De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons op eenigen afstand volgen.Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna deschitterende gastvrijheid van onzen vriend den Guikowar doen vergeten.Ontmoeting met den rajah van Bunera.Ontmoeting met den rajah van Bunera.V.Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van feesten, die onafgebroken tot den 17denJanuari voortduurden. In dien roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden te doen, eer wij Jhodipoor, de eerstvolgende plaats onzer bestemming, bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde te maken, en deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20stente vertrekken.Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen: de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn vertrek dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer hedendaagsche touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een demon voort; altijd gejaagd en gehaast en voortgedreven, zien zij eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen, vragen zij zich zelf twijfelend af, waarom zij zich toch zoo gehaast hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu, dan zou ik er vier of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik zou dan ook inderdaad iets gezien hebben.In den morgen van den 18denJanuari heerschte er in den omtrek van de residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk is van het vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd, waren er verscheidene olifanten en een aantal kameelen noodig, om de tenten, de bagage en de mondbehoeften te vervoeren. Zulk een pleiziertochtje is hier in dit land geene kleinigheid: weelde en prachtvertoon is overal onontbeerlijk; en voor eene jachtexpeditie, die hoogstens veertien dagen zou duren, moest de majoor een volledig ameublement medenemen: tafels, stoelen, bedden, sofa’s, buffetten en zilverwerk. Het zou zijner hooge waardigheid en zijn aanzien afbreuk hebben gedaan, indien zijne slaapkamer in het kamp minder weelderig ware gemeubeld geweest, dan in zijn paleis te Oodipoor.Het hof zal eerst den volgendendagop reis gaan; de majoor, dokter Cunningham, mijn reisgezel en ik zullen den nacht doorbrengen in een huis buiten den Guirwô, en den volgenden morgen naar de bergen van Nahrmoegra, de algemeene verzamelplaats, trekken. Tegen twee uur, worden wij in twee open calèches, ieder met zes paarden bespannen afgehaald; de zweepen klappen, en wij vertrekken in vliegenden draf, gevolgd door een eskadron lanciers van den rana. Voor wij de bergengte bereiken, die naar de vlakte van Mewar voert, geleidt de majoor ons naar het meer Oedey-Sâgur, aan het uiteinde van den Guirwô, tegenover Oodipoor, gelegen: een schilderachtige waterkom, door donkere wouden omzoomd, en aan drie zijden beheerscht door de toppen van de Aravallis, die aan geheel het landschap een verheven ernstig voorkomen geven. Evenals het meer Petsjola is ook dit meer kunstmatig gevormd, door afdamming van de rivier Bunas, een op zich zelf zeer onbeduidend stroompje, dat op die wijze twee der fraaiste meren van Indië, op eenige mijlen afstands van elkander gelegen, voedt. De dijken van de meren Oedey-Sâgur en Petsjola verdienen met eere genoemd te worden onder de groote werken, door de Radsjpoeten tot stand gebracht. De dijk van Petsjola heeft een omtrek van twee kilometers; het door den dijk omsloten meer ligt tien of twaalf el boven den bodem der vallei, en bevat eene watermassa, die gerust op meer dan twee milliards kubiek el kan worden geschat; de dijk is zoo stevig aangelegd, dat hij eene gansche stadswijk dragen kan. Debándvan Oedey-Sâgur is zeshonderd el lang en gemiddeld twintig el hoog; de watervlakte heeft eene lengte van vier en eene breedte van drie kilometers: de gemiddelde diepte bedraagt tien el. De dijk is van steen gebouwd, met trappen en kiosken voorzien; op de kruin verheft zich een fraai zomerpaleis. Deze kunstmatige meren hebben evenwel nog eene andere bestemming, dan om louter tot verfraaiing van het landschap te dienen. Men vindt ze overal door geheel Radsjpoetana, dat voornamelijk aan hen zijne buitengewone vruchtbaarheid dankt; het water, aldus opgesloten in een bekken, dat eenige ellen boven den beganen grond ligt, onderhoudt, vooral in het droge jaargetijde, eene weldadige frischheid en vochtigheid, en voedt de putten en bronnen der naburige dorpen. Verbreek de dijken dezer meren, en de rivieren, die ze vormen, zullen weder worden wat zij vroeger waren: woedende, vernielende bergstroomen in den regentijd, in het overige van het jaar droge, dorre ravijnen; en deze nu zoo vruchtbare vlakten zullen, binnen weinige jaren, weder terugkeeren tot de woestijn, waaraan zij zijn ontwoekerd. De volken, die elkander in het bezit dezer landen, en over het algemeen van Centraal-Indië zijn opgevolgd, hebben, van de vroegste tijden, het nut dezer kunstmatige meren erkend; overal hebben zij het water door reusachtige afdammingen opgehouden, om het vervolgens naar hun wil en keus te geleiden. Sommigen van deze waterwerken zijn duizende jaren oud, en wekken nog, door hun grootschen aanleg, de bewondering der reizigers op; velen zijn echter sedert vervallen, en alom waar dit, door de zorgeloosheid der regeeringen, is geschied, is het land tot een wildernis geworden.Na ons bezoek aan het meer, keeren wij naar den grooten weg terug, en bereiken, tegen steile hellingen opklauterende, den ingang van den bergpas van Dobarri. Ter wederzijde verheffen zich hooge rotswanden, die slechts een weg van weinige ellen breed vrijlaten; de plek draagt den stempel van eene wilde grootschheid, wel geschikt om een diepen indruk te maken. In deze kronkelende bergengten heerscht eene ongestoorde stilte: de steile rotswanden, die loodrecht uit de omringende afgronden oprijzen, makenzelfs voor dieren den toegang bijna onmogelijk. Op het smalste punt van den pas bevindt zich eene versterkte poort, van bolwerken voorzien en gedekt door wallen, die langs de hellingen naar boven loopen; in een paviljoen nevens de poort is een militaire wacht geplaatst, die niemand doorlaat dan na voorafgaand onderzoek; op korten afstand ziet men een tempel en een waterbron, waar de pelgrims komen uitrusten.Wij gaan de poort door, en overzien de rijke en vruchtbare vlakten van Mewar: aan den horizon verheffen zich de bergen van Tsjittore, de oude stad der Ranas. Op de plek, waar wij ons nu bevinden, stond, volgens de overlevering, ook eenmaal Pertap-Singh, en wierp een blik op zijn voorvaderlijk koninkrijk, door de vreemdelingen overweldigd, aan wie hij hier een eeuwigen haat zwoer. Door de mohammedaansche keizers van Delhi verdreven en van zijne bezittingen beroofd, bleef Pertap niets meer over dan het enge gebied, binnen den kring van den Guirwô ingesloten; toch bleef hij onverzettelijk de vredesvoorstellen der Mongolen afslaan, die hem, tegen den vrijwilligen afstand zijner souvereiniteitsrechten, eer en schatten aanboden; hij verklaarde hun een onverzoenlijken krijg. Met een handvol edelen, die hem getrouw waren gebleven, en de hulp der wilde Bhîls, weerstond hij, aan de bergengte van Dobarri, de herhaalde aanvallen der keizerlijke legers, en wist het, door onbezweken heldenmoed en schier bovenmenschelijke inspanning, zoover te brengen dat hij langzamerhand geheel Mewar herwon. Weinig natiën kunnen op eene geschiedenis bogen, zoo rijk aan heldendaden, zoo luide getuigende van zelfopofferende vaderlandsliefde, als die der Radspoeten van Mewar; van alle indische stammen waren zij de eenigen, die volstandig weigerden, de knie te buigen voor de Muzelmannen, en te midden van gruwelijke vervolgingen en verdelgingsoorlogen hunne fiere onafhankelijkheid wisten te bewaren.Het landschap, dat ons omringt, verhoogt de belangstelling, waarmede wij naar het verhaal van majoor Nixon luisteren; de radsjpoet ruiters, die ons vergezellen, verheffen zich trotscher in den zadel, nu zij den grond betreden, zoo menigmalen door het bloed hunner heldhaftige voorvaderen gedrenkt, en ik zelf kan zekere aandoening, bij de herinnering aan dit verleden, niet onderdrukken.Wij worden weldra uit onze mijmering gewekt door het gezicht van de bungalow van Dubock, waar onze bedienden reeds zijn aangekomen en waar ons een goed middagmaal wacht. Dubock is een klein dorp, aan den zuidelijken uitloop van de Nahrmoegraketen (Tijgergebergte), en slechts eenige mijlen van onze verzamelplaats verwijderd. Wij brengen hier den nacht door.Den volgenden morgen breken onze lieden reeds vroegtijdig het kamp op, en trekken naar het dorp Nahrmoegra; in plaats van den gewonen weg te volgen, gaven wij de voorkeur aan den tocht over de bergvlakten, om nauwkeurig bekend te worden met de gesteldheid der streek, waar wij de volgende dagen ter jacht zullen gaan. De Nahrmoegrabergen vormen eene kleine keten, die over eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen evenwijdig aan de oostelijke bergketen van den Guirwô loopt; zij zijn van deze laatste gescheiden door eene tamelijk breede vallei, met op zich zelf staande hoogten bezaaid. De hellingen van het gebergte loopen in eene menigte voorsprongen uit, die op wonderlijke wijze als door elkander zijn geworpen en een bijkans ondoordringbaar net van kloven en diepten en ravijnen vormen. De zijden der bergen zijn geheel bedekt met dicht kreupelhout, bestaande uit een soort van kleinen, doornige acacia,Acacia detinens, die zelden hooger wordt dan drie el, en eene groote menigte gele bessen voortbrengt, die eene lekkernij zijn voor de wilde zwijnen. Gansche kudden van deze dieren houden zich in die bosschen op, veilig onder de bijzondere bescherming des konings: zonder uitdrukkelijke vergunning van den rana mag niemand hier in den omtrek een geweer afschieten, veel minder jagen. Terwijl wij door het dichte hout voorttrekken, zien wij dan ook overal troepen wilde zwijnen, die bij onze nadering op de vlucht gaan. Het dorp Nahrmoegra ligt aan het noordelijk uiteinde van de bergketen; een sierlijk paleis, waarvan de koepels en torens zich boven het geboomte verheffen, dient den Rajah tot verblijfgedurendeden jachttijd.Bij onze aankomst vinden wij het kamp der jagers reeds geheel kompleet; nabij het paleis zijn onze tenten geplaatst, die eene aanzienlijke oppervlakte beslaan. Aan de overzijde van een klein ravijn staan de gekleurde tenten van het gevolg van den rana, de stallen der olifanten, en de barakken der kavalerie en van de twee regimenten infanterie, die als drijvers dienst zullen doen. Meer dan tienduizend menschen zijn nu bijeen in dit doorgaans zoo stille en rustige oord; uit het kamp gaat een oorverdoovend gerucht op: toch schijnt er de meest volmaakte orde te heerschen. De etiquette wordt hier niet minder streng in acht genomen dan aan het hof zelf; eene deputatie van edellieden komt ons, met groote staatsie, uit naam van den rana begroeten en ons het programma der feesten ter hand stellen, die gedurende de veertien dagen, dat de jachtpartij duurt, zullen plaats hebben. De bayaderen hebben den last ontvangen, hare tenten in de nabijheid van die der vreemde heeren op te slaan. In den loop van den avond verschijnt de Rana, dien wij in het paleis afwachten; hij voert ons zelf door zijne woning rond, die inderdaad door eenvoud en smaak uitmunt.Den 20sten, des middags, heeft de plechtige opening der jaarlijksche jacht plaats. De rana, op zijn olifant gezeten, verlaat zijn paleis, omstuwd door een koor van barden, die toepasselijke liederen aanheffen en groote palmtakken, met rozen versierd, zwaaien. De opperjagermeester, Maharaj Singjee, op een rijk opgetuigde kameel gezeten, volgt te midden der schaar van bedienden; achter hen komen de edelen en de genoodigden, ieder op een olifant; een talrijke schaar van Radsjpoeten te paard sluit den trein. De stoet trekt langzaam voort, te midden van eene menigte van dorpelingen en landlieden, van alle kanten saamgestroomd,om getuige te zijn van deze plechtigheid. Op een mijl afstands van het dorp gekomen, wijst de rana de personen aan, die de hooge eer zullen hebben met hem zelf te mogen jagen: die bevoorrechten zijn de resident, de dokter, mijn reismakker en ik, benevens de beide raos van Baidlah en Pursaoli; al de anderen zullen zich eenvoudig tot de rol van toeschouwer bepalen. Dit aldus geregeld en de jacht nu geopend zijnde, verspreiden de drijvers zich in de vlakte en jagen een troep wilde zwijnen op, die