„Mijne eenige gedachte was: te ontsnappen,Sholtoop te sporen en bij de keel te grijpen. Zelfs de Agra-schat was mij minder waard geworden, danSholtote vermoorden.
„Welnu; al wat ik mij in mijn leven heb voorgenomen heb ik ook ten uitvoer gebracht. Het duurde echter vele verschrikkelijke jaren eer mijn tijd aanbrak. Ik heb u verhaald dat ik mij eenigszins met de geneeskunde vertrouwd had gemaakt. Op zekeren dag, toenDr. Somertonlijdende was aan koorts, werd door een troep ketting-gangers een kleinen Andamanees opgevangen. Hij was dood-ziek en had zich op een eenzame plek neergelegd om te sterven. Ik nam de zorg voor hem op mij, en na eenige maanden keerde zijne krachten terug. Daardoor vatte hij zekere genegenheid voor mij op, wilde ongaarne naar de bosschen terugkeeren, en zwierf voortdurend in de nabijheid van mijn hut. Ik leerde een weinig van zijn taal van hem en dit deed zijne genegenheid nog meer toenemen.
„Tonga,—want zoo was zijn naam,—was een bekwaam schipper, en bezat een groote, sterk gebouwde kano. Toen ik overtuigd was van zijne genegenheid, en dat hij alles zoude doen om mij van dienst te zijn, sprak ik met hem over eene ontvluchting. Hij moest zijn boot op zekeren nacht aan een onbewaakte aanlegplaats brengen en mij daar opnemen. Ik gelastte hem te zorgen dat hij verscheidene kruiken water, en een groote menigte jams, kokosnoten en zoete potatoes aan boord had.
„Deze kleine Tonga was buitengewoon gezellig en trouw. Op den bepaalden tijd lag zijn boot gereed. Doch, toevallig bevond zich een gevangenbewaarder,—zekere ellendige Pathanees, die mij altijd geplaagd enbeleedigd had,—ter plaatse. Thans had ik de gelegenheid om mij op hem te wreken. Hij stond aan den oever, met zijn rug naar mij toegekeerd en zijn karabijn op den schouder. Ik keek rond naar een steen om hem de hersenen in te slaan, doch kon geen enkelen vinden.
„Toen kwam er een vreemde gedachte bij mij op, hoedanig ik mij thans van een wapen kon voorzien.
„Ik zette mij in de duisternis neder en ontdeed mij van mijn houten been. Met drie sprongen was ik achter hem, en sloeg hem met één enkelen slag ter aarde. Thans snelden wij naar onze boot en binnen een uur waren wij in volle zee. Tonga had al wat hij bezat met zich genomen, zoowel zijne wapenen als afgodsbeelden. Onder meerdere voorwerpen had hij een lange speer van bamboe, en wat Andamansche kokos-matten, waarvan ik een soort zeil vervaardigde. Gedurende tien dagen zwierven wij op goed geluk rond en op den elfden werden wij opgepikt door een koopvaarder, die op weg was van Singapore naar Jeddah met een lading Maleische pelgrims. Het gelukte ons spoedig ons in hun midden te doen opnemen.
„Het zou u gewis te lang duren als ik u al mijne avonturen ging verhalen. Wij zwierven de gansche wereld rond, doch hielden ons steeds op een eerbiedigen afstand van Londen. Gedurende al dien tijd verloor ik echter mijn doel niet uit het oog. Ik droomde elken nacht vanSholto; reeds honderden keeren had ik hem in mijn slaap gedood. Ten laatste echter, nu ongeveer vier jaren geleden, waagden wij ons in Engeland. Het viel mij niet moeilijk de woonplaats vanSholtouit te vinden, en ik zette mij aan het werk om gewaar te worden of hij den schat te gelde gemaakt had, of dat hij hem nog in zijn bezit had. Ik maakte mij bevriend met zeker iemand die mij behulpzaam kon zijn,—ik noem echter zijn naam niet, want ik wil geen ander achter slot en grendel helpen;—en vernam al spoedig dat hij de juweelen nog bezat. Toentrachtte ik op allerlei wijzen tot hem door te dringen; maar hij was zeer sluw, en had altijd twee bekende voorvechters, behalve zijne zonen, en een khitmugar om hem te bewaken.
