VII.

VII.Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalenwerden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.De klapbank.De klapbank.Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepentegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:Nood! nood! groote nood!Klein en groot.Arm en rijk,Al naar den dijk!En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.Een zeeuwsche slede.Een zeeuwsche slede.De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door debresgaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in hetKasteel van Batavia, en de rijswerkers in denOranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrektniet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies:Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?—Neen, dat kan niet meer.—Waar kunnen wij eten en logeeren?—In hetKasteel van Batavia.”Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.“Kunt gij ons vleesch geven?—Neen.—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?—Eieren.—Goed.—En dan een eierkoek met salade.—Heel goed. Hebt ge ook wijn?—Ja wel.—Nog beter. Goed en niet duur?—Best en goedkoop.Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen.Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In hetSchuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.Een boer van Walcheren.Een boer van Walcheren.In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.De beker van Maximiliaan te Veere.De beker van Maximiliaan te Veere.

VII.Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalenwerden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.De klapbank.De klapbank.Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepentegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:Nood! nood! groote nood!Klein en groot.Arm en rijk,Al naar den dijk!En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.Een zeeuwsche slede.Een zeeuwsche slede.De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door debresgaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in hetKasteel van Batavia, en de rijswerkers in denOranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrektniet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies:Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?—Neen, dat kan niet meer.—Waar kunnen wij eten en logeeren?—In hetKasteel van Batavia.”Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.“Kunt gij ons vleesch geven?—Neen.—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?—Eieren.—Goed.—En dan een eierkoek met salade.—Heel goed. Hebt ge ook wijn?—Ja wel.—Nog beter. Goed en niet duur?—Best en goedkoop.Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen.Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In hetSchuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.Een boer van Walcheren.Een boer van Walcheren.In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.De beker van Maximiliaan te Veere.De beker van Maximiliaan te Veere.

VII.Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalenwerden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.De klapbank.De klapbank.Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepentegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:Nood! nood! groote nood!Klein en groot.Arm en rijk,Al naar den dijk!En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.Een zeeuwsche slede.Een zeeuwsche slede.De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door debresgaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in hetKasteel van Batavia, en de rijswerkers in denOranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrektniet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies:Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?—Neen, dat kan niet meer.—Waar kunnen wij eten en logeeren?—In hetKasteel van Batavia.”Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.“Kunt gij ons vleesch geven?—Neen.—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?—Eieren.—Goed.—En dan een eierkoek met salade.—Heel goed. Hebt ge ook wijn?—Ja wel.—Nog beter. Goed en niet duur?—Best en goedkoop.Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen.Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In hetSchuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.Een boer van Walcheren.Een boer van Walcheren.In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.De beker van Maximiliaan te Veere.De beker van Maximiliaan te Veere.

VII.Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalenwerden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.De klapbank.De klapbank.Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepentegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:Nood! nood! groote nood!Klein en groot.Arm en rijk,Al naar den dijk!En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.Een zeeuwsche slede.Een zeeuwsche slede.De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door debresgaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in hetKasteel van Batavia, en de rijswerkers in denOranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrektniet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies:Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?—Neen, dat kan niet meer.—Waar kunnen wij eten en logeeren?—In hetKasteel van Batavia.”Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.“Kunt gij ons vleesch geven?—Neen.—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?—Eieren.—Goed.—En dan een eierkoek met salade.—Heel goed. Hebt ge ook wijn?—Ja wel.—Nog beter. Goed en niet duur?—Best en goedkoop.Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen.Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In hetSchuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.Een boer van Walcheren.Een boer van Walcheren.In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.De beker van Maximiliaan te Veere.De beker van Maximiliaan te Veere.

VII.

Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalenwerden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.De klapbank.De klapbank.Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepentegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:Nood! nood! groote nood!Klein en groot.Arm en rijk,Al naar den dijk!En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.Een zeeuwsche slede.Een zeeuwsche slede.De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door debresgaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in hetKasteel van Batavia, en de rijswerkers in denOranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrektniet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies:Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?—Neen, dat kan niet meer.—Waar kunnen wij eten en logeeren?—In hetKasteel van Batavia.”Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.“Kunt gij ons vleesch geven?—Neen.—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?—Eieren.—Goed.—En dan een eierkoek met salade.—Heel goed. Hebt ge ook wijn?—Ja wel.—Nog beter. Goed en niet duur?—Best en goedkoop.Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen.Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In hetSchuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.Een boer van Walcheren.Een boer van Walcheren.In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.De beker van Maximiliaan te Veere.De beker van Maximiliaan te Veere.