langs de olifanten heenloopen; vier liggen weldra ter aarde; deze buit wordt voor den eersten dag voldoende gerekend; de stoet schaart zich weder in orde en keert naar het kamp terug. Aan den ingang van het paleis komen de bayaderen, in hare fraaiste kleederen uitgedost, ons geluk wenschen met den behaalden buit.De vier volgende dagen waren hoofdzakelijk gewijd aan eene soort van drijfjacht in de vlakte, om het wild naar het gebergte te drijven. Geen schilderachtiger aanblik, dan de lange lijn van olifanten, te midden der ruiters, zich in de vlakte ontplooiende; de reusachtige dieren, behangen met fraaie dekkleeden, uit de huiden hunner voorgangers vervaardigd, verheffen zich boven het kreupelhout als wandelende torens, en schrijden rustig en met vasten tred voort, dwars door de doornige struiken. Nooit komt de gevatheid en het merkwaardige instinkt van den olifant treffender uit, dan bij het nazetten der gewonde dieren. De wilde zwijnen hollen bij troepen langs de jagers heen; zoodra er een gewond is, verwijdert hij zich van de troep, en verschuilt zich in het dichte kreupelhout. Daar ieder gewond dier van rechtswege toebehoort aan den jager, die het ’t eerst getroffen heeft, moet deze zich van de groep zijner makkers afzonderen en zijn wild gaan opsporen. Daarbij dient de olifant, dien hij berijdt, hem als speurhond; onvermoeid volgt het dier het spoor, van tijd tot tijd snuffelende, waar het wilde zwijn geloopen heeft; de gang van den olifant is zoo zacht, dat hij dikwijls langs de schuwste dieren heen gaat, zonder dat deze hem gewaar worden. Het is mij meermalen gebeurd, dat ik, op een olifant gezeten, het spoor van een of ander wild volgende, op weinige schreden afstands een troep damherten zag, die rustig bleven doorgrazen. In de nabijheid van het gewonde dier gekomen, staat de olifant eensklaps stil; en dikwijls kunt ge eerst na scherp rondzien het arme opgejaagde wilde zwijn ontdekken, gewond tusschen de struiken neergezonken; een kogel maakt een einde aan zijn lijden, en de olifant verkondigt de zegepraal door een luiden vreugdekreet.Een juwelier.Een juwelier.Den 24stenkwamen de shikaris ons verwittigen, dat dehankhof de jachten in het gebergte een aanvang konden nemen; volgens hunne verzekeringen hadden de dieren, verschrikt door onze drijfjachten, zich in grooten getale in de boschrijke kloven en ravijnen verscholen. Dadelijk werd het plan voor den veldtocht vastgesteld; wij zouden aan de zuidelijke punt van de bergketen beginnen, en aldus voortgaan tot den bergpas achter ons kamp, waar de laatste groote jacht zou plaats hebben.Den volgenden morgen trok de jachtstoet naar Dubock, en vandaar naar dehoudi, waarin wij de jacht zouden bijwonen. Deze houdis zijn een soort van kleine bolwerken, doorgaans aan den ingang van een dal of ravijn opgeworpen, zoodat het vuur der jagers de vallei geheel bestrijkt. Alles is hier voor ons gemak ingericht: sierlijke leuningstoelen staan gereed voor den rana en de genoodigden; bier, champagne, limonade met ijs en andere ververschingen zijn in overvloed voorhanden. Deze manier van jagen is zeker wel de minst vermoeiende, die men zich denken kan. Achter iederen jager staan twee shikaris, met eene geheele batterij van geweren; een hunner is belast met het laden der geweren, terwijl de andere ze aan den jager ter hand stelt, naarmate hij ze noodig heeft.De houdi van Dubock is allerfraaist gelegen,beschaduwddoor een groep hoog geboomte, aan den rand van een diep dal; de vlakte en het gebergte der Aravallis liggen in een wijd panorama voor ons. De drijvers, die vooruit zijn vertrokken, hebben zich ten getale van drieduizend man in het gebergte verspreid en alle hoogten bezet; het opgejaagde wild blijft geen andere uitweg over, dan het smalle dal aan onzen voet. Weldra klinkt ons uit de verte een luid gerucht tegen; uit het kreupelhout schettert en dreunt het oorverdoovend geraas van gongs, trompetten en tamtams. Eenige oogenblikken later ruischt en kraakt het in de struiken, en een troep wilde zwijnen stormt in het dal: zij zijn ongeveer ten getale van twintig en blijkbaar zeer verschrikt. Binnen het bereik onzer geweren gekomen, worden zij door onze kogels begroet; enkelen storten neder; anderen keeren naar het gebergte terug; sommigen zijn verstandig genoeg om hun weg te vervolgen en bereiken ongedeerd de vlakte. Na verloop van een half uur is de verwarring onbeschrijfelijk; de wilde zwijnen verdringen zich bij honderden in de smalle kloof, en het vuur van de houdi zwijgt geen oogenblik. Jakhalzen, hyenas vluchten in wilde warreling met de evers; al deze arme dieren zijn door een panischen schrik bevangen en loopen blindelings in hun verderf. Langzaam en voorzichtig treedt een panter te voorschijn; hij poogt de rotsen te beklimmen, en zoo achter de noodlottige houdi heen te komen: maar weldra tuimelt hij, door onderscheidene kogels getroffen, in de diepte, onder het luide gejuich der Radsjpoeten.De Araï-Din-ka-Jhopra te AjmeerDe Araï-Din-ka-Jhopra te AjmeerEindelijk komen de drijvers terug; de jacht is afgeloopen. Wij dalen in de vallei af om het wild te onderzoeken. Het schouwspel is inderdaad afschuwelijk: de gedoode dieren liggen in schrikkelijke wanorde op en over elkander; breede bloedplassen bedekken den rotsigen bodem. Meer dan veertig wilde zwijnen, een vijftiental jakhalzen, hyenas en wilde honden, en een panter: ziedaar de buit, in anderhalf uur behaald. Mijne belangstelling wordt vooral opgewekt door de wilde honden, waarvan ik dikwijls had hooren spreken, maar die ik nog nooit had gezien. Zij zijn ongeveer zoo groot als een jakhals, op wien zij veel gelijken, ook door den vorm van hun kop; maar hun haar is korter, vaalbruin van kleur, en hun staart kaal. Het geblaf van den wilden hond komt overeen met dat van den gewonen huishond, maar is ruwer en heeft een onaangenamen, klagenden toon. In talrijke groepen vereenigd, maken deze dieren jacht op de herten en antilopen, die zij zonder veel moeite weten machtig te worden; den mensch vallen zij nooit aan. Zelfs zeer jong gevangen, worden zij nooit recht tam.Ons leven in het kamp van Nahrmoegra is eene opeenvolging van feesten; om daarvan een denkbeeld te geven, zal ik beschrijven hoe wij in den regel den dag doorbrengen.Onze tenten, die tot slaapkamers dienen, zijn in een wijden kring geschaard om twee groote tenten of liever gebouwen van tentdoek, van verandahs omgeven en met de grootste weelderigheid gemeubeld; een daarvan is de eetzaal, de andere is de algemeene salon, waar alle leden van het gezelschap elkander ontmoeten. Ten zes uur in den morgen komen de bedienden ons wekken met een glas sherry; opgestaan zijnde, trek ik mijne kleederen uit, en ga, met een eenvoudigenjanghir, een korten nauwsluitenden broek, gekleed, naar buiten. Daar zet ik mij neder op een bos stroo, en breng mijn eersten groet aan mijne makkers, die, in hetzelfde kostuum uitgedost, in dezelfde houding, voor hunne tenten zitten; deBhistisnaderen met hunne zakken ijswater en dienen ons een stortbad toe. Eenige minuten later zijn wij, in een deftiger kostuum, vergaderd rondom de tafel in deMess-Tent, de eetzaal, waar een stevig eerste ontbijt staat aangericht. Vroolijk pratende en keuvelende, heerlijketsjeroetsvan Manilla rookende, gaat de tijd al ras voorbij; vervolgens stijgen wij te paard en gaan een toertje in den omtrek maken, onderwijl eenige ganzen en flamingo’s schietende. Ten elf uur wordt op nieuw toilet gemaakt, en het tweede ontbijt gebruikt: de bedienden van den rana brengen ons daarbij dagelijks een deel van den koninklijken maaltijd. Twee deurwaarders met gouden staven wandelen aan de spits van dezen langen stoet van bedienden, die schotels aandragen met de meest verschillende spijzen beladen. Naar dit proefje van het dejeuner van den rana te oordeelen, moet die vorst met eene merkwaardigen eetlust begaafd zijn; waarschijnlijk zal echter zijn persoonlijk aandeel wel geringer zijn dan de voor ons bestemde porties. De gerechten van dit ontbijt bestaan in gebraden vleesch, wilde-zwijnen pooten, reeënbouten, sterkgekruide ragouts en zoogenaamdecurries; enkele van deze schotels zouden eener aanzienlijke tafel in Europa geen oneer aandoen. Depicklesvan allerlei soort, suikergoed en gebak vullen zoowat een dozijn schotels. Natuurlijk raken wij slechts even, voor den vorm, aan dit monster-dejeuner, dat verder aan onze bedienden wordt overgelaten. Het midden van den dag is aan de jacht gewijd. Ten vier uur, na ons nogmaals door een stortbad verkwikt en opgefrischt te hebben, ontvangen wij het bezoek van de indische edellieden, die over allerlei zaken met ons komen spreken. Het middagmaal duurt, naar de algemeene gewoonte in Hindostan, zeer lang, omdat ook hier het engelsche gebruik gevolgd wordt om na afloop der tafel nog te blijven drinken; de bayaderen, de goochelaars en het vuurwerk houden ons daarna tot middernacht bezig.Den 30stentijgen wij voor het laatst ter jacht; des avonds is er groot feest in het paleis, ten besluite der jachten van Nahrmoegra. Den volgenden morgen keerden wij naar Oodipoor.VI.De maand Februari ging voorbij met de verschillende feesten van den Holi, het lentefeest en tevens het indische carnaval, waarbij de uitgelatenste vroolijkheid en ook de ergerlijkste zedeloosheid en dartelheid allerwege den boventoon voeren. De rana had ons overgehaald tot na den afloop dezer feesten en die van de godin Goeri, te Oodipoor te blijven; nu echter stond mijn besluit om te vertrekken onwrikbaar vast. Wij hadden ons afscheidsbezoek bij den rana gebracht, en alle toebereidselen voor de reis waren voltooid. De rana had de beleefdheid gehad zijne kameelen te onzer beschikking te stellen: maar de vakil, de stalmeester, had—ik weet zelf niet waarom—ons allerlei moeilijkheden in den weg gelegd. Hij zond ons kreupele, onhandelbare of zwakke dieren, die wij niet konden gebruiken. Eindelijk gaf ik hem te kennen dat ik mij tot den resident of des noods tot den rana zelf zou wenden; dit hielp: en weldra had ik nu vijftien sterke kameelen tot mijnen dienst, die onze bagage, onze bedienden en onze tenten moesten vervoeren; twee uitnemende dromedarissen zullen ons dienen om daarop te rijden. Ons geleide bestaat uit twaalf sowars; onze bedienden en de kameeldrijvers daarbij geteld, is onze karavaan meer dan veertig personen sterk.In den vroegen morgen van den 5denMaart, zond ik al mijn volkje vooruit naar Dubock; bij het vertrek heerscht de meest volslagen wanorde, zooals trouwens hier doorgaans het geval is. Wij ontbijten voor het laatst bij den resident; al onze goede vrienden zitten nog eens met ons aan tafel. Eindelijk—een laatste handdruk, en dan vaarwel! Wij springen in het zadel en rijden in galop weg; na een rit van een uur bereiken wij de bergpassen van Dobarri. Nog eenmaal wierpen wij een blik op het landschap achter ons: daar lag de rijke, heerlijke vallei met hare bosschen, hare vruchtbare velden, hare lachende dorpen; het riviertje de Bairis baande zich kronkelend een weg tusschen de rotsen. In de verte Oodipoor, de stad van de rijzende zon, met haar diadeem van paleizen, rustende tegen de Aravallis, wier prachtige grootsche lijnen zich krachtig in de blauwe lucht afteekenden. Wij trekken de bergengte door, en hebben de grenzen van den Guirwô overschreden; voor ons ontvouwt zich het panorama der vlakten van Mewar, ten oosten begrensd door eene schemerende blauwe lijn, de bergen van Tsjittore.Wij bereiken de bungalow van Dubock, waarbij ons kamp is opgeslagen. Nauwelijks zijn wij daar aangekomen, of tweeharkarasof boden van den rana komen ons depurwanasof firmans ter hand stellen, die de koning ons had beloofd. Deze purwanas zijn gericht aan de thakoers of baronnen, aan de kotwals of bevelhebbers der steden, aan de patels of dorpshoofden, en houden den last in, vooreerst, dat wij behandeld moeten worden met al den eerbied, dien men aan vrienden van den maha-rana verschuldigd is;voorts, dat ons dadelijk, zonder eenige vergoeding, derassâdvoor ons en onze lieden moet worden verschaft. Onder dezenrassâdverstaat men zoowel de noodige levensmiddelen als de koelies. Op mijn bevel moet dit alles, op de verschillende plaatsen waar wij ons ophouden, worden geleverd; het dorpshoofd maakt dan eene lijst op der geleverde goederen, die door mij wordt geteekend en vervolgens aan den minister van den rana ter hand gesteld, die voor de betaling zorgt. De purwana voegt daarbij, dat, aangezien