Aenmerckingen

AenmerckingenOp het wonderbaer°houwelick voren geroert.1. Oorspronck van de lant-loopers, die wy heydens noemen.2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemantverlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge1435in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefdepast*.3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofteongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy.4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte1440gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by diegelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde in-gevoert.5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komendesaken ondersouck te doen.14456. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden in houwelicke te treden.Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys een haven om soo voor-by te zeylen met een loopendespriet?*1450Soph.Ick en had u niet ghesien, Philogame, danjuyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure quam.Phi.Soo was dan u voornemen niet, naer ickhoore, om my de eere van u versouck*te geven.1455Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen,behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wiltdoen van uwe in-vallen*op het selsaem houwelick van den Spaenschen edelman met het heydinneken.1460Soph.Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegenis. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat ghy van my versouckt.Phi.Op de gelegentheyt*van de voornoemde geschiedenisse,1465wilde ick voor eerst (soo het u welgeviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout*vandese lant-loopers, die men heydens noemt, en van waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen; want sulcx dunckt my aenmerckens weert te1470wesen.Soph.Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lievePhilogame. Ghy siet*hier vanE. Pasquierin syn 4. bouck in’t 17. cap. van het Ondersouck van Vrankrijk; die verhaelt uyt d’oude schrijvers, dat1475dese menschen in ’t jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesprotente zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t’onder-gebracht van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts1480daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen,sonder tegens de selve eenigen sonderlingen*tegen-weer te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen zijnde tot kennisse van de Christen vorsten,1485dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen, en de Saraçijnen verdreven; niet willendede Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt ende ontrouwe) dat de selve in haer landtsouden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought1490na Roomen, om aldaer van den Paus t’ontfangen soodanigen ordre als daer goet soude gevonden werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus (alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve1495hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, sevenjaren langh te mogen*gaen dwalen door de werelt,sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende*hun even-wel, om eenighsins hun te mogengeneren, dat yder kruys-dragende*Bisschop ofte Abt1500hun soude hebben te geven voor eenmael thien pondentournois.*Datse in den voorsz. jare 1427. in den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijfjaren alreede te hebben gedwaelt.Pasquierverhaelt vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx1505als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elckoir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert,1510gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge, een lappe lakens om ’t lijf gebonden hebbende met koorden vast gemaeckt; ende in ’t korte een vreemtgespuys van menschen. Noch wijders, datse veel haer werck maeckten van de lieden in de hant te1515kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten,de mans in-beeldende*dat de vrouwen quaet1520garen sponnen;*van gelijcken datse door quade kunstenhet gelt uyt de*lieden beurse in de heure kondendoen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende eendeftige*predicatie tegens haer bedrijf dede doen door1525een prediker monick geaemtle petit Iacobin, de welcke onder andere seer berispte alle de gene die sigh in de handen van dit volck hadden sien laten, en de selve gheloof waren gevende°: en tot besluytdatse van daer spoedelick mosten vertrecken ende1530haren wegh nemen nae Pontoise.Munsterusverhaelt datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417.En soo ghy breeder bescheet hier van souckt teweten, mooght den selven met andere schrijvers naesien, soo ’t u gelieft, te wetenCamerar. hist. medit.1535part.I.cap.17.Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c.Phi.Ick sal my derhalven vergenought houden met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen tot de geschiedenisse selfs.Ick hebbe voor eerst gelet in ’t lesen van het1540eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo hetscheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken;te weten, dat Giralde door liefde vervoert moeste wesen, en dat sulcx d’oorsake was van hare1545sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick welonder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen,2ofte van de ondersouckers der naturen,*offer een sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant1550(die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen wetenofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne1555te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten, of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte vanmenschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofteandere toe-komende saken.Soph.Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt1560van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien best by de meesters van de selve kunste beslecht soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh oogh hebbe laten gaen over boucken van die1565gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerdeAvicenna, en met den selvenFranciscus Valesiuslib.3.Controvers. Philos. & medic. cap.14.Iaques Ferrand Argenois de la maladie d’Amour ou melancholie1570Erotique.) een groot Spaens doctor, met verscheydeandere van de gheleerste in die kunste vast stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock geen sekere teyckens in de selve, waer door diesieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En1575voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde, soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft,is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse is houdende°: maer buyten ofte boven reden en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet1580in het herte sigh onthout, ende dien volgende*dat uytde pols ofte slagh-ader°(die uyt het herte haer beweginge heeft) geen vaste teyckenen en konnen werdengenomen*, om te weten of yemant met de minnekoortsegequelt is, dan niet; en noch min, wie daer1585van d’oorsake mochte wesen.Phi.Gewisselick het is my leet dat de kunstesoo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer ’t al schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en1590zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat al lange in voorlede tijden een groot deel van desekunst is ondeckt°geweest, even by oude vrouwendie wat geslepen waren. Ick sie datCanacein dit gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (alsOvidius1595verhaelt)Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden,Wt°ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*;Die seyde my in ’t oir: Ick sie het datje mint,1600En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint.En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemtdat alle onse groote doctoren hier in noch maer als mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af sooklaer in sagh.Soph.Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist1605soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerdehebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is diejuyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uytdat de kunstenaers*uyt andere gelegentheden*(jaeoock uyt de pols selfs) niet al merckelicke*dingen en1610souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte*soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel, datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest ende noch zijn, die door middel van de kunstten klaersten hebben weten t’ondervinden*, dat yemant1615van die wespe gesteken was.Avic. lib.3.cap. de amore.En noch meer als dat,Soranusvan Ephesen (als in het leven vanHippocrateste lesen is) ondeckteklaerlick de liefde die de koninghPerdiccasdroughtotPhyla, een by-sit van syn vader; en dat even1620op de selve maniere gelijckErasistratusuyt-vontde brandende genegentheyt vanAntiochustotStratonicesyn stiefmoeder. (Val. Max., l.5cap.7.)Galenusin syn bouck, daer hy handelt van de genedie den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben1625konnen ondervinden den heymelicken minnebrant vaneen Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet*hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Vangelijcken roemt de selveGalenuste hebben weten nate sporen de liefde van een voornamelicke*jonckvrouwe1630tot eenen schoonen jongelinghPhiladesgenaemt.Iaques Ferrand, een geleert Frans medeçijn,seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden tehebben de malle minne-driften die een jongh student(een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een1635schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huysedaer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse breeder verhaelt in syn bouck by hem op dese stoffe beschreven.Phi.Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en1640soude men door de kunst niet alleen konnen uytvindenof yemant liefde drough, maer oock tot wien. Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want mydunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt*van grooten gebruyeke soude konnen wesen.1645Soph.Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh schijnt te wesen, soo wil ick u seggen ’t gene ickervan bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemantmet liefde is bevangen, en op wien (’t zy dan man of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een1650vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick in u hant krijgt de hant van de gene daerghy de preuve°van nemen wilt, ende leght dan u vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo brenght in u reden te passe den naem van de gene1655die ghy meynt dat haer meest aen ’t herte leyt;spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfsschoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven, en t’elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelickwat veranderingh ghy in haer oogen, wesen,1660ende sonderlinge*aen haren pols-slagh sult gevoelen: daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer rechtghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*, ende een veranderlicken pols gewaer worden, diegeen regel of slagh en sal houden. (Paul. Æginet.1665lib.3.cap.17.de amore.) Ghy sult oock meer andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlinghuyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn temercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch watop*dat vry aen-merckens weert is, en van grooten1670ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt.Phi.Ick bidde u en spaert doch geen broot voor devrienden, ende en laet niet onder u tonge ’tgene ick soo seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet.Soph.Neen, vrient, soo plagh men een boer syn1675kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uytgeseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo opeen bot*en met eenen adem niet geleert wesen.Phi.Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven1680geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope hetkloen*wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die tevinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel,1685dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen, maer by de gene die wat kennisse van saken hebben,kan gedaen werden. Het komt my nu binnen*datick gelesen hebbe, datErasistratus(daer ghy te vorenvan gewagh deet) de liefde vanAntiochusgewaer1690wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t’elcken veranderde alsStratonicesyn stief-moeder in de kamerofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh. De poëten hebben daerom wel geseyt,1695Wie is die heeten°minne-brantBehendigh in syn boesem sluyt?De liefde past op geenen bant;Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.Soph.Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh; maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te1700willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader, om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selvebuyten gewoonte verandert, en rasser of°harder slaet3op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon)dat t’elcken een uytmuntende*liefde hier van1705de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnenvervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn, uyt ghelijcke oorsake.Phi.Hoe gingh dat toe, weerde Sophronisçe?1710Soph.De selve jongen doctor onder andere hebbende een wijle vergeselschapt een vermaerden medeçijn, als hy by de siecken gingh (als in Italien totbericht*van de studenten veel geschiet) en gewaer zijnde gheworden, dat de doctor (als hy de pols van1715de siecken getast hadde) wiste te seggen waer door de sieckte was veroorsaeckt, als door eten van meloenen, noten, appelen, vijgen, ofte diergelijcken fruyt,bad ernstelick den man, hem te willen openbaren waeruyt hy sulcx wist, als hy seyde. De doctor, na des1720hem te hebben laten bidden, seyde hem, dat hy ontrent de siecken komende neerstelick was gewoon achtte nemen, of hy in of ontrent de kamer van desiecken niet eenige schellen van noten, meloenen, of diergelijcke vruchten en vernam; en die siende,1725dat hy daer op dan aengingh. De nieuwe doctor, dese lesse wel meynende onthouden te hebben, ende die willende in ’t werck stellen, was korts daer nageroepen over eenen schamelen arbeyder, sieck te bedde leggende; voor wiens hutte hy een vers eselsvel1730siende leggen, hadde daer op den patjent syn pols geraeckt, ende geseyt dat hy gansch swaerlick sieck was, en dat sulcx hem niet vreemt en docht, dewijle hy soo harden ende onverdouwelicken kost, te weten esels vleesch, hadde bestaen te eten. De1735siecke, des verwondert zijnde, seyde, dat de doctor geheel van den wegh was want (seyde hy) ick en hebbe in acht dagen en langer geen esel gesien, ten ware mijn heere den doctor. De misslagh van dejongelingh quam daer uyt, dat hy den regel dien1740hy gehoort hadde al te breet en sonder bescheydentheyt*in ’t werck stelde. En voor u, lieve Philogame,staet te letten, dat ghy niet in gelijcke dwalingen en valt.Phi.Is daer voor te vreesen Sophronisçe? Ghy1745hebt my verklaert dat veel gheleerde medeçijnenvast stellen, dat indien op den naem van eenighpersoon de pols van een jonge juffer, en oock haerwesen, seer verandert, dat daer uyt vastelick te besluytenis datse van desselfs liefde bevangen is.1750Soph.Maer of het gebeurde dat yemant een jonge deerne onteert, en haer daer na verlaten, ofte andereschamperheyt*aengedaen hadde, ende dat sy daer uyt in quellinge zijnde gevallen, een doctor (als ghy) haer daer op quame te besoucken, en dat de selve1755sprekende van den voorsz. persoon, gevoelde de slagh-adervan de voorsz. jonghe deerne heftiger slaen, als te voren; soude hy niet een grooten misslagh doen daer uyt te besluyten, dat sulcx uyt liefde geschiede, daer het uyt het tegen-deel, dat is, uyt louteren1760haet, syn oorspronck soude hebben? ’T is seker,dat jae. Want dewijle het voren is vast gestelt,datter geen bescheyden*en eygen beweginge in deslagh-ader te vinden is die juyst alleen past op deminne-sieckte, en dat daerom met omsichtigheyt en1765vernuft alle omstandigheden moeten werden overwogen,eer men yet sulcx besluyten kan, soo sietghy wel hoe los*u op-genomen*kunste gaet.Phi.Ick sie wel ghy sout my geerne wederom van ’t stuck leyden; maer ick en meyn het daer by1770niet te laten, maer moet het vogeltjen (soo men seyt)onder de steert sien, en dan dagh en raet.*Maerwat is u gevoelen, of men uyt yemants hant ofte andere leden, uyt de strepen en linien van de selve,yet sulcx ofte andere saken, rakende yemants innerlicken1775aert, nae de kunste kan uyt-vinden? en of het een Christen geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in ’t stuck van synhouwelick daer uyt te mogen verstaen*? of dat hyandere middelen vermagh te gebruycken, om van1780toekomende dingen de uyt-komste te weten?Mart. Delrio disq. Mag. lib.4.cap.5. Hier op wat berichts, weerde Sophronisçe.Soph.Wat het eerste aengaet, ick weet dattergeleerde gevonden werden die hier van groot werck1785maken*, en dese kunste (indiense weerdigh is soogenaemt te werden) oock met de schrifture willen bevestigen,daer toe treckende de plaetsenIob.37. 7. mitsgadersExod.13. 9. Dan de oversettinge vanHieronymus*spreeckt hier klaerder af als de onse1790doet, en dient daerom na-gesien. Even-welMonsr.Pasquier°de recher. de Franc. lib.17.cap.39. verhaelteenige sonderlinge dingen van dese gelegentheyt. Doch wat my aengaet (uyt-genomen alleen het gene dat in dese gelegentheyt uyt natuerlicke redenen duydelick1795kan besloten en bevestight werden) soo meyne ick dattet°al beuselingen zijn, daer ick geen tijt inen soude willen besteden, als alleenlick om de ydelheyt*van de menschelicke verstanden daer in te bemercken:anders*weet ick dat onder dit bejagh quade1800kunsten worden gepleeght, en daerom en wil ick niemant raden sich hier toe te begeven.Phi.Maer sout ghy dan geheelick verstaen te verwerpen de kunste vanPhisiognomie, dat is, dewetenschap om uyt het wesen, gestalte, ofte gelaet1805van een mensche, syn innerlicken aert te kennen? daer nochtans verscheyde wijse lieden veel van zijnhoudende*°, daer oock d’ervarentheyt*vry wat van getuygen kan.Soph.Dat is een geheel ander werck, als het1810gene waer van wy nu gesproken hebben, en ick enben jegenwoordelick*niet gesint om in het ondersouckvan het selve te treden. Maer in plaetse van sulcx4soo hebbe ick juyst hier nu by my een bysonder trougeval van onsen tijt, my onlanghs by een vrient1815ter hant gestelt, daer in te sien is datter lieden zijndie alleen op het gevoelen van de uyterlicke gestalte des lichaems, selfs sonder behulp van oogen, een vrouwe weten te verkiesen. . . . . . . . . . . . . . . .[Onderhand Philogamus dit geval “bij hem selven” overleest,1820gaat Sophroniscus zijn zaken doen bij een vriend in de buurt. Het verhaal “Liefde sonder sien verweckt, en schoonheyt blindelinghs verkoren” (door Cats hier ingelast) is nauweliks uitgelezen of Sophroniscus is reeds terug, en vervolgt:]1825Wel aen dan, wat uwe vordere vrage belanght;te weten, of het geoorloft is op de uyt-komste van5toekomende dingen ondersouck te doen, en tot dien eynde aen waerseggers ofte hant-kijcksters raet tevragen, daer op segh ick rondelick, dat neen. Ick1830stae u toe*dat wijse en kloucke mannen, uytervarentheyt met lanckheyt van tijde*verkregen,door voor-teyckenen ende sonderlinge op-merckingeyet wes in dese gelegentheyt vermogen. Maer sulcxby spokers*, toovenaers, waer-seggers, of diergelijcken1835slagh van volck te willen gaen onder-vragen, is beyde by Goddelicke en menschelicke wetten opentlick verboden. Gods woort spreeckt klaerDeut.18.De gemeene Rechten*van gelijcke: ende de redenen zijn, vermits het volck lichtelick door dusdanige1840voor-segginge gaende*wert gemaeckt, ende tot nieuwigheyt genegen zynde tot onruste van de staet wert gedreven. Doch soo ghy meer hier van begeert telesen, soo sietLips. in Exemplis & Monitis Polit. cap.4.quæst. liceatne in eventus inquirere.1845Phi.Maer het bysonderste dat uyt dese gheschiedenissein bedencken behoort te komen, is de vraghe,of yemant behoort, ofte vermagh een houwelick aente gaen met wilde, woeste, ende rauwe menschen, ofte6met de gene die buyten het verbont wesende, afghesondert1850zijn van het ware Christelick geloove.