„Ha! 't is al in orde. Daar gaat hij weer,” zei mijn metgezel, met een zucht van verlichting. Het was ook zoo, want na rondgesnuffeld te hebben, scheen hij plotseling een besluit te nemen, en liep hij nog vlugger en met meer vastberadenheid dan tot nu toe voort. Ik kon aanHolmes' gelaat zien, dat hij dacht dat wij nu spoedig het einde van onzen tocht zouden bereiken.
Onzen weg liep nuNineElmsaf tot wij bij de groote timmerwerf vanBoderickenNelsonkwamen, juist voorbij de herberg De witte Arend. Hier liep de hond, zichtbaar opgewonden, het zijhek in en de werf op, waar de zagers reeds aan het werk waren. Hier draafde de hond door zaagmeel en krullen heen de laan in tusschen twee houtstapels door en sprong ten slotte met vroolijk geblaf op een groot vat, dat nog op den handwagen stond, waarmede het was binnengebracht. Met uit den bek hangende tong en schitterende oogen stondTobyop het deksel, terwijl hij ons beurtelings aankeek, om een teeken van goedkeuring vragende. De naden van het vat en de wielen van den wagen waren met een donkerkleurig vocht besmeerd, en de lucht was vol met den reuk van creosoot.
Sherlock Holmesen ik, wij keken elkander als verbijsterd aan en begonnen toen luidkeels te lachen.
„Wat nu?” vroeg ik, „Tobyheeft zijne onfeilbaarheid verloren.”
„Hij handelde naar zijne gegevens,” zeideHolmes, den hond van het vat tillende en hem buiten den timmertuin brengend, „als gij in aanmerking neemt, hoeveel creosoot er op één dag om Londen vervoerd wordt dan is het geen wonder dat ons spoor gekruisd is. Het wordtthans veel gebruikt, vooral voor het conserveeren van hout.Tobyheeft dus geen schuld.”
„Wij moeten dus weer naar denzelfden reuk gaan zoeken, naar ik veronderstel?”
„Ja. En gelukkig behoeven wij niet ver te gaan. Waarschijnlijk was de hond op den hoek vanKnight's Placein de war geraakt, omdat er twee sporen waren in tegenovergestelde richtingen. Wij volgden het verkeerde; dus rest ons thans niets anders dan het andere te kiezen.”
Dit was niet moeilijk. Toen wijTobyterugbrachten op de plaats waar hij zich vergist had, liep hij weder in een cirkel rond en snelde eindelijk in een nieuwe richting voort.
„Thans moeten wij oppassen dat hij ons niet brengt naar de plaats vanwaar het vat met creosoot gebracht werd,” merkte ik op.
„Daar had ik reeds aan gedacht. Gij ziet echter dat hij den straatweg houdt, terwijl het vat langs het zandpad vervoerd werd. Nu zijn wij op het rechte spoor.”
Dit liep naar den rivierkant uit, doorBelmont PlaceenPrince's Street. Aan het einde vanBroad Streetliep het regelrecht naar het water, waarbij een kleine werf stond.Tobybracht ons naar den hoek daarvan, en bleef daar luid jankend staan, terwijl hij in den stroom staarde.
„Dat valt tegen,” zeiHolmes, „hier hebben ze een boot genomen.”
Er lagen verscheidene kleine aken en schuiten op het water en aan den hoek van de werf. Wij brachtenTobybeurtelings daarbij, doch, hoewel hij ze allen besnuffelde, gaf hij niet het minste teeken.
Vlak bij de aanlegplaats stond een steenen huisje, met een houten uithangbord. „Marc Smith, Booten te huur bij het uur of per dag,” stond er op. Een tweede opschrift berichtte ons dat er ook een stoombootje te verkrijgen was, iets wat door een grooten hoop cokes op de binnenplaats nader bevestigd werd.Sherlock Holmeskeek oplettend rond, en zijn gelaat nam een hoogst ernstige uitdrukking aan.
„Dat ziet er slecht uit,” sprak hij, „die kerels zijn listiger dan ik dacht. Zij schijnen hun spoor vernietigd te hebben. Ik vrees dat hier met voorbedachten rade gewerkt is.”
Juist naderde hij de deur van het huis, toen deze geopend werd, en een kleine krullekop van zesjarigen leeftijd naar buiten stormde, gevolgd door een forsch gebouwde vrouw, met vuurrood gelaat, en een groote spons in haar hand.
„Wil je wel eens hier komen, en je laten wasschen,Jack!” schreeuwde zij, „hier, zeg ik, jij kleine deugniet; want als je vader thuis komt en je zoo vuil ziet, dan komt er wat kijken!”
„Wat een lieve jongen!” zeiHolmes, „wat een rood-wangige wildzang! ZegJack, zou je wel iets willen hebben?”
De knaap dacht een oogenblik na.
„Ik wil een shilling,” zei hij toen.
„Wil je niet iets beters?”
„Ik wil liever twee shillings,” antwoordde de kleine vluchteling, na eenig nadenken.
„Nu heb ik je, meteen!—Een mooi kind,Mrs. Smith!”
„Ja, zeg dat wel, mijnheer. Hij is mij bijna de baas,vooral als mijn man dagen achtereen van huis blijft.”
„Is hij weg?” vroegHolmesop teleurgestelden toon, „dat spijt me, want ik hadMr. Smithwillen spreken.”
„Hij is sedert gistermorgen weg, sir, en om u de waarheid te zeggen, begin ik mij ongerust over hem te maken. Maar als het betreffende een boot was, sir, zou ik u even goed kunnen helpen.”
„Ik wenschte zijn stoomboot te huren.”
„Wel, hij is juist met de stoomboot vertrokken, sir. Dat beangstigt mij het meest, omdat ik weet dat zij niet meer kolen in heeft dan om naar Woolwich en terug te varen. Indien hij met de bark vertrokken was, zou ik er niet over denken, want vaak moest hij wel heel naarGravesend, en dan bleef hij ook meestal over nacht uit. Maar wat moet er worden van een stoomboot zonder kolen?”
„Hij kan er wat aan de een of andere werf langs de rivier hebben gekocht.”
„Dat kon wel, sir, maar dat doet hij nooit. Ik heb hem dikwijls hooren klagen over de buitengewoon hooge prijzen, die zij daar voor wat slechte kolen vragen. Bovendien, die man met het houten been met zijn leelijk gezicht en vreemde spraak stond mij niets aan. Waarom zwierf hij altijd hier in den omtrek rond?”
„Een man met een houten been?” vroegHolmesverbaasd.
„Ja, sir; een bruine kerel met een gemeene tronie kwam dikwijls bij mijn man. Hij was het die hem gisternacht opklopte, en wat meer zegt: mijn man wist dat hij zou komen, want hij had stoom op in de boot. Ik zeg u eerlijk, sir, ik gevoel mij lang niet op mijn gemak.”
„Maar, mijn besteMrs. Smith,” zeiHolmes, zijn schouders optrekkend, „gij maakt u onnoodig ongerust. Hoe kondet gij met mogelijkheid zeggen dat het die man met het houten been was die in den nacht gekomen is? Ik begrijp ten minste niet hoe gij er zoo zeker van kunt zijn.”
„Zijn stem, sir. Zoo een zwaar en schor geluid heb ik nooit meer gehoord.