de sahibs reizen om het land te leeren kennen, elk gehouden is hun alle merkwaardigheden aan te wijzen, en hun alle verlangde inlichtingen te geven omtrent de zeden, de overleveringen en legenden der streek. Deze laatstebijvoegingis van groot gewicht: want daar de inlanders altijd bevreesd zijn op eene of andere manier in onaangenaamheid te geraken, antwoorden zij zonder zulk een bevel steeds ontwijkend op al uwe vragen en houden zich als wisten zij van niets. De beide harkaras, die ons zullen vergezellen, moeten voor de goede naleving der firmans zorgen.Het kamp is in de volmaakste orde; de kameelen en paarden zijn aan palen vastgebonden; de tenten regelmatig geplaatst; ieder man is op zijn post, en heeft zijn bed, een strooien mat, gereed gemaakt. Van de verwarring en wanorde, die te Oodipoor heerschten, is geen spoor meer over. Zoo lang de reis nog niet begonnen is, kunt ge niets van uw volk gedaan krijgen: de beesten worden slecht geladen; de touwen breken; elk oogenblik hebt ge met allerlei moeielijkheden te kampen. Maar nauwelijks zijn zij een paar mijlen buiten de stad, of uwe lieden begrijpen dat alle verder tegenspartelen nutteloos is, en van nu gaat alles naar wensch. De Hindoes hebben allen een ingeschapen lust voor reizen; het eenige waar zij tegen opzien, is het vertrek; maar eenmaal op weg, zult ge moeielijk lieden vinden, die zich gewilliger en met meer blijmoedigheid de vermoeienissen en ontberingen van een langen marsch getroosten; zij zijn op reis bereid te doen, wat zij u in de stad zeer stellig weigeren zouden, en niemand aarzelt een oogenblik, de handen aan het werk te slaan.Nog voor het aanbreken van den dag, werd ik den volgenden morgen door mijn getrouwen bediende gewekt. Al ons volk is reeds op de been, en druk bezig, bij het schijnsel der wachtvuren, de kameelen te laden, die gansch niet in hun schik zijn, dat zij zoo vroeg gewekt worden, en hun ongenoegen door een luid gebulk openbaren. Het tooneel is schilderachtig genoeg: dit geraas en rumoer, dat rosachtig schijnsel der vuren, die zonderlinge dieren, onwillig tegenstribbelende tegen die door elkander woelende menschen, die groote donkere boomgroepen:—en dan dat stille rustige, in schemering gehulde landschap daar om heen. Het is vier uur in den morgen, tusschen de keerkringen het stille uur; het roofgedierte, dat des nachts rondsluipt, is reeds naar zijn holen terug gekeerd; de andere woud- en veld- en luchtbewoners wachten op de komst van den dageraad; de lucht is frisch, koel zelfs: het doet u goed, bij het wachtvuur te staan. De maan is ondergegaan; geen ander licht dan het schijnsel der sterren en de heldere glans van het zodiacaal licht, dat aan den oostelijken horizon als een langwerpige aureool straalt.Het land, waar wij ons thans bevinden, behoort zeker tot de door de natuur meest gezegende streken; de bodem bestaat uit die zwarte, zware tuinaarde, in het hindoeschmâlgenaamd, waaraan de uitgestrekte landstreek, door de Tsjumboel bespoeld, den naam van Malwa dankt. Maar de bebouwing staat hier niet in evenredigheid tot de vruchtbaarheid; de onophoudelijke oorlogen der vorige eeuw hebben het land grootendeels tot een wildernis gemaakt; het oog van den reiziger dwaalt langs onafzienbare vlakten, overal bedekt met dat grijsachtige struikgewas, dat alle indische jungles vormt. Van afstand tot afstand ontmoet ge een enkel dorp, met zijne woningen en tuinen tegen de hellingen van een heuvel gebouwd; daar om heen smaragdgroene rijstvelden, veelkleurige opiumplantages, prachtige akkers met graan. Deze dorpen zien er allen welvarend uit; bij onze nadering loopen de inwoners toe om ons te groeten.Na een tocht van een-en-twintig kilometers door deze fraaie, hoewel eenigszins eentonige landstreek, komen wij te Mynar, een schilderachtig dorp, tegen een heuvel gelegen, waarvan de top door een sierlijken tempel wordt gekroond. Wij slaan ons kamp op in de schaduw van eeuwenheugende boomen, aan den oever van een fraai meer, tegenover een grooten plas, waar, tusschen de breede lotusbladen, gansche zwermen van eenden dartelen. Ik begaf mij daarheen, en schoot mijn geweer onder den hoop af. Duizende eenden verduisterden de lucht, en lieten zich dooden met eene gemakkelijkheid, die mij al spoedig de lust deed vergaan.De sowars rapen den buit op, en volgen mij, bij zich zelven mompelende en lachende, tot aan mijne tent; maar nauwelijks heb ik mijn ontbijt gebruikt, of een zwaarlijvige brahmaan komt mij vertellen dat het niet geoorloofd is op het meer te gaan jagen, omdat het dorp gewijde grond is. Ik tracht hem onder het oog te brengen dat ik, indien ik al kwaad heb gepleegd, dit dan toch onwetend heb gedaan, en dat de rana mij bovendien heeft vergund om overal in zijne staten zonder eenige beperking te jagen. Deze uitlegging schijnt den brahmaan niet te voldoen, die blijft razen en tieren, tot ik hem buiten het kamp laat zetten.Mynar is inderdaad eensahsun, dat wil zeggen eene kerkelijk domein; de priesters beweren dat hun dit goed geschonken werd door den mythischen rajah Mandhata, die vóór Vicramaditya te Dhar regeerde en wiens rijk zich uitstrekte tot de Aravallis. Deze koning, eens te Doendia, eene naburige stad, zijnde, bracht daar den goden de aswamedha of het offer van een paard; na afloop der plechtigheid, wilde hij de beide ritsjis of heilige kluizenaars, die geofferd hadden een geschenk vereeren, maar deze weigerden iedere gave. Toen nam de koning zijne toevlucht tot list: hij verborg in de bîra, het bosje betelbladen, dat hij hun aanbood, een brief, waarbij hun het dorp Mynar met de daarbij behoorende gronden in eigendom werd geschonken. De ritsjis, de bîra aangenomen hebbende verloren hun vermogen om wonderen tedoen; zij vestigden zich toen op hun nieuw domein en werden landbouwers.In geheel Radsjpoetana is er geen enkele staat, waarin althans niet een vijfde gedeelte van den grond het eigendom is der brahmanen; in den loop der eeuwen heeft de brahmaansche kerk onberekenbare schatten opgestapeld, wier bezit zij met alle kracht verdedigt. Worden de vorsten niet in de oude gewijde boeken van Manoe zelf vermaand, om vóór hun dood al hunne persoonlijke bezittingen aan de priesters te vermaken? En worden zij, die de hand zouden durven slaan aan de gewijde goederen, niet bedreigd met een verblijf van zestigduizend jaar in het lichaam van een onreinen worm? Het moet toch wel hard zijn, na al de weelden van den troon genoten te hebben, zoo ontzettend diep te vallen; en aan den anderen kant is het recht aangenaam uit dit leven te scheiden met het bewustzijn dat, zoo uwe erfgenamen al teleur zijn gesteld, dan toch uwe ziel van alle smet is gereinigd en der zaligheid deelachtig wordt;—daarom geven de koningen, en de kerk behoudt wat zij eens ontving. In hetkoninkrijkMewar gaat een vijfde van de staatsinkomsten in de handen der brahmanen over; en ter nauwernood durft de koning het wagen om gronden, die reeds voor eeuwen aan de priesters werden geschonken en nu geheel verlaten liggen, weder bij het kroondomein te voegen. Tot het dorp Mynar behooren vijfduizendbigahs, ongeveer zesduizend-vierhonderd bunders bouwland, waarvan meer dan drie vierde gedeelte onbebouwd en woest ligt, door de afwezigheid of het uitsterven der oude bezitters. Niet alleen laten de koningen dus een groot deel van hun land ongebruikt en braak liggen, maar nog voortdurend maken zij nieuwe schenkingen, die het land nog meer verarmen; doch deze staat van zaken kan niet eindeloos voortduren, en waarschijnlijk is de tijd niet meer verre dat de vorsten op aansporing der engelsche agenten, hunne bijgeloovige vrees zullen overwinnen en maatregelen nemen om althans de woeste gronden weder aan den landbouw terug te geven.Twee dagreizen brengen ons naar Tsjittore, de aloude hoofdstad van Mewar, en gedurende eenige eeuwen het laatste bolwerk der hindoesche nationaliteit tegen de mohammedaansche overweldiging. De stad ligtopden top van een alleenstaanden berg; het plateau heeft eene lengte van vijf kilometers, bij eene breedte van gemiddeld vierhonderd el. De wanden van den berg, die tusschen de negentig en honderdtwintig ellen hoog is, rijzen bijna loodrecht uit de vlakte op; een hooge gekanteelde muur, met zware torens voorzien, loopt langs den rand van den afgrond. Deze natuurlijke gesteldheid, gevoegd bij uitnemend aangelegde verdedigingswerken, maakte Tsjittore tot eene bijkans onneembare vesting; rijkelijk van waterputten voorzien, en met welgevulde reusachtige magazijnen, kon zij ook moeielijk door honger bedwongen worden:—en toch zijn weinige steden in Indië zoo dikwijls genomen geworden als juist deze. Haar kwetsbaar punt is eene kleine bergvlakte, ten zuiden van den berg, die, hoewel lager liggende dan de muur der vesting, toch voor de aanvallers een geschikt punt oplevert om de stad aan te tasten. Volgens de overlevering, zou dit plateau, onder den naam van Tsjittore bekend, zijn ontstaan te danken hebben aan den tartaarschen sultan Ala-Oedin; inderdaad was het van dit punt, dat hij den storm waagde, die hem, ten jare 1303, Tsjittore in handen deed vallen; en daar het beleg niet minder dan twaalf jaren geduurd had, is het zeerwel mogelijk, dat de belegeringswerken van den sultan de kruin van dezen vooruitspringenden heuvel aanmerkelijk hebben verhoogd; naar men wil, had hij op deze hoogte zijne munjanikas of werptuigen geplaatst. Madhaji Scindia plantte, in 1792, mede op de hoogte van Tsjittore zijne batterijen, waarmede hij de stad bombardeerde.Het lagere gedeelte van de berghelling is met ondoordringbaar bosch begroeid, waarin allerlei gedierte huist; ten oosten aan den voet des bergs, ligt de Toelaïti of benedenstad; aan deze zijde bevinden zich ook al de merkwaardige monumenten van Tsjittore. Een enkele weg voert van de Toelaïti naar boven, naar Tsjittore; deze toegang was door zeven poorten verdedigd, die tegenwoordig zeer vervallen zijn. Deze poorten, op verschillende hoogte geplaatst, dragen allen een monumentaal karakter, en zijn zeer fraai van stijl; zij bevatten niet slechts wachtkamers, maar zelfs groote zalen. Tusschen de derde en de vierde poort verrijst een klein marmeren grafmonument, dat de immer gedenkwaardige plek aanwijst, waar de beide helden Jeimul en Puttoe, tijdens het beleg der stad door keizer Akbar, sneuvelden. In de nabijheid is het graf van een anderen martelaar van de onafhankelijkheid der Radsjpoeten, Ragondeh, tegenwoordig als een heilige vereerd. De laatste poort is een statig, indrukwekkend gebouw: een wijde boog geeft toegang tot de stad; ter wederzijde zijn fraaie wachthuizen, door zuilen gedragen; en boven de poort is de Durri Kana of groote staatsiezaal der Radsjpoeten vorsten. Het was in deze zaal, dat de machtige Kangra Rani, de beschermgodin van Tsjittore, aan den rana Ursi verscheen, en hem de vernedering van zijn doorluchtig geslacht voorspelde. Maar hier is geen enkel brok muur, geen steen bijna, waaraan zich niet eene of andere legende uit den heldentijd hecht, en die niet de herinnering van een schitterend wapenfeit of van eene edele zelfopoffering voor het geheugen terugroept. Deze poort leidde vroeger naar eene groote schitterende stad, de roem van Indië, waarvan nu niets meer over is dan enkele leemen hutten, verloren te midden der bouwvallen van paleizen en praalgebouwen.Het paleis te Amber.Het paleis te Amber.Van al deze overblijfselen van vervlogen grootheid, paleizen en tempels, is verreweg het merkwaardigste de Kheerut-Khoemb of Toren der Overwinning van Khoembhoe. Hij werd door den rana van dien naam gebouwd, ter herinnering aan de groote overwinning, die hij op de verbonden legers des sultans van Malwa en Goezerate behaald had. Het eenige monument in geheel Hindostan, dat met dezen toren kan vergeleken worden, is de toren der Overwinning van Koetub te Delhi, die de Kheerut in hoogte, maar niet in schoonheid overtreft. De Kheerut van Tsjittore is een vierkante toren van zeven-en-dertig ellen hoogte; debreedte van iedere zijde is beneden tien el, en boven onder den koepel vijf el; de toren rust op een grondslag of voetstuk van dertien el aan iedere zijde. De vorm van het gebouw is verre van regelmatig; het is verdeeld in negen verdiepingen, waarvan de met zuilen versierde vensters, de balkons en uitspringende lijsten de eenvormigheid der lijnen bevallig breken en eene hoogst gelukkige uitwerking doen. Zoowel het uit- als het inwendige prijkt met duizende