IV

Landschap in den omtrek van Börsjom.Landschap in den omtrek van Börsjom.

Landschap in den omtrek van Börsjom.

Landschap in den omtrek van Börsjom.

Van Gori naar Börsjom is geene groote reis; men gaat eerst per spoorweg tot het oude vlek Kashoeri, tegenwoordig Mikhaëloff. Voor den aanleg van de spoorbaan bestond dit vlek slechts uit weinige hutten, door arme georgische boeren bewoond; tegenwoordig vindt men er nette huizen, benevens een sierlijk en ruim stationsgebouw, het eenige van dien aard in Kaukasië. Dit voorrecht heeft het dorp te danken aan de nabijheid van Börsjom, de bezitting van grootvorst Michaël, stadhouder van Transkaukasië. Men verlaat te Mikhaëloff den trein en gaat over in den omnibus, die tweemaal in de week van hier naar Börsjom rijdt, dat zeven-en-twintig wersten verder ligt. Dit voertuig, van tamelijk primitieve constructie, heeft plaats voor zes personen. De bagages worden op eene perekladnaja geladen, die als bijwagen de diligence volgt.

De weg is bij uitnemendheid fraai, men zou kunnen zeggen een modelweg, waarvan de aanblik uw oog verheugt, nadat ge de modderige, ongeplaveide, hobbelige straten van Mikhaëloff verlaten hebt. Ter wederzijde schilderachtige dorpen, deels tegen de bergen, deels in de vlakte gelegen. Velden en heuvels zijn allen zorgvuldig bebouwd. Achter de heuvelen verrijzen hooge bergen, waarop zich hier een fiere toren verheft, ginds eene oude ruïne troont. In den winter blijft het landschap bijkans even groen als in den zomer, dank zij de dichte bosschen van dennen en pijnboomen, die niet alleen de berghellingen, maar ook voor een deel de vlakte bedekken. Langs den straatweg loopt eene leuning; bukt ge u daarover heen, dan kunt ge op de schuimende wateren van de Koer de vlotten zien varen, die timmerhout naar Tiflis brengen.

Op eenigen afstand van een ouden toren, die vroeger den toegang tot den bergpas van Börsjom verdedigde, ziet men overblijfselen van eene georgische brug, waarvan de bogen op de rots rusten. Men ontmoet op den weg nog vier of vijf dergelijke bruggen. Hoe verder men komt, des te grootscher karakter neemt het landschap aan; tot de hoogste toppen zijn de bergen bedekt met prachtige bosschen, waar, tusschen de eeuwenheugende stammen, villas en cottages wegschuilen in het heerlijke groen. Hier en daar is de houthakker aan het werk geweest. In dezen tijd des jaars ontmoet men op den weg slechts enkele perekladnajas, waarin beklagenswaardige reizigers gezeten zijn, of ook wel boerenkarren met de huif van zeildoek overspannen. In den zomer daarentegen wordt de weg druk bereden door toeristen, die de hittete Tiflis ontvluchten, om koelte en verkwikking te zoeken in de heerlijke schaduwrijke bosschages van Börsjom. Daar de weg bijna onmerkbaar, maar gestadig stijgt, bevindt men zich, eer men het vermoedt, op eene hoogte van tweeduizend-drie-honderd voet boven de Zwarte-zee. Bij eene kromming van den straatweg staat het poststation van Sawanisghevi, zoo schilderachtig mogelijk gelegen aan den voet van een geweldig rotsgevaarte, waarvan de overhangende top het broze houten gebouwtje dreigt te verpletteren. In een woord, de weg is zoo verrukkelijk schoon, dat men er spijt van heeft als de tocht ten einde is en men te Börsjom aankomt.

Börsjom.Börsjom.

Börsjom.

Börsjom.

Die naam Börsjom is, naar men zegt, afgeleid van een tartaarsch woord, dat versterkte plaats beteekent. Eene rivier, de Börsjomka, gevormd door de samenvloeiing van twee stroompjes, de Goedskareti-tzakli en de Bakoeriani-tzakli, vloeit door het vlek, dat aan den rechter oever van de Koer ligt. Het domein Börsjom behoorde sedert eeuwen aan de oude georgische vorstelijke familie van Avala, toen de stadhouder van den Kaukasus, prins Woronzoff, getroffen door de schoonheid der omgeving en de voordeelige ligging bij den ingang der groote wouden, besloot, het goed voor rekening der russische regeering aan te koopen. De Avala waren tot den verkoop bereid, tegen eene jaarlijksche lijfrente van duizend roebels, overgaande van geslacht op geslacht tot den laatsten vertegenwoordiger hunner familie. Ter wille van de eer van den monarch, dien hij vertegenwoordigde, wilde prins Woronzoff den koop niet op zulke bespottelijke voorwaarden sluiten: het terrein had eene uitgestrektheid van negen-en-zestigduizend-zevenhonderd-negen-en-negentigdeciatinen(een deciatine staat gelijk met vierduizend-achthonderd vierkante ellen), waarvan vijftigduizend met prachtig bosch bedekt. Uit eigen beweging voegde hij vierduizend roebels bij de gevraagde som, en de koop werd gesloten. Toen keizer Alexander II in 1871 Transkaukasië bezocht, schonk hij het goed aan zijn broeder, den grootvorst Michaël. Een opmerkelijk en bedroevend feit is het, dat verschillende van de vroegere eigenaren thans als arbeiders werkzaam zijn op de aloude bezitting hunner voorvaderen: een hunner is wegwerker en verdient vijftig kopeken per dag. Daar hij nog minderjarig is, kan hij zijn aandeel nog niet ontvangen van de jaarlijksche lijfrente, waarvoor het familiedomein werd afgestaan. Andere leden der familie ontvangen tien, vijftien of twintig roebels per maand, naar gelang van hunne aanspraken.

Uit hoofde van de nabijheid van het district Akhalzick, vroeger de voornaamste slavenmarkt van den geheelen Kaukasus, stond Börsjom bloot aan herhaalde invallen en strooptochten, zoowel van de Turken als van de Lesghiërs, op wier weg het lag. Daaruit verklaart zich ook het groot aantal vernielde forten en vestingwerken, waarmede deze geheele streek als overdekt is. Twee van die forten, Petres-tzishé, op den linker oever van de Koer, en Gogias-tzishé, op den rechter oever, behoorden aan twee broeders, naar wie zij genoemd zijn, en in den mond des volks leeft nog menige legende, aan deze oude torens verbonden. Tegenover een dezer forten ziet men nu eene kazerne, die honderd-vijftig soldaten kan herbergen; des zomers kampeert het garnizoen buiten in de vlakte.