Wij wandelen door eene uiterst vruchtbare streek: frissche weilanden en golvende akkers aan alle zijden. Ginds, in de verte, vertoonen zich de zilveren toppen der hooge blinkerts, badende in den zonnegloed, terwijl hunne hellingen als in een lichten nevelsluier gehuld zijn, die de schilderachtigste lichteffecten in het leven roept. Op en tegen de duinen groeien struiken en heesters en eikenopslag; kleine boschjes schakeeren het landschap, dat allengs een ander, een pittoresker karakter aanneemt. De weg loopt langs den voet van het duin, aan de andere zijde door akkers begrensd. Aan alles is het merkbaar, dat wij de zee naderen. Daar ligt een dorp voor ons: eene lange en vrij breede straat, met boomen beplant, en ter wederzijde van die hoofdstraat nog enkele buurten en stegen: wij zijn te Westkappel.

Westkappel of West-Kapelle was, volgens de overlevering, in overoude tijden eene aanzienlijke koopstad, aan de uiterste westpunt van Walcheren gelegen. Naar Melis Stoke verhaalt, zou Willebrord hier het Evangelie verkondigd en het beeld van een afgod, door onzen kroniekschrijver Mercurius genoemd, verbroken hebben. Wat hiervan zij, zooveel is zeker, dat Westkappel in de middeleeuwen eene welvarende stad was, die een niet onbelangrijken handel dreef en vooral ook door de vischvangst bloeide. Men zegt, dat in de zestiende eeuw, voor den aanvang der troebelen, jaarlijks zes-en-dertig buizen van Westkappel op de haringvangst uitvoeren; hare zeerechten waren algemeen bekend en bleven gedeeltelijk tot 1795 van kracht. Tot de welvaart der stad droeg zeker de bepaling bij der oude keur, dat ieder, die te West-Kapelle het poorterrecht begeerde en verwierf, moest zweeren minstens drie jaar lang de poorterij te zullen houden. De onlusten der zestiende eeuw waren echter voor de onversterkte, weerlooze stad zeer noodlottig, en bewogen velen hunne woonplaats naar elders, naar Middelburg of Vlissingen, over te brengen.

Het meest had en heeft zij nog thans te lijden gehad en nog steeds te duchten van de zee, aan wier geweldigste aanvallen deze voorpost van Walcheren in dubbele mate is blootgesteld. Meermalenwerden de natuurlijke of kunstmatige zeeweringen vernield, en moesten de inwoners van Westkappel voor den steeds verder doordringenden vijand terugwijken. Het tegenwoordige dorp staat dan ook niet meer op dezelfde plaats, waar de voormalige stad verrees; bereids in 1470 werd de thans afgebrande kerk, waarvan alleen de toren, tot vuurtoren ingericht, nog over is, landwaarts in herbouwd, omdat de vroegere kerk door de zee verzwolgen was.

Het eenvoudige dorp bezit eene merkwaardigheid, die zelden nalaat vooral de aandacht van vreemdelingen te trekken: de groote westkappelsche dijk, een der belangrijkste zeeweringen van ons vaderland. Langs dit uitstekend gedeelte der walcherensche kust, zijn de duinen sedert lang weggeslagen, zoodat men tot andere middelen de toevlucht moest nemen, om den aanval der zee te keeren, die, hier doorbrekende, het gansche eiland met ondergang zou bedreigen. Om die ramp te voorkomen, is een zeer zware dijk opgeworpen, die eene lengte heeft van drieduizend-driehonderd-twee-en-vijftig el, en eene hoogte van ongeveer vier el boven volzee. Behalve door dezen geweldigen dijk, wordt de kust nog verdedigd door hoofden en paalwerk: de jaarlijksche onderhoudskosten dezer zeewering bedragen gemiddeld negentigduizend gulden.

De klapbank.De klapbank.

De klapbank.

