Tante Riek.

Tante Riek.Als ze opstond, liep ze ’t eerst op d’r bloote voeten naar het raam, trok het pennetje weg, sloeg de gordijnen open, liet wat lucht binnen. Aan de overzij was een meid bezig met ’t schrobben van de stoep. De juffrouw stond voor het open raam en sloeg met een mattenklopper op zittingen van stoelen. Een eind verder belde de slager aan en klopten twee schuinhangende vrouwen met bengelende borsten een kleed uit.Daar kwam ook de brievenbesteller. Nou stak-ie de straat over. Nee, niks. Natuurlijk, niks. Geeuwend keek ze in den spiegel, ze dee dat elken morgen. Nou thee zetten. Voorzichtigjes nam ze een gebonden exemplaar van deGartenlaubevan tafel. Elken dag lag die precies op ’t zelfde plekje, schuin over de tafelschel, die ze nooit gebruikte. Elk plaatje, elk verhaaltje van deGartenlaubekende ze. Tien jaar lang had ze er in gebladerd en gelezen.Boeken las ze niet. Soms nam ze van de familie een gelezenNieuws van den Dagmee en dee daar een week over. Anders las ze maar weer in deGartenlaube, dat een dik boek was en een herinnering aan den gestorven man. Nou lei ze het boek op deBonheur-du-jour, lei het photographie-album, dat aan de andere zij van de tafelschel lag—preciesin een rechten hoek met deGartenlaube—er naast, nam de tafelschel op, den rooien tafellooper en wreef met de lange, stevige vingers het pluche van het tafelkleed glad.Als ze zoover was—het waren de stille, regelmatige bewegingen van elken morgen—nam ze het tafelkleed bij twee slippen, vouwde het zachtjes-streelend over haar robuste knie en lei het bij de tafelschel. Achter deBonheur-du-jourhad je de stofdoek, waarmee de tafel gewreven werd. Ze plofte warmen adem op het glimmend blad en wreef. Er was niets te wrijven. Ze wreef, omdat zij ’t gewoon was. De tafel was het ook gewoon. De tafel in het benauwde kamertje zou onrustig en vreemd gedaan hebben als de kleffe, warme adem er geen doffe plasjes op gestooten had.Nou glom de tafel. Nou was ’t weer zóóver in orde. Onder het hoofdkussen in de alkoof zocht ze den sleutelbos. Ze had vier sleutels: een van de kamerdeur, een van de kastdeur, een petieterig-kleintje van de schrijfmap en een van de handschoenendoos, waarin ook het geld lag. De handschoenendoos lag in een hoedendoos. De hoedendoos stond tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden natuurlijk dáár de spaarduitjes niet zoeken en de sleutels bewaarde ze onder haar hoofdkussen. Voor buitengewone veiligheid zette ze ’s avonds als ze slapen ging een stoel met een glas er op voor de kamerdeur en op zij van het matras stak het broodmes.Ze maakte de kastdeur open, nam het ontbijtservet, spreidde dat over tafel, wreef de plooien glad en haalde de plank van de kast verder leeg. Het brood was wat oudbakken. Ze dee drie dagen met een pondje. Ze stak het lichtje onder het theewater aan en telde de sardientjes in het busje na. Er waren ernog vijf. Op sardientjes was ze dol. Eens om de tien dagen kocht ze een nieuw busje van zeven en twintig en een halven cent. Elken dag, ’s morgens, at zij er één met een beetje van die „lekkere” olie. Soms had je voordeelige bussen met tien sardientjes, maar ’t gebeurde ook wel—zulke bedriegers—, dat er maar acht of negen in waren.Bij haar eerste twee boterhammen at zij het sardientje, bij de derde een zacht ei. Ze dee ’t tien jaar lang, hapje voor hapje. Het was lekker en zuinig. Een tweede ontbijt gebruikte ze nooit. Als het water suisde, lei ze ’t eitje er in, bleef geduldig vijf minuten naar de pendule kijken en in den spiegel en zat tegen elf uur te ontbijten, eerst een half sardientje met éen boterham, dan het andere halve sardientje met de tweede boterham, dan het eitje met de derde boterham. Wasschen dee ze zich, als ze ontbeten had, als ze de laatste kruimels van het bord gepikt had. Als je je eerst waschte, maakte je je toch maar weer vuil in het huishouden.Ze bad nog eerst met de oogleden als luiken voor een grutterswinkel en de manshanden gevouwen met één pink op het bord. Dan begon ze te ruimen, te vegen, te stoffen. Ze dee ’t bedaard, zeker, alles in de nauwkeurige, mathematische opvolging van alle dagen. De theeblaren, die ze gebruikte voor het vloerkleed, werden van de deur naar het raam toe en niet omgekeerd gestrooid en ze zou er geen seconde over gedacht hebben om het hoektafeltje eerder af stoffen dan deBonheur-du-jour.Was dan ook het bed opgemaakt en de sprei keurig-glad getrokken, dan ging het tafelkleed en de looper weer op tafel, zette ze de tafelschel precies in het midden van den tafellooper en kwamenGartenlaubeen portretalbum in een rechten hoek tegenover elkaar om de schel te liggen. Dan begon ze aan haar toilet.Het is onwelvoeglijk om hier in te groote bijzonderheden te treden, maar ook nu deed ze alles in correcte volgorde. Eerst vijf minuten geborstel over de groote, gelijke paardentanden.Ze was trotsch op dat groote, stevige, zoogdierengebit, waarmee ze noten kon kraken, die andere menschen nog niet eens tusschen de scharnieren van de deur konden stuk krijgen. Ze was trotsch op de rijen witte, sterke tanden en kwam op dreef als andere menschen over kiespijn klaagden. Ze was er zoo aan gewoon om met dat schoone zoogdierengebit te pronken, dat zij zelfs in treurige eenzaamheid bij sardientjes en eitje kleine geaffecteerde hapjes nam, om haar stukken cement te laten zien.Ze poetste ze met sigarenasch. Al de aschbakjes van d’r familie leegde ze in een toetje. Eens in de week zuiverde ze haar collectie van eindjes doorkauwde sigaar en afgebrande lucifers. Na het tanden-geborstel waschte ze zich. Ze had een kom, waar nog geen liter water inging. Met een punt van den handdoek wreef ze over het groote, beenige gezicht en over den vleezigen hals. Verder kwam ze niet. Zij gaf elken avond haar twee potjes geranium voor het raam meer water dan zij tot Zaterdag-avond zelf gebruikte.Zaterdagavond nam ze een voetbad in de literkom. Dan warmde ze water in den theeketel, stak den eenen voet in de kom en als die gereinigd was, waagde ze ook den anderen voet er aan. Sedert den dood van haar man waren de twee voeten nog niet samen te water geweest. Als ze zich gewasschen had, begon ze aan het haar. Dat droeg ze kort geknipt en krulde ’t elken morgen. Vroeger had ze wel eens papiljotten gelegd, maar daar kreeg je hoofdpijn van en met een warm ijzer ging ’t wél zoo goed.Wanneer ze dan nog de ouwe trekken met poederhad gevoileerd, was ze klaar, kleedde zich en ging uit. Om half twee, mooi weer of stortregen, kwam ze op straat. Ze dineerde nooit thuis. Maandag, Woensdag, Vrijdag at ze bij Frits, Dinsdag, Donderdag, Zaterdag bij Lien. ’s Zondags was het om beurten. Ze wandelde van half twee tot half vijf, dan hier, dan daar heen. Als ze aanschelde om half vijf bij Frits of Lien, wisten die wie er was. De vrouw van Frits had ’t land aan d’r. Ze liet ’t nooit merken, zei alleen tot de meid „dat vandaag de zuster van m’nheer kwam en ’r voor drie personen meer moest gekookt worden.”Lien had vijf kinderen. Die vond ’t zoo buitengewoon niet als er iemand extra was, maar d’r man vroeg minstens ééns op een middag: „Riek, heb je wel genoeg?” wat de kinderen dee giegelen, omdat tante méér at dan de heele familie samen en zóóveel op haar bord te gelijk nam, dat er geen saus meer bij kon.Ze voelde zich volkómen gelukkig als ze met haar slagtanden voor zoo’n vol bord zat. Ze was altijd uitgehongerd, niet te verzadigen.’s Morgens, bij het ontbijt, dee ze zich geweld an om d’r geen vierde boterham bij te nemen. Dan dacht ze an de volle borden van ’s middags en an de handschoenen-doos met de spaarduiten.Frits en Lien gaven haar samen een weekgeld, niet te hoog, toch welletjes. Elke week hield ze over. ’s Morgens at ze weinig, ’s avonds at ze niet—’s middags moesthetkomen—het, ’t vet voor ’t lange, zware, beenige lichaam. Dàt was haar eenig, innigst geluk, als ze met het witte, klapperende zoogdierengebitdineerde. Dan keek ze sentimenteel-schapig uit de groote oogen en at. Dan glimlachte ze vriendelijk en at. Dan werd zespraakzaam—tusschen de happen door—en at.Ze at meer, op zoo één maaltijd—dan een gezonde huzaar die twaalf uren achtereen in het zadel heeft gezeten. De groote mond ging rustig, open en „nam in.” Ze at een half uur achtereen, stevig door, zonder ophouen, lei vork en mes netjes naast ’t bord—nooit gekruist: daar kwam ruzie van—spande de dunne lippen over elkaar, inspecteerde de tafel of er nog wat eetbaars was en lei de handenberustendin den schoot.Niemand maakte ooit, waar ze bij was, een opmerking over haar gulzigheid. Ze was afhankelijk en men wou niet „onkiesch” zijn. Alleen zei de zwager, lachend, elken middag: „Riek, heb je wel genoeg?” Na het middageten had ze haar vaste plekje om te dutten, bij Frits in de voorkamer, bij Lien op de sofa. Weldadig-glimlachend met een huiselijk gezicht keek ze dan rond, sloot de oogen en dacht aan Charles, die tien jaar geleden gestorven was.Ze dacht aan den doode, die haar alleen schulden had nagelaten, ook weer precies op dàt uur, zoo als ze ’s morgens nauwgezet éérst deGartenlaubeen dan het portretalbum van tafel nam. Met de oogen dicht, overgevoelig door te volle maag—ze klaagde wel eens over de spijsvertering—dacht ze aan hem op dezelfde manier. Nooit gevarieerd, altijd met de visie van een gladgeschoren kin, zwarte gladde bakkebaardjes en zoo iets van ’n schemering van oogen. Z’n oogen was ze half vergeten, maar de kin zag ze met de bakkebaardjes, zooals-ie op bed lag toen z’m gevonden hadden.Als ze zoo dacht, had ze heelemaal geen verdriet. ’t Hoorde bij den dag, bij ’t dagelijksch doen, bij het stoffen en vegen, wasschen en dineeren. Nog wat later was ze ingedut, nog wat later snurkteze. Dan wekten Frits of Lien d’r voor de thee en nam ze ’n handwerkje op.Om tien uur ging ze naar huis, nam den sleutelbos twee straten te vroeg in de hand, maakte de huisdeur open, de kamerdeur open, sloot het raam, dee ’t pennetje in ’t gaatje, zette den stoel met het glas voor de deur, stak het broodmes achter het matras en stapte in bed. Met een kaars dee ze veertien dagen. Ze lag nog geen twee minuten of ze sliep en snurkte door haar neusgewelven.Nacht.Na twaalven, middernacht. Het is drukkend warm geweest. Op mijn schrijftafel brandt een lamp, op de middentafel brandt een lamp. Zoele benauwdheid hangt in de kamer. Ik ga naar buiten, in het tuintje.Achterin, tegen de schutting geleund, soes ik en de ouwe, vreemde bekoring komt over me. Het is hier, zooals het overal is in de stad, in de stad, waar plekjes groen en brokken lucht aan den knapsten sjaggeraar zijn verkocht—, het is hier, zooals het overal is: een massaal vierkant van huizen, gedrochtelijke lijnen uitbijtend in den hemel en er tusschen kleine vierkante, regelmatige tuinen. Overdag haat ik die groote steenen gevangenis, die muren aan alle zijden, die gore, roodbruine muren, waarbinnen de gladde, netjes-aangeharkte, gelikte kniezerige lapjes grond suffen, die de impressie geven van propere burgermenschen op een propere visite van advocaat, rozijnen op brandewijn, oudbakken koekjes en groene zeep. Ik haat ze ontzettend, die tuintjes, die lieve tuintjes, die nette tuintjes met ronde effene perkjes, met glad geharkt grint, met groote, pompeuze, leelijke rhabarberplanten en rozestruikjes, die stòm genoeg zijn om overal purperrood, saffraangeel en wit in hetzonlicht aan ’t barnen te zetten voor elkeen, voor ieder, voor burger-juffrouwen, die aardappelen schillen, voor rooie, leelijke wijven aan de wasch, voor ravottende, drensende, bleeke kinderen, voor heeren die van d’r kantoor komen en een sigaar rooken in d’r tuin, na een diner van varkenskluifjes en aardappelen—ik haat ze, de vierkantjes grond, met boorden, manchetten en uitgehaalde nagels, ik haat ze, de vieze, verknoeide, verburgerlijkte tuinen, waar de wasch, de natte wasch, de manshemden en pofbroeken aanlijntjeshangen, waar de buren over de schuttingen heen elkanders gedoetje begluren, met mooi-weer-gezichten over de mense van één en twee-hoog kletsen, waar om zes uur m’nheer met ’n gietertje rondloopt, netjes potje voor potje, allemaal ’n beetje water, waar aalbessenboompjes groeien, zoo-lief, zoo-lief en de meissies op verandah’s heele dagen zitten te handwerken. Ik zie nog net zoo graag straten met keien, of een vuile sloot. Overdag haat ik dat alles, het huizenvierkant, het groote, goren huizenvierkant, de tuintjes, de verandah’s, de goeie menschen, de mooie rozen—alles. Dan bevuilt me buurvrouw links met d’r gepraat over het weer, alsof zij een sigarenwinkel heeft en ik een klant ben. Liefst groet ik onbeschoft niemand van die goeie menschen, van die beste menschen, die nét zoo in d’r nette tuintje luchtje scheppen als ik, ik, die óók zoo’n mooi tuintje heb.’s Nachts is het anders, zoo geheel, wonderlijk anders, is er bekoring, schoonheid, aandoening in het groote, doode, sombere huizenblok, geheimzinnigheid in de roode, flauwe uitschijningen der ramen. ’s Nachts leven de huizen een grooter, sterker, krachtiger leven, gloeien de ruiten als heete, brandende oogen, zijn de tuintjes weg, demuffe tuintjes, de bloempotjes voor de ramen, de soeperige, gladgekamde franjes, de witte kozijnen, de vrouwen in witte jakken, de mannen met pijpen, de handwerkende meissies. ’s Nachts zijn al-dingen in schaduw en schemering, is er mysterie om alles, mysterie om de gehate plat-burgerlijke werkelijkheid. Het is stil, rustig-stil. Uit een héél ver raam klinkt zacht stemmengeschuifel. In een duivenhok pikt een duif met kleine schokjes tegen den wand. Anders is de rust volkomen, harmonieus als de donkerte met haar geheimenissen.Een ding hindert nog.Schuins over, een venster, hel verlicht. De gordijnen zijn opgetrokken. In de prachtige geheimzinnigheid van den nacht, in de schaduw-hooping der doode, zwarte kolossen, puilt hinderlijk-naar het vierkante gat met z’n witte plafonnetje, z’n Fransche bazar-lamp, z’n bruine, bebloemde behangsel, z’n stel portretten van dierbaren, z’n rood-glimmende kast met beeldjes en heiligen, z’n stoelleuningen en bloemenstandaard. Er is niemand te zien. Maar je weet wel zoo wat, wát er zijn kan. Je denkt in ééns an de juffrouw met ’n gepletten neus en rullig rood haar, die overdag praatjes sabbelt met den m’nheer van benee over de waterleiding die niet loopen wil-as-dat ’t ’n schandaal is. Ook in de keuken er naast zie je licht en gele plankjes met kastranden en glimmende koperen zaken en blauwe pannetjes. Verderop is ’t alles prachtig. Vormlooze schaduwen, smeltend weg in de vormlooze lucht, boomen òpzwartend in het zwart van den nacht—, gele, roodrige vensters, waarachter het licht brandt gedempt.Dan komt het wonder over je, het wonder om de dingen te weten, de dingen die geen verlangen wekken bij dag, in hun hooplooze, duffe burgerlijkheid.Je wil weten, wèten wat er is om je heen, weten wat de schaduwen voor leven hebben, weten het geheim dat de logge, drukkende schaduwvormen insluiten. Zacht op het gele gordijn, naar achter, ver weg, is het silhouet van een man of een vrouw, onbeweeglijk. Je kijkt er naar, verlangend, dorstig in je begeeren om iets af te weten, iets maar, van het schaduwfantoom. Je voelt je eigen leven zoo sterk, zoo zeker, zoo bewust in den nacht, waar niemand je ziet, waar je gedachten zoo vorstelijk vrij rond-gaan, waar je niets verbergt, omdat niemand spiedt—, je voelt je gedreven tot het silhouet, van den man of de vrouw, tot het vreemde, starre onbeweeglijke silhouet, waarachter leven is, waarachter een mensch is, een hart, een hoofd, een geraamte. De schaduw-mysterie pakt je, grijpt je, houdt je vast, de schaduw in z’n raam van stil licht. Als nu de man of de vrouw op zou staan en het gordijn optrekken en je zou zien: kamertje met meubels, behangsel, licht, prentjes, zou het geheimzinnige wèg zijn, zou je weer denken aan al ’t leelijke dat ’n mensch met zulk ’n zielige zielloosheid verzamelt, aan onderbroekwasschende vrouwen, aan sauskommetjes, aan kouwe rollènde, aan ’t heele kniezige kamertjesgedoe van menschen die tellen en wurmen, met leege hoofden, met arme hoofden en geluk trachten vast te houden binnen vier muren bij de omeletpan, bij de koffietafel, bij de kinderspeen.Voor, achter, op zij: hetzelfde. De plompe reuzenschaduwen van het huizenvierkant groeien op in de luchten, alles zwart, schemerig-zwart, peilloos-zwart. De roode-mat-lichtende vensters dwalen er tusschen, de schaduwen spelen er tusschen, schaduwen van boomen, struiken, menschen, schaduwen die zich vermengen, die vergroezlen tot het zwart van denstillen, rustigen nacht, schaduwen van leven, schaduwen van schijnbaren dood.De gaten van licht dooven uit. Het wordt stiller en luidloozer, geen menschenstem, geen gerucht anders dan dat van de pikkende duif. Dit is zoo een volkomen geluk, een helder gaan van gedachten bij de onbewogen schaduwvormen, in de rust.Dit is gelukkig én triestig, het voelen en weten der menschen rondom, één hoog, twéé hoog, allen slapend, allen opgehoopt tusschen vier muren, allen met eigen, ander, onvatbaar, vreemd leven, allen verborgen in den rouwsluier van nacht, allen in de doode, zwarte rompen der huizen, allen levend in de levenloosheid, allen met een thuis, allen met een klein apart geluk, allen droomend hun droomen, allen onzichtbaar in het donker zooals ik, levend in het donker, zooals ik.En ginder nog altijd op het geelwit van ’t raamsilhouet, de schaduwman, de stilte, en wat rukjes van wind in struiken, een zacht praten van blaren, het pikken van de duif en de altijd strakke, wilde lijning van het huizenvierkant, omhoog.Maar dan snerpt een klaaglijk geluid in de stilte. Ergens in een tuin begint een hond te huilen, lang-klagend als de door klauwen gesmoorde kreet van een stervende. Het kille, aanloeiende geluid dreunt in het huizenvierkant, van muur tot muur geslagen, van muur tot muur voortgejammerd. Even blijft het stil. Dan opnieuw reutelt de triestige galm, lang, gillend over de hoogste schaduwlijnen, aanplonsend uit het donker en pijnlijk, hortend wegstervend in het donker.Flets en scheemrend begint het daglicht over de vormen te dagen, lichte streep boven de linksche huizenrij.In de kamer is alles gezellig. De lampen branden en ik lig nog wat lui. Door de tullen gordijnen zie ik het donker buiten, buiten, waar de dingen in nacht staan te droomen. Wie dáár mogelijk nu gluurt, ziet mijn kamer, de boeken, de lampen, de prenten, ziet ook mijn levenlooze silhouet en mijn gebukt stilzitten.Bartje.Wat Bartje overkwam, den dag vóór ze stierf.Den dag vóór ze stierf, had ze het eenig en zonderlingst lotgeval in haar leven.Negen en zeventig jaar had ze rustig, zonder te groote oneffenheden bij Arnhem gewoond. D’r man was dood. Willem leefde. Willem was d’r zoon, die in Atjeh geweest was en nou in Amsterdam in betrekking was. Waarschijnlijk zou Bartje zònder het eenig en zonderlingst avontuur gestorven zijn, wanneer ze niet plotseling op het denkbeeld gekomen was, om Willem te gaan opzoeken.Ze hadden d’r in Arnhem verteld, dat er een pleziertrein zou loopen voor een koopje. Nog nooit had ze gereisd. Nou wou ze. Ze wou en was d’r niet meer van af te brengen. Ze was zoo in eens koppig geworden. Als de bovenbuurvrouw d’r sprak van d’r leeftijd, lachte ze met ’n krakend lachje en zei dat ze de horlepiep nog wel kon dansen. Ze wou. Ze wou Willem verrassen. Ze wou Amsterdam zien. Ze was plots jong geworden.Toen ze in den derde-klasse-coupé zat met de ouwe rimpelhanden op de hengselmand, riepen ze ’t nòg eens: „Weet je ’t nou, tante Bart?”„Ja, ja, ja,” knikte ze knorrig.„Zullen we ’t maar niet op ’n stukkie pampier schrijven?”„Wel gut nee, mensch! Wat maak-ie je nou toch moeilijk!”„As-je ’t nou eens vergeet!”„Ik vergeet ’t niet.”„Bij Pieters op de Oude-Zijds-Voorburgwal.”„Ja-ja-ja.”„Weet je ’t nummer nou goed?”„466.”„Nee!... Daar heb-ie ’t al... 463.”„Dat zei ’k ommers.”„Kan de flesch niet omvallen?”„Die staat tusschen de krentenbroodjes.”„Wees nou voorzichtig met uitstappen.”„Ja-ja-ja.”„Verlies je retourkaartje niet.”„Nee, lieve mensch.”„Nou, ajuus tante... Pas op voor ’t portier. Hou je rokken wat binnen.”„Da-a-a-ag!”„Da-a-a-g!...”„Da-a-a-ag!...”„463... Oude-Zijds-Voorburgwal!”Ruts! Daar ging de trein. Vergenoegd zat Bartje in het hoekje. Ze had de kalebas neergezet, wreef de plooien glad van den bruin-rooden, gebloemden omslagdoek. Vergenoegd keek ze uit het raampje en verwonderde zich, dat een trein zoo gauw gaat. Vergenoegd kauwde ze. Ze kauwde altijd. Niemand wist wàt ze kauwde. Ieder wist dát ze káuwde. De leeren, geplooide kinnebakjes trokken regelmatig op en neer, de diepe velplooien van den hals waren geen moment zonder beweging.Het was een aardig, rustig, oud vrouwtjes-doen, afgewisseld door een even regelmatig openen vanden mond, het vertoonen der bruine tandstompjes en der zwarte grotjes er tusschen. Het grijsgrauwe haar lag glad om het beenige hoofd. De bruin-roode gebloemde doek hing zonder een kreuk om den blauwen, deftigen, Zondagschen rok.Ze zat in een vollen coupé. D’r waren juffrouwen en mannen, allemaal pleizierige, vroolijke menschen, die ’t eene liedje na het andere zongen.„Ga je ook naar Amsterdam, ouwetje?”„Ja meneer.”„Zeker famielje opzoeken?”„Me zoon.”„Woont die in Amsterdam?”„Zes maanden.”„Gaan jullie samen de peentjes opscheppen, hè?”„Nou, alsjeblief!”„Ben je d’r al meer geweest?”„Nee, menschlief. Ik heb nooit tijd gehad om te reizen.”Over en weer zaten ze te praten. Dan zette d’r een ’n lied in, overschreeuwend en overstampend het gedreun van den wagen. D’r was ’n juffrouw, zoo’n vriendelijk mensch, die zoetigheid presenteerde en een ander had een flesch met eau-de-cologne. Bartje keek genoegelijk toe, altijd kauwend en trekkend met de gele, tanige velplooien van haar magere hoofd.Je was d’r eer je ’t wist. De tijd was omgevlogen.„Nou dag juffrouw.”„Gijs, help de ouwe juffrouw ’s!”Ze was nu op het perron, in Amsterdam. Daar had je al een agent.„Mijnheer de agent, zou u mij eens willen zeggen waar de... waar de... de...”„Wat moet je moedertje?”„Ik mot naar me zoon, die woont, die woont...Och, lieve God, nou heb ik den naam van de straat vergeten!”„Is het hier in de buurt?”„Dat weet ik niet.”„Hoe heet-ie?”„Willem.”„Van z’n van?”„Willem de Boer.”„Ken ik niet... Wat doet-ie?”„In betrekking.”„Weet je dan niet waar-die woont?”„’t Zal me wel weer te binnen schieten... wacht maar... wacht maar!”Voor het station, bij den tramwagen, dribbelde ze heen en weer, zich inspannend, zenuwachtig, angstig. Ze wist ’t niet meer. Wat ze ook dee, ze wist ’t niet meer. ’t Was zoo’n ellendige naam, zoo’n verschrikkelijk-lange naam. Nog probeerde ze ’t eens. Beverig sprak ze een koetsier aan:„Mijnheer, heb u wel eens van me zoon gehoord?”„Van je zoon?”„De Boer heet-ie.”