Sedert de bezitting bij het kroondomein is ingelijfd, heeft het vlek een geheel ander voorkomen gekregen. De warme bronnen in den omtrek, die aanvankelijk slechts door enkele bezoekers van geringen stand werden gebruikt, werden nu weldra het vereenigingspunt voor de groote wereld, aangetrokken door het verblijf van prins Woronzoff, en smaakvolle villa’s verrezen de eene na de andere. De prins zelf bewoonde er aanvankelijk een zeer eenvoudig landhuis. Tegenwoordig vindt men te Börsjom een park, eene badinrichting, fraaie wandelingen: kortom, eene geheele kleine stad, in verschillende wijken verdeeld. Een dezer wijken strekt zich aan den oever van de Koer uit, langs den straatweg naar Akhalzick; daar staat het paleis van den grootvorst, omringd door de villas en schilderachtige châlets van denbeau mondevan Tiflis. Eene andere wijk, op den tegenovergestelden oever van de rivier, waarover eene fraaie ijzeren brug ligt, stijgt terrasgewijze tegen den berg omhoog en vormt eene schilderachtige huizengroep, beheerscht door de kazerne en de twee kerken. Eene derde wijk, die het best is gelegen, vult den smallen pas, die naar de bronnen leidt; haar dubbele rij van villa’s heetAnastasiefskaïa, Anastasiastraat, naar de dochter van den grootvorst Michaël. De vierde wijk eindelijk, die tot dusver slechts uit een tiental huizen bestaat, ligt aan den oever van de Koer, tegenover het kasteel.

Het zomerpaleis van den grootvorst, tegen de helling van een heuvel gebouwd, vertoont eene verscheidenheid van bouwstijlen, die volkomen in overeenstemming is met de romantische omgeving; de roodachtige muren, de sierlijke balkons, de bevallige klokketoren, komen voortreffelijk uit tegen den donkergroenen fluweeligen achtergrond der pijn- en denneboomen. Van binnen draagt alles don stempel van landelijke eenvoudigheid; in de salons en de slaapvertrekken vervangt gebloemd cretonne de kostbare zijden en damasten draperiën; de eetzaal getuigt luide van ’s vorsten liefhebberij voor de jacht: overal ziet men hoornen en klauwen van gevelde dieren. Het kabinet van den grootvorst maakt eene uitzondering: het is rijk in oosterschen smaak gemeubeld en gedekoreerd.

Het paleis is omringd door een grooten tuin met zeldzame bloemen en planten; het langs de bergen afvloeiende water wordt door buizen naar den tuin gevoerd, en voedt daar vijvers en kommen en springende fonteinen. Het klimaat is zeer goed en gezond; de frissche, met verkwikkende geuren vervulde lucht, de dennenbosschen, de badinrichting herinneren onwillekeurig aan sommige kleinere badplaatsen in Duitschland. Behalve de minerale baden kan men ook gewone, warme en koude baden, stortbaden, enz. nemen. Aan de inrichting, waartoe ook een soort van hygiënischeschool behoort, is niet alleen een geneesheer, maar ook eene vroedvrouw verbonden. Alles ziet er even netjes en goed onderhouden uit; ook mogen wij de bibliotheek niet vergeten, noch de leeszaal, de concertzaal, waar ook komediestukjes vertoond worden; en evenmin de militaire kapel, die ’s morgens en ’s avonds in het park speelt, eene heerlijke wandeling in de smalle vallei van de rivier Börsjomka, over wier schuimende wateren acht bruggen zijn geslagen. Niets schilderachtigers en bekoorlijkers dan dit door bergen ingesloten smalle dal, vol ruischende watervalletjes en eeuwenheugende boomen, tusschen wier geheimzinnige schaduwen zich kronkelende paadjes verliezen, waar het een wellust is te dolen.

Eene andere heerlijke wandeling biedt het Woronzoff-park met zijne donkere massaas van naaldboomen, boven op een plateau, van waar men een prachtig uitzicht heeft en den rechteroever van de Koer overziet, juist waar de Sjawi-tzakli zich in haar uitstort. Door eene opening in het geboomte heeft men een kijkje op een ruwen, gespleten rotswand, waaruit met groot geweld een bergstroom te voorschijn schiet, die, na langdurige regens, zulk eene massa zand en steenen medevoert, dat het verkeer op den straatweg soms vier-en-twintig uren lang gestremd is.

De inkomsten van het domein van Börsjom bestaan voornamelijk in de opbrengst der bosschen, die jaarlijks tusschen de dertig- en vijftigduizend deelen timmerhout opleveren, ongerekend het brandhout; al dit hout wordt in vlotten naar Tiflis gevoerd. De bevolking is zeer gemengd en bestaat uit Mohammedanen, Joden, Georgiërs, Grieken, Armeniërs en Russen. Het vlek bezit eene school waar kosteloos onderwijs wordt gegeven, en zal zich eerlang ook mogen verheugen in het bezit van een “Grand Hôtel”, tot groote blijdschap der toeristen, die nu geen ander onderkomen kunnen vinden dan in eene afschuwelijke kaukasische herberg.

Van mijne verschillende uitstapjes in de schoone omstreken van Börsjom heugt mij bovenal een bezoek aan het oude klooster van Sint-George, op eenige wersten afstands van het dorp, dat zijn naam ontleent aan de rivier Lykanka, maar dat in de wandeling gemeenlijk Mistigris genoemd wordt, naar den naam van een aldaar gelegen goed. De eigenaar van dat goed heeft er niet alleen eene boerderij op gebouwd, maar ook een molen en een teer- en terpentijnfabriek, benevens eene brandewijnstokerij: deze laatste ware beter achterwege gebleven.

De weg naar Lykanka-Mistigris loopt eerst langs de Koer en gaat dan over de rivier door middel van eene brug, die gedeeltelijk in eene vaal-grauwe rotsmassa is uitgehouwen, zonderling afstekende tegen het fluweelig groen der omliggende weilanden. Boven op dit sombere rotsgevaarte troont de weemoedige ruïne van het oude fort Petrestzishé. Daar verlaat men den oever den rivier, om een weg te volgen, die langs de Lykanka naar het oude klooster van Sint-George voert. De overblijfselen van het voormalige heiligdom maken nog een grootschen indruk. Het benedengedeelte van den toren, dat nog bewaard is gebleven, bestaat uit een ronden muur van steenen van reusachtigen omvang, die zonder cement op elkander zijn gestapeld, en waarop tien zuilen rusten, waarvan sommigen nog sporen van beeldwerk vertoonen. De schier loodrechte rots, waarop die toren verrijst, is geheel bekleed met woeker- en slingerplanten, die de beklimming zeer moeilijk maken. De toren is van binnen geheel bedekt met dicht mos, waarop men zachter rust dan op een kaukasisch bed. Een beekje, dat naar de Lykanka afvloeit, verbreekt alleen met zijn murmelend ruischen de plechtige stilte van deze eenzame plek: dit geruisch schijnt welhaast een zucht, opstijgende uit de graven van het kleine kerkhof in de nabijheid. Beneden het ravijn, dat den toren omringt, ziet men brokstukken der muren van het voormalige klooster; naast de kerk bevinden zich graven door aardhoopen bedekt; door de gaten en openingen in deze kelders bespeurt men eene menigte uitgebleekte doodsbeenderen. Door eene vrij smalle spleet in den muur der kerk kan men een blik werpen in het inwendige van het schip, waarboven de koepel ontbreekt. Links van het altaar opent zich een grafkelder, waarin zich slechts een enkele steenen sarkophaag bevindt. Wie slaapt daar den eeuwigen slaap? Geen enkel opschrift geeft het ons te kennen. De ruïnen van het eerwaardige klooster zijn voor een goed deel onder dicht struikgewas en heesters bedolven.