*Op dit gewichtigh point u oordeel, weerde man.Soph.Ick en wil my geensins ontrecken, goedejongelingh, hier op myn gevoelen rondelick te verklaren, alsoo het selve onder al dat wy te samen1855gesproken hebben als een hooft-stuck*behoort gerekentte werden. Ick segge daerom, nademael dathet houwelick is een onverbroken*bant, ende dat niet alleen de menschen, maer oock God door het selve kinderen werden verweckt: dat mede selfs de1860onderlinge verbintenisse tusschen den Heere Christum ende de Kercke, mitsgaders alle geloovige zielen,door het houwelick wert af-gebeelt;*soo moet noodelick*des Heeren mont in die gelegentheyt niet alleenlick om raet werden gevraeght, maer behoort oock1865de selve raet volkomelick te werden gevolght, ten eynde Godes vrede ons mochte by-woonen in onsehuyshoudinge. ’T is nu kennelick dat in Godes woort (1.Corint.7.) klaerlick wert bevonden ons te zijn bevolen te trouwen in den Heere: dat is, in de vreese1870des Heeren, ende volgens desselfs in-settinge: gelijckby het selve mede geboden wert geen jock te trecken*met den ongeloovigen, dewijle het licht met de duysternisse niet gemeens en heeft, noch Christus met Belial 2.Corint.6. 14.15. Maer hoe kan yemant in den1875Heere geseyt werden te trouwen, die met syn trouwen selfs toont dat hy een verachter Gods is, ende als tot syne vyanden over-gaet? voorwaer indien men op eenige gelijckheyt in de saken van trouwen behoort te letten, de gelijckheyt in het stuck van den1880Gods-dienst is verre boven al te wegen, sonder eenigheytin de welcke geen soetigheyt, ware vreughde,of vrede tusschen de getroude en is te verhopen*,geen over-een-komste in ’t op-voeden van de kinderen,maer dagelicx stoffe tot onruste ende oneenigheyt;1885alsoo dwalingen en waerheyt met den anderen*alserf-vyanden zijn, en staegh onderlinge gewoon zijn te worstelen; (Licet vir non oderit uxorem, errortamen odit veritatem. Salvianus.)*en in dien gevalle siet men dat den haet van de sake op de personen1890selfs koomt te vallen, dewijle elck het syne pooghtvoor te spreken.Arnis eus de jur. connub cap.6.sect.5. Heeft men niet gesien dat in dusdanigehouwelicken de vrouwen zijn af-geraden geweest vande houwelickse gemeenschap met haren man te plegen,1895als aen de selve onreyn ende niet geoorloft zijnde? en dat de vrouwen oock sulcx in ’t werck hebbengepooght te stellen? en hoe kan in soodanigen huys-houdingeeen kleyne kercke door gemeene gebeden en het lesen van Gods woort gehouden werden, gelijck1900sulcx onder de Christenen betaemt, en vanPaulus in ’t huys van Philemon wert gepresen?*en hoe kan doch soodanigen houwelick (tot troost van de gehouden) geseyt werden te wesen een beelt en gelijckenisse van het verbont met den Salighmaker?1905(Molin au Traicté des Mariages illicites.) sekerlick in geender manieren. Ick segge daerom, indien yemantvan edelen huyse wesende sigh tot kleynheyt*toerekent,indien men hem een houwelick soude vergen beneden de weerdigheyt van syn geslachte, dat des1910te meer in desen gevalle behoort in achtinge te komen, dat men dien geestelicken adel in de gemeenschap der heyligen niet en verkorte.Phi.Ick bevinde uwe redenen van gewichte te wesen, weerde Sophronisçe; maer hoort men niet1915sodanigen houwelick goet te vinden, immers*telijden, op hope dat een woest*en ongeloovigh mensche,door syn partuyr*tot sedigheyt*en tot het geloove sal werden gebracht, en datter alsoo winstevan een ziele sal gedaen mogen werden?*1920Soph.Dit wort veel tot verschooninge van dusdanige houwelicken by gebracht, lieve Philogame:Maer segh my doch een reys, plagh men wel een houwelick aen te gaen met yemant die kael en beroytis, op hope dat hy wel eens rijck soude mogen1925werden?Phi.Neen sekerlick, weerde Sophronisçe, de lieden gelooven in dien deele datse sien en tasten, enanders niet: de hope wert maer waen geacht in desegelegentheyt. men moet hier vry al vaster gaen.1930Soph.Wel indien men op hope van toekomenden tijdelicken rijckdom geen houwelick en wil gronden, naer onse maniere van leven; dient men dan welsulcx te doen op hope van dien onwaerdeerlicken rijckdom in ’t geestelicke?1935Phi.Ick was daer gevat, weerde Sophronisçe, eer ick ’t recht gewaer wert. En, om de waerheyt te seggen, my dunckt dat uwe redenen al vry watslots hebben.*Maer onderentusschen soude ick misschien wel by exempelen konnen bewijsen, dat de1940man het wijf, ende het wijf den man tot den waren geloove eyndelick heeft gebracht; het welck dan nootsakelickeen groot vernugen*°moet geven ter wederzijden.Soph.Ick en wil niet ontkennen, weerde Philogame,1945sulcx niet somwijlen geschiet te zijn, maer als hetgebeurt soo doet God even het selve dat hy in deeerste scheppinge*gedaen heeft, treckende het lichtuyt de duysternisse. Maar hier tegen is te bedencken,dat niet eenige voor-vallende saken, die somwijlen1950eens gebeuren, maer Gods gebodt een regel moetwesen van ons bedrijf. Het quaet en is niet te doen op datter goet van kome; en wat segen Gods heeftdie te verwachten die Godes raet niet en volght? Waer by ick dan noch vrage, nademael het quaet1955(God betert) soo vruchtbaer is, als de ervarentheyt leert; of het niet te vreesen en staet, dat de geloovigevan de ongeloovige eer beschadight soude mogen werden, als dat de ongeloovige door den geloovigen soude werden gebetert? Is sulcx niet gebeurt1960den wijsen ende machtigen koningh Salomon? (1.Reg.11.) ghy weet dat wel, jongelingh, en watsal dan gemeene*ende geringe verstanden niet konnenover-komen? De eerste eertzvaders die om hare uyt-nementheytswille kinderen Gods van*Moyses genaemt1965waren, siende de dochteren der menschen datseschoon waren, onderstonden die ten wijve te nemen (Genes.6. 3) en zijn alsoo vleeselick, ja vleesch geworden,en hebben na hen getogen den onder-ganck van den geheelen aert-bodem. En Iacob, die groote1970helt en Gods worstelaer, hebbende getrout de dochtersLaban°, heeft hy niet gewaer geworden dat eendeel van de afgoderije van de selve de syne heeft aengekleeft?Gen.35. 4.Phi.Ick vernoughe my uwer°redenen, weerde1975Sophronisçe, en ’tis (mijns oordeels) onnoodigh hier toe meer te seggen: het out spreeck-woort is hier en elders niet dan al te waerachtigh.’T nachtegaeltjen op de peul1980Dat vermagh te bijster veul.Efficaces preces mulierum.*Ick daerom uwe aen-merckinge op mijne gedaene vrage vast stellende*, sal u des ten hooghstenbedancken, en de selve in mijn boesem op-schrijven, ende door Godes genade sien in ’t werck te stellen.1985

