III.Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.Stadhuis te Middelburg.Stadhuis te Middelburg.Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.Heulen.Heulen.De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struikenergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagenonverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s encottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dateigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- enpepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmenons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.Op weg naar de kermis.Op weg naar de kermis.Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeerjuist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6denSeptember 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk:Repos ailleurs.Zakmes van een zeeuwschen boer.Zakmes van een zeeuwschen boer.Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene handin de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.Het huis de Steenrots te MiddelburgHet huisde Steenrotste MiddelburgDe Rotterdamsche kade te Middelburg.De Rotterdamsche kade te Middelburg.
III.Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.Stadhuis te Middelburg.Stadhuis te Middelburg.Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.Heulen.Heulen.De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struikenergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagenonverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s encottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dateigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- enpepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmenons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.Op weg naar de kermis.Op weg naar de kermis.Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeerjuist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6denSeptember 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk:Repos ailleurs.Zakmes van een zeeuwschen boer.Zakmes van een zeeuwschen boer.Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene handin de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.Het huis de Steenrots te MiddelburgHet huisde Steenrotste MiddelburgDe Rotterdamsche kade te Middelburg.De Rotterdamsche kade te Middelburg.
III.Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.Stadhuis te Middelburg.Stadhuis te Middelburg.Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.Heulen.Heulen.De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struikenergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagenonverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s encottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dateigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- enpepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmenons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.Op weg naar de kermis.Op weg naar de kermis.Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeerjuist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6denSeptember 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk:Repos ailleurs.Zakmes van een zeeuwschen boer.Zakmes van een zeeuwschen boer.Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene handin de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.Het huis de Steenrots te MiddelburgHet huisde Steenrotste MiddelburgDe Rotterdamsche kade te Middelburg.De Rotterdamsche kade te Middelburg.
III.Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.Stadhuis te Middelburg.Stadhuis te Middelburg.Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.Heulen.Heulen.De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struikenergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagenonverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s encottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dateigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- enpepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmenons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.Op weg naar de kermis.Op weg naar de kermis.Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeerjuist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6denSeptember 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk:Repos ailleurs.Zakmes van een zeeuwschen boer.Zakmes van een zeeuwschen boer.Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene handin de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.Het huis de Steenrots te MiddelburgHet huisde Steenrotste MiddelburgDe Rotterdamsche kade te Middelburg.De Rotterdamsche kade te Middelburg.
III.
Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.Stadhuis te Middelburg.Stadhuis te Middelburg.Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.Heulen.Heulen.De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struikenergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagenonverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s encottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dateigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- enpepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmenons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.Op weg naar de kermis.Op weg naar de kermis.Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeerjuist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6denSeptember 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk:Repos ailleurs.Zakmes van een zeeuwschen boer.Zakmes van een zeeuwschen boer.Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene handin de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.Het huis de Steenrots te MiddelburgHet huisde Steenrotste MiddelburgDe Rotterdamsche kade te Middelburg.De Rotterdamsche kade te Middelburg.
Tusschen Vlissingen en Middelburg reden vroeger een soort van wagens, zeer veel overeenkomende met de in Holland welbekende snorwagens, maar die hier den eigenaardigen naam droegen van pietjeswagens, of ook wel bij verkorting pieten. Zij ontleenden dien naam aan de bijzonderheid, dat de vracht voor vier personen niet meer dan een pietje, zes-en-een-halve stuiver, bedroeg. Zeker goedkoop genoeg. Nu, de wagens maakten ook geen aanspraak op bijzondere sierlijkheid; vrees voor op hol gaan, behoefden de passagiers ook niet te koesteren, want de eerwaardige paarden, voor deze pietjeswagens gespannen, waren hun laatste stadium van bruikbaarheid sinds lang ingetreden. De pietjes en de pietjeswagens zijn beiden verdwenen; de eersten zijn opgeruimd bij de hervorming van het muntstelsel; de anderen hebben moeten wijken voor meer moderne vervoermiddelen, omnibussen en spoorwegen.
Stadhuis te Middelburg.Stadhuis te Middelburg.
Stadhuis te Middelburg.
Gij zult het wel begrijpelijk vinden, dat wij, op dien fraaien zomerdag, de voorkeur gaven aan eene wandeling boven welk antiek of modern vervoermiddel ook. Alzoo, de reistasch omgehangen, den trouwen stok ter hand genomen, en dan op weg.
Heulen.Heulen.
Heulen.
