I.Liefde.Erregt an des Lenzes Erwarmung,Indes du die Welten umfliegst,Ruht Alles in deiner Umarmung:O heilige Liebe, du siegst!Graaf Platen.Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is Liefde. Wat is Liefde?—Dichterzielen en romantische naturen kennen een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met afschuw van zich stoot.Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven.Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel, samengesteld uit waarheden.Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch voorbereidt tot de functie der voortplanting.Tusschen beide uitersten bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder de menschelijke neigingen.Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht.Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied, waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen ziel.Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo, wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft, zet het heelal in vuurgloed—men voelt haar branden in het merg van het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen.Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige.Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde, is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen.Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid.De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt.“Maar een damp was opgegaan uit de aarde,”citeert Rosegger (in:Mann und Weib),“en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen; en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar manninne heeten.” Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren, dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen te wringen—de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloedvan het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva.De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo in zijn “praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door de bleeke verte des verledens”. Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.2. Liefde en Geluk zijn blind.2. Liefde en Geluk zijn blind.Hollandsche gravure 17eeeuw.Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht:Over den ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken(1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt, dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn mededinger en overwint deze; alleen Sigrúnʼs broeder Dagr ontkomt den dood en zweert Helgi trouw. De tweegelieven zijn nu vereenigd, maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien door een van Sigrúnʼs dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt: Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den helden terugkeer geschonken?—Helgi antwoordt: Het is geen bedrog, wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is ons helden geen terugkeer geschonken.—Daarop gaat de dienstmaagd naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus: Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden; ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.—Sigrún gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen, mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar, Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de lijken; ijskoud zijn de handen van Hogniʼs schoonzoon, hoe zal ik, o koning, u kunnen helpen?—Helgi antwoordt: Uw schuld is ʼt, Sigrún van Sevafjoll, dat Helgiʼs lichaam met lijkendauw besproeid is: bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen; voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.—Sigrún spreidt terstond in den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid, rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen, o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.—In den morgen rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren, en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen.Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een minnaar, die verandert, verandert niet—hij heeft slechts geveinsd te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door wellust.Liefde.Liefde.Marmergroep van Antonio Canova (1757–1822), in de villa Carlotta bij Cadenabbia.N. Phot. Gesellschaft, Berlijn.Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. “De vrome sluiers,”zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in haar vertaling van Hudry-MenosʼLeven en streven der vrouw, “die het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger, dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan, met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw een reëelen man en een ideëelen echtgenoot.”De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde, in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich uitgeput haar te bezingen. “De liefde,” verklaart Madame de Staël, “verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op, evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor.”Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff (in:Journal II) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij, overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte, daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat, dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld, die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn.“Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en mij troosten”, zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in een harer brieven aan Abelardus). “En jij alleen hebt den plicht dat dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd, want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn.”De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (La femme au XIXmesiècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil, dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden, haar liefde, minder onstuimig, is teederder.3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.Italiaansche gravure 17eeeuw.Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich geen rekenschap van geven.Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe toewijding alle teederheid haars hartenop haar gezin overbrengt; hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel leven, treurig of liefelijk zijn.4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.Houtsnede uit den symbolischen roman Poliphilo (1490).Door gebrek aan liefde te sterven—zingt in zijn heroïeke taal Victor Hugo—is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten elkander te zien, of elkander te schrijven—zij zullen een menigte geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen, het licht van de zon, de zuchten vanden wind, den lichtglans der sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten.De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk mysterie eener heilige twee-eenheid.De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk—zij is troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd het oneindig kleine en het oneindig groote.Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde, bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid voldoende zijn.Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.—Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in MantegazzaʼsPhysiologie der Liefde.Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst, een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen duizend nieuwe golven aan.De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het kwadraat van den cirkel te willen vinden.De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen aller godsdiensten tezamen.Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren, waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de zieke of de arts.De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping der vrouw hem monogaam te maken.Engelenliefde.Engelenliefde.Naar de schilderij van Modesto Faustini. Galleria Pisani, Florence.Photo Alinari, Florence.Wanneer een beleediging de liefde kan dooden, is dat een bewijs dat de eigenliefde sterker was dan de liefde.Er is geen honger, dien het brood niet verzadigen kan, geen dorst, dien put of kelder niet in staat is te lesschen, en geen smaak, dien de kookkunst niet bij machte zou zijn te bevredigen. De liefde echter hongert en dorst zelfs bij een leven van liefde en wij sterven allen met een nog ongebruikt kapitaal van hartstocht, dat wij wellicht nalaten aan onze kinderen.Voor menschen, mannen zoowel als vrouwen, die elkander teeder en innig liefhebben, hebben tijdelijke scheidingen versterkende en bederfwerende kracht. Maar ook alleen voor gevoelige en zuivere zielen. Voor mannen, die men met kunstgrepen verovert en voor vrouwen die voor geld verkrijgbaar zijn geldt slechts het spreekwoord: Uit het oog, uit het hart.Voor de liefde bestaat er geen bezoedeling, geen vernedering en geen schande. Zij is een zoo machtig licht, dat zij alles in hemelschen luister doet stralen, zulk een warmtebron, dat zij alle ijs doet smelten, en zulk een zoetheid, dat zij alle bitterheid wegneemt.Tenslotte bepalen noch de kuischheid, noch de deugd, noch de fatsoensbegrippen, noch de eischen der moraal de grenzen van het betamelijke en gepaste tusschen man en vrouw, maar die grenzen worden met vaste en zekere hand gesteld door de liefde.Liefde is met geld niet te koopen. Liefde geeft zich om niet, kan niet gekocht worden. Wat men voor geld krijgt als liefde, is niets dan een nietswaardig, mislukt surrogaat.Niets verlangen en alles erlangen is het heerlijke geheim der verheven liefde.Alles zien met de oogen gesloten, niets zien met de oogen geopend, dat is een der dagelijksche wonderen der liefde.Een uur beminnen is gelijk aan de liefde der dieren, een dag liefhebben is algemeen menschelijk, het gansche leven liefhebben is hemelsch, het gansche leven een enkel wezen liefhebben is goddelijk.Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig aangeduid alsPlatonische liefde. Inderdaad vindt men in de dialogen van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde, speciaal in den dialoog die den titel draagtHet Gastmaal. Op een feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus, Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken lust. Tenslotte neemt Socrates, Platoʼs leermeester, het woord; deze prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijkewijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd, als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden, rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort.De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld; zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij voornamelijk bij de vrouw.5. De Olympus der Liefde.5. De Olympus der Liefde.Naar de schilderij van Andrea Mantegna (1431–1506), Louvre, Parijs.Photo Hanfstaengl, München.Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der liefde zoodoorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw, waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste openbaringen,—Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde, Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. “Andere dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen.” Shakespeare geeft in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen: de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de woest-zinnelijke liefde in Cleopatra.6. Liefde kent geen Zelfzucht.6. Liefde kent geen Zelfzucht.Fransche gravure 17eeeuw.Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook vloekzangen op de liefde.De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid, deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar het toeval dat wil.Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo, in het bijzonder tot liefde der vrouw,dat zij grootmoedig is en edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De liefde kent geen middenweg—zij verderft of zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is, dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde het meeste licht, maar ook de meeste duisternis.In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan; vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets.Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen, is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk, gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is.De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde, en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het product de door de natuur gewilde liefde.7. Andromeda door Perseus bevrijd.7. Andromeda door Perseus bevrijd.Naar de schilderij van G. de Lairesse (1640–1711).Phantasie.Phantasie.Beeldgroep van Fritz Klimsch, Nationalgalerie, Berlijn.N. Photogr. Gessllschaft, Berlijn.8. Lusttuin der Zinnelijkheid.8. Lusttuin der Zinnelijkheid.Naar de schilderij van Paulus Moreelse (1571–1638), Ermitage, Petrograd.Phot. Bruckmann, München.II.Zinnelijkheid.Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein, dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte, in elk geval geheel verschillende grootheden.Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets dan leelijks, inferieurs en schandelijks.Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de voorstelling veler menschenleven. De vraag, wat liefde is en wat zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een zeer ingrijpenden invloed.In werkelijkheid vloeien beide factoren—indien men aan het denkbeeld van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden—zoo onontwarbaar ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast, dat rekenkundig uitgedrukt elke liefdealtijdeen zeker percentage bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheidveelaleen grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren, dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.Naar de schilderij van P. P. Rubens en Jan Brueghel de oude. Den Haag, Mauritshuis.Photo Bruckmann, München.De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn, dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid, en dat zinnelijkheidsteeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder- en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.Allegorie, Holl. gravure, 1659.Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze reproductie, waarvan hetvoortbestaan van het menschdom afhangt, vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld, maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn, ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn pijlbundel zwaait.Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven, waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.“Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen, zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid inMan en Vrouw), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen, met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw; deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze aan elkander—bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde.”—De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het doel van de liefde.Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft, ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen, van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen,de gedempte liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.De leerschool van Amor.De leerschool van Amor.Naar een Italiaansche gravure (17de eeuw).Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje, huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen, schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang—de gansche natuur is één algemeene levenverwekking.De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de verrichtingen der dierlijkheid—zij dekt het laagste met het hoogste.Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen van het woelige leven.Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid, uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje, minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende geslachten—zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel, maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is in den mensch.Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar, doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een karikatuur van de liefde.11. Mars en Venus.11. Mars en Venus.Kopergravure van Aliamet naar Cochin fils uit Tito Lucrezio Caro Delle Natura delle Cose Marchetti, Amsterdam 1754.Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate, gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. “In tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen geheel weg uithaar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt.”12. Zegevierende Liefde.12. Zegevierende Liefde.Hollandsche kopergravure van Hendrik Goltzius (16eeeuw).Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt alshet hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, “niets dan een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven, dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct dat hier werkt.”De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de geslachtelijke aantrekking doet gelden—afgezien dan van betrekkingen tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde, waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving—zinnelijkheid is daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid doorgaat.In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen, die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijzete kennen waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later, haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt—zelfs de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk lokmiddel harer zinnelijkheid.Zinnelijke Liefde.Zinnelijke Liefde.Hollandsche Kopergravure van J. Mathorn, (1571–1631). Prentenkabinet, Berlijn.Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt, daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz.,beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie, die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold, aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was, om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid, herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal, dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.13. Venus en Amor.13. Venus en Amor.Gravure van C. Normand naar Correggio.(Galérie des Peintres les plus célèbres.)Dit geval staat trouwens allerminst op zichzelf. In vele kerken en kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen phallusdienst is de phallus in de vrouwelijkephantasie blijven voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan, waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend te zien.14. De Opvoeding van Amor.14. De Opvoeding van Amor.Gravure van C. Normand naar de schilderij van Correggio (1494–1534).