XIII.

XIII.Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. “Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk,”zeide hij eens tegen mij,“en Voltaire had wel ongelijk met zijncanaux,canards,canaille.”—Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?—Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.—Verklaar u nader.—Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegangonverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.—Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.—Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn.”Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, datWeledelgeboren Heerklonk uitermate dwaas, toen ik het overzette inSieur bien noblement né!—“Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.—Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.—Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?—Een graaf voert bij ons den titel vanHooggeboren,hautement né; een baron, dien vanHoogwelgeboren,haut et bien né”.....” Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudigeMijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink, een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden; tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in onbruik geraakt.Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde gegaan. Wij wandelende stad door, die nog, in enkele gebouwen, monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis, een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl, maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen, met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl, en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische kerken van Noord-Nederland, werd op den 7denOctober 1832 een prooi der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren, naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang; ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze, moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen, zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk; terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is, behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe, tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk is geworden door dien Witte van Haemstede, ’s Graven Floris zoon, den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en lommerrijke drevenafgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken, die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite, althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard, dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland; jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval.Echter vindt de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog gedreven wordt.Vrouwen van Zuid-Beveland.Vrouwen van Zuid-Beveland.Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien, juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk, indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten; Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten, in schier elkeburgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man, die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij, bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere, praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, hetphilisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen, vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen, stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan—behoudens misschien enkeleuitzonderingen—alles ontbreekt wat poëzie tot poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des geestes, “gevoel, verbeelding, heldenmoed:”—in één woord, dat niet te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig; zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch; zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;—desniettemin wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel, dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde, vatbaar voor alle hooge aandoeningen;—dan voor het alledaagsch, breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek, in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden, ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.Het stadhuis te Zierikzee.Het stadhuis te Zierikzee.Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland, Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen; voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste streken van Zeeland te kunnen doorstaan.Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang: althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen, dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:—dit alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het, behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al den rijkdom der vruchtdragende aarde.In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.

XIII.Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. “Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk,”zeide hij eens tegen mij,“en Voltaire had wel ongelijk met zijncanaux,canards,canaille.”—Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?—Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.—Verklaar u nader.—Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegangonverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.—Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.—Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn.”Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, datWeledelgeboren Heerklonk uitermate dwaas, toen ik het overzette inSieur bien noblement né!—“Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.—Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.—Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?—Een graaf voert bij ons den titel vanHooggeboren,hautement né; een baron, dien vanHoogwelgeboren,haut et bien né”.....” Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudigeMijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink, een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden; tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in onbruik geraakt.Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde gegaan. Wij wandelende stad door, die nog, in enkele gebouwen, monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis, een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl, maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen, met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl, en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische kerken van Noord-Nederland, werd op den 7denOctober 1832 een prooi der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren, naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang; ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze, moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen, zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk; terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is, behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe, tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk is geworden door dien Witte van Haemstede, ’s Graven Floris zoon, den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en lommerrijke drevenafgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken, die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite, althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard, dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland; jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval.Echter vindt de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog gedreven wordt.Vrouwen van Zuid-Beveland.Vrouwen van Zuid-Beveland.Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien, juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk, indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten; Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten, in schier elkeburgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man, die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij, bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere, praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, hetphilisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen, vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen, stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan—behoudens misschien enkeleuitzonderingen—alles ontbreekt wat poëzie tot poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des geestes, “gevoel, verbeelding, heldenmoed:”—in één woord, dat niet te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig; zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch; zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;—desniettemin wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel, dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde, vatbaar voor alle hooge aandoeningen;—dan voor het alledaagsch, breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek, in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden, ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.Het stadhuis te Zierikzee.Het stadhuis te Zierikzee.Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland, Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen; voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste streken van Zeeland te kunnen doorstaan.Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang: althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen, dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:—dit alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het, behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al den rijkdom der vruchtdragende aarde.In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.

