een boschje ontworteld had, woelde met zijn zwaard den grond om en plantte het twijgje daarin.
Toen sprak hij tot zijn bruid:
"Verzorg de ontspruitende linde, die ik hier ter eere van mijn beschermheilige plant. Zoolang zij groen is, moet gij mij trouw blijven. Indien zij eens verdort — Sint Georg moge het genadiglijk verhoeden — dan moogt ge mij vergeten; want dan ben ik dood."
Weenend wierp de bruid zich in de armen van den ridder. Met de rechterhand hield hijhaar teeder omvat, met de linker hief hij zijn zwaard op en verzocht haar, het sprookje, dat daarin gegraveerd was, dagelijks op te zeggen. Het luidde:
hilf got, du ewigs wort,den leib hy, der fele dort,hilf ritter sant georg.
Vervolgens begaf hij zich in den ochtendnevel langs den boschweg naar het keizerlijke leger, terwijl vele vurige wenschen en niet minder bittere tranen hem op zijn weg vergezelden.
De eene maand na de andere verstreek. In Duitschland vernam men met zorg, dat de strijd van den keizer tegen de Zwitsersche boeren een ongunstigen keer nam. Toen kwam het bericht van een vreeselijke nederlaag van het trotsche keizerlijke leger. Deze had bij Moorgarten plaats: een eenvoudig held, Arnold van Winkelried genaamd, heeft toen met opoffering van zijn eigen leven, voor zijn landgenooten den weg der vrijheid gebaand. Het stoffelijk overschot van vele graven en baronnen werd in die dagen aan de Zwitsersche aarde toevertrouwd, en in vele Duitsche burchten werden treurige tijdingen ontvangen.
Op Rheinfels bevond zich een liefhebbende jonkvrouw, die in angst en zorg over den beminden man verkeerde van wien geen boodschapper bericht bracht.
De treurige krijgstochttegen de oerkantons aan het Vierwoudstedenmeer was reeds lang geëindigd, en de hoop van de bruid van Rheinfels om haar bruigom ooit terug te zien, vervloog steeds meer.
Op een dag liet zich een vereerder van vroeger, Dietrich van Berge, de geldzuchtige bandiet bij haar aandienen. Hij was gekomen, om wederom de hand der begeerenswaardige dame te vragen, daar de heer Georg Brömser algemeen voor dood gehouden werd. Met treurige woorden antwoordde het meisje den hebzuchtigen aanbidder, dat zij haar verloofde altijd trouw zou blijven, zooals ze hem bij de linde voor de burchtpoort beloofd had. Slechts wanneer het aan Sint Georg gewijde boompje verdorde, was zij van haar belofte ontheven.
Knorrig nam van Berge afscheid. Op hetzelfde oogenblik begaf hij zich naar het bosch en zocht daar een verdorden lindeboom, die bijzonder op de groene linde aan de burchtpoort geleek. Den volgenden nacht sloop hij heimelijk naar den burcht, trok het lindeboompje uit de aarde en wierp het met een ruwen vloek in het stille water van den Rijn.Op dezelfde plaats plantte hij het verdorde stammetje.
Den volgenden morgen overschreed de dochter van den slotheer den drempel van den burcht en begaf zich in Gods heerlijke natuur, waar de lente in aantocht was. Daar ontdekte ze den verdorden lindeboom en een zachte smartkreet ontglipte haar. De volgende dagen en nachten heeft ze vele tranen vergoten. En na eenigen tijd kwam wederom, vervuld van leedvermaak, de ridder van Berge op Rheinfels en dong met begeerige blikken naar de hand van de dame, die thans vrij en van haar trouweed verlost was. Vol medegevoel, maar vastberaden wees deze wederom den zich opdringenden pretendent af, omdat zij haar bruigom, zelfs in den dood, trouw wilde blijven.