„D’r zijn wel honderd De Boers hier ouwetje. Weet je de straat niet?”„De straat... De straat! Dat’s nou toch verschrikkelijk... Ik wist ’t zoo goed!”„Waarom heb-ie ’t niet laten opschrijven?”„Ik kan niet lezen, mijnheer.”„Zeg, Tinus, heb jij wel eens van ’n De Boer gehoord?”„De Boer?... Ik ken een schoenmaker De Boer... Kan ’m dat zijn?”„Ach God, nee, mijnheer!... Mijn zoon is in betrekking.”Niemand wist ’r te helpen. Met snelle, bibberende rukjes kauwde ze, hield de mand vast met debevende handen. Wat zou ze nou doen? Ze zou verder wandelen, vragen, net zoolang tot ze gevonden had. Ze liep rechtuit de Weesperstraat in, rondkijkend, beduusd door zooveel menschen. Zachtjes-an sukkelde ze over de stoep, voor elkeen opzij wijkend, iedereen aankijkend of ’t soms Willem zou zijn. Dan stond ze weer stil, vragend: „Weet u hier soms een Willem de Boer?” Maar niemand wist ’t.Ze wezen haar ’n winkel an, waar eieren, boter en kaas verkocht werd, maar de vrouw in den winkel had nooit van ’n Willem de Boer gehoord. Toen ze de Weesperstraat had uitgeloopen, keerde ze terug, moe, nog eens vragend, nog eens vragend tot bij ’t station. Op een stoep van de Sarphatistraat ging ze zitten, tobbend, zoekend en begon stilletjes te huilen.„Scheelt d’r wat an vrouwtje?”„Ik zoek me zoon, mijnheer.”„Is die van je weggeloopen?”„Nee, nee.”En dan begon ze weer de uitlegging, weer hetzelfde.Nou hield ze de oogen dicht en bad. Ze bad altijd als ze in moeielijkheden was. Nou bad ze zachtjes, met gevouwen, trillende, ouwe handen: „Lieve God in de hemelen... Zeg me nou hoe de straat hiet... die straat van Willem... Lieve God... zeg ’t nou...”Heel wat menschen stonden in een kring om haar heen. De een vertelde ’t aan den ander... Heb je ook gehoord van ’n Willem de Boer?... D’r is ’n spekslager... Nee, hij mot in betrekking zijn... Vraag nou maar raak!... Ben je al bij de pelisie geweest? Ga naar de pelisie, moeder!... Kom, laat ’t mensch niet voor niks loopen... Weet ze veel de pelisie!„Ga zoolang in de wachtkamer van het station, vrouwtje.”Dat zou ze dan maar doen. Daar waren niet zooveel vreemde menschen, die d’r stonden an te gapen en d’r toch niet helpen konden.Op een der banken ging ze zitten, denkend, tobbend, al maar klapperend met de beenige onderkaak, al maar pluizend met de dunne lippen. Al zou ze uren verzinnen, ze zou dien naam weer weten, dien langen, ellendig-langen, gekken naam.Zoo bleef ze, uren lang, versuffend, telkens meer versuffend, met heete oogen en een moe gebukt oud lijf. Toen de andere pleizierreizigers ’s avonds weer kwamen in het station, zat ze nog op dezelfde plek met de mand met krentenbroodjes en de flesch melk, waarvan ze niets geproefd had.„Heb-ie je zoon gezien, moedertje?”„Nee,” zei ze snikkend... „Ik heb geen geheugen meer... Nee, nee, nee.” ...Binnenhuis-ideaal.Dan stond-ie maar weer op in het donker, liep op den tast naar de lamp, schuifelde met z’n vingers over de tafel om lucifers te vinden, streek er een af.„O! O! O-o-o-o!”—, gilde zij in de alkoof.„Wees nou toch effen stil”—, gromde hij, slaperig, half-suf.„O!... Au-o-o!... A-a-au-au!”De lucifer ging uit en hij stootte z’n blooten voet tegen ’n poot van de tafel.„O!... O-oooo!... Au-oooo!”„Hou dan toch effen op!”„As jij ’t maar voelde!... O!... O!... Ik wor gek! Ik wor gék!”Daar had-ie licht en het fleschje had-ie ook te pakken.„O!... O-oooo!... Au-o-o-o!”„Mensch, gil toch zoo niet voor de buren... Hier... Heb-ie ’t... Spoel nou maar goed.”Beverig, half-huilend, nam ze ’n slok, hield ’t hoofd wat links en bleef zoo kreunend, grommend als ’n jonge hond, rechtop in bed zitten.„Gaat ’t wat over?”Ze knikte van nee.„Die vervloekte kies!... Die verdomde tanden van jou!”...„Kan ik ’t dan hellepen”—, huilde ze voorzichtig om den slok niet in te slikken.„Da’s elken nacht zóo. Dat hou ik niet uit... Nou nog maar drie uur slaap!... Ik hou ’t niet uit, niet uit!”„Laat ’m dan trekken”—huilde ze weer zenuwachtig, met een geluid dat uit de zieke kies scheen te komen.„Ben je nou klaar?”Hij werd kribbig van ’t kouwe zeil, waarop-ie met z’n bloote voeten stond.„’t Zal nou wel gaan... Zet ’t flesch-ie op den stoel.”Nou lag-ie weer, nijdig, klaarwakker, niet meer in staat te slapen van moeheid.’t Daglicht begon door de gordijnen te schemeren. Dat was de vierde nacht. ’t Zou morgen ook wel zoo zijn, overmorgen ook. ’t Was om uit je vel te springen. Je dee net zoo wijs om je te verdrinken as te trouwen....„Dollef!”...„Wat is d’r nou weer!”„Zal ik ’m morgen maar laten trekken?”„Mot je zelf weten!”„Snauw nou zoo niet... Kan ik d’r wat an doen?”„Hoe komt ’n mensch an zóó’n gebit!... Je had met ’n rentenier motten trouwe! Je ruïneert de zaak met je tanden!”„Kan ik d’r wat an doen.”...„Nou nog blerren ook!... Wil je me met rust laten!... Zal je me laten slapen! Is ’t uit!... Is ’t uit!... Ik heb d’r genog van! Wil je hebben dat ’k d’r uit spring!”Zachtjes huilde ze onder de dekens.„Ben je nou klaar?”Datkon-ie niet hebben, dat gegrien.„Huil nou maar niet... Laat ’m dan trekken morgen.”Ze bleef doorsnikken onder de dekens.„Schei nou uit met je gegrien!”„’k Wou jou wel ’s zien in mijn plaats.... Als ’k ’m morgen laat trekken, heb ik geen tand meer in mijn mond!... Was ik maar dood!... Was ik maar dood! Wat doe ik op de wereld!”Ze was blijkbaar in een zeer melankolieke nachtstemming.„Wees nou maar stil! Kom nou, dikkert!”Als-ie dikkert zei, was-ie verteederd.„’k Kan toch al niks meer eten!”...„Ga morgen maar naar De Smitt.”„Was ’k d’r maar uit!”„Kom nou malle dikkert!... D’r zijn toch nog valsche gebitten te krijgen.”„Wie mot dat betalen?”„’t Zal wel kommen.”„Al twee jaar beloof je, belóóf je... en nou gaat de laatste weg!... Wat heb ik an mijn leven! Ach Godogot!”„Ga nou slapen.”„Slaap jij maar met zoo’n pijn!”„Dag dikkert!”„Dàg!”Met z’n gezicht naar ’t houten beschot begon-ie te dommelen, met iets zwaars in z’n hoofd, met ’t lamlendig gevoel van een ding dat hindert, zonder dat je weet wát het is. Zij lag stil als een muis, de goeie dikkert. Boven hoorde je iemand schommelen. Dat was de meneer van de politie, die an z’n werk ging. Die vervloekte kiezen. Nou zag-ie precies in z’n dommel hoe d’r mond d’r uitzag: ’n rood-zwart hol, zondertanden, met nog één kies, als een afgebrande lucifer. Zou d’r ooit geld kommen voor ’n gebit, voor zoo’n valsch gebit, as je ze zag in de kastjes bij den tandmeester, gebitten van rooie was met helderwitte tanden?... Als ’t zoo ging as nou, kon Stien nóg wel een paar jaar wachten... Je schrapte je kapot den heelen dag voor niks... Knippen lieten de menschen zich haast niet... Wat hield je over na aftrek van huur en gas?... Most de dikkert nou d’r heele leven met d’r tandvleesch eten?... ’t Was toch belabberd as je ’s Zondags ’n stukkie lekker mager vleesch had en Stien ’n uur dee over ’n hap... Niks kon ze haast eten... Dan die tegenvallertjes... dat partijtjecosmétiquedat-ie zich had laten ansmeren door dien gladakker van ’n reiziger... Net één stukkie verkocht an den koetsier van meneer De Bruin... en de rest niet meer te verkoopen zoo zacht en vet as ’t geworden was... Je most maar boffen!... ’t Vak was een hondenbaantje. Een bediende bij Coini verdiende nog meer. Twee jaar maakte-ie zich nou al den sappel voor ’n stel valsche kiezen. Jawel! De dikkert had kans om ooit wat te laten kijken as ze lachte...*   *   *Dan was-ie den volgenden morgen weer ijverig aan ’t schrappen in den kleinen winkel.Pietje was bezig den kruidenier in te zeepen. Hij had den kantoorbediende van driehoog onder handen.„Mes goed, meneer.”„Best.”„Heb-u gehoord van ’t jongetje van den drankwinkel?”„Nee.”„Dat weet anders de heele buurt...”„... Nee, niet opscheren.”„Die is gister overrejen.”„Wat?”„Z’n twee beenen motten gebroken zijn.”„Tetetete.”„Altijd ’n ongehoorzame bengel geweest... Poeder of Vinaigre?... Piet help meneer even af.”Dadelijk begon-ie aan den kruidenier.„Goed ingezeept, buurman?”„Scheer me maar gauw éen keer.”„Zoo’n haast?”„Me vrouw is alleen thuis.”„Drukte an den winkel?”„Als alle dagen... Je kan de bakkebaardjes wel wat wegnemen.”Het mes schrapte kalmpjes over het vale, hoekige gezicht van den kruidenier. Zachtjes streek het over de koonen, onder den dunnen, langen neus, over de kin. Telkens als het vuile zeepsop op het stukje papier afgeveegd werd, gingen er vragen en antwoorden heen en weer. Terwijl had de kantoorbediende van drie hoog zijn gezicht in de kleine kom gewasschen en droogde zich af aan den éénigen handdoek, die aan een spijker hing. Tik. Tik. Twee halve stuiverstukken lei die neer.„Morgen.”„Morgen.”De kruidenier was klaar, doopte drie van z’n dikke vingers in de kom, keek even in den spiegel, droogde zich haastig af aan denzelfden handdoek, lei vijf centen op de waschtafel en ging heen.Pietje stond in een hoek en dronk een kop thee, die-die altijd om negen uur kreeg. Langzaam slobberde-die met blaasjes en plofjes in de groote, witte kom.„Kom nou jongen, schiet wat op!”„Ja, patroon.”Opgeruimd begon de jongen den vloer te vegen, zorgvuldig alle haren in de hoeken bij elkaarpeuterendtot er een hoopje was van stof en haar. Netjes dee-die ’t op een stuk papier, dat uit het raam werd gesmeten. Dan ruimde-die de waschtafel op, sierlijk uitstallend den borstel-voor-iedereen, de kam-voor-iedereen, het vette, doorzweete, behaarde stukje cosmétique-voor-iedereen, de scheermessen-voor-iedereen en de blauwe spuitflesch van de dubbeltjes-heeren. Dan begon Pietje an z’n eigen toilet, smeerde dikke lagencosmétiqueop z’n blonde haar, plakte ’t prachtig naar achter en gingHet Volksdagbladlezen, waarop patroon geabonneerd was. De baas lette heelemaal niet op ’m. Die zat nog slaperig bij het raam met de tien centen van de twee klanten in z’n hand. Als dat strakkies maar geen standjes gaf, dat gesoes.Droom.Tot elf uur ’s avonds had-ie in het ruim van het kolenschip gewerkt.Zwart van vuil was-die met z’n kameraden ’n kroeg binnengeloopen.Ze hadden er geborreld tot middernacht.Ze hadden er gelachen, gedold, geschreeuwd, vol drankvroolijkheid.Thuis was-die naast z’n vrouw, die al lang lag te ronken, in bed gekropen.Donker was ’t in de kamer.Alleen ’n streepje licht op den gevel van ’t huis aan de overzij.*   *   *„As ze me te pakke kreige... sakkerjuu! sakkerjuu!...”Angstig kroop-ie weg, achter ’n reuzenzuil, net in de schaduw.En verbaasd, verbluft keek-ie toe, telkens er weer over suffend hoe-die ’r kwam in den Harem.Hij wàs er.Sakkerjuu!... Hoe kwam-ie zóo uit ’t ruim met z’n vuile smerige bakkes, midden in zoo’n paleis...Hoe kwam-ie nou....Maar hij zou maar kijken.Jezus nog toe, wat ’n fijnheid!’n Goud om gek van te worden..... goud overal op den grond.... christene-zielen wat ’n licht: net of-ie met je neus onder ’n elektrieke lamp stond. ’t Dee pijn an je oogen, pijn.... Bloedrooje strepen en schitterende vonken.... al maar spattende sterren van licht.... licht.... licht!Nou kwam daar de sultan.Uit ’n marmeren deur kwam-ie.Net ’n meissies-kop met z’n zwarte oogen, z’n lange haar, z’n witte handjes.Goddoome .... zoo’n pakkie mot je niet uitvlakke!... Je ziet alleen maar z’n nakende voeten... dan bont, wit en rood bont... hermelijn... wat je maar wil... Precies as de priesters op de plaatjes...*   *   *Achter den sultan vrouwen, mooie vrouwen.Vrouwen met wit vel.Vrouwen met zácht, blank vel.Vrouwen in kleurrijke doeken van roze en geel. ’n Bont gewemel van kleuren en vleesch, van mollige stoffen en poez’lige schouders.De sultan voorop, met z’n bloote voeten.De vrouwen er achter, stil zonder praten.Wel driéhonderd.Allemaal loopend zóo zacht over ’t goud en ’t marmer.En ’t licht, schel begietend de vormen, als zonlicht.*   *   *„Sakkerjuu.... as ze me te pakke kreige!”Zweetend van angst kroop-ie weg achter de zuil.Toen kwam ’r een vrouw, die moe werd en naast ’m wou zitten.Jong was ze, frisch.Ze leek wel ’n meissie.Oogen als van ’n kind.Mooi waren d’r bloote armen.Wit ’t kleed, dat plooiend gleed om d’r heupen.’t Haar was goud-haar.Schuw trok de kolendrager zich terug.Maar zij keek hem an, lachend:„Dag Arie”....„Pas op nou... spreek zachies... as ze me zien, ben ik d’r bij”...„Dag Arie”...„Ach, Jezus!... Je maak me ongelukkig”...„Dag Arie”...„Ach toe... ga nou weg... ’k mag hier niet komme”...„Geef me ’n zoen”...„Nee toe nou... ’k Kom pas uit ’t ruim... ’k Zie zoo vuil as ’n beest”...„Geef me ’n zoen, Arie”...„As je weg gaat... Dáár dan!... Maar ga nou vort... as ze me snappe”...Toen ging ze, huppelend met de kleine voeten over ’t goud en ’t marmer. Tralala. Trala.Hij keek d’r na.Onrustig.Ze was verdomd mooi.Zoo goddelijk mooi, as ’n heilige beeldje.In de schaduw bleef-ie zitten.*   *   *„Verdikkie,” vloekte de sultan, die stilstond.De vrouw met ’t goudhaar, werd wit als ’n doek.„Wel verdikkie,” vloekte de sultan en pakte de vrouw bij ’n arm.Alle vrouwen kwamen ’r bij staan met bange gezichten.De kolendrager kreeg kippevel.Want de sultan stond razend te vloeken, om ’n zwarten veeg op ’t gezicht van de vrouw met ’t goudhaar.„Verdikkie, hoe kom je d’r an?”„’k Weet ’t niet”...„Zel je niet liege?”...’n Mes trok de sultan.’n Mes van zilver, dat blonk als ’n spiegel.Ze gilde en schreeuwde.Toen wees ze naar achter, naar de zuil, waar de kolendrager, badend in zweet zat.En de sultan vloog op, razend en schuimend van drift.En de vrouwen joelden en galmden.En de kolendrager liep als ’n gek, als ’n hond.Maar de sultan liep harder, omdat de kolendrager niet zoo hard loopen kon op goud en op marmer.*   *   *Nou lag-ie op z’n knieën voor den sultan.Wat had die ’n haar op z’n voeten.„Wie ben jij?”„Arie”...„Welke Arie?”...„Ach God... Je ken me toch wel... ’k Ben Arie uit de Hazestraat... in de Jordaan weet-je-toch wel?”...„Wat doe jij dan hier?”...„Weet ’k niet”...„Mot je maar sterreve”...„... Sakkerjuu!... Sakkerjuu!... Steek me nou niet... ’k Mot morrege op karwei... ’k Heb ’n vrouw met zes kindere en een op de komst... ’k Heb niet gevraagd om te zoene”...„Je mag eve bidde nog, Arie uit de Hazestraat... Dan is ’t uit”...„Laat me nou leve... ’k Zel nooit meer hier komme”...„’k Begin al te tellen... tot honderd... Bid nou maar gauw... anders is ’t uit”...Toen begon de kolendrager te bidden... Goeje God... Hoe is dat nou mogelijk, dat ’k dood mot gaan... ’k Ben niet voor me plezier in de Harem gekomme... Laat nou die Sultan z’n mes opsteke... Hij heit ’t zoo goed met z’n bloote voete op goud en op marmer... Zoo goed in dat elektrieke licht... zoo goed... Nee, tel niet zoo gauw! Jezus, ben je nou al an veertig?... Hij heit ’t zoo goed met al z’n vrouwe... Ik ben ’n stumper... Nou zelle ze thuis niet te vrete hebbe... Wat zelle me kommeraads zegge!... En die juffrou staat nog altijd met de zwarte veeg op d’r bakkes... Bé-je nou al an tachtig!... Schei nou uit meneer!... Wat heb je d’r an!... ’k Weet niet hoe ’k hier gekomme ben... Me vrouw zal niet wete waar ’k blijf... Vijf en negentig... Hou op! Zes en negentig... Ach, goeie God!... Zeven en negentig... Sultan, Sultan!... Acht en negentig... Hou stil je mes!... Negen en negentig... Honderd... Ah! Ah!...*   *   *Vijf uur ’s morgens stond-ie op.De vrouw lag nog snorkend onder de dekens.„Sta je op, Marie!...”„Ja, ja!”„Kom geef nou me koffie...”Hij waschte z’n vuile gezicht in ’n emmer water.Maar soezend bleef-ie.De vrouw schoot in de kleeren, zette koffie.Kaatje in d’alkoof begon te schreeuwen.Onrustig keek ze naar d’r man. Hij dee zoo vreemd. Anders vloekte-ie ’n half uur.Toen ze de koffie inschonk, keek-ie d’r aan...„Goddoome, Mie... ’k hè-zoo bezope gedroomd...”Grootmoedertje.Ze wreef d’r beenige skelet-handen over de in de rokken uitpuilende knieën, angstig, met hortende rukken. Als die nou maar kwam. Als die nou maar gauw kwam. Zoo’n spéélsche jongen. Trui kon d’r elk oogenblik zijn. Dan had je de poppen an ’t dansen, dan was d’r weer ruzie en knorren. Waar bleef die nou? Ze had ’t nog zóó gezegd. Daar ging de bel. Was ’t Trui of een van de kinderen? Nou dee de meid open. Hij was ’t. Sjors alleen bonsde zoo de trappen op zonder z’n voeten te vegen. Goddank.„Ben jij ’t Sjors?”„Ja gromoe.”„Heb je ’t?”„Ja gromoe.”Uit z’n warmen broekzak haalde het ventje een medicijnflesch, half-gevuld. Met d’r bevende skelet-handen nam ze het aan, dee de kurk er af, rook even, dee ’t weer dicht en moffelde het weg in haar zak.„Hoeveel geld heb je over?”„Vijftien cent.”Netjes telde hij de warme centen uit op de vensterbank.„Die zijn voor jou, Sjors. Zal je niks zeggen?”„Nee, gromoe.”„Je moe hoeft ’t niet te weten, hoor je?”„Nee gromoe.”„Koop jij nou maar wat knikkers. Geen snoepgoed, hoor je?”„Ja gromoe.”Ze hoorde hem de trappen afbonsen, zooals hij ’t altijd dee, twee, drie treden tegelijk. Gauw nou, voor d’r iemand kwam. De hals van ’t fleschje rikketikte tegen haar tanden, zóó als de beenige handen beefden. Hè. Hè. Hè. Nou niet meer. Vanavond de rest. Hè, wat ’n ander mensch wer-je zoo. Bellebellebel. Dat was Treesje. Die belde altijd zoo lang als ze uit school kwam.„Dag Treesje.”„Dag grootmoe.”„Hoe laat is ’t?”„Half vijf... Wat ruikt ’t hier raar.”„Ruikt ’t hier raar?”„Ja, ik weet niet naar wat.”„Dat zullen de bloemen zijn.”„Is moe niet thuis?”„Nee, niemand.”„Sien!... Si-e-e-n!... Sien-tje!”„Ja jongejuffrouw?”„Wat eten we vanmiddag?”„Runderlappies.”„Met watte?”„Met spersieboontjes.”„En d’r na?”„Sjelij van alebessen.”„Help ’s mee an ’t tafelkleed.”Sien, met d’r rooie handen, pakte twee tippen aan, Trees de andere.„Is ’t nou geen schandaal, jongejuffrouw, datSijors de schoone loopers weer zoo ingeloopen hèt.”„Is-die dan uitgeweest?”„Een boodschap voor de ouwe juffer.”„Heeft George ’n boodschap voor u gedaan, grootmoe?”„Voor mij? ... Nee, niks voor mij.”„Ruik-ie niet zoo’n rare lucht, Sien?”„’t Zal van ’t zilver zijn dat we vanmorgen met jenever en krijtgepoetsthebben.”„Breng-ie nou de borden, Sien?”Treesje dekte de tafel. Ze dekte voor zeven, elken dag zeven borden op dezelfde plaats. Pa zat aan ’t hoofdeind, over ’t raam en had ’n servet met een zilveren servetring. Moe zat naast ’m met ’n roodfluweelen servetring. Naast moe zat Gerrit, daarnaast zat zij. Aan den anderen kant van pa zat Marie. Die most altijd het geslepen glas hebben, waarop „voor uw verjaardag” stond. Dat hadden zij en George d’r samen gegeven. Naast Marie zat George, naast George: grootmoe. Grootmoe had een koperen servetring, gedragen door twee hondjes.„Sien... breng-ie nou nog het olie- en azijnstel en de tafelmatjes?”„Treesje, denk an ’t bittertje voor je pa.”„Ja, grootmoe, ja, ik vergeet niks.”„Wees toch niet zoo snibbig.”„Nou ja! Dat gezanik! Elken middag ’t zelfde.”„Sientje! Sien! Waar blijf je nou?”„Even mevrouw openmaken, jongejuffrouw!”Moe kwam binnen met Marie. Ze hadden inkoopen gedaan, ’n ons Maria-koekjes bij de thee en garneersel voor ’n nieuwen hoed voor Treesje.„Niks geweest, Sien?”„Nee Mevrouw.”„Wie heeft d’r weer zulke schandelijke voeten op de witte loopers gezet?”„Jongeheer Sijors.”„Meneer heeft ’m toch verbojen om uit te gaan, als-die uit school komt.”„Daar weet ik niks van.”„Heb ù ’m uitgezonden, moeder?”„Watte?... Ikke? ... ’k Heb ’m nog niet gezien.”„Daar belt-ie net.”„Heeft je pa je niet verbojen, bengel, om nog voor ’t eten uit te gaan?”„Ja moe, maar ik had an Hendrik ’n schrift geleend, dat ’k terug most hebben.”„Wat heb je weer in je zakken zitten?”„Niks.”„Wat, niks? Hoe kom je an geld voor zooveel knikkers?”„’k Heb ze gekregen.”„Je jokt.”„Nee heusch niet.”„Je jòkt.”„Heusch niet moe!”„Heb je voor grootmoe ’n boodschap gedaan?”„Nee moe.”„Op je woord niet?”„Nee moe.”„Goeien middag.”Pa en Gerrit kwamen samen van kantoor.„Warm vandaag!... Gaat ’t goed moeder?... Eten we wat lekkers vanmiddag, Trui?”„Runderlapjes.”„Trees, waar blijft ’t bittertje?”„Moe, geef uw sleutels eens.”„Wat is dat toch voor onzin, dat je de bitter tegenwoordig achter slot en grendel zet?”„Hier is ze al. Hier is ze al.”„Snoept de meid?”„Nee.”„Moeder ook ’n glaasje?”„Geef je moeder nou geen bitter, Karel!”„Ach wat!”„’t Is heusch zoo goed niet voor d’r.”„Als jij negentig bent, lust je ’t ook.”Met glinsterende oogjes keek de ouwe vrouw naar de bewegingen van haar zoon, die bij ’t raam het likeurglaasje vulde.„Geef ’t d’r nou niet, Karel.”„Waar bemoei je je toch mee!”—zei het ouwetje bits, met een grijpend uitstrekken der skelet-handen naar het glaasje.„Omdat ’t niet goed voor je is.”Het glaasje was al leeg. De dunne lippen in het gele knokelgezicht smakten na. De donkere oogen glinsterden van genot. Karel was een goeie zoon. De schoondochter had ’t land an d’r. Dat wist ze wel. Maar nou was alles goed, alles bestig.„An tafel! An tafel!”Karel deelde de runderlapjes. Op den schotel deelde hij het vleesch in acht porties, de grootste voor z’n vrouw, de kleinste voor Sien, die de meid was en daarenboven geen vleesch verdragen kon, omdat ze maagkanker had. Zoo’n meid was ’n tref.„Trui, je bord. Marie geef ’s door an grootmoeder. Sjors, zet je vingers niet in de saus.”Dan gingen de spersieboontjes rond, de aardappelen, de sauskom en kwam er even rust, vorkengetik en gesmak van de oude vrouw.„Gerrit, wat ben je stil vanmiddag?”„Ik?”„Ach hij’s verliefd ma.”„Hou toch je mond, nest.”„Oh! Oh!”„Wat is d’r? Wat is d’r?”„Kijk grootmoe is!”„God, wat scheelt de oude vrouw!”Ze lag schuin weggezakt in den armstoel, met oogen waarvan het wit nog te zien was. George begon te huilen en de vrouwen keken krijtwit toe.„Geef dan water en zit niet als zoutpilaren!” schreeuwde vader. Gerrit sprenkelde met azijn.„George hou op met je gekrijsch!”„Als ze maar niet doodgaat! Oooo!”„Hou je bakkes, kwajongen!”Ze hadden de oude vrouw op de sofa gelegd. Het grijze pluishaar pluimde in vlokken op het roode kussen.„Geef d’r wat lucht bij d’r hals... Kom Trui, verroer je ’s!”Trui en Marie maakten de japon los, Gerrit hield wat azijn onder den neus, de zoon wreef de kurkige skelet-handen.„Wat haal je uit d’r zak?”„’n Flessie.”„Laat ’s ruiken.”Eerst rook de vrouw, toen de man.„Hoe komt ze aan jene...” vroeg-ie nijdig.„Hou je mond.”Ze keken elkaar aan, hielden d’r mond voor de kinderen.„Ze komt al bij, pa!”„Zouen we d’r op bed leggen?”„Laat ze eerst heelemaal bijkomen.”„Gaat ’t wat beter, moeder?”Flauwtjes opende ze de oogen, keek nòg-bewustelooos om zich heen, sloot de oogen en bleef stil liggen.„Kom nou, moeder!”„Hoe gaat ’t grootmoe?”Er kwam weer leven in de oude vrouw. Ze keek van Karel naar Marie, van Marie naar George.„... Hé ... ik dacht... dat... ik... daar... dood ... ging” ...Plotseling scheen ze álles weer te weten. De bevende skelet-handen wreven over de oogen, rukten in eens naar omlaag, naar den zak. Ze betastte de heele plek, keek toen met starre oogen van haat naar de schoondochter, die het fleschje nog in de hand hield.Vijf minuten later zaten ze allen weer aan tafel bij de runderlapjes en spersieboontjes.