standbeelden, bas-reliefs en ornamenten; alle goden van den indischen Olympus zijn hier vertegenwoordigd. De negende verdieping is een lantaarn, waarboven zich een moderne koepel verheft, daar de oude door den bliksem is vernield. In deze verhevene zaal bevonden zich de marmerplaten, waarop de stamboom der Ranas en hunne voornaamste daden waren gebeiteld; het mohammedaanschevandalismeheeft er slechts enkelen van gespaard. Van den top des torens geniet men een overheerlijk uitzicht over de gansche omliggende streek.Aan den voet van dezen toren bevindt zich een tempel aan Brâma, den onzichtbaren god, gewijd, en mede door Khoembhoe, ter eere van zijn vader Mokul, gesticht. In de nabijheid ligt deShâr Bâghof de koninklijke begraafplaats, met de graftomben van al de Ranas, te beginnen met Bappa, den stichter der dynastie (782) tot Oedey-Singh, den laatsten vorst van Tsjittore (1597). Onder deze graftomben zijn er vele, die eene nauwkeurige studie alleszins waardig zijn. Maar waar zou ik eindigen, indien ik al de merkwaardigheden wilde beschrijven van deze aloude hoofdstad, waar nog meer dan driehonderd monumenten, uit een tijdvak van misschien zeven of acht eeuwen afkomstig, verhalen van de vroegere heerlijkheid, thans voor immer ondergegaan?Men zal zich, na het gezegde, eenigermate een denkbeeld kunnen maken van den geweldigen indruk, dien de rampen van deze stad op de Hindoes moesten maken: eene stad, die gedurende de lange onafhankelijkheidsoorlogen het voornaamste brand- en middelpunt der hindoesche nationaliteit was, en daarbij de trots en de laatste hoop der ridderlijke Radsjpoeten. Nog is deze herinnering levendig in aller gemoed, en de naam van Tsjittore, de ongelukkige stad, zweeft nog steeds op de lippen des volks.De Hindoes verhalen van drie-en-een-halvesacas(plundering) van Tsjittore, tijdens het bestuur der Radsjpoeten: en wel, een onder Lakumsi, en de twee anderen onder Bikramajit en Oedey-Singh. Luisteren wij een oogenblik naar het verhaal dezer schitterende episoden uit de laatste heldhaftige worsteling voor de onafhankelijkheid van het oude Indië.De rana Lakumsi besteeg den troon zijner vaderen in het jaar 1275; zijne hoofdstad, tot op dat oogenblik nog door geen vijand vermeesterd, bevatte bijna alles wat er in Hindostan groots en heiligs was overgebleven: Delhi was toen reeds gevallen. Bhimsi, oom des konings en regent gedurende diens minderjarigheid, had de dochter van een edelman van Ceilon gehuwd, eene vrouw van zeldzame schoonheid en zeer uitnemende gaven van geest en hart. De sultan Ala-Oedin-Ghilsy, van de bekoorlijkheden dezer vorstin gehoord hebbende, sloeg het beleg voor Tsjittore, met geen ander doel dan om deze beroemde vrouw, van wier voortreffelijkheid het gansche land gewaagde, voor zich te winnen. De Radsjpoeten verdedigden zich met heldenmoed; en de sultan, wien het lange, hopelooze beleg begon te verdrieten, verklaarde eindelijk te zullen aftrekken, indien het hem slechts eenmaal vergund mocht zijn, het gelaat der schoone Pudmani te aanschouwen. Zijn wensch werd ingewilligd: en Ala, zich verlatende op het eerewoord en de ridderlijke trouw der Radsjpoeten, kwam binnen Tsjittore, werd bij de vorstin toegelaten, en verliet ongedeerd de stad. Bhimsi, zich niet minder edelmoedig willende toonen dan de tartaarsche sultan, begeleidde dezen tot buiten de vestingwerken. Juist daarop had Ala gerekend: de onvoorzichtige Radsjpoet zag zich plotseling overvallen en als gevangene naar het muzelmansche kamp gevoerd. Groot was de verslagenheid in Tsjittore, toen men den volgende morgen vernam, dat Ala zijn gevangene niet wilde loslaten, tenzij hem de prinses werd uitgeleverd. Pudmani aarzelde niet, en maakte aan allen haar besluit kenbaar, zich in handen van den sultan te stellen; maar tegelijk riep zij hare bloedverwanten bijeen en deelde hun het plan mede, dat zij ontworpen had om haar gemaal te redden. Ala werd mitsdien geboodschapt dat de vorstin zijne gevangene zou worden in plaats van Bhimsi: onder voorwaarde evenwel, dat het haar vergund zou zijn, zich tot aan het vijandelijk kamp te doen vergezellen door hare vrouwen en dienstmaagden en door de leden harer familie; en voorts onder de uitdrukkelijke bepaling dat de wetten van de zenanah stipt zouden worden geëerbiedigd. Deze voorwaarden aangenomen zijnde, daalden den volgenden dag zevenhonderd draagstoelen van de rotsige hoogte af; in iederen draagstoel zat, verborgen door de dichte gordijnen, een uitgelezen strijder van de ridderschap van Tsjittore; de vier dragers waren vermomde soldaten. Bij het tartaarsche kamp gekomen, werd aan de gewaande vrouwen, een half uur toegestaan om afscheid te nemen van Pudmani; de in vrijheid gestelde Bhimsi voegde zich bij zijne helden, en beraadslaagde met hen, aan aller oog onttrokken door de gordijnen der draagstoelen. Op een gegeven teeken springen nu de mannen eensklaps te voorschijn; de soldaten van Ala willen hen gevangen nemen. Van de verwarring gebruik makende, werpt Bhimsi zich op een paard en ijlt naar Tsjittore, terwijl zijn makkers zijn terugtocht dekken. De strijd was bloedig; van de heldenschaar der Radsjpoeten keerden maar weinigen in de vesting terug; maar het verlies van Ala-Oedin was zoo groot, dat hij den moed verloor en het beleg opbrak. De indische geschiedschrijvers noemen dit de halvesacavan Tsjittore; want hoewel de stad niet genomen werd, had zij toch de bloem van haar ridderschap verloren.In 1290 keerde Ala-Oedin terug en sloeg nogmaals het beleg voor Tsjittore; ditmaal met het vaste voornemen om deze laatste wijkplaats der afgodendienaars te vernietigen. Meer dan twaalf jaren lang bood de onneembare vesting een heldhaftigen tegenstand;maar eindelijk slaagden de Muzelmannen er in, zich van de hoogte van Tsjittore meester te maken: en nu begrepen de Radsjpoeten dat hun val onvermijdelijk was. De legende verhaalt dat, op dit uiterste oogenblik, de beschermgodin van Tsjittore, de vreeselijke Kangra-Rani, aan den koning Lakumsi verscheen, en tot hem de ontzettende woorden sprak: “Ik begeer koninklijke offers! Dat twaalf gekroonde vorsten hun bloed voor mij vergieten, en uwe nakomelingen zullen over Mewar regeeren!” Den volgenden dag riep de rana Lakumsi, die allen in den strijd was voorgegaan, zijne edelen en de voornaamsten der stad bijeen, en deelde hun de woorden der godin mede; maar de grijsaards trachtten den vorst te overreden, dat zijne overspannen verbeelding hem had misleid. Doch nu verschijnt Kangra-Rani ook voor hunne oogen, en roept hun toe: “Wat baten mij de duizende barbaren, die gij mij ten offer hebt gebracht? ik dorst naar koningsbloed! Laat iederen dag een andere vorst worden gekroond; laat hem getooid worden met de koninklijke insigniën, met dekirma(zonnescherm), met desjatta(kleine parasol) en desjamra(waaier); dat hij gedurende drie dagen zijne bevelen uitvaardige, en den vierden dag ten strijde ga en sneuvele. Op deze voorwaarden alleen zal ik met u blijven.”—De twaalf zonen van den rana waren aanstonds bereid zich ten offer te wijden, en betwistten elkander de eer wie het eerst ten doode zou gaan. Ursi werd het eerst als koning uitgeroepen: en na eene regeering van vier dagen, sneuvelde hij, strijdende voor Tsjittore. Elf zijner zonen waren aldus voor het vaderland gevallen, toen de rana zelf zijn krijgers verkondigde, dat nu de beurt om te sterven aan hem gekomen was. De laatste zijner zonen, die op uitdrukkelijk bevel van zijn vader, met een zwak geleide, de vesting verlaten had, bereikte gelukkig het Aravalli-gebergte. De Radsjpoeten bereidden zich nu tot den dood: de verschrikkelijke offerande van den johur zou worden voltrokken. De onderaardsche vertrekken van den Rani Bindar werden met brandbare stoffen opgevuld, en daarboven de schatten opgestapeld, die de muzelmansche hebzucht het meest konden prikkelen: de juweelen, de gouden en zilveren vaten en de vrouwen; deze laatsten gingen, ten getale van eenige duizenden, dit levend graf binnen, op het voetspoor van hare vorstin, de onvergelijkelijke Pudmani. Toen liet de rana de poorten der vesting openen, en omstuwd door het overblijfsel zijner helden, wierp hij zich op het leger van Ala; allen werden tot den laatsten man gedood, na onder hunne vijanden eene verschrikkelijke slachting te hebben aangericht. Toen de tartaarsche sultan eindelijk Tsjittore binnentrok, vond hij eene zwijgende, uitgestorven stad, waarboven een akelige zware rookwolk hing, die opsteeg uit de onderaardsche vertrekken, waarin alles, dat zijne begeerlijkheid had opgewekt, door de smeulende vlammen werd verteerd! In zijne woede, vernielde hij alle gebouwen binnen de vesting, met uitzondering van het paleis van Pudmani, de vrouw, die de onschuldige oorzaak was geworden van den val van Tsjittore.Aldus de legende, die zekerlijk de historische werkelijkheid heeft opgesierd. De tweede verovering der uit hare puinen herrezen hoofdstad had plaats onder de regeering van Bikramajit,omstreeks1537. De vroegere rampen waren sinds lang vergeten, en onder de glansrijke regeering van den rana Khoembhoe had Tsjittore het toppunt van macht en heerlijkheid bereikt, toen de sultan Bahadoer-Bajazet, de beheerscher van Goezerate, een inval in Mewar deed, om de nederlaag van zijn voorganger Mozuffar te wreken. De rana, een man van een heftig en wantrouwend karakter, door zijne edelen verlaten, die zich in Tsjittore hadden opgesloten, trok moedig den sultan tegen, maar werd verslagen. Onmiddellijk werd nu de hoofdstad belegerd, en Bajazet maakte daarbij gebruik van geschut: een wapen, dat de Radsjpoeten tot dusverre hadden versmaad. Volgens de verhalen van dien tijd, werd de muzelmansche artillerie gekommandeerd door een Europeaan: Labri Khan van Frenghân, waarschijnlijk een deserteur van de vloot van Vasco De Gama. Hij liet mijnen rondom de vesting aanleggen; en eene daarvan had eene zoo geweldige uitwerking, dat de wal over eene lengte van veertig ellebogen instortte, benevens een bolwerk, waarvan al de verdedigers omkwamen. De radsjpoeten edellieden boden een hardnekkigen tegenstand, en riepen, bij afwezigheid van den rana, een der prinsen van het koninklijk geslacht tot koning uit; deze, met de teekenen der souvereine waardigheid bekleed, begaf zich naar den muur en liet zich dooden, ten einde door dit offer de vertoornde godheid te verzoenen. Onder de vele bewijzen van schitterenden heldenmoed, waarvan ook dit beleg wederom getuige was, roemen de nationale barden bovenal het gedrag van de koningin-moeder, Jowahir-Baï, die, van top tot teen gewapend, zelf aan het hoofd eener gewapende bende, een uitval deed en sneuvelde, na met eigen hand eene menigte vijanden te hebben omgebracht. Eindelijk was langer tegenstand onmogelijk geworden; de vijand heeft bijna den wal vermeesterd; de vreeselijke plechtigheid van den johur zal wederom worden gevierd; maar de tijd ontbreekt om een brandstapel op te richten; de koningin Kurnavati en dertienduizend vrouwen vereenigen zich op eene ondermijnde rots: de lont wordt aan het kruid gelegd; en, na aldus hunne eer en hunne dierbaarste panden gered te hebben, ijlen de mannen naar de laatste worsteling, waaruit geen hunner keert. Bajazet werd, bij het gezicht dezer brandende, met dooden en stervenden opgevulde stad, van afschuw bevangen, en verliet haar zoo spoedig mogelijk.
De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.
De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.
De Kheerut-Khoemb te Tsjittore.
Wij keeren naar ons toover-eiland terug, waar wij door het gezang der bayaderen worden verwelkomd; na het middagmaal begeven wij ons andermaal in onze booten en laten ons gedurende eenige uren door het meer roeien; de maan rijst boven de bergen en giet haar zilveren licht uit over de wit marmeren koepels van het paleis; de kabbelende wateren schijnen met diamanten bezaaid; de zwoele avondwind voert ons de welluidende tonen toe van het gezang der nautsjnis, die ons op eenigen afstand volgen.
Eindelijk is het tijd om huiswaarts te keeren; onze olifanten wachten ons aan de kaai, en wij begeven ons op weg naar de residentie, vervuld met de aangenaamste herinneringen aan dezen heerlijken dag. De rana heeft woord gehouden: hij heeft ons bijna deschitterende gastvrijheid van onzen vriend den Guikowar doen vergeten.
Ontmoeting met den rajah van Bunera.Ontmoeting met den rajah van Bunera.
Ontmoeting met den rajah van Bunera.
Ontmoeting met den rajah van Bunera.
