IX.Kuischheid.Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan honger stillen en dorst lesschen.In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid, zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden.Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten, dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen.Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste aller menschelijkehartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele zeden.Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat, de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke past dan de huwelijksstaat—een maagdelijk priesterschap alleen mag de geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in tallooze andere ethische wereldbeschouwingen.81. Gij zult niet Onkuisch zijn.81. Gij zult niet Onkuisch zijn.Duitsche gravure uit het gebedenboek “Seelentrost”, Augsburg, 1478.Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie.Eva, Adam verleidend.Eva, Adam verleidend.Naar de schilderij van Carlo Cignani (1628–1719). Museum, ʼs-Gravenhage.Phot. Bruckmann, München.Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer bekend. De dochter van Zeusʼ zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven,door den oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht aan de vrijwillige sexueele onthouding.82. De Onkuischheid.82. De Onkuischheid.Duitsche symbolische kopergravure, 18e eeuw.Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den satan, enz.Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste ook evenveel minder worden gevoeld—ook in de wereld der ideeën hangt de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost.Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden, gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds in de leer van de erfzonde wordtde vrouw kortweg tot de bron van alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging, dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel.Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man, willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat, niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten, waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zooontstondde voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon, welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert tot hoogere zedelijke volkomenheid.In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom, is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid en schaamden zich.In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid.Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort, dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn, en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het allereerst gedood worden.De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke, om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit.De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd tegende zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen.Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal der ascese mogelijk is. “Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer sexueele geheelonthouding voorschrijft.” Maar alvorens de zinnelijkheid ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een Gode welgevallig werk toescheen.Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel, dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te komen tot een daad.De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia, die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween spoedig geheel.Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid—het zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid—zien als iets minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee eigenlijk onvereenigbaar is.Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo ingrijpend en tevens zoo massaalopgetreden verschijnsel, voorzeker een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden, is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen.83. De Vrouw als Verleidster.83. De Vrouw als Verleidster.Hollandsche kopergravure van Crispin de Passe, 16e eeuw.De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd.Heksensabbath.Heksensabbath.Naar de schilderij van Hans Baldung Grien (1480–1545), Städelsches Museum, Frankfurt-Main.Photo Bruckmann, München.Al ʼs menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt, met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven doorverschillende andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken.Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in de beide voornaamste neigingen, die ʼs menschen handelingen regeeren, worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud.84. Sirenen.84. Sirenen.Marmergroep van Rudolf Marcuse.N. Photo Gezellschaft, Berlijn.Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor den mensch sterker kunnen wezen dan dezinnelijkheid; en dat als noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de zinnelijkheid het onderspit delft.De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht, waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme, waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen, want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd, waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het verzekerd stoffelijk bestaan dat ʼt gemeenschapsleven bood, moest noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd.De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen, die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden.Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om in zijn tegendeel—van een factor van ontwikkeling werd het een rem voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid met zijn bederf tevergiftigen. Wijl namelijk deze communistische vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven, en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen zijn gewoonlijk van tweeërlei aard—eenerzijds verfijning van het leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen, aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet.Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met de geheele kerkelijke hierarchie.Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning, moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein.85. De Kuischheid ontwapent Cupido.85. De Kuischheid ontwapent Cupido.Gravure van C. Normand, naar Correggio, (uit: “Galérie des peintres les plus Célèbres”).Wel is er van tijd tot tijd ernstig naar gestreefd, de losbandigheid der door kuischheidsgeloften gebondenen te beteugelen. Maar het bloed en de natuur zijn sterker dan willekeurige verordeningen. De strengste straffen zelfs bleven vruchteloos. Waar natuurlijke bevrediging der zinnelijke behoefte onmogelijk of te gevaarlijk werd, daar gaf men zich over aan gelijkgeslachtelijke enonnatuurlijke zinnelijkheid. Te bewijzen is dit alweer uit de maatregelen die de kerk zelf daartegen van tijd tot tijd heeft genomen. Zoo werd op een concilie te Parijs verboden, dat nonnen bij elkander sliepen, dat kloosterbroeders bij elkander sliepen, enz. enz. Natuurlijk hielp dit niets, want al deze maatregelen richtten zich tegen de gevolgen, maar lieten de oorzaken onaangetast. Wijl dit telkens en opnieuw bleek, moest men steeds grootere concessies doen. En voorwendsels daarvoor, die alle partijen bevredigden, waren gemakkelijk te vinden, daar het celibaat reeds oorspronkelijk volstrekt niet de beoefening van de kuischheid betrof, maar alleen onthouding van het huwelijk. In het celibaat bezat de kerk het middel om haar vermogen voor versnippering te behoeden en zoodoende haar macht te behouden en steeds uit te breiden. Vandaar heeft zij nooit willen toestemmen in opheffing van het celibaat, hetwelk haar macht aan het wankelen zou brengen (gelijk zulks wel voldoende gebleken is bij het protestantisme, dat het celibaat verwierp). Maar om de geestelijkheid tegemoet te komen, werd nu eens zijdelings, dan weer rechtstreeks, het houden van concubines toegestaan. De kerk heeft zich daaruit zelfs een nieuwe bron van inkomsten weten te scheppen, waarvan boven aangehaalde berekening uit een aflaattarief een der vele voorbeelden is. De grootste dogmatici der kerk hebben aan dit punt al hun scherpzinnigheid gewijd, teneinde geschikte en aannemelijke formules te vinden. Toen in de 16e eeuw de strijd om het recht der priesters op het huwelijk opnieuw ontbrandde, en vele priesters zelf dit recht opeischten, verdedigde de beroemde en invloedrijke Fransche prelaat Gerson het liederlijk leven van het meerendeel der priesters en monniken als volgt: “Schendt een priester zijn gelofte van kuischheid, als hij ontucht bedrijft? Neen. Want door de gelofte van kuischheid doet hij alleen afstand van het huwelijk. Een priester, die zich aan de zwaarste vergrijpen tegen de zedelijkheid schuldig maakt, breekt zijn gelofte van kuischheid niet, zij zou alleen worden verbroken, wanneer de priester huwde.” Hij maakte alleen dit voorbehoud, dat alle opspraak moest worden vermeden, en geslachtelijke omgang niet op Zondag mocht plaats hebben, niet aan heilige plaatsen en uitsluitend met ongehuwden. Op deze en dergelijke manieren werd de celibaatskwestie in den geest der kerk en tevens overeenkomstig de pecunaire belangen der kerk opgelost—den priester werd de ongehuwde staat vergemakkelijkt en verlicht,en het vermogen der kerk bleef in de doode hand en kon gestadig aangroeien; tevens bracht de zaak ook rechtstreeks baten op, want de in concubinaat levende priester moest daarvoor een cijns opbrengen. Deze cijns is tallooze malen geregeld.Voor zoover voor het celibaat verlichting werd gezocht door geslachtelijk samenleven buiten huwelijk, valt tegen dezen vorm van geslachtelijk verkeer weinig aan te voeren. Te veroordeelen valt daarbij eigenlijk alleen de atmosfeer van leugen en huichelarij, die deze oplossing van de zaak schept rondom den door belofte van kuischheid gebondene. Buitenechtelijke samenleving, beoordeeld naar zedelijke begrippen die vrij zijn van vooroordeel, kan reiner zijn en hooger staan dan het naar alle regelen van gewoonte en gebruik tot stand gekomen huwelijk. Elke sexueele verhouding, die op vrije keuze en vrije neiging van beide partijen berust, is zedelijk, en elke sexueele verhouding, die andere motieven heeft, is onzedelijk.Maar in de kloosters werkten alle omstandigheden de grofste geslachtelijke ontaarding in de hand. En zoo zijn uit tallooze bronnen, oorkonden, kronieken enz. de onomstootelijke bewijzen aan te voeren, dat in de oude kloosters liederlijkheid en uitspattingen regel waren. Geslachtelijke bandeloosheid kent geen grenzen en geen teugel. Haar wezen is sexueele overdaad en behoefte aan steeds snellere afwisseling; en bij de spoedig intredende oververzadiging grijpt zij naar elken denkbaren vorm van onnatuurlijke en tegennatuurlijke bevrediging. Zoo werden duizenden kloosters broeinesten van ontucht en geslachtelijke buitensporigheid. Er zijn tijden geweest dat Priapus en Venus nergens, zelfs niet in de gewone bordeelen, zoo vurig werden vereerd als in de kloosters. Hier herleefde ten laatsten male de gastvrije prostitutie. In vele streken toch waren de vrouwenkloosters de geliefkoosde nachtverblijven der ridderschap, waar zij dezelfde genoegens vonden als in het bordeel, met dit verschil, dat zij niets kosten—men betaalde met zijn potentie. De kloosters waren de plaatsen, waar de meest woeste geslachtelijke orgiën werden gevierd, en ook de meest buitensporige begeerten onbeteugeld konden worden bevredigd. En het was in die tijden algemeen bekend dat de kloostermuren meer van kindergeschrei dan van psalmgezang