(Galérie des Peintres les plus célèbres.)De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven, heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater geworden.Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een onverbrekelijk verband—zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm.Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil, dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, hetEngelsche bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt, Thorwaldsen en zoovele anderen.15. Eva, Adam verleidend.15. Eva, Adam verleidend.Gravure van Adr. Zucchi naar de schilderij van Tintoretti. (16eeeuw).Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen een menschdom in een toestand van “oorspronkelijke reinheid”; de “oorspronkelijke” of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueelverschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen zij onvermijdelijk kat-in-ʼt-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw.Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw: de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharaoʼs hof, uit de leer der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang, en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen zij dat zij naakt waren.De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige, de eigenlijke oorzaak van ʼs menschen verdorvenheid; zij is zelf zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster van den man.De schepping van Eva.De schepping van Eva.Naar de schilderij van Francesco Albani (1578–1660), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek als grondwet vanhun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt: Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld.De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat dus een geheel andere ethische kern.De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen—slang, vrouw en man—is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door.De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer gelegd: “En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze”, zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hierschijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam; en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt.16. De Zondenval.16. De Zondenval.Kopergravure naar G. de Lairesse (1640–1711).Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld, dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten.De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving van den hof Eden hadden bevolkt.17. Verdrijving uit het Paradijs.17. Verdrijving uit het Paradijs.Naar de schilderij van Daniël Vertangen (17eeeuw), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt, dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg, Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap te hebben. Uit Adamʼs gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adamʼs tweede vrouw, Eva, in de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op—men kan dit toeschrijvenaan de ongemeene vruchtbaarheid van Adamʼs eerste vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers 2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht, en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel kunnen verbeteren maar niet verslechteren.Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend, n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste.Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn epos der schepping tamelijk verward gemaakt.Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar doen uitkomen, dat Evaʼs verleidster niemand anders was dan haar wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in het ongeluk te storten.Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was, wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adamʼs zijde genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw, en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool van Jezusʼ wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen.De eerste Zonde.De eerste Zonde.Naar de schilderij van Raffael (1483–1520). Vaticaansch Museum, Rome.Photo Alinari, Florence.Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te heilig geacht, en hethuwelijk werd hem om die reden verboden,—de vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen, dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans, in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan, dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek, door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld, kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog iederen dag, elk uur worden er Adamʼs en Evaʼs geboren, die door de “zwakheid” van den man tegenover de “verleiding” der vrouw een tastbaar Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen.18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid19. Bacchante en jonge Satyr.19. Bacchante en jonge Satyr.Haut-relief van Bertel Thorwaldsen (1770–1844).N. Photo-Gesellschaft, Berlijn.
I.Liefde.Erregt an des Lenzes Erwarmung,Indes du die Welten umfliegst,Ruht Alles in deiner Umarmung:O heilige Liebe, du siegst!Graaf Platen.Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is Liefde. Wat is Liefde?—Dichterzielen en romantische naturen kennen een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met afschuw van zich stoot.Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven.Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel, samengesteld uit waarheden.Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch voorbereidt tot de functie der voortplanting.Tusschen beide uitersten bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder de menschelijke neigingen.Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht.Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied, waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen ziel.Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo, wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft, zet het heelal in vuurgloed—men voelt haar branden in het merg van het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen.Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige.Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde, is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen.Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid.De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt.“Maar een damp was opgegaan uit de aarde,”citeert Rosegger (in:Mann und Weib),“en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen; en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar manninne heeten.” Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren, dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen te wringen—de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloedvan het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva.De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo in zijn “praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door de bleeke verte des verledens”. Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.2. Liefde en Geluk zijn blind.2. Liefde en Geluk zijn blind.Hollandsche gravure 17eeeuw.Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht:Over den ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken(1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt, dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn mededinger en overwint deze; alleen Sigrúnʼs broeder Dagr ontkomt den dood en zweert Helgi trouw. De tweegelieven zijn nu vereenigd, maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien door een van Sigrúnʼs dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt: Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den helden terugkeer geschonken?—Helgi antwoordt: Het is geen bedrog, wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is ons helden geen terugkeer geschonken.—Daarop gaat de dienstmaagd naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus: Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden; ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.—Sigrún gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen, mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar, Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de lijken; ijskoud zijn de handen van Hogniʼs schoonzoon, hoe zal ik, o koning, u kunnen helpen?—Helgi antwoordt: Uw schuld is ʼt, Sigrún van Sevafjoll, dat Helgiʼs lichaam met lijkendauw besproeid is: bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen; voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.—Sigrún spreidt terstond in den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid, rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen, o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.—In den morgen rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren, en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen.Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een minnaar, die verandert, verandert niet—hij heeft slechts geveinsd te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door wellust.Liefde.Liefde.Marmergroep van Antonio Canova (1757–1822), in de villa Carlotta bij Cadenabbia.N. Phot. Gesellschaft, Berlijn.Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. “De vrome sluiers,”zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in haar vertaling van Hudry-MenosʼLeven en streven der vrouw, “die het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger, dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan, met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw een reëelen man en een ideëelen echtgenoot.”De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde, in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich uitgeput haar te bezingen. “De liefde,” verklaart Madame de Staël, “verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op, evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor.”Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff (in:Journal II) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij, overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte, daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat, dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld, die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn.“Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en mij troosten”, zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in een harer brieven aan Abelardus). “En jij alleen hebt den plicht dat dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd, want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn.”De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (La femme au XIXmesiècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil, dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden, haar liefde, minder onstuimig, is teederder.3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.Italiaansche gravure 17eeeuw.Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich geen rekenschap van geven.Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe toewijding alle teederheid haars hartenop haar gezin overbrengt; hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel leven, treurig of liefelijk zijn.4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.Houtsnede uit den symbolischen roman Poliphilo (1490).Door gebrek aan liefde te sterven—zingt in zijn heroïeke taal Victor Hugo—is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten elkander te zien, of elkander te schrijven—zij zullen een menigte geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen, het licht van de zon, de zuchten vanden wind, den lichtglans der sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten.De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk mysterie eener heilige twee-eenheid.De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk—zij is troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd het oneindig kleine en het oneindig groote.Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde, bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid voldoende zijn.Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.—Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in MantegazzaʼsPhysiologie der Liefde.Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst, een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen duizend nieuwe golven aan.De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het kwadraat van den cirkel te willen vinden.De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen aller godsdiensten tezamen.Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren, waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de zieke of de arts.De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping der vrouw hem monogaam te maken.Engelenliefde.Engelenliefde.Naar de schilderij van Modesto Faustini. Galleria Pisani, Florence.Photo Alinari, Florence.Wanneer een beleediging de liefde kan dooden, is dat een bewijs dat de eigenliefde sterker was dan de liefde.Er is geen honger, dien het brood niet verzadigen kan, geen dorst, dien put of kelder niet in staat is te lesschen, en geen smaak, dien de kookkunst niet bij machte zou zijn te bevredigen. De liefde echter hongert en dorst zelfs bij een leven van liefde en wij sterven allen met een nog ongebruikt kapitaal van hartstocht, dat wij wellicht nalaten aan onze kinderen.Voor menschen, mannen zoowel als vrouwen, die elkander teeder en innig liefhebben, hebben tijdelijke scheidingen versterkende en bederfwerende kracht. Maar ook alleen voor gevoelige en zuivere zielen. Voor mannen, die men met kunstgrepen verovert en voor vrouwen die voor geld verkrijgbaar zijn geldt slechts het spreekwoord: Uit het oog, uit het hart.Voor de liefde bestaat er geen bezoedeling, geen vernedering en geen schande. Zij is een zoo machtig licht, dat zij alles in hemelschen luister doet stralen, zulk een warmtebron, dat zij alle ijs doet smelten, en zulk een zoetheid, dat zij alle bitterheid wegneemt.Tenslotte bepalen noch de kuischheid, noch de deugd, noch de fatsoensbegrippen, noch de eischen der moraal de grenzen van het betamelijke en gepaste tusschen man en vrouw, maar die grenzen worden met vaste en zekere hand gesteld door de liefde.Liefde is met geld niet te koopen. Liefde geeft zich om niet, kan niet gekocht worden. Wat men voor geld krijgt als liefde, is niets dan een nietswaardig, mislukt surrogaat.Niets verlangen en alles erlangen is het heerlijke geheim der verheven liefde.Alles zien met de oogen gesloten, niets zien met de oogen geopend, dat is een der dagelijksche wonderen der liefde.Een uur beminnen is gelijk aan de liefde der dieren, een dag liefhebben is algemeen menschelijk, het gansche leven liefhebben is hemelsch, het gansche leven een enkel wezen liefhebben is goddelijk.Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig aangeduid alsPlatonische liefde. Inderdaad vindt men in de dialogen van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde, speciaal in den dialoog die den titel draagtHet Gastmaal. Op een feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus, Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken lust. Tenslotte neemt Socrates, Platoʼs leermeester, het woord; deze prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijkewijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd, als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden, rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort.De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld; zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij voornamelijk bij de vrouw.5. De Olympus der Liefde.5. De Olympus der Liefde.Naar de schilderij van Andrea Mantegna (1431–1506), Louvre, Parijs.Photo Hanfstaengl, München.Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der liefde zoodoorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw, waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste openbaringen,—Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde, Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. “Andere dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen.” Shakespeare geeft in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen: de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de woest-zinnelijke liefde in Cleopatra.6. Liefde kent geen Zelfzucht.6. Liefde kent geen Zelfzucht.Fransche gravure 17eeeuw.Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook vloekzangen op de liefde.De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid, deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar het toeval dat wil.Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo, in het bijzonder tot liefde der vrouw,dat zij grootmoedig is en edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De liefde kent geen middenweg—zij verderft of zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is, dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde het meeste licht, maar ook de meeste duisternis.In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan; vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets.Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen, is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk, gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is.De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde, en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het product de door de natuur gewilde liefde.7. Andromeda door Perseus bevrijd.7. Andromeda door Perseus bevrijd.Naar de schilderij van G. de Lairesse (1640–1711).Phantasie.Phantasie.Beeldgroep van Fritz Klimsch, Nationalgalerie, Berlijn.N. Photogr. Gessllschaft, Berlijn.8. Lusttuin der Zinnelijkheid.8. Lusttuin der Zinnelijkheid.Naar de schilderij van Paulus Moreelse (1571–1638), Ermitage, Petrograd.Phot. Bruckmann, München.
Erregt an des Lenzes Erwarmung,Indes du die Welten umfliegst,Ruht Alles in deiner Umarmung:O heilige Liebe, du siegst!
Erregt an des Lenzes Erwarmung,Indes du die Welten umfliegst,Ruht Alles in deiner Umarmung:O heilige Liebe, du siegst!
Erregt an des Lenzes Erwarmung,
Indes du die Welten umfliegst,
Ruht Alles in deiner Umarmung:
O heilige Liebe, du siegst!
Graaf Platen.
Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is Liefde. Wat is Liefde?—Dichterzielen en romantische naturen kennen een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met afschuw van zich stoot.
Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven.
Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel, samengesteld uit waarheden.
Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch voorbereidt tot de functie der voortplanting.Tusschen beide uitersten bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder de menschelijke neigingen.
Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht.
Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied, waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen ziel.
Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo, wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft, zet het heelal in vuurgloed—men voelt haar branden in het merg van het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen.
Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige.
Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde, is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen.
Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid.
De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt.
“Maar een damp was opgegaan uit de aarde,”citeert Rosegger (in:Mann und Weib),“en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen; en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar manninne heeten.” Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren, dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen te wringen—de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloedvan het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva.
De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo in zijn “praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door de bleeke verte des verledens”. Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.
2. Liefde en Geluk zijn blind.2. Liefde en Geluk zijn blind.Hollandsche gravure 17eeeuw.
2. Liefde en Geluk zijn blind.
Hollandsche gravure 17eeeuw.
Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht:Over den ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken(1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt, dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn mededinger en overwint deze; alleen Sigrúnʼs broeder Dagr ontkomt den dood en zweert Helgi trouw. De tweegelieven zijn nu vereenigd, maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien door een van Sigrúnʼs dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt: Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den helden terugkeer geschonken?—Helgi antwoordt: Het is geen bedrog, wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is ons helden geen terugkeer geschonken.—Daarop gaat de dienstmaagd naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus: Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden; ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.—Sigrún gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen, mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar, Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de lijken; ijskoud zijn de handen van Hogniʼs schoonzoon, hoe zal ik, o koning, u kunnen helpen?—Helgi antwoordt: Uw schuld is ʼt, Sigrún van Sevafjoll, dat Helgiʼs lichaam met lijkendauw besproeid is: bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen; voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.—Sigrún spreidt terstond in den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid, rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen, o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.—In den morgen rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren, en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen.
Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een minnaar, die verandert, verandert niet—hij heeft slechts geveinsd te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door wellust.
Liefde.Liefde.Marmergroep van Antonio Canova (1757–1822), in de villa Carlotta bij Cadenabbia.N. Phot. Gesellschaft, Berlijn.
Liefde.
Marmergroep van Antonio Canova (1757–1822), in de villa Carlotta bij Cadenabbia.
N. Phot. Gesellschaft, Berlijn.
Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar zijn. “De vrome sluiers,”zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in haar vertaling van Hudry-MenosʼLeven en streven der vrouw, “die het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger, dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan, met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw een reëelen man en een ideëelen echtgenoot.”
De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde, in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich uitgeput haar te bezingen. “De liefde,” verklaart Madame de Staël, “verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op, evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor.”
Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff (in:Journal II) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij, overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte, daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat, dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld, die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn.
“Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en mij troosten”, zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in een harer brieven aan Abelardus). “En jij alleen hebt den plicht dat dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd, want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn.”
De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (La femme au XIXmesiècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil, dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden, haar liefde, minder onstuimig, is teederder.
3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.Italiaansche gravure 17eeeuw.
3. Der Jeugd is de Liefde genoeg.
Italiaansche gravure 17eeeuw.
Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich geen rekenschap van geven.
Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe toewijding alle teederheid haars hartenop haar gezin overbrengt; hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel leven, treurig of liefelijk zijn.
4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.Houtsnede uit den symbolischen roman Poliphilo (1490).
4. De Vrouw voor Amorʼs zegekar.
Houtsnede uit den symbolischen roman Poliphilo (1490).
Door gebrek aan liefde te sterven—zingt in zijn heroïeke taal Victor Hugo—is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten elkander te zien, of elkander te schrijven—zij zullen een menigte geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen, het licht van de zon, de zuchten vanden wind, den lichtglans der sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten.
De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk mysterie eener heilige twee-eenheid.
De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk—zij is troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd het oneindig kleine en het oneindig groote.
Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde, bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid voldoende zijn.
Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde, zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.—
Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in MantegazzaʼsPhysiologie der Liefde.
Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst, een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen duizend nieuwe golven aan.
De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het kwadraat van den cirkel te willen vinden.
De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen aller godsdiensten tezamen.
Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren, waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de zieke of de arts.
De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping der vrouw hem monogaam te maken.
Engelenliefde.Engelenliefde.Naar de schilderij van Modesto Faustini. Galleria Pisani, Florence.Photo Alinari, Florence.
Engelenliefde.
Naar de schilderij van Modesto Faustini. Galleria Pisani, Florence.
Photo Alinari, Florence.
Wanneer een beleediging de liefde kan dooden, is dat een bewijs dat de eigenliefde sterker was dan de liefde.
Er is geen honger, dien het brood niet verzadigen kan, geen dorst, dien put of kelder niet in staat is te lesschen, en geen smaak, dien de kookkunst niet bij machte zou zijn te bevredigen. De liefde echter hongert en dorst zelfs bij een leven van liefde en wij sterven allen met een nog ongebruikt kapitaal van hartstocht, dat wij wellicht nalaten aan onze kinderen.
Voor menschen, mannen zoowel als vrouwen, die elkander teeder en innig liefhebben, hebben tijdelijke scheidingen versterkende en bederfwerende kracht. Maar ook alleen voor gevoelige en zuivere zielen. Voor mannen, die men met kunstgrepen verovert en voor vrouwen die voor geld verkrijgbaar zijn geldt slechts het spreekwoord: Uit het oog, uit het hart.
Voor de liefde bestaat er geen bezoedeling, geen vernedering en geen schande. Zij is een zoo machtig licht, dat zij alles in hemelschen luister doet stralen, zulk een warmtebron, dat zij alle ijs doet smelten, en zulk een zoetheid, dat zij alle bitterheid wegneemt.
Tenslotte bepalen noch de kuischheid, noch de deugd, noch de fatsoensbegrippen, noch de eischen der moraal de grenzen van het betamelijke en gepaste tusschen man en vrouw, maar die grenzen worden met vaste en zekere hand gesteld door de liefde.