„Hij klopte op het venster, het zal omstreeks drie uur geweest zijn. „Kom voor den dag, maat!” riep hij. „Het is tijd om op wacht te gaan staan!” Mijn oude man wekteJim,—dat is mijn oudste,—en voort gingen zij, zonder zelfs een enkel woord tot mij te spreken. Ik kon het houten been op de steenen hooren stampen.”
„En was die man met het houten been alleen?”
„Dat zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen, sir. Maar ik hoorde er anders geen.”
„Het spijt mij,Mrs. Smith; want ik had een stoomboot noodig; en heb goede geruchten vernomen omtrent de .... Laat mij eens bedenken, hoe heet zij ook weer?”
„DeAurora, sir.”
„Ha juist. Is het niet die oude, groene boot met een gele streep, zeer breed gebouwd?”
„Neen, dat niet, er is geen slankere en kleinere boot op de gansche rivier. Zij is pas geschilderd, zwart met twee roode strepen.”
„Ik dank u. Ik hoop dat gij spoedig iets vanMr. Smithzult vernemen. Ik ga verder de rivier af, en als ik iets van deAuroramocht zien, zal ik hem laten weten dat gij ongerust zijt. Een zwarte pijp, zegt ge?”
„Neen, sir. Zwart met een witten band.”
„O, juist. De zijden waren zwart. Goeden morgen,Mrs. Smith. Ginds ligt een schipper met een roeiboot,Watson. Die zullen wij nemen en de rivier oversteken.”
„Het is het verstandigst,” zeiHolmestoen wij op de bank in de schuit gezeten waren, „om dat soort volk nimmer te laten merken, dat hunne inlichtingen voor u van het minste belang kunnen zijn. Als gij dit wel doet, sluiten zij zich onmiddellijk gelijk een oesterschelp. Indien gij hen uithoort, verneemt gij meestal wat gij verlangt te weten.”
„Thans schijnt onze koers tamelijk zeker,” zeide ik.
„Wat zoudt gij dan doen?”
„Ik zou een stoomboot nemen en het spoor van deAuroravolgen.”
„Beste jongen, dat zou een kolossale taak wezen. Zij kan bij een of andere werf langs de rivier tusschen hier en Greenwich hebben aangelegd. Voorbij de brug bevindt zich mijlen ver een doolhof van aanlegplaatsen. Als gij die allen zoudt willen aandoen, zou u dit dagen en dagen bezighouden.”
„Neem dan de politie te hulp.”
„Neen. Ik zal waarschijnlijkAthelney Joneseerst op het laatste oogenblik te hulp roepen. Hij is geen kwade kerel, en ik zou niet gaarne iets doen waardoor ik hem in zijn beroep zou kunnen beleedigen. Maar, nu wij zóóver gegaan zijn, ben ik er op gesteld om de zaak zelf uit te werken.”
„Zouden wij dan ook kunnen adverteeren, en om informaties van eigenaars van werven vragen?”
„Al erger en erger! Dan zouden onze mannen gewaar worden dat men hen op de hielen zit en spoedig het land uit zijn; zooals het nu is zullen zij dit zeker ook willen doen, maar zoolang zij zich veilig wanen, zullen zij daar geen haast mede maken. Daarbij zal de ijver vanJonesons te stade komen, want volgens zijne opvatting van de zaak zal hij haar in de dagbladen laten vermelden, waardoor de vluchtelingen zullen denken, dat elkeen op het verkeerde spoor is.”
„Wat moeten wij dan doen?” vroeg ik, toen wij in de nabijheid van het klooster vanMillbanklandden.
„Dit huurrijtuig nemen, naar huis rijden, ontbijten en een uur gaan slapen. Want hoogstwaarschijnlijk zullen wij vannacht wederom op de been zijn. Koetsier, leg bij het eerst telegraaf-kantoor aan! Wij zullenTobybij ons houden, want hij kan ons nog van dienst zijn.”
Wij hielden voor het postkantoor in deGreat Peter-Streetstil, enHolmesverzond zijn telegram.
„Aan wien denkt gij dat het gericht was?” vroeg hij, toen wij verder reden.
„Ik wenschte zijn stoomboot te huren.” Blz. 74.„Ik wenschte zijn stoomboot te huren.” Blz.74.
„Ik kan het niet bedenken.”
„Herinnert gij u de afdeeling der detective-politie in deBaker-Street, waarvan ik mij bij de zaakJefferson Hopebediende?”
„Welnu?” vroeg ik lachend.
„Dit is juist een geval waarbij zij hoogst nuttig zoude kunnen zijn. Indien zij falen heb ik nog andere hulpbronnen; maar ik zal het eerst met hen beproeven. Dat telegram was aan mijn slimmen kleinen luitenantWiggins, en ik vertrouw dat hij met zijn troep bij ons zal zijn, nog eer wij ons ontbijt geëindigd zullen hebben.”
Het was nu tusschen acht en negen uur en ik gevoelde een groote réactie na de vermoeienissen van den afgeloopen nacht. Ik was loom en afgemat; beneveld van geest en vermoeid van lichaam. Ik bezat niet dien beroeps-ijver en geestdrift, die mijn metgezel staande hield, noch kon ik de zaak anders dan als een abstract vraagstuk beschouwen. Wat den overledenBartholomeus Sholtobetreft, ik had weinig goeds van hem vernomen, en kon geen genoegzame antipathie tegen zijne moordenaars gevoelen. De schat was echter geheel iets anders. Deze, of een deel ervan, behoorde aanMiss Morstan. Zoolang er eenige kans zou bestaan om dien te ontdekken, was ik bereid er mijn leven voor op te offeren. Wel is waar zou zij, indien ik hem ontdekte, voor mij verloren zijn. Maar het zou gewis een zelfzuchtige liefde wezen, die zich door een dusdanige gedachte liet influenceeren. IndienHolmeswerkzaam kon zijn om de misdadigers uit te vinden, had ik een tienvoudig gewichtiger reden om den schat te ontdekken.
In deBaker-Streetaangekomen, frischte mij een bad en het verwisselen mijner kleederen geheel op. Toen ik naar beneden in onze kamer kwam, stond het ontbijt gereed en schonkHolmesde koffie in.
„Hier is het reeds,” zei hij lachend, op een geopend nieuwsblad wijzend, „de volijverigeJonesen de goedgeloovigereporters hebben het samen geregeld. Maar gij hebt er zeker genoeg van. Het is beter dat ge eerst wat ham en eieren gebruikt.”
Ik nam het blad van hem aan en las het kort bericht dat het opschrift droeg: „Geheimzinnig voorval teUpper Norwood.”