Op het domein van Börsjom liggen ongeveer een veertigtal dorpjes verspreid, die door Georgiërs, Grieken, Klein-Russen, Armeniërs en Osseten bewoond zijn. De dorpelingen leven van landbouw en van het vervoer van hout; voor het meerendeel zijn zij zeer welvarend. De bebouwde akkers beslaan hier eene zeer belangrijke uitgestrektheid. De minnaars van forellen kunnen ook hun hart ophalen te Börsjom, want op omstreeks vijftig wersten van het stedeke ligt het meer Toebatz-Sjoemi, dat een overvloed van forellen bevat en de tafels van Tiflis van dezen smakelijken visch voorziet.

Aan den oever van dit meer, dat eene uitgestrektheid heeft van omstreeks vijf wersten, liggen twee dorpen, waarvan het eene Maliti heet, en het andere in het russisch Kraisnaïa Tzeskoff, in het georgisch Tziteli Sagdari, en in het tartaarsch Kisill Kilissa. Dit dorp ligt op eene lange smalle landtong die in het meer uitsteekt; het dankt zijn naam aan eene van roodachtige steenen gebouwde kerk. De ligging van dat dorp is misschien het schoonste en schilderachtigste, wat op het domein van Börsjom is te zien. Van boven gezien, schijnt het midden uit het water op te rijzen; eerst als men naderbij komt, blijkt het dat het dorp op eene hoogte ligt van vulkanischen oorsprong, even als een eilandje midden in het meer, dat wemelt van wilde eenden, die zich, zoo verhaalt men, met de hand laten grijpen. Dit is een buitenkansje voor de jachtliefhebbers, want op het domein mag niet gejaagd worden, zelfs mag men geen geweer medenemen. Men gaat naar dit meer, deels tepaard, deels met rijtuig , langs den nieuwen straatweg naar Akhalkalaki, eene kleine stad op dertig wersten afstands van de turksche grens.

En nu op weg naar Akhalzick: het is per diligence een rit van vijf of zes uren door eene landstreek, steeds schilderachtiger en rijker in afwisseling. Bij het poststation van Strasha-Jacob hebben wij de grenzen van het domein van Börsjom bereikt; in vroeger tijd was hier de grensscheiding tusschen Georgië en Turkije. De overlevering verhaalt van een bandieten-hoofdman, Strasha-Jacob, de verschrikkelijke Jacob, genoemd, die de reizigers op de grenzen overviel en hen als slaven te Akhalzick verkocht. Zijn naam leeft nog voort in dien van het poststation.

Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.

Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.

Ruïne van het klooster Sint-George bij Börsjom.

Voorbij dit station verandert het landschap eensklaps van karakter. De bosschen van dennen en pijnen maken plaats voor rotsen, deels geheel kaal, deels gekroond met eiken, notenboomen en berken. In de verte dwaalt de blik door valleien en over vlakten; op den achtergrond verrijzen hooge bergen, waartusschen zich nauwe passen openen, en op elken top troont een fort, een der schakels van die keten van vestingen, die het land moest verdedigen tijdens de onophoudelijke oorlogen met de Halve-Maan. De tegenwoordige bewoners van deze eigenaardige landstreek zijn de Adjaren, mohammedaansche Georgiërs, die men telkens op den weg ontmoet, kleine pakpaarden drijvende of aan den weg zelven werkende. Hunne kleeding is dezelfde als die der Lazen van Batoem: een kort buis, een fez of een turkschen tulband.Reeds te Atzkhoer, halverwege tusschen Börsjom en Akhalzick, zou men kunnen meenen, in Turkije te zijn. Het vlek ligt aan de Koer, aan den ingang van een bergpas. Aan de eene zijde, op den rechter oever, liggen de woningen der Georgiërs, aan de andere wonen de armenische kooplieden, die het christelijke element vertegenwoordigen: twee werelden, geheel verschillend in type, kleederdracht en levenswijze.

Atzkhoer was voorheen de zetel van een der twaalf bisdommen van de provincie Samtzkhé, sedert door de Turken Adjar genoemd, naar de bergen welke haar begrenzen. In den laatsten tijd, gedurende den Krimoorlog, werd hier in den omtrek een gevecht geleverd tusschen de Turken en de Russen, waarbij de laatsten de overwinning behaalden. Van Atzkhoer tot Akhalzick vindt men uitsluitend muzelmansche dorpen, waarvan velen allerschilderachtigst zijn gelegen: met name Tsjenis, met zijn krans van tuinen en boomgaarden, aan den oever van de Koer. De gesluierde vrouwen, die zich voor de blikken van de voorbijgangers verbergen, doen u aanstonds begrijpen, in welke omgeving gij u bevindt. Uit de verte gezien, maken zij, in haar witte mantels gewikkeld, bijna den indruk van spoken. Ook trof mij de vreemde manier, waarop een aantal boeren, die ik onderweg ontmoette, te paard zaten, namelijk met den rug naar den kop van het dier.

Vrouwen der Doukhobortzis.Vrouwen der Doukhobortzis.

Vrouwen der Doukhobortzis.

Vrouwen der Doukhobortzis.

Hoe meer men Akhalzick nadert, hoe kaler het land en hoe naakter de bergen worden. Men verhaalt dat de oorspronkelijke bewoners van Adjar afstammelingen waren van een zoon van Japhet, Meskh genaamd, die van Mesopotamië naar den Kaukasus trok en zich in de omstreken van Akhalzick vestigde, op eene plaats, die naar hem den naam ontving van Messkhé of Moesseckh, en die nog heden bestaat. Van daar zou, bij verbastering, de naam Samtzkhé zijn afgeleid, welke aan dit deel van Georgië gegeven werd. Verschillende geschiedschrijvers der oudheid maken melding van deze afstammelingen van Japhet, als van een dapper en krijgshaftig volk. Het dorp Moesseckh maakt aanspraak op de eer, de geboorteplaats te zijn van Mithridates, den koning van Pontus; een ander dorp, Koly, op zestig wersten van Akhalzick, heeft nog ouder titels: daar zou niemand minder zijn geboren dan Nebukadnezar, den machtigen beheerscher van Babylon.