Tante Riek.Als ze opstond, liep ze ’t eerst op d’r bloote voeten naar het raam, trok het pennetje weg, sloeg de gordijnen open, liet wat lucht binnen. Aan de overzij was een meid bezig met ’t schrobben van de stoep. De juffrouw stond voor het open raam en sloeg met een mattenklopper op zittingen van stoelen. Een eind verder belde de slager aan en klopten twee schuinhangende vrouwen met bengelende borsten een kleed uit.Daar kwam ook de brievenbesteller. Nou stak-ie de straat over. Nee, niks. Natuurlijk, niks. Geeuwend keek ze in den spiegel, ze dee dat elken morgen. Nou thee zetten. Voorzichtigjes nam ze een gebonden exemplaar van deGartenlaubevan tafel. Elken dag lag die precies op ’t zelfde plekje, schuin over de tafelschel, die ze nooit gebruikte. Elk plaatje, elk verhaaltje van deGartenlaubekende ze. Tien jaar lang had ze er in gebladerd en gelezen.Boeken las ze niet. Soms nam ze van de familie een gelezenNieuws van den Dagmee en dee daar een week over. Anders las ze maar weer in deGartenlaube, dat een dik boek was en een herinnering aan den gestorven man. Nou lei ze het boek op deBonheur-du-jour, lei het photographie-album, dat aan de andere zij van de tafelschel lag—preciesin een rechten hoek met deGartenlaube—er naast, nam de tafelschel op, den rooien tafellooper en wreef met de lange, stevige vingers het pluche van het tafelkleed glad.Als ze zoover was—het waren de stille, regelmatige bewegingen van elken morgen—nam ze het tafelkleed bij twee slippen, vouwde het zachtjes-streelend over haar robuste knie en lei het bij de tafelschel. Achter deBonheur-du-jourhad je de stofdoek, waarmee de tafel gewreven werd. Ze plofte warmen adem op het glimmend blad en wreef. Er was niets te wrijven. Ze wreef, omdat zij ’t gewoon was. De tafel was het ook gewoon. De tafel in het benauwde kamertje zou onrustig en vreemd gedaan hebben als de kleffe, warme adem er geen doffe plasjes op gestooten had.Nou glom de tafel. Nou was ’t weer zóóver in orde. Onder het hoofdkussen in de alkoof zocht ze den sleutelbos. Ze had vier sleutels: een van de kamerdeur, een van de kastdeur, een petieterig-kleintje van de schrijfmap en een van de handschoenendoos, waarin ook het geld lag. De handschoenendoos lag in een hoedendoos. De hoedendoos stond tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden natuurlijk dáár de spaarduitjes niet zoeken en de sleutels bewaarde ze onder haar hoofdkussen. Voor buitengewone veiligheid zette ze ’s avonds als ze slapen ging een stoel met een glas er op voor de kamerdeur en op zij van het matras stak het broodmes.Ze maakte de kastdeur open, nam het ontbijtservet, spreidde dat over tafel, wreef de plooien glad en haalde de plank van de kast verder leeg. Het brood was wat oudbakken. Ze dee drie dagen met een pondje. Ze stak het lichtje onder het theewater aan en telde de sardientjes in het busje na. Er waren ernog vijf. Op sardientjes was ze dol. Eens om de tien dagen kocht ze een nieuw busje van zeven en twintig en een halven cent. Elken dag, ’s morgens, at zij er één met een beetje van die „lekkere” olie. Soms had je voordeelige bussen met tien sardientjes, maar ’t gebeurde ook wel—zulke bedriegers—, dat er maar acht of negen in waren.Bij haar eerste twee boterhammen at zij het sardientje, bij de derde een zacht ei. Ze dee ’t tien jaar lang, hapje voor hapje. Het was lekker en zuinig. Een tweede ontbijt gebruikte ze nooit. Als het water suisde, lei ze ’t eitje er in, bleef geduldig vijf minuten naar de pendule kijken en in den spiegel en zat tegen elf uur te ontbijten, eerst een half sardientje met éen boterham, dan het andere halve sardientje met de tweede boterham, dan het eitje met de derde boterham. Wasschen dee ze zich, als ze ontbeten had, als ze de laatste kruimels van het bord gepikt had. Als je je eerst waschte, maakte je je toch maar weer vuil in het huishouden.Ze bad nog eerst met de oogleden als luiken voor een grutterswinkel en de manshanden gevouwen met één pink op het bord. Dan begon ze te ruimen, te vegen, te stoffen. Ze dee ’t bedaard, zeker, alles in de nauwkeurige, mathematische opvolging van alle dagen. De theeblaren, die ze gebruikte voor het vloerkleed, werden van de deur naar het raam toe en niet omgekeerd gestrooid en ze zou er geen seconde over gedacht hebben om het hoektafeltje eerder af stoffen dan deBonheur-du-jour.Was dan ook het bed opgemaakt en de sprei keurig-glad getrokken, dan ging het tafelkleed en de looper weer op tafel, zette ze de tafelschel precies in het midden van den tafellooper en kwamenGartenlaubeen portretalbum in een rechten hoek tegenover elkaar om de schel te liggen. Dan begon ze aan haar toilet.Het is onwelvoeglijk om hier in te groote bijzonderheden te treden, maar ook nu deed ze alles in correcte volgorde. Eerst vijf minuten geborstel over de groote, gelijke paardentanden.Ze was trotsch op dat groote, stevige, zoogdierengebit, waarmee ze noten kon kraken, die andere menschen nog niet eens tusschen de scharnieren van de deur konden stuk krijgen. Ze was trotsch op de rijen witte, sterke tanden en kwam op dreef als andere menschen over kiespijn klaagden. Ze was er zoo aan gewoon om met dat schoone zoogdierengebit te pronken, dat zij zelfs in treurige eenzaamheid bij sardientjes en eitje kleine geaffecteerde hapjes nam, om haar stukken cement te laten zien.Ze poetste ze met sigarenasch. Al de aschbakjes van d’r familie leegde ze in een toetje. Eens in de week zuiverde ze haar collectie van eindjes doorkauwde sigaar en afgebrande lucifers. Na het tanden-geborstel waschte ze zich. Ze had een kom, waar nog geen liter water inging. Met een punt van den handdoek wreef ze over het groote, beenige gezicht en over den vleezigen hals. Verder kwam ze niet. Zij gaf elken avond haar twee potjes geranium voor het raam meer water dan zij tot Zaterdag-avond zelf gebruikte.Zaterdagavond nam ze een voetbad in de literkom. Dan warmde ze water in den theeketel, stak den eenen voet in de kom en als die gereinigd was, waagde ze ook den anderen voet er aan. Sedert den dood van haar man waren de twee voeten nog niet samen te water geweest. Als ze zich gewasschen had, begon ze aan het haar. Dat droeg ze kort geknipt en krulde ’t elken morgen. Vroeger had ze wel eens papiljotten gelegd, maar daar kreeg je hoofdpijn van en met een warm ijzer ging ’t wél zoo goed.Wanneer ze dan nog de ouwe trekken met poederhad gevoileerd, was ze klaar, kleedde zich en ging uit. Om half twee, mooi weer of stortregen, kwam ze op straat. Ze dineerde nooit thuis. Maandag, Woensdag, Vrijdag at ze bij Frits, Dinsdag, Donderdag, Zaterdag bij Lien. ’s Zondags was het om beurten. Ze wandelde van half twee tot half vijf, dan hier, dan daar heen. Als ze aanschelde om half vijf bij Frits of Lien, wisten die wie er was. De vrouw van Frits had ’t land aan d’r. Ze liet ’t nooit merken, zei alleen tot de meid „dat vandaag de zuster van m’nheer kwam en ’r voor drie personen meer moest gekookt worden.”Lien had vijf kinderen. Die vond ’t zoo buitengewoon niet als er iemand extra was, maar d’r man vroeg minstens ééns op een middag: „Riek, heb je wel genoeg?” wat de kinderen dee giegelen, omdat tante méér at dan de heele familie samen en zóóveel op haar bord te gelijk nam, dat er geen saus meer bij kon.Ze voelde zich volkómen gelukkig als ze met haar slagtanden voor zoo’n vol bord zat. Ze was altijd uitgehongerd, niet te verzadigen.’s Morgens, bij het ontbijt, dee ze zich geweld an om d’r geen vierde boterham bij te nemen. Dan dacht ze an de volle borden van ’s middags en an de handschoenen-doos met de spaarduiten.Frits en Lien gaven haar samen een weekgeld, niet te hoog, toch welletjes. Elke week hield ze over. ’s Morgens at ze weinig, ’s avonds at ze niet—’s middags moesthetkomen—het, ’t vet voor ’t lange, zware, beenige lichaam. Dàt was haar eenig, innigst geluk, als ze met het witte, klapperende zoogdierengebitdineerde. Dan keek ze sentimenteel-schapig uit de groote oogen en at. Dan glimlachte ze vriendelijk en at. Dan werd zespraakzaam—tusschen de happen door—en at.Ze at meer, op zoo één maaltijd—dan een gezonde huzaar die twaalf uren achtereen in het zadel heeft gezeten. De groote mond ging rustig, open en „nam in.” Ze at een half uur achtereen, stevig door, zonder ophouen, lei vork en mes netjes naast ’t bord—nooit gekruist: daar kwam ruzie van—spande de dunne lippen over elkaar, inspecteerde de tafel of er nog wat eetbaars was en lei de handenberustendin den schoot.Niemand maakte ooit, waar ze bij was, een opmerking over haar gulzigheid. Ze was afhankelijk en men wou niet „onkiesch” zijn. Alleen zei de zwager, lachend, elken middag: „Riek, heb je wel genoeg?” Na het middageten had ze haar vaste plekje om te dutten, bij Frits in de voorkamer, bij Lien op de sofa. Weldadig-glimlachend met een huiselijk gezicht keek ze dan rond, sloot de oogen en dacht aan Charles, die tien jaar geleden gestorven was.Ze dacht aan den doode, die haar alleen schulden had nagelaten, ook weer precies op dàt uur, zoo als ze ’s morgens nauwgezet éérst deGartenlaubeen dan het portretalbum van tafel nam. Met de oogen dicht, overgevoelig door te volle maag—ze klaagde wel eens over de spijsvertering—dacht ze aan hem op dezelfde manier. Nooit gevarieerd, altijd met de visie van een gladgeschoren kin, zwarte gladde bakkebaardjes en zoo iets van ’n schemering van oogen. Z’n oogen was ze half vergeten, maar de kin zag ze met de bakkebaardjes, zooals-ie op bed lag toen z’m gevonden hadden.Als ze zoo dacht, had ze heelemaal geen verdriet. ’t Hoorde bij den dag, bij ’t dagelijksch doen, bij het stoffen en vegen, wasschen en dineeren. Nog wat later was ze ingedut, nog wat later snurkteze. Dan wekten Frits of Lien d’r voor de thee en nam ze ’n handwerkje op.Om tien uur ging ze naar huis, nam den sleutelbos twee straten te vroeg in de hand, maakte de huisdeur open, de kamerdeur open, sloot het raam, dee ’t pennetje in ’t gaatje, zette den stoel met het glas voor de deur, stak het broodmes achter het matras en stapte in bed. Met een kaars dee ze veertien dagen. Ze lag nog geen twee minuten of ze sliep en snurkte door haar neusgewelven.