De trouwe stok? Wel zeker; verwondert u dat epitheton? Hebt ge nimmer een voetreis gedaan, en voeldet ge dan niet eene zekere gehechtheid, die met den dag toenam, voor het valies, dat uw sobere bagage bevatte, voor den stok, die u schraagde en steunde, en bij het beklimmen van steile bergpaden van zoo groote dienst was? Was het u niet, terwijl ge eenzaam, in een onbekende streek, uwen weg vervolgdet, of dat valies, die stok, oude bekenden, vrienden waren, die voor u het zoet te-huis, met al zijne herinneringen vertegenwoordigden, en in het vreemde land u de eenzaamheid minder eenzaam maakten? En wanneer die stok, ten gevolge van veelvuldige diensten, eindelijk onbruikbaar begon te worden, zaagt ge dan niet met smart het oogenblik naderen, waarop ge hem door een anderen zoudt moeten vervangen; en wanneer dan eindelijk, na lang uitstel, dat oogenblik gekomen was, als ge volstrektelijk van hem scheiden moest,—wel, is het u dan nooit overkomen, dat ge in de struikenergens een plekje zocht, waar ge dien makker, dien ge hadt leeren waardeeren, ter ruste legdet, liever dan hem eenvoudig op den openbaren weg weg te werpen? Begrijpt ge daar niets van; niets van de liefde van den werkman voor zijn gereedschap, van den soldaat voor zijn wapen, van den jager voor zijn geweer; niets van de liefde voor huisraad, kleedingstukken of versierselen... ja, dan zal ik maar niet beproeven, mijn epitheton van trouw, aan mijn stok toegekend, te verdedigen.—Overigens, ik moet het erkennen, is dat gevoel, waarvan ik sprak, zeer bepaald ouderwetsch, en der verdwijning nabij. In trouwe, hoe zal men zich ook, in deze eeuw van stoom en fabriekmatige voortbrenging op groote schaal, aan eenig voorwerp kunnen hechten? Vooreerst zijn die voorwerpen niet bestemd om te duren: zij zijn op niets anders aangelegd dan op de behoefte, den smaak, de gril van ’t oogenblik: wijzigen zich die—en zij doen dat telkens—dan verliezen ook de voorwerpen zelven hunne waarde, en worden, voor een korte poos, door anderen vervangen, die weer even snel verdwijnen. Kleedingstukken, die van vader op zoon, van moeder op dochter, overgaan, dikwerf drie of vier geslachten achtereen; meubelen, die eeuwen lang de huiskamer versieren: waar zijn ze nog te vinden? En hoe wilt ge, dat de mensch zich hechten zal aan deze vluchtige dingen, die hij heden in gebruik neemt, om ze morgen als onbruikbaar of uit de mode weer ter zijde te zetten? Maar er is voor deze onverschilligheid omtrent de onbezielde voorwerpen onzer omgeving nog een dieper liggende oorzaak. Vroeger droeg ieder voorwerp, ieder meubel, elk stuk huisraad of gereedschap, een eigenaardigen stempel, had eene eigene geschiedenis; elk daarvan was het gewrocht van een denkend hoofd, van eene kunstvaardige hand, die niet hadden kunnen nalaten, het merk der oorspronkelijkheid in hare schepping af te drukken, aan elk voorwerp, ook aan het minst beteekenende, eene eigene physionomie te geven. Daar leefde een ziel in al deze schijnbaar ziellooze dingen: en deze ziel was het, die den bezitter of gebruiker aantrok, die, onbewust, in zijn eigen gemoed diep verborgen snaren trillen deed, en hem het voorwerp zelf lief deed krijgen. Zie, dat alles is verloren, en reddeloos verloren gegaan, sedert de fabrikage den handenarbeid heeft vervangen, sedert de machine—de inderdaad geest- en ziellooze—den mensch, den kunstenaar, heeft verdrongen. Gezwegen nog van de wezenlijke kunstwaarde, die toch onafscheidelijk is van vinding en inspiratie, van individualiteit in één woord;—welk, ja, laat ik zeggen geestelijk, karakter kunnen zij nog hebben, die voorzeker onberispelijk afgewerkte voorwerpen, die, onderling allen volmaakt gelijk, door eene met de regelmatigheid van het noodlot werkende machine, met volslagenonverschilligheid, bij duizenden tegelijk worden voortgebracht? Hoe zullen zij tot ons gemoed kunnen spreken, zij, aan wier vervaardiging geest noch gemoed het allergeringste aandeel had? Ziet ge, dat is mede een van de vele manieren, waarop de moderne industrie de poëzie des levens ondermijnt en vernietigt; naar ik vreeze, niet zonder groote schade voor ons zelven en die na ons komen zullen. Is het onmiskenbare comfort, dat ze ons in ruil geeft, voldoende vergoeding voor dit groote gemis?