Andere traditiën, waarin wij ons hier niet hebben te verdiepen, beweren dat de Meskhen hun naam ontleenen aan Mtzkhétos, den zoon van Karthos, den patriarch van Georgië. Zooveel schijnt zeker, dat deze provincie door den apostel Andreas, die van Mingrelië naar herwaarts over kwam, tot het Christendom werd bekeerd: altijd volgens de traditie. Een der bergen, waarop hij de bekeerlingen doopte, draagt nog den naam van Andreasberg(Andreas zweri). Te Atzkhoer zou de apostel de eerste christelijke kerk hebben gebouwd: in later tijd verrees daar eene kathedraal, welke door de Turken werd verwoest. Men kan nog de ruïnen zien dezer kerk, die eene der schoonste van het geheele land was, en die, zooals trouwens alle kathedralen, ook een wonderdoend beeld bezat, dat der Madonna van Atzkhoer, wier geschiedenis de stoffe zou kunnen leveren voor een epos. In 1468 door den khan Jacob geroofd, werd het beeld vervolgens door den Atabek Manutsjar, voor eene zeer groote som gelds weder vrijgekocht; zestig jaren later nam koning Bagrot van Imerethië het beeld weg en sloot het op in den toren van Tzishé Alsjwari, waar het eerst in 1562 uit te voorschijn kwam, bij het sluiten van den vrede tusschen den Atabek Knaknare en koning George van Imerethië. Wat sedert van de kostbare relikwie geworden is, weet men niet.

Zoodra men uit de verte een blik werpt op Akhalzick, met zijne moderne kerktorens en zijn oude vervallen minarets, krijgt men den indruk van eene stad, waar het Kruis en de Halve Maan elkander eeuwenlang de heerschappij hebben betwist. Akhalzick (Akhal-tzishé, in het georgisch de nieuwe vesting) ligt drieduizend-honderdtachtig voet boven de zee, aan den oever van de Potskowtsjaï. Het district behoorde vroeger aan de Djagheli, die den titel voerden van Akhal-Tzikhéli (heeren van Akhalzick). In de twaalfde eeuw ontvingen deze Djagheli bovendien den titel van Atabek, ten gevolge waarvan de landstreek den naam verkreeg van Sa-Atabago, in het georgisch, eigendom van de Atabek. In 1579, toen de Turken zich van het land meester maakten, lieten zij het bestuur in handen van de inlandsche vorsten, die natuurlijk de opperhoogheid van den Sultan moesten erkennen; nadat Amoerad IV het pâsjalick van Akhalzick had gevormd, bracht de nieuwe pâsja zijne residentie van Olthis naar Akhalzick over, dat versterkt werd en van toen af, zoowel uit een militair als uit een commercieel oogpunt, de hoofdstad bleef van het oude Samtzkhé. De levensmiddelen en andere produkten van Kars en Erzeroem werden voornamelijk daarheen gevoerd; ook werd er een slavenmarkt gevestigd. In 1810 door den russischen generaal Tarmasof belegerd, en achttien jaren later door den veldmaarschalk Paskiéwitch ingenomen, werd de stad het volgende jaar, bij den vrede van Adrianopel, aan Rusland afgestaan. Later, kort voor den Krimoorlog, sloeg de generaal prins Andronikoff de Turken in eene vlakte nabij de stad, waar een monument is opgericht ter herinnering aan dit wapenfeit, waardoor de inlijving van de landstreek bij het rijk der Tsaren voor goed verzekerd werd.

Vroeger door Christenen bewoond, werd deze voormalige provincie van het koninkrijk Georgië, door een harer vorsten, den Atabek Rostom, gedwongen den Islam te omhelzen; hij was zelf Muzelman, geworden om tot pâsja te kunnen worden benoemd. Echter is de georgische taal hier altijd in gebruik gebleven; in den laatsten tijd echter schijnt het turksch vorderingen te maken.

Akhalzick bestaat uit twee steden: de oude stad, hoofdzakelijk bewoond door Georgiërs, Tartaren en Turken; en de nieuwe stad, die omstreeks twintigduizend zielen telt, voor drie vierden Armeniërs, voorts een aantal Joden, maar weinig Georgiërs en nog minder Russen. De afstammelingen van Rostom Atabek bestaan nog altijd; de familie heeft zich nu ook den naam van Kobliansky toegevoegd, ontleend aan hare bezittingen in het naburig district Koblian. Al de leden van dit geslacht zijn Muzelmannen; een hunner voorvaderen, Achmed-pâsja, heeft in de oude citadel de moskee gebouwd, die sedert in eene orthodoxe kerk herschapen werd. Voor hij Mohammedaan werd, had diezelfde Achmed met twee zijner broeders het klooster Safara gesticht, dat nog bestaat, en waarvan de kerk, die het geheele jaar gesloten is, alleen op den dag van Maria-Hemelvaart voor de pelgrims van Akhalzick geopend wordt.

Deze geheele landstreek is buitengewoon rijk aan boomgaarden, die uitmuntende vruchten, met name appelen, opleveren. Een riviertje, dat zich in de Koer uitstort, de Potsghow of Potskhowtsjaï, kronkelt zich schilderachtig door de velden; een dubbele wal van bergen, aan de eene zijde zich naar Goerië, aan de andere tot aan Erzeroem uitstrekkende, omgordt het oude domein der Djagheli. De pest, die vroeger bij herhaling het land teisterde, heeft zich sedert 1830 niet meer vertoond; de herinnering aan dien geesel leeft nog altijd voort in de verplichte quarantaine en in het afzonderlijk voor pestlijders bestemde kerkhof buiten de vesting.

In 1844 evenwel brak op verschillende plaatsen in Kaukasië, met name te Alexandropol, eene epidemie uit, die veel overeenkomst had met de pest; en eenige jaren geleden zond de russische regeering den dokter, die aan de quarantaine-inrichting te Akhalzick verbonden was, naar Koerdistan, waar eene pestaardige ziekte was uitgebroken, om de oorzaken en de verschijnselen van de moorddadige epidemie te bestudeeren. Na vele nasporingen gelukte het hem, tot de ontdekking te komen dat de ziekte ontstaan was in zekere bergkloven en spelonken, die tot schuilplaats dienden voor schapen. Om versche lucht in die holen te krijgen, had men eene opening gemaakt, die op den top van den berg uitkwam; en op dien top bevond zich juist eene oude begraafplaats van pestlijders. Bij het boren der luchtgaten waren de beenderen van de voor veertig jaar bezweken slachtoffers naar beneden in de grotten gevallen: een herder, die zich in een dezer spelonken ophield, was het eerst aan de pest bezweken. Deze ontdekking was in zoo verre belangrijk, dat daaruit de blijvende kracht der smetstof bleek, zelfs nog na verloop van eene halve eeuw. Naar het schijnt, is dit alleen te verklaren, wanneer men aanneemt dat zekere organische kiemen, geheel van de buitenlucht afgesloten, zijn in stand gebleven, die, weder in aanraking met de lucht gebracht, als het ware zouden zijn herleefd: ongeveer op dezelfde wijze als het koren, dat men in de pyramiden vanEgypte gevonden heeft, en dat, weder in de aarde gezaaid, op nieuw uitbot.