Op het stadhuis te West-Kapelle zijn nog, in een oud handschrift de volgende woorden te lezen: “Opten veerthienden dach van Julius, int jaer Ons Heeren duysent-vijfhondert-veertig, was hier tot Westcapel, den hoogen, edelsten, mogensten, victorieusten, en welgebooren Heere, ons genadigste Prince ende machtigste Keizer van Roome, Koninck van Spangien, Carolus, omme alle de nieuwe dycken te visiteeren, zoo hier te Westcapelle, als oock omtrent te Gasthuise; ende alsdoen wierden hier eerst die staketten gesteld ende gemaeckt; ende schonk die werkluyden, die daer stonden en heyden, drie dobbele ducaten; ende van hier trok hy voorts na Westhove, by den prelaet, genaamt Heer Floris, Abt van Onzer Liever Vrouwenklooster binnen Middelburgh.”—Deze dijk, die aldus reeds kort na zijn aanleg de eer van een keizerlijk bezoek ontving, bleef eene groote aantrekkingskracht uitoefenen,—ook Napoleon I bezocht den westkappelschen dijk;—en oefent nog steeds een machtigen invloed uit op geheel het leven der bewoners van West-Kapelle, die van ouder tot ouder dijkwerkers zijn. De groote dijk, van wiens behoud aller leven en welvaart afhing, was steeds het voorwerp van aller zorg, van aller liefde en belangstelling. Als, in het onstuimige najaar, de noordwesten orkaan bulderend door de lucht gierde, en de geweldige golven der opgezweepte Noordzee, in dolle woede, stormliepentegen den machtigen dijk, dan werd in West-Kapelle de alarmklok geluid, dan ging de omroeper rond door het dorp, slaande op zijn koperen bekken, en roepende met luider stem:

Nood! nood! groote nood!Klein en groot.Arm en rijk,Al naar den dijk!

Nood! nood! groote nood!

Klein en groot.

Arm en rijk,

Al naar den dijk!

En op die roepstem bleef niemand achter, en betrok ieder de gevaarvolle post, waar plicht en eer hem riep.

Een zeeuwsche slede.Een zeeuwsche slede.

Een zeeuwsche slede.

De dijkwerkers zijn in ploegen van ongeveer dertig man elk verdeeld. Tegenwoordig zijn er zeven ploegen timmerlieden, vijf ploegen rijswerkers, en nog eene dertiende ploeg, die vroeger eene soort van reserve vormde, en die met de werkzaamheden belast is, welke noch door de timmerlieden, noch door de rijswerkers worden uitgevoerd. Naar men zegt, zouden de timmerlieden de afstammelingen zijn van de oudste bewoners van West-Kapelle, en de rijswerkers die van later aangekomen kolonisten. De vroegere reserve-ploeg, oneigenlijk de elfde genoemd, bestaat uit de nakomelingen van lieden, die in de vorige eeuw het poorterrecht van West-Kapelle verwierven, en aan wie, bij uitzondering, werd vergund, de dijkwerkers behulpzaam te zijn. De mannelijke afstammelingen van een dijkwerker hebben het recht mede in het gilde opgenomen te worden.

Iedere ploeg heeft een eigen opperhoofd, baas genoemd, en een eigen boekhouder: beiden worden door de werklieden gekozen. Moet er een of ander werk worden uitgevoerd, dan geeft de opzichter daarvan aan de bazen kennis, die aanstonds de ploegen bijeenroepen; de jongst aangekomenen verrichten de boodschappen en doen de oproepingen. Als de knapen ongeveer dertien jaar oud zijn, worden zij bij eene ploeg ingedeeld, en moeten dan, gedurende een jaar, beurtelings de leden der vereeniging bijeenroepen.

De opneming in het gilde geschiedt met zekere plechtigheid. De kandidaat moet, alvorens toegelaten te worden, door debresgaan: dat wil zeggen, tusschen twee rijen jongelieden, die hem van alle kanten stooten en duwen. Als deze ceremonie is afgeloopen, wordt hij voor den baas gevoerd, die hem zijne verplichtingen voorhoudt, en voor wien hij de belofte aflegt, dat hij die trouw nakomen zal. Daarna begeeft de ploeg zich naar de herberg, waar het nieuwe lid zijne kameraden op jenever moet trakteeren.