Maar ik zou vergeten, dat wij op weg zijn van Vlissingen naar Oost-Souburg; en dat het u waarschijnlijk verdrieten zou, op dezen heerlijken, zonnigen, geurigen Meimorgen, terwijl alles rondom ons leven en lust en vroolijkheid ademt, naar zulke sombere overdenkingen te luisteren. Vergeef mijne zwakheid: de oude tijd trekt mij machtig aan.—Doch nu, laat uw blikken dwalen over deze welige weiden en velden, in de verte door de blinkend witte toppen der duinen begrensd; adem de frissche lucht in, die u hier van alle kanten tegenstroomt, nog doortrokken van de krachtige geuren der zee. Langs den breeden, met fraaie boomen beplanten straatweg, ziet ge meest nieuwerwetsche buitenhuizen, villa’s encottages, in allerlei bouwstijl, en door sierlijk aangelegde tuinen omringd. Ginds, op het veld, arbeiden mannen en vrouwen: krachtige, kloeke figuren, waarop ge uw oog met welgevallen laat rusten. Beklaag hen niet, al is nu, vooral in dezen tijd, hun dagtaak zwaar; al moeten zij, in den meest letterlijken zin des woords, in het zweet huns aanschijns hun brood eten. O, duizendmaal beter deze arbeid in de vrije natuur, onder Gods wijden hemel, op het spijze voortbrengende veld, dan die in de dompige fabriek, met honderden soms opgesloten te midden van een half verpesten dampkring, van helsch geraas, veroordeeld de onzelfstandige dienaars te zijn van stoom en machines. Beklaag ze niet: de veldarbeid, die het brood uit de aarde doet ontspruiten, is de oudste en eerwaardigste, is nog altijd, voor lichaam en ziel, in menig opzicht de gezondste.
Treden wij even die hoeve daar binnen, wier groen en rood geschilderde luiken zoo scherp afsteken tegen den witten muur, waarop de zorgvuldig besnoeide, langs latten geleide linden hun schaduw werpen. Een aardige, vriendelijke groep, niet waar, die oude man aandachtig in den Bijbel lezende; die jonge vrouw, met het kind op haar schoot; terwijl de echtgenoot en vader, ook hij in de eerste kracht des levens, met zijn eerstgeboorne speelt. Door de boomen heen dringen de zonnestralen in het stille rustige vertrek, en spreiden een warmen gloed over de eenvoudige bruin-houten meubelen, over den wit gepleisterden muur, waartegen de welbekende friesche klok hangt, wier eentonig getik zoo uitnemend bij dit kalme binnenhuis-tafreeltje past.
Wij toeven even op den drempel: mijn vriend had schik in dit tooneel, in dit hollandsch binnenhuisje, dus op ’t leven betrapt. Zoodra men ons gewaar werd, en althans een onzer als landgenoot was erkend, werd ons aanstonds een stoel aangeboden, waarvan wij gebruik maakten om met deze goede menschen—welgestelde landlieden—een poosje te praten. Van hen vernamen wij ook, waarom het op den straatweg zoo bijzonder druk was: het was kermis te Oost-Souburg.
Het duurde niet lang, of wij werden dit ook aan andere teekenen gewaar. Uit de verte klonk ons dateigenaardig dof gerucht tegen, waaraan eene groote woelige menigte reeds van verre kenbaar is; en daar boven uit vernamen wij gezang en geschreeuw, tromgeroffel en trompetgeschal, een onharmonische mengeling van allerlei verwarde geluiden.... Nog eenige schreden, en wij staan midden op de kermis.
Wij bevinden ons op een ruim plein met statige lindeboomen beplant, en uitloopende in eene lange, vrij breede straat, ter wederzijde omzoomd door kleine steenen huizen, met groen geverfde deuren en witte kozijnen, netjes en welvarend van voorkomen. Trouwens Oost-Souburg is een vrij aanzienlijk dorp, dat nog tegenwoordig zijn rang ophoudt, al heeft het heugenis van oude dagen. Was het niet, in vroeger eeuw, beroemd om het wonderdoende beeld van Onze-Lieve-Vrouwe, in een nis van den toren geplaatst, en waarheen de bedevaartgangers uit het geheele land van Walcheren opgingen om van hunne kwalen genezen te worden? De beeldenstorm wierp het beeld ter aarde, en liet alleen de ledige nis; Oost-Souburg is geen heilige plaats meer, maar het heeft nog veel van zijn oude welvaart, van zijn oud aanzien behouden.