XIII.Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. “Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk,”zeide hij eens tegen mij,“en Voltaire had wel ongelijk met zijncanaux,canards,canaille.”—Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?—Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.—Verklaar u nader.—Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegangonverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.—Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.—Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn.”Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, datWeledelgeboren Heerklonk uitermate dwaas, toen ik het overzette inSieur bien noblement né!—“Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.—Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.—Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?—Een graaf voert bij ons den titel vanHooggeboren,hautement né; een baron, dien vanHoogwelgeboren,haut et bien né”.....” Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudigeMijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink, een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden; tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in onbruik geraakt.Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde gegaan. Wij wandelende stad door, die nog, in enkele gebouwen, monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis, een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl, maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen, met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl, en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische kerken van Noord-Nederland, werd op den 7denOctober 1832 een prooi der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren, naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang; ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze, moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen, zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk; terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is, behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe, tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk is geworden door dien Witte van Haemstede, ’s Graven Floris zoon, den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en lommerrijke drevenafgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken, die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite, althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard, dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland; jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval.Echter vindt de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog gedreven wordt.Vrouwen van Zuid-Beveland.Vrouwen van Zuid-Beveland.Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien, juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk, indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten; Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten, in schier elkeburgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man, die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij, bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere, praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, hetphilisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen, vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen, stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan—behoudens misschien enkeleuitzonderingen—alles ontbreekt wat poëzie tot poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des geestes, “gevoel, verbeelding, heldenmoed:”—in één woord, dat niet te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig; zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch; zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;—desniettemin wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel, dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde, vatbaar voor alle hooge aandoeningen;—dan voor het alledaagsch, breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek, in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden, ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.Het stadhuis te Zierikzee.Het stadhuis te Zierikzee.Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland, Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen; voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste streken van Zeeland te kunnen doorstaan.Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang: althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen, dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:—dit alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het, behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al den rijkdom der vruchtdragende aarde.In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.

XIII.Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. “Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk,”zeide hij eens tegen mij,“en Voltaire had wel ongelijk met zijncanaux,canards,canaille.”—Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?—Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.—Verklaar u nader.—Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegangonverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.—Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.—Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn.”Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, datWeledelgeboren Heerklonk uitermate dwaas, toen ik het overzette inSieur bien noblement né!—“Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.—Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.—Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?—Een graaf voert bij ons den titel vanHooggeboren,hautement né; een baron, dien vanHoogwelgeboren,haut et bien né”.....” Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudigeMijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink, een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden; tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in onbruik geraakt.Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde gegaan. Wij wandelende stad door, die nog, in enkele gebouwen, monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis, een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl, maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen, met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl, en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische kerken van Noord-Nederland, werd op den 7denOctober 1832 een prooi der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren, naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang; ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze, moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen, zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk; terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is, behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe, tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk is geworden door dien Witte van Haemstede, ’s Graven Floris zoon, den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en lommerrijke drevenafgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken, die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite, althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard, dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland; jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval.Echter vindt de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog gedreven wordt.Vrouwen van Zuid-Beveland.Vrouwen van Zuid-Beveland.Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien, juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk, indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten; Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten, in schier elkeburgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man, die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij, bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere, praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, hetphilisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen, vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen, stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan—behoudens misschien enkeleuitzonderingen—alles ontbreekt wat poëzie tot poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des geestes, “gevoel, verbeelding, heldenmoed:”—in één woord, dat niet te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig; zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch; zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;—desniettemin wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel, dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde, vatbaar voor alle hooge aandoeningen;—dan voor het alledaagsch, breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek, in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden, ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.Het stadhuis te Zierikzee.Het stadhuis te Zierikzee.Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland, Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen; voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste streken van Zeeland te kunnen doorstaan.Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang: althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen, dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:—dit alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het, behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al den rijkdom der vruchtdragende aarde.In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.

XIII.

Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. “Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk,”zeide hij eens tegen mij,“en Voltaire had wel ongelijk met zijncanaux,canards,canaille.”—Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?—Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.—Verklaar u nader.—Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegangonverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.—Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.—Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn.”Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, datWeledelgeboren Heerklonk uitermate dwaas, toen ik het overzette inSieur bien noblement né!—“Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.—Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.—Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?—Een graaf voert bij ons den titel vanHooggeboren,hautement né; een baron, dien vanHoogwelgeboren,haut et bien né”.....” Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudigeMijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink, een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden; tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in onbruik geraakt.Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde gegaan. Wij wandelende stad door, die nog, in enkele gebouwen, monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis, een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl, maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen, met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl, en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische kerken van Noord-Nederland, werd op den 7denOctober 1832 een prooi der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren, naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang; ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze, moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen, zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk; terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is, behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe, tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk is geworden door dien Witte van Haemstede, ’s Graven Floris zoon, den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en lommerrijke drevenafgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken, die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite, althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard, dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland; jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval.Echter vindt de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog gedreven wordt.Vrouwen van Zuid-Beveland.Vrouwen van Zuid-Beveland.Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien, juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk, indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten; Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten, in schier elkeburgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man, die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij, bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere, praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, hetphilisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen, vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen, stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan—behoudens misschien enkeleuitzonderingen—alles ontbreekt wat poëzie tot poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des geestes, “gevoel, verbeelding, heldenmoed:”—in één woord, dat niet te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig; zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch; zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;—desniettemin wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel, dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde, vatbaar voor alle hooge aandoeningen;—dan voor het alledaagsch, breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek, in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden, ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.Het stadhuis te Zierikzee.Het stadhuis te Zierikzee.Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland, Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen; voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste streken van Zeeland te kunnen doorstaan.Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang: althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen, dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:—dit alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het, behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al den rijkdom der vruchtdragende aarde.In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.

Onze reis door Zeeland spoedde ten einde. Wij hadden do voornaamste eilanden bezocht, en rondgewandeld door steden en dorpen, zoo veel mogelijk trachtende met land en lieden bekend te worden. Dagen en weken waren aldus voorbijgegaan: dagen en weken, waarvan mij eene aangename herinnering is bijgebleven, waarheen ik nog menigmaal in den geest terugkeer. Wederom wandel ik dan langs de belommerde wegen, ter wederzijde door fluweelige weiden of golvende akkers omzoomd; en onder het vroolijk of ernstig gesprek met den vriend uit het vreemde land, wien het hollandsche landschap en het hollandsche volk belang inboezemden, vloog de tijd ongemerkt daarheen. Het is een eigenaardig iets, een vreemdeling rond te leiden door het eigen land en met het eigen volk in aanraking te brengen. Zoo vele dingen, waar wij geen of nauwelijks acht op geven, omdat ze ons van der jeugd af gewoon zijn en wij niet anders denken of het behoort zoo, trekken zijne aandacht en schijnen hem belangrijk of ook wel zonderling. Onze aansprekers met hun eigenaardig kostuum blijven nooit onopgemerkt; evenmin ontgingen onze melkboeren en melkmeisjes met hun houten juk en welgevulde emmers de aandacht van mijn vriend, die nooit moede werd inlichting te vragen, waar iets nieuws hem voorkwam.

Ook in de vormen van ons gezellig verkeer waren er sommige dingen, die hem getroffen hadden. “Gijlieden zijt toch een aristokratisch volk,”zeide hij eens tegen mij,“en Voltaire had wel ongelijk met zijncanaux,canards,canaille.”

—Voltaire heeft wel eens meer iets gezegd, dat hij moeilijk zou kunnen verantwoorden, hernam ik. Maar, wij een aristokratisch volk? Ik meende dat wij bij uitnemendheid burgerlijk waren, dat burgerlijkheid van zin en levensbeschouwing ons in het bloed zat?

—Het mag zijn, was het antwoord. Bovendien, het een sluit het ander niet uit: er is ook een zekere burgerlijke aristokratie: en mij dunkt, daaraan ontbreekt het u niet.

—Verklaar u nader.

