[13]Knecht, ga zeggen aan M. Jules en Juffrouw Hortense, dat men hen wacht om te vertrekken.
[13]Knecht, ga zeggen aan M. Jules en Juffrouw Hortense, dat men hen wacht om te vertrekken.
[14]Wilt gij mij aanmelden, onbeschaamde knecht?
[14]Wilt gij mij aanmelden, onbeschaamde knecht?
[15]Ik zal u aframmelen, schurk.
[15]Ik zal u aframmelen, schurk.
[16]Spaarzaam zijn tot op de kleinste zaken.
[16]Spaarzaam zijn tot op de kleinste zaken.
[17]Uit het spel scheiden. Eene zaak verlaten.
[17]Uit het spel scheiden. Eene zaak verlaten.
FRANSCHE PRONKERS, KALE JONKERS
De schandelijke levenswijs en het lot van Hortense Spinael had vader Van Roosemael te baat genomen, om zijne vrouw tot het terugroepen van Siska over te halen; dokter Pelkmans was hem hierin behulpzaam geweest. Eindelijk nadat Siska drie volle jaren de Fransche opvoeding had genoten en dit laatste jaar geweigerd had, den verloftijd bij hare ouders te komen doorbrengen, stemde de moeder toe in de begeerte van haren man en van den dokter. Er werd een brief geschreven om de meesteresse te bedanken, en men meldde aan Siska, dat hare moeder op den 15dender loopende maand, te vier uren des namiddags, haar aan den ijzeren weg zou gaan afhalen.
Op dien dag was het helder en schoon weder. Omtrent een half uur vóór de gestelde aankomst, stond er eene bijna oude vrouw eenzaam voor de bureelen van den ijzeren weg: zij was zindelijk gekleed, met eene kostelijke kanten trekmuts op het hoofd en eenen fijnen lakenschen mantel om het lichaam. Genoegzaam nochtans kon men bemerken,dat het eene burgervrouw was, die hare Zondagsche kleederen droeg, en daarom, zeker tegen alle gevaar van slecht weder, een buitengewoon groot regenscherm ofparapluiemet zich genomen had.—Het hart van vrouw Van Roosemael, want zij was het, klopte fel van moederlijke teederheid; zij ging hare lieve Siska omhelzen, dat beminde kind in hare armen drukken, en nu zonder ophouden de belooning smaken van al den twist, al het verdriet en al de moeilijkheden, die zij had doorworsteld, om haar eeneluisterrijke opvoedingte doen geven. O, wat vreugd zal dit haar zijn!
Ha, daar fluit het ijzeren gevaarte in de verte! Van alle zijden komen de bedienden uit hoeken en kanten geloopen, uit magazijnen en barakken gekropen. De metalen stem van den monsterwagen hertoovert de doodstille statie in een woelig veld, en het is onder allerlei geroep en geschreeuw, dat het gevaarte stilhoudt.
Nu jaagt de moederlijke boezem onstuimiger: het gelukkig oogenblik is aanstaande! De oude vrouw plaatst zich bij den uitgang der statie en blikt met nauwkeurigheid op het gelaat van al de vrouwen, die haar voorbijsnellen. Weldra vliegen de huurrijtuigen beurtelings stedewaarts, de zwareomnibussensluiten den stoet, en in min dan eenige oogenblikken is het ijzeren paard op stal gezet, de bedienden zijn in hunne holen teruggekropen, de reizigers verdwenen en de statie is weder in hare vorige stilte gedompeld. Moeder Van Roosemael ziet het hek toegaan; droefheid beklemt haren boezem; een pijnlijke zucht ontsnapt hare borst..... Zij heeft hare lieve Siska niet gezien! Nochtans blijft zij ter plaatse staan, alsof zijdoor eene geheime kracht aan het hek vastgehecht ware, en misschien zou zij nog lang in treurige gedachten gedoold hebben, hadde zij niet van verre eene jonge vrouw bij eenevigilantezien staan in de houding van iemand, die wacht en rondziet.
Zou dat wel hare Siska zijn? Onmogelijk! het is eene rijke dame; haar weerschijnend en kleurwisselend zijden kleed laat een groot gedeelte van haren hals bloot! Het is waar, een wazenfichuschijnt hem te willen bedekken, doch verbergt hem niet; bij elke beweging, die zij doet, dansen lange krullen rondom hare wangen, van haren kostelijken hoed waait een winderig gepluimte: hare hand houdt een zeer klein parasolleken; vijftien doozen van allerlei vorm en twee groote kisten liggen voor hare voeten..... Het is Siska niet.
Dit zijn de aanmerkingen, die moeder Van Roosemael maakt, en de gedachten, welke door haren ontstelden geest gaan. Eensklaps doet de jongedame een teeken van ongeduld aan de oude vrouw, en laat daardoor hare wezenstrekken beter zien. Hemel! het is hare Siska!..... Zie, de stramme moeder huppelt vooruit als een jeugdig meisje, twee tranen schieten in hare oogen, een blikkerende lach beglanst haar gelaat, zij opent de armen en roept met roerende blijdschap:
«O, Siska, mijn kind!»