Een aardig tafreel. Ter wederzijde van het ruime plein staan breedgetakte, bloeiende linden, die de lucht met de geuren hunner welriekende bloesems vervullen; on daaronder staan een aantal karren en wagens, opzichtig rood en groen geschilderd, en met witte huiven overdekt. Langs den rand zijn, bij wijze van slingers, kleurige zijden doeken opgehangen. In de wagens, onder de witte huiven, zitten jongelieden van beiderlei kunne. De jonkmans dragen ronde hoeden, deels met zeer smalle, deels met zeer breede omgeslagen randen; de laatsten, waaraan ge de boeren uit het Nieuwland herkennen kunt, prijken meestal met een breed fluweelen lint met bloemen gestikt. Om den hals dragen zij een doek van sterksprekende kleur; aan hun hemdsboord prijken twee groote gouden of althans vergulde, opengewerkte knoopen. Voorts bestaat hunne kleeding uit een buis, rok of kortrok genaamd, met een opstaand kraagje van pluis, en een korten broek van zwart fluweel, waarvan de band met twee of ook wel vier groote opengewerkte zilveren platen, broekstikken geheeten, is versierd. De hemd- of borstrok is doorgaans scharlakenrood, met groote blauwe, gele of paarse bloemen bewerkt, en voorzien met eene menigte zilveren knoopen, wel twintig in getal. De plompe, van voren zeer breed uitloopende schoenen behoeven slechts groote strikken, om u aan het schoeisel van voor twee- of driehonderd jaren te herinneren. Uit den rechter broekzak steekt vaak het zilveren of hartshoornen heft van een groot mes, dat gebruikt wordt om vleesch of brood mede te snijden, maar ook somwijlen een gevaarlijk wapen wordt. Zelfs kleine jongens, wier kleeding overigens geheel op die hunner ouders gelijkt, dragen zulke messen, natuurlijk van geringer afmetingen en eenvoudiger vorm, bij zich.
Al de jonge dochters, uitgezonderd die in den rouw zijn, dragen een witten strooien hoed, die een weinig naar voren staat; van achteren is de rand van dien hoed versierd met een strook van blauw geplooid lint; lange linten van dezelfde kleur hangen op den rug; onder de kin wordt de hoed vastgestrikt met veelkleurige linten, die door een gouden haak worden saamgehouden. Van het haar ziet ge weinig of niets. Maar wat natuurlijk in de eerste plaats de aandacht van mijn vriend trok, was het hoofdtooisel dezer vrouwen en meisjes, want zoo iets ziet men, geloof ik, buiten Nederland bijna nergens. Op de zeeuwsche eilanden is, althans op het platteland, het dragen van oorijzers nog vrij algemeen in zwang. Die oorijzers zijn hier, op Walcheren, van zilver, en van voren ter wederzijde voorzien van kleine gouden spilvormige krulletjes, waarin groote gouden spelden met vrij zware knoppen steken. Bovendien is zeer dikwijls aan het oorijzer nog een zoogenaamde hoofd- of voornaald van geciseleerd goud bevestigd, die dwars over het voorhoofd loopt: bij de jonge meisjes van rechts naar links, bij de getrouwde vrouwen van links naar rechts. Voeg daar nu bij een paar groote gouden oorbellen, en een bloedkoralen ketting van drie of vier snoeren met een groot gouden of juweelen slot: en ge zult mij toegeven dat zulk een hoofdtooisel, gezwegen nog van de soms zeer fraaie kanten muts, voor ’t minst kostbaar genoeg is, al mag het ook, naar mijn smaak, geen aanspraak op bevalligheid maken. Gelukkig dat er onder deze walcherensche boerinnetjes velen zijn, wier fijn besneden gezichtjes, blozende van gezondheid en levenslust, u met ieder kapsel kunnen verzoenen, dat zoo lief gelaat omlijst.