—Wel dan. Ondanks uw burgerlijke zin heerscht bij u een zeer scherp geteekend onderscheid tusschen de verschillende standen en klassen der maatschappij, vooral in het dagelijksch gezellig verkeer. Meermalen heb ik mij daarover verwonderd. Gij sluit u af in allerlei groote en kleine kringetjes, waarvan de toegangonverbiddelijk gesloten blijft voor ieder, die, al is het soms ook maar een enkelen trap, lager op den maatschappelijken ladder staat. De koopman, die op zijn kantoor handel drijft, ziet uit de hoogte neder op den winkelier, die hetzelfde in zijn winkel doet; zelfs meen ik mij niet te vergissen, als ik zeg, dat die heeren ook onder elkander nog vrij scherp onderscheid maken. Het is mij ten minste voorgekomen, een lakenkooper met zekere geringschatting te hooren spreken over zijn buurman, den spekslager. Er heerscht onder ulieden een bespottelijke, kleingeestige soort van burgertrots, die zich van echten adeltrots doorgaans alleen door zijne bekrompenheid en dwaasheid onderscheidt.—Gij weet, vervolgde mijn vriend, toen ik met mijn antwoord toefde: gij weet, dat ik niet de minste waarde hecht aan de ongerijmde denkbeelden van maatschappelijke gelijkheid, waarmede men heden ten dage den lieden het hoofd op hol brengt; integendeel, ik erken en eerbiedig de ongelijkheid van stand als een natuurlijk gevolg der maatschappelijke samenleving, als een onmisbaar en zeer heilzaam element in het volksleven; ik heb zelfs geen bezwaar tegen sommige voorrechten en privilegiën aan bepaalde standen toegekend; maar juist daarom stel ik er zoo hoogen prijs op, dat de verschuldigde eerbied en ondergeschiktheid worden opgewogen door dat besef van zedelijke gelijkheid, van persoonlijke waardigheid, dat hoogen en geringen veroorlooft op ongedwongen voet met elkander om te gaan. Dat vindt men veel te weinig bij u: er is overal terughouding, afzondering, schuwheid, en ten gevolge daarvan onwaardige onderdanigheid of ongeoorloofde aanmatiging, en dikwijls beiden te gelijk. Van de wijze, waarop in andere landen, in Frankrijk, in Spanje, in Italië, de aanzienlijkste edellieden en mannen uit de volksklasse met elkander omgaan, hebt gij hoegenaamd geen begrip.

—Ik mag u niet geheel ongelijk geven, al is er misschien eenige overdrijving in uwe schets. Ik zelf heb meermalen dergelijke ervaring gemaakt. Wellicht is dit juist omdat wij bijna geen eigenlijken adel hebben, en dus, bij het ontbreken van natuurlijke grenslijnen, allerlei kunstmatige lijnen getrokken worden, die, omdat ze kunstmatig zijn, nu ook met veel angstvalliger zorg worden bewaakt. De geboren edelman kan vrij tot het volk afdalen; hij behoeft niet te vreezen, dat men zijn rang vergeten zal, zoolang hij zelf zijne waardigheid niet te grabbelen gooit; maar de koopman, die zelf winkelier geweest is of wiens vader althans een winkel had, moet zich wel streng in acht nemen, nu hij zich voor een voornamer personage dan zijn nevenman den winkelier wil doen doorgaan. Van daar die kleingeestige, bespottelijke, angstvallige coteriegeest, die onze burgerij maar al te zeer eigen pleegt te zijn.”

Dit gesprek had plaats naar aanleiding van het adres van een brief, dat ik voor mijn vriend had moeten vertalen. En, ja, datWeledelgeboren Heerklonk uitermate dwaas, toen ik het overzette inSieur bien noblement né!—“Schrijft ge dat aan een hertog of graaf? vroeg mijn reismakker.—Neen; de man, aan wien ik dat schrijf, is in het geheel niet van adel, antwoordde ik. Maar men geeft tegenwoordig dien titel aan bijna ieder fatsoenlijk man.—Zoo; ik wist niet, dat men bij u te lande de lieden zoo voor den gek hield. En hebt ge nog meer van dat fraais? Hoe betitelt ge dan wel een wezenlijken edelman?—Een graaf voert bij ons den titel vanHooggeboren,hautement né; een baron, dien vanHoogwelgeboren,haut et bien né”.....” Maar ge begrijpt, dat ik zoo spoedig mogelijk aan dit gesprek een einde maakte, al zag ik ook dat deze titulatuur mijn vriend uitstekend vermakelijk voorkwam, vooral bij een volk, dat geen anderen titel kent om iemand aan te spreken dan het eenvoudigeMijnheer, dat ge zoowel tegenover den aanzienlijksten edelman, als tegenover uw schoenmaker gebruiken moet. Te begrijpen is het, dat onze titulatuur den vreemdeling, voor zoo ver hij geen Duitscher is, allerzonderlingst in de ooren moet klinken; wij zelven, hoezeer de dwaasheid dezer zinnelooze titels erkennende, kunnen daar nog niet van scheiden.

Wij waren te Middelburg teruggekeerd, waar meer dan éene vriendelijke woning voor ons openstond. Van hier zouden wij ons naar het noordelijkste der zeeuwsche eilanden, naar Schouwen, begeven. De vaart van Middelburg naar Zierikzee duurt vrij lang en levert niets bijzonders op; het is reeds vrij laat in den middag, eer wij aankomen.