„Gisteravond omstreeks twaalf uur,” zoo schreef deStandard, „werdMr. Bartholomeus Sholto, vanPondicherry Lodge, teUpper Norwooddood in zijn kamer gevonden, onder omstandigheden die van kwaadwilligheid getuigden. Zoover wij vernemen, werden er geen sporen van geweldpleging op het lichaam vanMr. Sholtogevonden, maar een verzameling Indische edelgesteenten van aanzienlijke waarde, die de overleden heerSholtovan zijn vader geërfd had, is ontvreemd. De zaak werd het eerst ontdekt doorMr. Sherlock HolmesenDr. Watson, die het huis bezocht hadden metMr. Thaddeus Sholto, broeder van den overledene. Door een gelukkigen samenloop van omstandigheden bevond zichMr. Athelney Jones, de wèlbekende detective, juist aan hetNorwoodsche politiebureau, en was reeds binnen een half uur na het eerste alarm ter plaatse. Zijn geoefendheid, ondervinding en bekwaamheid brachten hem onmiddellijk op het spoor der misdadigers, met het gunstig resultaat dat de broederThaddeus Sholtoreeds is gevangen genomen, evenals de huishoudsterMrs. Bernstone, een Indiaansche huisknecht, Lal Rao, en een portier met nameMc. Murdo. Het is volkomen zeker dat de dief of dieven ten zeerste met de inrichting van het huis bekend waren, wantMr. Jones'wèlbekende bouwkundige kennis en zijn snel waarnemingsvermogen hebben hem in staat gesteld om te bewijzen, dat de misdadigers niet door de deur of het venster konden zijn binnengekomen, maar hun weg moesten genomen hebben over het dak van het gebouw en zoo door een trapdeur naar de kamer, die in gemeenschap stond met die, waarin het lijk gevonden werd. Dit feit, dat ten duidelijkste is vastgesteld,bewijst dat het geen toevallige waarneming was. Het spoedig en energiek optreden van de ambtenaren der Wet bewijst opnieuw het groot voordeel der tegenwoordigheid van één enkel helder brein bij dusdanige gelegenheden.”
„Is dat bluf of niet?” vroegHolmeslachend. „Wat dunkt u daarvan?”
„Ik denk dat het weinig gescheeld had, of hij had ons ook als verdacht van de misdaad gevangen genomen.”
„Ik ook. Ik zou zelfs thans nog niet voor onze veiligheid durven instaan, als hij opnieuw zulk een aanval van energie kreeg!”
Op dit oogenblik werd er zeer hard gescheld en hoorde ik onze huishoudster,Mrs. Hudson, luid hare verontwaardiging te kennen geven.
„Bij den Hemel,Holmes,” zei ik half opstaande, „ik geloof dat zij ons al komen halen!”
„Neen, zoo erg is het niet. Het is mijn garde, de onbetaalde politie vanBaker-Street.”
Terwijl hij dit zeide, vernam ik het geklik-klak van naakte voeten op de trap, en onder luid getier stormde er een dozijn kleine, morsige straatjongens het vertrek binnen. Doch zoodra zij binnen waren, kon men zien dat zij aan eenige tucht gewend waren, want zij plaatsten zich onmiddellijk in een gelid en bleven in afwachtende houding voor ons staan. Een hunner, slanker en ouder dan de anderen, trad voorwaarts met een zeker gezaghebbend voorkomen, waardoor ik mijn lachen nauwelijks kon bedwingen.
„Ik heb uwe boodschap ontvangen, sir,” zeide hij, „en ze dadelijk bij elkaâr geroepen. Drie zitten er in de doos en een staat met tramkaartjes.”
„Gij zijt nu eenmaal hier,” zeiHolmes, hem eenig zilvergeld gevende, „maar in het vervolg kunnen zij het met u afmaken en dan onderhandelt gij met mij,Wiggins. Ik kan het huis niet zoo laten bestormen. Maar het is nu wel zoo goed dat gij allen mijn instructies verneemt. Ik moet weten waar zich een stoombootbevindt, met nameAurora, eigenaarMarc Smith; kleur zwart met twee roode lijnen, zwarte pijp met witten band. Zij is ergens de rivier afgevaren. Een der jongens moet de wacht houden bij de aanlegplaats vanSmith, tegenoverMillbankom kennis te geven als de boot terugkomt. Gij moet dat maar onder u zelve uitmaken, en allen flink uw best doen. Zoodra gij iets verneemt, laat ge het mij weten. Goed begrepen?”
„Best, Overste,” antwoorddeWiggins.
„Het gewone loon en een guinea voor den jongen die de boot vindt. Ziehier een dag loon vooruit. En nu... ingerukt, marsch!”
Hij gaf hun elk een shilling, en weg vlogen zij de trappen af en een oogenblik later zag ik ze de straat uit hollen.
„Indien de boot boven water is, zullen zij haar vinden,” zeiHolmes, terwijl hij van tafel opstond en zijn pijp opstak, „zij kunnen overal heenkomen, alles zien en alles hooren. Ik verwacht nog vóór hedenavond te vernemen dat zij haar hebben opgespoord. Wij kunnen inmiddels niets doen dan dààrop wachten. Wij kunnen het afgebroken spoor niet volgen vóórdat wij òf deAurora, òfSmithgevonden hebben.”
„Tobyzal dit restje wel lusten. Gaat gij slapen,Holmes?”
„Neen. Ik ben niet vermoeid. Ik heb een zeldzaam gestel. Ik gevoel mij zoolang ik werken kan nimmer moe, terwijl ledigheid mij afmat. Ik ga rooken en over deze vreemdsoortige zaak nadenken, waarin mijn schoone cliënt ons gewikkeld heeft.
„Wanneer iemand ooit een makkelijke taak had, dan is deze er zeker een. Mannen met houten beenen zijn niet zoo alledaagsch, maar daarentegen moet de andere man volstrekt zeldzaam zijn.”
„Toch weer die andere man?”
„Ik verlang u omtrent hem niet in het onzekere te laten. Maar gij hebt gewis ook uw eigen oordeel gevormd. Welnu, denk dan eens aan den data. Buitengewoonkleine afdruk van de voetzool, teenen die nimmer door schoenen werden bijeengehouden, naakte voeten, een knots met steenen handvat, groote vlugheid, kleine vergiftigde dorens. Wat maakt gij uit dit alles op?”
„Een wilde!” riep ik, „wellicht een dier Indianen die tot de bondgenooten vanJonathan Smallbehoorde.”
„Dat is bijna onmogelijk,” zeide hij, „toen ik voor het eerst teekens van vreemde wapens zag, was ik ook genegen zoo te denken; maar de merkwaardige vorm der voetsporen noopte mij van meening te veranderen. Sommige der bewoners van het Indische Schiereiland zijn wel klein van gestalte, maar niet een hunner zou zulk een voetspoor hebben achtergelaten. De Hindoes hebben lange en dunne voeten. De sandaal-dragende Mohammedaan heeft den grooten teen wel van de anderen gescheiden, omdat de riem er veel tusschen door gebonden wordt. Deze kleine dorens zijn van geen ander dan van Spaansch riet. Welnu, waar kunnen wij dan onzen wilde vinden?”
„Zuid-Amerika,” antwoordde ik.
Hij nam een dik boek uit het rek.
„Dit is het eerste deel van een woordenboek dat pas wordt uitgegeven. Het mag als de laatste autoriteit beschouwd worden. Wat hebben we hier?„Andaman-eilanden, gelegen op 340 mijlen ten Noorden van Sumatra, in de golf van Bengalen.”—Hum! Hum! Wat beteekent dit alles? Zacht klimaat, koraalriffen,Port Blair, barakken voor bannelingen, Rutland-eiland, katoenboomen.—Ha, hier hebben wij het: „De inboorlingen der Andaman-eilanden mogen wellicht bogen op het voorrecht van het kleinste menschenras ter wereld te zijn, hoewel sommige anthropologen de Boschnegers van Afrika, de Digger Indianen van Amerika en deTerra del Fuegiansboven hen stellen. Hun gemiddelde lengte is vier voet, hoewel er vele volwassenen onder hen gevonden worden die zelfs nog veel kleiner zijn. Het is een woest, valsch en onhandelbaarras, doch wanneer zij eenmaal hunne vriendschap geschonken hebben, zeer gehecht en vertrouwbaar.”—Let daar op,Watson. En luister nog verder: „Zij zijn afschuwelijk leelijk; hebben groote, misvormde hoofden, kleine, woeste oogen en verwrongen gelaatstrekken. Maar hunne voeten en handen zijn daarentegen opmerkelijk klein. Zij zijn zóó woest en onhandelbaar, dat alle pogingen van de Britsche ambtenaren om hen eenigszins aan het gezag te onderwerpen, mislukt zijn. Zij zijn altijd een verschrikking geweest voor schipbreukelingen, daar zij de overlevenden met hunne knotsen met steenen knoppen de hersenen inslaan, of hen met hunne vergiftigde pijlen dooden. Dusdanige moorden worden steeds gevolgd door een feestmaal, want zij zijn menscheneters.”