Het jak of dusgenaamde manteltje, van glanzend blauwe, zwarte of bruine zijde, met fluweel omboord en met korte mouwen, is van voren zeer laag uitgesneden. De borst is bedekt met een kanten doek, over een blauwe of rooskleurige stof geplooid, en versierd met twee of drie strikken van veelkleurig lint. Tusschen dezen borstlap, waarvan de technische naam mij ontschoten is, en den zoom van het manteltje, prijkt een zijden doek met breede plooien en van zeer schitterende kleur. De gegoede vrouwen en meisjes dragen tot zes en zeven rokken over elkander; de bovenste rok is altijd donkerkleurig en van onderen met fluweel omboord. Over dien rok wordt de schorte of boezelaar gedragen, die dikwijls van blauwe zijde is en met violette linten wordt vastgestrikt.
Bij feestelijke gelegenheden als deze, dragen nog enkele vermogende vrouwen en meisjes den antieken beugeltasch van zwart fluweel met massief zilveren slot, doorgaans aan een ketting van hetzelfde metaal hangende. In dien tasch hebben zij fraai bewerkte zilveren reuk- enpepermuntdoosjes, en verder eenig geld. Ook hangt nog dikwijls, onder de schorte, mede aan een zilveren ketting, een groote zilveren schaar. De vingers der rechterhand zijn, bij de meisjes, overladen met gouden ringen, waaronder enkelen, die met groote kostbare steenen prijken en zeer fijn bewerkt zijn. De getrouwde vrouwen dragen alleen haar trouwring. De schoenen zijn voorzien van gespen, wier vorm en grootte niet alleen op de verschillende eilanden, maar zelfs op de verschillende dorpen, anders is.
Denk u nu deze bonte, kleurige groepen, schilderachtig omlijst door de witte huiven der wagens, en nu en dan plotseling verlicht door een dartelen zonnestraal, die door het gebladerte der linde heenschiet,en weerspiegelt in de hoofdnaalden, in de gouden en zilveren knoopen en gespen, die over de zijde en het fluweel een glanzigen weerschijn doet spelen, en der kleurenmengeling warmer tinten geeft; denk u de frissche blozende gezichten en krachtige slanke gestalten dezer jonge lieden, typen vaak van mannelijke kracht en vrouwelijk schoon, met hunne fijn besneden sprekende trekken, hunne donker bruine of helder blauwe oogen, stralende van gezondheid en levenslust:—en ge zult u wel kunnen begrijpen, dat wij met welgevallen dit levendig, schilderachtig tooneel beschouwden, waar telkens nieuwe beelden onze aandacht vorderden, nieuwe schakeeringen, nieuwe tegenstellingen van licht en bruin, onze bewondering opwekten.
De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.
De Oost- of Koepelkerk te Middelburg.
Welk een drukte en gewoel om ons heen! Caroussels, koek- en wafelkramen, uitstallingen van allerlei aard, enkele kleine spellen, waar koorddansers of goochelaars hunne kunsten vertoonen, of vreemde zonderling misvormde schepsels zijn te zien, of wel panorama’s van verre landen en steden worden vertoond. Een bijna oorverdoovend gerucht van trommels en trompetten, van fluitjes en draaiorgels, van joelende, zingende, schreeuwende stemmen. En dat alles loopt en warrelt en krioelt door elkander, in verbijsterende kleurenmengeling, tusschen de tenten en kramen, onder de kalme, lommerrijke boomen, over het ruime, zonnige plein. Onophoudelijk rijden de karren en wagens af en aan, want niet altijd stappen de bezoekers af om op de kermis te vertoeven. Velen, vooral die van elders komen, blijven in hun wagen zitten en vergenoegen zich met een kijkje te nemen. Anderen gaan de druk bezochte herbergen binnen, waaruit een verward gerucht van muziek en gezang en door elkander pratende stemmenons tegenklinkt. Wij treden even een dier herbergen binnen. Op een kleine verhevenheid—waarschijnlijk een plank over een paar vaten gelegd,—zitten drie muziekanten, waarvan twee op half ontstemde violen krassen, en een derde aan een aamborstige fluit melankolieke tonen ontlokt. Eenige jeugdige paren dansen op deze muziek,—in de stampvolle gelagkamer, in een bijkans verstikkende atmospheer van tabaksrook, jenever en likeur, op een warmen zomerdag! Maar zie, daar voor op de bank: wat aardige groep. Een krachtig gebouwde, welgemaakte jonkman, in zijn fraaiste pak uitgedost, biedt, half knielend, zijn meisje een glas wijn aan. De manier, waarop hij dit doet, is zeer bijzonder. Hij houdt den voet van het ten boorde gevulde glas in den mond, en zij drinkt er zoo uit, zonder van den wijn te storten. Zij is mede eene mooie, flinke, blonde boerendeern, met heldere oogen, blozende wangen en een schalk lachenden mond. De groep is geestig en teekenachtig genoeg, om in het schetsboek van mijn reisgenoot te worden bewaard.