Als ze opstond, liep ze ’t eerst op d’r bloote voeten naar het raam, trok het pennetje weg, sloeg de gordijnen open, liet wat lucht binnen. Aan de overzij was een meid bezig met ’t schrobben van de stoep. De juffrouw stond voor het open raam en sloeg met een mattenklopper op zittingen van stoelen. Een eind verder belde de slager aan en klopten twee schuinhangende vrouwen met bengelende borsten een kleed uit.

Daar kwam ook de brievenbesteller. Nou stak-ie de straat over. Nee, niks. Natuurlijk, niks. Geeuwend keek ze in den spiegel, ze dee dat elken morgen. Nou thee zetten. Voorzichtigjes nam ze een gebonden exemplaar van deGartenlaubevan tafel. Elken dag lag die precies op ’t zelfde plekje, schuin over de tafelschel, die ze nooit gebruikte. Elk plaatje, elk verhaaltje van deGartenlaubekende ze. Tien jaar lang had ze er in gebladerd en gelezen.

Boeken las ze niet. Soms nam ze van de familie een gelezenNieuws van den Dagmee en dee daar een week over. Anders las ze maar weer in deGartenlaube, dat een dik boek was en een herinnering aan den gestorven man. Nou lei ze het boek op deBonheur-du-jour, lei het photographie-album, dat aan de andere zij van de tafelschel lag—preciesin een rechten hoek met deGartenlaube—er naast, nam de tafelschel op, den rooien tafellooper en wreef met de lange, stevige vingers het pluche van het tafelkleed glad.

Als ze zoover was—het waren de stille, regelmatige bewegingen van elken morgen—nam ze het tafelkleed bij twee slippen, vouwde het zachtjes-streelend over haar robuste knie en lei het bij de tafelschel. Achter deBonheur-du-jourhad je de stofdoek, waarmee de tafel gewreven werd. Ze plofte warmen adem op het glimmend blad en wreef. Er was niets te wrijven. Ze wreef, omdat zij ’t gewoon was. De tafel was het ook gewoon. De tafel in het benauwde kamertje zou onrustig en vreemd gedaan hebben als de kleffe, warme adem er geen doffe plasjes op gestooten had.

Nou glom de tafel. Nou was ’t weer zóóver in orde. Onder het hoofdkussen in de alkoof zocht ze den sleutelbos. Ze had vier sleutels: een van de kamerdeur, een van de kastdeur, een petieterig-kleintje van de schrijfmap en een van de handschoenendoos, waarin ook het geld lag. De handschoenendoos lag in een hoedendoos. De hoedendoos stond tusschen meerdere hoedendoozen op de bedsteeplank. Inbrekers zouden natuurlijk dáár de spaarduitjes niet zoeken en de sleutels bewaarde ze onder haar hoofdkussen. Voor buitengewone veiligheid zette ze ’s avonds als ze slapen ging een stoel met een glas er op voor de kamerdeur en op zij van het matras stak het broodmes.

Ze maakte de kastdeur open, nam het ontbijtservet, spreidde dat over tafel, wreef de plooien glad en haalde de plank van de kast verder leeg. Het brood was wat oudbakken. Ze dee drie dagen met een pondje. Ze stak het lichtje onder het theewater aan en telde de sardientjes in het busje na. Er waren ernog vijf. Op sardientjes was ze dol. Eens om de tien dagen kocht ze een nieuw busje van zeven en twintig en een halven cent. Elken dag, ’s morgens, at zij er één met een beetje van die „lekkere” olie. Soms had je voordeelige bussen met tien sardientjes, maar ’t gebeurde ook wel—zulke bedriegers—, dat er maar acht of negen in waren.

Bij haar eerste twee boterhammen at zij het sardientje, bij de derde een zacht ei. Ze dee ’t tien jaar lang, hapje voor hapje. Het was lekker en zuinig. Een tweede ontbijt gebruikte ze nooit. Als het water suisde, lei ze ’t eitje er in, bleef geduldig vijf minuten naar de pendule kijken en in den spiegel en zat tegen elf uur te ontbijten, eerst een half sardientje met éen boterham, dan het andere halve sardientje met de tweede boterham, dan het eitje met de derde boterham. Wasschen dee ze zich, als ze ontbeten had, als ze de laatste kruimels van het bord gepikt had. Als je je eerst waschte, maakte je je toch maar weer vuil in het huishouden.

Ze bad nog eerst met de oogleden als luiken voor een grutterswinkel en de manshanden gevouwen met één pink op het bord. Dan begon ze te ruimen, te vegen, te stoffen. Ze dee ’t bedaard, zeker, alles in de nauwkeurige, mathematische opvolging van alle dagen. De theeblaren, die ze gebruikte voor het vloerkleed, werden van de deur naar het raam toe en niet omgekeerd gestrooid en ze zou er geen seconde over gedacht hebben om het hoektafeltje eerder af stoffen dan deBonheur-du-jour.

Was dan ook het bed opgemaakt en de sprei keurig-glad getrokken, dan ging het tafelkleed en de looper weer op tafel, zette ze de tafelschel precies in het midden van den tafellooper en kwamenGartenlaubeen portretalbum in een rechten hoek tegenover elkaar om de schel te liggen. Dan begon ze aan haar toilet.Het is onwelvoeglijk om hier in te groote bijzonderheden te treden, maar ook nu deed ze alles in correcte volgorde. Eerst vijf minuten geborstel over de groote, gelijke paardentanden.

Ze was trotsch op dat groote, stevige, zoogdierengebit, waarmee ze noten kon kraken, die andere menschen nog niet eens tusschen de scharnieren van de deur konden stuk krijgen. Ze was trotsch op de rijen witte, sterke tanden en kwam op dreef als andere menschen over kiespijn klaagden. Ze was er zoo aan gewoon om met dat schoone zoogdierengebit te pronken, dat zij zelfs in treurige eenzaamheid bij sardientjes en eitje kleine geaffecteerde hapjes nam, om haar stukken cement te laten zien.

Ze poetste ze met sigarenasch. Al de aschbakjes van d’r familie leegde ze in een toetje. Eens in de week zuiverde ze haar collectie van eindjes doorkauwde sigaar en afgebrande lucifers. Na het tanden-geborstel waschte ze zich. Ze had een kom, waar nog geen liter water inging. Met een punt van den handdoek wreef ze over het groote, beenige gezicht en over den vleezigen hals. Verder kwam ze niet. Zij gaf elken avond haar twee potjes geranium voor het raam meer water dan zij tot Zaterdag-avond zelf gebruikte.

Zaterdagavond nam ze een voetbad in de literkom. Dan warmde ze water in den theeketel, stak den eenen voet in de kom en als die gereinigd was, waagde ze ook den anderen voet er aan. Sedert den dood van haar man waren de twee voeten nog niet samen te water geweest. Als ze zich gewasschen had, begon ze aan het haar. Dat droeg ze kort geknipt en krulde ’t elken morgen. Vroeger had ze wel eens papiljotten gelegd, maar daar kreeg je hoofdpijn van en met een warm ijzer ging ’t wél zoo goed.

Wanneer ze dan nog de ouwe trekken met poederhad gevoileerd, was ze klaar, kleedde zich en ging uit. Om half twee, mooi weer of stortregen, kwam ze op straat. Ze dineerde nooit thuis. Maandag, Woensdag, Vrijdag at ze bij Frits, Dinsdag, Donderdag, Zaterdag bij Lien. ’s Zondags was het om beurten. Ze wandelde van half twee tot half vijf, dan hier, dan daar heen. Als ze aanschelde om half vijf bij Frits of Lien, wisten die wie er was. De vrouw van Frits had ’t land aan d’r. Ze liet ’t nooit merken, zei alleen tot de meid „dat vandaag de zuster van m’nheer kwam en ’r voor drie personen meer moest gekookt worden.”

Lien had vijf kinderen. Die vond ’t zoo buitengewoon niet als er iemand extra was, maar d’r man vroeg minstens ééns op een middag: „Riek, heb je wel genoeg?” wat de kinderen dee giegelen, omdat tante méér at dan de heele familie samen en zóóveel op haar bord te gelijk nam, dat er geen saus meer bij kon.

Ze voelde zich volkómen gelukkig als ze met haar slagtanden voor zoo’n vol bord zat. Ze was altijd uitgehongerd, niet te verzadigen.

’s Morgens, bij het ontbijt, dee ze zich geweld an om d’r geen vierde boterham bij te nemen. Dan dacht ze an de volle borden van ’s middags en an de handschoenen-doos met de spaarduiten.

Frits en Lien gaven haar samen een weekgeld, niet te hoog, toch welletjes. Elke week hield ze over. ’s Morgens at ze weinig, ’s avonds at ze niet—’s middags moesthetkomen—het, ’t vet voor ’t lange, zware, beenige lichaam. Dàt was haar eenig, innigst geluk, als ze met het witte, klapperende zoogdierengebitdineerde. Dan keek ze sentimenteel-schapig uit de groote oogen en at. Dan glimlachte ze vriendelijk en at. Dan werd zespraakzaam—tusschen de happen door—en at.

Ze at meer, op zoo één maaltijd—dan een gezonde huzaar die twaalf uren achtereen in het zadel heeft gezeten. De groote mond ging rustig, open en „nam in.” Ze at een half uur achtereen, stevig door, zonder ophouen, lei vork en mes netjes naast ’t bord—nooit gekruist: daar kwam ruzie van—spande de dunne lippen over elkaar, inspecteerde de tafel of er nog wat eetbaars was en lei de handenberustendin den schoot.

Niemand maakte ooit, waar ze bij was, een opmerking over haar gulzigheid. Ze was afhankelijk en men wou niet „onkiesch” zijn. Alleen zei de zwager, lachend, elken middag: „Riek, heb je wel genoeg?” Na het middageten had ze haar vaste plekje om te dutten, bij Frits in de voorkamer, bij Lien op de sofa. Weldadig-glimlachend met een huiselijk gezicht keek ze dan rond, sloot de oogen en dacht aan Charles, die tien jaar geleden gestorven was.

Ze dacht aan den doode, die haar alleen schulden had nagelaten, ook weer precies op dàt uur, zoo als ze ’s morgens nauwgezet éérst deGartenlaubeen dan het portretalbum van tafel nam. Met de oogen dicht, overgevoelig door te volle maag—ze klaagde wel eens over de spijsvertering—dacht ze aan hem op dezelfde manier. Nooit gevarieerd, altijd met de visie van een gladgeschoren kin, zwarte gladde bakkebaardjes en zoo iets van ’n schemering van oogen. Z’n oogen was ze half vergeten, maar de kin zag ze met de bakkebaardjes, zooals-ie op bed lag toen z’m gevonden hadden.

Als ze zoo dacht, had ze heelemaal geen verdriet. ’t Hoorde bij den dag, bij ’t dagelijksch doen, bij het stoffen en vegen, wasschen en dineeren. Nog wat later was ze ingedut, nog wat later snurkteze. Dan wekten Frits of Lien d’r voor de thee en nam ze ’n handwerkje op.

Om tien uur ging ze naar huis, nam den sleutelbos twee straten te vroeg in de hand, maakte de huisdeur open, de kamerdeur open, sloot het raam, dee ’t pennetje in ’t gaatje, zette den stoel met het glas voor de deur, stak het broodmes achter het matras en stapte in bed. Met een kaars dee ze veertien dagen. Ze lag nog geen twee minuten of ze sliep en snurkte door haar neusgewelven.

Nacht.Na twaalven, middernacht. Het is drukkend warm geweest. Op mijn schrijftafel brandt een lamp, op de middentafel brandt een lamp. Zoele benauwdheid hangt in de kamer. Ik ga naar buiten, in het tuintje.Achterin, tegen de schutting geleund, soes ik en de ouwe, vreemde bekoring komt over me. Het is hier, zooals het overal is in de stad, in de stad, waar plekjes groen en brokken lucht aan den knapsten sjaggeraar zijn verkocht—, het is hier, zooals het overal is: een massaal vierkant van huizen, gedrochtelijke lijnen uitbijtend in den hemel en er tusschen kleine vierkante, regelmatige tuinen. Overdag haat ik die groote steenen gevangenis, die muren aan alle zijden, die gore, roodbruine muren, waarbinnen de gladde, netjes-aangeharkte, gelikte kniezerige lapjes grond suffen, die de impressie geven van propere burgermenschen op een propere visite van advocaat, rozijnen op brandewijn, oudbakken koekjes en groene zeep. Ik haat ze ontzettend, die tuintjes, die lieve tuintjes, die nette tuintjes met ronde effene perkjes, met glad geharkt grint, met groote, pompeuze, leelijke rhabarberplanten en rozestruikjes, die stòm genoeg zijn om overal purperrood, saffraangeel en wit in hetzonlicht aan ’t barnen te zetten voor elkeen, voor ieder, voor burger-juffrouwen, die aardappelen schillen, voor rooie, leelijke wijven aan de wasch, voor ravottende, drensende, bleeke kinderen, voor heeren die van d’r kantoor komen en een sigaar rooken in d’r tuin, na een diner van varkenskluifjes en aardappelen—ik haat ze, de vierkantjes grond, met boorden, manchetten en uitgehaalde nagels, ik haat ze, de vieze, verknoeide, verburgerlijkte tuinen, waar de wasch, de natte wasch, de manshemden en pofbroeken aanlijntjeshangen, waar de buren over de schuttingen heen elkanders gedoetje begluren, met mooi-weer-gezichten over de mense van één en twee-hoog kletsen, waar om zes uur m’nheer met ’n gietertje rondloopt, netjes potje voor potje, allemaal ’n beetje water, waar aalbessenboompjes groeien, zoo-lief, zoo-lief en de meissies op verandah’s heele dagen zitten te handwerken. Ik zie nog net zoo graag straten met keien, of een vuile sloot. Overdag haat ik dat alles, het huizenvierkant, het groote, goren huizenvierkant, de tuintjes, de verandah’s, de goeie menschen, de mooie rozen—alles. Dan bevuilt me buurvrouw links met d’r gepraat over het weer, alsof zij een sigarenwinkel heeft en ik een klant ben. Liefst groet ik onbeschoft niemand van die goeie menschen, van die beste menschen, die nét zoo in d’r nette tuintje luchtje scheppen als ik, ik, die óók zoo’n mooi tuintje heb.’s Nachts is het anders, zoo geheel, wonderlijk anders, is er bekoring, schoonheid, aandoening in het groote, doode, sombere huizenblok, geheimzinnigheid in de roode, flauwe uitschijningen der ramen. ’s Nachts leven de huizen een grooter, sterker, krachtiger leven, gloeien de ruiten als heete, brandende oogen, zijn de tuintjes weg, demuffe tuintjes, de bloempotjes voor de ramen, de soeperige, gladgekamde franjes, de witte kozijnen, de vrouwen in witte jakken, de mannen met pijpen, de handwerkende meissies. ’s Nachts zijn al-dingen in schaduw en schemering, is er mysterie om alles, mysterie om de gehate plat-burgerlijke werkelijkheid. Het is stil, rustig-stil. Uit een héél ver raam klinkt zacht stemmengeschuifel. In een duivenhok pikt een duif met kleine schokjes tegen den wand. Anders is de rust volkomen, harmonieus als de donkerte met haar geheimenissen.Een ding hindert nog.Schuins over, een venster, hel verlicht. De gordijnen zijn opgetrokken. In de prachtige geheimzinnigheid van den nacht, in de schaduw-hooping der doode, zwarte kolossen, puilt hinderlijk-naar het vierkante gat met z’n witte plafonnetje, z’n Fransche bazar-lamp, z’n bruine, bebloemde behangsel, z’n stel portretten van dierbaren, z’n rood-glimmende kast met beeldjes en heiligen, z’n stoelleuningen en bloemenstandaard. Er is niemand te zien. Maar je weet wel zoo wat, wát er zijn kan. Je denkt in ééns an de juffrouw met ’n gepletten neus en rullig rood haar, die overdag praatjes sabbelt met den m’nheer van benee over de waterleiding die niet loopen wil-as-dat ’t ’n schandaal is. Ook in de keuken er naast zie je licht en gele plankjes met kastranden en glimmende koperen zaken en blauwe pannetjes. Verderop is ’t alles prachtig. Vormlooze schaduwen, smeltend weg in de vormlooze lucht, boomen òpzwartend in het zwart van den nacht—, gele, roodrige vensters, waarachter het licht brandt gedempt.Dan komt het wonder over je, het wonder om de dingen te weten, de dingen die geen verlangen wekken bij dag, in hun hooplooze, duffe burgerlijkheid.Je wil weten, wèten wat er is om je heen, weten wat de schaduwen voor leven hebben, weten het geheim dat de logge, drukkende schaduwvormen insluiten. Zacht op het gele gordijn, naar achter, ver weg, is het silhouet van een man of een vrouw, onbeweeglijk. Je kijkt er naar, verlangend, dorstig in je begeeren om iets af te weten, iets maar, van het schaduwfantoom. Je voelt je eigen leven zoo sterk, zoo zeker, zoo bewust in den nacht, waar niemand je ziet, waar je gedachten zoo vorstelijk vrij rond-gaan, waar je niets verbergt, omdat niemand spiedt—, je voelt je gedreven tot het silhouet, van den man of de vrouw, tot het vreemde, starre onbeweeglijke silhouet, waarachter leven is, waarachter een mensch is, een hart, een hoofd, een geraamte. De schaduw-mysterie pakt je, grijpt je, houdt je vast, de schaduw in z’n raam van stil licht. Als nu de man of de vrouw op zou staan en het gordijn optrekken en je zou zien: kamertje met meubels, behangsel, licht, prentjes, zou het geheimzinnige wèg zijn, zou je weer denken aan al ’t leelijke dat ’n mensch met zulk ’n zielige zielloosheid verzamelt, aan onderbroekwasschende vrouwen, aan sauskommetjes, aan kouwe rollènde, aan ’t heele kniezige kamertjesgedoe van menschen die tellen en wurmen, met leege hoofden, met arme hoofden en geluk trachten vast te houden binnen vier muren bij de omeletpan, bij de koffietafel, bij de kinderspeen.Voor, achter, op zij: hetzelfde. De plompe reuzenschaduwen van het huizenvierkant groeien op in de luchten, alles zwart, schemerig-zwart, peilloos-zwart. De roode-mat-lichtende vensters dwalen er tusschen, de schaduwen spelen er tusschen, schaduwen van boomen, struiken, menschen, schaduwen die zich vermengen, die vergroezlen tot het zwart van denstillen, rustigen nacht, schaduwen van leven, schaduwen van schijnbaren dood.De gaten van licht dooven uit. Het wordt stiller en luidloozer, geen menschenstem, geen gerucht anders dan dat van de pikkende duif. Dit is zoo een volkomen geluk, een helder gaan van gedachten bij de onbewogen schaduwvormen, in de rust.Dit is gelukkig én triestig, het voelen en weten der menschen rondom, één hoog, twéé hoog, allen slapend, allen opgehoopt tusschen vier muren, allen met eigen, ander, onvatbaar, vreemd leven, allen verborgen in den rouwsluier van nacht, allen in de doode, zwarte rompen der huizen, allen levend in de levenloosheid, allen met een thuis, allen met een klein apart geluk, allen droomend hun droomen, allen onzichtbaar in het donker zooals ik, levend in het donker, zooals ik.En ginder nog altijd op het geelwit van ’t raamsilhouet, de schaduwman, de stilte, en wat rukjes van wind in struiken, een zacht praten van blaren, het pikken van de duif en de altijd strakke, wilde lijning van het huizenvierkant, omhoog.Maar dan snerpt een klaaglijk geluid in de stilte. Ergens in een tuin begint een hond te huilen, lang-klagend als de door klauwen gesmoorde kreet van een stervende. Het kille, aanloeiende geluid dreunt in het huizenvierkant, van muur tot muur geslagen, van muur tot muur voortgejammerd. Even blijft het stil. Dan opnieuw reutelt de triestige galm, lang, gillend over de hoogste schaduwlijnen, aanplonsend uit het donker en pijnlijk, hortend wegstervend in het donker.Flets en scheemrend begint het daglicht over de vormen te dagen, lichte streep boven de linksche huizenrij.In de kamer is alles gezellig. De lampen branden en ik lig nog wat lui. Door de tullen gordijnen zie ik het donker buiten, buiten, waar de dingen in nacht staan te droomen. Wie dáár mogelijk nu gluurt, ziet mijn kamer, de boeken, de lampen, de prenten, ziet ook mijn levenlooze silhouet en mijn gebukt stilzitten.