Liefde is met geld niet te koopen. Liefde geeft zich om niet, kan niet gekocht worden. Wat men voor geld krijgt als liefde, is niets dan een nietswaardig, mislukt surrogaat.
Niets verlangen en alles erlangen is het heerlijke geheim der verheven liefde.
Alles zien met de oogen gesloten, niets zien met de oogen geopend, dat is een der dagelijksche wonderen der liefde.
Een uur beminnen is gelijk aan de liefde der dieren, een dag liefhebben is algemeen menschelijk, het gansche leven liefhebben is hemelsch, het gansche leven een enkel wezen liefhebben is goddelijk.
Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig aangeduid alsPlatonische liefde. Inderdaad vindt men in de dialogen van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde, speciaal in den dialoog die den titel draagtHet Gastmaal. Op een feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus, Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken lust. Tenslotte neemt Socrates, Platoʼs leermeester, het woord; deze prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijkewijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd, als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden, rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort.
De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld; zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij voornamelijk bij de vrouw.
5. De Olympus der Liefde.5. De Olympus der Liefde.Naar de schilderij van Andrea Mantegna (1431–1506), Louvre, Parijs.Photo Hanfstaengl, München.
5. De Olympus der Liefde.
Naar de schilderij van Andrea Mantegna (1431–1506), Louvre, Parijs.
Photo Hanfstaengl, München.
Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der liefde zoodoorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw, waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste openbaringen,—Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde, Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. “Andere dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen.” Shakespeare geeft in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen: de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de woest-zinnelijke liefde in Cleopatra.
6. Liefde kent geen Zelfzucht.6. Liefde kent geen Zelfzucht.Fransche gravure 17eeeuw.
6. Liefde kent geen Zelfzucht.
Fransche gravure 17eeeuw.
Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook vloekzangen op de liefde.
De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid, deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar het toeval dat wil.
Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo, in het bijzonder tot liefde der vrouw,dat zij grootmoedig is en edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De liefde kent geen middenweg—zij verderft of zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is, dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde het meeste licht, maar ook de meeste duisternis.
In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan; vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets.
Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen, is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk, gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is.
De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde, en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het product de door de natuur gewilde liefde.
7. Andromeda door Perseus bevrijd.7. Andromeda door Perseus bevrijd.Naar de schilderij van G. de Lairesse (1640–1711).
7. Andromeda door Perseus bevrijd.
Naar de schilderij van G. de Lairesse (1640–1711).
Phantasie.Phantasie.Beeldgroep van Fritz Klimsch, Nationalgalerie, Berlijn.N. Photogr. Gessllschaft, Berlijn.
Phantasie.
Beeldgroep van Fritz Klimsch, Nationalgalerie, Berlijn.
N. Photogr. Gessllschaft, Berlijn.
8. Lusttuin der Zinnelijkheid.8. Lusttuin der Zinnelijkheid.Naar de schilderij van Paulus Moreelse (1571–1638), Ermitage, Petrograd.Phot. Bruckmann, München.
8. Lusttuin der Zinnelijkheid.
Naar de schilderij van Paulus Moreelse (1571–1638), Ermitage, Petrograd.
Phot. Bruckmann, München.
II.Zinnelijkheid.Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein, dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte, in elk geval geheel verschillende grootheden.Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets dan leelijks, inferieurs en schandelijks.Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de voorstelling veler menschenleven. De vraag, wat liefde is en wat zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een zeer ingrijpenden invloed.In werkelijkheid vloeien beide factoren—indien men aan het denkbeeld van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden—zoo onontwarbaar ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast, dat rekenkundig uitgedrukt elke liefdealtijdeen zeker percentage bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheidveelaleen grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren, dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.Naar de schilderij van P. P. Rubens en Jan Brueghel de oude. Den Haag, Mauritshuis.Photo Bruckmann, München.De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn, dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid, en dat zinnelijkheidsteeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder- en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.Allegorie, Holl. gravure, 1659.Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze reproductie, waarvan hetvoortbestaan van het menschdom afhangt, vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld, maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn, ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn pijlbundel zwaait.Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven, waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.“Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen, zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid inMan en Vrouw), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen, met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw; deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze aan elkander—bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde.”—De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het doel van de liefde.Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft, ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen, van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen,de gedempte liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.De leerschool van Amor.De leerschool van Amor.Naar een Italiaansche gravure (17de eeuw).Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje, huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen, schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang—de gansche natuur is één algemeene levenverwekking.De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de verrichtingen der dierlijkheid—zij dekt het laagste met het hoogste.Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen van het woelige leven.Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid, uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje, minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende geslachten—zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel, maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is in den mensch.Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar, doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een karikatuur van de liefde.11. Mars en Venus.11. Mars en Venus.Kopergravure van Aliamet naar Cochin fils uit Tito Lucrezio Caro Delle Natura delle Cose Marchetti, Amsterdam 1754.Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate, gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. “In tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen geheel weg uithaar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt.”12. Zegevierende Liefde.12. Zegevierende Liefde.Hollandsche kopergravure van Hendrik Goltzius (16eeeuw).Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt alshet hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, “niets dan een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven, dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct dat hier werkt.”De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de geslachtelijke aantrekking doet gelden—afgezien dan van betrekkingen tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde, waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving—zinnelijkheid is daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid doorgaat.In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen, die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijzete kennen waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later, haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt—zelfs de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk lokmiddel harer zinnelijkheid.Zinnelijke Liefde.Zinnelijke Liefde.Hollandsche Kopergravure van J. Mathorn, (1571–1631). Prentenkabinet, Berlijn.Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt, daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz.,beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie, die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold, aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was, om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid, herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal, dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.13. Venus en Amor.13. Venus en Amor.Gravure van C. Normand naar Correggio.