De scheiding tusschen de timmerlieden en de rijswerkers wordt zeer streng volgehouden. Elke afdeeling heeft haar eigen herberg, en in die herberg heeft weder iedere ploeg haar eigen tafel. De timmerlieden vereenigen zich in hetKasteel van Batavia, en de rijswerkers in denOranjeboom, waar ook een achtervertrek bestemd is voor de zoogenaamde elfde ploeg. Alleen aan het zetten van stroomatten arbeiden allen te zamen. De opzichters verdeelen daartoe den dijk in zooveel vakken, als er ploegen zijn, en wijzen aan iedere ploeg het dijkvak aan, dat met stroomatten moet worden bezet.

De betaaldag, drift genoemd, is een feestdag voor het geheele dorp. Elke ploeg begeeft zich naar haar eigen herberg, waar de baas het geld op de tafel uitstort, en de boekhouder voor ieder zijn deel uittelt, zonder dat daarover ooit verschil ontstaat. Men weet dat hij dagelijks, met groote nauwgezetheid, aanteekening heeft gehouden van het door ieder verrichte werk en het hem toekomend loon. Bij die verdeeling krijgt een jongen een derde gedeelte; twee jaar later een half part; dan vijf zesde deel, en eindelijk het volle loon van een volwassene. De boekhouder zegt hoeveel ieder verdiend heeft, en de baas deelt het geld uit. De vertering in de herberg is voor algemeene rekening. Er wordt niet anders gedronken dan klare jenever. Een tinnen kan met dat vocht gevuld, staat op de tafel; daarnaast staat een glas, dat onophoudelijk geledigd en weder gevuld wordt, en voortdurend van hand tot hand rondgaat. Toch ontstaat er bij zulke gelegenheden maar zeer zelden twist. Indien een der werklieden wat lastig wordt en ruzie zoekt, leggen de anderen hem het stilzwijgen op; baat dit niet, dan wordt hij eenvoudig de deur uitgezet. De kastelein mag echter daarbij niet tusschen beiden komen, en nog veel minder de policie of de veldwachter.

De policie is over het algemeen bij het volk niet bijster bemind: maar de westkappelsche dijkwerkers onderscheiden zich bijzonder door hun onverzoenlijke vijandschap tegen alles wat, van verre of nabij, met de policie in betrekking staat. Dit gaat zoo ver, dat in de herbergen van West-Kapelle nog het oude gebruik heerscht, dat aan geen agent van policie vergunt, nevens de anderen in de gelagkamer plaats te nemen. Men houdt er in de herberg een eigenaardig glas, een glas zonder voet, diendersglaasje genaamd, op na, dat in één teug moet worden geledigd; den agent van policie, die in de herberg mocht komen, wordt zulk een glaasje gegeven, dat uitsluitend voor hem bestemd is.

Uit dit gilde der dijkwerkers van West-Kapelle zijn uitstekende mannen voortgekomen, die zich ook in ruimer werkkring een grooten naam hebben verworven en tot hoogen rang in de maatschappij zijn opgeklommen. De beroemdste dezer zonen van West-Kapelle is wel de voor eenige jaren, in hoogen ouderdom overleden hoofdingenieur van den waterstaat, Abraham Caland, die, van onvermogende ouders geboren, door eigen vlijt en volhardende inspanning zich eene schitterende toekomst bereidde, en tot de bekwaamste waterbouwkundigen van Nederland behoorde.

In 1872 telde West-Kapelle een bevolking van ruim tweeduizend inwoners, de dijkwerkers daaronder begrepen. Naar men ons verhaalde, heeft de belasting op het gedistilleerd, alleen in deze gemeente, in sommige jaren eene som van zestienduizend gulden opgebracht! Een cijfer, wel geschikt om den voorstanders der afschaffing een schrik op het lijf te jagen! De glazen, waaruit de dijkwerkers hun jenever drinken, mokjes genaamd, zijn tamelijk groot, maar niet diep. Kleine glaasjes worden niet gebruikt. Toch, hoezeer dit overmatig drankgebruik ongetwijfeld is af te keuren, hebben de dijkwerkers van West-Kapelle, schoon wij hen meer dan eens in de herberg zagen, volstrektniet het voorkomen van lieden, die zich in den eigenlijken zin des woords aan dronkenschap schuldig maken.

In 1845 werd de dijk door geweldige stormvloeden aanmerkelijk beschadigd, en verkeerde het eiland in dreigend gevaar. Zoo als altijd, bevond zich de hoofdopziener der dijksdirectie van Walcheren op den dijk, en wees aan de verschillende werklieden de punten aan, waar hulp en versterking noodig was. Bij zulke gelegenheden wordt door een eigenaardig spel beslist, wie zich naar een of ander aangewezen punt moet begeven. De dijkwerkers werpen hunne lange messen in de hoogte, en moeten raden, welke zijde van het mes bij het vallen boven zal komen, die waarop het fabriekmerk staat of de andere. Dit spel heet neertje of oppertje; zij die goed raden, hebben de voorkeur bij de aanwijzing van het werk.

De bewoners van West-Kapelle houden zich ook bezig met landbouw en veeteelt, maar kunnen toch niet velen dat gij ze als boeren beschouwt. Zij zijn een eigenaardig slag van volk: kloek en sterk van lichaamsbouw, opgeruimd van aard, wel wat ruw, maar toch ook vriendelijk en voorkomend, met een groote mate van onafhankelijkheid in karakter en manieren. De voortdurende aanraking met het machtige element, waarmede zij sedert eeuwen rusteloos hebben te strijden, heeft aan hun aard en voorkomen zekere zelfstandigheid, zeker gevoel van eigenwaarde en kracht gegeven, dat hen ook inderdaad van de gewone type der landlieden zeer kennelijk onderscheidt. Hoe zou het ook anders kunnen? Daar grijpen, aan dezen vergeten uithoek des lands, vaak geweldige worstelingen plaats, daar wordt gekampt op leven en dood; daar worden meermalen heldendaden bedreven, daden van zelfopoffering en onverschrokken toewijding, die niet in de geschiedboeken worden opgeteekend, maar alleen voortleven in de heugenis van hen, die er getuigen van waren. Ik beschouwde ze met eerbied, die dijkwerkers van West-Kapelle: inderdaad, ze zijn een uitgelezen keurbende, aan wie een gewichtige post is toevertrouwd: zij ook, en zij niet het minst, hebben te waken voor de eer van het zeeuwsche wapenschild, voor de waarheid van het fiere devies:Luctor et emergo: ik worstel en drijf boven! Ontzonk hun de moed, bezweken zij een oogenblik in den telkens hernieuwden strijd, dan ware het gedaan met Zeelands roem, dan ware het schoone eiland onredbaar verloren. Niet waar, waar zoo zware plichten op de schouders rusten en zoo nobel worden vervuld, daar ergert ge u niet aan misschien wat al te ongekunstelde uiting van het gevoel van eigenwaarde en eigen kracht, dat in de breede borst dezer worstelaars met de baren woont?

De groote dijk ziet op sommige punten zwart van de musschen, die ijverig de graankorreltjes oppikken, nog hier en daar in het stroo achtergebleven. Boven de dammen en paalhoofden vliegen gansche zwermen kraaien, aangelokt door de mosselen, die tusschen en op de steenen en het wier der dammen en de paalhoofden talrijke koloniën hebben gevestigd. De kraaien woelen met haar snavel de mosselen los, en vliegen dan met haar prooi zoo hoog mogelijk in de lucht, tot zij een steen hebben gevonden, waarop zij dan de mossel laten nedervallen. Door den val, die zelden mist, wordt natuurlijk de schelp verbrijzeld, zoodat de kraai op haar gemak het arme weekdier ophappen kan.

Wij hadden er op gerekend, nog voor den avond van West-Kapelle te zullen vertrekken; maar de zon daalde ter kimme, en nog hadden wij den dijk niet verlaten, die voor mijn reisgenoot eene bijkans onwederstaanbare aantrekkelijkheid bleek te bezitten. Die “ring in den neus van den grooten leviathan” boeide hem zoo zeer, dat hij ter nauwernood aan eten of drinken dacht. Intusschen was het nu meer dan tijd om aan heengaan te denken.

“Zullen wij nog heden avond naar Middelburg terugkeeren?

—Neen, dat kan niet meer.

—Waar kunnen wij eten en logeeren?

—In hetKasteel van Batavia.”

Wij treden binnen. Eene groote, flink gebouwde kasteleines, met heldere blauwe oogen en sterk sprekende trekken, staat achter de toonbank in de gelagkamer. Zij draagt haar vijftig jaar met eere, en het zeeuwsche landkostuum kleedt haar goed.

“Kunt gij ons vleesch geven?

—Neen.

—Zoo. Wat hebt gij dan om ons te geven?

—Eieren.

—Goed.