AenmerckingenOp het wonderbaer°houwelick voren geroert.1. Oorspronck van de lant-loopers, die wy heydens noemen.2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemantverlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge1435in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefdepast*.3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofteongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy.4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte1440gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by diegelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde in-gevoert.5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komendesaken ondersouck te doen.14456. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden in houwelicke te treden.Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys een haven om soo voor-by te zeylen met een loopendespriet?*1450Soph.Ick en had u niet ghesien, Philogame, danjuyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure quam.Phi.Soo was dan u voornemen niet, naer ickhoore, om my de eere van u versouck*te geven.1455Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen,behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wiltdoen van uwe in-vallen*op het selsaem houwelick van den Spaenschen edelman met het heydinneken.1460Soph.Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegenis. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat ghy van my versouckt.Phi.Op de gelegentheyt*van de voornoemde geschiedenisse,1465wilde ick voor eerst (soo het u welgeviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout*vandese lant-loopers, die men heydens noemt, en van waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen; want sulcx dunckt my aenmerckens weert te1470wesen.Soph.Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lievePhilogame. Ghy siet*hier vanE. Pasquierin syn 4. bouck in’t 17. cap. van het Ondersouck van Vrankrijk; die verhaelt uyt d’oude schrijvers, dat1475dese menschen in ’t jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesprotente zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t’onder-gebracht van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts1480daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen,sonder tegens de selve eenigen sonderlingen*tegen-weer te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen zijnde tot kennisse van de Christen vorsten,1485dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen, en de Saraçijnen verdreven; niet willendede Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt ende ontrouwe) dat de selve in haer landtsouden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought1490na Roomen, om aldaer van den Paus t’ontfangen soodanigen ordre als daer goet soude gevonden werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus (alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve1495hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, sevenjaren langh te mogen*gaen dwalen door de werelt,sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende*hun even-wel, om eenighsins hun te mogengeneren, dat yder kruys-dragende*Bisschop ofte Abt1500hun soude hebben te geven voor eenmael thien pondentournois.*Datse in den voorsz. jare 1427. in den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijfjaren alreede te hebben gedwaelt.Pasquierverhaelt vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx1505als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elckoir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert,1510gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge, een lappe lakens om ’t lijf gebonden hebbende met koorden vast gemaeckt; ende in ’t korte een vreemtgespuys van menschen. Noch wijders, datse veel haer werck maeckten van de lieden in de hant te1515kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten,de mans in-beeldende*dat de vrouwen quaet1520garen sponnen;*van gelijcken datse door quade kunstenhet gelt uyt de*lieden beurse in de heure kondendoen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende eendeftige*predicatie tegens haer bedrijf dede doen door1525een prediker monick geaemtle petit Iacobin, de welcke onder andere seer berispte alle de gene die sigh in de handen van dit volck hadden sien laten, en de selve gheloof waren gevende°: en tot besluytdatse van daer spoedelick mosten vertrecken ende1530haren wegh nemen nae Pontoise.Munsterusverhaelt datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417.En soo ghy breeder bescheet hier van souckt teweten, mooght den selven met andere schrijvers naesien, soo ’t u gelieft, te wetenCamerar. hist. medit.1535part.I.cap.17.Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c.Phi.Ick sal my derhalven vergenought houden met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen tot de geschiedenisse selfs.Ick hebbe voor eerst gelet in ’t lesen van het1540eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo hetscheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken;te weten, dat Giralde door liefde vervoert moeste wesen, en dat sulcx d’oorsake was van hare1545sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick welonder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen,2ofte van de ondersouckers der naturen,*offer een sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant1550(die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen wetenofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne1555te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten, of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte vanmenschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofteandere toe-komende saken.Soph.Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt1560van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien best by de meesters van de selve kunste beslecht soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh oogh hebbe laten gaen over boucken van die1565gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerdeAvicenna, en met den selvenFranciscus Valesiuslib.3.Controvers. Philos. & medic. cap.14.Iaques Ferrand Argenois de la maladie d’Amour ou melancholie1570Erotique.) een groot Spaens doctor, met verscheydeandere van de gheleerste in die kunste vast stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock geen sekere teyckens in de selve, waer door diesieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En1575voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde, soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft,is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse is houdende°: maer buyten ofte boven reden en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet1580in het herte sigh onthout, ende dien volgende*dat uytde pols ofte slagh-ader°(die uyt het herte haer beweginge heeft) geen