Toch was deze dag slechts de inleiding tot eene lange reeks van feesten, die onafgebroken tot den 17denJanuari voortduurden. In dien roes begonnen wij bijna te vergeten, dat wij nog eene lange reis hadden te doen, eer wij Jhodipoor, de eerstvolgende plaats onzer bestemming, bereiken zouden; toch besloot ik aan dit werkelooze leven een einde te maken, en deelde aan den majoor mijn voornemen mede, om den 20stente vertrekken.
Intusschen had men weldra iets gevonden, om onze afreis te vertragen: de groote jacht, die de rana jaarlijks in het Aravalli-gebergte houdt, zou weldra plaats grijpen; en de majoor gaf mij zulk eene schitterende beschrijving van die monster-jacht, dat ik mijn vertrek dadelijk uitstelde. Waarom ook zou ik mij haasten: ik had mij wel vast voorgenomen niet het voorbeeld te volgen onzer hedendaagsche touristen, die land aan land pijlsnel doorvliegen, als joeg hen een demon voort; altijd gejaagd en gehaast en voortgedreven, zien zij eigenlijk niets, en eenmaal aan de plaats hunner bestemming gekomen, vragen zij zich zelf twijfelend af, waarom zij zich toch zoo gehaast hebben. Waren drie jaren niet voldoende om Indië te bezoeken, welnu, dan zou ik er vier of zoo noodig vijf jaren voor besteden, maar ik zou dan ook inderdaad iets gezien hebben.
In den morgen van den 18denJanuari heerschte er in den omtrek van de residentie die eigenaardige drukte en beweging, die onafscheidelijk is van het vertrek van een hooggeplaatst persoon in Indië. Daar de majoor door al zijne bedienden en huisgenooten gevolgd werd, waren er verscheidene olifanten en een aantal kameelen noodig, om de tenten, de bagage en de mondbehoeften te vervoeren. Zulk een pleiziertochtje is hier in dit land geene kleinigheid: weelde en prachtvertoon is overal onontbeerlijk; en voor eene jachtexpeditie, die hoogstens veertien dagen zou duren, moest de majoor een volledig ameublement medenemen: tafels, stoelen, bedden, sofa’s, buffetten en zilverwerk. Het zou zijner hooge waardigheid en zijn aanzien afbreuk hebben gedaan, indien zijne slaapkamer in het kamp minder weelderig ware gemeubeld geweest, dan in zijn paleis te Oodipoor.
Het hof zal eerst den volgendendagop reis gaan; de majoor, dokter Cunningham, mijn reisgezel en ik zullen den nacht doorbrengen in een huis buiten den Guirwô, en den volgenden morgen naar de bergen van Nahrmoegra, de algemeene verzamelplaats, trekken. Tegen twee uur, worden wij in twee open calèches, ieder met zes paarden bespannen afgehaald; de zweepen klappen, en wij vertrekken in vliegenden draf, gevolgd door een eskadron lanciers van den rana. Voor wij de bergengte bereiken, die naar de vlakte van Mewar voert, geleidt de majoor ons naar het meer Oedey-Sâgur, aan het uiteinde van den Guirwô, tegenover Oodipoor, gelegen: een schilderachtige waterkom, door donkere wouden omzoomd, en aan drie zijden beheerscht door de toppen van de Aravallis, die aan geheel het landschap een verheven ernstig voorkomen geven. Evenals het meer Petsjola is ook dit meer kunstmatig gevormd, door afdamming van de rivier Bunas, een op zich zelf zeer onbeduidend stroompje, dat op die wijze twee der fraaiste meren van Indië, op eenige mijlen afstands van elkander gelegen, voedt. De dijken van de meren Oedey-Sâgur en Petsjola verdienen met eere genoemd te worden onder de groote werken, door de Radsjpoeten tot stand gebracht. De dijk van Petsjola heeft een omtrek van twee kilometers; het door den dijk omsloten meer ligt tien of twaalf el boven den bodem der vallei, en bevat eene watermassa, die gerust op meer dan twee milliards kubiek el kan worden geschat; de dijk is zoo stevig aangelegd, dat hij eene gansche stadswijk dragen kan. Debándvan Oedey-Sâgur is zeshonderd el lang en gemiddeld twintig el hoog; de watervlakte heeft eene lengte van vier en eene breedte van drie kilometers: de gemiddelde diepte bedraagt tien el. De dijk is van steen gebouwd, met trappen en kiosken voorzien; op de kruin verheft zich een fraai zomerpaleis. Deze kunstmatige meren hebben evenwel nog eene andere bestemming, dan om louter tot verfraaiing van het landschap te dienen. Men vindt ze overal door geheel Radsjpoetana, dat voornamelijk aan hen zijne buitengewone vruchtbaarheid dankt; het water, aldus opgesloten in een bekken, dat eenige ellen boven den beganen grond ligt, onderhoudt, vooral in het droge jaargetijde, eene weldadige frischheid en vochtigheid, en voedt de putten en bronnen der naburige dorpen. Verbreek de dijken dezer meren, en de rivieren, die ze vormen, zullen weder worden wat zij vroeger waren: woedende, vernielende bergstroomen in den regentijd, in het overige van het jaar droge, dorre ravijnen; en deze nu zoo vruchtbare vlakten zullen, binnen weinige jaren, weder terugkeeren tot de woestijn, waaraan zij zijn ontwoekerd. De volken, die elkander in het bezit dezer landen, en over het algemeen van Centraal-Indië zijn opgevolgd, hebben, van de vroegste tijden, het nut dezer kunstmatige meren erkend; overal hebben zij het water door reusachtige afdammingen opgehouden, om het vervolgens naar hun wil en keus te geleiden. Sommigen van deze waterwerken zijn duizende jaren oud, en wekken nog, door hun grootschen aanleg, de bewondering der reizigers op; velen zijn echter sedert vervallen, en alom waar dit, door de zorgeloosheid der regeeringen, is geschied, is het land tot een wildernis geworden.
Na ons bezoek aan het meer, keeren wij naar den grooten weg terug, en bereiken, tegen steile hellingen opklauterende, den ingang van den bergpas van Dobarri. Ter wederzijde verheffen zich hooge rotswanden, die slechts een weg van weinige ellen breed vrijlaten; de plek draagt den stempel van eene wilde grootschheid, wel geschikt om een diepen indruk te maken. In deze kronkelende bergengten heerscht eene ongestoorde stilte: de steile rotswanden, die loodrecht uit de omringende afgronden oprijzen, makenzelfs voor dieren den toegang bijna onmogelijk. Op het smalste punt van den pas bevindt zich eene versterkte poort, van bolwerken voorzien en gedekt door wallen, die langs de hellingen naar boven loopen; in een paviljoen nevens de poort is een militaire wacht geplaatst, die niemand doorlaat dan na voorafgaand onderzoek; op korten afstand ziet men een tempel en een waterbron, waar de pelgrims komen uitrusten.
Wij gaan de poort door, en overzien de rijke en vruchtbare vlakten van Mewar: aan den horizon verheffen zich de bergen van Tsjittore, de oude stad der Ranas. Op de plek, waar wij ons nu bevinden, stond, volgens de overlevering, ook eenmaal Pertap-Singh, en wierp een blik op zijn voorvaderlijk koninkrijk, door de vreemdelingen overweldigd, aan wie hij hier een eeuwigen haat zwoer. Door de mohammedaansche keizers van Delhi verdreven en van zijne bezittingen beroofd, bleef Pertap niets meer over dan het enge gebied, binnen den kring van den Guirwô ingesloten; toch bleef hij onverzettelijk de vredesvoorstellen der Mongolen afslaan, die hem, tegen den vrijwilligen afstand zijner souvereiniteitsrechten, eer en schatten aanboden; hij verklaarde hun een onverzoenlijken krijg. Met een handvol edelen, die hem getrouw waren gebleven, en de hulp der wilde Bhîls, weerstond hij, aan de bergengte van Dobarri, de herhaalde aanvallen der keizerlijke legers, en wist het, door onbezweken heldenmoed en schier bovenmenschelijke inspanning, zoover te brengen dat hij langzamerhand geheel Mewar herwon. Weinig natiën kunnen op eene geschiedenis bogen, zoo rijk aan heldendaden, zoo luide getuigende van zelfopofferende vaderlandsliefde, als die der Radspoeten van Mewar; van alle indische stammen waren zij de eenigen, die volstandig weigerden, de knie te buigen voor de Muzelmannen, en te midden van gruwelijke vervolgingen en verdelgingsoorlogen hunne fiere onafhankelijkheid wisten te bewaren.
Het landschap, dat ons omringt, verhoogt de belangstelling, waarmede wij naar het verhaal van majoor Nixon luisteren; de radsjpoet ruiters, die ons vergezellen, verheffen zich trotscher in den zadel, nu zij den grond betreden, zoo menigmalen door het bloed hunner heldhaftige voorvaderen gedrenkt, en ik zelf kan zekere aandoening, bij de herinnering aan dit verleden, niet onderdrukken.
Wij worden weldra uit onze mijmering gewekt door het gezicht van de bungalow van Dubock, waar onze bedienden reeds zijn aangekomen en waar ons een goed middagmaal wacht. Dubock is een klein dorp, aan den zuidelijken uitloop van de Nahrmoegraketen (Tijgergebergte), en slechts eenige mijlen van onze verzamelplaats verwijderd. Wij brengen hier den nacht door.
Den volgenden morgen breken onze lieden reeds vroegtijdig het kamp op, en trekken naar het dorp Nahrmoegra; in plaats van den gewonen weg te volgen, gaven wij de voorkeur aan den tocht over de bergvlakten, om nauwkeurig bekend te worden met de gesteldheid der streek, waar wij de volgende dagen ter jacht zullen gaan. De Nahrmoegrabergen vormen eene kleine keten, die over eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen evenwijdig aan de oostelijke bergketen van den Guirwô loopt; zij zijn van deze laatste gescheiden door eene tamelijk breede vallei, met op zich zelf staande hoogten bezaaid. De hellingen van het gebergte loopen in eene menigte voorsprongen uit, die op wonderlijke wijze als door elkander zijn geworpen en een bijkans ondoordringbaar net van kloven en diepten en ravijnen vormen. De zijden der bergen zijn geheel bedekt met dicht kreupelhout, bestaande uit een soort van kleinen, doornige acacia,Acacia detinens, die zelden hooger wordt dan drie el, en eene groote menigte gele bessen voortbrengt, die eene lekkernij zijn voor de wilde zwijnen. Gansche kudden van deze dieren houden zich in die bosschen op, veilig onder de bijzondere bescherming des konings: zonder uitdrukkelijke vergunning van den rana mag niemand hier in den omtrek een geweer afschieten, veel minder jagen. Terwijl wij door het dichte hout voorttrekken, zien wij dan ook overal troepen wilde zwijnen, die bij onze nadering op de vlucht gaan. Het dorp Nahrmoegra ligt aan het noordelijk uiteinde van de bergketen; een sierlijk paleis, waarvan de koepels en torens zich boven het geboomte verheffen, dient den Rajah tot verblijfgedurendeden jachttijd.
Bij onze aankomst vinden wij het kamp der jagers reeds geheel kompleet; nabij het paleis zijn onze tenten geplaatst, die eene aanzienlijke oppervlakte beslaan. Aan de overzijde van een klein ravijn staan de gekleurde tenten van het gevolg van den rana, de stallen der olifanten, en de barakken der kavalerie en van de twee regimenten infanterie, die als drijvers dienst zullen doen. Meer dan tienduizend menschen zijn nu bijeen in dit doorgaans zoo stille en rustige oord; uit het kamp gaat een oorverdoovend gerucht op: toch schijnt er de meest volmaakte orde te heerschen. De etiquette wordt hier niet minder streng in acht genomen dan aan het hof zelf; eene deputatie van edellieden komt ons, met groote staatsie, uit naam van den rana begroeten en ons het programma der feesten ter hand stellen, die gedurende de veertien dagen, dat de jachtpartij duurt, zullen plaats hebben. De bayaderen hebben den last ontvangen, hare tenten in de nabijheid van die der vreemde heeren op te slaan. In den loop van den avond verschijnt de Rana, dien wij in het paleis afwachten; hij voert ons zelf door zijne woning rond, die inderdaad door eenvoud en smaak uitmunt.
Den 20sten, des middags, heeft de plechtige opening der jaarlijksche jacht plaats. De rana, op zijn olifant gezeten, verlaat zijn paleis, omstuwd door een koor van barden, die toepasselijke liederen aanheffen en groote palmtakken, met rozen versierd, zwaaien. De opperjagermeester, Maharaj Singjee, op een rijk opgetuigde kameel gezeten, volgt te midden der schaar van bedienden; achter hen komen de edelen en de genoodigden, ieder op een olifant; een talrijke schaar van Radsjpoeten te paard sluit den trein. De stoet trekt langzaam voort, te midden van eene menigte van dorpelingen en landlieden, van alle kanten saamgestroomd,om getuige te zijn van deze plechtigheid. Op een mijl afstands van het dorp gekomen, wijst de rana de personen aan, die de hooge eer zullen hebben met hem zelf te mogen jagen: die bevoorrechten zijn de resident, de dokter, mijn reismakker en ik, benevens de beide raos van Baidlah en Pursaoli; al de anderen zullen zich eenvoudig tot de rol van toeschouwer bepalen. Dit aldus geregeld en de jacht nu geopend zijnde, verspreiden de drijvers zich in de vlakte en jagen een troep wilde zwijnen op, die langs de olifanten heenloopen; vier liggen weldra ter aarde; deze buit wordt voor den eersten dag voldoende gerekend; de stoet schaart zich weder in orde en keert naar het kamp terug. Aan den ingang van het paleis komen de bayaderen, in hare fraaiste kleederen uitgedost, ons geluk wenschen met den behaalden buit.