Het moet zijn, dat de naam Siska de jonge dame beschaamt; zij wordt rood! Dan, die kleur vergaat spoedig, en zij doet twee stappen vooruit naar hare moeder. Deze wil hare beide armen om den hals van haar kind slaan; maar zie, de verfranschte dochter zal zich niet aan de omstanders ten tooneelegeven. Zij vat de hand harer moeder, houdt die sterk vast en belet de omhelzing. Dan zegt zij:
«Goeden dag, mama. Hoe gaat het? En met papa?—Let op, gij trapt op mijne doozen..... Ik sta hier al een half uur op u te wachten.»
Afbeelding: Een uur later had Siska zich in hare kamer opgesloten (Bladz. 56.)
Waren deze woorden hard of onbetamelijk? In eene andere omstandigheid zouden zij het misschien niet geweest zijn; maar nu doorsneden zij het hart der liefderijke moeder als zoovele messen. Inderdaad, was dit de taal, welke hare Siska voeren moest na een geheel jaar afwezigheid? Geen enkele zoen, geen handdruk voor haar, die gedurende drie jaren in twist met haren goeden man geleefd had om Siskate believen; voor haar, die al hare hoop in de wederliefde van haar eenig kind gesteld had? Zij moest haar pijnlijk zijn, de hartscheurende, de dorre ontmoeting; want de arme vrouw sloeg zich de twee handen voor de oogen en begon snikkend en met overvloedige tranen te weenen.
Zooverre was alle natuurlijk gevoel echter bij Siska nog niet uitgedoofd, dat zij de smart harer moeder zonder medelijden kon aanzien; integendeel, hare goede inborst nam de overhand. Zij bracht haren arm op den hals harer moeder en zoende ze op beide wangen met eene drift, die zooveel te sterker was, daar zij uit eene geweldsaandoening voortsproot. Getroost en gelukzalig was de oude vrouw; zij hield haar kind tegen de borst gesloten en staarde met zuigende blikken haar in de oogen. «O, Siska, mijne lieve Siska!» herhaalde zij, bevend van ontsteltenis.
Niet waar, zulke oogenblikken zouden talrijk in het menschenleven moeten zijn? Maar, o ramp, daar lacht iemand! Siska hoort het; zij ziet om en bemerkt de spottende uitdrukking op het gelaat van een jong heerken, dat als een schimpend aanschouwer op de betuigingen harer liefde schijnt te letten. Het rood der schaamte kleurt de wangen der juffer; zij rukt zich los uit de armen harer moeder en herneemt haar onverschillig gelaat.
Onderwijl waren de doozen in de vigilante gezet; het rijtuig was er dusdanig mede opgevuld, dat twee personen onmogelijk er nog plaats in konden vinden. Daar Siska zich oneindig veel gelegen liet aan al de modegrillen, welke in de doozen gesloten waren, en bang was voor het verkreuken en pletteren, gaf zijaan den koetsier, die in hare gebuurte woonde, het bevel, om deze goederen naar huis te voeren, en besloot zelve te voet de stad in te gaan. Zouden wij ons bedriegen met te zeggen, dat hoogmoed en ijdelheid aan dit besluit niet vreemd waren, en dat de juffer wel gaarne hare schoone kleederen aan hare bekenden van Antwerpen liet zien?
Siska opende haar zonnescherm, nam eene losse houding aan en trok stedewaarts, zonder hare moeder nog andere bewijzen van liefde te geven. Door deze wreede koelheid was vrouw Van Roosemael pijnlijk aangedaan; zij dorst haar kind niet van boosheid beschuldigen; maar wat de liefde in haar hart voor haar ook pleitte, zij gevoelde toch wel, dat de dokter geen geheel slecht raadsman was geweest. In hare droeve mijmering stapte zij voort als eene dienstbode, die hare meesteresse volgt. Het stilzwijgen duurde al eenigen tijd, en reeds waren de twee vrouwen binnen de stad, toen Siska, hare moeder van hoofd tot voeten op eene zonderlinge wijze beziende, tot haar sprak:
«Maar, mama, hoe zijt gij toch gekleed! Het is gelijk eene arme sloor, met die leelijke trekmuts en dien mantel van den ouden tijd. Ik ben beschaamd voor de menschen. Steek die pastoorsparapluie onder uwen mantel, want wij zien er uit als boerinnen, die van hun dorp komen!»
Vrouw Van Roosemael antwoordde hierop met eene stille stem, die den stempel harer hartsdroefheid droeg:
«Siska, mijn kind, gij moogt zoo vies niet zijn. Ik ben gekleed gelijk mijne moeder zaliger gekleed was; en kan ik nu in mijne oude dagen gaan veranderen?Zie daar niet naar, de menschen hebben er zich niet mede te bemoeien; wij zijn immers niemand iets schuldig?»
Terwijl moeder Van Roosemael deze woorden sprak, hield Siska haar oog gericht op de voorbijgaande lieden, om te zien of de bevalligheden van haar persoon hun uitwerksel deden; zij was uitnemend blijde, wanneer een hoop jonge losbollen lachend onder elkander van haar schenen te spreken en door de uitdrukking huns gelaats schenen te zeggen: «Wat schoone juffer is dat!»
De arme moeder waagde het aan hare dochter te vragen, of zij zich in het pensionaat niet verdroten had, of zij niet liever te huis bij hare ouders was, en meer andere dingen; evenwel, wat pogingen zij ook deed om een vertrouwend en troostend gesprek aan te knoopen, het was al om niet: de dartele Siska had werks genoeg om aan haren gang den noodigen zwier te geven en de loftuitingen in te zamelen, die zij op de wezenstrekken der voorbijgaanden meende te lezen.
