IV.Schoonheids-Idealen.De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid, waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen, dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt.Venus en Adonis.Venus en Adonis.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.N. Phot. Gesellsch. Berlijn.Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk vanzelf spreekt, wordt hieralleen bedoeld zuiver sexueele keuze op louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand als anderszins.De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die eigenschappen en hoedanigheden?Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel ook ten deze zeer verschillend.Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft.Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt, dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar streven om in dat begeerlijke bezit te geraken.Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder, dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd, dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal moeten zijn—iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste liefdesgeluk hem ten deel zal vallen.26. Japansche Schoonheidstypen.26. Japansche Schoonheidstypen.Gekleed in de kimono.Stratz, Frauenkleidung.De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen, daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvanzijn ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal.Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke, lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijkeschoonwordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen.Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche anthropoloog Cordier zegt hiervan: “De schoonheid is geen monopolie van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en algemeene waarde hebben”.De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie, iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus.Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te bepalen, welke concreteeischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen, volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen, treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man; doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid; steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet ten aanzien van den man.27. Perzische Schoonheidstypen.27. Perzische Schoonheidstypen.Stratz, Frauenkleidung.De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon, een machtige zinnelijke bekoring uit.De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn, leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid.Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het tegenovergestelde is het geval—tusschen de schoonheids-idealen wordt aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van dat type.Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief, eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd, dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid, en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen.Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen, maar deze zijn evenalsalles wat bestaat onderworpen aan gestadige vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke en stoffelijke factoren.Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.Grieksche beeldhouwkunst der 5eeeuw v. Chr.In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood der middeleeuwen—het tijdperk der Renaissance.In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere, met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap; niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens.Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten, men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid—dat is levenverwekking—angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen, visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat.En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel nietherstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval, en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt.28. Nymphen en Satyrs.28. Nymphen en Satyrs.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Prado-museum, Madrid.Photo Bruckmann, München.Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger prikkelen zonder hem te verzadigen. Menverfoeit en minacht den eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan, anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven.Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen.De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid.29. Stroomgodinnen.29. Stroomgodinnen.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Louvre, Parijs.Photo Hanfstaengl, München.En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in hetleven der geslachten en volken. Het leven van de individueele deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig, rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd door impotente begeerte.Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het misschien in mindere mate, van die der vrouw.Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg zijn de drie Gratiën—de personificaties van het vurig zinnelijk verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch minnen berustende geslachtsgemeenschap.De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde is uit Azië tot de Grieken gekomen—de Aphrodite der Grieken is de esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel, als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie en bekoorlijkheid.In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja (gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de bijlage: De drie Gratiën).Niobide.Niobide.(Dochter van Niobe, door Apollo en Diana met pijlen gedood.)Grieksche beeldhouwkunst 5e eeuw v. Chr. In 1905 te Rome gevonden, thans te Milaan.Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite, een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele, bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeestvan goden en menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel, op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche), de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels.Appulejus geeft in zijn “Metamorphosen” van de verhouding van Eros (Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling.Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging.Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken, alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros (Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest de volgende voorstelling.Er was eens een oude dichter, zooʼn wezenlijk goede oude dichter. Op een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden.—Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij, want hij was een goedmoedige dichter.—Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm de vensters deed rammelen.—Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude; was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker zijn omgekomen.—Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kombinnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben, want je bent een lieve jongen!Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven; de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander.30. Peleus en Thetis.30. Peleus en Thetis.Vaasschildering van een kylix (schaal met voet), opgegraven te Vulci in Italië, (Birch “Ancient Pottery”, John Murray, Londen).De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen, hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen.—Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je?—Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het maantje schijnt!—Maar je boog is bedorven! zeide de dichter.—Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek hem.—O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter precies in het hart.—Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen, zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten appel gegeven had.De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies in het hart geraakt.—Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar kwaad doen.Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd de godin der vrouwelijke schoonheid—liefde en schoonheid waren voor het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar mannelijke tegenhanger,Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid.Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere), de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde, aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook keizer Hadrianusʼ gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld.Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid, die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen—de Pallasbeelden van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid.31. Aphrodite en haar Gevolg.31. Aphrodite en haar Gevolg.Schildering op een oud-Grieksche vaas (uit: “Eø. Apx., 1897).In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De kunstproducten uit dien tijd, toenniets heilig was dan het schoone, zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu: Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici, verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van hunne gewrochten naar het levend model—bij hen zijn de godinnen niet schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest, waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten denken—godin en prostituee—door de Ouden op één lijn werden gesteld, zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne, het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens elkaar stonden.Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria, behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen der Renaissance-Mariaʼs wekken alles behalve bovenaardsche en bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven, dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene, die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche galerij). Als madonna met hetgoddelijk kind op den arm demonstreert zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen, maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen, daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper.Venus van Medici.Venus van Medici.In de 16eeeuw in het Octaviapaleis te Rome ontdekt en daar vermoedelijk in de 1eeeuw v. Chr. ontstaan, later in bezit der familie Medici te Florence; sinds 1770 aldaar in de Tribuna van het paleis del Uffizi. Het (valsch gebleken) inschrift in het voetstuk noemt Cleomenes van Athene als den maker.Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalenaʼs der Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur.Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn de geliefkoosde onderwerpen van de kunst—steeds de trouwe spiegel van het geestesleven van een tijdvak of van een volk—der Renaissance. En ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno, Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer.In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk gevolg van dit slankheidsideaalis de vereering der lichaamsvormen van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu zoowel als voorheen.32. Geboorte van Adonis.32. Geboorte van Adonis.Schoonheids-ideaal der Renaissance, naar de schilderij van B. Franceschini (1611–1689), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten, bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, vanwie niet blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven, maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden.De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van Milo. Photo Bruckmann, München.33. Venus.33. Venus.Middeleeuwsch schoonheids-ideaal, naar de schilderij van Tiziano Vecelli (Titiaan, 1477–1576), Uffizien, Florence.Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen, en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit de oudheid. Volgens den kanon van Polycletusmoet het gezicht een tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een anderen weg ingeslagen—men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding.Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen, de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve ideale typen.En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op te sporen.Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld, vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen der lichaamsdeelen.De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet te worden vertegenwoordigd door zijn “Speerdrager” (te Napels). De Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenlandʼs beeldhouwwerken die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage) is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden.Aphrodite (Venus) van Cnidus.Aphrodite (Venus) van Cnidus.Naar de copie in het Vaticaan te Rome van het vermaarde beeld der godin door Praxiteles (bloeitijd 340–330 v. Chr.) gemaakt voor de Dorische stad Cnidus, hoofdzetel van den eeredienst van Aphrodite.Photo Bruckmann, München.Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen, wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon blindelings nagevolgd.Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek, en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten, breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm, ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid.Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde, geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie, en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden, iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen, die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide,smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen.34. Apollo, Artemis en Leto.34. Apollo, Artemis en Leto.Grieksche vaasschildering. (Mon. dellʼ Inst. IX).Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt, wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet, die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend, dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg.Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan ook aannemen, dat de stelling “alle vrouwen zijn schoon” eigenlijk niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe, een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden, wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen.Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden,stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen, zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel niet kunnen bevredigen.Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit, dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos staat tegenover de bekoring der schoonheid.35. De Schoonheid als Verleidster.35. De Schoonheid als Verleidster.Hollandsche gravure van W. Swanenburg (16de eeuw).Op de vraag, wie het schoonste product der scheppingmag worden genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie, waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede.Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van, of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur, afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (inDas Buch der Frauen) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch dier. “Onder de vrouwen”, zegt zij, “is het nu juist niet gebruikelijk zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij, wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert, om zʼn in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben, schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet even ernstig en plechtig als hij—en dit beetje spel is wat haar in haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen, afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de man is, des te meerbehoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan vele en velerlei indrukken van buiten af.”Apollo van Belvedere.Apollo van Belvedere.1495 gevonden in de omgeving van Nettuno; thans in Vaticaan te Rome. (Vermoedelijk een copie uit den eersten tijd der Romeinsche keizers, van een standbeeld in brons).Photo Brogi. Florence.De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken, het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn, die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid te betwisten.Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel, staat de man op zijn voeten—hij is het beeld van massieve, majestueuse schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage: De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van oude mannen werkelijk mooi.Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven, dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd, onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer—en op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het schoone geslacht misgunnen—daaruit nog een even kleineerende als hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: “Bij het meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat, op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er zich toe laat verleiden voor het heeleverdere leven de zorg voor haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden.”36. Badscène.36. Badscène.Naar de schilderij van N. Diaz de la Peña (1807–1876), Louvre, Parijs.Photo Gesellsch. Berlijn.Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden, ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheidom over vrouwen te oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: “De in elkaar geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de geslachtsdrift, deschoonesexe genoemd worden. De heele schoonheid dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te zien om den man in haar macht te krijgen.”37. Bronnymph.37. Bronnymph.Schoonheids-ideaal der middeleeuwen, naar de schilderij van Lucas Cranach (1472–1553), Stedelijk Museum, Leipzig.Photo Bruckmann, München.Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij zegt: “De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht.” En niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen, dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers) waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw; een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden.Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil, dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen.Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven, zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten, maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonderuitzondering voor alle tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid, en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden.Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.Grieksch schoonheidsideaal; Rijksmuseum, Napels.Photo Brogi, Florence.Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander tijdperk af.Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën, voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten.Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek, die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd door een drom stomme vereerders.En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En eentweede, toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie overeenkomende afzondering gehouden.38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Oude Pinakotheek, München.Photo Hansstaengl, München.Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie, blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan, ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde, ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men, hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst.Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en schitterend in de werken van P.P. Rubens.39. Danae.39. Danae.Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij toegeschreven aan Ant. van Dyck (1599–1641), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische orgiën,vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid, oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven, kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen, de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt levenverwekking. Rubensʼ vrouwenfiguren hebben slechts één doel: zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt bij hem overal zoo edele enheerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen, en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw, maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister: haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast.Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde, weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was; ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur.Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen; maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijkniet te denken—het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd.Venus.Venus.Vrouwelijk schoonheidsideaal der 15de eeuw. Naar de schilderij van Sandro Botticelli (1443–1510), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.Photo Bruckmann, München.Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken, en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen trap van beschaving staan—voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig voorgesteld door corpulentie.De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen, dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn.Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid der vrouw een voorname rol. “De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld te brengen.” De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie (dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt, moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde landen depaleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de voorname huizen en de villaʼs der gegoede burgers zijn, dat zijn bij de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en vleeschmassaʼs hunner vrouwen—uiterlijke blijken van macht en rijkdom.40. Diana na het Bad.40. Diana na het Bad.Schoonheidsideaal van den Rokokotijd, naar de schilderij van François Boucher (1703–1770), Louvre, Parijs.N. Photogr. Gesellschaft, Berlijn.Van het standpunt der moderne Europeesche esthetiek is het Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte postuuren haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden.Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische schoonheid. “Niet alle schoonheid, zegt Gervantes inDon Quichote, inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort en overigens koel laat.” Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed, zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk, terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden smaak indruk maakt.41. Cupido Ontwapend.41. Cupido Ontwapend.Naar Antoine Watteau (1684–1721).42. Naieviteit der Onschuld.42. Naieviteit der Onschuld.Naar de schilderij van Jacopo Palma Il Vecchio (1480–1528), Museum Dresden.Photo Bruckmann, München.
IV.Schoonheids-Idealen.De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid, waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen, dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt.Venus en Adonis.Venus en Adonis.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.N. Phot. Gesellsch. Berlijn.Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk vanzelf spreekt, wordt hieralleen bedoeld zuiver sexueele keuze op louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand als anderszins.De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die eigenschappen en hoedanigheden?Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel ook ten deze zeer verschillend.Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft.Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt, dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar streven om in dat begeerlijke bezit te geraken.Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder, dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd, dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal moeten zijn—iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste liefdesgeluk hem ten deel zal vallen.26. Japansche Schoonheidstypen.26. Japansche Schoonheidstypen.Gekleed in de kimono.Stratz, Frauenkleidung.De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen, daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvanzijn ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal.Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke, lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijkeschoonwordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen.Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche anthropoloog Cordier zegt hiervan: “De schoonheid is geen monopolie van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en algemeene waarde hebben”.De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie, iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus.Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te bepalen, welke concreteeischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen, volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen, treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man; doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid; steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet ten aanzien van den man.27. Perzische Schoonheidstypen.27. Perzische Schoonheidstypen.Stratz, Frauenkleidung.De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon, een machtige zinnelijke bekoring uit.De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn, leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid.Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het tegenovergestelde is het geval—tusschen de schoonheids-idealen wordt aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van dat type.Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief, eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd, dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid, en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen.Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen, maar deze zijn evenalsalles wat bestaat onderworpen aan gestadige vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke en stoffelijke factoren.Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.Grieksche beeldhouwkunst der 5eeeuw v. Chr.In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood der middeleeuwen—het tijdperk der Renaissance.In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere, met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap; niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens.Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten, men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid—dat is levenverwekking—angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen, visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat.En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel nietherstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval, en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt.28. Nymphen en Satyrs.28. Nymphen en Satyrs.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Prado-museum, Madrid.Photo Bruckmann, München.Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger prikkelen zonder hem te verzadigen. Menverfoeit en minacht den eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan, anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven.Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen.De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid.29. Stroomgodinnen.29. Stroomgodinnen.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Louvre, Parijs.Photo Hanfstaengl, München.En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in hetleven der geslachten en volken. Het leven van de individueele deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig, rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd door impotente begeerte.Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het misschien in mindere mate, van die der vrouw.Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg zijn de drie Gratiën—de personificaties van het vurig zinnelijk verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch minnen berustende geslachtsgemeenschap.De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde is uit Azië tot de Grieken gekomen—de Aphrodite der Grieken is de esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel, als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie en bekoorlijkheid.In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja (gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de bijlage: De drie Gratiën).Niobide.Niobide.(Dochter van Niobe, door Apollo en Diana met pijlen gedood.)Grieksche beeldhouwkunst 5e eeuw v. Chr. In 1905 te Rome gevonden, thans te Milaan.Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite, een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele, bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeestvan goden en menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel, op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche), de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels.Appulejus geeft in zijn “Metamorphosen” van de verhouding van Eros (Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling.Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging.Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken, alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros (Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest de volgende voorstelling.Er was eens een oude dichter, zooʼn wezenlijk goede oude dichter. Op een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden.—Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij, want hij was een goedmoedige dichter.—Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm de vensters deed rammelen.—Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude; was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker zijn omgekomen.—Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kombinnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben, want je bent een lieve jongen!Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven; de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander.30. Peleus en Thetis.30. Peleus en Thetis.Vaasschildering van een kylix (schaal met voet), opgegraven te Vulci in Italië, (Birch “Ancient Pottery”, John Murray, Londen).De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen, hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen.—Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je?—Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het maantje schijnt!—Maar je boog is bedorven! zeide de dichter.—Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek hem.—O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter precies in het hart.—Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen, zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten appel gegeven had.De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies in het hart geraakt.—Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar kwaad doen.Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd de godin der vrouwelijke schoonheid—liefde en schoonheid waren voor het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar mannelijke tegenhanger,Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid.Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere), de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde, aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook keizer Hadrianusʼ gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld.Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid, die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen—de Pallasbeelden van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid.31. Aphrodite en haar Gevolg.31. Aphrodite en haar Gevolg.Schildering op een oud-Grieksche vaas (uit: “Eø. Apx., 1897).In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De kunstproducten uit dien tijd, toenniets heilig was dan het schoone, zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu: Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici, verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van hunne gewrochten naar het levend model—bij hen zijn de godinnen niet schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest, waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten denken—godin en prostituee—door de Ouden op één lijn werden gesteld, zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne, het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens elkaar stonden.Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria, behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen der Renaissance-Mariaʼs wekken alles behalve bovenaardsche en bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven, dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene, die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche galerij). Als madonna met hetgoddelijk kind op den arm demonstreert zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen, maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen, daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper.Venus van Medici.Venus van Medici.In de 16eeeuw in het Octaviapaleis te Rome ontdekt en daar vermoedelijk in de 1eeeuw v. Chr. ontstaan, later in bezit der familie Medici te Florence; sinds 1770 aldaar in de Tribuna van het paleis del Uffizi. Het (valsch gebleken) inschrift in het voetstuk noemt Cleomenes van Athene als den maker.Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalenaʼs der Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur.Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn de geliefkoosde onderwerpen van de kunst—steeds de trouwe spiegel van het geestesleven van een tijdvak of van een volk—der Renaissance. En ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno, Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer.In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk gevolg van dit slankheidsideaalis de vereering der lichaamsvormen van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu zoowel als voorheen.32. Geboorte van Adonis.32. Geboorte van Adonis.Schoonheids-ideaal der Renaissance, naar de schilderij van B. Franceschini (1611–1689), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten, bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, vanwie niet blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven, maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden.De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van Milo. Photo Bruckmann, München.33. Venus.33. Venus.Middeleeuwsch schoonheids-ideaal, naar de schilderij van Tiziano Vecelli (Titiaan, 1477–1576), Uffizien, Florence.Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen, en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit de oudheid. Volgens den kanon van Polycletusmoet het gezicht een tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een anderen weg ingeslagen—men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding.Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen, de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve ideale typen.En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op te sporen.Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld, vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen der lichaamsdeelen.De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet te worden vertegenwoordigd door zijn “Speerdrager” (te Napels). De Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenlandʼs beeldhouwwerken die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage) is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden.Aphrodite (Venus) van Cnidus.Aphrodite (Venus) van Cnidus.Naar de copie in het Vaticaan te Rome van het vermaarde beeld der godin door Praxiteles (bloeitijd 340–330 v. Chr.) gemaakt voor de Dorische stad Cnidus, hoofdzetel van den eeredienst van Aphrodite.Photo Bruckmann, München.Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen, wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon blindelings nagevolgd.Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek, en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten, breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm, ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid.Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde, geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie, en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden, iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen, die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide,smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen.34. Apollo, Artemis en Leto.34. Apollo, Artemis en Leto.Grieksche vaasschildering. (Mon. dellʼ Inst. IX).Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt, wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet, die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend, dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg.Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan ook aannemen, dat de stelling “alle vrouwen zijn schoon” eigenlijk niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe, een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden, wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen.Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden,stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen, zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel niet kunnen bevredigen.Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit, dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos staat tegenover de bekoring der schoonheid.35. De Schoonheid als Verleidster.35. De Schoonheid als Verleidster.Hollandsche gravure van W. Swanenburg (16de eeuw).Op de vraag, wie het schoonste product der scheppingmag worden genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie, waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede.Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van, of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur, afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (inDas Buch der Frauen) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch dier. “Onder de vrouwen”, zegt zij, “is het nu juist niet gebruikelijk zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij, wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert, om zʼn in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben, schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet even ernstig en plechtig als hij—en dit beetje spel is wat haar in haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen, afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de man is, des te meerbehoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan vele en velerlei indrukken van buiten af.”Apollo van Belvedere.Apollo van Belvedere.1495 gevonden in de omgeving van Nettuno; thans in Vaticaan te Rome. (Vermoedelijk een copie uit den eersten tijd der Romeinsche keizers, van een standbeeld in brons).Photo Brogi. Florence.De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken, het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn, die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid te betwisten.Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel, staat de man op zijn voeten—hij is het beeld van massieve, majestueuse schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage: De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van oude mannen werkelijk mooi.Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven, dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd, onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer—en op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het schoone geslacht misgunnen—daaruit nog een even kleineerende als hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: “Bij het meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat, op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er zich toe laat verleiden voor het heeleverdere leven de zorg voor haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden.”36. Badscène.36. Badscène.Naar de schilderij van N. Diaz de la Peña (1807–1876), Louvre, Parijs.Photo Gesellsch. Berlijn.Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden, ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheidom over vrouwen te oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: “De in elkaar geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de geslachtsdrift, deschoonesexe genoemd worden. De heele schoonheid dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te zien om den man in haar macht te krijgen.”37. Bronnymph.37. Bronnymph.Schoonheids-ideaal der middeleeuwen, naar de schilderij van Lucas Cranach (1472–1553), Stedelijk Museum, Leipzig.Photo Bruckmann, München.Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij zegt: “De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht.” En niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen, dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers) waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw; een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden.Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil, dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen.Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven, zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten, maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonderuitzondering voor alle tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid, en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden.Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.Grieksch schoonheidsideaal; Rijksmuseum, Napels.Photo Brogi, Florence.Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander tijdperk af.Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën, voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten.Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek, die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd door een drom stomme vereerders.En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En eentweede, toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie overeenkomende afzondering gehouden.38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Oude Pinakotheek, München.Photo Hansstaengl, München.Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie, blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan, ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde, ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men, hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst.Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en schitterend in de werken van P.P. Rubens.39. Danae.39. Danae.Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij toegeschreven aan Ant. van Dyck (1599–1641), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische orgiën,vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid, oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven, kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen, de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt levenverwekking. Rubensʼ vrouwenfiguren hebben slechts één doel: zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt bij hem overal zoo edele enheerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen, en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw, maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister: haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast.Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde, weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was; ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur.Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen; maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijkniet te denken—het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd.Venus.Venus.Vrouwelijk schoonheidsideaal der 15de eeuw. Naar de schilderij van Sandro Botticelli (1443–1510), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.Photo Bruckmann, München.Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken, en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen trap van beschaving staan—voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig voorgesteld door corpulentie.De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen, dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn.Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid der vrouw een voorname rol. “De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld te brengen.” De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie (dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt, moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde landen depaleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de voorname huizen en de villaʼs der gegoede burgers zijn, dat zijn bij de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en vleeschmassaʼs hunner vrouwen—uiterlijke blijken van macht en rijkdom.40. Diana na het Bad.40. Diana na het Bad.Schoonheidsideaal van den Rokokotijd, naar de schilderij van François Boucher (1703–1770), Louvre, Parijs.N. Photogr. Gesellschaft, Berlijn.Van het standpunt der moderne Europeesche esthetiek is het Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte postuuren haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden.Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische schoonheid. “Niet alle schoonheid, zegt Gervantes inDon Quichote, inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort en overigens koel laat.” Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed, zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk, terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden smaak indruk maakt.41. Cupido Ontwapend.41. Cupido Ontwapend.Naar Antoine Watteau (1684–1721).42. Naieviteit der Onschuld.42. Naieviteit der Onschuld.Naar de schilderij van Jacopo Palma Il Vecchio (1480–1528), Museum Dresden.Photo Bruckmann, München.
De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid, waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen, dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt.
Venus en Adonis.Venus en Adonis.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.N. Phot. Gesellsch. Berlijn.
Venus en Adonis.
Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.
N. Phot. Gesellsch. Berlijn.
Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk vanzelf spreekt, wordt hieralleen bedoeld zuiver sexueele keuze op louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand als anderszins.
De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die eigenschappen en hoedanigheden?
Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel ook ten deze zeer verschillend.
Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft.
Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt, dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar streven om in dat begeerlijke bezit te geraken.
Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder, dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd, dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal moeten zijn—iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste liefdesgeluk hem ten deel zal vallen.
26. Japansche Schoonheidstypen.26. Japansche Schoonheidstypen.Gekleed in de kimono.Stratz, Frauenkleidung.
26. Japansche Schoonheidstypen.
Gekleed in de kimono.
Stratz, Frauenkleidung.
De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen, daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvanzijn ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal.
Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke, lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijkeschoonwordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen.
Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche anthropoloog Cordier zegt hiervan: “De schoonheid is geen monopolie van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en algemeene waarde hebben”.
De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie, iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus.
Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te bepalen, welke concreteeischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen, volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen, treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man; doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid; steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet ten aanzien van den man.
27. Perzische Schoonheidstypen.27. Perzische Schoonheidstypen.Stratz, Frauenkleidung.
27. Perzische Schoonheidstypen.
Stratz, Frauenkleidung.