De vier volgende dagen waren hoofdzakelijk gewijd aan eene soort van drijfjacht in de vlakte, om het wild naar het gebergte te drijven. Geen schilderachtiger aanblik, dan de lange lijn van olifanten, te midden der ruiters, zich in de vlakte ontplooiende; de reusachtige dieren, behangen met fraaie dekkleeden, uit de huiden hunner voorgangers vervaardigd, verheffen zich boven het kreupelhout als wandelende torens, en schrijden rustig en met vasten tred voort, dwars door de doornige struiken. Nooit komt de gevatheid en het merkwaardige instinkt van den olifant treffender uit, dan bij het nazetten der gewonde dieren. De wilde zwijnen hollen bij troepen langs de jagers heen; zoodra er een gewond is, verwijdert hij zich van de troep, en verschuilt zich in het dichte kreupelhout. Daar ieder gewond dier van rechtswege toebehoort aan den jager, die het ’t eerst getroffen heeft, moet deze zich van de groep zijner makkers afzonderen en zijn wild gaan opsporen. Daarbij dient de olifant, dien hij berijdt, hem als speurhond; onvermoeid volgt het dier het spoor, van tijd tot tijd snuffelende, waar het wilde zwijn geloopen heeft; de gang van den olifant is zoo zacht, dat hij dikwijls langs de schuwste dieren heen gaat, zonder dat deze hem gewaar worden. Het is mij meermalen gebeurd, dat ik, op een olifant gezeten, het spoor van een of ander wild volgende, op weinige schreden afstands een troep damherten zag, die rustig bleven doorgrazen. In de nabijheid van het gewonde dier gekomen, staat de olifant eensklaps stil; en dikwijls kunt ge eerst na scherp rondzien het arme opgejaagde wilde zwijn ontdekken, gewond tusschen de struiken neergezonken; een kogel maakt een einde aan zijn lijden, en de olifant verkondigt de zegepraal door een luiden vreugdekreet.
Een juwelier.Een juwelier.
Een juwelier.
Een juwelier.
Den 24stenkwamen de shikaris ons verwittigen, dat dehankhof de jachten in het gebergte een aanvang konden nemen; volgens hunne verzekeringen hadden de dieren, verschrikt door onze drijfjachten, zich in grooten getale in de boschrijke kloven en ravijnen verscholen. Dadelijk werd het plan voor den veldtocht vastgesteld; wij zouden aan de zuidelijke punt van de bergketen beginnen, en aldus voortgaan tot den bergpas achter ons kamp, waar de laatste groote jacht zou plaats hebben.
Den volgenden morgen trok de jachtstoet naar Dubock, en vandaar naar dehoudi, waarin wij de jacht zouden bijwonen. Deze houdis zijn een soort van kleine bolwerken, doorgaans aan den ingang van een dal of ravijn opgeworpen, zoodat het vuur der jagers de vallei geheel bestrijkt. Alles is hier voor ons gemak ingericht: sierlijke leuningstoelen staan gereed voor den rana en de genoodigden; bier, champagne, limonade met ijs en andere ververschingen zijn in overvloed voorhanden. Deze manier van jagen is zeker wel de minst vermoeiende, die men zich denken kan. Achter iederen jager staan twee shikaris, met eene geheele batterij van geweren; een hunner is belast met het laden der geweren, terwijl de andere ze aan den jager ter hand stelt, naarmate hij ze noodig heeft.
De houdi van Dubock is allerfraaist gelegen,beschaduwddoor een groep hoog geboomte, aan den rand van een diep dal; de vlakte en het gebergte der Aravallis liggen in een wijd panorama voor ons. De drijvers, die vooruit zijn vertrokken, hebben zich ten getale van drieduizend man in het gebergte verspreid en alle hoogten bezet; het opgejaagde wild blijft geen andere uitweg over, dan het smalle dal aan onzen voet. Weldra klinkt ons uit de verte een luid gerucht tegen; uit het kreupelhout schettert en dreunt het oorverdoovend geraas van gongs, trompetten en tamtams. Eenige oogenblikken later ruischt en kraakt het in de struiken, en een troep wilde zwijnen stormt in het dal: zij zijn ongeveer ten getale van twintig en blijkbaar zeer verschrikt. Binnen het bereik onzer geweren gekomen, worden zij door onze kogels begroet; enkelen storten neder; anderen keeren naar het gebergte terug; sommigen zijn verstandig genoeg om hun weg te vervolgen en bereiken ongedeerd de vlakte. Na verloop van een half uur is de verwarring onbeschrijfelijk; de wilde zwijnen verdringen zich bij honderden in de smalle kloof, en het vuur van de houdi zwijgt geen oogenblik. Jakhalzen, hyenas vluchten in wilde warreling met de evers; al deze arme dieren zijn door een panischen schrik bevangen en loopen blindelings in hun verderf. Langzaam en voorzichtig treedt een panter te voorschijn; hij poogt de rotsen te beklimmen, en zoo achter de noodlottige houdi heen te komen: maar weldra tuimelt hij, door onderscheidene kogels getroffen, in de diepte, onder het luide gejuich der Radsjpoeten.
De Araï-Din-ka-Jhopra te AjmeerDe Araï-Din-ka-Jhopra te Ajmeer
De Araï-Din-ka-Jhopra te Ajmeer
De Araï-Din-ka-Jhopra te Ajmeer
Eindelijk komen de drijvers terug; de jacht is afgeloopen. Wij dalen in de vallei af om het wild te onderzoeken. Het schouwspel is inderdaad afschuwelijk: de gedoode dieren liggen in schrikkelijke wanorde op en over elkander; breede bloedplassen bedekken den rotsigen bodem. Meer dan veertig wilde zwijnen, een vijftiental jakhalzen, hyenas en wilde honden, en een panter: ziedaar de buit, in anderhalf uur behaald. Mijne belangstelling wordt vooral opgewekt door de wilde honden, waarvan ik dikwijls had hooren spreken, maar die ik nog nooit had gezien. Zij zijn ongeveer zoo groot als een jakhals, op wien zij veel gelijken, ook door den vorm van hun kop; maar hun haar is korter, vaalbruin van kleur, en hun staart kaal. Het geblaf van den wilden hond komt overeen met dat van den gewonen huishond, maar is ruwer en heeft een onaangenamen, klagenden toon. In talrijke groepen vereenigd, maken deze dieren jacht op de herten en antilopen, die zij zonder veel moeite weten machtig te worden; den mensch vallen zij nooit aan. Zelfs zeer jong gevangen, worden zij nooit recht tam.
Ons leven in het kamp van Nahrmoegra is eene opeenvolging van feesten; om daarvan een denkbeeld te geven, zal ik beschrijven hoe wij in den regel den dag doorbrengen.
Onze tenten, die tot slaapkamers dienen, zijn in een wijden kring geschaard om twee groote tenten of liever gebouwen van tentdoek, van verandahs omgeven en met de grootste weelderigheid gemeubeld; een daarvan is de eetzaal, de andere is de algemeene salon, waar alle leden van het gezelschap elkander ontmoeten. Ten zes uur in den morgen komen de bedienden ons wekken met een glas sherry; opgestaan zijnde, trek ik mijne kleederen uit, en ga, met een eenvoudigenjanghir, een korten nauwsluitenden broek, gekleed, naar buiten. Daar zet ik mij neder op een bos stroo, en breng mijn eersten groet aan mijne makkers, die, in hetzelfde kostuum uitgedost, in dezelfde houding, voor hunne tenten zitten; deBhistisnaderen met hunne zakken ijswater en dienen ons een stortbad toe. Eenige minuten later zijn wij, in een deftiger kostuum, vergaderd rondom de tafel in deMess-Tent, de eetzaal, waar een stevig eerste ontbijt staat aangericht. Vroolijk pratende en keuvelende, heerlijketsjeroetsvan Manilla rookende, gaat de tijd al ras voorbij; vervolgens stijgen wij te paard en gaan een toertje in den omtrek maken, onderwijl eenige ganzen en flamingo’s schietende. Ten elf uur wordt op nieuw toilet gemaakt, en het tweede ontbijt gebruikt: de bedienden van den rana brengen ons daarbij dagelijks een deel van den koninklijken maaltijd. Twee deurwaarders met gouden staven wandelen aan de spits van dezen langen stoet van bedienden, die schotels aandragen met de meest verschillende spijzen beladen. Naar dit proefje van het dejeuner van den rana te oordeelen, moet die vorst met eene merkwaardigen eetlust begaafd zijn; waarschijnlijk zal echter zijn persoonlijk aandeel wel geringer zijn dan de voor ons bestemde porties. De gerechten van dit ontbijt bestaan in gebraden vleesch, wilde-zwijnen pooten, reeënbouten, sterkgekruide ragouts en zoogenaamdecurries; enkele van deze schotels zouden eener aanzienlijke tafel in Europa geen oneer aandoen. Depicklesvan allerlei soort, suikergoed en gebak vullen zoowat een dozijn schotels. Natuurlijk raken wij slechts even, voor den vorm, aan dit monster-dejeuner, dat verder aan onze bedienden wordt overgelaten. Het midden van den dag is aan de jacht gewijd. Ten vier uur, na ons nogmaals door een stortbad verkwikt en opgefrischt te hebben, ontvangen wij het bezoek van de indische edellieden, die over allerlei zaken met ons komen spreken. Het middagmaal duurt, naar de algemeene gewoonte in Hindostan, zeer lang, omdat ook hier het engelsche gebruik gevolgd wordt om na afloop der tafel nog te blijven drinken; de bayaderen, de goochelaars en het vuurwerk houden ons daarna tot middernacht bezig.
Den 30stentijgen wij voor het laatst ter jacht; des avonds is er groot feest in het paleis, ten besluite der jachten van Nahrmoegra. Den volgenden morgen keerden wij naar Oodipoor.
De maand Februari ging voorbij met de verschillende feesten van den Holi, het lentefeest en tevens het indische carnaval, waarbij de uitgelatenste vroolijkheid en ook de ergerlijkste zedeloosheid en dartelheid allerwege den boventoon voeren. De rana had ons overgehaald tot na den afloop dezer feesten en die van de godin Goeri, te Oodipoor te blijven; nu echter stond mijn besluit om te vertrekken onwrikbaar vast. Wij hadden ons afscheidsbezoek bij den rana gebracht, en alle toebereidselen voor de reis waren voltooid. De rana had de beleefdheid gehad zijne kameelen te onzer beschikking te stellen: maar de vakil, de stalmeester, had—ik weet zelf niet waarom—ons allerlei moeilijkheden in den weg gelegd. Hij zond ons kreupele, onhandelbare of zwakke dieren, die wij niet konden gebruiken. Eindelijk gaf ik hem te kennen dat ik mij tot den resident of des noods tot den rana zelf zou wenden; dit hielp: en weldra had ik nu vijftien sterke kameelen tot mijnen dienst, die onze bagage, onze bedienden en onze tenten moesten vervoeren; twee uitnemende dromedarissen zullen ons dienen om daarop te rijden. Ons geleide bestaat uit twaalf sowars; onze bedienden en de kameeldrijvers daarbij geteld, is onze karavaan meer dan veertig personen sterk.
In den vroegen morgen van den 5denMaart, zond ik al mijn volkje vooruit naar Dubock; bij het vertrek heerscht de meest volslagen wanorde, zooals trouwens hier doorgaans het geval is. Wij ontbijten voor het laatst bij den resident; al onze goede vrienden zitten nog eens met ons aan tafel. Eindelijk—een laatste handdruk, en dan vaarwel! Wij springen in het zadel en rijden in galop weg; na een rit van een uur bereiken wij de bergpassen van Dobarri. Nog eenmaal wierpen wij een blik op het landschap achter ons: daar lag de rijke, heerlijke vallei met hare bosschen, hare vruchtbare velden, hare lachende dorpen; het riviertje de Bairis baande zich kronkelend een weg tusschen de rotsen. In de verte Oodipoor, de stad van de rijzende zon, met haar diadeem van paleizen, rustende tegen de Aravallis, wier prachtige grootsche lijnen zich krachtig in de blauwe lucht afteekenden. Wij trekken de bergengte door, en hebben de grenzen van den Guirwô overschreden; voor ons ontvouwt zich het panorama der vlakten van Mewar, ten oosten begrensd door eene schemerende blauwe lijn, de bergen van Tsjittore.