Op de Melkmarkt kwam een jong heerken recht op haar aan, met een lachend aangezicht en met zulke gemeenzame uitdrukking, dat men wel zou hebben kunnen denken, dat hij haar broeder was. Vrouw Van Roosemael opende de oogen zoo wijd zij kon en poogde dezen jonkman te herkennen:—zij had hem nooit gezien. Deze liet zich echter door de ondervragende blikken der moeder niet ontstellen, plantte zich stoutelijk voor Siska en zeide met genepene lippen in de Fransche taal:
«Ah, bonjour, mademoiselle Eudoxie! Gij hebt het pensionaat verlaten? Antwerpen gaat het gelukgenieten eene zoo betooverende juffer te bezitten? Waarlijk, eene goede fortuin voor ons, arme jongelieden, die zuchten over de zeldzaamheid van zoovele vereenigde schoonheden!»
Hierop antwoordde Siska, terwijl zij een verleidend lonkje van onder hare wimpers uitschoot en een bedeesd gelaat aannam:
«Gij spot, Mijnheer Georges! Maar hoe gaat het met uwe zuster Clotilde?»
«Goed, zeer goed,» sprak de jonge heer onverschillig. Dan aan zijne wezenstrekken eene half spottende uitdrukking gevende, vroeg hij, terwijl hij de oude vrouw aanwees:
«Is dit uwe dienstmeid?»
Deze vraag deed Siska rood worden tot onder den hoed; zij was beschaamd over hare goede moeder, de verfranschte juffer! Er liep eene zekere wijl voorbij, vooraleer zij, nog blozend en als gedwongen, antwoordde:
«Neen, het is mijne moeder.»
«Ah! ah!» riep de jongeling; en zich tot de oude vrouw keerende, sprak hij met eene gemaakte buiging: «Madame Van Rosmal[18], duld dat ik u mijnen eerbied bewijze. Gij hebt eene bevallige dochter!»
De oude vrouw verstond hem niet; doch zij begreep genoeg wat er omging, en hoe zij het voorwerp zijner schaamtelooze spotternij was. Niettemin, zij knikte met het hoofd om hem zijne buiging weder te geven. De jongeling verwijderde zich, zeggende tot Siska:
«Arme vrouw! zij heeft gelijk, dat zij u onder haren wijden mantel bewaart. Er zijn er zoovelen onder ons, die u zouden willen stelen. Tot wederziens, mademoiselle Eudoxie!»
Met diepen angst had de moeder dit alles nagezien, en zij ware ongetwijfeld in grammoedige verwijten uitgevallen, hadde niet een smartelijk gevoel haren boezem verkropt. Met eene merkbare spijt sprak zij:
«Die Fransche vliegenpikker, wie denkt hij, dat wij zijn? Hij neemt u zeker voor eene andere, want hij heet uEudoxieen zegt tot mijMadame Van Rosmal! Hoe kunt gij toch gediend zijn met den praat van zulk flauw bescheid? Van een mensch, dien gij niet kent?»
Deze woorden vielen niet in den smaak van Siska; dit kon men genoeg bemerken aan haar meesmuilend gelaat. Het was bijna met trotsch medelijden, dat zij antwoordde:
«Gij denkt zeker, dat ik drie jaren lang op een Fransch pensionaat ben geweest om onbeleefd en bot te blijven! Die jonge heer is een kennis van mij; zijne zuster Clotilde was mijne vriendin, en hij kwam haar dikwijls bezoeken.»
«Is het misschien Piet Van der Tangen?» vroeg de moeder.
«Ja, het is M. Van der Tangen.»
«Wel, wel, Siska! Zijt gij niet beschaamd om zooveel wisjewasjes te maken met den zoon van uws vaders baardkrabber? Met dien kalen, luien bliksem, die anders niet kan dan zijnen vader opeten en kasseien verslijten[19]?»
«Hoor eens, moeder, hij kan maar eene goedeeducatiegehad hebben. Hij heeft in Parijs gewoond en, al is hij slechtscoiffeur, hij is toch geleerd en hij kent zijne wereld.»
«Ha, dat heet gij zijne wereld kennen? Niets doen, altijd loopen en oudersverdriet zijn? Welnu, ik zeg u, Siska, dat ik niet wil hebben, dat gij met zulke onbeschaamde sprinkhanen kennis maakt, en wat uwen naam aangaat: ik heet Siska, en gij heet ook Siska. God weet uit wat geuzenalmanak gij dien belachelijken naam van Eudoxie hebt opgevischt.»
Siska was kwaad. Zij antwoordde met bijtende stem:
«Is het mijne schuld dat de demoisellen in het pensionaat mijnen gemeenen naam veranderd hebben?—En toch, ik heet lieverEudoxie Van Rosmal, dan mijne ooren altijd met het plat boerenvlaamschFrancisca Van Roosemaelte moeten hooren verscheuren.»