„Een fraai, beminnelijk volkje,Watson! Indien deze knaap zijn eigen zin had kunnen volgen, dan had onze zaak nog een ellendiger wending genomen. En toch stel ik mij voor, datJonathan Smaller heel iets voor zoude willen geven, zoo hij zijne hulp niet had ingeroepen.”
„Maar hoe kwam hij aan zulk een zeldzaam metgezel?”
„O, dat is meer dan ik kan zeggen. Maar sedert wij tot de wetenschap zijn gekomen datSmallvan de Andamans gekomen was, is het niet zoo wonderbaarlijk dat deze inboorling hem gevolgd is. Maar gij lijkt geheel uitgeput,Watson. Komaan, leg u hier op de sofa, en zie eens of ik u in slaap kan krijgen.”
Hij nam zijn viool, en terwijl ik mij uitstrekte begon hij een zachte, droomerige, melodieuse aria te spelen, ongetwijfeld door hem zelve geïmproviseerd. Ik heb nog een vage herinnering van zijn doorschijnende handen, zijn ernstig gelaat, en het op- en nedergaan van zijn strijkstok. Toen was het alsof ik vreedzaam op een zee van zachte, harmonische tonen werd voortgeschommeld, totdat ik mij in het land der droomen bevond, terwijl het lieftallig gelaat vanMary Morstanop mij nederzag.
Eerst laat in den namiddag ontwaakte ik, gesterkt en opgefrischt.Sherlock Holmeszat nog juist zooals ik hem gelaten had, behalve dat hij thans in een boek verdiept was. Toen ik mij oprichtte, keek hij naar mij op en merkte ik dat zijn gelaat droef en onrustig stond.
„Gij hebt vast geslapen,” zei hij, „ik vreesde dat ons gesprek u wakker zou maken.”
„Ik heb niets gehoord,” antwoordde ik; „hebt gij wat naders vernomen?”
„Ongelukkig niet. Ik beken dat ik verwonderd en teleurgesteld ben. Ik verwachtte omstreeks dezen tijd iets bepaalds.Wigginsis juist hier geweest, om rapport te brengen. Hij zegt dat er geen spoor van de stoomboot te vinden is. Dat is een schok voor mij, want elk uur is van het hoogste belang.”
„Kan ik iets doen? Ik ben nu weder geheel in orde en volkomen tegen een nieuwe nachtwake bestand.”
„Neen, wij kunnen niets doen dan wachten. Indien wij van huis gaan, dan zou de boodschap in onze afwezigheid kunnen komen, en de tijd verloopen. Gij kunt doen wat gij wilt, doch ik moet hier op post blijven.”
„Dan zal ik even naarCamberwellgaan en een bezoek brengen aanMrs. Cecil Forrester. Zij heeft het mij gister verzocht.”
„AanMrs. Cecil Forrester?” vroegHolmeslachend.
„Wel, het spreekt vanzelve, ook aanMiss Morstan. Zij waren verlangend om het een of ander te vernemen.”
„Ik zou hen niet te veel vertellen,” zeiHolmes, „vrouwen zijn nooit volkomen te vertrouwen,—zelfs de beste niet!”
Ik achtte het beter op deze onbillijkheid niet te antwoorden.
„Over een uur of twee zal ik terug zijn,” zei ik.
„In orde! Veel geluk! Maar wat ik zeggen wou, als gij toch de rivier oversteekt, zoudt gijTobywel terug kunnen brengen, want ik geloof niet dat wij hem thans nog noodig zullen hebben.”
Ik nam het mormeldier mede en bezorgde hem met een halven souverein bij den ouden bontwerker inPinchin Lane. InCamberwelltrof ikMiss Morstan, een weinig vermoeid door het nachtelijk avontuur, doch zeer verlangend naar tijding. OokMrs. Forresterwas zeer nieuwsgierig. Ik verhaalde haar al wat wij gedaan hadden, hoewel ik de akeligheden van het tooneel zooveel mogelijk verzweeg. Ofschoon ik dus den dood vanMr. Sholtomededeelde, sprak ik geen woord omtrent de omstandigheden van den moord. Dit verhinderde echter geenszins dat zij toch ten zeerste verbaasd en verschrikt waren.
„Het lijkt een roman!” riepMrs.Forrester, „een slecht behandeldelady, een schat van een half millioen, een zwarte menscheneter en een roover met een houten been. En zij verdwijnen door middel van een draak of een betooverden arend.”
„En twee dolende ridders die te hulp snellen,” voegdeMiss Morstaner met een dankbaren blik aan toe.
„Gewis,Mary, uw fortuintje hangt van den uitslag dezer pogingen af. Ik verbeeld mij dat gij lang niet opgewonden genoeg zijt. Bedenk eens wat het moet wezen, om zoo rijk te zijn en de wereld aan je voeten te zien!”
Ik gevoelde een schok van vreugde in mijn hart, toen ik bemerkte hoe weinig opgewondenheid zij bij dit vooruitzicht aan den dag legde. Integendeel, zij wierp haar fier hoofd achterover met een gebaar alsof de zaak haar geheel onverschillig liet.
„Ik maak mij alleen bezorgd wegensMr. Thaddeus Sholto,” zeide zij, „anders is er niets ernstigs in de geheele zaak; want volgens mijn oordeel heeft hij zich uiterst vriendelijk en eervol gedragen. Wij zijn verplicht om zijne onschuld aan dit verschrikkelijk feit te bewijzen.”
Het was avond alvorens ikCamberwellverliet en volslagen donker toen ik onze woning bereikte. Het boek en de pijp van mijn metgezel lagen naast zijn stoel, maar hij was afwezig. Ik keek rond in de hoop een briefje te vinden, doch er was er geen.
„Ik veronderstel datMr. Sherlock Holmesis uitgegaan,” zei ik totMrs. Hudson, toen zij naar boven kwam om de luiken te sluiten.
„Neen, sir. Hij is naar zijn kamer gegaan.” En haar stem latende dalen, vroeg zij ernstig: „Wilt u wel gelooven, sir, dat ik bang ben voor zijn gezondheid?”
„Waarom,Mrs. Hudson?”
„Omdat hij zoo vreemd doet, sir. Nadat u vertrokken waart, liep hij zoolang en onophoudelijk heen en weer, totdat ik vermoeid was door het hooren van zijn voetstap. Daarna hoorde ik hem in zichzelven spreken en grommen, en telkens wanneer er gescheld werd, kwam hij op den overloop en riep: „Wat is dat,Mrs. Hudson?” En nu is hij naar zijn kamer geslopen, maar ik hoor hem nog gestadig heen en weer loopen. Ik hoop dat hij niet ziek zal worden, sir. Ik wilde hem iets zeggen omtrent een afkoelend middel, maar hij draaide mij den rug toe, sir, met een paar oogen, dat ik nog niet weet, hoe ik de kamer ben uitgekomen.”