—En dan een eierkoek met salade.

—Heel goed. Hebt ge ook wijn?

—Ja wel.

—Nog beter. Goed en niet duur?

—Best en goedkoop.

Wij waren vroolijk gestemd, en weldra in gesprek gewikkeld met de bezoekers der herberg, allen lieden uit West-Kapelle. Het eenvoudig maal was spoedig gereed; en na een dag in de open lucht en aan het strand doorgebracht, lieten wij ons de eieren, de omelet en de salade met aardappelen en boter zeer goed smaken. De kasteleinesse had er zelve schik in, ons te zien eten en drinken; zij praatte en lachte met ons; blijkbaar hadden wij haar hart gestolen, want de fraaiste kamer van de herberg werd ons tot nachtverblijf aangewezen.

Den volgenden morgen waren wij reeds ten zes uur op de been. Mijn vriend wilde nog een laatste bezoek aan den dijk brengen, eer wij het ontbijt gebruikten.

Wij stonden voor het dijkhuis, het huis der directie, aan het einde van het dorp, tegen den dijk gelegen. Voor dat huis strekt zich een grasperk uit, het Groentje genoemd, waar zich des zondags de jeugd van West-Kapelle verzamelt om te spelen of te praten. Dit grasperk vervangt hier de plaats van de klassieke klapbank (praatbank, klappen beduidt praten) die men in Zeeland, vooral in Zuid-Beveland, aantreft, en die meestal rondom den stam van een wilgenboom is aangebracht. In sommige dorpen is het zoogenaamde vischhuis—vischhuus, zoo als men hier zegt—of wel een of andere molenterp, de algemeene verzamelplaats.

En nu nog een laatsten blik op den dijk, zoo rustig en kalm, zoo indrukwekkend krachtig daar voor ons oprijzende, op dezen stillen liefelijken zomermorgen.Moge hij nog lang de trouwe wachter blijven van het bloeiende eiland, dat zich in zijne hoede veilig rekent.

Van West-Kapelle begaven wij ons naar Domburg: eene alleraardigste badplaats in miniatuur. Het dorp ligt aan, ik zou bijna kunnen zeggen te midden van een fraai, schilderachtig bosch, dat tot de beroemdheden van Walcheren behoort, en ook inderdaad een bezoek overwaard is. De meeste huizen zijn tot het verhuren van kamers ingericht, en liggen in de schaduw van het geboomte; het dorp zelf leunt tegen den hoogen duinzoom, van welks toppen men bijkans het gansche eiland overziet. In hetSchuttershof, waar wij afstapten, vindt men eene zeer goede tafel.

Een boer van Walcheren.Een boer van Walcheren.

Een boer van Walcheren.

In het koor der kerk worden eenige romeinsche oudheden bewaard, hier in den omtrek opgedolven, onder anderen steenen met beelden van de raadselachtige godin Nehalennia, en eenige andere beeldwerken van niet veel beteekenis.

Domburg wordt in den zomer druk bezocht, zoowel door badgasten, als door vreemden, die daarheen een uitstapje maken: want een tochtje naar Domburg behoort tot de plichten van iederen fatsoenlijken toerist op Walcheren. De streek doet denken aan den omtrek van Haarlem of aan de scheveningsche boschjes bij ’s Gravenhage; niemand, die eenig gevoel voor frisch en ongekunsteld natuurschoon heeft, zal zich een dag, in den omtrek van Domburg doorgebracht, beklagen; het aan bekoorlijke plekjes zoo rijke bosch laat bij iederen bezoeker ongetwijfeld de aangenaamste herinneringen achter.

Niet verre van Domburg ligt de buitenplaats Overduin, het eigendom van Jonkheer de Jonge van Ellemeet, wiens prachtige verzameling teekeningen en aquarellen en wiens volledige verzameling der verschillende uitgaven van Cats en van velerlei andere stukken en merkwaardigheden op Cats betrekking hebbende, algemeen bekend is. Zij, die in September 1872 het letterkundig congres te Middelburg hebben bijgewoond, zullen wel nimmer den aangenamen dag vergeten, hun door de echt-gentlemanlike gastvrijheid van den heer van Overduin bereid.

De beker van Maximiliaan te Veere.De beker van Maximiliaan te Veere.

De beker van Maximiliaan te Veere.


Back to IndexNext