Wij bereiken de bungalow van Dubock, waarbij ons kamp is opgeslagen. Nauwelijks zijn wij daar aangekomen, of tweeharkarasof boden van den rana komen ons depurwanasof firmans ter hand stellen, die de koning ons had beloofd. Deze purwanas zijn gericht aan de thakoers of baronnen, aan de kotwals of bevelhebbers der steden, aan de patels of dorpshoofden, en houden den last in, vooreerst, dat wij behandeld moeten worden met al den eerbied, dien men aan vrienden van den maha-rana verschuldigd is;voorts, dat ons dadelijk, zonder eenige vergoeding, derassâdvoor ons en onze lieden moet worden verschaft. Onder dezenrassâdverstaat men zoowel de noodige levensmiddelen als de koelies. Op mijn bevel moet dit alles, op de verschillende plaatsen waar wij ons ophouden, worden geleverd; het dorpshoofd maakt dan eene lijst op der geleverde goederen, die door mij wordt geteekend en vervolgens aan den minister van den rana ter hand gesteld, die voor de betaling zorgt. De purwana voegt daarbij, dat, aangezien de sahibs reizen om het land te leeren kennen, elk gehouden is hun alle merkwaardigheden aan te wijzen, en hun alle verlangde inlichtingen te geven omtrent de zeden, de overleveringen en legenden der streek. Deze laatstebijvoegingis van groot gewicht: want daar de inlanders altijd bevreesd zijn op eene of andere manier in onaangenaamheid te geraken, antwoorden zij zonder zulk een bevel steeds ontwijkend op al uwe vragen en houden zich als wisten zij van niets. De beide harkaras, die ons zullen vergezellen, moeten voor de goede naleving der firmans zorgen.
Het kamp is in de volmaakste orde; de kameelen en paarden zijn aan palen vastgebonden; de tenten regelmatig geplaatst; ieder man is op zijn post, en heeft zijn bed, een strooien mat, gereed gemaakt. Van de verwarring en wanorde, die te Oodipoor heerschten, is geen spoor meer over. Zoo lang de reis nog niet begonnen is, kunt ge niets van uw volk gedaan krijgen: de beesten worden slecht geladen; de touwen breken; elk oogenblik hebt ge met allerlei moeielijkheden te kampen. Maar nauwelijks zijn zij een paar mijlen buiten de stad, of uwe lieden begrijpen dat alle verder tegenspartelen nutteloos is, en van nu gaat alles naar wensch. De Hindoes hebben allen een ingeschapen lust voor reizen; het eenige waar zij tegen opzien, is het vertrek; maar eenmaal op weg, zult ge moeielijk lieden vinden, die zich gewilliger en met meer blijmoedigheid de vermoeienissen en ontberingen van een langen marsch getroosten; zij zijn op reis bereid te doen, wat zij u in de stad zeer stellig weigeren zouden, en niemand aarzelt een oogenblik, de handen aan het werk te slaan.
Nog voor het aanbreken van den dag, werd ik den volgenden morgen door mijn getrouwen bediende gewekt. Al ons volk is reeds op de been, en druk bezig, bij het schijnsel der wachtvuren, de kameelen te laden, die gansch niet in hun schik zijn, dat zij zoo vroeg gewekt worden, en hun ongenoegen door een luid gebulk openbaren. Het tooneel is schilderachtig genoeg: dit geraas en rumoer, dat rosachtig schijnsel der vuren, die zonderlinge dieren, onwillig tegenstribbelende tegen die door elkander woelende menschen, die groote donkere boomgroepen:—en dan dat stille rustige, in schemering gehulde landschap daar om heen. Het is vier uur in den morgen, tusschen de keerkringen het stille uur; het roofgedierte, dat des nachts rondsluipt, is reeds naar zijn holen terug gekeerd; de andere woud- en veld- en luchtbewoners wachten op de komst van den dageraad; de lucht is frisch, koel zelfs: het doet u goed, bij het wachtvuur te staan. De maan is ondergegaan; geen ander licht dan het schijnsel der sterren en de heldere glans van het zodiacaal licht, dat aan den oostelijken horizon als een langwerpige aureool straalt.
Het land, waar wij ons thans bevinden, behoort zeker tot de door de natuur meest gezegende streken; de bodem bestaat uit die zwarte, zware tuinaarde, in het hindoeschmâlgenaamd, waaraan de uitgestrekte landstreek, door de Tsjumboel bespoeld, den naam van Malwa dankt. Maar de bebouwing staat hier niet in evenredigheid tot de vruchtbaarheid; de onophoudelijke oorlogen der vorige eeuw hebben het land grootendeels tot een wildernis gemaakt; het oog van den reiziger dwaalt langs onafzienbare vlakten, overal bedekt met dat grijsachtige struikgewas, dat alle indische jungles vormt. Van afstand tot afstand ontmoet ge een enkel dorp, met zijne woningen en tuinen tegen de hellingen van een heuvel gebouwd; daar om heen smaragdgroene rijstvelden, veelkleurige opiumplantages, prachtige akkers met graan. Deze dorpen zien er allen welvarend uit; bij onze nadering loopen de inwoners toe om ons te groeten.
Na een tocht van een-en-twintig kilometers door deze fraaie, hoewel eenigszins eentonige landstreek, komen wij te Mynar, een schilderachtig dorp, tegen een heuvel gelegen, waarvan de top door een sierlijken tempel wordt gekroond. Wij slaan ons kamp op in de schaduw van eeuwenheugende boomen, aan den oever van een fraai meer, tegenover een grooten plas, waar, tusschen de breede lotusbladen, gansche zwermen van eenden dartelen. Ik begaf mij daarheen, en schoot mijn geweer onder den hoop af. Duizende eenden verduisterden de lucht, en lieten zich dooden met eene gemakkelijkheid, die mij al spoedig de lust deed vergaan.
De sowars rapen den buit op, en volgen mij, bij zich zelven mompelende en lachende, tot aan mijne tent; maar nauwelijks heb ik mijn ontbijt gebruikt, of een zwaarlijvige brahmaan komt mij vertellen dat het niet geoorloofd is op het meer te gaan jagen, omdat het dorp gewijde grond is. Ik tracht hem onder het oog te brengen dat ik, indien ik al kwaad heb gepleegd, dit dan toch onwetend heb gedaan, en dat de rana mij bovendien heeft vergund om overal in zijne staten zonder eenige beperking te jagen. Deze uitlegging schijnt den brahmaan niet te voldoen, die blijft razen en tieren, tot ik hem buiten het kamp laat zetten.
Mynar is inderdaad eensahsun, dat wil zeggen eene kerkelijk domein; de priesters beweren dat hun dit goed geschonken werd door den mythischen rajah Mandhata, die vóór Vicramaditya te Dhar regeerde en wiens rijk zich uitstrekte tot de Aravallis. Deze koning, eens te Doendia, eene naburige stad, zijnde, bracht daar den goden de aswamedha of het offer van een paard; na afloop der plechtigheid, wilde hij de beide ritsjis of heilige kluizenaars, die geofferd hadden een geschenk vereeren, maar deze weigerden iedere gave. Toen nam de koning zijne toevlucht tot list: hij verborg in de bîra, het bosje betelbladen, dat hij hun aanbood, een brief, waarbij hun het dorp Mynar met de daarbij behoorende gronden in eigendom werd geschonken. De ritsjis, de bîra aangenomen hebbende verloren hun vermogen om wonderen tedoen; zij vestigden zich toen op hun nieuw domein en werden landbouwers.
In geheel Radsjpoetana is er geen enkele staat, waarin althans niet een vijfde gedeelte van den grond het eigendom is der brahmanen; in den loop der eeuwen heeft de brahmaansche kerk onberekenbare schatten opgestapeld, wier bezit zij met alle kracht verdedigt. Worden de vorsten niet in de oude gewijde boeken van Manoe zelf vermaand, om vóór hun dood al hunne persoonlijke bezittingen aan de priesters te vermaken? En worden zij, die de hand zouden durven slaan aan de gewijde goederen, niet bedreigd met een verblijf van zestigduizend jaar in het lichaam van een onreinen worm? Het moet toch wel hard zijn, na al de weelden van den troon genoten te hebben, zoo ontzettend diep te vallen; en aan den anderen kant is het recht aangenaam uit dit leven te scheiden met het bewustzijn dat, zoo uwe erfgenamen al teleur zijn gesteld, dan toch uwe ziel van alle smet is gereinigd en der zaligheid deelachtig wordt;—daarom geven de koningen, en de kerk behoudt wat zij eens ontving. In hetkoninkrijkMewar gaat een vijfde van de staatsinkomsten in de handen der brahmanen over; en ter nauwernood durft de koning het wagen om gronden, die reeds voor eeuwen aan de priesters werden geschonken en nu geheel verlaten liggen, weder bij het kroondomein te voegen. Tot het dorp Mynar behooren vijfduizendbigahs, ongeveer zesduizend-vierhonderd bunders bouwland, waarvan meer dan drie vierde gedeelte onbebouwd en woest ligt, door de afwezigheid of het uitsterven der oude bezitters. Niet alleen laten de koningen dus een groot deel van hun land ongebruikt en braak liggen, maar nog voortdurend maken zij nieuwe schenkingen, die het land nog meer verarmen; doch deze staat van zaken kan niet eindeloos voortduren, en waarschijnlijk is de tijd niet meer verre dat de vorsten op aansporing der engelsche agenten, hunne bijgeloovige vrees zullen overwinnen en maatregelen nemen om althans de woeste gronden weder aan den landbouw terug te geven.
Twee dagreizen brengen ons naar Tsjittore, de aloude hoofdstad van Mewar, en gedurende eenige eeuwen het laatste bolwerk der hindoesche nationaliteit tegen de mohammedaansche overweldiging. De stad ligtopden top van een alleenstaanden berg; het plateau heeft eene lengte van vijf kilometers, bij eene breedte van gemiddeld vierhonderd el. De wanden van den berg, die tusschen de negentig en honderdtwintig ellen hoog is, rijzen bijna loodrecht uit de vlakte op; een hooge gekanteelde muur, met zware torens voorzien, loopt langs den rand van den afgrond. Deze natuurlijke gesteldheid, gevoegd bij uitnemend aangelegde verdedigingswerken, maakte Tsjittore tot eene bijkans onneembare vesting; rijkelijk van waterputten voorzien, en met welgevulde reusachtige magazijnen, kon zij ook moeielijk door honger bedwongen worden:—en toch zijn weinige steden in Indië zoo dikwijls genomen geworden als juist deze. Haar kwetsbaar punt is eene kleine bergvlakte, ten zuiden van den berg, die, hoewel lager liggende dan de muur der vesting, toch voor de aanvallers een geschikt punt oplevert om de stad aan te tasten. Volgens de overlevering, zou dit plateau, onder den naam van Tsjittore bekend, zijn ontstaan te danken hebben aan den tartaarschen sultan Ala-Oedin; inderdaad was het van dit punt, dat hij den storm waagde, die hem, ten jare 1303, Tsjittore in handen deed vallen; en daar het beleg niet minder dan twaalf jaren geduurd had, is het zeerwel mogelijk, dat de belegeringswerken van den sultan de kruin van dezen vooruitspringenden heuvel aanmerkelijk hebben verhoogd; naar men wil, had hij op deze hoogte zijne munjanikas of werptuigen geplaatst. Madhaji Scindia plantte, in 1792, mede op de hoogte van Tsjittore zijne batterijen, waarmede hij de stad bombardeerde.
Het lagere gedeelte van de berghelling is met ondoordringbaar bosch begroeid, waarin allerlei gedierte huist; ten oosten aan den voet des bergs, ligt de Toelaïti of benedenstad; aan deze zijde bevinden zich ook al de merkwaardige monumenten van Tsjittore. Een enkele weg voert van de Toelaïti naar boven, naar Tsjittore; deze toegang was door zeven poorten verdedigd, die tegenwoordig zeer vervallen zijn. Deze poorten, op verschillende hoogte geplaatst, dragen allen een monumentaal karakter, en zijn zeer fraai van stijl; zij bevatten niet slechts wachtkamers, maar zelfs groote zalen. Tusschen de derde en de vierde poort verrijst een klein marmeren grafmonument, dat de immer gedenkwaardige plek aanwijst, waar de beide helden Jeimul en Puttoe, tijdens het beleg der stad door keizer Akbar, sneuvelden. In de nabijheid is het graf van een anderen martelaar van de onafhankelijkheid der Radsjpoeten, Ragondeh, tegenwoordig als een heilige vereerd. De laatste poort is een statig, indrukwekkend gebouw: een wijde boog geeft toegang tot de stad; ter wederzijde zijn fraaie wachthuizen, door zuilen gedragen; en boven de poort is de Durri Kana of groote staatsiezaal der Radsjpoeten vorsten. Het was in deze zaal, dat de machtige Kangra Rani, de beschermgodin van Tsjittore, aan den rana Ursi verscheen, en hem de vernedering van zijn doorluchtig geslacht voorspelde. Maar hier is geen enkel brok muur, geen steen bijna, waaraan zich niet eene of andere legende uit den heldentijd hecht, en die niet de herinnering van een schitterend wapenfeit of van eene edele zelfopoffering voor het geheugen terugroept. Deze poort leidde vroeger naar eene groote schitterende stad, de roem van Indië, waarvan nu niets meer over is dan enkele leemen hutten, verloren te midden der bouwvallen van paleizen en praalgebouwen.
Het paleis te Amber.Het paleis te Amber.
Het paleis te Amber.
Het paleis te Amber.