(Galérie des Peintres les plus célèbres.)Dit geval staat trouwens allerminst op zichzelf. In vele kerken en kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen phallusdienst is de phallus in de vrouwelijkephantasie blijven voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan, waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend te zien.14. De Opvoeding van Amor.14. De Opvoeding van Amor.Gravure van C. Normand naar de schilderij van Correggio (1494–1534).(Galérie des Peintres les plus célèbres.)De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven, heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater geworden.Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een onverbrekelijk verband—zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm.Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil, dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, hetEngelsche bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt, Thorwaldsen en zoovele anderen.15. Eva, Adam verleidend.15. Eva, Adam verleidend.Gravure van Adr. Zucchi naar de schilderij van Tintoretti. (16eeeuw).Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen een menschdom in een toestand van “oorspronkelijke reinheid”; de “oorspronkelijke” of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueelverschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen zij onvermijdelijk kat-in-ʼt-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw.Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw: de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharaoʼs hof, uit de leer der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang, en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen zij dat zij naakt waren.De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige, de eigenlijke oorzaak van ʼs menschen verdorvenheid; zij is zelf zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster van den man.De schepping van Eva.De schepping van Eva.Naar de schilderij van Francesco Albani (1578–1660), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek als grondwet vanhun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt: Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld.De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat dus een geheel andere ethische kern.De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen—slang, vrouw en man—is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door.De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer gelegd: “En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze”, zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hierschijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam; en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt.16. De Zondenval.16. De Zondenval.Kopergravure naar G. de Lairesse (1640–1711).Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld, dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten.De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving van den hof Eden hadden bevolkt.17. Verdrijving uit het Paradijs.17. Verdrijving uit het Paradijs.Naar de schilderij van Daniël Vertangen (17eeeuw), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt, dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg, Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap te hebben. Uit Adamʼs gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adamʼs tweede vrouw, Eva, in de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op—men kan dit toeschrijvenaan de ongemeene vruchtbaarheid van Adamʼs eerste vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers 2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht, en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel kunnen verbeteren maar niet verslechteren.Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend, n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste.Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn epos der schepping tamelijk verward gemaakt.Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar doen uitkomen, dat Evaʼs verleidster niemand anders was dan haar wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in het ongeluk te storten.Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was, wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adamʼs zijde genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw, en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool van Jezusʼ wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen.De eerste Zonde.De eerste Zonde.Naar de schilderij van Raffael (1483–1520). Vaticaansch Museum, Rome.Photo Alinari, Florence.Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te heilig geacht, en hethuwelijk werd hem om die reden verboden,—de vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen, dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans, in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan, dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek, door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld, kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog iederen dag, elk uur worden er Adamʼs en Evaʼs geboren, die door de “zwakheid” van den man tegenover de “verleiding” der vrouw een tastbaar Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen.18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid19. Bacchante en jonge Satyr.19. Bacchante en jonge Satyr.Haut-relief van Bertel Thorwaldsen (1770–1844).N. Photo-Gesellschaft, Berlijn.
Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein, dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte, in elk geval geheel verschillende grootheden.
Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets dan leelijks, inferieurs en schandelijks.
Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de voorstelling veler menschenleven. De vraag, wat liefde is en wat zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een zeer ingrijpenden invloed.
In werkelijkheid vloeien beide factoren—indien men aan het denkbeeld van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden—zoo onontwarbaar ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast, dat rekenkundig uitgedrukt elke liefdealtijdeen zeker percentage bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheidveelaleen grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren, dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.
9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.Naar de schilderij van P. P. Rubens en Jan Brueghel de oude. Den Haag, Mauritshuis.Photo Bruckmann, München.
9. Najaden, den Hoorn des Overvloeds vullende.
Naar de schilderij van P. P. Rubens en Jan Brueghel de oude. Den Haag, Mauritshuis.
Photo Bruckmann, München.
De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn, dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid, en dat zinnelijkheidsteeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder- en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.
10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.Allegorie, Holl. gravure, 1659.
10. De Zinnelijkheid, Heerscheres in het Heelal.
Allegorie, Holl. gravure, 1659.
Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze reproductie, waarvan hetvoortbestaan van het menschdom afhangt, vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld, maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.
En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn, ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn pijlbundel zwaait.
Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven, waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.
“Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen, zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid inMan en Vrouw), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen, met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw; deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze aan elkander—bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde.”—
De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het doel van de liefde.
Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft, ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen, van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen,de gedempte liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.
De leerschool van Amor.De leerschool van Amor.Naar een Italiaansche gravure (17de eeuw).
De leerschool van Amor.
Naar een Italiaansche gravure (17de eeuw).
Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje, huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen, schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang—de gansche natuur is één algemeene levenverwekking.
De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de verrichtingen der dierlijkheid—zij dekt het laagste met het hoogste.
Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen van het woelige leven.
Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid, uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje, minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende geslachten—zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel, maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is in den mensch.
Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar, doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een karikatuur van de liefde.
11. Mars en Venus.11. Mars en Venus.Kopergravure van Aliamet naar Cochin fils uit Tito Lucrezio Caro Delle Natura delle Cose Marchetti, Amsterdam 1754.