Ongelukkige moeder, zij dacht op dat oogenblik aan het gedrag van Hortense Spinael, en beefde van angst in al hare ledematen. Voorzeker zou zij scherpere woorden tot hare dochter gesproken hebben: maar nu stonden zij voor den dorpel van den winkel en stapten binnen. Niemand bevond zich alsdan daarin, dan meester Van Roosemael, die bezig was met koffie te malen. Het kostte Siska nu geen geweld om haren vader te omhelzen, daar geen vreemd oog haar kon beschamen. De goede man gaf zich in dit eerste oogenblik gansch aan zijne vaderlijke teederheid over en zoende het opgesmukte kind met blijdschap. Deze liefdesbetuiging werd echter alwederspoedig door Siska afgebroken, en haar ontviel onmiddellijk de Fransche roep:
«Maman, ma chambre?Zeg, waar is mijne kamer? Kan ik deze doozen nu in den winkel laten staan? Koetsier, help mij dit eens boven dragen!»
Een uur later had Siska zich in hare kamer opgesloten en was bezig met hare menigerlei hoeden en kleederen uit te pakken, hare pommadepotten en balsemfleschkens te schikken en hare krullen met de vingeren wat zwieriger dooreen te fladderen. Men hoorde hare stem tot in den winkel: zij zong het eeuwig Fransch referein vanô ma belle, sois moins cruelle, en zoo voorts van hetzelfde staaltje[20].
Meester Van Roosemael stond als bedwelmd achter zijnen toog; zijne eene hand rustte nog zwaar op den arm van den koffiemolen, en met de andere krabde hij achter zijne ooren als een radeloos mensch. Zijn oog blikte stijf en beweegloos vooruit in den winkel; eene diepe, eene pijnlijke overweging had hem weggerukt: hij ook dacht aan Hortense Spinael en mompelde van tijd tot tijd:
«Beest dat ik ben! Hadde ik liever mijne koppige vrouw armen en beenen gebroken. Dokter Pelkmans mocht het wel zeggen, dat ik mijne ooren zou krabben; maar dat klagen helpt er nu wat aan! Eene schoone pleister voor den dood!»
Meer angst, meer benauwdheid en bovenal bittere wroeging des gewetens folterden de arme moeder. In hare halfduistere keuken zat zij in eenen hoek aan de innigste smart overgeleverd, en weende bij poozen met min of meer tranen, naar mate der angstigheid harer overdenkingen.
Ongelukkiglijk hielp het weenen en klagen zoo min als de vermaningen en gebeden: het was al boter tegen den galg gekletst[21]. Siska bleef haren wil doen. Allengskens nochtans nam het moederlijk gevoel van vrouw Van Roosemael toch weder de overhand, en door het geweld, dat zij doen moest om Siska bij haren vergramden vader te verschoonen, eindigde zij zelfs met niets, dat waarlijk slecht was, in haar te zien: wel wat grillen en wat eigenzinnigheden, maar toch zonder erg. Het kind is nog jong; dat zal wel veranderen!—Door deze toegevendheid verkreeg de moeder meer liefdesbetuigingen van hare dochter, en zij troostte zich met aan de klanten te kunnen zeggen:
«Onze Siska is geleerd, man. Zij kent haar Fransch beter dan haar Vlaamsch. Zij is eene perel van eene vrouw!»
Even gelijk alle burgerdochters, die in een Fransch pensionaat zijn opgevoed, bezat Siska eene zeer aardige geleerdheid. Van de Fransche taal kende zij hetgene noodig is om ijdele woorden te wisselen, en te spreken vanamourentoilette. In die gesprekken zelve trok zij het Fransch schrikkelijk bij het haar; doch hare stoutheid en hare losse wending deden deze feilen lichtelijk over het hoofd zien. De rekenkunde kende zij niet: dit is eene veel te moeilijke wetenschap voor zulke teere jufferkens; ook kon Siska geene optelling maken, alhoewel zij genoeg in het cijferen geleerd was, om te weten, dat, wanneer men drie vrijers te gelijk heeft, men er dan al eenen kan verliezen zonder daarom geheel verlaten te zijn. Van de aardrijkskunde had zij onthouden dat Parijs de schoonste stad der wereld is, het Luilekkerland der jonge meisjes, waar men altijd malt en danst, waar tienmaal meer komedies dan kerken zijn, waar de modes en de pommades uitgevonden worden, enz.; de schoonste dingen verzwijgen wij. De fabelkunde ofmythologiehad haar anders niet geleerd dan dat de godin der liefde Venus heet en dat de kleine Cupido haar zoon is. Verder wist zij de Fransche benamingen van alle soorten van kleederen en stoffen, van alle haartooisels, van alle pommades, reuken en stanken, van alle pasteikens en bankettaartjes..... Zie, daarin bestond de geleerdheid van Siska. Was zij eene parel van eene vrouw of eene verfranschte windblaas?