Op weg naar de kermis.Op weg naar de kermis.
Op weg naar de kermis.
Welk eene treurige figuur maakten, te midden van deze vroolijke, krachtige, levenslustige landelijke bevolking, in haar bonte, kleurige, schilderachtige kleederdracht, eenige eerzame burgerluidjes van Middelburg, met hunne lange, ouderwetsche jassen, hunne vaal-bleeke melankolieke gezichten, waarop de verveling en bekrompenheid van het klein-steedsche leven staan afgeteekend; met hunne doffe, glanslooze oogen en linksche bewegingen. Blijkbaar gevoelen zij zich hier, te midden van dit frissche, overvloeiende leven, niet op hun gemak, en trekt hun hart weder naar de stad, naar hun dompig kantoor of hun muffen winkel, waarin zij tot dusver hun leven verdroomden, tot ze zelven suf werden.
Wat de boeren en boerinnen betreft, zij zijn inderdaad een schoon en krachtig menschenras. Slank, welgebouwd, mager, gespierd, kalm en rustig, hebben zij over het algemeen iets gedistingeerds in hun voorkomen, dat ge bij hunne standgenooten in andere streken van ons vaderland vaak te vergeefs zoeken zoudt. Hun type herinnert zeer duidelijk aan hun oorsprong uit friesch of saksisch bloed, vooral het meestal smalle, scherp geteekende gelaat, met den sterk uitkomenden neus, de groote oogen en den fijn besneden mond. Menigmaal zoudt ge meenen Engelschen voor u te zien. Ook de vrouwen hebben dien fijnen blanken tint, die heldere, sprekende blauwe oogen, harer britsche zusters eigen. Zij zijn vroolijk en opgeruimd van aard, en ontzien zich niet, hardop te lachen. Misschien weten zij ook wel, dat zulk een lach haar fraaie witte tanden op het voordeeligst doet uitkomen. Deze vroolijke, levenslustige zin doet overigens harer degelijkheid geen afbreuk, de zeeuwsche boerin, huisvrouw en moeder geworden, zal geen harer plichten verzuimen, of in ijver en werkzaamheid onderdoen voor hare misschien ietwat stijver en stemmiger zusteren in de noordelijke provinciën. Overigens staat het met deze stemmigheid en deftigheid, dezen onverstoorbaren flegmatischen ernst, die zoo vaak ons volk als een verwijt voor de voeten wordt geworpen, inderdaad toch niet zoo erg geschapen, als men somtijds wel meent. Onze vaderen wisten zeer goed vroolijk te zijn en het leven te genieten: ge behoeft slechts hunne portretten op onze regentenstukken en schuttersmaaltijden aan te zien, om ten volle overtuigd te worden, zoo ge het niet reeds van elders wist, dat deze kloeke mannen in het minst geen asceten waren, en de dooding des vleesches juist niet het hoofddoel van hun streven was. Ongetwijfeld heeft het strenge Calvinisme over ons volksleven een zekeren tint van stroeven ernst en afgekeerdheid van de wereld verspreid, aan de uiterlijke vormen van ons dagelijksch verkeer zekere stijfheid en afgemetenheid gegeven: maar, op den keper beschouwd, gold dit toch altijd maar van zekere kringen, en op verre na niet van het algemeen. De voortdurende klachten en beschuldigingen der predikanten over zedeloosheid en losbandigheid, behoeft men zeker niet naar de letter op te vatten: maar zooveel blijkt er toch uit, dat ook zij, die zoo vaak als oppermachtige toongevers worden beschouwd, hun ideaal schier in geen enkel opzicht verwezenlijkt vonden; en dat hunne klachten en beschuldigingen, hunne vermaningen en bedreigingen weinig baatten, weten wij niet alleen uit hunne eigene getuigenis, maar ook uit die van anderen. Het hapert ons volk niet zoo zeer aan vroolijkheid en levenslust, maar wel aan dien fijneren takt, aan dat ingeschapen gevoel voor het betamelijke, het welstaande en schoone, dat ook te midden van vroolijkheid en lust de rechte maat weet te houden, en de grenzen van het welvoegelijke niet overschrijdt. En zou het niet juist