weergalmden.86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.Duitsche houtsnede naar Hans Holbein (1497–1543).Opmerkelijk zijn daarbij vooral ook de maatregelen, waarmee de monniken de concurrentie van de leeken in den omgang met de nonnen zochten te weren. Meestal zocht men dit doel te bereiken, door de voorstelling te wekken, dat zondigen met gewijde personen een minder grootkwaad was dan zondigen met leeken. Een document, waaruit zulks kan blijken, is de volgende verklaring van Magister Hendricus van de Mendicanterorde te Straatsburg, uit het jaar 1261: “Aangezien een non, die door den aandrang des vleesches en door menschelijke zwakheid overweldigd, haar kuischheid schendt, minder schuldig is en meer verschooning verdient als zij zulks doet met een geestelijke, dan met een leek”, enz.De natuur geweld aandoen moet steeds onvermijdelijk leiden tot ontaarding. En de eene ontaarding leidt weer onvermijdelijk tot de andere. De gelofte van kuischheid leidde tot de ergste uitspattingen, en de noodzakelijkheid, om dit voor de geloovige menigte verborgen te houden dwong tot de ergste gruwelen; vruchtafdrijving en kindermoord waren in de nonnenkloosters aan de orde van den dag, en vele kloosters waren besmettingshaarden van de afschuwelijkste geslachtsziekten. Zoo werd het onnatuurlijk middel tot reiniging der zeden de bron van de afschuwelijkste zedenverwildering.Ook het ascetisch leven der kluizenaars levert tallooze bewijzen op voor de stelling, dat overdreven onthouding lichtelijk overslaat in overdreven uitspattingen. Onderwijl de eerste kerkvaders en propagandisten van het Christendom de oude godsdiensten bestreden en steeds het antieke zedenbederf als een donkeren achtergrond bezigden, waartegen de vlekkelooze reinheid van het Christendom op het scherpst moest uitkomen, schoot om hen heen, onder hun eigen volgelingen, datzelfde zedenbederf, met hetzelfde program van uitspattingen, de gewijde en de gastvrije prostitutie inbegrepen, al weer allerwege wortel met de weelderige groeikracht van onuitroeibaar onkruid.Waar ooit een leer of een denkbeeld uitroeiïng der zinnelijkheid heeft geëischt, heeft dit altijd geleid, niet tot kuische reinheid, maar tot geslachtelijke verwildering. Zulks leert vooral het Christendom. Zoo moest de H. Cyprianus reeds in de derde eeuw n. Chr. getuigen, dat er geen vroomheid meer was onder de Christenen, dat de vrouwen zich poederden, en dat men Jezus Christusʼ lichaam prostitueerde aan de Heidenen. Ten opzichte van de sexueele zeden was het Christendom weinig meer dan een herrijzenis van het antieke Heidendom—de eeuwige eerediensten van Venus, Bacchus en Priapus bleven onder andere vormen ook in het Christendom voortleven.De zinnelijkheid in den mensch laat zich niet dooden. Waar zulks beproefd wordt barst zij te eeniger tijd los met vulcanisch geweld. De zinnelijkheid is alleen te veredelen en te verfijnen en dat alleen door de liefde.
IX.Kuischheid.Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan honger stillen en dorst lesschen.In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid, zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden.Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten, dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen.Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste aller menschelijkehartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele zeden.Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat, de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke past dan de huwelijksstaat—een maagdelijk priesterschap alleen mag de geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in tallooze andere ethische wereldbeschouwingen.81. Gij zult niet Onkuisch zijn.81. Gij zult niet Onkuisch zijn.Duitsche gravure uit het gebedenboek “Seelentrost”, Augsburg, 1478.Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie.Eva, Adam verleidend.Eva, Adam verleidend.Naar de schilderij van Carlo Cignani (1628–1719). Museum, ʼs-Gravenhage.Phot. Bruckmann, München.Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer bekend. De dochter van Zeusʼ zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven,door den oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht aan de vrijwillige sexueele onthouding.82. De Onkuischheid.82. De Onkuischheid.Duitsche symbolische kopergravure, 18e eeuw.Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den satan, enz.Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste ook evenveel minder worden gevoeld—ook in de wereld der ideeën hangt de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost.Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden, gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds in de leer van de erfzonde wordtde vrouw kortweg tot de bron van alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging, dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel.Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man, willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat, niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten, waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zooontstondde voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon, welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert tot hoogere zedelijke volkomenheid.In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom, is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid en schaamden zich.In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid.Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort, dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn, en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het allereerst gedood worden.De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke, om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit.De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd tegende zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen.Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal der ascese mogelijk is. “Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer sexueele geheelonthouding voorschrijft.” Maar alvorens de zinnelijkheid ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een Gode welgevallig werk toescheen.Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel, dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te komen tot een daad.De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia, die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween spoedig geheel.Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid—het zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid—zien als iets minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee eigenlijk onvereenigbaar is.Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo ingrijpend en tevens zoo massaalopgetreden verschijnsel, voorzeker een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden, is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen.83. De Vrouw als Verleidster.83. De Vrouw als Verleidster.Hollandsche kopergravure van Crispin de Passe, 16e eeuw.De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd.Heksensabbath.Heksensabbath.Naar de schilderij van Hans Baldung Grien (1480–1545), Städelsches Museum, Frankfurt-Main.Photo Bruckmann, München.Al ʼs menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt, met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven doorverschillende andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken.Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in de beide voornaamste neigingen, die ʼs menschen handelingen regeeren, worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud.84. Sirenen.84. Sirenen.Marmergroep van Rudolf Marcuse.N. Photo Gezellschaft, Berlijn.Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor den mensch sterker kunnen wezen dan dezinnelijkheid; en dat als noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de zinnelijkheid het onderspit delft.De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht, waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme, waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen, want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd, waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het verzekerd stoffelijk bestaan dat ʼt gemeenschapsleven bood, moest noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd.De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen, die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden.Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om in zijn tegendeel—van een factor van ontwikkeling werd het een rem voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid met zijn bederf tevergiftigen. Wijl namelijk deze communistische vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven, en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen zijn gewoonlijk van tweeërlei aard—eenerzijds verfijning van het leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen, aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet.Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met de geheele kerkelijke hierarchie.Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning, moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein.85. De Kuischheid ontwapent Cupido.85. De Kuischheid ontwapent Cupido.Gravure van C. Normand, naar Correggio, (uit: “Galérie des peintres les plus Célèbres”).Wel is er van tijd tot tijd ernstig naar gestreefd, de losbandigheid der door kuischheidsgeloften gebondenen te beteugelen. Maar het bloed en de natuur zijn sterker dan willekeurige verordeningen. De strengste straffen zelfs bleven vruchteloos. Waar natuurlijke bevrediging der zinnelijke behoefte onmogelijk of te gevaarlijk werd, daar gaf men zich over aan gelijkgeslachtelijke enonnatuurlijke zinnelijkheid. Te bewijzen is dit alweer uit de maatregelen die de kerk zelf daartegen van tijd tot tijd heeft genomen. Zoo werd op een concilie te Parijs verboden, dat nonnen bij elkander sliepen, dat kloosterbroeders bij elkander sliepen, enz. enz. Natuurlijk hielp dit niets, want al deze maatregelen richtten zich tegen de gevolgen, maar lieten de oorzaken onaangetast. Wijl dit telkens en opnieuw bleek, moest men steeds grootere concessies doen. En voorwendsels daarvoor, die alle partijen bevredigden, waren gemakkelijk te vinden, daar het celibaat reeds oorspronkelijk volstrekt niet de beoefening van de kuischheid betrof, maar alleen onthouding van het huwelijk. In het celibaat bezat de kerk het middel om haar vermogen voor versnippering te behoeden en zoodoende haar macht te behouden en steeds uit te breiden. Vandaar heeft zij nooit willen toestemmen in opheffing van het celibaat, hetwelk haar macht aan het wankelen zou brengen (gelijk zulks wel voldoende gebleken is bij het protestantisme, dat het celibaat verwierp). Maar om de geestelijkheid tegemoet te komen, werd nu eens zijdelings, dan weer rechtstreeks, het houden van concubines toegestaan. De kerk heeft zich daaruit zelfs een nieuwe bron van inkomsten weten te scheppen, waarvan boven aangehaalde berekening uit een aflaattarief een der vele voorbeelden is. De grootste dogmatici der kerk hebben aan dit punt al hun scherpzinnigheid gewijd, teneinde geschikte en aannemelijke formules te vinden. Toen in de 16e eeuw de strijd om het recht der priesters op het huwelijk opnieuw ontbrandde, en vele priesters zelf dit recht opeischten, verdedigde de beroemde en invloedrijke Fransche prelaat Gerson het liederlijk leven van het meerendeel der priesters en monniken als volgt: “Schendt een priester zijn gelofte van kuischheid, als hij ontucht bedrijft? Neen. Want door de gelofte van kuischheid doet hij