Vader Van Roosemael zou op deze vraag niet gunstig geantwoord hebben, zooals genoeg blijkt uit de volgende woorden, welke hij omtrent dien tijd tot dokter Pelkmans sprak:
«Hadden wij uwen raad gevolgd, dokter, dan zou onze Siska nu vergenoegd en eenvoudig achter haren toog staan. Zij zou ons beminnen, en wij zouden met vermaak werken om haar een goed erfdeel en eenen welgekalandeerden winkel na te laten; maar wat is het nu? Zij zit achter den toog met eenen zijden voorschoot en gekruld haar, zonder muts; zij klapt en babbelt den ganschen dag met jonge melkbaarden enkale Ratten, die, onder voorwendsel van sigaren te koopen, mijn huis afloopen en de burgers er uitjagen. De helft mijner klanten ben ik reeds kwijt. Vriend Pelkmans, als ik dood ben, zal de vaderlijke winkel ook te niet gaan; want Siska zal nooit willen trouwen met een jongen van haren staat; en zeg mij eens, waar zijn die papieren jonkers goed toe? Gij hadt gelijk, dokter: eene grondige Vlaamsche opvoeding zou van mijne Siska eene bekwame en spaarzame huisvrouw gemaakt hebben; meer nuttige dingen zou zij kennen dan zij nu kent; zij zou godvruchtig en zedig gebleven zijn; maar neen, zij moest naar een pensionaat gaan en Fransch leeren.—Zie, het is mogelijk, doch ik kan niet gelooven, dat zulke opvoeding een edelmanskind betaamt. Dan, wat ik het best weet, is, dat zij een burgermeisje in den grond bederft. Maar wat is het, dokter? Als het kalf verdronken is, vult men den put, en men krabt zijne ooren, gelijk zij zegt.»
[18]De naam Van Roosemael op zijn Fransch uitgesproken.
[18]De naam Van Roosemael op zijn Fransch uitgesproken.
[19]Altijd op de straat zijn en dus de kasseien en steenen verslijten.
[19]Altijd op de straat zijn en dus de kasseien en steenen verslijten.
[20]Wij zeggen van hetzelfde staaltje, en bedoelen hierdoor van die kinderachtige Fransche liedekens, waarvan de rijmen altijd en onveranderlijk de volgende zijn:amourdouleurjolieretour.cœur.ravie.charmestendresseta vuealarmes.allégresse.âme émue.belleâmerevoircruelle.flamme.desespoir, etc.
[20]Wij zeggen van hetzelfde staaltje, en bedoelen hierdoor van die kinderachtige Fransche liedekens, waarvan de rijmen altijd en onveranderlijk de volgende zijn:
[21]Nuttelooze moeite.
[21]Nuttelooze moeite.
BETER LAAT BEROUW DAN GEEN
Van den eersten dag harer terugkomst in het vaderlijk huis, had Siska alles daar begonnen te beschimpen. Niets konden de goede ouders doen, of het was gemeen, slecht of onbetamelijk; en daar de verfranschte juffer doorleerd was in velerlei grillige gauwigheden, boog en plooide zij den wil harer ouders als warm was.
Och! vóór drie uren kon zij niet eten: zij had geene boerenmaag! Bij het hooren dezer nieuwigheid werd de vader gram, de moeder bedroefd; beiden, omdat zij nu hun geheele leven lang op hetzelfde uur het middagmaal genomen hadden en schrikten van zulke grondige verandering, die al hunne andere bezigheden moest overhoop werpen; maar Siska begon te moffelen en zuur te zien,—het hielp toch niet, alhoewel de moeder haar ditmaal uit medelijden bijstond. Dan viel Siska in onmacht; zij kreeg leelijke stuiptrekkingen en ging te werk als iemand, die zijn pak maakt om naar de andere wereld te verhuizen. Een verfranscht dokter, ervaren in de eigenzinnige ziekten der welopgevoede juffers, kwam zoovele ijselijke dingen van de zenuwen der vrouwen vertellen, dat de ouders Van Roosemael uit benauwdheid besloten om drie uren het middagmaal te nemen. Hoe dikwijls nochtans scheurden zij van honger, daar zij altijd van vier of vijf uren des morgens opstonden en zoolang moesten vasten, terwijl de dartele Siska nooit vóór negen uren beneden kwam.
En de keuken dan? Wat arme keuken! Altijd aardappelen, koolen of savooien, en ossenvleesch, gezoden of gebraden; het is altijd hetzelfde; Siska is van tijd tot tijd zoo slap en zoo flauw!—Zij zal een duifken of wat vinkskens eten..... dat zal haar beter smaken en haar deugd doen.—Hare zakken steken altijd vol pepermunt en citroenpastilen, en niet zonder reden; want het ongelukkige kind heeft allerlei kwalen: pijn aan de maag, pijn aan het hart, pijn in het hoofd, pijn op de zenuwen, pijn overal..... Och arme!
Met hare moeder naar de mis van zes uren gaan, zal zij niet doen: in den Winter is het te koud, en in den Zomer wil zij tusschen al dat gemeen volk niet zitten; zij zou wel kwalijk vallen. De hoogmis duurt veel te lang; zij krijgt koude voeten op die blauwe steenen. Maar de kwartjesmis[22], dit is hare zaak; daar ziet zij schoonetoilettenom die na te apen. En dan kan zij nog eens over het Groen kerkhof wandelen en hare nieuwe mantille laten zien aan de jonkheidvanbon ton. (Nota bene. Vele kleermakers, sigarenrollers en heerenknechts).