het instinktmatig bewustzijn van dat gemis zijn, het gevoel dat men, toegevende aan de natuurlijke aandrift tot vroolijkheid, aanstonds gevaar loopt de perken te buiten te gaan en tot woeste losbandigheid over te slaan;—zou het niet juist die overtuiging zijn, die zoo menigmaal een onnatuurlijk zelfbedwang in het leven roept, eene stroeve terughouding, eene linksche stijfheid, welke zoo dikwijls voor deftigen ernst doorgaat en daar ook wel voor wil aangezien worden? Wie zich de vormen der fijne beschaving niet eigen weet te maken, zoekt wel meermalen zijn toevlucht in opzettelijke lompheid, die dan voor onafhankelijkheid van karakter gelden moet. Waaraan nu dat gebrek in ons volkskarakter is toe te schrijven? Ja, waarschijnlijk aan zeer verschillende oorzaken. Ik wil er slechts twee noemen, die, naar mijn inzien, daartoe krachtig hebben medegewerkt. Vooreerst, de heerschappij eener kerk, die bijna alle uitspanning en vermaak veroordeelde, althans zich ganschelijk daar buiten hield, en juist daardoor allen veredelenden invloed op deze uiting van het volksleven verloor. En ten andere, het gemis van eene echte aristokratie, van een schitterend hof, die een leerschool van beschaafde vormen en hoogere esthetische ontwikkeling konden zijn en dit elders ook inderdaad waren.
Maar wij dwalen af, en zouden wederom vergeten dat wij ons nog steeds te Oost-Souburg op de kermis bevinden. Trouwens, hetgeen wij om ons zien, is niet zoo geheel vreemd aan deze overdenkingen.—Ik heb daareven gepoogd, u de kleederdracht der feestvierende landlieden te beschrijven, en te doen gevoelen hoezeerjuist die bonte, veelkleurige kostumen, hoe onbevallig zo soms ook mogen zijn, aan geheel het tooneel een eigenaardig schilderachtig karakter geven; hoe ge juist daaraan dat betooverend spel van kleuren en tinten, van licht en bruin dankt, dat het oog van den kunstenaar verrukt. Maar ik had daarbij moeten voegen, dat ook hier in Zeeland, dit nationale kostuum een harden kamp te voeren heeft met de steeds verder en verder doordringende mode, wier hoogste ideaal de algemeene eenvormigheid is. Voorzeker zal het nog een geruime tijd duren, eer de zeeuwsche boer zijne trouwens reeds eenigermate gewijzigde, voorvaderlijke kleeding verwisselt voor die van den stedeling; eer de boerin haar oorijzer en hoofdnaald, haar kanten muts en strooien hoed, haar laag uitgesneden jak en kanten borstlap aflegt, om de uitzinnigheden van het moderne dames-toilet na te volgen. Maar toch, de strijd is begonnen: en in de grootere steden, onder de aanzienlijke en gegoede standen, is het nationaal kostuum reeds vergeten; ja ook op het land is eene zekere zucht tot afwijking van de traditioneele kleeding merkbaar, vooral in de gehalte en keuze der stoffen. En wanneer deze beweging eenmaal begonnen is, kan ze sneller om zich grijpen, dan men vermoedt; vooral nu Zeeland in meer rechtstreeksche gemeenschap is gebracht met andere gewesten en landen, nu de bevolking meer in aanraking met vreemden zal komen, en de stijgende welvaart ook hier in de zeden en denk- en levenswijze eene verandering zal te weeg brengen, die het vasthouden aan oude vormen en overgeleverde gebruiken weldra onmogelijk zal maken. Zoo zal waarschijnlijk ook hier, na korter of langer tijd, de lokale kleur, de individualiteit en oorspronkelijkheid, verdwijnen en opgelost worden in het eenvormige eenerlei, dat wel de vloek van onze moderne beschaving mag heeten. Gelukkig daarom, dat het ons nog gegund is, dit nationale leven in zijne oorspronkelijke vormen en uitingen te bespieden en te waardeeren; wie weet hoe spoedig dit alles, als zooveel schoons en voortreffelijks, tot de herinneringen van een onherroepelijk verleden zal behooren!