„Op zekeren dag echter vernam ik dat hij stervende was.Ik snelde onmiddellijk naar den tuin, als waanzinnig van vrees dat hij mij zoude ontsnappen, en toen ik door het venster loerde zag ik hem te bed liggen, terwijl zijn zoons aan zijne zijde stonden. Ik stond op het punt om naar binnen te klimmen en hen te overvallen, doch juist op dit oogenblik zag ik dat hij stierf. Toch drong ik nog dienzelfden nacht zijn kamer binnen en onderzocht zijne papieren om te zien of ik er uit zou kunnen gewaar worden waar hij den schat verborgen had. Ik vond echter geen woord daaromtrent, en moest dus wanhopig terugkeeren. Alvorens ik heenging bedacht ik, dat indien ik ooit mijn Sikhsche vrienden weder mocht ontmoeten, het eene voldoening voor hen zoude wezen, te weten dat ik een teeken van onzen haat had achtergelaten; daarom schreef ik het „teeken der vier” op een kaart en bevestigde het op het lijk.Al het overige is u reeds bekend. En dat ik u het geheel naar de zuivere waarheid heb verhaald, geschiedde niet om u te vermaken, doch wel omdat ik geloof dat mijn beste verdediging bestaat om niets terug te houden, doch bekend te maken hoe laaghartig ik door majoorSholtobehandeld ben, en hoe onschuldig ik ben aan den dood van zijn zoon.”
„Dit is een hoogst merkwaardig verhaal,” zeiSherlock Holmes, „het overige is mij zeker bekend, behalve dat het uw eigen touw was waarlangs gij uwen weg in de sterfkamer vondt. Tevens had ik gehoopt dat Tonga al zijn doornen verloren had; maar het gelukte hem toch er ons een in de boot te blazen.”
„Hij had ze ook allen verloren, sir, behalve deze eene, die nog in zijn blaas-pijp was achtergebleven.”
„O ja;” zeiHolmes, „daar had ik niet aan gedacht.”
„Wenscht u mij nog omtrent het een of ander te ondervragen?”
„Ik dank u,” antwoordde mijn metgezel.
„Welnu,Holmes,” zeideAthelney Jones, „gij zijt iemand met wien men geduld moet oefenen, en wij weten allen dat gij een kenner van misdaden zijt; maar plicht blijft plicht, en ik ben eigenlijk wel wattever gegaan met te doen wat gij en uw vriend mij verzocht hebben. Het rijtuig staat nog te wachten, en daar zijn twee inspecteurs beneden. Ik ben u beiden wel verplicht voor uwen bijstand. Men zal u gewis nog nader bij het rechtsgeding noodig hebben. Goeden nacht.”
„Goeden nacht, heeren,” zeiHolmeslaconiek.
„Gij eerst,Small,” sprak nuJonestot zijn gevangene, toen zij de kamer verlieten, „ik zal wel zorg dragen dat gij mij niet „knuppelt” met je houten been, wat je ook aan dien heer op de Andaman-eilanden mocht gedaan hebben.”
„Welnu, dit is dus het einde van ons klein drama,” merkte ik op, nadat wij een poos zwijgend hadden zitten rooken, „ik vrees dat het het laatste onderzoek zal geweest zijn waarbij ik het geluk had uw methode te bestudeeren.Miss Morstanheeft mij de eer bewezen mij als haren aanstaanden echtgenoot aan te nemen.”
Hij maakte een ontevreden gebaar.
„Ik heb dat gevreesd,” zeide hij, „ik kan u waarlijk niet feliciteeren.”
Ik werd een weinig ontstemd.
„Hebt gij eenige reden om niet ingenomen te zijn met mijne keuze?” vroeg ik.
„In geen geval. Ik denk dat zij een der bekoorlijkste jonge dames is, die ik ooit ontmoette, en zeer nuttig zoude hebben kunnen worden voor onderzoekingen, zooals wij er thans een hebben ingesteld. Denk maar hoe zij voor alle andere papieren die schets van het Agra-fort bewaarde. Maar liefde is een zaak die invloed heeft op het menschelijk gevoel, en al watdit doet is in strijd met de ware, koele rede, die ik boven alle gewaarwordingen stel. Ik voor mij zou nimmer huwen, of ik moest mijne gevoelens verloochenen.”
„Ik hoop dat mijn oordeel het uwe zal overleven,” zeide ik lachend, „maar gij ziet er verdrietig uit.”
„Ja; de reactie is gekomen. Ik zal gedurende een week zoo boos als een spin zijn.”
„Vreemd,” antwoordde ik, „hoe zaken, die ik bij een ander man lusteloosheid zou noemen, in strijd zijn met uwe geestkracht.”