Na twaalven, middernacht. Het is drukkend warm geweest. Op mijn schrijftafel brandt een lamp, op de middentafel brandt een lamp. Zoele benauwdheid hangt in de kamer. Ik ga naar buiten, in het tuintje.

Achterin, tegen de schutting geleund, soes ik en de ouwe, vreemde bekoring komt over me. Het is hier, zooals het overal is in de stad, in de stad, waar plekjes groen en brokken lucht aan den knapsten sjaggeraar zijn verkocht—, het is hier, zooals het overal is: een massaal vierkant van huizen, gedrochtelijke lijnen uitbijtend in den hemel en er tusschen kleine vierkante, regelmatige tuinen. Overdag haat ik die groote steenen gevangenis, die muren aan alle zijden, die gore, roodbruine muren, waarbinnen de gladde, netjes-aangeharkte, gelikte kniezerige lapjes grond suffen, die de impressie geven van propere burgermenschen op een propere visite van advocaat, rozijnen op brandewijn, oudbakken koekjes en groene zeep. Ik haat ze ontzettend, die tuintjes, die lieve tuintjes, die nette tuintjes met ronde effene perkjes, met glad geharkt grint, met groote, pompeuze, leelijke rhabarberplanten en rozestruikjes, die stòm genoeg zijn om overal purperrood, saffraangeel en wit in hetzonlicht aan ’t barnen te zetten voor elkeen, voor ieder, voor burger-juffrouwen, die aardappelen schillen, voor rooie, leelijke wijven aan de wasch, voor ravottende, drensende, bleeke kinderen, voor heeren die van d’r kantoor komen en een sigaar rooken in d’r tuin, na een diner van varkenskluifjes en aardappelen—ik haat ze, de vierkantjes grond, met boorden, manchetten en uitgehaalde nagels, ik haat ze, de vieze, verknoeide, verburgerlijkte tuinen, waar de wasch, de natte wasch, de manshemden en pofbroeken aanlijntjeshangen, waar de buren over de schuttingen heen elkanders gedoetje begluren, met mooi-weer-gezichten over de mense van één en twee-hoog kletsen, waar om zes uur m’nheer met ’n gietertje rondloopt, netjes potje voor potje, allemaal ’n beetje water, waar aalbessenboompjes groeien, zoo-lief, zoo-lief en de meissies op verandah’s heele dagen zitten te handwerken. Ik zie nog net zoo graag straten met keien, of een vuile sloot. Overdag haat ik dat alles, het huizenvierkant, het groote, goren huizenvierkant, de tuintjes, de verandah’s, de goeie menschen, de mooie rozen—alles. Dan bevuilt me buurvrouw links met d’r gepraat over het weer, alsof zij een sigarenwinkel heeft en ik een klant ben. Liefst groet ik onbeschoft niemand van die goeie menschen, van die beste menschen, die nét zoo in d’r nette tuintje luchtje scheppen als ik, ik, die óók zoo’n mooi tuintje heb.

’s Nachts is het anders, zoo geheel, wonderlijk anders, is er bekoring, schoonheid, aandoening in het groote, doode, sombere huizenblok, geheimzinnigheid in de roode, flauwe uitschijningen der ramen. ’s Nachts leven de huizen een grooter, sterker, krachtiger leven, gloeien de ruiten als heete, brandende oogen, zijn de tuintjes weg, demuffe tuintjes, de bloempotjes voor de ramen, de soeperige, gladgekamde franjes, de witte kozijnen, de vrouwen in witte jakken, de mannen met pijpen, de handwerkende meissies. ’s Nachts zijn al-dingen in schaduw en schemering, is er mysterie om alles, mysterie om de gehate plat-burgerlijke werkelijkheid. Het is stil, rustig-stil. Uit een héél ver raam klinkt zacht stemmengeschuifel. In een duivenhok pikt een duif met kleine schokjes tegen den wand. Anders is de rust volkomen, harmonieus als de donkerte met haar geheimenissen.

Een ding hindert nog.

Schuins over, een venster, hel verlicht. De gordijnen zijn opgetrokken. In de prachtige geheimzinnigheid van den nacht, in de schaduw-hooping der doode, zwarte kolossen, puilt hinderlijk-naar het vierkante gat met z’n witte plafonnetje, z’n Fransche bazar-lamp, z’n bruine, bebloemde behangsel, z’n stel portretten van dierbaren, z’n rood-glimmende kast met beeldjes en heiligen, z’n stoelleuningen en bloemenstandaard. Er is niemand te zien. Maar je weet wel zoo wat, wát er zijn kan. Je denkt in ééns an de juffrouw met ’n gepletten neus en rullig rood haar, die overdag praatjes sabbelt met den m’nheer van benee over de waterleiding die niet loopen wil-as-dat ’t ’n schandaal is. Ook in de keuken er naast zie je licht en gele plankjes met kastranden en glimmende koperen zaken en blauwe pannetjes. Verderop is ’t alles prachtig. Vormlooze schaduwen, smeltend weg in de vormlooze lucht, boomen òpzwartend in het zwart van den nacht—, gele, roodrige vensters, waarachter het licht brandt gedempt.

Dan komt het wonder over je, het wonder om de dingen te weten, de dingen die geen verlangen wekken bij dag, in hun hooplooze, duffe burgerlijkheid.Je wil weten, wèten wat er is om je heen, weten wat de schaduwen voor leven hebben, weten het geheim dat de logge, drukkende schaduwvormen insluiten. Zacht op het gele gordijn, naar achter, ver weg, is het silhouet van een man of een vrouw, onbeweeglijk. Je kijkt er naar, verlangend, dorstig in je begeeren om iets af te weten, iets maar, van het schaduwfantoom. Je voelt je eigen leven zoo sterk, zoo zeker, zoo bewust in den nacht, waar niemand je ziet, waar je gedachten zoo vorstelijk vrij rond-gaan, waar je niets verbergt, omdat niemand spiedt—, je voelt je gedreven tot het silhouet, van den man of de vrouw, tot het vreemde, starre onbeweeglijke silhouet, waarachter leven is, waarachter een mensch is, een hart, een hoofd, een geraamte. De schaduw-mysterie pakt je, grijpt je, houdt je vast, de schaduw in z’n raam van stil licht. Als nu de man of de vrouw op zou staan en het gordijn optrekken en je zou zien: kamertje met meubels, behangsel, licht, prentjes, zou het geheimzinnige wèg zijn, zou je weer denken aan al ’t leelijke dat ’n mensch met zulk ’n zielige zielloosheid verzamelt, aan onderbroekwasschende vrouwen, aan sauskommetjes, aan kouwe rollènde, aan ’t heele kniezige kamertjesgedoe van menschen die tellen en wurmen, met leege hoofden, met arme hoofden en geluk trachten vast te houden binnen vier muren bij de omeletpan, bij de koffietafel, bij de kinderspeen.

Voor, achter, op zij: hetzelfde. De plompe reuzenschaduwen van het huizenvierkant groeien op in de luchten, alles zwart, schemerig-zwart, peilloos-zwart. De roode-mat-lichtende vensters dwalen er tusschen, de schaduwen spelen er tusschen, schaduwen van boomen, struiken, menschen, schaduwen die zich vermengen, die vergroezlen tot het zwart van denstillen, rustigen nacht, schaduwen van leven, schaduwen van schijnbaren dood.

De gaten van licht dooven uit. Het wordt stiller en luidloozer, geen menschenstem, geen gerucht anders dan dat van de pikkende duif. Dit is zoo een volkomen geluk, een helder gaan van gedachten bij de onbewogen schaduwvormen, in de rust.

Dit is gelukkig én triestig, het voelen en weten der menschen rondom, één hoog, twéé hoog, allen slapend, allen opgehoopt tusschen vier muren, allen met eigen, ander, onvatbaar, vreemd leven, allen verborgen in den rouwsluier van nacht, allen in de doode, zwarte rompen der huizen, allen levend in de levenloosheid, allen met een thuis, allen met een klein apart geluk, allen droomend hun droomen, allen onzichtbaar in het donker zooals ik, levend in het donker, zooals ik.

En ginder nog altijd op het geelwit van ’t raamsilhouet, de schaduwman, de stilte, en wat rukjes van wind in struiken, een zacht praten van blaren, het pikken van de duif en de altijd strakke, wilde lijning van het huizenvierkant, omhoog.

Maar dan snerpt een klaaglijk geluid in de stilte. Ergens in een tuin begint een hond te huilen, lang-klagend als de door klauwen gesmoorde kreet van een stervende. Het kille, aanloeiende geluid dreunt in het huizenvierkant, van muur tot muur geslagen, van muur tot muur voortgejammerd. Even blijft het stil. Dan opnieuw reutelt de triestige galm, lang, gillend over de hoogste schaduwlijnen, aanplonsend uit het donker en pijnlijk, hortend wegstervend in het donker.

Flets en scheemrend begint het daglicht over de vormen te dagen, lichte streep boven de linksche huizenrij.

In de kamer is alles gezellig. De lampen branden en ik lig nog wat lui. Door de tullen gordijnen zie ik het donker buiten, buiten, waar de dingen in nacht staan te droomen. Wie dáár mogelijk nu gluurt, ziet mijn kamer, de boeken, de lampen, de prenten, ziet ook mijn levenlooze silhouet en mijn gebukt stilzitten.

Bartje.Wat Bartje overkwam, den dag vóór ze stierf.Den dag vóór ze stierf, had ze het eenig en zonderlingst lotgeval in haar leven.Negen en zeventig jaar had ze rustig, zonder te groote oneffenheden bij Arnhem gewoond. D’r man was dood. Willem leefde. Willem was d’r zoon, die in Atjeh geweest was en nou in Amsterdam in betrekking was. Waarschijnlijk zou Bartje zònder het eenig en zonderlingst avontuur gestorven zijn, wanneer ze niet plotseling op het denkbeeld gekomen was, om Willem te gaan opzoeken.Ze hadden d’r in Arnhem verteld, dat er een pleziertrein zou loopen voor een koopje. Nog nooit had ze gereisd. Nou wou ze. Ze wou en was d’r niet meer van af te brengen. Ze was zoo in eens koppig geworden. Als de bovenbuurvrouw d’r sprak van d’r leeftijd, lachte ze met ’n krakend lachje en zei dat ze de horlepiep nog wel kon dansen. Ze wou. Ze wou Willem verrassen. Ze wou Amsterdam zien. Ze was plots jong geworden.Toen ze in den derde-klasse-coupé zat met de ouwe rimpelhanden op de hengselmand, riepen ze ’t nòg eens: „Weet je ’t nou, tante Bart?”„Ja, ja, ja,” knikte ze knorrig.„Zullen we ’t maar niet op ’n stukkie pampier schrijven?”„Wel gut nee, mensch! Wat maak-ie je nou toch moeilijk!”„As-je ’t nou eens vergeet!”„Ik vergeet ’t niet.”„Bij Pieters op de Oude-Zijds-Voorburgwal.”„Ja-ja-ja.”„Weet je ’t nummer nou goed?”„466.”„Nee!... Daar heb-ie ’t al... 463.”„Dat zei ’k ommers.”„Kan de flesch niet omvallen?”„Die staat tusschen de krentenbroodjes.”„Wees nou voorzichtig met uitstappen.”„Ja-ja-ja.”„Verlies je retourkaartje niet.”„Nee, lieve mensch.”„Nou, ajuus tante... Pas op voor ’t portier. Hou je rokken wat binnen.”„Da-a-a-ag!”„Da-a-a-g!...”„Da-a-a-ag!...”„463... Oude-Zijds-Voorburgwal!”Ruts! Daar ging de trein. Vergenoegd zat Bartje in het hoekje. Ze had de kalebas neergezet, wreef de plooien glad van den bruin-rooden, gebloemden omslagdoek. Vergenoegd keek ze uit het raampje en verwonderde zich, dat een trein zoo gauw gaat. Vergenoegd kauwde ze. Ze kauwde altijd. Niemand wist wàt ze kauwde. Ieder wist dát ze káuwde. De leeren, geplooide kinnebakjes trokken regelmatig op en neer, de diepe velplooien van den hals waren geen moment zonder beweging.Het was een aardig, rustig, oud vrouwtjes-doen, afgewisseld door een even regelmatig openen vanden mond, het vertoonen der bruine tandstompjes en der zwarte grotjes er tusschen. Het grijsgrauwe haar lag glad om het beenige hoofd. De bruin-roode gebloemde doek hing zonder een kreuk om den blauwen, deftigen, Zondagschen rok.Ze zat in een vollen coupé. D’r waren juffrouwen en mannen, allemaal pleizierige, vroolijke menschen, die ’t eene liedje na het andere zongen.„Ga je ook naar Amsterdam, ouwetje?”„Ja meneer.”„Zeker famielje opzoeken?”„Me zoon.”„Woont die in Amsterdam?”„Zes maanden.”„Gaan jullie samen de peentjes opscheppen, hè?”„Nou, alsjeblief!”„Ben je d’r al meer geweest?”„Nee, menschlief. Ik heb nooit tijd gehad om te reizen.”Over en weer zaten ze te praten. Dan zette d’r een ’n lied in, overschreeuwend en overstampend het gedreun van den wagen. D’r was ’n juffrouw, zoo’n vriendelijk mensch, die zoetigheid presenteerde en een ander had een flesch met eau-de-cologne. Bartje keek genoegelijk toe, altijd kauwend en trekkend met de gele, tanige velplooien van haar magere hoofd.Je was d’r eer je ’t wist. De tijd was omgevlogen.„Nou dag juffrouw.”„Gijs, help de ouwe juffrouw ’s!”Ze was nu op het perron, in Amsterdam. Daar had je al een agent.„Mijnheer de agent, zou u mij eens willen zeggen waar de... waar de... de...”„Wat moet je moedertje?”„Ik mot naar me zoon, die woont, die woont...Och, lieve God, nou heb ik den naam van de straat vergeten!”„Is het hier in de buurt?”„Dat weet ik niet.”„Hoe heet-ie?”„Willem.”„Van z’n van?”„Willem de Boer.”„Ken ik niet... Wat doet-ie?”„In betrekking.”„Weet je dan niet waar-die woont?”„’t Zal me wel weer te binnen schieten... wacht maar... wacht maar!”Voor het station, bij den tramwagen, dribbelde ze heen en weer, zich inspannend, zenuwachtig, angstig. Ze wist ’t niet meer. Wat ze ook dee, ze wist ’t niet meer. ’t Was zoo’n ellendige naam, zoo’n verschrikkelijk-lange naam. Nog probeerde ze ’t eens. Beverig sprak ze een koetsier aan:„Mijnheer, heb u wel eens van me zoon gehoord?”„Van je zoon?”„De Boer heet-ie.”„D’r zijn wel honderd De Boers hier ouwetje. Weet je de straat niet?”„De straat... De straat! Dat’s nou toch verschrikkelijk... Ik wist ’t zoo goed!”„Waarom heb-ie ’t niet laten opschrijven?”„Ik kan niet lezen, mijnheer.”„Zeg, Tinus, heb jij wel eens van ’n De Boer gehoord?”„De Boer?... Ik ken een schoenmaker De Boer... Kan ’m dat zijn?”„Ach God, nee, mijnheer!... Mijn zoon is in betrekking.”Niemand wist ’r te helpen. Met snelle, bibberende rukjes kauwde ze, hield de mand vast met debevende handen. Wat zou ze nou doen? Ze zou verder wandelen, vragen, net zoolang tot ze gevonden had. Ze liep rechtuit de Weesperstraat in, rondkijkend, beduusd door zooveel menschen. Zachtjes-an sukkelde ze over de stoep, voor elkeen opzij wijkend, iedereen aankijkend of ’t soms Willem zou zijn. Dan stond ze weer stil, vragend: „Weet u hier soms een Willem de Boer?” Maar niemand wist ’t.Ze wezen haar ’n winkel an, waar eieren, boter en kaas verkocht werd, maar de vrouw in den winkel had nooit van ’n Willem de Boer gehoord. Toen ze de Weesperstraat had uitgeloopen, keerde ze terug, moe, nog eens vragend, nog eens vragend tot bij ’t station. Op een stoep van de Sarphatistraat ging ze zitten, tobbend, zoekend en begon stilletjes te huilen.„Scheelt d’r wat an vrouwtje?”„Ik zoek me zoon, mijnheer.”„Is die van je weggeloopen?”„Nee, nee.”En dan begon ze weer de uitlegging, weer hetzelfde.Nou hield ze de oogen dicht en bad. Ze bad altijd als ze in moeielijkheden was. Nou bad ze zachtjes, met gevouwen, trillende, ouwe handen: „Lieve God in de hemelen... Zeg me nou hoe de straat hiet... die straat van Willem... Lieve God... zeg ’t nou...”Heel wat menschen stonden in een kring om haar heen. De een vertelde ’t aan den ander... Heb je ook gehoord van ’n Willem de Boer?... D’r is ’n spekslager... Nee, hij mot in betrekking zijn... Vraag nou maar raak!... Ben je al bij de pelisie geweest? Ga naar de pelisie, moeder!... Kom, laat ’t mensch niet voor niks loopen... Weet ze veel de pelisie!„Ga zoolang in de wachtkamer van het station, vrouwtje.”Dat zou ze dan maar doen. Daar waren niet zooveel vreemde menschen, die d’r stonden an te gapen en d’r toch niet helpen konden.Op een der banken ging ze zitten, denkend, tobbend, al maar klapperend met de beenige onderkaak, al maar pluizend met de dunne lippen. Al zou ze uren verzinnen, ze zou dien naam weer weten, dien langen, ellendig-langen, gekken naam.Zoo bleef ze, uren lang, versuffend, telkens meer versuffend, met heete oogen en een moe gebukt oud lijf. Toen de andere pleizierreizigers ’s avonds weer kwamen in het station, zat ze nog op dezelfde plek met de mand met krentenbroodjes en de flesch melk, waarvan ze niets geproefd had.„Heb-ie je zoon gezien, moedertje?”„Nee,” zei ze snikkend... „Ik heb geen geheugen meer... Nee, nee, nee.” ...