alleen afstand van het huwelijk. Een priester, die zich aan de zwaarste vergrijpen tegen de zedelijkheid schuldig maakt, breekt zijn gelofte van kuischheid niet, zij zou alleen worden verbroken, wanneer de priester huwde.” Hij maakte alleen dit voorbehoud, dat alle opspraak moest worden vermeden, en geslachtelijke omgang niet op Zondag mocht plaats hebben, niet aan heilige plaatsen en uitsluitend met ongehuwden. Op deze en dergelijke manieren werd de celibaatskwestie in den geest der kerk en tevens overeenkomstig de pecunaire belangen der kerk opgelost—den priester werd de ongehuwde staat vergemakkelijkt en verlicht,en het vermogen der kerk bleef in de doode hand en kon gestadig aangroeien; tevens bracht de zaak ook rechtstreeks baten op, want de in concubinaat levende priester moest daarvoor een cijns opbrengen. Deze cijns is tallooze malen geregeld.Voor zoover voor het celibaat verlichting werd gezocht door geslachtelijk samenleven buiten huwelijk, valt tegen dezen vorm van geslachtelijk verkeer weinig aan te voeren. Te veroordeelen valt daarbij eigenlijk alleen de atmosfeer van leugen en huichelarij, die deze oplossing van de zaak schept rondom den door belofte van kuischheid gebondene. Buitenechtelijke samenleving, beoordeeld naar zedelijke begrippen die vrij zijn van vooroordeel, kan reiner zijn en hooger staan dan het naar alle regelen van gewoonte en gebruik tot stand gekomen huwelijk. Elke sexueele verhouding, die op vrije keuze en vrije neiging van beide partijen berust, is zedelijk, en elke sexueele verhouding, die andere motieven heeft, is onzedelijk.Maar in de kloosters werkten alle omstandigheden de grofste geslachtelijke ontaarding in de hand. En zoo zijn uit tallooze bronnen, oorkonden, kronieken enz. de onomstootelijke bewijzen aan te voeren, dat in de oude kloosters liederlijkheid en uitspattingen regel waren. Geslachtelijke bandeloosheid kent geen grenzen en geen teugel. Haar wezen is sexueele overdaad en behoefte aan steeds snellere afwisseling; en bij de spoedig intredende oververzadiging grijpt zij naar elken denkbaren vorm van onnatuurlijke en tegennatuurlijke bevrediging. Zoo werden duizenden kloosters broeinesten van ontucht en geslachtelijke buitensporigheid. Er zijn tijden geweest dat Priapus en Venus nergens, zelfs niet in de gewone bordeelen, zoo vurig werden vereerd als in de kloosters. Hier herleefde ten laatsten male de gastvrije prostitutie. In vele streken toch waren de vrouwenkloosters de geliefkoosde nachtverblijven der ridderschap, waar zij dezelfde genoegens vonden als in het bordeel, met dit verschil, dat zij niets kosten—men betaalde met zijn potentie. De kloosters waren de plaatsen, waar de meest woeste geslachtelijke orgiën werden gevierd, en ook de meest buitensporige begeerten onbeteugeld konden worden bevredigd. En het was in die tijden algemeen bekend dat de kloostermuren meer van kindergeschrei dan van psalmgezang weergalmden.86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.Duitsche houtsnede naar Hans Holbein (1497–1543).Opmerkelijk zijn daarbij vooral ook de maatregelen, waarmee de monniken de concurrentie van de leeken in den omgang met de nonnen zochten te weren. Meestal zocht men dit doel te bereiken, door de voorstelling te wekken, dat zondigen met gewijde personen een minder grootkwaad was dan zondigen met leeken. Een document, waaruit zulks kan blijken, is de volgende verklaring van Magister Hendricus van de Mendicanterorde te Straatsburg, uit het jaar 1261: “Aangezien een non, die door den aandrang des vleesches en door menschelijke zwakheid overweldigd, haar kuischheid schendt, minder schuldig is en meer verschooning verdient als zij zulks doet met een geestelijke, dan met een leek”, enz.De natuur geweld aandoen moet steeds onvermijdelijk leiden tot ontaarding. En de eene ontaarding leidt weer onvermijdelijk tot de andere. De gelofte van kuischheid leidde tot de ergste uitspattingen, en de noodzakelijkheid, om dit voor de geloovige menigte verborgen te houden dwong tot de ergste gruwelen; vruchtafdrijving en kindermoord waren in de nonnenkloosters aan de orde van den dag, en vele kloosters waren besmettingshaarden van de afschuwelijkste geslachtsziekten. Zoo werd het onnatuurlijk middel tot reiniging der zeden de bron van de afschuwelijkste zedenverwildering.Ook het ascetisch leven der kluizenaars levert tallooze bewijzen op voor de stelling, dat overdreven onthouding lichtelijk overslaat in overdreven uitspattingen. Onderwijl de eerste kerkvaders en propagandisten van het Christendom de oude godsdiensten bestreden en steeds het antieke zedenbederf als een donkeren achtergrond bezigden, waartegen de vlekkelooze reinheid van het Christendom op het scherpst moest uitkomen, schoot om hen heen, onder hun eigen volgelingen, datzelfde zedenbederf, met hetzelfde program van uitspattingen, de gewijde en de gastvrije prostitutie inbegrepen, al weer allerwege wortel met de weelderige groeikracht van onuitroeibaar onkruid.Waar ooit een leer of een denkbeeld uitroeiïng der zinnelijkheid heeft geëischt, heeft dit altijd geleid, niet tot kuische reinheid, maar tot geslachtelijke verwildering. Zulks leert vooral het Christendom. Zoo moest de H. Cyprianus reeds in de derde eeuw n. Chr. getuigen, dat er geen vroomheid meer was onder de Christenen, dat de vrouwen zich poederden, en dat men Jezus Christusʼ lichaam prostitueerde aan de Heidenen. Ten opzichte van de sexueele zeden was het Christendom weinig meer dan een herrijzenis van het antieke Heidendom—de eeuwige eerediensten van Venus, Bacchus en Priapus bleven onder andere vormen ook in het Christendom voortleven.De zinnelijkheid in den mensch laat zich niet dooden. Waar zulks beproefd wordt barst zij te eeniger tijd los met vulcanisch geweld. De zinnelijkheid is alleen te veredelen en te verfijnen en dat alleen door de liefde.
Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan honger stillen en dorst lesschen.
In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid, zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden.
Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten, dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen.
Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste aller menschelijkehartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele zeden.
Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat, de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke past dan de huwelijksstaat—een maagdelijk priesterschap alleen mag de geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in tallooze andere ethische wereldbeschouwingen.
81. Gij zult niet Onkuisch zijn.81. Gij zult niet Onkuisch zijn.Duitsche gravure uit het gebedenboek “Seelentrost”, Augsburg, 1478.
81. Gij zult niet Onkuisch zijn.
Duitsche gravure uit het gebedenboek “Seelentrost”, Augsburg, 1478.
Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie.
Eva, Adam verleidend.Eva, Adam verleidend.Naar de schilderij van Carlo Cignani (1628–1719). Museum, ʼs-Gravenhage.Phot. Bruckmann, München.
Eva, Adam verleidend.
Naar de schilderij van Carlo Cignani (1628–1719). Museum, ʼs-Gravenhage.
Phot. Bruckmann, München.
Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer bekend. De dochter van Zeusʼ zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven,door den oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht aan de vrijwillige sexueele onthouding.
82. De Onkuischheid.82. De Onkuischheid.Duitsche symbolische kopergravure, 18e eeuw.
82. De Onkuischheid.
Duitsche symbolische kopergravure, 18e eeuw.
Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den satan, enz.
Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste ook evenveel minder worden gevoeld—ook in de wereld der ideeën hangt de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost.
Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden, gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds in de leer van de erfzonde wordtde vrouw kortweg tot de bron van alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging, dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel.
Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man, willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat, niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten, waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zooontstondde voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon, welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert tot hoogere zedelijke volkomenheid.
In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom, is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid en schaamden zich.
In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid.
Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort, dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn, en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het allereerst gedood worden.
De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke, om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit.
De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd tegende zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen.
Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal der ascese mogelijk is. “Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer sexueele geheelonthouding voorschrijft.” Maar alvorens de zinnelijkheid ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een Gode welgevallig werk toescheen.
Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel, dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te komen tot een daad.
De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia, die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween spoedig geheel.
Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid—het zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid—zien als iets minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee eigenlijk onvereenigbaar is.
Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo ingrijpend en tevens zoo massaalopgetreden verschijnsel, voorzeker een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden, is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen.
83. De Vrouw als Verleidster.83. De Vrouw als Verleidster.Hollandsche kopergravure van Crispin de Passe, 16e eeuw.
83. De Vrouw als Verleidster.
Hollandsche kopergravure van Crispin de Passe, 16e eeuw.
De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd.
Heksensabbath.Heksensabbath.Naar de schilderij van Hans Baldung Grien (1480–1545), Städelsches Museum, Frankfurt-Main.Photo Bruckmann, München.
Heksensabbath.
Naar de schilderij van Hans Baldung Grien (1480–1545), Städelsches Museum, Frankfurt-Main.
Photo Bruckmann, München.
Al ʼs menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt, met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven doorverschillende andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken.
Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in de beide voornaamste neigingen, die ʼs menschen handelingen regeeren, worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud.
84. Sirenen.84. Sirenen.Marmergroep van Rudolf Marcuse.N. Photo Gezellschaft, Berlijn.
84. Sirenen.
Marmergroep van Rudolf Marcuse.
N. Photo Gezellschaft, Berlijn.
Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor den mensch sterker kunnen wezen dan dezinnelijkheid; en dat als noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de zinnelijkheid het onderspit delft.
De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht, waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme, waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen, want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd, waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het verzekerd stoffelijk bestaan dat ʼt gemeenschapsleven bood, moest noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd.
De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen, die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden.
Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om in zijn tegendeel—van een factor van ontwikkeling werd het een rem voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid met zijn bederf tevergiftigen. Wijl namelijk deze communistische vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven, en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen zijn gewoonlijk van tweeërlei aard—eenerzijds verfijning van het leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen, aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet.
Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met de geheele kerkelijke hierarchie.
Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning, moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein.
85. De Kuischheid ontwapent Cupido.85. De Kuischheid ontwapent Cupido.Gravure van C. Normand, naar Correggio, (uit: “Galérie des peintres les plus Célèbres”).
85. De Kuischheid ontwapent Cupido.
Gravure van C. Normand, naar Correggio, (uit: “Galérie des peintres les plus Célèbres”).
Wel is er van tijd tot tijd ernstig naar gestreefd, de losbandigheid der door kuischheidsgeloften gebondenen te beteugelen. Maar het bloed en de natuur zijn sterker dan willekeurige verordeningen. De strengste straffen zelfs bleven vruchteloos. Waar natuurlijke bevrediging der zinnelijke behoefte onmogelijk of te gevaarlijk werd, daar gaf men zich over aan gelijkgeslachtelijke enonnatuurlijke zinnelijkheid. Te bewijzen is dit alweer uit de maatregelen die de kerk zelf daartegen van tijd tot tijd heeft genomen. Zoo werd op een concilie te Parijs verboden, dat nonnen bij elkander sliepen, dat kloosterbroeders bij elkander sliepen, enz. enz. Natuurlijk hielp dit niets, want al deze maatregelen richtten zich tegen de gevolgen, maar lieten de oorzaken onaangetast. Wijl dit telkens en opnieuw bleek, moest men steeds grootere concessies doen. En voorwendsels daarvoor, die alle partijen bevredigden, waren gemakkelijk te vinden, daar het celibaat reeds oorspronkelijk volstrekt niet de beoefening van de kuischheid betrof, maar alleen onthouding van het huwelijk. In het celibaat bezat de kerk het middel om haar vermogen voor versnippering te behoeden en zoodoende haar macht te behouden en steeds uit te breiden. Vandaar heeft zij nooit willen toestemmen in opheffing van het celibaat, hetwelk haar macht aan het wankelen zou brengen (gelijk zulks wel voldoende gebleken is bij het protestantisme, dat het celibaat verwierp). Maar om de geestelijkheid tegemoet te komen, werd nu eens zijdelings, dan weer rechtstreeks, het houden van concubines toegestaan. De kerk heeft zich daaruit zelfs een nieuwe bron van inkomsten weten te scheppen, waarvan boven aangehaalde berekening uit een aflaattarief een der vele voorbeelden is. De grootste dogmatici der kerk hebben aan dit punt al hun scherpzinnigheid gewijd, teneinde geschikte en aannemelijke formules te vinden. Toen in de 16e eeuw de strijd om het recht der priesters op het huwelijk opnieuw ontbrandde, en vele priesters zelf dit recht opeischten, verdedigde de beroemde en invloedrijke Fransche prelaat Gerson het liederlijk leven van het meerendeel der priesters en monniken als volgt: “Schendt een priester zijn gelofte van kuischheid, als hij ontucht bedrijft? Neen. Want door de gelofte van kuischheid doet hij alleen afstand van het huwelijk. Een priester, die zich aan de zwaarste vergrijpen tegen de zedelijkheid schuldig maakt, breekt zijn gelofte van kuischheid niet, zij zou alleen worden verbroken, wanneer de priester huwde.” Hij maakte alleen dit voorbehoud, dat alle opspraak moest worden vermeden, en geslachtelijke omgang niet op Zondag mocht plaats hebben, niet aan heilige plaatsen en uitsluitend met ongehuwden. Op deze en dergelijke manieren werd de celibaatskwestie in den geest der kerk en tevens overeenkomstig de pecunaire belangen der kerk opgelost—den priester werd de ongehuwde staat vergemakkelijkt en verlicht,en het vermogen der kerk bleef in de doode hand en kon gestadig aangroeien; tevens bracht de zaak ook rechtstreeks baten op, want de in concubinaat levende priester moest daarvoor een cijns opbrengen. Deze cijns is tallooze malen geregeld.
Voor zoover voor het celibaat verlichting werd gezocht door geslachtelijk samenleven buiten huwelijk, valt tegen dezen vorm van geslachtelijk verkeer weinig aan te voeren. Te veroordeelen valt daarbij eigenlijk alleen de atmosfeer van leugen en huichelarij, die deze oplossing van de zaak schept rondom den door belofte van kuischheid gebondene. Buitenechtelijke samenleving, beoordeeld naar zedelijke begrippen die vrij zijn van vooroordeel, kan reiner zijn en hooger staan dan het naar alle regelen van gewoonte en gebruik tot stand gekomen huwelijk. Elke sexueele verhouding, die op vrije keuze en vrije neiging van beide partijen berust, is zedelijk, en elke sexueele verhouding, die andere motieven heeft, is onzedelijk.