„Ik geloof niet dat gij u ernstig ongerust behoeft te maken,Mrs.Hudson,” antwoordde ik, „ik heb hem reeds meermalen zoo gezien. Dan heeft hij iets in zijn hoofd dat hem onrustig maakt.”
Ik trachtte op onverschilligen toon tegen onze brave huishoudster te spreken, doch in waarheid was ik zelf niet op mijn gemak, toen ik gedurende den ganschen stillen nacht van tijd tot tijd zijn doffen voetstap vernam, en begreep hoe zijn arbeidzame geest zich tegen deze ongewenschte werkeloosheid verzette. Aan het ontbijt zag hij er afgemat, ontstemd en eenigszins koortsig uit.
„Gij tobt u te veel af, oude man,” zeide ik, „ik heb u den ganschen nacht hooren wandelen.”
„Neen, ik kon niet slapen,” antwoordde hij, „dit helsche vraagstuk verteert mij. Het is te veel om door zulk een onbeduidenden hinderpaal gedwarsboomd te worden; als alle andere overwonnen zijn. Ik ken de mannen, de boot, alles: en toch kan ik geen nieuws vernemen. Ik heb andere krachten aan het werk gezet en alle middelen die mij ten dienste staan aangewend. De gansche rivier is aan beide zijden afgezocht, maar er is geen nieuws, en evenmin heeftMrs. Smithiets omtrent haren echtgenoot vernomen. Ik zal weldra tot de conclusie komen dat zij de plaat gepoetst hebben. Maar dat gaat zoo gemakkelijk niet.”
„Of datMrs. Smithons op een verkeerd spoor heeft gebracht.”
„Neen, dat geloof ik niet. Ik heb een onderzoek laten instellen en er bestaat werkelijk een zoodanige boot.”
„Kan zij ook de rivier opwaarts zijn gegaan?”
„Aan deze mogelijkheid heb ik ook gedacht en er wordt reeds gezocht totRichmond. Indien er vandaag geen bericht komt, dan ga ik er morgen zelf op uit, en wel: meer om de mannen dan om de boot. Maar, zeker, zeker: wij zullen wel wat vernemen.”—
Dit gebeurde echter niet. Wij vernamen geen woord evenmin vanWigginsals van andere zijden. De meeste bladen bevatten berichten omtrent het drama teNorwood. Zij schenen het allen op den ongelukkigenThaddeus Sholtogemunt te hebben. Er werden echter geen nieuwe bizonderheden geopenbaard, behalve dat den volgenden dag een verhoor zou plaats vinden. Ik wandelde tegen den avond naarCamberwellom onzen tegenspoed aan de dames te berichten en bij mijne terugkomst vond ikHolmeszeer afgetrokken en ontstemd. Hij antwoordde nauwelijks op mijne vragen en hield zich den ganschen avond met een scheikundige analyse bezig, waarbij zooveel rook en damp ontwikkeld werd, dat ik ten slotte genoodzaakt was de kamer te verlaten. Tegen den morgen kon ik duidelijkhooren dat hij nog steeds druk met zijne retorten en flesschen bezig was.
Plotseling ontwaakte ik met schrik en was verbaasd toen ik hem voor mijn ledikant zag staan, gekleed als een matroos met een geoliede jas en muts en een lossen rooden doek om den hals.
„Ik ga de rivier af,Watson,” zeide hij, „ik heb alles opnieuw overwogen, en kan slechts één enkelen uitweg vinden. Het is in elk geval waard om te beproeven.”
„Ik kan u toch zeker vergezellen?” vroeg ik.
„Neen; gij kunt van oneindig meer nut zijn, zoo gij hier wilt blijven als mijn vertegenwoordiger. Ik verzoek u alle brieven en telegrammen, die in den loop van den dag mochten aankomen, te openen, en zoo zich iets nieuws mocht voordoen, volgens uw eigen oordeel te behandelen. Kan ik op u rekenen?”
„Zeer zeker.”
„Ik weet dat gij mij geen boodschap zult kunnen doen weten, want ik weet bijna zelf niet waar ik wezen zal. Indien het mij echter meeloopt, dan zal ik zoo erg lang niet wegblijven. Doch vóór ik terugkom zal ik eenig nieuws, van welken aard dan ook, vernomen hebben.”
Op het uur van het ontbijt had ik nog niets van hem vernomen. Toen ik echter deStandardinkeek, bevond ik dat er een nieuw gezichtspunt omtrent de zaak geopend was.—„Met betrekking tot het drama van UpperNorwood,” stond er, „hebben wij reden om te gelooven dat de zaak meer ingewikkeld en geheimzinnig belooft te worden dan oorspronkelijk verwacht werd. Nieuwe omstandigheden hebben aan het licht gebracht dat het totaal onmogelijk is, datMr. Thaddeus Sholtoop eenige wijze in het geval betrokken zoude zijn geweest. Hij en de huishoudster,Mrs. Bernstone, werden beiden gisteravond op vrije voeten gesteld.
„Men gelooft echter dat de politie een nieuwe aanwijzing omtrent de ware schuldigen heeft ontvangenen dat die verschaft zijn doorMr. Athelney Jones, vanScotland Yard, met al diens alom bekende geestkracht en doorzicht. Men kan elk oogenblik andere inhechtenisnemingen verwachten.”
„Dat is in zooverre in orde,” dacht ik, „vriendSholtois ten minste in vrijheid. Ik ben benieuwd te weten waarin die nieuwe aanwijzingen kunnen bestaan, hoewel dit een stereotype uitdrukking schijnt te wezen, wanneer de politie een flater heeft gemaakt.”
Ik legde het blad op de tafel, doch op hetzelfde oogenblik viel mijn oog op een advertentie, van den volgenden inhoud:
„Vermist:—Marc. Smith, schipper en diens zoonJimverlieten de Werf vanSmith, omstreeks drie uur laatstleden Woensdagmorgen per stoombootAurora, zwart, met twee roode strepen, zwarten schoorsteen, met een witten band; hij, die eenige inlichting desbetreffende kan geven aanMrs. Smith, op de werf vanSmithof inBaker-StreetNo. 221b, wordt bij dezen opgeroepen.”
Het was duidelijk dat ditHolmes' werk was. Het adres:Baker-Streetwas bewijs genoeg, dat het van zijn hand kwam, omdat de vluchtelingen het konden lezen, zonder er meer in te ontdekken dan den angst van eene vrouw wegens de afwezigheid van haren echtgenoot.
De dag duurde mij zeer lang. Telkens als er op de deur werd geklopt, of een zware stap werd vernomen, verbeeldde ik mij dat hetHolmeswas die terugkwam, of dat er een antwoord op de advertentie gebracht werd. Ik trachtte den tijd met lezen te verdrijven, maar mijn geestvermogens bepaalden zich alleen tot ons vreemdsoortig vraagstuk en het niet minder raadselachtig paar dat wij achtervolgden. Zou mijn vriend zich niet in zijne gevolgtrekkingen hebben kunnen vergissen? Zou zijn ondernemende geest deze gewaagde theorie niet op valsche gegevens hebben kunnen vestigen? Volgens mijne meening dwaalde hij afdoor de overdrijving zijner logica, en het zoeken naar meer ingewikkelde en vreemdsoortige verklaringen, dààr, waar de oplossing voor de hand ligt. En toch had ik zijn gedachtengang gevolgd. Als ik terugdacht aan de lange keten der buitengewone omstandigheden, die oogenschijnlijk met elkander in strijd waren, doch allen in dezelfde richting uitliepen, kon ik mij niet verhelen dat, mochtHolmesook falen in zijne theorie, hij toch de eenige man was die het vraagstuk practisch zou kunnen oplossen.