Wat Bartje overkwam, den dag vóór ze stierf.

Den dag vóór ze stierf, had ze het eenig en zonderlingst lotgeval in haar leven.Negen en zeventig jaar had ze rustig, zonder te groote oneffenheden bij Arnhem gewoond. D’r man was dood. Willem leefde. Willem was d’r zoon, die in Atjeh geweest was en nou in Amsterdam in betrekking was. Waarschijnlijk zou Bartje zònder het eenig en zonderlingst avontuur gestorven zijn, wanneer ze niet plotseling op het denkbeeld gekomen was, om Willem te gaan opzoeken.

Ze hadden d’r in Arnhem verteld, dat er een pleziertrein zou loopen voor een koopje. Nog nooit had ze gereisd. Nou wou ze. Ze wou en was d’r niet meer van af te brengen. Ze was zoo in eens koppig geworden. Als de bovenbuurvrouw d’r sprak van d’r leeftijd, lachte ze met ’n krakend lachje en zei dat ze de horlepiep nog wel kon dansen. Ze wou. Ze wou Willem verrassen. Ze wou Amsterdam zien. Ze was plots jong geworden.

Toen ze in den derde-klasse-coupé zat met de ouwe rimpelhanden op de hengselmand, riepen ze ’t nòg eens: „Weet je ’t nou, tante Bart?”

„Ja, ja, ja,” knikte ze knorrig.

„Zullen we ’t maar niet op ’n stukkie pampier schrijven?”

„Wel gut nee, mensch! Wat maak-ie je nou toch moeilijk!”

„As-je ’t nou eens vergeet!”

„Ik vergeet ’t niet.”

„Bij Pieters op de Oude-Zijds-Voorburgwal.”

„Ja-ja-ja.”

„Weet je ’t nummer nou goed?”

„466.”

„Nee!... Daar heb-ie ’t al... 463.”

„Dat zei ’k ommers.”

„Kan de flesch niet omvallen?”

„Die staat tusschen de krentenbroodjes.”

„Wees nou voorzichtig met uitstappen.”

„Ja-ja-ja.”

„Verlies je retourkaartje niet.”

„Nee, lieve mensch.”

„Nou, ajuus tante... Pas op voor ’t portier. Hou je rokken wat binnen.”

„Da-a-a-ag!”

„Da-a-a-g!...”

„Da-a-a-ag!...”

„463... Oude-Zijds-Voorburgwal!”

Ruts! Daar ging de trein. Vergenoegd zat Bartje in het hoekje. Ze had de kalebas neergezet, wreef de plooien glad van den bruin-rooden, gebloemden omslagdoek. Vergenoegd keek ze uit het raampje en verwonderde zich, dat een trein zoo gauw gaat. Vergenoegd kauwde ze. Ze kauwde altijd. Niemand wist wàt ze kauwde. Ieder wist dát ze káuwde. De leeren, geplooide kinnebakjes trokken regelmatig op en neer, de diepe velplooien van den hals waren geen moment zonder beweging.

Het was een aardig, rustig, oud vrouwtjes-doen, afgewisseld door een even regelmatig openen vanden mond, het vertoonen der bruine tandstompjes en der zwarte grotjes er tusschen. Het grijsgrauwe haar lag glad om het beenige hoofd. De bruin-roode gebloemde doek hing zonder een kreuk om den blauwen, deftigen, Zondagschen rok.

Ze zat in een vollen coupé. D’r waren juffrouwen en mannen, allemaal pleizierige, vroolijke menschen, die ’t eene liedje na het andere zongen.

„Ga je ook naar Amsterdam, ouwetje?”

„Ja meneer.”

„Zeker famielje opzoeken?”

„Me zoon.”

„Woont die in Amsterdam?”

„Zes maanden.”

„Gaan jullie samen de peentjes opscheppen, hè?”

„Nou, alsjeblief!”

„Ben je d’r al meer geweest?”

„Nee, menschlief. Ik heb nooit tijd gehad om te reizen.”

Over en weer zaten ze te praten. Dan zette d’r een ’n lied in, overschreeuwend en overstampend het gedreun van den wagen. D’r was ’n juffrouw, zoo’n vriendelijk mensch, die zoetigheid presenteerde en een ander had een flesch met eau-de-cologne. Bartje keek genoegelijk toe, altijd kauwend en trekkend met de gele, tanige velplooien van haar magere hoofd.

Je was d’r eer je ’t wist. De tijd was omgevlogen.

„Nou dag juffrouw.”

„Gijs, help de ouwe juffrouw ’s!”

Ze was nu op het perron, in Amsterdam. Daar had je al een agent.

„Mijnheer de agent, zou u mij eens willen zeggen waar de... waar de... de...”

„Wat moet je moedertje?”

„Ik mot naar me zoon, die woont, die woont...Och, lieve God, nou heb ik den naam van de straat vergeten!”

„Is het hier in de buurt?”

„Dat weet ik niet.”

„Hoe heet-ie?”

„Willem.”

„Van z’n van?”

„Willem de Boer.”

„Ken ik niet... Wat doet-ie?”

„In betrekking.”

„Weet je dan niet waar-die woont?”

„’t Zal me wel weer te binnen schieten... wacht maar... wacht maar!”

Voor het station, bij den tramwagen, dribbelde ze heen en weer, zich inspannend, zenuwachtig, angstig. Ze wist ’t niet meer. Wat ze ook dee, ze wist ’t niet meer. ’t Was zoo’n ellendige naam, zoo’n verschrikkelijk-lange naam. Nog probeerde ze ’t eens. Beverig sprak ze een koetsier aan:

„Mijnheer, heb u wel eens van me zoon gehoord?”

„Van je zoon?”

„De Boer heet-ie.”

„D’r zijn wel honderd De Boers hier ouwetje. Weet je de straat niet?”

„De straat... De straat! Dat’s nou toch verschrikkelijk... Ik wist ’t zoo goed!”

„Waarom heb-ie ’t niet laten opschrijven?”

„Ik kan niet lezen, mijnheer.”

„Zeg, Tinus, heb jij wel eens van ’n De Boer gehoord?”

„De Boer?... Ik ken een schoenmaker De Boer... Kan ’m dat zijn?”

„Ach God, nee, mijnheer!... Mijn zoon is in betrekking.”

Niemand wist ’r te helpen. Met snelle, bibberende rukjes kauwde ze, hield de mand vast met debevende handen. Wat zou ze nou doen? Ze zou verder wandelen, vragen, net zoolang tot ze gevonden had. Ze liep rechtuit de Weesperstraat in, rondkijkend, beduusd door zooveel menschen. Zachtjes-an sukkelde ze over de stoep, voor elkeen opzij wijkend, iedereen aankijkend of ’t soms Willem zou zijn. Dan stond ze weer stil, vragend: „Weet u hier soms een Willem de Boer?” Maar niemand wist ’t.

Ze wezen haar ’n winkel an, waar eieren, boter en kaas verkocht werd, maar de vrouw in den winkel had nooit van ’n Willem de Boer gehoord. Toen ze de Weesperstraat had uitgeloopen, keerde ze terug, moe, nog eens vragend, nog eens vragend tot bij ’t station. Op een stoep van de Sarphatistraat ging ze zitten, tobbend, zoekend en begon stilletjes te huilen.

„Scheelt d’r wat an vrouwtje?”

„Ik zoek me zoon, mijnheer.”

„Is die van je weggeloopen?”

„Nee, nee.”

En dan begon ze weer de uitlegging, weer hetzelfde.

Nou hield ze de oogen dicht en bad. Ze bad altijd als ze in moeielijkheden was. Nou bad ze zachtjes, met gevouwen, trillende, ouwe handen: „Lieve God in de hemelen... Zeg me nou hoe de straat hiet... die straat van Willem... Lieve God... zeg ’t nou...”

Heel wat menschen stonden in een kring om haar heen. De een vertelde ’t aan den ander... Heb je ook gehoord van ’n Willem de Boer?... D’r is ’n spekslager... Nee, hij mot in betrekking zijn... Vraag nou maar raak!... Ben je al bij de pelisie geweest? Ga naar de pelisie, moeder!... Kom, laat ’t mensch niet voor niks loopen... Weet ze veel de pelisie!

„Ga zoolang in de wachtkamer van het station, vrouwtje.”

Dat zou ze dan maar doen. Daar waren niet zooveel vreemde menschen, die d’r stonden an te gapen en d’r toch niet helpen konden.

Op een der banken ging ze zitten, denkend, tobbend, al maar klapperend met de beenige onderkaak, al maar pluizend met de dunne lippen. Al zou ze uren verzinnen, ze zou dien naam weer weten, dien langen, ellendig-langen, gekken naam.

Zoo bleef ze, uren lang, versuffend, telkens meer versuffend, met heete oogen en een moe gebukt oud lijf. Toen de andere pleizierreizigers ’s avonds weer kwamen in het station, zat ze nog op dezelfde plek met de mand met krentenbroodjes en de flesch melk, waarvan ze niets geproefd had.

„Heb-ie je zoon gezien, moedertje?”

„Nee,” zei ze snikkend... „Ik heb geen geheugen meer... Nee, nee, nee.” ...

Binnenhuis-ideaal.Dan stond-ie maar weer op in het donker, liep op den tast naar de lamp, schuifelde met z’n vingers over de tafel om lucifers te vinden, streek er een af.„O! O! O-o-o-o!”—, gilde zij in de alkoof.„Wees nou toch effen stil”—, gromde hij, slaperig, half-suf.„O!... Au-o-o!... A-a-au-au!”De lucifer ging uit en hij stootte z’n blooten voet tegen ’n poot van de tafel.„O!... O-oooo!... Au-oooo!”„Hou dan toch effen op!”„As jij ’t maar voelde!... O!... O!... Ik wor gek! Ik wor gék!”Daar had-ie licht en het fleschje had-ie ook te pakken.„O!... O-oooo!... Au-o-o-o!”„Mensch, gil toch zoo niet voor de buren... Hier... Heb-ie ’t... Spoel nou maar goed.”Beverig, half-huilend, nam ze ’n slok, hield ’t hoofd wat links en bleef zoo kreunend, grommend als ’n jonge hond, rechtop in bed zitten.„Gaat ’t wat over?”Ze knikte van nee.„Die vervloekte kies!... Die verdomde tanden van jou!”...„Kan ik ’t dan hellepen”—, huilde ze voorzichtig om den slok niet in te slikken.„Da’s elken nacht zóo. Dat hou ik niet uit... Nou nog maar drie uur slaap!... Ik hou ’t niet uit, niet uit!”„Laat ’m dan trekken”—huilde ze weer zenuwachtig, met een geluid dat uit de zieke kies scheen te komen.„Ben je nou klaar?”Hij werd kribbig van ’t kouwe zeil, waarop-ie met z’n bloote voeten stond.„’t Zal nou wel gaan... Zet ’t flesch-ie op den stoel.”Nou lag-ie weer, nijdig, klaarwakker, niet meer in staat te slapen van moeheid.’t Daglicht begon door de gordijnen te schemeren. Dat was de vierde nacht. ’t Zou morgen ook wel zoo zijn, overmorgen ook. ’t Was om uit je vel te springen. Je dee net zoo wijs om je te verdrinken as te trouwen....„Dollef!”...„Wat is d’r nou weer!”„Zal ik ’m morgen maar laten trekken?”„Mot je zelf weten!”„Snauw nou zoo niet... Kan ik d’r wat an doen?”„Hoe komt ’n mensch an zóó’n gebit!... Je had met ’n rentenier motten trouwe! Je ruïneert de zaak met je tanden!”„Kan ik d’r wat an doen.”...„Nou nog blerren ook!... Wil je me met rust laten!... Zal je me laten slapen! Is ’t uit!... Is ’t uit!... Ik heb d’r genog van! Wil je hebben dat ’k d’r uit spring!”Zachtjes huilde ze onder de dekens.„Ben je nou klaar?”Datkon-ie niet hebben, dat gegrien.„Huil nou maar niet... Laat ’m dan trekken morgen.”Ze bleef doorsnikken onder de dekens.„Schei nou uit met je gegrien!”„’k Wou jou wel ’s zien in mijn plaats.... Als ’k ’m morgen laat trekken, heb ik geen tand meer in mijn mond!... Was ik maar dood!... Was ik maar dood! Wat doe ik op de wereld!”Ze was blijkbaar in een zeer melankolieke nachtstemming.„Wees nou maar stil! Kom nou, dikkert!”Als-ie dikkert zei, was-ie verteederd.„’k Kan toch al niks meer eten!”...„Ga morgen maar naar De Smitt.”„Was ’k d’r maar uit!”„Kom nou malle dikkert!... D’r zijn toch nog valsche gebitten te krijgen.”„Wie mot dat betalen?”„’t Zal wel kommen.”„Al twee jaar beloof je, belóóf je... en nou gaat de laatste weg!... Wat heb ik an mijn leven! Ach Godogot!”„Ga nou slapen.”„Slaap jij maar met zoo’n pijn!”„Dag dikkert!”„Dàg!”Met z’n gezicht naar ’t houten beschot begon-ie te dommelen, met iets zwaars in z’n hoofd, met ’t lamlendig gevoel van een ding dat hindert, zonder dat je weet wát het is. Zij lag stil als een muis, de goeie dikkert. Boven hoorde je iemand schommelen. Dat was de meneer van de politie, die an z’n werk ging. Die vervloekte kiezen. Nou zag-ie precies in z’n dommel hoe d’r mond d’r uitzag: ’n rood-zwart hol, zondertanden, met nog één kies, als een afgebrande lucifer. Zou d’r ooit geld kommen voor ’n gebit, voor zoo’n valsch gebit, as je ze zag in de kastjes bij den tandmeester, gebitten van rooie was met helderwitte tanden?... Als ’t zoo ging as nou, kon Stien nóg wel een paar jaar wachten... Je schrapte je kapot den heelen dag voor niks... Knippen lieten de menschen zich haast niet... Wat hield je over na aftrek van huur en gas?... Most de dikkert nou d’r heele leven met d’r tandvleesch eten?... ’t Was toch belabberd as je ’s Zondags ’n stukkie lekker mager vleesch had en Stien ’n uur dee over ’n hap... Niks kon ze haast eten... Dan die tegenvallertjes... dat partijtjecosmétiquedat-ie zich had laten ansmeren door dien gladakker van ’n reiziger... Net één stukkie verkocht an den koetsier van meneer De Bruin... en de rest niet meer te verkoopen zoo zacht en vet as ’t geworden was... Je most maar boffen!... ’t Vak was een hondenbaantje. Een bediende bij Coini verdiende nog meer. Twee jaar maakte-ie zich nou al den sappel voor ’n stel valsche kiezen. Jawel! De dikkert had kans om ooit wat te laten kijken as ze lachte...*   *   *Dan was-ie den volgenden morgen weer ijverig aan ’t schrappen in den kleinen winkel.Pietje was bezig den kruidenier in te zeepen. Hij had den kantoorbediende van driehoog onder handen.„Mes goed, meneer.”„Best.”„Heb-u gehoord van ’t jongetje van den drankwinkel?”„Nee.”„Dat weet anders de heele buurt...”„... Nee, niet opscheren.”„Die is gister overrejen.”„Wat?”„Z’n twee beenen motten gebroken zijn.”„Tetetete.”„Altijd ’n ongehoorzame bengel geweest... Poeder of Vinaigre?... Piet help meneer even af.”Dadelijk begon-ie aan den kruidenier.„Goed ingezeept, buurman?”„Scheer me maar gauw éen keer.”„Zoo’n haast?”„Me vrouw is alleen thuis.”„Drukte an den winkel?”„Als alle dagen... Je kan de bakkebaardjes wel wat wegnemen.”Het mes schrapte kalmpjes over het vale, hoekige gezicht van den kruidenier. Zachtjes streek het over de koonen, onder den dunnen, langen neus, over de kin. Telkens als het vuile zeepsop op het stukje papier afgeveegd werd, gingen er vragen en antwoorden heen en weer. Terwijl had de kantoorbediende van drie hoog zijn gezicht in de kleine kom gewasschen en droogde zich af aan den éénigen handdoek, die aan een spijker hing. Tik. Tik. Twee halve stuiverstukken lei die neer.„Morgen.”„Morgen.”De kruidenier was klaar, doopte drie van z’n dikke vingers in de kom, keek even in den spiegel, droogde zich haastig af aan denzelfden handdoek, lei vijf centen op de waschtafel en ging heen.Pietje stond in een hoek en dronk een kop thee, die-die altijd om negen uur kreeg. Langzaam slobberde-die met blaasjes en plofjes in de groote, witte kom.„Kom nou jongen, schiet wat op!”„Ja, patroon.”Opgeruimd begon de jongen den vloer te vegen, zorgvuldig alle haren in de hoeken bij elkaarpeuterendtot er een hoopje was van stof en haar. Netjes dee-die ’t op een stuk papier, dat uit het raam werd gesmeten. Dan ruimde-die de waschtafel op, sierlijk uitstallend den borstel-voor-iedereen, de kam-voor-iedereen, het vette, doorzweete, behaarde stukje cosmétique-voor-iedereen, de scheermessen-voor-iedereen en de blauwe spuitflesch van de dubbeltjes-heeren. Dan begon Pietje an z’n eigen toilet, smeerde dikke lagencosmétiqueop z’n blonde haar, plakte ’t prachtig naar achter en gingHet Volksdagbladlezen, waarop patroon geabonneerd was. De baas lette heelemaal niet op ’m. Die zat nog slaperig bij het raam met de tien centen van de twee klanten in z’n hand. Als dat strakkies maar geen standjes gaf, dat gesoes.

Dan stond-ie maar weer op in het donker, liep op den tast naar de lamp, schuifelde met z’n vingers over de tafel om lucifers te vinden, streek er een af.

„O! O! O-o-o-o!”—, gilde zij in de alkoof.

„Wees nou toch effen stil”—, gromde hij, slaperig, half-suf.

„O!... Au-o-o!... A-a-au-au!”

De lucifer ging uit en hij stootte z’n blooten voet tegen ’n poot van de tafel.

„O!... O-oooo!... Au-oooo!”

„Hou dan toch effen op!”

„As jij ’t maar voelde!... O!... O!... Ik wor gek! Ik wor gék!”

Daar had-ie licht en het fleschje had-ie ook te pakken.

„O!... O-oooo!... Au-o-o-o!”

„Mensch, gil toch zoo niet voor de buren... Hier... Heb-ie ’t... Spoel nou maar goed.”

Beverig, half-huilend, nam ze ’n slok, hield ’t hoofd wat links en bleef zoo kreunend, grommend als ’n jonge hond, rechtop in bed zitten.

„Gaat ’t wat over?”

Ze knikte van nee.

„Die vervloekte kies!... Die verdomde tanden van jou!”...

„Kan ik ’t dan hellepen”—, huilde ze voorzichtig om den slok niet in te slikken.

„Da’s elken nacht zóo. Dat hou ik niet uit... Nou nog maar drie uur slaap!... Ik hou ’t niet uit, niet uit!”

„Laat ’m dan trekken”—huilde ze weer zenuwachtig, met een geluid dat uit de zieke kies scheen te komen.