Toen vervoerde de toorn den afgewezene tot een schandelijke daad: Vervuld van haat trok hij zijn zwaard en stiet het de standvastige jonkvrouw in de borst. Toen snelde hij, te laat tot bezinning gekomen, vol afschuw over de begane misdaad weg. Evenals vroeger de onzalige discipel des Heeren, beging hij zich in het donkere dennenboschje een ongeluk.
Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer van haar trouw gevallen was. Midden in al deze ellende werd er een bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij Moorgarten had een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de heer Georg Brömser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand genas hij echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden. Eindelijk was hij, na veel uitgestaan te hebben, als een der laatsten naar den Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de lippen, haar beeld in het hart.
Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn kind. Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge man elkaar innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom van de burchtpoort in den Rijn geslingerd en het graf zijner overleden bruid met witte lelies beplant. Georg Brömser heeft voor den tweeden keer niet meer bemind, maar is de doode trouw gebleven tot aan het einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke zangers zocht hij vergetelheid voor het leed, dat hem getroffen had. Later heeft hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert eeuwen bewaard gebleven en iseerst in onzen tijd met de zangwijze in een oud manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als roerend lied. Aan den Rijn kunt ge het nog dikwijls hooren zingen. Het luidt aldus:
Es steht eine Linde in jenem Tal:O Gott, was tut sie da?Sie will mir helfen klagen,Dass ich mein Lieb verloren hab!
end_of_chapter.jpg
Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.
Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?
Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabeskenover den groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op den top. Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.
Wee den schipper, die op dit uur — waarop moegewerkte oogen zich sluiten en levenslustige harten zich openen — de rots passeerde. Evenals eens de dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zoodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem, wier bekoorlijkheid hem boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, reeds droomende van haar bezit, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste oogenblik verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde.
De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer.
De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef.
Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.
Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.
Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen?
Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.
Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.
"De Lorelei!" fluistert hij angstig, "ziet gij haar, de toovenaarster?"
Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.
Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige, groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in den stillen zomernacht.
Dan zwijgt zij.
In nadenken verzonken zit zij daar en tuurtmijmerend in het blauwe verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar oogen gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.
Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog ziet slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te langzaam kruipt de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.
Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed. — De oever wenkt.
"Lore!"
Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.
Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.
De golven zuchttenen likten liefkoozendhet ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een kruis. Opdit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei.
De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster dood of levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden dag zeilde een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog van den stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van den breedgeschouderden man te lezen. Hij had verlof gevraagd de duivelsche verleidster van den top der rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte — want haar tooverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd.
IV
De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden wolk omhulde den top van den berg. De mannen dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan den rand van de rots verscheen. Droomerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelensnoer van haar boezem en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.
"Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?" Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.
"U, toovenaarster!" schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottenden lach voegde hij er bij: "U! Om U op den bodem van deze rivier te zien neerstorten."
Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.
"O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!" riep de jonkvrouw uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan klinkt zegevierend van haar lippen het gezang:
"Vader, gezwind, gezwind!Stuur de witte paarden aan uw kind!Zij wil rijden op golven en wind!"
Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemlooze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.
Doodelijk verschrikt keerden de bedienden van den paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.
Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan den oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van tallooze menschen.
Vanaf dien dag zag men de Lorelei nooitweer.
09_brautzug.jpg[Illustratie:Der BrautzugNach dem Gemälde von L. Herterich
Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nederdaalt, en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stillen warmen zomernacht.
— — — — — — — —
Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
Gij kunt haar aanschouwen, toerist, in de schitterende oogen, op de zachte wangen en op de rozenlippen van de meisjes van het Rijnland.
Gij zult haar daar aan den Rijn bespeuren, stralend van vreugde en geluk.
Wapen uw hart, bedwing uw gevoelens en sluit uw oogen!
Hoe was toch de waarschuwing van den wijzen dichter van den Rijn?
"Mijn zoon, mijn zoon! Ga niet naar den Rijn..."
Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
end_of_chapter.jpg
In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den tijd waarop onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud paladijn van Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van de verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden den bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach door de hooge gewelven.
Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het geslacht der Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg van zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg — Brömser toe.
De blonde Angela — zij verdiende dezen naam — werd spoedig aller lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader en beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders veranderde spoedig in liefde. Beide broeders dongen naar de gunst der jonkvrouw.
De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige geest van Koenraad, den jongsten zoon.
Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die den naam zijns vaders droeg en eenmaal den familieburcht bezitten zou.
In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor de jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte degrijsaard met droefheid, dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde. Ook den broeder bleef het geluk der beide jongelieden niet verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht tot sterven veroordeeld was, omdat de spraak hem niet vroegtijdig gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die op de trekken van den oudsten broeder te lezen stond. Zij ontroerde, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde; maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zoozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken van den ridder wierpen. Terzelfder tijd kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk aan den Rijn en predikte over een nieuwen kruistocht tegen de ongeloovigen. Duizenden werden in geestdrift gebracht door de bezielende rede van den heiligen monnik. Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen. Hendrik besloot aan den kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op den burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest van den jongsten ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige Morgenland aanbood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oostersche palmen in de woeste Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem smeekte, hem niet te verlaten.
Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.
"Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om daar nooit terug te keeren?" riep hij smartelijk uit. "Ik smeek u, mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de tranen van uw verloofde."
Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van den grijsaard. "Ik zal u niet verlaten, vader," sprak hij aangedaan.
"En gij, Angela?" vroeg de jongste op trotschen toon aan de weenende jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en een laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als ik weerkom.
Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.
Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.
Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten, die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was; zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.
Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem duidelijk te maken,dat haar liefde voor den jongsten broer niets geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij bemerkte, dat hij,dien zij werkelijk lief kreeg, voor haar slechts broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor een woordje van liefdehaar rijk, gevoelvolhart hebben gegeven.
De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel voor de verloofde van zijn broer.
De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land vertoefde en snel brak hij zijn droomen af.
Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haarvoor zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.
Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen, waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.
Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte haar blikken naar het Zuiden.
Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning onderscheiden.
Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp zich weenend in de armen van den ontstelden ridder. Deze kromp ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone vrouw vlijde zich tegen hem aan.
Het schip legt aan.
Het eerste springt Koenraad aan wal.
De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.
Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen, dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.
De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg, die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op leven en dood.
Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.
Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden uit de pantserhemden gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde het bloed uit de armplaat van den oudsten.
Daar gingen de struiken uiteen. Een witgesluierde jonkvrouw, met doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:
"In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt, gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals uw broeder." De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende jonkvrouw.
"Dank, zuster," fluisterde hij. "Kom, de trouwelooze verdient je tranen niet."
Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.
Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster Mariënburg. Achter zijnmuren vond Angela rust. Tusschen Sterrenberg en Liebenstein verhief zich na verloop van eenige maanden een dikke muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broeders.
In het nieuwe slot volgde het eene feest op het andere. De mooie Grieksche vrouw vierde daar, te midden der ridders van den Rijn, de triomfen harer schoonheid.
Op burcht Sterrenberg heerschte diepe droefheid. Het was den ridder niet gelukt het besluit der jonkvrouw te veranderen. Sedert haar verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan den voet van den berg liet hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden daarna ontsliep hij. Op denzelfden dag, zoo beschikte het lot, dat hen gescheiden had, luidden de doodsklokken van het klooster Mariënburg en verkondigden den dood van de verloren geliefde.
De heer van Liebenstein mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke Grieksche vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zichvan de tinnenvan zijn vesting in de diepte.
De burchten vervielen aan den ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerscht boven tusschen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal "de Broeders" genaamd, treurige rust. Slechts dan, zoo heeft de Lorelei ons verraden, wanneer de volle maan in den zomernacht haar bleeke stralen werpt, hoort men op den smallen weg, die de vestingen scheidt, de zwaarden van de vijandige broeders kletteren.