Ziet, zij heeft hare oude moeder gedwongen, hare kanten trekmuts tegen eenen zijden hoed te verwisselen en bottinnen aan hare voeten te rijgen, anders zou zij met haar niet meer willen uitgaan. Maar hoe ongelukkig ziet moeder Van Roosemael er uit onder haar kartonnen dak! Zij krabt gedurig aan hare ooren, want die zijn het pletteren nog niet gewoon, en zij kan nauwelijks drie stappen doen, of zij beweegt hare voeten gelijk iemand, die in eene oude mat of in eenen vuilnishoop verward is: de nestels der bottinnen kunnen met hare beenen maar geen kennis maken. Arme vrouw! de geburen lachen haar uit, terwijl zij parelen zweet en wel door de steenen zou willen zinken van schaamte.... Dan, vergeet niet, dat zij dit alles voor hare dochter lijdt, en het dus geen wonder is, dat zij zonder klagen hare smart verkropt. Wat vader Van Roosemael betreft, die werd nog het meest door de grillige Siska gepijnigd; hij was altijd meester in zijn huis geweest en had zijne zaken zoo voorzichtig aangelegd, dat deze op geen oogenblik van zijn leven achteruit waren gegaan. Nu voorzag hij, dat er wargaren ging ontstaan; doch hij had bijna niets meer te zeggen. Wat hij goedvond, keurde zijne dochter af, en niet zelden dorst zij te kennen geven, dat hij bekrompene gedachten had. Werd de man dan boos, zoo geraakte het huis in rep en roer: hij aan de eene zijde en Siska met hare moeder aan de andere. Men weet het: zoo haast het op snauwen en twisten uitkomt, is de man een onmachtig kind in vergelijking der vrouw; hij maakt zich eenige kannen zwart bloed, slaat wat opde tafel en bijt wat op de tanden; maar heeft hij ooit het laatste woord gehad?
Dokter Pelkmans had men het insgelijks zoo moede gemaakt, dat hij eene walg van het huis gekregen had en er schuw was van geworden.
Vader Van Roosemael was niet tusschen twisten en kijven opgevoed; vrede en stille vriendschap achtte hij het grootste geluk op aarde; ook liet hij eindelijk vele zaken tegen zijnen dank geschieden, om in geenen nutteloozen woordenstrijd te vallen. Niettemin, deze eeuwige dwang en de plotselinge verandering van zijn huishouden benevelden zijnen geest met diepe droefheid, en niet zelden begroette hem de eene of andere bekende met deze woorden: «Maar, Van Roosemael, wat zij gij mager geworden! Zijt gij ziek geweest?»
In eene enkele zaak was het den goeden man gelukt, tot hiertoe te overwinnen, namelijk in de aanvallen, welke Siska tegen den winkel zelven richtte. O, die zou en die moest veranderd worden! Dan, dit kostte meer moeite en meer listen.—Achter dien toog was vader Van Roosemael opgevoed; de stoel, waarop zijne moeder zaliger hem gezoogd had, stond er nog; die tonnekens en kinnekens had hij toegelachen, eer hij spreken kon; geen barstje, geen teeken, of het was hem eene zalige herinnering: ter oorzake van den geblutsten pot, die daar staat, had zijn vader, den dag vóór zijnen dood, hem eene zoo treffende vermaning over de spaarzaamheid gegeven, dat hij ze nu onuitwischbaar in zijnen geest geprent hield; de zware vlekken, op dat groen tonneken, waren vlekken, die hij, kind zijnde, met zijne handekens gemaakt had, omdat zijne goede moeder hemsomtijds daaruit een stuk suiker langde, en hij het tonneken dikwijls poogde open te streelen; op dien houten bak staan twee letters ingesneden: J.-S..... Zij beteekenen Jan-Siska en zijn een gedenkstuk zijner eerste en innige liefde.—In één woord, deze winkel was zijn vaderland, zijne wereld; alles, wat er zich in bevond, maakte deel van zijn bestaan en van zijn leven.
Ook, wie zal zeggen wat vloed van tranen Siska gestort heeft, hoe dikwijls zij flauwgevallen is, hoevele dagen zij geweigerd heeft te eten, hoevele stuipen en zenuwtrekkingen zij gehad heeft om den onverbiddelijken wil haars vaders te breken en den winkel te mogen verfranschen?—Ja, dit heeft een jaar lang geduurd: twaalf maanden van twist, van huisverdriet zijn er voorbijgegaan, eer de oude Van Roosemael, als een overwonnen soldaat, het hoofd liet vallen en met tranen in de oogen zeide: «Doet al aan!»
Maar dit woord, dat als zijn eigen vonnis hem door het harte sneed, knakte terzelfder tijd zijn gemoed en zijn lichaam ter neder; hij begon te kwijnen, werd bleek en zwak, en scheen met eene geheime kwaal naar het graf te wandelen. Niet zelden beefde Siska als een riet, wanneer het glinsterend oog van haren grijzen vader eenen beschuldigenden blik in haar oog schoot; maar hij sprak niet, de moedelooze man,—en staarde in stom verdriet op de werklieden, die bezig waren met zijnen winkel overhoop te zetten. Hij zag al zijne dierbare herinneringen vernietigen; en, naarmate er eene van deze onder den borstel des schilders of onder den beitel des timmermans verdween, werden zijn adem en zijn leven korter.
Afbeelding: Eene jonge vrouw geheel in eenen zwarten mantel gedoken. (Bladz. 70.)