Van de rivier gezien, maakt Zierikzee een zeer goeden indruk. De roode pannen daken teekenen zich scherp af tegen den grijsachtigen, met een lichten nevel overtogen hemel. Vlak tegenover ons, langs de haven, eenige teekenachtige oude geveltjes. Ter rechterhand de zware, massieve Zuiderhavenpoort, met haar torentjes. Links, iets meer achterwaarts, de indrukwekkende massa van den ouden toren. Voorts nog enkele torentjes: een fraai, schilderachtig stadsgezicht.

Wij gaan aan land, en treden de stad binnen. Het is stil, akelig stil en eenzaam op hare straten en langs haar havens; al wat u omgeeft, doet u gevoelen, dat ge u in een vervallen, uitgestorven stad bevindt. Ook Zierikzee heeft, als bijkans alle zeeuwsche steden, betere dagen gekend. In de middeleeuwen was zij, de oude stad, welvarend en machtig door haar uitgestrekten handel en haar levendige visscherij; langen tijd was zij de stapelplaats der fransche wijnen. Ook om haar zoutnering was zij beroemd. In den omtrek der stad, als elders in Zeeland, werd de zoogenoemde derring of darink, een soort van zoutachtig veen, uitgegraven. Deze derring werd in de zon gedroogd en vervolgens tot asch verbrand. De aldus verkregen asch, met zeewater vermengd, leverde, gezuiverd, een wit zout, dat zeer gezocht was. Dit derringdelven had echter zijn schaduwzijde: er ontstonden daardoor, even als door het veenen, groote plassen, die niet alleen van geen waarde waren, maar bovendien voor deze, met moeite tegen de zee verdedigde polders, een wezenlijk gevaar opleverden. Eindelijk werd dan ook dit delven, althans in binnengedijkte landen, verboden; tegenwoordig, en waarschijnlijk reeds sedert lang, is het geheel in onbruik geraakt.

Zierikzee is stil en eenzaam geworden. Zij zendt haar handelsschepen niet meer uit naar verre landen, en ook haar visscherij is te gronde gegaan. Wij wandelende stad door, die nog, in enkele gebouwen, monumenten van haar vroegere grootheid bezit. Zie hier het stadhuis, een gebouw uit het begin der zestiende eeuw, half in renaissance stijl, maar door latere bijvoegingen en veranderingen bedorven. De toren is, om zijn sierlijken, smaakvollen vorm, wel de aandacht waard. In het stadhuis toont men ons een fraai gebeeldhouwden schoorsteen, met de wapens der dorpen en heerlijkheden van Schouwen versierd. Ook bewaart men hier een fraaien zilveren beker in renaissance stijl, en een eskimoosche boot van zeehondenvel, drie el lang en veertig duim breed. Naar verhaald wordt, zou deze zonderlinge boot, met haar roeier, mede in zeehondenvellen gekleed, op zekeren dag op de kust van Schouwen, nabij Zierikzee, zijn gestrand. Is dit werkelijk het geval, door welk wonderlijk noodlot is dan deze arme Eskimo, uit de verre IJszee, naar deze vreemde kust gevoerd?

De oude, prachtige Sint-Lievenskerk, een der schoonste gothische kerken van Noord-Nederland, werd op den 7denOctober 1832 een prooi der vlammen. De kerken, die Zierikzee thans bezit, hebben hoegenaamd niets merkwaardigs. Des te opmerkelijker is daarentegen de oude toren, hoewel hij onvoltooid is gebleven en slechts tot een derde der hoogte opgetrokken. Volgens het oorspronkelijke plan, zou deze toren, naar men zegt, eene hoogte van ruim zeshonderd voet hebben moeten bereiken, en een meesterstuk van architectuur zijn geworden. Met den bouw werd in het jaar 1454 aangevangen: maar ongunstige tijden, dagen van tegenspoed en achteruitgang, deden het werk staken. Zoo als het gevaarte daar nu staat, mist het natuurlijk alle evenredigheid, en is, voor de betrekkelijk geringe hoogte, van veel te zwaren omvang; ook wordt de toren ontsierd door de bij uitnemendheid smakelooze, moderne kap. Desniettemin gevoelt ge, dat ge hier een eerbiedwaardig monument van oude kunst voor u hebt, een dier stoute scheppingen, zoo als het voorgeslacht ze ontwierp, en waarvoor later tijd maar al te dikwijls zoo luttel eerbied toont. Van den top des torens overziet ge het gansche eiland Schouwen, en Duiveland met zijne vliedbergen.