Een houten brug over de Potsghow verbindt het oude met het nieuwe Akhalzick. Op den linkeroever bevinden zich de oude buurten, bewoond door Georgiërs, die voor verreweg het meerendeel katholiek zijn, door Tartaren en Joden; op den anderen oever ligt de nieuwe stad, in de jaren 1830 tot 1833 door de Armeniërs gebouwd. De gewezen citadel, aan den oever der rivier, is tegenwoordig een militair hospitaal; de oude moskee is voor de orthodoxe eeredienst ingericht; in de minaret hangt een metalen klok, waarvan het gelui de roepstem der moëzzin vervangen heeft.

Men weet niet juist, uit welken tijd de citadel van Akhalzick dagteekent. Volgens de overlevering zou er vroeger op de plek, waar zij zich nu verheft, eene kerk hebben gestaan, die door den apostel Andreas zou zijn gebouwd; eenige brokken muurs, sommige oude steenen, in het tegenwoordige metselwerk opgenomen, zouden nog overblijfselen zijn van die kerk. Bij het laatste beleg hebben de uit deze citadel geschoten kogels een gedeelte van de oude wijken der stad vernield. Tegenwoordig zijn de woningen terrasgewijze boven elkander gebouwd, en wel zoo dat de platte daken der lagere rij de straat vormen waarop de huizen der hoogere uitkomen; de vreemdeling, die door deze onderaardsche stad ronddoolt, vraagt zich verwonderd af, waar de bevolking woont. Huizen ziet hij niet: nu en dan ontmoet hij een kegelvormigen heuvel van leem, twee tot zes ellen hoog, van boven voorzien van een soort van uitstekend venster met geolied papier beplakt. Dit zeer primitieve venster moet het noodige licht verspreiden in het voornaamste vertrek van het hol, dat men hier met den naam van woning betitelt. Als de nieuwsgierige wandelaar het vensterluik opligt, ziet hij in de diepte, onder den grond, een geheel gezin vereenigd in dedarbazi, zooals men in het georgisch zulk een salon noemt.

Laat ons de woning binnentreden: eene ruw bewerkte deur, bij wijze van tegenwicht van een groot blok hout voorzien,—van sloten is natuurlijk geen spraak,—geeft toegang tot een nauwe donkere gang, waarin zich eene tweede deur, die der kamer, bevindt. Op een vochtigen steenen vloer liggen tapijten uitgespreid. In de wanden van het ronde vertrek zijn nissen aangebracht, die met houten deuren gesloten worden en tot kasten dienen. Andere, diepere nissen, waarvoor gordijnen hangen, zijn de bedsteden der familie. Houten banken met tapijten bekleed en een ijzeren kachel, ziedaar het gansche ameublement. De zoldering is niet het minst eigenaardige in deze woningen. De achthoekige koepel neemt naar boven steeds in omvang af; elk der acht paneelen bestaat uit twintig houten trappen, die gaandeweg kleiner worden.

Kleinere kamers, gelijkvloers met dit voornaamste vertrek, en nog anderen, die eenige treden lager liggen, zijn voorzien van vierkante openingen, waarvan het houten traliewerk insgelijks met geolied papier is beplakt. Deze katakomben, aan welker wanden men in de schemering heiligenbeelden bespeurt, worden hoofdzakelijk door katholieke Georgiërs en Armeniërs bewoond, die meermalen eene zekere mate van welvaart en zelfs meer dan dat genieten. Nu is het waar, dat deze lieden, wier huis nauwelijks op den naam van hol aanspraak kan maken, een groot gedeelte van den dag in de open lucht, voor de deur hunner woning, doorbrengen. Daar keuvelt men uren lang met de buren; daar danst men ’s avonds onder begeleiding van dedaira; daar nuttigt men te zamen, bij zekere gelegenheden, de zoete honigkoeken en andere inlandsche lekkernijen. Deze salon in de open lucht is echter niet ruim en heel veel kromme sprongen kan men er niet maken, want behalve door de uitstekende vensters van de darbazi, wordt de ruimte nog beperkt door de talrijke vierkante schoorsteenen van de lager liggende woningen. Deze schoorsteenen, van grauwachtige klei, zijn van boven voorzien van een houten luik, dat met behulp van een in eene schapenhuid genaaiden steen kan geopend en gesloten worden. Als in de onderaardsche vertrekken vuur wordt aangemaakt, gaan de luiken open; zij die boven op de straat zijn gezeten, ontvangen dus den rook uit de eerste hand.

Het eenige monument in de oude stad, dat van dezen eenvormigen type afwijkt, is de synagoge, een nieuwerwetsch gebouw, geheel van steen, en waarvan het schuine dak met zink is belegd. Even als de russische kerken, is ook de synagoge lichtgroen geverfd. De Joden zelven wonen, even als de anderen, in onderaardsche huizen. Het trok mijne aandacht, dat deze Joden van Akhalzick, in voorkomen en gelaatstrekken, meer overeenkomst hebben met de Georgiërs dan met hunne stamgenooten in Polen, Rusland, Jeruzalem en zelfs op andere plaatsen in Kaukasië. Even als bij de Muzelmannen en de Armeniërs, vertoonen ook hunne vrouwen zich niet aan vreemden.

De nieuwe stad draagt wel een ander karakter, maar behoeft in leelijkheid voor de oude niet onder te doen. De huizen der Armeniërs, die ten gevolge van den vrede van Adrianopel uit Turkije naar Akhalzick verhuisd zijn, zijn ook niet meer dan ellendige hutten, uit leem en ruwe steenen opgetrokken; ook hier geene andere vensters dan gaten, waarvan de latjes met geolied papier zijn beplakt. Men kan zich niets akeligers denken dan deze krotten, in vuile, niet geplaveide en niet verlichte straten. Zelfs de bazar ziet er even ellendig uit.