„Dat is zoo,” hernam hij, „ik bezit tegelijkertijd de gegevens van een „suffer” en die van een gezellig mensch. Ik denk vaak aan deze regels vanGoethe:
„Schade dass die Natur nur einen Mensch aus dir schuf,
Denn zum würdigen Mann war und zum Schelmen der Stoff.”
„A propos, wat dieNorwood-geschiedenis betreft, ziet gij dat zij zooals ik veronderstelde, een bondgenoot in het huis hadden, die geen ander kon zijn, dan de huisknecht Lal Rao; en werkelijk heeftJoneshet genoegen, een flinken visch gevangen te hebben.”
„De verdeeling schijnt mij niet eerlijk,” merkte ik op, »gij hebt al het werk verricht. Ik verwerf er een vrouw door,Jonesde eer... wat blijft er nu voor u over?”
„Voor mij,” zeideSherlock Holmes, »blijft nog de cocaïne-flesch.”
En hij strekte er zijn lange, witte hand naar uit.
EINDE.
INHOUD.Hoofdst.Bladz.I.DE KENNIS DER GEVOLGTREKKING5II.DE BESCHRIJVING VAN HET GEVAL15III.OP ONDERZOEK22IV.HET VERHAAL VAN DEN KAALHOOFDIGEN MAN27V.HET DRAMA INPONDICHERRY LODGE40VI.SHERLOCK HOLMES MAAKT GEVOLGTREKKINGEN49VII.DE REGENPIJP59VIII.DE ONGEREGELDE POLITIE UIT DEBAKER-STREET72IX.EEN „KINK IN DEN KABEL”84X.DE DOOD VAN DEN MENSCHENETER95XI.DE GROOTE AGRA-SCHAT106XII.DE ZONDERLINGE GESCHIEDENIS VANJONATHAN SMALL113
Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. 7[Niet in Bron.]„Blz. 7[Niet in Bron.]”Blz. 8Baker StreetBaker-StreetBlz. 19TheaterTheatreBlz. 19[Niet in Bron.]”Blz. 19[Niet in Bron.]„Blz. 20[Niet in Bron.].Blz. 20[Niet in Bron.]”Blz. 22ShaltoSholtoBlz. 26”[Verwijderd.]Blz. 26[Niet in Bron.]”Blz. 28,.Blz. 31UperUpperBlz. 38tookahhookahBlz. 38kapmantalkapmantelBlz. 44vereelttevereelteBlz. 46ineen-dokenineengedokenBlz. 56[Niet in Bron.]”Blz. 57,.Blz. 58LamoethLambethBlz. 59[Niet in Bron.]”Blz. 64hoofknikhoofdknikBlz. 65.,Blz. 65boomstronkeuboomstronkenBlz. 65heeltheeftBlz. 69AdamansAndamanBlz. 71Knigt'sKnight'sBlz. 71NimeNineBlz. 72,[Verwijderd.]Blz. 76AuroraAuroraBlz. 82”[Verwijderd.]Blz. 84[Niet in Bron.]”Blz. 85Mr.Mrs.Blz. 86Mr.Mrs.Blz. 94[Niet in Bron.]”Blz. 98aanmanaannamBlz. 102scheeuwdeschreeuwdeBlz. 102weingweinigBlz. 108.,Blz. 109NorwoordNorwoodBlz. 109.,Blz. 109.,Blz. 109”[Verwijderd.]Blz. 110[Niet in Bron.]„Blz. 111overschilligonverschilligBlz. 112,.Blz. 112[Niet in Bron.]”Blz. 114ikisBlz. 116bethetBlz. 118[Niet in Bron.]„Blz. 118rokkentrokkenBlz. 120,.Blz. 121[Niet in Bron.]„Blz. 122ontblootteontblooteBlz. 122.,Blz. 122[Niet in Bron.]„Blz. 124[Niet in Bron.]„Blz. 124,.Blz. 126[Niet in Bron.]„Blz. 128PershovePershoreBlz. 130.,Blz. 131,.Blz. 132[Niet in Bron.]„Blz. 134.,Blz. 136[Niet in Bron.]”Blz. 136[Niet in Bron.]”Blz. 137[Niet in Bron.]„Blz. 138[Niet in Bron.]„Blz. 138[Niet in Bron.]„Blz. 138[Niet in Bron.]„Blz. 139[Niet in Bron.]„Blz. 139[Niet in Bron.].Blz. 139„[Verwijderd.]
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: