VIII.

VIII.Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten metcamaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als eenriet onder zijnereusachtigegestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op,Antonius en Cleopatragetiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegenden grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:Viva el Peru!Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.“Viva el Peru!”“Viva el Peru!”Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is dechucchu(derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.

VIII.Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten metcamaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als eenriet onder zijnereusachtigegestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op,Antonius en Cleopatragetiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegenden grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:Viva el Peru!Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.“Viva el Peru!”“Viva el Peru!”Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is dechucchu(derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.

VIII.Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten metcamaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als eenriet onder zijnereusachtigegestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op,Antonius en Cleopatragetiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegenden grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:Viva el Peru!Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.“Viva el Peru!”“Viva el Peru!”Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is dechucchu(derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.

VIII.Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten metcamaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als eenriet onder zijnereusachtigegestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op,Antonius en Cleopatragetiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegenden grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:Viva el Peru!Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.“Viva el Peru!”“Viva el Peru!”Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is dechucchu(derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.

VIII.

Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten metcamaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als eenriet onder zijnereusachtigegestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op,Antonius en Cleopatragetiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegenden grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:Viva el Peru!Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.“Viva el Peru!”“Viva el Peru!”Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is dechucchu(derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.

Openbare vermakelijkheden moet men te Cuzco niet zoeken: schouwburgen en andere gelegenheden van dien aard zijn er niet te vinden. Onder de volksvermaken verdienen evenwel vermeld te worden: de tocht, dien de vrouwen uit de volksklasse telken jare, op Allerzielendag, naar de begraafplaats doen; en de wandelingen naar den Sacsahuaman, waaraan de kleine burgerij deelneemt.

De bedevaart naar het kerkhof begint al des morgens vroeg. Ten acht uur zijn reeds al de toegangen bezet met indiaansche vrouwen, die kruiken met chicha dragen. Op het kerkhof toegelaten, beginnen zij in het algemeene graf, uit de doodshoofden en andere beenderen, welke daar verstrooid liggen, die bijeen te zoeken, waarvan zij onderstellen dat ze eenmaal aan haar bloedverwanten hebben behoord. Zij zoeken die beenderen zorgvuldig bij elkander, leggen ze op kleine hoopjes, en vertellen ze, al weeklagende, de nieuwtjes van den laatsten tijd: dat de vrouw van Juan haar man heeft verlaten en met een soldaat is doorgegaan; dat de zeug van Pedro acht biggen heeft geworpen, waaronder een met vijf pooten, en dergelijke belangrijke mededeelingen meer. Dat alles wordt afgewisseld door huilen en snikken en door het drinken van chicha, waarbij zij niet vergeten, ook de geliefkoosde beenderen rijkelijk met den dierbaren drank te besproeien. Daar deze bezigheid den ganschen dag wordt voortgezet, spreekt het van zelf, dat de weeklagende vrouwen tegen den avond stomdronken zijn, en luid schreeuwende en waggelende naar hare woning terugkeeren.

De wandeling naar den Sacsahuaman, die op Pinksterzondag plaats heeft, is eigenlijk eene landelijke orgie, in de schaduw van de muren der aloude citadel van de Incas. Mannen en vrouwen, behoorlijk van eet- en drinkwaren voorzien, beklimmen te voet of te paard de steile helling, die naar den top des heuvels voert. Boven gekomen, kiest elk gezelschap zich naar welgevallen eene eigene plaats uit, zet de mondbehoeften en de medegebrachte flesschen op het gras, eet en drinkt, zingt en danst, en gaat de bloemen plukken, die hier in elken herfst ontluiken. Als de zon achter de drie kruisen op den top des heuvels gedaald is, keert de vroolijke schare, zingende, joelende, schreeuwende, waggelende en strompelende en elkander vasthoudende, naar de stad terug. Op het plein der hoofdkerk gaat de menigte uiteen, waarna de feestviering in de bijzondere woningen wordt voortgezet.

De jaarlijksche processiën, waarbij de dames, in groot toilet op de getraliede balkons harer huizen gezeten, toezien, moeten mede tot de openbare vermakelijkheden van Cuzco gerekend worden. De meest beroemde dezer processiën is die van Onzen Heer der aardbevingen, van wiens kapel in de hoofdkerk ik reeds gesproken heb. Deze processie heeft op Paaschmaandag plaats. Reeds twee dagen vooraf gaan de kinderen der stad bloemen plukken, die in korfjes worden gerangschikt en hier en daar tentoongesteld. De huizen, waar de processie langs moet komen, worden met fraaie tapijten en kostbare fluweelen draperieën behangen; overal heerscht drukte en beweging. Eindelijk is de groote dag aangebroken. Reeds vroeg in den morgen wordt ge gewekt door het schieten metcamaretos, kleine kanonnen; zwermen, vuurpijlen sissen en knetteren aan alle kanten, en teekenen in de lucht een vurig spoor. De gansche bevolking, in haar beste kleeren gedost, vult de straten of verdringt zich op de balkons. Sedert Zaterdagavond heeft het allerwege chicha, wijn en brandewijn gestroomd, ter eere van het Paaschfeest.

Met klokslag van vieren doet een driedubbel salvo van camaretos het plein der kathedraal dreunen, en aanstonds beginnen de klokken van alle kerken en kloosters te luiden. Tienduizend havelooze, schreeuwende Indianen staan op het plein geschaard, en de vensters zijn overal bezet met nieuwsgierigen, zoo mannen als vrouwen, die met hunne zakdoeken zwaaien. De drie deuren der kathedraal worden wijd geopend, en gunnen een blik te slaan in de donkere diepte van het schip, nu door duizende waskaarsen verlicht. Eene huivering van eerbied vaart door de schare. Aller halzen zijn gestrekt, aller oogen gekeerd naar den hoofdingang, waaruit de processie te voorschijn komt, voorafgegaan door de gouden kruisen, en groote zilveren kandelaars, welke laatsten door bruine koorknapen, in witte kleeding, gedragen worden.

Dan volgt op een draagbaar, door acht mannen getorscht, het levensgroote beeld van San-Blas, dat door de menigte met luid handgeklap wordt begroet. Het kostuum van den heiligen bisschop bestaat uit eene zwart fluweelen tuniek met goud geborduurd, die hem tot aan de knieën reikt; een nauwsluitenden, vleeschkleurigen broek; eene breede, geplooide halskraag, en een opengewerkte zwart fluweelen baret met witte veeren; zijne voeten zijn gevat in roode laarsjes, en in de met een leeren handschoen bekleede rechterhand, houdt hij zijn gebedenboek in quarto, sierlijk verguld op snede. Een engel met uitgespreide vleugelen, op een spiraalvormig ijzerdraad geplaatst, houdt een rood zijden parasol boven het hoofd van den heilige.

San-Blas wordt onmiddellijk gevolgd door San-Benito, die tamelijk koel ontvangen wordt, omdat de eerwaardige abt tot de zonen van Cham behoort. Het gelaat van het beeld is dan ook inderdaad pikzwart, en de groote witte oogen en de vooruitstekende dikke lippen, violetrood van kleur, geven den eerwaardigen vader inderdaad een afschuwelijk voorkomen.

Op hem volgt San-Cristoval. De kluizenaar houdt een ontwortelden palmboom in de hand, die als eenriet onder zijnereusachtigegestalte buigt. Hij is gehuld in een wit kleed, met gouden sterren geborduurd, en met paars agrement afgezet; hij draagt een purperen hairband, evenals een assyrische koning, groote opstaande knevels en een spitsen kinbaard.

San-José, de echtgenoot van Maria, volgt op San-Cristoval. De nederige timmerman draagt een bruinen pelgrimsrok. Een schaaf hangt hem over den schouder; in de eene hand houdt hij een zaag, en met de andere omklemt hij een knoestigen stok. Zijn eenige sieraad is een pauwenveer, op zijn vilten hoed gestoken.

Achter San-José vertoont zich het beeld van Onze-Lieve-Vrouwe van Belen of Bethlehem, gedragen door zestien mannen, die schier onder hun last bezwijken. Geen wonder: de draagbaar waarop het beeld staat, is van massief huarangohout, met zilveren platen bedekt, en bovendien voorzien met zware zilveren kandelaars, waarop welriekende kaarsen branden. De Heilige Maagd is allerprachtigst gekleed. Haar japon, van wit en blauw brokaat met goud doorweven, heeft een omvang van zes el; de borst is met zilverborduursel versierd; uit de korte wijde mouwen, rijkelijk met kant omzoomd, komen een paar fraai gevormde, blanke armen te voorschijn, stralende van rijke armbanden, zooals de fijne vingers van kostbare ringen. In de eene hand houdt zij een skapulier, met goud en edelgesteenten geborduurd; in de andere een kostbaren waaier. Haar lichtblonde hairen zijn een weinig gegolfd; op haar smaakvol kapsel draagt zij een diadeem van onnoemelijke waarde; twee prachtige parelen hangen in haar ooren; een ketting van robijnen schittert om haar hals, die in een reusachtigen opstaanden kanten kraag, met gouddraad doorwerkt, is gevat. De merkwaardigste bijzonderheid aan dat beeld zijn wel de glazen oogballen, die, door middel van een verborgen veer, met duizelingwekkende snelheid rusteloos heen en weer rollen, hetgeen een allerzonderlingsten, zeer onaangenamen indruk maakt.

Bij het verlaten der kerk, plaatsen zich de dragers met de beelden van San-Blas, San-Benito en San-Cristoval ter linkerzijde van den hoofdingang; de Madonna en de heilige Joseph plaatsen zich ter rechterzijde. Er verloopen eenige oogenblikken, eer dat het Christusbeeld verschijnt. Eindelijk wordt eene groote figuur in de schemering zichtbaar; de mannen nemen hunne hoeden af, de vrouwen maken het teeken des kruises. Dit beeld van den Zaligmaker is een geschenk van Karel V, en sedert niet meer schoongemaakt of geschilderd. Uit het oogpunt der kunst heeft het niet de minste waarde: het is niet veel meer dan een ruw behouwen stuk hout, waarvan de afzichtelijkheid nog aanmerkelijk verhoogd wordt door de kleur, die mettertijd donker rossig is geworden. Het bloed, waarmede het beeld letterlijk van het hoofd tot de voeten besprenkeld is, heeft mede met de jaren een vuilzwarte kleur aangenomen, hetgeen den aanblik des te afschuwelijker maakt. De Gekruisigde draagt een wijden kanten rok, die om de heupen is gebonden en tot over de knieën reikt; de dorens der doornenkroon zijn edelgesteenten van fabelachtigen prijs; de nagels aan handen en voeten zijn smaragden van drie duim lengte, en de randen der wond in de zijde zijn met groote robijnen bezet. Dit Christusbeeld rust op een zilveren draagbaar, die door dertig ongeschoeide, ongekamde, havelooze cholos gedragen wordt; in het rond branden een aantal groote waskaarsen, en het gansche beeld wordt, door verborgen veeren, voortdurend in een soort van zenuwachtige trilling gehouden.

De verschijning van dit beeld is het teeken voor het hervatten van den optocht. De processie zet zich in beweging; achter het Christusbeeld volgt de bisschop met het heilige sakrament, omstuwd en gevolgd door alle geestelijke en wereldlijke notabiliteiten. Ter wederzijde van den stoet gaan de monniken der verschillende orden, die ook den trein sluiten en gevolgd worden door de bagijnen. Eene dichte, luidruchtige, rumoerige menigte golft, dringend, hortend, schreeuwend, achter de processie, en perst en duwt om zoo mogelijk nabij het Christusbeeld te komen en dat mede te helpen dragen, hetgeen in den regel aanleiding geeft tot vechtpartijen. Zoo vervolgt de processie, onder eene onbeschrijfelijke en steeds toenemende verwarring, telkens opgehouden en telkens voortworstelende, haar weg, en keert eindelijk, na in twee uren een afstand te hebben afgelegd, dien een gewoon wandelaar binnen tien minuten zou afleggen, in de kerk terug. Ik behoef bijna niet te zeggen, dat de dag in drinkgelagen en ongebondenheid eindigt.