Om drie uur na den middag werd er met geweld gescheld, klonk er een gebiedende stem in het voorhuis en werd, tot mijne verbazing, niemand minder bij mij binnengelaten danMr. Athelney Jones. Hij verschilde echter ten zeerste van den volleerden menschenkenner, die zoo spoedig het geval vanUpper Norwoodbegrepen had. Hij zag er terneergeslagen en teleurgesteld uit.
„Goeden dag, sir, goeden dag,” zeide hij, „ik begrijp datMr. Sherlock Holmesuit is.”
„Ja, en ik kan u niet met zekerheid zeggen wanneer hij terugkomt. Maar, misschien wilt u op hem wachten. Neem dan plaats en steek een sigaar op.”
„Dank u; het zal mij hoop ik niet hinderen.”
„En een whisky met soda?”
„Welnu, een half glas. Het is zeer heet voor den tijd van het jaar; en ik heb het aardig druk gehad. Gij kent mijne theorie omtrent dat geval teNorwood?”
„Ik herinner mij, u er een te hebben hooren verklaren.”
„Welnu, ik ben verplicht geweest daarop terug te komen. Ik had mijn web dicht omMr. Sholtogesponnen, sir, toen hij flap! door de mazen heenwipte. Hij was in staat een alibi te bewijzen, dat niet gelogenstraft kon worden. Vanaf het oogenblik dat hij de kamer van zijn broeder verliet, had men hem niet uit het gezicht verloren. Bijgevolg kon hij het niet zijn die over daken en door trapdeuren was binnengekomen.Het is een zeer duister geval, en mijn roem staat er bij op het spel. Een weinig bijstand zou mij niet ongevallig wezen.”
„Daaraan hebben wij allen van tijd tot tijd behoefte,” zeide ik.
„Uw vriend,Mr. Sherlock Holmes, is een bewonderenswaardig man, sir,” zeide hij op vertrouwelijken toon, „hij laat zich niet gemakkelijk beetnemen. Ik heb dien jongen man verscheidene zaken zien ondernemen, maar ik ken er niet een die hij niet aan het licht kon brengen.
„Zijn methode is onregelmatig, en zijn theorie wellicht wat te overhaast, maar over het algemeen geloof ik dat hij een veelbelovend ambtenaar zou hebben kunnen worden. Ik heb hedenmorgen een telegram van hem ontvangen waaruit ik opmaak, dat hij de een of andere aanwijzing in deSholto-zaak gevonden heeft.—Zie hier.”
Hij nam het telegram uit zijn zak en reikte het mij over. Het was gedateerd vanPoplar, twaalf uur, en luidde: „Ga terstond naarBaker-Street; indien ik nog niet terug ben, wacht mij dan. Ik ben op het spoor van deSholto-zaak. Zoo gij het einde ervan wilt bijwonen, kunt gij ons hedenavond vergezellen.”
„Dat klinkt goed. Waarschijnlijk heeft hij de creosoot weder geroken,” zeide ik.
„O, dan is hij ook op een dwaalspoor,” riepJonesmet zichtbare voldoening, „zelfs de besten van ons worden soms uit den koers gebracht. Het spreekt van zelf dat ook dit zal blijken een valsch alarm te zijn; maar als ambtenaar der Wet ben ik verplicht geen kans te laten glippen. Doch, er is iemand aan de deur. Misschien is hij het wel.”
Er werd een zware, strompelende stap op de trap vernomen, als die van iemand, die van tijd tot tijd naar zijn adem hijgde. Eenige keeren stond hij stil alsof het klimmen hem te zwaar viel, doch ten laatste bereikte hij de deur en stapte hij naar binnen. Zijneverschijning stemde volkomen met de aankondiging van zijn bezoek overeen. Hij was een man op leeftijd, als zeeman gekleed en met een tot aan den hals dichtgeknoopte „jekker.” Zijn rug was gebogen, zijn knieën knikten en hij scheen ten zeerste aamechtig te wezen. Hij leunde zwaar op een stevigen stok, en hijgde naar zijn adem. Ik kon slechts weinig van zijn gelaat zien, behalve een paar heldere, donkere oogen, overschaduwd door witte wenkbrauwen en oogharen van dezelfde kleur. Zijn geheele voorkomen gaf mij den indruk van een achtenswaardig zeevaarder, die oud en behoeftig geworden was.
„Wat wenscht gij, man?” vroeg ik.
Hij keek als kindsch om zich heen.
„IsMr. Holmeshier?” zeide hij.
„Neen. Maar ik ben zijn vertegenwoordiger. Als gij een boodschap voor hem hebt, kunt gij mij die gerustelijk toevertrouwen.”
„Ik wou het aan hem zelf zeggen,” antwoordde hij.
„Maar het is hetzelfde, vriend. Is het iets omtrent de boot vanMarc Smith?”
„Ja; ik weet wel waar die is. En ik weet ook waar de mannen zijn. En ik weet ook waar de schat is. Ik weet er alles van.”
„Zeg het mij dan, dan zal ik het hem laten weten.”
„Ik wou het aan hem zelf zeggen,” herhaalde hij met stijfhoofdigheid, zeer oude menschen eigen.
„Welnu, dan moet ge op hem wachten.”
„Neen, neen; ik wil ten pleiziere van een ander geen ganschen dag opofferen. AlsMr. Holmesniet hier is, dan moetMr. Holmeshet zelf maar uitvinden. Ik geef niets om jullie beiden, en wil geen woord zeggen.”
Hij strompelde naar de deur, maarAthelney Jonestrad hem in den weg.
„Wacht even, mijn vriend,” zei hij, „gij hebt belangrijke berichten en moogt dus niet heengaan. Wij zullen u hier houden of gij wilt of niet, totdat onze vriend terugkomt.”
Nu liep de oude man zoo snel hij kon naar de deur, doch toenAthelney Joneszijn breeden rug daartegen plaatste, zag hij dat alle weerstand nutteloos was.
„Een nette behandeling!” riep hij, met zijn stok op den vloer stampend, „ik kom hier om een heer te spreken, en gij beiden, die ik nog nooit in mijn leven gezien heb, houden mij vast en behandelen mij op zulk een wijze.”
„Gij zult er niet te erger om af zijn,” zeide ik, „wij zullen u uw tijdverlies vergoeden. Zet u hier op de sofa en gij zult niet lang behoeven te wachten.”
Hij keerde schoorvoetend en grommend terug, en zette zich neder met zijn gelaat in de handen;Jonesen ik staken onze sigaren weder op en hervatten ons gesprek. Plotseling vernamen wij echterHolmes' stem.
„Mij dunkt dat ge mij ook wel een sigaar mocht presenteeren,” zeide hij.
Wij sprongen beiden overeind. Daar zatHolmestegenover ons te lachen.
„Holmes!” riep ik, „gij hier? Maar waar is die oude man?”
„Hier is hij,” antwoordde hij, een handvol wit haar omhoog houdende; „hier is de oude man:—pruik, oogharen, wenkbrauwen en al wat er bij behoort. Ik dacht wel dat ik goed vermomd was, maar ik verwachtte niet dat de vermomming deze proef zou doorstaan.”