Van de Zuiderhavenpoort sprak ik reeds; ook de Noorderhavenpoort is een zwaar, antiek gebouw, haast een ouden wachttoren gelijk; terwijl ge mede niet verzuimen moet, de Nobelpoort met hare beide torenspitsen te gaan bezien: volgens de legende, zou zij door twee adellijke jonkvrouwen zijn gesticht. Hebt ge nu nog eenige oogenblikken getoefd op de dusgenoemde Balie, een met boomen beplant plein, waar vroeger het hof der Graven stond, dan levert Zierikzee niet veel bezienswaardigs meer op. De arme stad, wie zal haar uit haar diep verval opbeuren, en ook maar een deel van haar vroegeren luister wedergeven? Nog altijd spiegelt zij haar torens en huizen in de wateren, maar slechts enkele vaartuigen loopen haar haven binnen, die vroeger eene vloot van honderde groote schepen mocht bergen. Kwijnend sleept zij haar leven voort, schier zonder hoop op een betere toekomst.

Het eiland Schouwen, waarvan Zierikzee de voornaamste stad is, behoort tot de oudste eilanden van Zeeland; sommige gedeelten van dit eiland, dat even als de meeste andere zeeuwsche eilanden, uit eene aaneenschakeling van ingedijkte schorren, polders, bestaat, zijn, naar men wil, reeds in de achtste eeuw bedijkt geworden. Zeker is het, dat sommige dorpen op Schouwen, zoo als Zonnemaire, Kerkwerve, Brijdorpe, tot de oudst bekende plaatsen in Zeeland behooren. Op Schouwen ligt mede het dorp Renesse, waar de stamburcht stond van het machtige geslacht van dien naam, dat in de oude zeeuwsche geschiedenis eene zoo groote rol heeft gespeeld; en Haemstede, waarvan de naam onsterfelijk is geworden door dien Witte van Haemstede, ’s Graven Floris zoon, den overwinnaar der Vlamingen. De namen van nog andere dorpen op Schouwen zijn mede aan sommige van onze adellijke of patricische geslachten verbonden: Bommenede, Serooskerke, Duivendijke, Ellemeet.

Schouwen munt niet uit door natuurschoon; slechts aan de noordwestzijde, waar een vrij breede duinzoom de golven der Noordzee keert, vindt ge bekoorlijke landschappen, door fraai geboomte en lommerrijke drevenafgewisseld. De omstreken van Haemstede behooren tot de liefelijkste en schilderachtigste van het eiland. Meer binnenwaarts is het land, hoewel ten deele zeer goed bebouwd, vlak en kaal; in het zuidelijk gedeelte des eilands vindt ge niet veel anders dan uitgestrekte, lage weilanden, en veenachtige, moerassige streken, die gedurende een geruimen tijd des jaars onder water staan.

Een tocht door dit eiland loont dan ook ter nauwernood de moeite, althans zoo het te doen is om schoone landschappen of schilderachtige natuurtooneelen te bewonderen: de natuur vertoont hier hetzelfde karakter, dat haar in sommige streken van Holland eigen is, en dat bij den beschouwer eene groote mate van geestdrift vordert om niet hopeloos eentonig en doodelijk vervelend te worden. In deze eindelooze vlakke weilanden kan, dunkt mij, alleen een vetweider recht behagen vinden.

De bewoners van Schouwen zijn een krachtig, goed gebouwd ras, flink van voorkomen en gansch niet, vooral wat de vrouwen aangaat, van schoonheid misdeeld, al is deze schoonheid van een geheel anderen aard, dan die onzer overbeschaafde, steedsche dametjes. In de kleederdracht onderscheiden de boeren en boerinnen van Schouwen zich voornamelijk door zekere losheid en bevalligheid van die van Walcheren en Beveland; jammer slechts, dat ook hier de vreemde mode steeds meer en meer de nationale kleederdracht verdringt, zoodat van deze laatste somwijlen niet veel meer dan de fraaie kanten of tulle muts is overgebleven.