Welhaast was de eenvoudige burgerwinkel herschapen in een prachtig magazijn. Alles blonk er van koper; de toog was beschilderd met engeltjes, die koffie maalden, sigaren rookten of tabak wogen; de vensterglazen waren zoo groot als spiegels en overdekt met Fransche opschriften. Het gas verlichtte dit alles; eene meid en een knecht stonden achter den toog met de armen overeen geslagen, en Siska of mademoiselle Eudoxie Van Rosmal zat tegen het venster, op eene hoogte, eenen Franschen roman te lezen.
Die staat van zaken duurde langen tijd, tot het groote verdriet van den moedeloozen vader. Zooverrewas hij nu geraakt, dat hij aan alles onverschillig scheen, tot zelfs aan de vriendschap van Spinael. Deze had, op aanrading van Van Roosemael, den koophandel in huiden en leder begonnen en had in korten tijd veel gelds gewonnen, zoodat hij in staat ware geweest om de ontleende duizend gulden af te leggen, hadde Van Roosemael ze niet blijven weigeren. Van zijne kinderen had hij nog niets vernomen.
Terwijl alles in den winkel verwardelijk toeging en de geldkas ledig geraakte, lag vader Van Roosemael ziek te bed; maar, vermits hij nooit klaagde van pijn of ongemak, dacht men of wilde men denken, dat het eene gewone onpasselijkheid was, en men vergenoegde zich met hem wel zorglijk te dienen.
Op eenen morgen nochtans verzocht hij, dat men M. Pelkmans en Spinael zou gaan roepen.
De laatste was juist voor handelszaken naar Keulen gereisd.
De dokter kwam onmiddellijk en bleef lang alleen met den zieke. Wat er tusschen hen beiden omging of wat zij zeiden, weten wij niet. Dan, na een uur tijds hoorde men iemand de trappen afkomen,—en de dokter verscheen in den winkel. Zijn gelaat was bleek als dat van eenen doode en loste ijselijk uit op den kraag van zijnen zwarten mantel; de oogen stonden hem fonkelend in het hoofd, en zijne wangen beefden krampachtig als die van een woedend mensch: door de opening van zijnen mantel kon men zien, hoe zijne geslotene vuist zich nijdig toeneep. Van het oogenblik zijner verschijning in den winkel had hij zijne vlammende oogen als pijlen in die van Siska gericht, en ging nu als een spook achter dentoog tot haar. Zij, vol angst en benauwdheid, stak hare twee handen vooruit, alsof zij deze akelige verschijning van zich wilde weren; maar de dokter ontsloot zijne vuist, sloeg zijne hand aan haren pols, neep dien te pletten en sprak met eene ijselijke stem:
«Uw vader gaat sterven, misdadig kind!—Gij hebt hem vermoord!»
Dan liet hij haar in onmacht op haren stoel nedervallen, ging ten huize uit om eenen geestelijke te halen, en kwam kort daarna met de Berechting terug.
Nadat de zieke Van Roosemael de laatste hulp der Kerk ontvangen had en de priester weg was, zuchtte hij:
«Mijn kind, mijne Siska wil ik zien, dokter..... Maar vergiffenis voor haar!—o, pijnig ze niet door strenge woorden!»
«Ik ga ze halen; maar zij moet gestraft, zij moet gebroken worden. Misschien zult gij dan uit den hemel op een deugdzaam en berouwend kind kunnen nederzien.»
Met deze woorden opende de dokter de deur der kamer en ging beneden in de keuken. Dáár zaten moeder en dochter met de handen voor de oogen te weenen; Siska ging te werk, dat zij een steenen hart zou hebben vermorzeld: zuchten, kermen en akelige klachten welden op uit haren boezem. O, ditmaal was hare wanhoop niet geveinsd! De pletterende woorden, welke de dokter als de vervloeking van den vergramden God in hare ooren had doen klinken, hadden haar den blinddoek met geweld afgerukt. De naam van vadermoordster, die nu gedurig voor hareoogen in vlammende letteren stond te lezen, brandde op haren geest als eene sprankel van het helsche vuur, dat haar wachtte. De zware stap des dokters deed haar met schrik opzien..... Ho! daar staat hij weder voor haar, de wraakengel des Heeren! Zijn stekend oog dringt tot in hare ziel; onder zijnen machtigen blik voelt zij hare krachten verminderen; eene koude ijzing stolt het bloed in hare aderen..... Maar zij rukt zich los van onder dit toovergeweld;—zij springt op, ploft neder op hare knieën voor hem, heft de armen in de hoogte en roept:
«Uwe gramschap is rechtvaardig! Ik ben een misdadig en verfoeilijk schepsel...... maar, in den naam van mijnen stervenden vader, o, genade, genade voor mij!»
Twee tranen rolden blinkend over de wangen des dokters; zijn gelaat verloor eensklaps de uitdrukking van toorn, om alleen nog de kenmerken der diepste droefheid te behouden. Hij naderde tot het smeekende meisje, nam haar bij de hand en sprak, zonder haar van den grond op te lichten:
«Siska, ongelukkig kind, gij hebt schrikkelijk tegen God misdaan, want Hij heeft gezegd: bemint uwen vader en uwe moeder,—en gij, wat hebt gij gedaan?..... Neen, neen, vrees niet, ik zal het ijselijk woord niet meer herhalen.—Herkoop uwe misdaad, Siska; er is nog één middel om u met God en met uwen vader te verzoenen. Ga tot hem, hij roept u stervende,—maar geef acht! Indien hij deze wereld verlaat zonder de overtuiging van uw berouw en uwe bekeering, indien hij den geest geeft zonder troost, zonder vrede en zonder hoop voor u..... o, dan zal de vloek des Heeren u vervolgen tot na dit leven!»