11. Mars en Venus.
Kopergravure van Aliamet naar Cochin fils uit Tito Lucrezio Caro Delle Natura delle Cose Marchetti, Amsterdam 1754.
Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate, gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.
Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. “In tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen geheel weg uithaar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt.”
12. Zegevierende Liefde.12. Zegevierende Liefde.Hollandsche kopergravure van Hendrik Goltzius (16eeeuw).
12. Zegevierende Liefde.
Hollandsche kopergravure van Hendrik Goltzius (16eeeuw).
Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt alshet hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, “niets dan een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven, dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct dat hier werkt.”
De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de geslachtelijke aantrekking doet gelden—afgezien dan van betrekkingen tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde, waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving—zinnelijkheid is daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.
In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid doorgaat.
In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.
Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen, die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijzete kennen waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later, haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt—zelfs de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk lokmiddel harer zinnelijkheid.
Zinnelijke Liefde.Zinnelijke Liefde.Hollandsche Kopergravure van J. Mathorn, (1571–1631). Prentenkabinet, Berlijn.
Zinnelijke Liefde.
Hollandsche Kopergravure van J. Mathorn, (1571–1631). Prentenkabinet, Berlijn.
Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt, daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz.,beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie, die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold, aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was, om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid, herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal, dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.
13. Venus en Amor.13. Venus en Amor.Gravure van C. Normand naar Correggio.(Galérie des Peintres les plus célèbres.)
13. Venus en Amor.
Gravure van C. Normand naar Correggio.
(Galérie des Peintres les plus célèbres.)
Dit geval staat trouwens allerminst op zichzelf. In vele kerken en kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen phallusdienst is de phallus in de vrouwelijkephantasie blijven voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan, waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend te zien.
14. De Opvoeding van Amor.14. De Opvoeding van Amor.Gravure van C. Normand naar de schilderij van Correggio (1494–1534).(Galérie des Peintres les plus célèbres.)
14. De Opvoeding van Amor.
Gravure van C. Normand naar de schilderij van Correggio (1494–1534).
(Galérie des Peintres les plus célèbres.)
De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven, heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater geworden.
Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een onverbrekelijk verband—zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm.
Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil, dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, hetEngelsche bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt, Thorwaldsen en zoovele anderen.
15. Eva, Adam verleidend.15. Eva, Adam verleidend.Gravure van Adr. Zucchi naar de schilderij van Tintoretti. (16eeeuw).
15. Eva, Adam verleidend.
Gravure van Adr. Zucchi naar de schilderij van Tintoretti. (16eeeuw).
Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen een menschdom in een toestand van “oorspronkelijke reinheid”; de “oorspronkelijke” of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueelverschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen zij onvermijdelijk kat-in-ʼt-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw.
Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw: de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharaoʼs hof, uit de leer der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang, en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen zij dat zij naakt waren.
De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige, de eigenlijke oorzaak van ʼs menschen verdorvenheid; zij is zelf zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster van den man.
De schepping van Eva.De schepping van Eva.Naar de schilderij van Francesco Albani (1578–1660), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.
De schepping van Eva.
Naar de schilderij van Francesco Albani (1578–1660), Museum, Dresden.
Photo Bruckmann, München.
Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek als grondwet vanhun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt: Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld.
De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat dus een geheel andere ethische kern.
De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen—slang, vrouw en man—is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door.
De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer gelegd: “En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze”, zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hierschijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam; en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt.
16. De Zondenval.16. De Zondenval.Kopergravure naar G. de Lairesse (1640–1711).
16. De Zondenval.
Kopergravure naar G. de Lairesse (1640–1711).
Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld, dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten.
De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving van den hof Eden hadden bevolkt.
17. Verdrijving uit het Paradijs.17. Verdrijving uit het Paradijs.Naar de schilderij van Daniël Vertangen (17eeeuw), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.
17. Verdrijving uit het Paradijs.
Naar de schilderij van Daniël Vertangen (17eeeuw), Museum, Dresden.
Photo Bruckmann, München.
Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt, dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg, Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap te hebben. Uit Adamʼs gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adamʼs tweede vrouw, Eva, in de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op—men kan dit toeschrijvenaan de ongemeene vruchtbaarheid van Adamʼs eerste vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers 2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht, en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel kunnen verbeteren maar niet verslechteren.
Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend, n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste.
Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn epos der schepping tamelijk verward gemaakt.
Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar doen uitkomen, dat Evaʼs verleidster niemand anders was dan haar wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in het ongeluk te storten.
Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was, wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adamʼs zijde genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw, en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool van Jezusʼ wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen.
De eerste Zonde.De eerste Zonde.Naar de schilderij van Raffael (1483–1520). Vaticaansch Museum, Rome.Photo Alinari, Florence.
De eerste Zonde.
Naar de schilderij van Raffael (1483–1520). Vaticaansch Museum, Rome.
Photo Alinari, Florence.
Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te heilig geacht, en hethuwelijk werd hem om die reden verboden,—de vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen, dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans, in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan, dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek, door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld, kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog iederen dag, elk uur worden er Adamʼs en Evaʼs geboren, die door de “zwakheid” van den man tegenover de “verleiding” der vrouw een tastbaar Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen.
18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid
18. Allegorische Voorstelling der Zinnelijkheid
19. Bacchante en jonge Satyr.19. Bacchante en jonge Satyr.Haut-relief van Bertel Thorwaldsen (1770–1844).N. Photo-Gesellschaft, Berlijn.
19. Bacchante en jonge Satyr.
Haut-relief van Bertel Thorwaldsen (1770–1844).
N. Photo-Gesellschaft, Berlijn.