Gedurende mijn verblijf te Cuzco, ben ik ook getuige geweest van den plechtigen intocht van een bisschop en de benoeming van een president, bij welke gelegenheid Cuzco groote feesten aanrichtte, die drie dagen duurden. De eerste dag werd er een plechtige mis gevierd, en daarna, op den vollen middag, op het plein voor de hoofdkerk, een groot vuurwerk afgestoken; op den tweeden dag voerden de kweekelingen van het college van San-Bernardo een treurspel op,Antonius en Cleopatragetiteld. De voornaamste dames van de stad, vooraf uitgenoodigd door brieven op wit en rose satijn gedrukt, vereerden de opvoering met hare tegenwoordigheid. Een student in de theologie, met eene vrij donkere gelaatskleur, maar gekapt met een pruik met lange krullen en een toque met vederen, met hooge borsten, en gekleed in een witte japon met zes rijen volants, vervulde de rol der schoone koningin van Egypte. Een zijner kameraden, met een sapeursbaard aan zijn kin, een driekanten hoed met veêren, een zwarten rok en broek en hooge kaplaarzen, speelde voor Antonius.

De derde dag kenmerkte zich door een zoogenaamd stierengevecht. Het plein Cabildo, waar de waterdragers gewoon zijn hunne kruiken te komen vullen en een praatje te maken, was in een circus met zes rijen oploopende banken herschapen. Van twaalf tot vier uren werden achtervolgens twaalf stieren in het perk gelaten. Daar echter deze kunst te Cuzco nog in de kindsheid verkeert, had men, om een ongeluk te voorkomen, de horens der stieren afgezaagd en van proppen of ballen voorzien; er werden dan ook slechts enkele chulos, in wit en groen satijn gedost, tegenden grond geworpen, waarmede de zaak afliep. Met klokslag van vieren marcheerde een afdeeling soldaten, omstreeks dertig man sterk, in grijze uniformen, en met wit katoenen policiemutsen op het hoofd, den circus binnen, op de maat eener luidruchtige en krijgshaftige muziek, en schaarde zich in het midden. Daarop voerden zij eenige handgrepen uit, en begonnen toen op eene onbegrijpelijke wijze te draaien, te wenden en door elkander te marcheeren, waarbij zij telkens in hun ransel tastten en bloembladeren daaruit haalden, die zij op den grond lieten vallen. Toen deze manoeuvre afgeloopen was, groetten deze verdedigers van het vaderland zeer beleefd het publiek en trokken, achteruit gaande, af. Toen zag men op het gele zand, in kolossale bloemenletters van twee el, deze drie woorden:Viva el Peru!Een storm van toejuichingen en handgeklap was het loon voor dezen onschadelijken goochelaarstoer.

“Viva el Peru!”“Viva el Peru!”

“Viva el Peru!”

Tot de eigenaardige vermakelijkheden van Cuzco behooren ook de gemaskerde optochten, die vooral bij gelegenheid van het carnaval worden gehouden. Bij die optochten behooren zekere typen, die nooit ontbreken en steeds met welgevallen door het volk worden begroet. Een der zonderlingste dezer maskers is dechucchu(derdendaagsche koorts), voorgesteld door een Indiaan van middelbaren leeftijd, met een gedeukten strooien hoed op het hoofd, een beddelaken bij wijze van mantel om de leden, en met een vlierboom in de hand. Twee wonderlijk uitgedoste jongens vergezellen hem, waarvan de een een stoel, en de andere een reusachtige lavementspuit draagt. Om de honderd passen houdt de man, dien de koorts als een blad doet beven, even op, groet de voorbijgangers, gaat op zijn stoel op de knieën liggen, ligt zijn beddelaken op, en zet den jongen met het zoo even genoemde instrument aan het werk, natuurlijk tot groot genoegen van het publiek.

En hiermede nemen wij afscheid van Cuzco. Wellicht dat ik mijn lezers later uitnoodig, mij op mijn tocht door het binnenland te vergezellen.


Back to IndexNext