Hoe bitter, hoe hartverscheurend deze woorden ook waren, scheen Siska daaruit meer moed te putten; zij zoende de handen van den dokter met drift en riep, terwijl zij opsprong en naar de kamer haars vaders vloog:
«Dank! dank!»
..... Zou ik nu het plechtig stervensuur des vaders en de wanhoop der dochter afschilderen? Zou ik u Siska toonen, waar zij huilend en met hangende haren door de plassen harer gestorte tranen kruipt? Zou ik u zeggen, hoe zij haar hoofd tot bloedens toe tegen het doodbed haars vaders knotst; hoe zij hare schoonheid poogt te vernietigen en met hare nagels door hare wangen ploegt; hoe zij al de teekens harer wulpschheid scheurt, vertrapt en verbrijzelt?—O, neen, dit tooneel ware te wreed en te pijnlijk!
Ziet, de vader gaat sterven; maar eene uitdrukking van gelukzaligheid maakt zijn aangezicht gelijk aan dat van eenen heilige. Zijne brekende oogen zijn met een troostvol gevoel voor het bed gericht. Dáár zit Siska geknield; zij houdt hare moeder in beide armen omsloten, zoent ze met teederheid en smeekt om vergiffenis; de dokter staat bij haar en stort tranen van ontroering.—Dit tafereel ziet de stervende..... hij laat zijne slappe hand over de bedsponde rijzen en op het hoofd van zijn kind nedervallen. Dan zegt hij, terwijl zijne ziel hare vleugelen ontplooit en van de aarde hemelwaarts opschiet:
«Gezegend, gezegend, o Siska, mijn kind!»
De honderdjarige winkel van Van Roosemael is nu gesloten. Moeder en dochter leiden een eenzaamen boetvaardig leven; zij herinneren zich met afschrik de oorzaak hunner rampen en voegen in hunne litanieën dit beteekenend gebed:Van het Fransche zedenbederf bevrijd ons, Heer!
Heer Lezer, ik heb eenige hoop, dat deze ware geschiedenis uwe toegevende aandacht zal gevestigd hebben, en dan zult gij wellicht ook nieuwsgierig zijn om Siska te zien. Welnu, indien gij inderdaad die begeerte hebt, ga dan des Vrijdags, omtrent zes uren des morgens, of wat later, naar de Predikheerenkerk; doe de deur ter rechterhand open en stap voort over het oude kerkhof, tot onder den Kalvarieberg en in de spelonk van het Vagevuur. Hier zult gij eene jonge vrouw geknield zien zitten, geheel in eenen zwarten mantel gedoken en met de kap over het aangezicht. Indien gij scherp luistert, zult gij de parelen van eenen rozenkrans tusschen hare vingeren hooren glijden, en van tijd tot tijd zal van onder hare kap een zucht opgaan als die van eene der lijdende zielen. Zij echter zal zich niet roeren, en in de halve duisternis zal zij u voorkomen als een biddend beeld, dat daar gesteld is. Indien gij dan ziet, dat zij, opstaande, eenen langen kus op de hand der smeekende ziel plaatst en traaglijk de spelonk verlaat, zonder u schijnbaar te hebben bemerkt, zeg dan stoutelijk: ik heb Siska Van Roosemael gezien!
De dochter van Spinael zal ik u niet wijzen: er zijn plaatsen, die men niet noemen mag. Wat haren broeder betreft, er zijn gevangenissen genoeg in Frankrijk, om gauwdieven en schelmen op te sluiten.
EINDE VAN SISKA VAN ROOSEMAEL
[22]In de hoofdkerk te Antwerpen wordt er des Zondags, te twaalf uren, eene misse gelezen, die men dekwartjesmisnoemt, omdat zij gewoonlijk slechts een kwartier duurt. Wie laat opstaat of schoone kleederen te toonen heeft, gaat naar deze mis.
[22]In de hoofdkerk te Antwerpen wordt er des Zondags, te twaalf uren, eene misse gelezen, die men dekwartjesmisnoemt, omdat zij gewoonlijk slechts een kwartier duurt. Wie laat opstaat of schoone kleederen te toonen heeft, gaat naar deze mis.
Transcriber's notesThis novella was combined into one printed volume with another novella called "Hoe men schilder wordt," which will also appear in due time. References such as a table of contents that point to the other novella have been left out of this e-text.A footnote is missing onpage 57of the print version. Also, the numbering of footnote references on that page is in the wrong order. This has been corrected in the e-text.Page 9: inserted full stop after "Semelles de liège, enz".Page 10: inserted closing quotes after "toch niet vangen.....".Page 19: capitalized "ik" at the beginning of a sentence: "Ik versta u genoegzaam".Corrected: "et hare moeder" to "met hare moeder" onpage 62.Corrected comma to full stop after "in hare aderen...." onpage 68.Corrected "gescheurt" to "gescheurd" in "reeds lang gescheurt" onpage 29.OE ligatures have been transcribed as "[oe]" in the TXT version.The HTML version contains invisible page numbers that refer to the page numbers of the original print edition.