Van al deze overblijfselen van vervlogen grootheid, paleizen en tempels, is verreweg het merkwaardigste de Kheerut-Khoemb of Toren der Overwinning van Khoembhoe. Hij werd door den rana van dien naam gebouwd, ter herinnering aan de groote overwinning, die hij op de verbonden legers des sultans van Malwa en Goezerate behaald had. Het eenige monument in geheel Hindostan, dat met dezen toren kan vergeleken worden, is de toren der Overwinning van Koetub te Delhi, die de Kheerut in hoogte, maar niet in schoonheid overtreft. De Kheerut van Tsjittore is een vierkante toren van zeven-en-dertig ellen hoogte; debreedte van iedere zijde is beneden tien el, en boven onder den koepel vijf el; de toren rust op een grondslag of voetstuk van dertien el aan iedere zijde. De vorm van het gebouw is verre van regelmatig; het is verdeeld in negen verdiepingen, waarvan de met zuilen versierde vensters, de balkons en uitspringende lijsten de eenvormigheid der lijnen bevallig breken en eene hoogst gelukkige uitwerking doen. Zoowel het uit- als het inwendige prijkt met duizende standbeelden, bas-reliefs en ornamenten; alle goden van den indischen Olympus zijn hier vertegenwoordigd. De negende verdieping is een lantaarn, waarboven zich een moderne koepel verheft, daar de oude door den bliksem is vernield. In deze verhevene zaal bevonden zich de marmerplaten, waarop de stamboom der Ranas en hunne voornaamste daden waren gebeiteld; het mohammedaanschevandalismeheeft er slechts enkelen van gespaard. Van den top des torens geniet men een overheerlijk uitzicht over de gansche omliggende streek.
Aan den voet van dezen toren bevindt zich een tempel aan Brâma, den onzichtbaren god, gewijd, en mede door Khoembhoe, ter eere van zijn vader Mokul, gesticht. In de nabijheid ligt deShâr Bâghof de koninklijke begraafplaats, met de graftomben van al de Ranas, te beginnen met Bappa, den stichter der dynastie (782) tot Oedey-Singh, den laatsten vorst van Tsjittore (1597). Onder deze graftomben zijn er vele, die eene nauwkeurige studie alleszins waardig zijn. Maar waar zou ik eindigen, indien ik al de merkwaardigheden wilde beschrijven van deze aloude hoofdstad, waar nog meer dan driehonderd monumenten, uit een tijdvak van misschien zeven of acht eeuwen afkomstig, verhalen van de vroegere heerlijkheid, thans voor immer ondergegaan?
Men zal zich, na het gezegde, eenigermate een denkbeeld kunnen maken van den geweldigen indruk, dien de rampen van deze stad op de Hindoes moesten maken: eene stad, die gedurende de lange onafhankelijkheidsoorlogen het voornaamste brand- en middelpunt der hindoesche nationaliteit was, en daarbij de trots en de laatste hoop der ridderlijke Radsjpoeten. Nog is deze herinnering levendig in aller gemoed, en de naam van Tsjittore, de ongelukkige stad, zweeft nog steeds op de lippen des volks.
De Hindoes verhalen van drie-en-een-halvesacas(plundering) van Tsjittore, tijdens het bestuur der Radsjpoeten: en wel, een onder Lakumsi, en de twee anderen onder Bikramajit en Oedey-Singh. Luisteren wij een oogenblik naar het verhaal dezer schitterende episoden uit de laatste heldhaftige worsteling voor de onafhankelijkheid van het oude Indië.
De rana Lakumsi besteeg den troon zijner vaderen in het jaar 1275; zijne hoofdstad, tot op dat oogenblik nog door geen vijand vermeesterd, bevatte bijna alles wat er in Hindostan groots en heiligs was overgebleven: Delhi was toen reeds gevallen. Bhimsi, oom des konings en regent gedurende diens minderjarigheid, had de dochter van een edelman van Ceilon gehuwd, eene vrouw van zeldzame schoonheid en zeer uitnemende gaven van geest en hart. De sultan Ala-Oedin-Ghilsy, van de bekoorlijkheden dezer vorstin gehoord hebbende, sloeg het beleg voor Tsjittore, met geen ander doel dan om deze beroemde vrouw, van wier voortreffelijkheid het gansche land gewaagde, voor zich te winnen. De Radsjpoeten verdedigden zich met heldenmoed; en de sultan, wien het lange, hopelooze beleg begon te verdrieten, verklaarde eindelijk te zullen aftrekken, indien het hem slechts eenmaal vergund mocht zijn, het gelaat der schoone Pudmani te aanschouwen. Zijn wensch werd ingewilligd: en Ala, zich verlatende op het eerewoord en de ridderlijke trouw der Radsjpoeten, kwam binnen Tsjittore, werd bij de vorstin toegelaten, en verliet ongedeerd de stad. Bhimsi, zich niet minder edelmoedig willende toonen dan de tartaarsche sultan, begeleidde dezen tot buiten de vestingwerken. Juist daarop had Ala gerekend: de onvoorzichtige Radsjpoet zag zich plotseling overvallen en als gevangene naar het muzelmansche kamp gevoerd. Groot was de verslagenheid in Tsjittore, toen men den volgende morgen vernam, dat Ala zijn gevangene niet wilde loslaten, tenzij hem de prinses werd uitgeleverd. Pudmani aarzelde niet, en maakte aan allen haar besluit kenbaar, zich in handen van den sultan te stellen; maar tegelijk riep zij hare bloedverwanten bijeen en deelde hun het plan mede, dat zij ontworpen had om haar gemaal te redden. Ala werd mitsdien geboodschapt dat de vorstin zijne gevangene zou worden in plaats van Bhimsi: onder voorwaarde evenwel, dat het haar vergund zou zijn, zich tot aan het vijandelijk kamp te doen vergezellen door hare vrouwen en dienstmaagden en door de leden harer familie; en voorts onder de uitdrukkelijke bepaling dat de wetten van de zenanah stipt zouden worden geëerbiedigd. Deze voorwaarden aangenomen zijnde, daalden den volgenden dag zevenhonderd draagstoelen van de rotsige hoogte af; in iederen draagstoel zat, verborgen door de dichte gordijnen, een uitgelezen strijder van de ridderschap van Tsjittore; de vier dragers waren vermomde soldaten. Bij het tartaarsche kamp gekomen, werd aan de gewaande vrouwen, een half uur toegestaan om afscheid te nemen van Pudmani; de in vrijheid gestelde Bhimsi voegde zich bij zijne helden, en beraadslaagde met hen, aan aller oog onttrokken door de gordijnen der draagstoelen. Op een gegeven teeken springen nu de mannen eensklaps te voorschijn; de soldaten van Ala willen hen gevangen nemen. Van de verwarring gebruik makende, werpt Bhimsi zich op een paard en ijlt naar Tsjittore, terwijl zijn makkers zijn terugtocht dekken. De strijd was bloedig; van de heldenschaar der Radsjpoeten keerden maar weinigen in de vesting terug; maar het verlies van Ala-Oedin was zoo groot, dat hij den moed verloor en het beleg opbrak. De indische geschiedschrijvers noemen dit de halvesacavan Tsjittore; want hoewel de stad niet genomen werd, had zij toch de bloem van haar ridderschap verloren.
In 1290 keerde Ala-Oedin terug en sloeg nogmaals het beleg voor Tsjittore; ditmaal met het vaste voornemen om deze laatste wijkplaats der afgodendienaars te vernietigen. Meer dan twaalf jaren lang bood de onneembare vesting een heldhaftigen tegenstand;maar eindelijk slaagden de Muzelmannen er in, zich van de hoogte van Tsjittore meester te maken: en nu begrepen de Radsjpoeten dat hun val onvermijdelijk was. De legende verhaalt dat, op dit uiterste oogenblik, de beschermgodin van Tsjittore, de vreeselijke Kangra-Rani, aan den koning Lakumsi verscheen, en tot hem de ontzettende woorden sprak: “Ik begeer koninklijke offers! Dat twaalf gekroonde vorsten hun bloed voor mij vergieten, en uwe nakomelingen zullen over Mewar regeeren!” Den volgenden dag riep de rana Lakumsi, die allen in den strijd was voorgegaan, zijne edelen en de voornaamsten der stad bijeen, en deelde hun de woorden der godin mede; maar de grijsaards trachtten den vorst te overreden, dat zijne overspannen verbeelding hem had misleid. Doch nu verschijnt Kangra-Rani ook voor hunne oogen, en roept hun toe: “Wat baten mij de duizende barbaren, die gij mij ten offer hebt gebracht? ik dorst naar koningsbloed! Laat iederen dag een andere vorst worden gekroond; laat hem getooid worden met de koninklijke insigniën, met dekirma(zonnescherm), met desjatta(kleine parasol) en desjamra(waaier); dat hij gedurende drie dagen zijne bevelen uitvaardige, en den vierden dag ten strijde ga en sneuvele. Op deze voorwaarden alleen zal ik met u blijven.”—De twaalf zonen van den rana waren aanstonds bereid zich ten offer te wijden, en betwistten elkander de eer wie het eerst ten doode zou gaan. Ursi werd het eerst als koning uitgeroepen: en na eene regeering van vier dagen, sneuvelde hij, strijdende voor Tsjittore. Elf zijner zonen waren aldus voor het vaderland gevallen, toen de rana zelf zijn krijgers verkondigde, dat nu de beurt om te sterven aan hem gekomen was. De laatste zijner zonen, die op uitdrukkelijk bevel van zijn vader, met een zwak geleide, de vesting verlaten had, bereikte gelukkig het Aravalli-gebergte. De Radsjpoeten bereidden zich nu tot den dood: de verschrikkelijke offerande van den johur zou worden voltrokken. De onderaardsche vertrekken van den Rani Bindar werden met brandbare stoffen opgevuld, en daarboven de schatten opgestapeld, die de muzelmansche hebzucht het meest konden prikkelen: de juweelen, de gouden en zilveren vaten en de vrouwen; deze laatsten gingen, ten getale van eenige duizenden, dit levend graf binnen, op het voetspoor van hare vorstin, de onvergelijkelijke Pudmani. Toen liet de rana de poorten der vesting openen, en omstuwd door het overblijfsel zijner helden, wierp hij zich op het leger van Ala; allen werden tot den laatsten man gedood, na onder hunne vijanden eene verschrikkelijke slachting te hebben aangericht. Toen de tartaarsche sultan eindelijk Tsjittore binnentrok, vond hij eene zwijgende, uitgestorven stad, waarboven een akelige zware rookwolk hing, die opsteeg uit de onderaardsche vertrekken, waarin alles, dat zijne begeerlijkheid had opgewekt, door de smeulende vlammen werd verteerd! In zijne woede, vernielde hij alle gebouwen binnen de vesting, met uitzondering van het paleis van Pudmani, de vrouw, die de onschuldige oorzaak was geworden van den val van Tsjittore.
Aldus de legende, die zekerlijk de historische werkelijkheid heeft opgesierd. De tweede verovering der uit hare puinen herrezen hoofdstad had plaats onder de regeering van Bikramajit,omstreeks1537. De vroegere rampen waren sinds lang vergeten, en onder de glansrijke regeering van den rana Khoembhoe had Tsjittore het toppunt van macht en heerlijkheid bereikt, toen de sultan Bahadoer-Bajazet, de beheerscher van Goezerate, een inval in Mewar deed, om de nederlaag van zijn voorganger Mozuffar te wreken. De rana, een man van een heftig en wantrouwend karakter, door zijne edelen verlaten, die zich in Tsjittore hadden opgesloten, trok moedig den sultan tegen, maar werd verslagen. Onmiddellijk werd nu de hoofdstad belegerd, en Bajazet maakte daarbij gebruik van geschut: een wapen, dat de Radsjpoeten tot dusverre hadden versmaad. Volgens de verhalen van dien tijd, werd de muzelmansche artillerie gekommandeerd door een Europeaan: Labri Khan van Frenghân, waarschijnlijk een deserteur van de vloot van Vasco De Gama. Hij liet mijnen rondom de vesting aanleggen; en eene daarvan had eene zoo geweldige uitwerking, dat de wal over eene lengte van veertig ellebogen instortte, benevens een bolwerk, waarvan al de verdedigers omkwamen. De radsjpoeten edellieden boden een hardnekkigen tegenstand, en riepen, bij afwezigheid van den rana, een der prinsen van het koninklijk geslacht tot koning uit; deze, met de teekenen der souvereine waardigheid bekleed, begaf zich naar den muur en liet zich dooden, ten einde door dit offer de vertoornde godheid te verzoenen. Onder de vele bewijzen van schitterenden heldenmoed, waarvan ook dit beleg wederom getuige was, roemen de nationale barden bovenal het gedrag van de koningin-moeder, Jowahir-Baï, die, van top tot teen gewapend, zelf aan het hoofd eener gewapende bende, een uitval deed en sneuvelde, na met eigen hand eene menigte vijanden te hebben omgebracht. Eindelijk was langer tegenstand onmogelijk geworden; de vijand heeft bijna den wal vermeesterd; de vreeselijke plechtigheid van den johur zal wederom worden gevierd; maar de tijd ontbreekt om een brandstapel op te richten; de koningin Kurnavati en dertienduizend vrouwen vereenigen zich op eene ondermijnde rots: de lont wordt aan het kruid gelegd; en, na aldus hunne eer en hunne dierbaarste panden gered te hebben, ijlen de mannen naar de laatste worsteling, waaruit geen hunner keert. Bajazet werd, bij het gezicht dezer brandende, met dooden en stervenden opgevulde stad, van afschuw bevangen, en verliet haar zoo spoedig mogelijk.