„Ben je nou klaar?”

Hij werd kribbig van ’t kouwe zeil, waarop-ie met z’n bloote voeten stond.

„’t Zal nou wel gaan... Zet ’t flesch-ie op den stoel.”

Nou lag-ie weer, nijdig, klaarwakker, niet meer in staat te slapen van moeheid.

’t Daglicht begon door de gordijnen te schemeren. Dat was de vierde nacht. ’t Zou morgen ook wel zoo zijn, overmorgen ook. ’t Was om uit je vel te springen. Je dee net zoo wijs om je te verdrinken as te trouwen.

...„Dollef!”...

„Wat is d’r nou weer!”

„Zal ik ’m morgen maar laten trekken?”

„Mot je zelf weten!”

„Snauw nou zoo niet... Kan ik d’r wat an doen?”

„Hoe komt ’n mensch an zóó’n gebit!... Je had met ’n rentenier motten trouwe! Je ruïneert de zaak met je tanden!”

„Kan ik d’r wat an doen.”...

„Nou nog blerren ook!... Wil je me met rust laten!... Zal je me laten slapen! Is ’t uit!... Is ’t uit!... Ik heb d’r genog van! Wil je hebben dat ’k d’r uit spring!”

Zachtjes huilde ze onder de dekens.

„Ben je nou klaar?”

Datkon-ie niet hebben, dat gegrien.

„Huil nou maar niet... Laat ’m dan trekken morgen.”

Ze bleef doorsnikken onder de dekens.

„Schei nou uit met je gegrien!”

„’k Wou jou wel ’s zien in mijn plaats.... Als ’k ’m morgen laat trekken, heb ik geen tand meer in mijn mond!... Was ik maar dood!... Was ik maar dood! Wat doe ik op de wereld!”

Ze was blijkbaar in een zeer melankolieke nachtstemming.

„Wees nou maar stil! Kom nou, dikkert!”

Als-ie dikkert zei, was-ie verteederd.

„’k Kan toch al niks meer eten!”...

„Ga morgen maar naar De Smitt.”

„Was ’k d’r maar uit!”

„Kom nou malle dikkert!... D’r zijn toch nog valsche gebitten te krijgen.”

„Wie mot dat betalen?”

„’t Zal wel kommen.”

„Al twee jaar beloof je, belóóf je... en nou gaat de laatste weg!... Wat heb ik an mijn leven! Ach Godogot!”

„Ga nou slapen.”

„Slaap jij maar met zoo’n pijn!”

„Dag dikkert!”

„Dàg!”

Met z’n gezicht naar ’t houten beschot begon-ie te dommelen, met iets zwaars in z’n hoofd, met ’t lamlendig gevoel van een ding dat hindert, zonder dat je weet wát het is. Zij lag stil als een muis, de goeie dikkert. Boven hoorde je iemand schommelen. Dat was de meneer van de politie, die an z’n werk ging. Die vervloekte kiezen. Nou zag-ie precies in z’n dommel hoe d’r mond d’r uitzag: ’n rood-zwart hol, zondertanden, met nog één kies, als een afgebrande lucifer. Zou d’r ooit geld kommen voor ’n gebit, voor zoo’n valsch gebit, as je ze zag in de kastjes bij den tandmeester, gebitten van rooie was met helderwitte tanden?... Als ’t zoo ging as nou, kon Stien nóg wel een paar jaar wachten... Je schrapte je kapot den heelen dag voor niks... Knippen lieten de menschen zich haast niet... Wat hield je over na aftrek van huur en gas?... Most de dikkert nou d’r heele leven met d’r tandvleesch eten?... ’t Was toch belabberd as je ’s Zondags ’n stukkie lekker mager vleesch had en Stien ’n uur dee over ’n hap... Niks kon ze haast eten... Dan die tegenvallertjes... dat partijtjecosmétiquedat-ie zich had laten ansmeren door dien gladakker van ’n reiziger... Net één stukkie verkocht an den koetsier van meneer De Bruin... en de rest niet meer te verkoopen zoo zacht en vet as ’t geworden was... Je most maar boffen!... ’t Vak was een hondenbaantje. Een bediende bij Coini verdiende nog meer. Twee jaar maakte-ie zich nou al den sappel voor ’n stel valsche kiezen. Jawel! De dikkert had kans om ooit wat te laten kijken as ze lachte...

*   *   *

Dan was-ie den volgenden morgen weer ijverig aan ’t schrappen in den kleinen winkel.

Pietje was bezig den kruidenier in te zeepen. Hij had den kantoorbediende van driehoog onder handen.

„Mes goed, meneer.”

„Best.”

„Heb-u gehoord van ’t jongetje van den drankwinkel?”

„Nee.”

„Dat weet anders de heele buurt...”

„... Nee, niet opscheren.”

„Die is gister overrejen.”

„Wat?”

„Z’n twee beenen motten gebroken zijn.”

„Tetetete.”

„Altijd ’n ongehoorzame bengel geweest... Poeder of Vinaigre?... Piet help meneer even af.”

Dadelijk begon-ie aan den kruidenier.

„Goed ingezeept, buurman?”

„Scheer me maar gauw éen keer.”

„Zoo’n haast?”

„Me vrouw is alleen thuis.”

„Drukte an den winkel?”

„Als alle dagen... Je kan de bakkebaardjes wel wat wegnemen.”

Het mes schrapte kalmpjes over het vale, hoekige gezicht van den kruidenier. Zachtjes streek het over de koonen, onder den dunnen, langen neus, over de kin. Telkens als het vuile zeepsop op het stukje papier afgeveegd werd, gingen er vragen en antwoorden heen en weer. Terwijl had de kantoorbediende van drie hoog zijn gezicht in de kleine kom gewasschen en droogde zich af aan den éénigen handdoek, die aan een spijker hing. Tik. Tik. Twee halve stuiverstukken lei die neer.

„Morgen.”

„Morgen.”

De kruidenier was klaar, doopte drie van z’n dikke vingers in de kom, keek even in den spiegel, droogde zich haastig af aan denzelfden handdoek, lei vijf centen op de waschtafel en ging heen.

Pietje stond in een hoek en dronk een kop thee, die-die altijd om negen uur kreeg. Langzaam slobberde-die met blaasjes en plofjes in de groote, witte kom.

„Kom nou jongen, schiet wat op!”

„Ja, patroon.”

Opgeruimd begon de jongen den vloer te vegen, zorgvuldig alle haren in de hoeken bij elkaarpeuterendtot er een hoopje was van stof en haar. Netjes dee-die ’t op een stuk papier, dat uit het raam werd gesmeten. Dan ruimde-die de waschtafel op, sierlijk uitstallend den borstel-voor-iedereen, de kam-voor-iedereen, het vette, doorzweete, behaarde stukje cosmétique-voor-iedereen, de scheermessen-voor-iedereen en de blauwe spuitflesch van de dubbeltjes-heeren. Dan begon Pietje an z’n eigen toilet, smeerde dikke lagencosmétiqueop z’n blonde haar, plakte ’t prachtig naar achter en gingHet Volksdagbladlezen, waarop patroon geabonneerd was. De baas lette heelemaal niet op ’m. Die zat nog slaperig bij het raam met de tien centen van de twee klanten in z’n hand. Als dat strakkies maar geen standjes gaf, dat gesoes.

Droom.Tot elf uur ’s avonds had-ie in het ruim van het kolenschip gewerkt.Zwart van vuil was-die met z’n kameraden ’n kroeg binnengeloopen.Ze hadden er geborreld tot middernacht.Ze hadden er gelachen, gedold, geschreeuwd, vol drankvroolijkheid.Thuis was-die naast z’n vrouw, die al lang lag te ronken, in bed gekropen.Donker was ’t in de kamer.Alleen ’n streepje licht op den gevel van ’t huis aan de overzij.*   *   *„As ze me te pakke kreige... sakkerjuu! sakkerjuu!...”Angstig kroop-ie weg, achter ’n reuzenzuil, net in de schaduw.En verbaasd, verbluft keek-ie toe, telkens er weer over suffend hoe-die ’r kwam in den Harem.Hij wàs er.Sakkerjuu!... Hoe kwam-ie zóo uit ’t ruim met z’n vuile smerige bakkes, midden in zoo’n paleis...Hoe kwam-ie nou....Maar hij zou maar kijken.Jezus nog toe, wat ’n fijnheid!’n Goud om gek van te worden..... goud overal op den grond.... christene-zielen wat ’n licht: net of-ie met je neus onder ’n elektrieke lamp stond. ’t Dee pijn an je oogen, pijn.... Bloedrooje strepen en schitterende vonken.... al maar spattende sterren van licht.... licht.... licht!Nou kwam daar de sultan.Uit ’n marmeren deur kwam-ie.Net ’n meissies-kop met z’n zwarte oogen, z’n lange haar, z’n witte handjes.Goddoome .... zoo’n pakkie mot je niet uitvlakke!... Je ziet alleen maar z’n nakende voeten... dan bont, wit en rood bont... hermelijn... wat je maar wil... Precies as de priesters op de plaatjes...*   *   *Achter den sultan vrouwen, mooie vrouwen.Vrouwen met wit vel.Vrouwen met zácht, blank vel.Vrouwen in kleurrijke doeken van roze en geel. ’n Bont gewemel van kleuren en vleesch, van mollige stoffen en poez’lige schouders.De sultan voorop, met z’n bloote voeten.De vrouwen er achter, stil zonder praten.Wel driéhonderd.Allemaal loopend zóo zacht over ’t goud en ’t marmer.En ’t licht, schel begietend de vormen, als zonlicht.*   *   *„Sakkerjuu.... as ze me te pakke kreige!”Zweetend van angst kroop-ie weg achter de zuil.Toen kwam ’r een vrouw, die moe werd en naast ’m wou zitten.Jong was ze, frisch.Ze leek wel ’n meissie.Oogen als van ’n kind.Mooi waren d’r bloote armen.Wit ’t kleed, dat plooiend gleed om d’r heupen.’t Haar was goud-haar.Schuw trok de kolendrager zich terug.Maar zij keek hem an, lachend:„Dag Arie”....„Pas op nou... spreek zachies... as ze me zien, ben ik d’r bij”...„Dag Arie”...„Ach, Jezus!... Je maak me ongelukkig”...„Dag Arie”...„Ach toe... ga nou weg... ’k mag hier niet komme”...„Geef me ’n zoen”...„Nee toe nou... ’k Kom pas uit ’t ruim... ’k Zie zoo vuil as ’n beest”...„Geef me ’n zoen, Arie”...„As je weg gaat... Dáár dan!... Maar ga nou vort... as ze me snappe”...Toen ging ze, huppelend met de kleine voeten over ’t goud en ’t marmer. Tralala. Trala.Hij keek d’r na.Onrustig.Ze was verdomd mooi.Zoo goddelijk mooi, as ’n heilige beeldje.In de schaduw bleef-ie zitten.*   *   *„Verdikkie,” vloekte de sultan, die stilstond.De vrouw met ’t goudhaar, werd wit als ’n doek.„Wel verdikkie,” vloekte de sultan en pakte de vrouw bij ’n arm.Alle vrouwen kwamen ’r bij staan met bange gezichten.De kolendrager kreeg kippevel.Want de sultan stond razend te vloeken, om ’n zwarten veeg op ’t gezicht van de vrouw met ’t goudhaar.„Verdikkie, hoe kom je d’r an?”„’k Weet ’t niet”...„Zel je niet liege?”...’n Mes trok de sultan.’n Mes van zilver, dat blonk als ’n spiegel.Ze gilde en schreeuwde.Toen wees ze naar achter, naar de zuil, waar de kolendrager, badend in zweet zat.En de sultan vloog op, razend en schuimend van drift.En de vrouwen joelden en galmden.En de kolendrager liep als ’n gek, als ’n hond.Maar de sultan liep harder, omdat de kolendrager niet zoo hard loopen kon op goud en op marmer.*   *   *Nou lag-ie op z’n knieën voor den sultan.Wat had die ’n haar op z’n voeten.„Wie ben jij?”„Arie”...„Welke Arie?”...„Ach God... Je ken me toch wel... ’k Ben Arie uit de Hazestraat... in de Jordaan weet-je-toch wel?”...„Wat doe jij dan hier?”...„Weet ’k niet”...„Mot je maar sterreve”...„... Sakkerjuu!... Sakkerjuu!... Steek me nou niet... ’k Mot morrege op karwei... ’k Heb ’n vrouw met zes kindere en een op de komst... ’k Heb niet gevraagd om te zoene”...„Je mag eve bidde nog, Arie uit de Hazestraat... Dan is ’t uit”...„Laat me nou leve... ’k Zel nooit meer hier komme”...„’k Begin al te tellen... tot honderd... Bid nou maar gauw... anders is ’t uit”...Toen begon de kolendrager te bidden... Goeje God... Hoe is dat nou mogelijk, dat ’k dood mot gaan... ’k Ben niet voor me plezier in de Harem gekomme... Laat nou die Sultan z’n mes opsteke... Hij heit ’t zoo goed met z’n bloote voete op goud en op marmer... Zoo goed in dat elektrieke licht... zoo goed... Nee, tel niet zoo gauw! Jezus, ben je nou al an veertig?... Hij heit ’t zoo goed met al z’n vrouwe... Ik ben ’n stumper... Nou zelle ze thuis niet te vrete hebbe... Wat zelle me kommeraads zegge!... En die juffrou staat nog altijd met de zwarte veeg op d’r bakkes... Bé-je nou al an tachtig!... Schei nou uit meneer!... Wat heb je d’r an!... ’k Weet niet hoe ’k hier gekomme ben... Me vrouw zal niet wete waar ’k blijf... Vijf en negentig... Hou op! Zes en negentig... Ach, goeie God!... Zeven en negentig... Sultan, Sultan!... Acht en negentig... Hou stil je mes!... Negen en negentig... Honderd... Ah! Ah!...*   *   *Vijf uur ’s morgens stond-ie op.De vrouw lag nog snorkend onder de dekens.„Sta je op, Marie!...”„Ja, ja!”„Kom geef nou me koffie...”Hij waschte z’n vuile gezicht in ’n emmer water.Maar soezend bleef-ie.De vrouw schoot in de kleeren, zette koffie.Kaatje in d’alkoof begon te schreeuwen.Onrustig keek ze naar d’r man. Hij dee zoo vreemd. Anders vloekte-ie ’n half uur.Toen ze de koffie inschonk, keek-ie d’r aan...„Goddoome, Mie... ’k hè-zoo bezope gedroomd...”

Tot elf uur ’s avonds had-ie in het ruim van het kolenschip gewerkt.

Zwart van vuil was-die met z’n kameraden ’n kroeg binnengeloopen.

Ze hadden er geborreld tot middernacht.

Ze hadden er gelachen, gedold, geschreeuwd, vol drankvroolijkheid.

Thuis was-die naast z’n vrouw, die al lang lag te ronken, in bed gekropen.

Donker was ’t in de kamer.

Alleen ’n streepje licht op den gevel van ’t huis aan de overzij.

*   *   *

„As ze me te pakke kreige... sakkerjuu! sakkerjuu!...”

Angstig kroop-ie weg, achter ’n reuzenzuil, net in de schaduw.

En verbaasd, verbluft keek-ie toe, telkens er weer over suffend hoe-die ’r kwam in den Harem.

Hij wàs er.

Sakkerjuu!... Hoe kwam-ie zóo uit ’t ruim met z’n vuile smerige bakkes, midden in zoo’n paleis...

Hoe kwam-ie nou....

Maar hij zou maar kijken.

Jezus nog toe, wat ’n fijnheid!

’n Goud om gek van te worden..... goud overal op den grond.... christene-zielen wat ’n licht: net of-ie met je neus onder ’n elektrieke lamp stond. ’t Dee pijn an je oogen, pijn.... Bloedrooje strepen en schitterende vonken.... al maar spattende sterren van licht.... licht.... licht!

Nou kwam daar de sultan.

Uit ’n marmeren deur kwam-ie.

Net ’n meissies-kop met z’n zwarte oogen, z’n lange haar, z’n witte handjes.

Goddoome .... zoo’n pakkie mot je niet uitvlakke!... Je ziet alleen maar z’n nakende voeten... dan bont, wit en rood bont... hermelijn... wat je maar wil... Precies as de priesters op de plaatjes...

*   *   *

Achter den sultan vrouwen, mooie vrouwen.

Vrouwen met wit vel.

Vrouwen met zácht, blank vel.

Vrouwen in kleurrijke doeken van roze en geel. ’n Bont gewemel van kleuren en vleesch, van mollige stoffen en poez’lige schouders.

De sultan voorop, met z’n bloote voeten.

De vrouwen er achter, stil zonder praten.

Wel driéhonderd.

Allemaal loopend zóo zacht over ’t goud en ’t marmer.

En ’t licht, schel begietend de vormen, als zonlicht.

*   *   *

„Sakkerjuu.... as ze me te pakke kreige!”

Zweetend van angst kroop-ie weg achter de zuil.

Toen kwam ’r een vrouw, die moe werd en naast ’m wou zitten.

Jong was ze, frisch.

Ze leek wel ’n meissie.

Oogen als van ’n kind.

Mooi waren d’r bloote armen.

Wit ’t kleed, dat plooiend gleed om d’r heupen.

’t Haar was goud-haar.

Schuw trok de kolendrager zich terug.

Maar zij keek hem an, lachend:

„Dag Arie”....

„Pas op nou... spreek zachies... as ze me zien, ben ik d’r bij”...

„Dag Arie”...

„Ach, Jezus!... Je maak me ongelukkig”...

„Dag Arie”...

„Ach toe... ga nou weg... ’k mag hier niet komme”...

„Geef me ’n zoen”...

„Nee toe nou... ’k Kom pas uit ’t ruim... ’k Zie zoo vuil as ’n beest”...

„Geef me ’n zoen, Arie”...

„As je weg gaat... Dáár dan!... Maar ga nou vort... as ze me snappe”...

Toen ging ze, huppelend met de kleine voeten over ’t goud en ’t marmer. Tralala. Trala.

Hij keek d’r na.

Onrustig.

Ze was verdomd mooi.

Zoo goddelijk mooi, as ’n heilige beeldje.

In de schaduw bleef-ie zitten.

*   *   *

„Verdikkie,” vloekte de sultan, die stilstond.

De vrouw met ’t goudhaar, werd wit als ’n doek.

„Wel verdikkie,” vloekte de sultan en pakte de vrouw bij ’n arm.

Alle vrouwen kwamen ’r bij staan met bange gezichten.

De kolendrager kreeg kippevel.

Want de sultan stond razend te vloeken, om ’n zwarten veeg op ’t gezicht van de vrouw met ’t goudhaar.

„Verdikkie, hoe kom je d’r an?”

„’k Weet ’t niet”...

„Zel je niet liege?”...

’n Mes trok de sultan.

’n Mes van zilver, dat blonk als ’n spiegel.

Ze gilde en schreeuwde.

Toen wees ze naar achter, naar de zuil, waar de kolendrager, badend in zweet zat.

En de sultan vloog op, razend en schuimend van drift.

En de vrouwen joelden en galmden.

En de kolendrager liep als ’n gek, als ’n hond.

Maar de sultan liep harder, omdat de kolendrager niet zoo hard loopen kon op goud en op marmer.

*   *   *

Nou lag-ie op z’n knieën voor den sultan.

Wat had die ’n haar op z’n voeten.

„Wie ben jij?”

„Arie”...

„Welke Arie?”...

„Ach God... Je ken me toch wel... ’k Ben Arie uit de Hazestraat... in de Jordaan weet-je-toch wel?”...

„Wat doe jij dan hier?”...

„Weet ’k niet”...

„Mot je maar sterreve”...

„... Sakkerjuu!... Sakkerjuu!... Steek me nou niet... ’k Mot morrege op karwei... ’k Heb ’n vrouw met zes kindere en een op de komst... ’k Heb niet gevraagd om te zoene”...

„Je mag eve bidde nog, Arie uit de Hazestraat... Dan is ’t uit”...

„Laat me nou leve... ’k Zel nooit meer hier komme”...

„’k Begin al te tellen... tot honderd... Bid nou maar gauw... anders is ’t uit”...