vaste teyckenen en konnen werdengenomen*, om te weten of yemant met de minnekoortsegequelt is, dan niet; en noch min, wie daer1585van d’oorsake mochte wesen.Phi.Gewisselick het is my leet dat de kunstesoo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer ’t al schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en1590zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat al lange in voorlede tijden een groot deel van desekunst is ondeckt°geweest, even by oude vrouwendie wat geslepen waren. Ick sie datCanacein dit gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (alsOvidius1595verhaelt)Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden,Wt°ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*;Die seyde my in ’t oir: Ick sie het datje mint,1600En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint.En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemtdat alle onse groote doctoren hier in noch maer als mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af sooklaer in sagh.Soph.Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist1605soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerdehebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is diejuyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uytdat de kunstenaers*uyt andere gelegentheden*(jaeoock uyt de pols selfs) niet al merckelicke*dingen en1610souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte*soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel, datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest ende noch zijn, die door middel van de kunstten klaersten hebben weten t’ondervinden*, dat yemant1615van die wespe gesteken was.Avic. lib.3.cap. de amore.En noch meer als dat,Soranusvan Ephesen (als in het leven vanHippocrateste lesen is) ondeckteklaerlick de liefde die de koninghPerdiccasdroughtotPhyla, een by-sit van syn vader; en dat even1620op de selve maniere gelijckErasistratusuyt-vontde brandende genegentheyt vanAntiochustotStratonicesyn stiefmoeder. (Val. Max., l.5cap.7.)Galenusin syn bouck, daer hy handelt van de genedie den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben1625konnen ondervinden den heymelicken minnebrant vaneen Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet*hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Vangelijcken roemt de selveGalenuste hebben weten nate sporen de liefde van een voornamelicke*jonckvrouwe1630tot eenen schoonen jongelinghPhiladesgenaemt.Iaques Ferrand, een geleert Frans medeçijn,seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden tehebben de malle minne-driften die een jongh student(een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een1635schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huysedaer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse breeder verhaelt in syn bouck by hem op dese stoffe beschreven.Phi.Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en1640soude men door de kunst niet alleen konnen uytvindenof yemant liefde drough, maer oock tot wien. Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want mydunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt*van grooten gebruyeke soude konnen wesen.1645Soph.Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh schijnt te wesen, soo wil ick u seggen ’t gene ickervan bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemantmet liefde is bevangen, en op wien (’t zy dan man of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een1650vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick in u hant krijgt de hant van de gene daerghy de preuve°van nemen wilt, ende leght dan u vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo brenght in u reden te passe den naem van de gene1655die ghy meynt dat haer meest aen ’t herte leyt;spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfsschoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven, en t’elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelickwat veranderingh ghy in haer oogen, wesen,1660ende sonderlinge*aen haren pols-slagh sult gevoelen: daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer rechtghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*, ende een veranderlicken pols gewaer worden, diegeen regel of slagh en sal houden. (Paul. Æginet.1665lib.3.cap.17.de amore.) Ghy sult oock meer andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlinghuyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn temercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch watop*dat vry aen-merckens weert is, en van grooten1670ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt.Phi.Ick bidde u en spaert doch geen broot voor devrienden, ende en laet niet onder u tonge ’tgene ick soo seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet.Soph.Neen, vrient, soo plagh men een boer syn1675kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uytgeseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo opeen bot*en met eenen adem niet geleert wesen.Phi.Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven1680geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope hetkloen*wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die tevinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel,1685dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen, maer by de gene die wat kennisse van saken hebben,kan gedaen werden. Het komt my nu binnen*datick gelesen hebbe, datErasistratus(daer ghy te vorenvan gewagh deet) de liefde vanAntiochusgewaer1690wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t’elcken veranderde alsStratonicesyn stief-moeder in de kamerofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh. De poëten hebben daerom wel geseyt,1695Wie is die heeten°minne-brantBehendigh in syn boesem sluyt?De liefde past op geenen bant;Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.Soph.Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh; maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te1700willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader, om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selvebuyten gewoonte verandert, en rasser of°harder slaet3op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon)dat t’elcken een uytmuntende*liefde hier van1705de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnenvervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn, uyt ghelijcke oorsake.Phi.Hoe gingh dat toe, weerde Sophronisçe?1710Soph.De selve jongen doctor onder andere hebbende een wijle vergeselschapt een vermaerden medeçijn, als hy by de siecken gingh (als in Italien totbericht*van de studenten veel geschiet) en gewaer zijnde gheworden, dat de doctor (als hy de pols van1715de siecken getast hadde) wiste te seggen waer door de sieckte was veroorsaeckt, als door eten van meloenen, noten, appelen, vijgen, ofte diergelijcken fruyt,bad ernstelick den man, hem te willen openbaren waeruyt hy sulcx wist, als hy seyde. De doctor, na des1720hem te hebben laten bidden, seyde hem, dat hy ontrent de siecken komende neerstelick was gewoon achtte nemen, of hy in of ontrent de kamer van desiecken niet eenige schellen van noten, meloenen, of diergelijcke vruchten en vernam; en die siende,1725dat hy daer op dan aengingh. De nieuwe doctor, dese lesse wel meynende onthouden te hebben, ende die willende in ’t werck stellen, was korts daer nageroepen over eenen schamelen arbeyder, sieck te bedde leggende; voor wiens hutte hy een vers eselsvel1730siende leggen, hadde daer op den patjent syn pols geraeckt, ende geseyt dat hy gansch swaerlick sieck was, en dat sulcx hem niet vreemt en docht, dewijle hy soo harden ende onverdouwelicken kost, te weten esels vleesch, hadde bestaen te eten. De1735siecke, des verwondert zijnde, seyde, dat de doctor geheel van den wegh was want (seyde hy) ick en hebbe in acht dagen en langer geen esel gesien, ten ware mijn heere den doctor. De misslagh van dejongelingh quam daer uyt, dat hy den regel dien1740hy gehoort hadde al te breet en sonder bescheydentheyt*in ’t werck stelde. En voor u, lieve Philogame,staet te letten, dat ghy niet in gelijcke dwalingen en valt.Phi.Is daer voor te vreesen Sophronisçe? Ghy1745hebt my verklaert dat veel gheleerde medeçijnenvast stellen, dat indien op den naem van eenighpersoon de pols van een jonge juffer, en oock haerwesen, seer verandert, dat daer uyt vastelick te besluytenis datse van desselfs liefde bevangen is.1750Soph.Maer of het gebeurde dat yemant een jonge deerne onteert, en haer daer na verlaten, ofte andereschamperheyt*aengedaen hadde, ende dat sy daer uyt in quellinge zijnde gevallen, een doctor (als ghy) haer daer op quame te besoucken, en dat de selve1755sprekende van den voorsz. persoon, gevoelde de slagh-adervan de voorsz. jonghe deerne heftiger slaen, als te voren; soude hy niet een grooten misslagh doen daer uyt te besluyten, dat sulcx uyt liefde geschiede, daer het uyt het tegen-deel, dat is, uyt louteren1760haet, syn oorspronck soude hebben? ’T is seker,dat jae. Want dewijle het voren is vast gestelt,datter geen bescheyden*en eygen beweginge in deslagh-ader te vinden is die juyst alleen past op deminne-sieckte, en dat daerom met omsichtigheyt en1765vernuft alle omstandigheden moeten werden overwogen,eer men yet sulcx besluyten kan, soo sietghy wel hoe los*u op-genomen*kunste gaet.Phi.Ick sie wel ghy sout my geerne wederom van ’t stuck leyden; maer ick en meyn het daer by1770niet te laten, maer moet het vogeltjen (soo men seyt)onder de steert sien, en dan dagh en raet.*Maerwat is u gevoelen, of men uyt yemants hant ofte andere leden, uyt de strepen en linien van de selve,yet sulcx ofte andere saken, rakende yemants innerlicken1775aert, nae de kunste kan uyt-vinden? en of het een Christen geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in ’t stuck van synhouwelick daer uyt te mogen verstaen*? of dat hyandere middelen vermagh te gebruycken, om van1780toekomende dingen de uyt-komste te weten?Mart. Delrio disq. Mag. lib.4.cap.5. Hier op wat berichts, weerde Sophronisçe.Soph.Wat het eerste aengaet, ick weet dattergeleerde gevonden werden die hier van groot werck1785maken*, en dese kunste (indiense weerdigh is soogenaemt te werden) oock met de schrifture willen bevestigen,daer toe treckende de plaetsenIob.37. 7. mitsgadersExod.13. 9. Dan de oversettinge vanHieronymus*spreeckt hier klaerder af als de onse1790doet, en dient daerom na-gesien. Even-welMonsr.Pasquier°de recher. de Franc. lib.17.cap.39. verhaelteenige sonderlinge dingen van dese gelegentheyt. Doch wat my aengaet (uyt-genomen alleen het gene dat in dese gelegentheyt uyt natuerlicke redenen duydelick1795kan besloten en bevestight werden) soo meyne ick dattet°al beuselingen zijn, daer ick geen tijt inen soude willen besteden, als alleenlick om de ydelheyt*van de menschelicke verstanden daer in te bemercken:anders*weet ick dat onder dit bejagh quade1800kunsten worden gepleeght, en daerom en wil ick niemant raden sich hier toe te begeven.Phi.Maer sout ghy dan geheelick verstaen te verwerpen de kunste vanPhisiognomie, dat is, dewetenschap om uyt het wesen, gestalte, ofte gelaet1805van een mensche, syn innerlicken aert te kennen? daer nochtans verscheyde wijse lieden veel van zijnhoudende*°, daer oock d’ervarentheyt*vry wat van getuygen kan.Soph.Dat is een geheel ander werck, als het1810gene waer van wy nu gesproken hebben, en ick enben jegenwoordelick*niet gesint om in het ondersouckvan het selve te treden. Maer in plaetse van sulcx4soo hebbe ick juyst hier nu by my een bysonder trougeval van onsen tijt, my onlanghs by een vrient1815ter hant gestelt, daer in te sien is datter lieden zijndie alleen op het gevoelen van de uyterlicke gestalte des lichaems, selfs sonder behulp van oogen, een vrouwe weten te verkiesen. . . . . . . . . . . . . . . .[Onderhand Philogamus dit geval “bij hem selven” overleest,1820gaat Sophroniscus zijn zaken doen bij een vriend in de buurt. Het verhaal “Liefde sonder sien verweckt, en schoonheyt blindelinghs verkoren” (door Cats hier ingelast) is nauweliks uitgelezen of Sophroniscus is reeds terug, en vervolgt:]1825Wel aen dan, wat uwe vordere vrage belanght;te weten, of het geoorloft is op de uyt-komste van5toekomende dingen ondersouck te doen, en tot dien eynde aen waerseggers ofte hant-kijcksters raet tevragen, daer op segh ick rondelick, dat neen. Ick1830stae u toe*dat wijse en kloucke mannen, uytervarentheyt met lanckheyt van tijde*verkregen,door voor-teyckenen ende sonderlinge op-merckingeyet wes in dese gelegentheyt vermogen. Maer sulcxby spokers*, toovenaers, waer-seggers, of diergelijcken1835slagh van volck te willen gaen onder-vragen, is beyde by Goddelicke en menschelicke wetten opentlick verboden. Gods woort spreeckt klaerDeut.18.De gemeene Rechten*van gelijcke: ende de redenen zijn, vermits het volck lichtelick door dusdanige1840voor-segginge gaende*wert gemaeckt, ende tot nieuwigheyt genegen zynde tot onruste van de staet wert gedreven. Doch soo ghy meer hier van begeert telesen, soo sietLips. in Exemplis & Monitis Polit. cap.4.quæst. liceatne in eventus inquirere.1845Phi.Maer het bysonderste dat uyt dese gheschiedenissein bedencken behoort te komen, is de vraghe,of yemant behoort, ofte vermagh een houwelick aente gaen met wilde, woeste, ende rauwe menschen, ofte6met de gene die buyten het verbont wesende, afghesondert1850zijn van het ware Christelick geloove.