Even als Tiflis, wemelde ook Akhalzick, in de nabijheid der turksche grens gelegen, van officieren en soldaten, verlangend uitziende naar den aanvang der vijandelijkheden tusschen den Tsaar en den Sultan. De militaire societeit in de nieuwe stad was van den morgen tot den avond vol bezoekers. De leden van die societeit zijn voor het meerendeel Russen; de burgersocieteit wordt voornamelijk door Georgiërs bezocht; want hier, even als te Tiflis en in de andere steden van Kaukasië,vormen de verschillende rassen, hoewel voor het uiterlijk in eendracht en vrede met elkander levende, toch afgesloten kringen. De Rus ziet met minachting op den Georgiër neder, die op zijn beurt zich verheven rekent boven den Armeniër; de Joden worden door allen, en niet zonder grond, gelijkelijk veracht. De vrouwen verschijnen nimmer op publieke plaatsen; naar aloud oostersch gebruik leven zij in huis en hebben onder elkander hare eigene gezelschappen en bijeenkomsten. In de armenische woningen, die er van buiten even armoedig uitzien, vindt men toch somwijlen zekere weelde en comfort in het ameublement, zich vooral openbarende in het bezit van europeesche stoelen. De kinderen nemen aan die gezelschappen en bijeenkomsten der dames deel. Daar heerscht de meeste ongedwongenheid en bijna onbeperkte vrijheid; na genot van thee en confituren wordt er gedanst. Evenals genoegzaam alle oostersche vrouwen, hebben ook deze Armenischen prachtige oogen, haren en tanden: deze schoonheden kan niemand haar betwisten. Maar haar tint is reeds vroegtijdig verwelkt en haar rug gekromd: een en ander het onvermijdelijk gevolg van haar levenswijze, haar eeuwig neerhurken binnenskamers. Haar kleeding is zeer elegant en smaakvol; zij bestaat uit een zijden kaftan, op de borst vierkant uitgesneden, met nauwsluitende mouwen, waaruit andere mouwen te voorschijn komen, die van het vest of keurs, dat ook op de borst onder den kaftan zichtbaar is; voorts uit een breed schort van rood laken met goud geborduurd, dat tot op de voeten hangt; uit een rood laken fez met gouden kwast en van voren versierd met een breeden band van geborduurde bloemen van gekleurde zijde; ter wederzijde dalen langs de wangen parelsnoeren af, waaraan een aantal gouden muntstukjes bevestigd zijn, wier waarde voornamelijk in hunne oudheid bestaat; het voorhoofd verdwijnt voor een groot deel onder verschillende rijen van dergelijke muntstukjes, die ook den hals en de borst bedekken. De hairen hangen in vlechten langs den rug. De jonge meisjes dragen geen sluier; maar de gehuwde vrouwen hechten aan haar fez een met gouden loovertjes geborduurden gazen sluier, meestal rood van kleur. De voeten steken in rood marokijnen muiltjes met omgebogen punten. De armenische vrouw vertoont zich hier nooit met ongesluierd gelaat in het openbaar. Als zij uitgaat, wikkelt zij zich, even als de turksche vrouwen, in een wijden mantel, die haar van het hoofd tot de voeten omhult. Die mantel is vervaardigd van zeer fijne, doorschijnende witte stof, omzoomd met donkerblauwe franje; de rijke onderkleeding blijft onder die eigenaardige omhulling zeer goed zichtbaar.

De Nieuwjaarsdag is hier de feestdag bij uitnemendheid, die door de aanhangers van alle belijdenissen, met inbegrip zelfs van de Tartaren, om strijd wordt gevierd. Russische soldaten, mohammedaansche Georgiërs, armenische kooplui, allen drinken op elkanders gezondheid, waarbij, in broederlijke eendracht, de noodige glazenwodka(brandewijn) naar binnen worden geslagen. Doorgaans wacht men in de verschillende societeiten het aanbreken van den eersten Januari af; ieder lid betaalt voor dien avond eene zekere som, waarvoor hij het recht heeft het souper bij te wonen en zijn deel te ontvangen van den champagne en van het suikergoed, die met klokslag van twaalven worden gepresenteerd. Daarna begint de dans, gevolgd door een souper, dat tot den morgen duurt. Zoo zag ik, op den eersten dag van het jaar 1877, de sneeuwtoppen der bergen door de eerste zonnestralen rood gekleurd. Maar dit ligt buiten mijn bestek; ik hervat het verhaal van mijn uitstapje.

Door zijne ligging behoort Akhalzick geografisch tot de hoogvlakte van Armenië, hoewel het politiek een deel van Rusland is. Uitstapjes in den omtrek der stad gaan, vooral in den winter, met vele moeilijkheden en bezwaren gepaard. Hier vindt ge eene dikke kleilaag, waarin de paarden blijven steken; elders zijn het rotsen en steenklompen, die u tegenhouden, terwijl de ijzerharde bevroren grond het rijden niet gemakkelijk maakt. Monumenten heeft het land niet, met uitzondering van eenige kerken of kloosters, zoo als men hier zegt; maar die monumenten zijn voor het meerendeel niets dan ruïnen.

Dit geldt met name van de kloosters van Safara en Zarzma. Te Safara staat de kerk nog overeind; zij bevatte den grafkelder, waarin de Atabeks werden bijgezet, voor dat de familie tot den Islam was overgegaan. Van de hooge rots, waarop de kerk gebouwd is, tusschen de Koer en de Potskhow, overziet men een grootsch, woest panorama, dat juist door zijn woest voorkomen een machtigen indruk maakt. De ruïnen van het klooster van Zarzma, aan de andere zijde der stad, zijn niet minder schilderachtig. Eene derde abdij verschuilt zich tusschen pijn- en dennebosschen op de hoogte van Abaztoeman, een tiental wersten van Akhalzick verwijderd. De plek, die een bij uitnemendheid landelijk karakter draagt, ligt ruim vierduizend voet boven de zee; er zijn hier warme bronnen, die in den omtrek zeer gunstig bekend staan, maar die het nog geen mode is te bezoeken, zooals de bronnen van Börsjom. Het badsaizoen duurt hier trouwens maar kort, en al zeer spoedig treedt de koude weer in. Slechts van Mei tot Augustus heerscht hier eenige levendigheid; zijn deze drie maanden voorbij, dan wordt het weer stil op de bergen; en de toerist, wiens nieuwsgierigheid hem hierheen drijft, kan er ook op rekenen, althans ’s avonds of ’s nachts van de koude te lijden te hebben.

Panaroma van Akhalzick.Panaroma van Akhalzick.

Panaroma van Akhalzick.

Panaroma van Akhalzick.

In dezen tijd des jaars, waarin wij nu verkeren, behoort de reiziger voor zijne uitstapjes zich van eene perekladnaja te bedienen, veeleer dan van zijn paard. Het voertuig is broos, ongetwijfeld, en wordt licht beschadigd; maar de schade is bijkans altijd gemakkelijk te herstellen; en wanneer men geen hinder heeft van het geweldige horten en stooten, en er ook niet tegen opziet om opzekere kritieke punten uit te stappen en een eind weegs te voet af te leggen, dan is de perekladnaja, ondanks alles, nog het beste vervoermiddel dat men gebruiken kan.