Toen begon de kolendrager te bidden... Goeje God... Hoe is dat nou mogelijk, dat ’k dood mot gaan... ’k Ben niet voor me plezier in de Harem gekomme... Laat nou die Sultan z’n mes opsteke... Hij heit ’t zoo goed met z’n bloote voete op goud en op marmer... Zoo goed in dat elektrieke licht... zoo goed... Nee, tel niet zoo gauw! Jezus, ben je nou al an veertig?... Hij heit ’t zoo goed met al z’n vrouwe... Ik ben ’n stumper... Nou zelle ze thuis niet te vrete hebbe... Wat zelle me kommeraads zegge!... En die juffrou staat nog altijd met de zwarte veeg op d’r bakkes... Bé-je nou al an tachtig!... Schei nou uit meneer!... Wat heb je d’r an!... ’k Weet niet hoe ’k hier gekomme ben... Me vrouw zal niet wete waar ’k blijf... Vijf en negentig... Hou op! Zes en negentig... Ach, goeie God!... Zeven en negentig... Sultan, Sultan!... Acht en negentig... Hou stil je mes!... Negen en negentig... Honderd... Ah! Ah!...

*   *   *

Vijf uur ’s morgens stond-ie op.

De vrouw lag nog snorkend onder de dekens.

„Sta je op, Marie!...”

„Ja, ja!”

„Kom geef nou me koffie...”

Hij waschte z’n vuile gezicht in ’n emmer water.

Maar soezend bleef-ie.

De vrouw schoot in de kleeren, zette koffie.

Kaatje in d’alkoof begon te schreeuwen.

Onrustig keek ze naar d’r man. Hij dee zoo vreemd. Anders vloekte-ie ’n half uur.

Toen ze de koffie inschonk, keek-ie d’r aan...

„Goddoome, Mie... ’k hè-zoo bezope gedroomd...”

Grootmoedertje.Ze wreef d’r beenige skelet-handen over de in de rokken uitpuilende knieën, angstig, met hortende rukken. Als die nou maar kwam. Als die nou maar gauw kwam. Zoo’n spéélsche jongen. Trui kon d’r elk oogenblik zijn. Dan had je de poppen an ’t dansen, dan was d’r weer ruzie en knorren. Waar bleef die nou? Ze had ’t nog zóó gezegd. Daar ging de bel. Was ’t Trui of een van de kinderen? Nou dee de meid open. Hij was ’t. Sjors alleen bonsde zoo de trappen op zonder z’n voeten te vegen. Goddank.„Ben jij ’t Sjors?”„Ja gromoe.”„Heb je ’t?”„Ja gromoe.”Uit z’n warmen broekzak haalde het ventje een medicijnflesch, half-gevuld. Met d’r bevende skelet-handen nam ze het aan, dee de kurk er af, rook even, dee ’t weer dicht en moffelde het weg in haar zak.„Hoeveel geld heb je over?”„Vijftien cent.”Netjes telde hij de warme centen uit op de vensterbank.„Die zijn voor jou, Sjors. Zal je niks zeggen?”„Nee, gromoe.”„Je moe hoeft ’t niet te weten, hoor je?”„Nee gromoe.”„Koop jij nou maar wat knikkers. Geen snoepgoed, hoor je?”„Ja gromoe.”Ze hoorde hem de trappen afbonsen, zooals hij ’t altijd dee, twee, drie treden tegelijk. Gauw nou, voor d’r iemand kwam. De hals van ’t fleschje rikketikte tegen haar tanden, zóó als de beenige handen beefden. Hè. Hè. Hè. Nou niet meer. Vanavond de rest. Hè, wat ’n ander mensch wer-je zoo. Bellebellebel. Dat was Treesje. Die belde altijd zoo lang als ze uit school kwam.„Dag Treesje.”„Dag grootmoe.”„Hoe laat is ’t?”„Half vijf... Wat ruikt ’t hier raar.”„Ruikt ’t hier raar?”„Ja, ik weet niet naar wat.”„Dat zullen de bloemen zijn.”„Is moe niet thuis?”„Nee, niemand.”„Sien!... Si-e-e-n!... Sien-tje!”„Ja jongejuffrouw?”„Wat eten we vanmiddag?”„Runderlappies.”„Met watte?”„Met spersieboontjes.”„En d’r na?”„Sjelij van alebessen.”„Help ’s mee an ’t tafelkleed.”Sien, met d’r rooie handen, pakte twee tippen aan, Trees de andere.„Is ’t nou geen schandaal, jongejuffrouw, datSijors de schoone loopers weer zoo ingeloopen hèt.”„Is-die dan uitgeweest?”„Een boodschap voor de ouwe juffer.”„Heeft George ’n boodschap voor u gedaan, grootmoe?”„Voor mij? ... Nee, niks voor mij.”„Ruik-ie niet zoo’n rare lucht, Sien?”„’t Zal van ’t zilver zijn dat we vanmorgen met jenever en krijtgepoetsthebben.”„Breng-ie nou de borden, Sien?”Treesje dekte de tafel. Ze dekte voor zeven, elken dag zeven borden op dezelfde plaats. Pa zat aan ’t hoofdeind, over ’t raam en had ’n servet met een zilveren servetring. Moe zat naast ’m met ’n roodfluweelen servetring. Naast moe zat Gerrit, daarnaast zat zij. Aan den anderen kant van pa zat Marie. Die most altijd het geslepen glas hebben, waarop „voor uw verjaardag” stond. Dat hadden zij en George d’r samen gegeven. Naast Marie zat George, naast George: grootmoe. Grootmoe had een koperen servetring, gedragen door twee hondjes.„Sien... breng-ie nou nog het olie- en azijnstel en de tafelmatjes?”„Treesje, denk an ’t bittertje voor je pa.”„Ja, grootmoe, ja, ik vergeet niks.”„Wees toch niet zoo snibbig.”„Nou ja! Dat gezanik! Elken middag ’t zelfde.”„Sientje! Sien! Waar blijf je nou?”„Even mevrouw openmaken, jongejuffrouw!”Moe kwam binnen met Marie. Ze hadden inkoopen gedaan, ’n ons Maria-koekjes bij de thee en garneersel voor ’n nieuwen hoed voor Treesje.„Niks geweest, Sien?”„Nee Mevrouw.”„Wie heeft d’r weer zulke schandelijke voeten op de witte loopers gezet?”„Jongeheer Sijors.”„Meneer heeft ’m toch verbojen om uit te gaan, als-die uit school komt.”„Daar weet ik niks van.”„Heb ù ’m uitgezonden, moeder?”„Watte?... Ikke? ... ’k Heb ’m nog niet gezien.”„Daar belt-ie net.”„Heeft je pa je niet verbojen, bengel, om nog voor ’t eten uit te gaan?”„Ja moe, maar ik had an Hendrik ’n schrift geleend, dat ’k terug most hebben.”„Wat heb je weer in je zakken zitten?”„Niks.”„Wat, niks? Hoe kom je an geld voor zooveel knikkers?”„’k Heb ze gekregen.”„Je jokt.”„Nee heusch niet.”„Je jòkt.”„Heusch niet moe!”„Heb je voor grootmoe ’n boodschap gedaan?”„Nee moe.”„Op je woord niet?”„Nee moe.”„Goeien middag.”Pa en Gerrit kwamen samen van kantoor.„Warm vandaag!... Gaat ’t goed moeder?... Eten we wat lekkers vanmiddag, Trui?”„Runderlapjes.”„Trees, waar blijft ’t bittertje?”„Moe, geef uw sleutels eens.”„Wat is dat toch voor onzin, dat je de bitter tegenwoordig achter slot en grendel zet?”„Hier is ze al. Hier is ze al.”„Snoept de meid?”„Nee.”„Moeder ook ’n glaasje?”„Geef je moeder nou geen bitter, Karel!”„Ach wat!”„’t Is heusch zoo goed niet voor d’r.”„Als jij negentig bent, lust je ’t ook.”Met glinsterende oogjes keek de ouwe vrouw naar de bewegingen van haar zoon, die bij ’t raam het likeurglaasje vulde.„Geef ’t d’r nou niet, Karel.”„Waar bemoei je je toch mee!”—zei het ouwetje bits, met een grijpend uitstrekken der skelet-handen naar het glaasje.„Omdat ’t niet goed voor je is.”Het glaasje was al leeg. De dunne lippen in het gele knokelgezicht smakten na. De donkere oogen glinsterden van genot. Karel was een goeie zoon. De schoondochter had ’t land an d’r. Dat wist ze wel. Maar nou was alles goed, alles bestig.„An tafel! An tafel!”Karel deelde de runderlapjes. Op den schotel deelde hij het vleesch in acht porties, de grootste voor z’n vrouw, de kleinste voor Sien, die de meid was en daarenboven geen vleesch verdragen kon, omdat ze maagkanker had. Zoo’n meid was ’n tref.„Trui, je bord. Marie geef ’s door an grootmoeder. Sjors, zet je vingers niet in de saus.”Dan gingen de spersieboontjes rond, de aardappelen, de sauskom en kwam er even rust, vorkengetik en gesmak van de oude vrouw.„Gerrit, wat ben je stil vanmiddag?”„Ik?”„Ach hij’s verliefd ma.”„Hou toch je mond, nest.”„Oh! Oh!”„Wat is d’r? Wat is d’r?”„Kijk grootmoe is!”„God, wat scheelt de oude vrouw!”Ze lag schuin weggezakt in den armstoel, met oogen waarvan het wit nog te zien was. George begon te huilen en de vrouwen keken krijtwit toe.„Geef dan water en zit niet als zoutpilaren!” schreeuwde vader. Gerrit sprenkelde met azijn.„George hou op met je gekrijsch!”„Als ze maar niet doodgaat! Oooo!”„Hou je bakkes, kwajongen!”Ze hadden de oude vrouw op de sofa gelegd. Het grijze pluishaar pluimde in vlokken op het roode kussen.„Geef d’r wat lucht bij d’r hals... Kom Trui, verroer je ’s!”Trui en Marie maakten de japon los, Gerrit hield wat azijn onder den neus, de zoon wreef de kurkige skelet-handen.„Wat haal je uit d’r zak?”„’n Flessie.”„Laat ’s ruiken.”Eerst rook de vrouw, toen de man.„Hoe komt ze aan jene...” vroeg-ie nijdig.„Hou je mond.”Ze keken elkaar aan, hielden d’r mond voor de kinderen.„Ze komt al bij, pa!”„Zouen we d’r op bed leggen?”„Laat ze eerst heelemaal bijkomen.”„Gaat ’t wat beter, moeder?”Flauwtjes opende ze de oogen, keek nòg-bewustelooos om zich heen, sloot de oogen en bleef stil liggen.„Kom nou, moeder!”„Hoe gaat ’t grootmoe?”Er kwam weer leven in de oude vrouw. Ze keek van Karel naar Marie, van Marie naar George.„... Hé ... ik dacht... dat... ik... daar... dood ... ging” ...Plotseling scheen ze álles weer te weten. De bevende skelet-handen wreven over de oogen, rukten in eens naar omlaag, naar den zak. Ze betastte de heele plek, keek toen met starre oogen van haat naar de schoondochter, die het fleschje nog in de hand hield.Vijf minuten later zaten ze allen weer aan tafel bij de runderlapjes en spersieboontjes.

Ze wreef d’r beenige skelet-handen over de in de rokken uitpuilende knieën, angstig, met hortende rukken. Als die nou maar kwam. Als die nou maar gauw kwam. Zoo’n spéélsche jongen. Trui kon d’r elk oogenblik zijn. Dan had je de poppen an ’t dansen, dan was d’r weer ruzie en knorren. Waar bleef die nou? Ze had ’t nog zóó gezegd. Daar ging de bel. Was ’t Trui of een van de kinderen? Nou dee de meid open. Hij was ’t. Sjors alleen bonsde zoo de trappen op zonder z’n voeten te vegen. Goddank.

„Ben jij ’t Sjors?”

„Ja gromoe.”

„Heb je ’t?”

„Ja gromoe.”

Uit z’n warmen broekzak haalde het ventje een medicijnflesch, half-gevuld. Met d’r bevende skelet-handen nam ze het aan, dee de kurk er af, rook even, dee ’t weer dicht en moffelde het weg in haar zak.

„Hoeveel geld heb je over?”

„Vijftien cent.”

Netjes telde hij de warme centen uit op de vensterbank.

„Die zijn voor jou, Sjors. Zal je niks zeggen?”

„Nee, gromoe.”

„Je moe hoeft ’t niet te weten, hoor je?”

„Nee gromoe.”

„Koop jij nou maar wat knikkers. Geen snoepgoed, hoor je?”

„Ja gromoe.”

Ze hoorde hem de trappen afbonsen, zooals hij ’t altijd dee, twee, drie treden tegelijk. Gauw nou, voor d’r iemand kwam. De hals van ’t fleschje rikketikte tegen haar tanden, zóó als de beenige handen beefden. Hè. Hè. Hè. Nou niet meer. Vanavond de rest. Hè, wat ’n ander mensch wer-je zoo. Bellebellebel. Dat was Treesje. Die belde altijd zoo lang als ze uit school kwam.

„Dag Treesje.”

„Dag grootmoe.”

„Hoe laat is ’t?”

„Half vijf... Wat ruikt ’t hier raar.”

„Ruikt ’t hier raar?”

„Ja, ik weet niet naar wat.”

„Dat zullen de bloemen zijn.”

„Is moe niet thuis?”

„Nee, niemand.”

„Sien!... Si-e-e-n!... Sien-tje!”

„Ja jongejuffrouw?”

„Wat eten we vanmiddag?”

„Runderlappies.”

„Met watte?”

„Met spersieboontjes.”

„En d’r na?”

„Sjelij van alebessen.”

„Help ’s mee an ’t tafelkleed.”

Sien, met d’r rooie handen, pakte twee tippen aan, Trees de andere.

„Is ’t nou geen schandaal, jongejuffrouw, datSijors de schoone loopers weer zoo ingeloopen hèt.”

„Is-die dan uitgeweest?”

„Een boodschap voor de ouwe juffer.”

„Heeft George ’n boodschap voor u gedaan, grootmoe?”

„Voor mij? ... Nee, niks voor mij.”

„Ruik-ie niet zoo’n rare lucht, Sien?”

„’t Zal van ’t zilver zijn dat we vanmorgen met jenever en krijtgepoetsthebben.”

„Breng-ie nou de borden, Sien?”

Treesje dekte de tafel. Ze dekte voor zeven, elken dag zeven borden op dezelfde plaats. Pa zat aan ’t hoofdeind, over ’t raam en had ’n servet met een zilveren servetring. Moe zat naast ’m met ’n roodfluweelen servetring. Naast moe zat Gerrit, daarnaast zat zij. Aan den anderen kant van pa zat Marie. Die most altijd het geslepen glas hebben, waarop „voor uw verjaardag” stond. Dat hadden zij en George d’r samen gegeven. Naast Marie zat George, naast George: grootmoe. Grootmoe had een koperen servetring, gedragen door twee hondjes.

„Sien... breng-ie nou nog het olie- en azijnstel en de tafelmatjes?”

„Treesje, denk an ’t bittertje voor je pa.”

„Ja, grootmoe, ja, ik vergeet niks.”

„Wees toch niet zoo snibbig.”

„Nou ja! Dat gezanik! Elken middag ’t zelfde.”

„Sientje! Sien! Waar blijf je nou?”

„Even mevrouw openmaken, jongejuffrouw!”

Moe kwam binnen met Marie. Ze hadden inkoopen gedaan, ’n ons Maria-koekjes bij de thee en garneersel voor ’n nieuwen hoed voor Treesje.

„Niks geweest, Sien?”

„Nee Mevrouw.”

„Wie heeft d’r weer zulke schandelijke voeten op de witte loopers gezet?”

„Jongeheer Sijors.”

„Meneer heeft ’m toch verbojen om uit te gaan, als-die uit school komt.”

„Daar weet ik niks van.”

„Heb ù ’m uitgezonden, moeder?”

„Watte?... Ikke? ... ’k Heb ’m nog niet gezien.”

„Daar belt-ie net.”

„Heeft je pa je niet verbojen, bengel, om nog voor ’t eten uit te gaan?”

„Ja moe, maar ik had an Hendrik ’n schrift geleend, dat ’k terug most hebben.”

„Wat heb je weer in je zakken zitten?”

„Niks.”

„Wat, niks? Hoe kom je an geld voor zooveel knikkers?”

„’k Heb ze gekregen.”

„Je jokt.”

„Nee heusch niet.”

„Je jòkt.”

„Heusch niet moe!”

„Heb je voor grootmoe ’n boodschap gedaan?”

„Nee moe.”

„Op je woord niet?”

„Nee moe.”

„Goeien middag.”

Pa en Gerrit kwamen samen van kantoor.

„Warm vandaag!... Gaat ’t goed moeder?... Eten we wat lekkers vanmiddag, Trui?”

„Runderlapjes.”

„Trees, waar blijft ’t bittertje?”

„Moe, geef uw sleutels eens.”

„Wat is dat toch voor onzin, dat je de bitter tegenwoordig achter slot en grendel zet?”

„Hier is ze al. Hier is ze al.”

„Snoept de meid?”

„Nee.”

„Moeder ook ’n glaasje?”

„Geef je moeder nou geen bitter, Karel!”

„Ach wat!”

„’t Is heusch zoo goed niet voor d’r.”

„Als jij negentig bent, lust je ’t ook.”

Met glinsterende oogjes keek de ouwe vrouw naar de bewegingen van haar zoon, die bij ’t raam het likeurglaasje vulde.

„Geef ’t d’r nou niet, Karel.”

„Waar bemoei je je toch mee!”—zei het ouwetje bits, met een grijpend uitstrekken der skelet-handen naar het glaasje.

„Omdat ’t niet goed voor je is.”

Het glaasje was al leeg. De dunne lippen in het gele knokelgezicht smakten na. De donkere oogen glinsterden van genot. Karel was een goeie zoon. De schoondochter had ’t land an d’r. Dat wist ze wel. Maar nou was alles goed, alles bestig.

„An tafel! An tafel!”

Karel deelde de runderlapjes. Op den schotel deelde hij het vleesch in acht porties, de grootste voor z’n vrouw, de kleinste voor Sien, die de meid was en daarenboven geen vleesch verdragen kon, omdat ze maagkanker had. Zoo’n meid was ’n tref.

„Trui, je bord. Marie geef ’s door an grootmoeder. Sjors, zet je vingers niet in de saus.”

Dan gingen de spersieboontjes rond, de aardappelen, de sauskom en kwam er even rust, vorkengetik en gesmak van de oude vrouw.

„Gerrit, wat ben je stil vanmiddag?”

„Ik?”

„Ach hij’s verliefd ma.”

„Hou toch je mond, nest.”

„Oh! Oh!”

„Wat is d’r? Wat is d’r?”

„Kijk grootmoe is!”

„God, wat scheelt de oude vrouw!”

Ze lag schuin weggezakt in den armstoel, met oogen waarvan het wit nog te zien was. George begon te huilen en de vrouwen keken krijtwit toe.

„Geef dan water en zit niet als zoutpilaren!” schreeuwde vader. Gerrit sprenkelde met azijn.

„George hou op met je gekrijsch!”

„Als ze maar niet doodgaat! Oooo!”

„Hou je bakkes, kwajongen!”

Ze hadden de oude vrouw op de sofa gelegd. Het grijze pluishaar pluimde in vlokken op het roode kussen.

„Geef d’r wat lucht bij d’r hals... Kom Trui, verroer je ’s!”

Trui en Marie maakten de japon los, Gerrit hield wat azijn onder den neus, de zoon wreef de kurkige skelet-handen.

„Wat haal je uit d’r zak?”

„’n Flessie.”

„Laat ’s ruiken.”

Eerst rook de vrouw, toen de man.

„Hoe komt ze aan jene...” vroeg-ie nijdig.

„Hou je mond.”

Ze keken elkaar aan, hielden d’r mond voor de kinderen.

„Ze komt al bij, pa!”

„Zouen we d’r op bed leggen?”

„Laat ze eerst heelemaal bijkomen.”

„Gaat ’t wat beter, moeder?”

Flauwtjes opende ze de oogen, keek nòg-bewustelooos om zich heen, sloot de oogen en bleef stil liggen.

„Kom nou, moeder!”

„Hoe gaat ’t grootmoe?”

Er kwam weer leven in de oude vrouw. Ze keek van Karel naar Marie, van Marie naar George.

„... Hé ... ik dacht... dat... ik... daar... dood ... ging” ...

Plotseling scheen ze álles weer te weten. De bevende skelet-handen wreven over de oogen, rukten in eens naar omlaag, naar den zak. Ze betastte de heele plek, keek toen met starre oogen van haat naar de schoondochter, die het fleschje nog in de hand hield.

Vijf minuten later zaten ze allen weer aan tafel bij de runderlapjes en spersieboontjes.


Back to IndexNext