„O, gij guit!” riepJonesopgetogen, „wat zoudt gij een goed acteur geworden zijn. Gij zaagt er uit alsof gij zóó uit het werkhuis kwaamt, en die knikkende knieën van je waren onbetaalbaar. Maar toch meende ik je oogopslag te herkennen. Ge ziet wel dat gij zoo makkelijk niet bij ons weg kwaamt!”
„In deze vermomming heb ik den ganschen dag gewerkt,” zeide hij zijn sigaar opstekende. „Vele misdadigers beginnen mij reeds te kennen,—vooral sedert onze vriend hier, eenige der door mij behandelde gevallen openbaar maakte, daarom moet ik mij van tijd tot tijd wel een weinig vermommen.—Hebt ge mijn telegram ontvangen?”
„Ja, deswege ben ik hierheen gekomen.”
„Hoe ver zijt gij met de zaak gevorderd?”
„Alles is op niets uitgeloopen. Ik heb twee mijner gevangenen weder moeten vrij laten, en tegen twee der overigen bestaat geen bewijs.”
„Dat hindert niet. Wij zullen u er twee andere voor in de plaats geven. Maar gij moet u onder mijne bevelen stellen. Al de officieele roem is u gegund, maar gij moet de richting volgen die ik u zal aanduiden. Is dat afgesproken?”
„Als ge mij de mannen bezorgd, volgaarne.”
„Welnu, dan zal ik in de eerste plaats een politie-stoomboot noodig hebben, die moet te zeven uur aan de Westminster-kade zijn.”
„Dat is geen bezwaar. Er ligt daar altijd een gereed, maar ik zal voor de zekerheid telefoneeren.”
„Vervolgens verlang ik twee sterke mannen, ingeval van verzet.”
„Er zullen er twee of drie in de boot zijn. Wat meer?”
„Als wij de mannen gevangen nemen, zullen wij tevens den schat machtig worden. Ik denk dat het voor mijn vriend hier een genoegen zou zijn, om de kist naar een jonge dame te brengen, wie de helft van den inhoud rechtmachtig toekomt. Laat zij haar het eerst openen. Niet waar,Watson?”
„Ja, dat zal mij groot genoegen zijn.”
„Dat is niet volgens de letter der Wet,” zeiJones, zijn hoofd schuddend; „maar de gansche zaak is onregelmatig.—Daarna moet de schat tot na het officieel onderzoek bij de autoriteiten worden gedeponeerd.”
„Gewis.—Ik zou echter gaarne eenige bijzonderheden omtrent de zaak uit den mond vanJonathan Smallzelve vernemen. Niets belet u mij toe te staan een onderhoud met hem te hebben, tenzij hier in mijn kamer of elders onder getuigen der politie. Gij weet, dat ik de gevallen, die in mijn practijk voorkomen, te boek stel.”
„Wel, gij zijt meester van den toestand. Ik voor mij heb echter nog geen bewijs gehad van het bestaan van dienJonathan Small. Maar, als gij hem gevangen kunt nemen, zie ik niet in waarom ik u een onderhoud met hem zou weigeren.”
„Dat is dus begrepen?”
„Volkomen. Is er nog iets?”
„Alleen dat ik er op aandring dat gij met ons blijft dineeren. Het zal binnen een half uur gereed zijn.”
Onze maaltijd was zeer gezellig. AlsHolmeswilde, kon hij aardig spreken, en dien avond was dit het geval. Hij scheen in zenuwachtig-opgewonden toestand te zijn. Ik had hem nog nooit zoo buitengewoon spraakzaam aangetroffen. Hij sprak over allerlei onderwerpen:—over het tooneel, over oud porselein, over Stradivarius-violen, over het Buddhisme op Ceylon, en over de wapenen der toekomst;—al deze onderwerpen behandelende, alsof hij van elk een bijzondere studie had gemaakt. Zijn opgewektheid bewees de reactie van zijne neerslachtigheid der laatste dagen.Athelney Jonesbewees buiten dienstzaken een gezellig dischgenoot te zijn, en nam aan onzen maaltijd deel als een echtebon vivant. Wat mij betreft: ik gevoelde mij verlicht, wijl wij het einde onzer taak naderden, en de opgeruimdheid vanHolmesdeelde zich dus ook aan mij mede. Geen onzer repte gedurende het diner een woord over het geval dat ons bijeengebracht had.
Toen de tafel was afgeruimd, keekHolmesop zijn horloge, en vulde hij drie glazen met witte port.
„Een dronk,” zeide hij, „op het welslagen onzer kleine expeditie. En nu is het hoog tijd om te vertrekken. Hebt ge een pistool,Watson?”
„Mijn oude dienst-revolver ligt in mijn lessenaar.”
„Dan zoudt gij goed doen dien mede te nemen. Het kan nooit kwaad op alles voorbereid te zijn. Ik merk dat het rijtuig voor de deur staat. Ik bestelde het tegen half zeven.”
Het was even over zeven toen wij deWestminster-kade bereikten, en bevonden, dat onze stoomboot op ons wachtte.Holmesnam haar nauwkeurig in oogenschouw.
„Is er ook het een of ander zichtbaar teeken aan, waaraan men zien kan dat het een politie-vaartuig is?”
„Ja, dat groene licht aan bakboord.”
„Neem dit dan weg.”
Toen hieraan voldaan was, gingen wij aan boord, en werden de touwen losgeworpen.Jones, Holmesen ik zaten bij den achtersteven. Een man stond aan het roer, een bij de machine, en twee stevige inspecteurs van politie bevonden zich op de voorplecht.
„Waarheen?” vroegJones.
„Naar denTower. Zeg hun dat zij tegenoverJacobson's werf moeten aanleggen.”
Onze boot liep zeer snel. Wij schoten de lange linie van geladen schuiten voorbij alsof deze stil lagen.Holmesglimlachte met voldoening toen wij een grooten stoomer inhaalden en spoedig achter ons lieten.
„Wij moeten in staat zijn om alles op de rivier te kunnen inhalen,” zeide hij.
„Dat zal wel gaan, want er zijn niet veel booten die het van ons kunnen winnen.”
„Wij zullen deAuroramoeten inhalen en die heeft den naam van buitengewoon snel te loopen. Thans zal ik u vertellen hoe het met de zaak gelegen is,Watson. Gij herinnert u hoe verdrietig ik was, toen ik mij door zulk een kleinigheid gedwarsboomd zag?”
„Ja.”
„Welnu; ik liet mijn geest volkomen rusten, en verdiepte mij in een chemische analyse. Een onzer grootste staatslieden heeft gezegd dat verandering vanbezigheden de beste rust is. En dat is ook zoo. Toen het mij gelukt was de waterstof, waarmede ik mij onledig hield, op te lossen, kwam ik weder op ons vraagstuk betreffende deSholto's terug, en dacht de geheele zaak nog eens over. Mijne jongens waren zonder resultaat de rivier op en af geweest. De boot lag niet bij de een of andere landingsplaats of werf, en was evenmin teruggekeerd. Toch begreep ik dat zij onmogelijk haar spoor kon verbergen, daar zij noodzakelijk door de sluizen moest varen. Tevens hield ik mij overtuigd dat dezeSmall, al was hij nog zoo geslepen, daaraan vooruit niet gedacht zou hebben. Toen bedacht ik, dat, wijl hij gewis eenigen tijd in Londen had doorgebracht,—daar wij de overtuiging hadden dat hij voortdurend een waakzaam oog opPondicherry Lodgegehouden had, hij zeker eenigen tijd, al ware het ook slechts één dag, noodig zou hebben om voor zijn vertrek orde op zijne zaken te stellen. Dit waren mijne veronderstellingen.”