Zoo trok ik van Akhalzick naar Kherthwis, een dorp op vijf wersten afstands, aan de samenvloeiing van de Toporovan-tsjaï en de Koer gelegen. Een officieele aanbevelingsbrief verschafte mij het voorrecht, den nacht te mogen doorbrengen bij den burgemeester. Alvorens mij ter ruste te begeven, had ik nog den tijd, de overblijfselen te gaan zien van eenige grottenwoningen, aan den anderen oever van de Koer in de rots uitgehouwen. Bij de brug over de rivier begint een vrij goed voetpad, dat zigzagsgewijze naar boven voert. De onderaardsche vertrekken, in de rotswanden uitgegraven, zijn inderdaad zeer bezienswaardig: het zijn vorstelijke zalen, waarvan de aanleg werd begonnen door koning George en voltooid door zijne dochter Tamara, de beroemde koningin, die in de twaalfde eeuw over Georgië regeerde.

Eene andere merkwaardigheid van deze streek is het onderaardsche klooster Wardzia, waar, naar men zegt, de zoo even genoemde koning George begraven ligt met velen zijner opvolgers. Men verhaalt, dat dit klooster even veel cellen bevat, als er dagen in het jaar zijn. Bovendien bevat dit merkwaardige gebouw eene kerk met zijkapellen; de kerk is ruim en overwelfd; langs de muren ziet men overblijfselen van schilderwerk, onder anderen het portret van de koningin Tamara. Van de vele sieraden en kostbaarheden, die, volgens de georgische kronieken, hier vroeger bewaard werden, is geen spoor meer te vinden: de tijd en de onophoudelijke oorlogen hebben ze vernield en verstrooid.

Dit grottenklooster van Wardzia herinnert aan Tsjoefoed-kaleh (Jodenstad), in den omtrek van Baktsji-saraï, en aan vele andere soortgelijke verblijven, welke men in de Krim vindt. Volgens de overlevering zouden zij dagteekenen uit het tijdvak van koningin Tamara, maar waarschijnlijk zijn zij ouder. De bewaarder van de nu verlaten, ruime grotten van Wardzia wijst u althans de plaats, waar het zomerpaviljoen der genoemde koningin stond, benevens haar bidvertrek, haar slaapkamer en meer dergelijke merkwaardigheden. De naam Wardzia is afgeleid van de georgische woordenWart-tzisjé, hetgeen Rozenvesting betekent. Een weelderige plantengroei, een schat van bloemen siert inderdaad de schoone plek, van waar men het uitzicht heeft op de liefelijke vallei van de Koer.

Op zekere tijen van het jaar komt een priester uit den omtrek de dienst verrichten in dit oude heiligdom, waar vroeger een zeer druk bezocht wonderdoend beeld werd bewaard, en waar, volgens de overlevering, ook de koningin Tamara begraven lag in eene kleine vierkante kapel, gekroond met een half verwoesten koepel, en omgeven door eene op zuilen rustende galerij. Op de dagen, als hier de heilige dienst wordt gevierd, leggen de geloovigen op het half ingestorte altaar hunne offergaven, bestaande in waskaarsen en geld, neder. De vreemdeling, die door deze eenzame verlaten krypten ronddoolt, waar vroeger, naar men zegt, een schitterend hof resideerde, komt telkens in de verzoeking om achter zich om te zien, of niet uit een dezer duistere holen, cellen en vertrekken een spooksel uit den voortijd te voorschijn treedt.

Zoo als ik zeide, moest ik te Kherthwis overnachten, vooral ook met het oog op de gevaren, bepaaldelijk in dezen tijd des jaars aan eene nachtelijke reis verbonden. Ik gebruikte ten huize van den burgemeester het avondmaal, als naar gewoonte bestaande uit roggebrood en thee; den volgenden morgen begaf ik mij op weg naar Nakalakevi, een armoedig dorp, dat evenwel vroeger eene stad van eenig belang was, en waar men, in eene oude kerk, als eene kostbare relikwie, een der nagels bewaart, waarmede de Zaligmaker aan het kruis werd gehecht. Van daar tot Akhalkalaki is de weg vrij goed. Ongemerkt stijgt men omhoog tot een plateau, dat vijfduizend-vijf-honderd-vijf-en-veertig voet boven de zee ligt.

Akhalkalaki heeft niets merkwaardigs dan zijne ligging. De op eene hooge rots gebouwde citadel bestrijkt de rivier Taporovan-tsjaï, die, te rekenen van zeker punt, den naam der stad aanneemt. De hoogste top in de naburige bergketen is de Aboel, die eene hoogte bereikt van ongeveer elfduizend voet.

Even als Akhalzick, is ook Akhalkalaki bewoond door mohammedaansche Georgiërs, Armeniërs, Russen en Joden; in de omliggende dorpen wonen de leden der uit Rusland gebannen sekte der Doukhobortzis of Pneumatomaken (worstelaars van den geest), die naar hunne bewering afstammen van een der drie jongelingen, die op last van Nebukadnezar in den brandenden oven zouden zijn geworpen en wonderdadig in het leven gespaard. Vermoedelijk echter is deze sekte eerst in de tweede helft der vorige eeuw ontstaan. Wat deze sektarissen eigenlijk gelooven is moeilijk te zeggen: zij laten zich tegenover vreemden omtrent hunne godsdienstige overtuigingen en gebruiken weinig uit, en maken daarbij liefst gebruik van beeldspraak, gelijkenissen, dubbelzinnige uitdrukkingen, die hunne ware gedachte verbergen. Zij loochenen het gezag van den Bijbel en van de geschriften der orthodoxe kerkvaders; zij hebben noch priesters, noch gewijde boeken, noch uitwendige eeredienst. De gebeden, waarvan zij zich bij hunne samenkomsten gewoonlijk bedienen, zijn bij hen bekend onder den naam van Psalmen van David, en zijn, volgens hen, ook woordelijk afkomstig van dien koninklijken israëlitischen zanger, voor wien zij een grooten eerbied koesteren. Hoe zij dit rijmen met de uitdrukkingen in die Psalmen voorkomende, waarin telkens van Christus, van den Heiligen Geest, van Onze Lieve Vrouwe, van de kerk en de sakramenten gesproken wordt, weet ik niet. Zij schijnen overigens een zeer ordelijk en betamelijk leven te leiden, en zijn voor het meerendeel zeer welvarend. Het huwelijk wordt bij hen zonder eenige godsdienstige plechtigheid gesloten, en, naar men zegt, ook zeer gemakkelijk weerontbonden. Zij leven onderling in goede verstandhouding en geven door hun handel en wandel geen aanstoot. Zij hebben noch boeken, noch geschriften; de zoo even genoemde Psalmen van David worden door mondelinge overlevering bewaard: men kan dus gissen, wat van deze gebeeden allengs worden moet. De kinderen ontvangen bijna geen onderricht, en maar zeer weinigen onder de volwassenen kunnen lezen en schrijven; zij achten die kennis voor boeren als zij zijn niet noodig.