Maar in de kloosters werkten alle omstandigheden de grofste geslachtelijke ontaarding in de hand. En zoo zijn uit tallooze bronnen, oorkonden, kronieken enz. de onomstootelijke bewijzen aan te voeren, dat in de oude kloosters liederlijkheid en uitspattingen regel waren. Geslachtelijke bandeloosheid kent geen grenzen en geen teugel. Haar wezen is sexueele overdaad en behoefte aan steeds snellere afwisseling; en bij de spoedig intredende oververzadiging grijpt zij naar elken denkbaren vorm van onnatuurlijke en tegennatuurlijke bevrediging. Zoo werden duizenden kloosters broeinesten van ontucht en geslachtelijke buitensporigheid. Er zijn tijden geweest dat Priapus en Venus nergens, zelfs niet in de gewone bordeelen, zoo vurig werden vereerd als in de kloosters. Hier herleefde ten laatsten male de gastvrije prostitutie. In vele streken toch waren de vrouwenkloosters de geliefkoosde nachtverblijven der ridderschap, waar zij dezelfde genoegens vonden als in het bordeel, met dit verschil, dat zij niets kosten—men betaalde met zijn potentie. De kloosters waren de plaatsen, waar de meest woeste geslachtelijke orgiën werden gevierd, en ook de meest buitensporige begeerten onbeteugeld konden worden bevredigd. En het was in die tijden algemeen bekend dat de kloostermuren meer van kindergeschrei dan van psalmgezang weergalmden.
86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.Duitsche houtsnede naar Hans Holbein (1497–1543).
86. De Strijd der Kuischheid in de Kloostercel.
Duitsche houtsnede naar Hans Holbein (1497–1543).
Opmerkelijk zijn daarbij vooral ook de maatregelen, waarmee de monniken de concurrentie van de leeken in den omgang met de nonnen zochten te weren. Meestal zocht men dit doel te bereiken, door de voorstelling te wekken, dat zondigen met gewijde personen een minder grootkwaad was dan zondigen met leeken. Een document, waaruit zulks kan blijken, is de volgende verklaring van Magister Hendricus van de Mendicanterorde te Straatsburg, uit het jaar 1261: “Aangezien een non, die door den aandrang des vleesches en door menschelijke zwakheid overweldigd, haar kuischheid schendt, minder schuldig is en meer verschooning verdient als zij zulks doet met een geestelijke, dan met een leek”, enz.
De natuur geweld aandoen moet steeds onvermijdelijk leiden tot ontaarding. En de eene ontaarding leidt weer onvermijdelijk tot de andere. De gelofte van kuischheid leidde tot de ergste uitspattingen, en de noodzakelijkheid, om dit voor de geloovige menigte verborgen te houden dwong tot de ergste gruwelen; vruchtafdrijving en kindermoord waren in de nonnenkloosters aan de orde van den dag, en vele kloosters waren besmettingshaarden van de afschuwelijkste geslachtsziekten. Zoo werd het onnatuurlijk middel tot reiniging der zeden de bron van de afschuwelijkste zedenverwildering.
Ook het ascetisch leven der kluizenaars levert tallooze bewijzen op voor de stelling, dat overdreven onthouding lichtelijk overslaat in overdreven uitspattingen. Onderwijl de eerste kerkvaders en propagandisten van het Christendom de oude godsdiensten bestreden en steeds het antieke zedenbederf als een donkeren achtergrond bezigden, waartegen de vlekkelooze reinheid van het Christendom op het scherpst moest uitkomen, schoot om hen heen, onder hun eigen volgelingen, datzelfde zedenbederf, met hetzelfde program van uitspattingen, de gewijde en de gastvrije prostitutie inbegrepen, al weer allerwege wortel met de weelderige groeikracht van onuitroeibaar onkruid.
Waar ooit een leer of een denkbeeld uitroeiïng der zinnelijkheid heeft geëischt, heeft dit altijd geleid, niet tot kuische reinheid, maar tot geslachtelijke verwildering. Zulks leert vooral het Christendom. Zoo moest de H. Cyprianus reeds in de derde eeuw n. Chr. getuigen, dat er geen vroomheid meer was onder de Christenen, dat de vrouwen zich poederden, en dat men Jezus Christusʼ lichaam prostitueerde aan de Heidenen. Ten opzichte van de sexueele zeden was het Christendom weinig meer dan een herrijzenis van het antieke Heidendom—de eeuwige eerediensten van Venus, Bacchus en Priapus bleven onder andere vormen ook in het Christendom voortleven.
De zinnelijkheid in den mensch laat zich niet dooden. Waar zulks beproefd wordt barst zij te eeniger tijd los met vulcanisch geweld. De zinnelijkheid is alleen te veredelen en te verfijnen en dat alleen door de liefde.