Oost-Souburg, halverwege tusschen Middelburg en Vlissingen gelegen, behoorde vroeger met het dorp West-Souburg tot de aloude heerlijkheid van Souburg, waarvan reeds in de registers der utrechtsche kerk melding wordt gemaakt, en die haar naam schonk aan een eigen geslacht van edellieden, de Heeren van Souburch, wier naam een en andermaal in de zeeuwsche geschiedenis wordt genoemd. Later in handen gekomen van het aanzienlijke, wijdvertakte geslacht der Van Borsselens, ging de heerlijkheid, in het laatst der vijftiende eeuw, over in handen van de Heeren van Bourgondië, afstammelingen van een natuurlijken zoon van Hertog Filips van Bourgondië. Het kasteel van Souburg herbergde toen meermaals vorstelijke bezoekers binnen zijne wanden. De jeugdige Aartshertog Karel van Oostenrijk vertoefde er in 1515; en een-en-veertig jaren later verscheen er nogmaals dezelfde Karel, de wijdberoemde, geduchte Keizer, der wereld en des levens moede, zijne kroon afleggende, om in een klooster althans eenigermate de rust te vinden, die hij in zijn woelig leven zoo weinig had gekend. Den 6denSeptember 1556 teekende hij, op den huize Souburg, zijne laatste “Ordonnantie op ’t poinct van de Religie”, en den volgenden dag, nadat hij de hoop om ook de keizerlijke kroon op het hoofd van zijn zoon Filips te plaatsen, had moeten opgeven, bekrachtigde hij de acte, waarbij hij de waardigheid van duitsch Keizer overdroeg aan zijn broeder Ferdinand, den Roomsch-Koning. De Souburg was des Keizers laatste herberg op nederlandschen bodem. Eenige jaren later, in 1575, ging de heerlijkheid over in handen van Filips van Marnix, Heer van Sint-Aldegonde, die aan het kasteel een nieuwen luister schonk. Zijn naam is het, die nog steeds in de herinnering voortleeft, waar van den Souburg wordt gesproken. Op de oud-adellijke huizinge woonde hij, als een vader onder zijne kinderen, nadat de val van Antwerpen hem de zoo lang genoten populariteit en zijne plaats in de regeering, voor een tijd althans, verliezen deed. Hier arbeidde hij aan zijne verklaringen van den Bijbel, aan zijne voortreffelijke, te zeer miskende psalmberijming; hier sleet hij eenige jaren in rust en vreedzame studiën, tot hij straks wederom geroepen werd het staatstooneel te betreden. En de oude man, schoon door tegenwerking en miskenning en velerlei ondank gekrenkt, door huiselijk leed gebogen, weigerde niet, de welverdiende rust te verlaten om te gaan, werwaarts zijn plicht hem riep. Voor hem was ze eene ernstige waarheid, die verheffende en wederom zoo weemoedige spreuk:Repos ailleurs.
Zakmes van een zeeuwschen boer.Zakmes van een zeeuwschen boer.
Zakmes van een zeeuwschen boer.
Het oude kasteel overleefde nog bijkans twee eeuwen zijn beroemden eigenaar, den vriend en medestrijder van Oranje, den dichter van ’t Wilhelmuslied, den innig vromen Christen, wiens naam in onze dagen zoo vaak, als eene krijgsleuze, wordt misbruikt door mannen, wier beginselen lijnrecht tegen de zijne overstaan, en van wie de edele held zelf, had hij ze gekend, zich ongetwijfeld met zekeren weemoed zou hebben afgewend. Maar het is, of met zijn dood ook de belangrijkheid van den ouden ridderburcht zelf verdwijnt; het kasteel gaat over van de eene handin de andere, tot het eindelijk in 1781 werd afgebroken en tot den grond gesloopt. Thans is er van deze edele huizinge niets meer over; en ook het weleer zoo aanzienlijke dorp West-Souburg, aan de andere zijde van het kanaal naar Middelburg gelegen, is thans weinig meer dan een armzalig gehucht. De weleer zoo schoone kerk, met vele altaren en praalgraven en gedenksteenen versierd, door Marnix hersteld en waarin zijn lijk ter ruste werd gelegd, werd in 1833 voor afbraak verkocht. Zoo is ook deze grootheid van het verleden ondergegaan: het adellijk kasteel, waar eenmaal Keizer Karel toefde, de kerk, waar de edele heeren van Souburg bij hunne vaderen werden bijgezet, ze zijn beiden verdwenen.
Het huis de Steenrots te MiddelburgHet huisde Steenrotste Middelburg
Het huisde Steenrotste Middelburg
De Rotterdamsche kade te Middelburg.De Rotterdamsche kade te Middelburg.
De Rotterdamsche kade te Middelburg.