„Zij komen mij wel wat zwak voor,” zeide ik, „ik acht het waarschijnlijker dat hij zijne zaken geregeld zal hebben alvorens hij op zijne expeditie uitging.”
„Neen, dat denk ik niet. Deze schuilplaats zou, in geval van nood, te veel waarde voor hem hebben, om haar van de hand te doen, eer hij zeker was dat hij haar niet meer noodig had. Maar mij trof een tweede overweging.Jonathan Smallmoest begrepen hebben dat het vreemdsoortig uiterlijk van zijn metgezel,—hoedanig hij dit ook vermomd mocht hebben,—aanleiding kon geven tot vermoedens met betrekking tot het drama inNorwood. Hij was scherpzinnig genoeg om dit in te zien. Volgens de verklaring vanSmith's vrouw was het drie uur in den morgen toen zij in de boot gingen. Het zou dus spoedig volkomen dag zijn, en binnen een uur of zoo zou er volk in den omtrek komen. Deswege, redeneerde ik, zullen zij niet zeer ver weg zijn gegaan. Zij betaaldenSmitheen flinke som om te zwijgen, behielden zijn boot om er latermede te ontvluchten en snelden naar hun logies met den schat. Na een paar dagen, waarin zij tijd hadden om te zien welke richting het oordeel der Persaannam, zouden zij zich onder bescherming der duisternis naar een of ander schip teGravesendof andere kustplaats begeven, waar zij ongetwijfeld reeds passage naar Amerika of de Koloniën genomen hadden.”
„Maar de boot? Die konden zij toch niet medegenomen hebben naar hun logies.”
„Juist. Ik redeneerde dat de boot, niettegenstaande hare onzichtbaarheid, niet zeer ver af kon zijn. Toen stelde ik mij in mijne verbeelding in de plaats vanSmall, en beschouwde de zaak van zijn standpunt en met zijne gegevens. Hij zou waarschijnlijk overwegen dat, wanneer hij de boot terug zou zenden, of haar op een of andere werf brengen, dit eene vervolging gemakkelijk zou maken, indien de politie hem op het spoor mocht komen.
„Op welke wijze kon hij de boot dan verbergen en haar toch zoodra hij haar noodig mocht hebben, ter zijner beschikking hebben? Ik peinsde er over, wat ik zou doen, als ik in zijne schoenen stond, en kon daarvoor slechts één uitweg vinden. Ik zou de boot bij een scheepstimmerman brengen, met de opdracht er een kleine verandering in aan te brengen. Daar zou zij dan op de werf feitelijk verborgen zijn, terwijl ik haar den volgenden nacht of wanneer ik wilde, ter mijner beschikking kon hebben.”
„Dat schijnt eenvoudig genoeg.”
„Juist zulke kleinigheden worden het meest uit het oog verloren. Ik besloot daarom volgens dit idee te handelen. Ik stak mij onmiddellijk in dit zeemanskleed en informeerde op al de werven langs de rivier. Op vijftien kwam ik tevergeefs, maar op de zestiende, die vanJacobson, vernam ik dat deAuroratwee dagen geleden daar was gebracht door een man met een houten been, met een onbeduidende bestelling betreffende het roer. „Er mankeert niets aan hetroer,” zei de meesterknecht, „dààr ligt ze, met die roode strepen.” Wie denkt ge dat juist op dàt oogenblik de werf op kwam?Marc Smith, de vermiste eigenaar! Hij was buitengewoon beschonken. Het spreekt vanzelf dat ik hem niet gekend zou hebben, maar hij schreeuwde zelf zijn naam en dien van zijn boot.
„Ik heb haar van avond om acht uur noodig,” riep hij, „precies om acht uur, denk er om; want ik heb twee heeren die niet zouden willen wachten.” Zij hadden hem blijkbaar goed betaald, want hij was zeer vrijgevig en wierp een groot aantal shillings onder de werklieden. Ik volgde hem op eenigen afstand, doch hij verdween in een wijnhuis; daarom keerde ik naar de werf terug en toevallig een mijner jongens onderweg ontmoetende, plaatste ik hem als schildwacht tegenover de boot. Als zij afvaren, moet hij aan den waterkant staan, en ons met zijn zakdoek toewuiven. Wij zullen stroomafwaarts aanleggen, en het moet al zeer vreemd loopen als wij de mannen met schat en al niet in handen krijgen.”
„Of zij de rechte lui zijn of niet, ge hebt het netjes overlegd,” zeiJones, „maar als ik de zaak in handen had, zou ik een sterke politiemacht opJacobson's werf hebben, en hen bij hunne aankomst aldaar gevangen nemen.”
„Wat nimmer gebeurd zou zijn. DezeSmallis, zooals ik zeide, een zeer geslepen kerel. Hij zal zeker een spion vooruit zenden en als er iets verdachts op de werf mocht zijn, wel een reden voor uitstel bedenken.”
„Maar gij zoudtMarc Smithin het oog hebben kunnen houden, en op deze wijze hun schuilplaats ontdekt hebben,” zeide ik.
„In dat geval zou ik mijn dag verspild hebben. Ik denk dat het honderd tegen één is, datSmithweet waar zij wonen. Waartoe zou hij vragen doen, zoolang hij drinken kan en goed betaald wordt? Zij laten hem weten wat hij doen moet. Neen, ik heb de zaak van alle zijden beschouwd, en deze weg is de beste.”
Terwijl dit gesprek gevoerd werd, waren wij de groote menigte bruggen, die de Theems overspannen, doorgevaren. Toen wij de city passeerden, verguldden de stralen der ondergaande zon het kruis op den top van denSt. Paul, en nog voor wij denTowerbereikten was de schemering ingevallen.
„Dat isJacobson's werf,” zeiHolmesop een woud van masten wijzende. „Kruis hier langzaam op en neer achter deze lichters.”—Hij nam een paar nachtglazen uit zijn zak en staarde eenigen tijd naar den horizon. „Ik zie mijn schildwacht op zijn post,” vervolgde hij, „doch geen bewijs van een zakdoek.”
„Indien wij eens eens kort eind stroom-afwaarts voeren en aanlegden om hen op te wachten?” vroegJonesgejaagd.
Wij waren thans allen opgewonden, tot zelfs de politie-beambten en stokers, die slechts een vaag idee hadden van hetgeen er moest gebeuren.
„Wij mogen niets als zeker aannemen,” antwoorddeHolmes, „het is gewis tien tegen één, dat zij stroom-afwaarts gaan, maarzekerkunnen wij dit niet zeggen. Van hier kunnen wij den toegang tot de werf zien, terwijl menonsvan daar niet kan waarnemen. Het zal een heldere avond en volop licht zijn. Wij moeten dus blijven waar wij zijn. Zie hoe de lieden ginds in den schijn van het gaslicht dooreen krioelen.”
„Zij komen van hun werk op de werf.”—
Plotseling riepHolmes, overeindspringend: „Zie ik daar geen zakdoek? Ik zie ginder iets wits fladderen!”
„Ja,” zei ik, „het is uw knaap. Ik zie hem duidelijk.”