In het dorp Gariellowka, op tien wersten afstands van Akhalkalaki, woonde de toenmalige Overste van de Doukhobortzis, eene vrouw, de zeer rijke weduwe van een bloedverwant van een der vroegere hoofden of oversten van de sekte, die evenwel geen vast opperhoofd heeft. Deze vrouw wordt in zekeren zin als koningin beschouwd en gehoorzaamd. De Heilige Maagd of de Moeder Gods (Bogorodiza), zooals deze vrouw wordt genoemd, ontvangt alle doortrekkende reizigers met de meest onbekrompen en voorkomende gastvrijheid; zelfs is het niets vreemds, op haar welvoorzienen disch champagne te zien verschijnen. Trouwens het gebruik van wijn en sterken drank is den Doukhobortzis niet verboden. Zoo als ik reeds zeide, staan de aanhangers dezer zonderlinge mystieke sekte over het algemeen als eerlijke en brave lieden bekend en genieten zij, ondanks hunne volslagen onwetendheid, eene groote mate van welvaart. Zij houden zich hoofdzakelijk met landbouw bezig, en met het vervoer van reizigers en goederen. Verschillende posthuizen zijn door aanhangers dezer sekte gepacht. Vooral het verkeer op den weg van Akhalkalaki naar Alexandropol is in hunne handen. Door hunne kleederdracht, hunne levenswijze en de behagelijke zindelijkheid hunner eenvoudige woningen, hebben zij meer overeenkomst met de duitsche kolonisten dan met de Russen. Op het gedeelte van den weg, dat zij bedienen, is de perekladnaja vervangen door een soort van overdektenchar-à-bancs, veel overeenkomende met den wagen, dien de landlieden in Duitschland gebruiken.

Ik was in de gelegenheid, een hunner godsdienstoefeningen bij te wonen, die in een gewoon huis worden gehouden. Men bracht mij in eene ruime kamer, laag van verdieping, maar zeer zindelijk, die geheel met geloovigen was gevuld: de mannen stonden aan de eene zijde geschaard, de vrouwen aan de andere; alleen de oudsten zaten op banken.

Men begon met het opzeggen van gebeden, hetgeen door ieder op zijne beurt geschiedde. Indien iemand zich daarbij vergiste, werd hij onmiddellijk terecht gewezen: “Zoo zegt men het niet.”—“Niet; hoe dan, zeg het mij.”—En wanneer hij, die de aanmerking gemaakt had, zich op zijne beurt vergiste, ging van alle kanten een luid gemor op. Het kwam mij voor, dat de vrouwen minder fouten maakten dan de mannen.

Dit opzeggen der psalmen duurt eenige uren achtereen, tot zij hun ganschen voorraad hebben uitgeput, of liever tot een groot gedeelte der gemeente indommelt, hetgeen vooral in den tijd van zwaren en vermoeienden veldarbeid niet zelden het geval is. Maar ook afgescheiden daarvan, is het niet te verwachten dat de geest opgewekt zal blijven bij het opzeggen van honderdmaal gehoorde formulieren, die de meesten niet begrijpen en waarbij zij niets denken.

Als dit eindelijk is afgeloopen, neemt het zingen een aanvang. Een der aanwezigen merkte op, dat het in de kamer zoo benauwd was, en stelde voor, liever buiten, in de open lucht te gaan zingen. Dit geschiedde: wederom schaarden zich de mannen aan de eene, de vrouwen aan de andere zijde. Dat zeer eigenaardig, weemoedig, aangrijpend gezang maakt op iemand, die het voor het eerst hoort, een onbeschrijfelijken indruk. Onwillekeurig gaat ge, al luisterend, mijmeren en droomen; allerlei beelden, herinneringen, indrukken, dagen in schemerachtige, nevelige omtrekken voor u op: ik dacht aan de woestijn, aan het gezang der kameeldrijvers, aan de treurige nationale liederen der slaven, aan het gezang der fellahs in het schemerend avonduur of in de heerlijke nachten op den Nijl....

Voor de mannen staat een voorzanger, die iederen psalm aanheft. Deze betrekking werd hier vervuld door een grijsaard, wiens stem echter nog weinig van hare kracht en melodie verloren had. De voorzanger begint: eenige mannen volgen en spreken, meer of minder duidelijk, de woorden van den psalm; de anderen brommen maar zoo wat. Tegen het einde scharen de geloovigen zich in een halven cirkel, en beginnen elkander te groeten en te omhelzen. Ieder gaat op zijn beurt bij al de mannen rond; de vrouwen doen hetzelfde onder elkander. Gedurende die begroetingen gaat evenwel het zingen zijn gang. Als alles eindelijk is afgeloopen, zet ieder den hoed op en keert naar zijne woning terug.

De Pneumatomaken komen niet enkel des zondags samen om te bidden, maar alle dagen na afloop van den arbeid; de zaterdag is echter meer bepaald voor de godsdienstoefeningen bestemd.

Bij mijne terugkomst te Tiflis vond ik de hoofdstad van Transkaukasië, even als bij mijn vertrek, nog geheel vervuld van de toebereidselen voor den dreigenden oorlog, maar toch veel kalmer. De koortsige opwinding van het eerste oogenblik was in die twee maanden vrij wat bedaard. Ieder was tot zijn gewone levenswijze teruggekeerd en tot de behartiging zijner zaken; in de societeiten werd weder, met meer ijver dan ooit, dag aan dag, whist gespeeld; de dames hadden het maken van pluksel en het breien van kousen opgegeven en waren weer begonnen met haar oude liefhebberij, het kienspel.

De straten der stad hadden ook een vreemd voorkomen: zij waren opgevuld met buitenlieden, die de vrees voor vijandelijkheden uit hunne dorpen nabij de turksche grenzen verdreven had en die een veilig onderkomen zochten in de hoofdstad.Voorts zag men overal troepen van sjouwerlieden, met allerlei meubels beladen; want de Armeniërs, die geene gelegenheid om een voordeeltje te behalen laten voorbijgaan, haastten zich hunne winterkwartieren te verlaten, ten einde die zoo duur mogelijk aan de buitenlieden te verhuren; maar zij droegen zorg, vooraf de kostbare meubelen te verwijderen, welke zij niet aan de nieuwe bewoners durfden toevertrouwen. Vele buitenlieden brachten evenwel hun eigen huisraad mede: de gewoonlijk zoo stille straten der stad geleken nu op de beddingen van rivieren en beken in het gebergte, die door een plotselingen toevoer van water eensklaps ten boorde worden gevuld.


Back to IndexNext