De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon, een machtige zinnelijke bekoring uit.
De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn, leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid.
Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het tegenovergestelde is het geval—tusschen de schoonheids-idealen wordt aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van dat type.
Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief, eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd, dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid, en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen.
Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen, maar deze zijn evenalsalles wat bestaat onderworpen aan gestadige vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke en stoffelijke factoren.
Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.Grieksche beeldhouwkunst der 5eeeuw v. Chr.
Aphrodite (Venus) van het Kapitool, Rome.
Grieksche beeldhouwkunst der 5eeeuw v. Chr.
In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood der middeleeuwen—het tijdperk der Renaissance.
In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere, met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap; niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens.
Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten, men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid—dat is levenverwekking—angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen, visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat.
En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel nietherstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval, en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt.
28. Nymphen en Satyrs.28. Nymphen en Satyrs.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Prado-museum, Madrid.Photo Bruckmann, München.
28. Nymphen en Satyrs.
Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Prado-museum, Madrid.
Photo Bruckmann, München.
Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger prikkelen zonder hem te verzadigen. Menverfoeit en minacht den eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan, anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven.
Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen.
De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid.
29. Stroomgodinnen.29. Stroomgodinnen.Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Louvre, Parijs.Photo Hanfstaengl, München.
29. Stroomgodinnen.
Naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Louvre, Parijs.
Photo Hanfstaengl, München.
En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in hetleven der geslachten en volken. Het leven van de individueele deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig, rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd door impotente begeerte.
Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het misschien in mindere mate, van die der vrouw.
Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg zijn de drie Gratiën—de personificaties van het vurig zinnelijk verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch minnen berustende geslachtsgemeenschap.
De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde is uit Azië tot de Grieken gekomen—de Aphrodite der Grieken is de esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel, als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie en bekoorlijkheid.
In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja (gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de bijlage: De drie Gratiën).
Niobide.Niobide.(Dochter van Niobe, door Apollo en Diana met pijlen gedood.)Grieksche beeldhouwkunst 5e eeuw v. Chr. In 1905 te Rome gevonden, thans te Milaan.
Niobide.
(Dochter van Niobe, door Apollo en Diana met pijlen gedood.)
Grieksche beeldhouwkunst 5e eeuw v. Chr. In 1905 te Rome gevonden, thans te Milaan.
Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite, een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele, bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeestvan goden en menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel, op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche), de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels.
Appulejus geeft in zijn “Metamorphosen” van de verhouding van Eros (Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling.
Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging.
Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken, alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros (Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest de volgende voorstelling.
Er was eens een oude dichter, zooʼn wezenlijk goede oude dichter. Op een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden.
—Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij, want hij was een goedmoedige dichter.
—Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm de vensters deed rammelen.
—Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude; was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker zijn omgekomen.
—Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kombinnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben, want je bent een lieve jongen!
Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven; de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander.
30. Peleus en Thetis.30. Peleus en Thetis.Vaasschildering van een kylix (schaal met voet), opgegraven te Vulci in Italië, (Birch “Ancient Pottery”, John Murray, Londen).
30. Peleus en Thetis.
Vaasschildering van een kylix (schaal met voet), opgegraven te Vulci in Italië, (Birch “Ancient Pottery”, John Murray, Londen).
De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen, hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen.
—Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je?
—Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het maantje schijnt!
—Maar je boog is bedorven! zeide de dichter.
—Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek hem.—O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter precies in het hart.
—Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen, zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten appel gegeven had.
De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies in het hart geraakt.—Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar kwaad doen.
Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd de godin der vrouwelijke schoonheid—liefde en schoonheid waren voor het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar mannelijke tegenhanger,Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid.
Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere), de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde, aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook keizer Hadrianusʼ gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld.
Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid, die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen—de Pallasbeelden van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid.
31. Aphrodite en haar Gevolg.31. Aphrodite en haar Gevolg.Schildering op een oud-Grieksche vaas (uit: “Eø. Apx., 1897).
31. Aphrodite en haar Gevolg.
Schildering op een oud-Grieksche vaas (uit: “Eø. Apx., 1897).
In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De kunstproducten uit dien tijd, toenniets heilig was dan het schoone, zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu: Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici, verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van hunne gewrochten naar het levend model—bij hen zijn de godinnen niet schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest, waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten denken—godin en prostituee—door de Ouden op één lijn werden gesteld, zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne, het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens elkaar stonden.
Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria, behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen der Renaissance-Mariaʼs wekken alles behalve bovenaardsche en bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven, dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene, die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche galerij). Als madonna met hetgoddelijk kind op den arm demonstreert zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen, maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen, daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper.
Venus van Medici.Venus van Medici.In de 16eeeuw in het Octaviapaleis te Rome ontdekt en daar vermoedelijk in de 1eeeuw v. Chr. ontstaan, later in bezit der familie Medici te Florence; sinds 1770 aldaar in de Tribuna van het paleis del Uffizi. Het (valsch gebleken) inschrift in het voetstuk noemt Cleomenes van Athene als den maker.