Van Zierikzee deden wij een rit door een deel des eilands naar Brouwershaven, aan de noordkust. Brouwershaven, vroeger waarschijnlijk de haven van het nu zeer vervallen Brijdorpe, ontleent zijn naam aan de hollandsche bieren, die hier vroeger werden ingevoerd; misschien ook van brouwerijen in het naburige Brijdorpe. Ook van Brouwershaven is dezelfde treurige geschiedenis te verhalen van vroegeren bloei en voorspoed, gevolgd door achteruitgang en verval.Echter vindt de stad eenig middel van bestaan in de vrij drukke scheepvaart door het zoogenaamde Brouwershavensche gat, waar jaarlijks een aantal uit zee komende schepen binnenvallen om hun reis naar de Maassteden te vervolgen. Aan het meer of minder korte oponthoud van deze schepen dankt het stedeke eenige levendigheid, en den handel, die er nog gedreven wordt.

Vrouwen van Zuid-Beveland.Vrouwen van Zuid-Beveland.

Vrouwen van Zuid-Beveland.

Op de markt te Brouwershaven staat het standbeeld van Jacob Cats. Het beeld, van witten steen vervaardigd, zou, als zij het konden zien, juist niet den naijver van Phidias of Thorwaldsen opwekken: het is een dier smakelooze poppen, waarmede men, sedert eenigen tijd, goedvindt de pleinen van sommige steden zoogenoemd te versieren. Toch is het karakteristiek dat Cats zijn standbeeld had, lang voor men er aan dacht, ook voor Vondel, zijn tijdgenoot en mededinger op het gebied der poëzie, een monument op te richten. Doch ik vergis mij, als ik Vondel den mededinger van Cats noem. Immers, als er van dichterlijk genie en hooge kunstgave sprake is, kan deze onvermoeide verzenmaker van Brouwershaven zelfs van verre niet in de schaduw staan van den zanger van Lucifer, den prins der nederduitsche dichteren. En ook wat invloed en populariteit betreft, zijn die beiden niet te vergelijken. Vondel is nimmer populair geweest, en door het volk, indien het hem al ooit gekend heeft, dan toch zeer spoedig vergeten; Cats daarentegen is, bijna twee eeuwen lang, de huisvriend geweest van den hollandschen burger en buitenman; zijne werken prijkten, in schier elkeburgerhuiskamer, naast den Bijbel; wie van geen poëzie wist en nooit verzen las, las toch wel de gedichten van Vader Cats. Trouwens, dit kon hij doen, zonder in het minst besef van poëzie te behoeven. Deze onbetwiste, volhardende populariteit van een man, die als dichter op een zoo lagen trap staat, met voorbijgang van zoo veel hooger begaafden, is inderdaad karakteristiek. Niets, dunkt mij, bewijst duidelijker het klein-burgerlijke, het prozaïsch-nuchtere, praktisch-alledaagsche, en om het met één woord te noemen, hetphilisterachtige in onzen volksaard, dan juist deze vereering van Cats. Zie hier een man, wien, tot zijn en ons ongeluk, de gave geschonken is om de woorden op maat en rijm te kunnen brengen, en die nu daarvan gebruik maakt, om ons zijne opmerkingen, ervaringen, vermaningen, indrukken, in den vorm van eindelooze verzen, mede te deelen: verzen, waarin, ik wil het niet ontkennen, een schat van zekere praktische levenswijsheid verborgen ligt, waarin ge niet te vergeefs snedige opmerkingen, vernuftige gedachten, wijze raadgevingen, stichtelijke beschouwingen, zult zoeken; maar waaraan—behoudens misschien enkeleuitzonderingen—alles ontbreekt wat poëzie tot poëzie maakt: bezieling, verheffing, idealiteit, hooge vlucht des geestes, “gevoel, verbeelding, heldenmoed:”—in één woord, dat niet te beschrijven iets, waaraan ge onmiddellijk het genie erkent. Hij is plat en alledaagsch, door en door vulgair, breedsprakig en omslachtig; zijne moraal is in merg en been wereldsch; zijne beschouwing van het leven, dat hij bij voorkeur, zoo niet bij uitsluiting, van de sexueele zijde opvat, bij uitnemendheid gewoon en onesthetisch; zijne zoogenoemde godsvrucht van zeer bedenkelijk gehalte; zijne taal is niet ten onrechte een dienstboden-idioom genoemd;—desniettemin wordt hij, reeds bij zijn leven, de volksdichter bij uitnemendheid en blijft hij dat nog tot op zekere hoogte. Dit is een verschijnsel, dat te denken geeft, en dat misschien de sleutel kan zijn tot verklaring van sommige andere verschijnselen in onze historie en ons volksleven. Zonderling niet waar? Oppervlakkig zou men meenen, dat het geslacht zijner tijdgenooten, de zonen der martelaren en strijders van den tachtigjarigen oorlog, veel meer oor moest hebben gehad voor de stoute zangen van Vondel, in wien, ondanks zijne zeer burgerlijke afkomst, omgeving en beroep, het heroïsche, epische element zoo sterk op den voorgrond trad, in wien eene vorstelijke ziel woonde, vatbaar voor alle hooge aandoeningen;—dan voor het alledaagsch, breedsprakig gerijmel van Cats, die, ondanks zijne hooge waardigheden en zijn ridderrang, geen sprankje heldengeest in zich had, die tot aan zijn dood een ordinair burgerman bleef, met de gevoelens en gedachten van een rijk geworden kruidenier. Toch niet. Zou het zijn omdat hier verborgen sympathiën werkten, omdat dichter en publiek, in den grond, éens geestes kinderen waren? De schuld van sommige minder verkwikkelijke eigenaardigheden van ons volkskarakter aan Cats te wijten, is stellig onbillijk; maar veilig mag men aannemen, dat hij zonder die eigenaardigheden, nooit populair zou zijn geworden, ja waarschijnlijk nooit zou hebben bestaan.