Venus van Medici.
In de 16eeeuw in het Octaviapaleis te Rome ontdekt en daar vermoedelijk in de 1eeeuw v. Chr. ontstaan, later in bezit der familie Medici te Florence; sinds 1770 aldaar in de Tribuna van het paleis del Uffizi. Het (valsch gebleken) inschrift in het voetstuk noemt Cleomenes van Athene als den maker.
Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalenaʼs der Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur.
Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn de geliefkoosde onderwerpen van de kunst—steeds de trouwe spiegel van het geestesleven van een tijdvak of van een volk—der Renaissance. En ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno, Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer.
In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk gevolg van dit slankheidsideaalis de vereering der lichaamsvormen van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu zoowel als voorheen.
32. Geboorte van Adonis.32. Geboorte van Adonis.Schoonheids-ideaal der Renaissance, naar de schilderij van B. Franceschini (1611–1689), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.
32. Geboorte van Adonis.
Schoonheids-ideaal der Renaissance, naar de schilderij van B. Franceschini (1611–1689), Museum, Dresden.
Photo Bruckmann, München.
Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten, bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, vanwie niet blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven, maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden.
De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van Milo. Photo Bruckmann, München.
33. Venus.33. Venus.Middeleeuwsch schoonheids-ideaal, naar de schilderij van Tiziano Vecelli (Titiaan, 1477–1576), Uffizien, Florence.
33. Venus.
Middeleeuwsch schoonheids-ideaal, naar de schilderij van Tiziano Vecelli (Titiaan, 1477–1576), Uffizien, Florence.
Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen, en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit de oudheid. Volgens den kanon van Polycletusmoet het gezicht een tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een anderen weg ingeslagen—men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding.
Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen, de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve ideale typen.
En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op te sporen.
Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld, vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen der lichaamsdeelen.
De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet te worden vertegenwoordigd door zijn “Speerdrager” (te Napels). De Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenlandʼs beeldhouwwerken die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage) is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden.
Aphrodite (Venus) van Cnidus.Aphrodite (Venus) van Cnidus.Naar de copie in het Vaticaan te Rome van het vermaarde beeld der godin door Praxiteles (bloeitijd 340–330 v. Chr.) gemaakt voor de Dorische stad Cnidus, hoofdzetel van den eeredienst van Aphrodite.Photo Bruckmann, München.
Aphrodite (Venus) van Cnidus.
Naar de copie in het Vaticaan te Rome van het vermaarde beeld der godin door Praxiteles (bloeitijd 340–330 v. Chr.) gemaakt voor de Dorische stad Cnidus, hoofdzetel van den eeredienst van Aphrodite.
Photo Bruckmann, München.
Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen, wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon blindelings nagevolgd.
Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek, en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten, breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm, ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid.
Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde, geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie, en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden, iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen, die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide,smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen.
34. Apollo, Artemis en Leto.34. Apollo, Artemis en Leto.Grieksche vaasschildering. (Mon. dellʼ Inst. IX).
34. Apollo, Artemis en Leto.
Grieksche vaasschildering. (Mon. dellʼ Inst. IX).
Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt, wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet, die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend, dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg.
Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan ook aannemen, dat de stelling “alle vrouwen zijn schoon” eigenlijk niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe, een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden, wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen.
Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden,stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen, zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel niet kunnen bevredigen.
Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit, dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos staat tegenover de bekoring der schoonheid.
35. De Schoonheid als Verleidster.35. De Schoonheid als Verleidster.Hollandsche gravure van W. Swanenburg (16de eeuw).
35. De Schoonheid als Verleidster.
Hollandsche gravure van W. Swanenburg (16de eeuw).
Op de vraag, wie het schoonste product der scheppingmag worden genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie, waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede.
Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van, of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur, afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (inDas Buch der Frauen) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch dier. “Onder de vrouwen”, zegt zij, “is het nu juist niet gebruikelijk zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij, wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert, om zʼn in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben, schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet even ernstig en plechtig als hij—en dit beetje spel is wat haar in haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen, afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de man is, des te meerbehoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan vele en velerlei indrukken van buiten af.”
Apollo van Belvedere.Apollo van Belvedere.1495 gevonden in de omgeving van Nettuno; thans in Vaticaan te Rome. (Vermoedelijk een copie uit den eersten tijd der Romeinsche keizers, van een standbeeld in brons).Photo Brogi. Florence.
Apollo van Belvedere.
1495 gevonden in de omgeving van Nettuno; thans in Vaticaan te Rome. (Vermoedelijk een copie uit den eersten tijd der Romeinsche keizers, van een standbeeld in brons).
Photo Brogi. Florence.
De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken, het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn, die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid te betwisten.
Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel, staat de man op zijn voeten—hij is het beeld van massieve, majestueuse schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage: De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van oude mannen werkelijk mooi.
Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven, dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd, onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer—en op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het schoone geslacht misgunnen—daaruit nog een even kleineerende als hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: “Bij het meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat, op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er zich toe laat verleiden voor het heeleverdere leven de zorg voor haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden.”
36. Badscène.36. Badscène.Naar de schilderij van N. Diaz de la Peña (1807–1876), Louvre, Parijs.Photo Gesellsch. Berlijn.
36. Badscène.
Naar de schilderij van N. Diaz de la Peña (1807–1876), Louvre, Parijs.
Photo Gesellsch. Berlijn.
Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden, ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheidom over vrouwen te oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: “De in elkaar geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de geslachtsdrift, deschoonesexe genoemd worden. De heele schoonheid dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te zien om den man in haar macht te krijgen.”
37. Bronnymph.37. Bronnymph.Schoonheids-ideaal der middeleeuwen, naar de schilderij van Lucas Cranach (1472–1553), Stedelijk Museum, Leipzig.Photo Bruckmann, München.
37. Bronnymph.
Schoonheids-ideaal der middeleeuwen, naar de schilderij van Lucas Cranach (1472–1553), Stedelijk Museum, Leipzig.
Photo Bruckmann, München.
Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij zegt: “De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht.” En niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen, dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers) waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw; een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden.
Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil, dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen.
Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven, zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten, maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonderuitzondering voor alle tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid, en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden.
Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.Grieksch schoonheidsideaal; Rijksmuseum, Napels.Photo Brogi, Florence.
Antinous, gunsteling van keizer Hadrianus.
Grieksch schoonheidsideaal; Rijksmuseum, Napels.
Photo Brogi, Florence.
Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander tijdperk af.
Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën, voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten.
Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek, die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd door een drom stomme vereerders.
En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En eentweede, toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie overeenkomende afzondering gehouden.
38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Oude Pinakotheek, München.Photo Hansstaengl, München.
38. Diana en haar Nymfen overvallen door Satyrs.
Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij van P.P. Rubens (1577–1640), Oude Pinakotheek, München.
Photo Hansstaengl, München.
Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie, blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan, ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde, ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men, hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst.
Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en schitterend in de werken van P.P. Rubens.
39. Danae.39. Danae.Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij toegeschreven aan Ant. van Dyck (1599–1641), Museum, Dresden.Photo Bruckmann, München.
39. Danae.
Schoonheidsideaal der Renaissance, naar de schilderij toegeschreven aan Ant. van Dyck (1599–1641), Museum, Dresden.
Photo Bruckmann, München.
Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische orgiën,vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid, oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven, kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen, de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt levenverwekking. Rubensʼ vrouwenfiguren hebben slechts één doel: zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt bij hem overal zoo edele enheerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen, en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw, maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister: haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast.
Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde, weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was; ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur.
Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen; maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijkniet te denken—het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd.
Venus.Venus.Vrouwelijk schoonheidsideaal der 15de eeuw. Naar de schilderij van Sandro Botticelli (1443–1510), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.Photo Bruckmann, München.
Venus.
Vrouwelijk schoonheidsideaal der 15de eeuw. Naar de schilderij van Sandro Botticelli (1443–1510), Kaiser-Friedrich-Museum, Berlijn.
Photo Bruckmann, München.
Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken, en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen trap van beschaving staan—voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig voorgesteld door corpulentie.
De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen, dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn.
Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid der vrouw een voorname rol. “De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld te brengen.” De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie (dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt, moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde landen depaleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de voorname huizen en de villaʼs der gegoede burgers zijn, dat zijn bij de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en vleeschmassaʼs hunner vrouwen—uiterlijke blijken van macht en rijkdom.
40. Diana na het Bad.40. Diana na het Bad.Schoonheidsideaal van den Rokokotijd, naar de schilderij van François Boucher (1703–1770), Louvre, Parijs.N. Photogr. Gesellschaft, Berlijn.
40. Diana na het Bad.
Schoonheidsideaal van den Rokokotijd, naar de schilderij van François Boucher (1703–1770), Louvre, Parijs.
N. Photogr. Gesellschaft, Berlijn.
Van het standpunt der moderne Europeesche esthetiek is het Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte postuuren haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden.
Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische schoonheid. “Niet alle schoonheid, zegt Gervantes inDon Quichote, inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort en overigens koel laat.” Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed, zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk, terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden smaak indruk maakt.
41. Cupido Ontwapend.41. Cupido Ontwapend.Naar Antoine Watteau (1684–1721).
41. Cupido Ontwapend.
Naar Antoine Watteau (1684–1721).
42. Naieviteit der Onschuld.42. Naieviteit der Onschuld.Naar de schilderij van Jacopo Palma Il Vecchio (1480–1528), Museum Dresden.Photo Bruckmann, München.
42. Naieviteit der Onschuld.
Naar de schilderij van Jacopo Palma Il Vecchio (1480–1528), Museum Dresden.
Photo Bruckmann, München.