Het stadhuis te Zierikzee.Het stadhuis te Zierikzee.

Het stadhuis te Zierikzee.

Doch wij mogen ons, ter wille van Cats, niet langer te Brouwershaven ophouden. Wij hebben nog een vluchtig bezoek te brengen aan Duiveland, Philipsland en Tholen: het eerste met Schouwen verbonden, de beide anderen nog slechts door smalle wateren onderling en van Brabant gescheiden. Het zijn hier genoegzaam overal dezelfde landschappen; voor wie Walcheren en Zuid-Beveland gezien heeft, hebben deze eilanden weinig merkwaardigs. Over het algemeen heerscht hier, onder den landbouwenden stand, tamelijk groote welvaart; vooral Tholen gaf ons den indruk van, in dit opzicht, de vergelijking met de welvarendste streken van Zeeland te kunnen doorstaan.

Op de zoogenaamde vliedbergen of terpen van Duiveland en de omliggende platen en schorren wemelt het van vogels, met name van meeuwen en kievitten, die daar in het zand of het gras hunne eieren leggen. Een tochtje naar deze zoogenoemde Vogeleilanden is niet zonder belang: althans wanneer ge, zoo als wij, zulk een tochtje onderneemt op een fraaien dag in den nazomer. Het landschap om u heen voert u eenige eeuwen terug, in den tijd toen de zeeuwsche eilanden zich eerst begonnen te verheffen boven de wateren der zee. Die onafzienbare geelachtige grauwe vlakten, zich eindelijk in de kabbelende golven verliezende; die kunstmatig opgeworpen terpen of vliedbergen, dikwijls door water omgeven, en met welig gras begroeid; die lage groene weilanden, door kreeken doorsneden en waar nu en dan uw voet zou wegzinken in moeras, indien ge geen betrouwbaren gids bij u hadt:—dit alles vormt te zamen een zeer eigenaardig beeld, te eigenaardiger als ge gindschen dijk beklimt, en van daar uwe oogen laat dwalen over akkers en weilanden, over hoeven en tuinen en boomgaarden, over dorpen en gehuchten, veilig achter de beschermende borstwering. Hier kunt ge het land in zijne wording volgen; het ontstaat en vormt zich onder uwe oogen, van dat het, als nauw genaakbare zandbank, bij ebbe uit de golven rijst om bij iederen vloed weer te verdwijnen, tot dat het, behoorlijk ingedijkt en ter bewoning geschikt gemaakt, prijkt in al den rijkdom der vruchtdragende aarde.

In het voorjaar vooral is het eierenrapen op deze platen en eilanden een zeer geliefkoosde bezigheid van de omwonende bevolking. Bij het opsporen daarvan spreiden sommigen een takt, ik mag wel zeggen een instinkt, ten toon, dat inderdaad bewonderenswaardig is. Met bijna nooit missende zekerheid, gaan zij rechtstreeks op de plek af, waar tusschen het gras of in het zand de eieren verscholen liggen in het onzichtbare nest; en de arme vogels, die schreeuwend rondfladderen door de lucht, worden meedoogeloos van de hoop hunner toekomst beroofd.


Back to IndexNext