*Op dit gewichtigh point u oordeel, weerde man.Soph.Ick en wil my geensins ontrecken, goedejongelingh, hier op myn gevoelen rondelick te verklaren, alsoo het selve onder al dat wy te samen1855gesproken hebben als een hooft-stuck*behoort gerekentte werden. Ick segge daerom, nademael dathet houwelick is een onverbroken*bant, ende dat niet alleen de menschen, maer oock God door het selve kinderen werden verweckt: dat mede selfs de1860onderlinge verbintenisse tusschen den Heere Christum ende de Kercke, mitsgaders alle geloovige zielen,door het houwelick wert af-gebeelt;*soo moet noodelick*des Heeren mont in die gelegentheyt niet alleenlick om raet werden gevraeght, maer behoort oock1865de selve raet volkomelick te werden gevolght, ten eynde Godes vrede ons mochte by-woonen in onsehuyshoudinge. ’T is nu kennelick dat in Godes woort (1.Corint.7.) klaerlick wert bevonden ons te zijn bevolen te trouwen in den Heere: dat is, in de vreese1870des Heeren, ende volgens desselfs in-settinge: gelijckby het selve mede geboden wert geen jock te trecken*met den ongeloovigen, dewijle het licht met de duysternisse niet gemeens en heeft, noch Christus met Belial 2.Corint.6. 14.15. Maer hoe kan yemant in den1875Heere geseyt werden te trouwen, die met syn trouwen selfs toont dat hy een verachter Gods is, ende als tot syne vyanden over-gaet? voorwaer indien men op eenige gelijckheyt in de saken van trouwen behoort te letten, de gelijckheyt in het stuck van den1880Gods-dienst is verre boven al te wegen, sonder eenigheytin de welcke geen soetigheyt, ware vreughde,of vrede tusschen de getroude en is te verhopen*,geen over-een-komste in ’t op-voeden van de kinderen,maer dagelicx stoffe tot onruste ende oneenigheyt;1885alsoo dwalingen en waerheyt met den anderen*alserf-vyanden zijn, en staegh onderlinge gewoon zijn te worstelen; (Licet vir non oderit uxorem, errortamen odit veritatem. Salvianus.)*en in dien gevalle siet men dat den haet van de sake op de personen1890selfs koomt te vallen, dewijle elck het syne pooghtvoor te spreken.Arnis eus de jur. connub cap.6.sect.5. Heeft men niet gesien dat in dusdanigehouwelicken de vrouwen zijn af-geraden geweest vande houwelickse gemeenschap met haren man te plegen,1895als aen de selve onreyn ende niet geoorloft zijnde? en dat de vrouwen oock sulcx in ’t werck hebbengepooght te stellen? en hoe kan in soodanigen huys-houdingeeen kleyne kercke door gemeene gebeden en het lesen van Gods woort gehouden werden, gelijck1900sulcx onder de Christenen betaemt, en vanPaulus in ’t huys van Philemon wert gepresen?*en hoe kan doch soodanigen houwelick (tot troost van de gehouden) geseyt werden te wesen een beelt en gelijckenisse van het verbont met den Salighmaker?1905(Molin au Traicté des Mariages illicites.) sekerlick in geender manieren. Ick segge daerom, indien yemantvan edelen huyse wesende sigh tot kleynheyt*toerekent,indien men hem een houwelick soude vergen beneden de weerdigheyt van syn geslachte, dat des1910te meer in desen gevalle behoort in achtinge te komen, dat men dien geestelicken adel in de gemeenschap der heyligen niet en verkorte.Phi.Ick bevinde uwe redenen van gewichte te wesen, weerde Sophronisçe; maer hoort men niet1915sodanigen houwelick goet te vinden, immers*telijden, op hope dat een woest*en ongeloovigh mensche,door syn partuyr*tot sedigheyt*en tot het geloove sal werden gebracht, en datter alsoo winstevan een ziele sal gedaen mogen werden?*1920Soph.Dit wort veel tot verschooninge van dusdanige houwelicken by gebracht, lieve Philogame:Maer segh my doch een reys, plagh men wel een houwelick aen te gaen met yemant die kael en beroytis, op hope dat hy wel eens rijck soude mogen1925werden?Phi.Neen sekerlick, weerde Sophronisçe, de lieden gelooven in dien deele datse sien en tasten, enanders niet: de hope wert maer waen geacht in desegelegentheyt. men moet hier vry al vaster gaen.1930Soph.Wel indien men op hope van toekomenden tijdelicken rijckdom geen houwelick en wil gronden, naer onse maniere van leven; dient men dan welsulcx te doen op hope van dien onwaerdeerlicken rijckdom in ’t geestelicke?1935Phi.Ick was daer gevat, weerde Sophronisçe, eer ick ’t recht gewaer wert. En, om de waerheyt te seggen, my dunckt dat uwe redenen al vry watslots hebben.*Maer onderentusschen soude ick misschien wel by exempelen konnen bewijsen, dat de1940man het wijf, ende het wijf den man tot den waren geloove eyndelick heeft gebracht; het welck dan nootsakelickeen groot vernugen*°moet geven ter wederzijden.Soph.Ick en wil niet ontkennen, weerde Philogame,1945sulcx niet somwijlen geschiet te zijn, maer als hetgebeurt soo doet God even het selve dat hy in deeerste scheppinge*gedaen heeft, treckende het lichtuyt de duysternisse. Maar hier tegen is te bedencken,dat niet eenige voor-vallende saken, die somwijlen1950eens gebeuren, maer Gods gebodt een regel moetwesen van ons bedrijf. Het quaet en is niet te doen op datter goet van kome; en wat segen Gods heeftdie te verwachten die Godes raet niet en volght? Waer by ick dan noch vrage, nademael het quaet1955(God betert) soo vruchtbaer is, als de ervarentheyt leert; of het niet te vreesen en staet, dat de geloovigevan de ongeloovige eer beschadight soude mogen werden, als dat de ongeloovige door den geloovigen soude werden gebetert? Is sulcx niet gebeurt1960den wijsen ende machtigen koningh Salomon? (1.Reg.11.) ghy weet dat wel, jongelingh, en watsal dan gemeene*ende geringe verstanden niet konnenover-komen? De eerste eertzvaders die om hare uyt-nementheytswille kinderen Gods van*Moyses genaemt1965waren, siende de dochteren der menschen datseschoon waren, onderstonden die ten wijve te nemen (Genes.6. 3) en zijn alsoo vleeselick, ja vleesch geworden,en hebben na hen getogen den onder-ganck van den geheelen aert-bodem. En Iacob, die groote1970helt en Gods worstelaer, hebbende getrout de dochtersLaban°, heeft hy niet gewaer geworden dat eendeel van de afgoderije van de selve de syne heeft aengekleeft?Gen.35. 4.Phi.Ick vernoughe my uwer°redenen, weerde1975Sophronisçe, en ’tis (mijns oordeels) onnoodigh hier toe meer te seggen: het out spreeck-woort is hier en elders niet dan al te waerachtigh.’T nachtegaeltjen op de peul1980Dat vermagh te bijster veul.Efficaces preces mulierum.*Ick daerom uwe aen-merckinge op mijne gedaene vrage vast stellende*, sal u des ten hooghstenbedancken, en de selve in mijn boesem op-schrijven, ende door Godes genade sien in ’t werck te stellen.1985

Op het wonderbaer°houwelick voren geroert.

1. Oorspronck van de lant-loopers, die wy heydens noemen.

2. Of men uyt een pols of ader-slagh weten kan of yemantverlieft is, dan niet: dat is, offer een sekere beweginge1435in de slagh-ader te vinden is die eygentlick op de liefdepast*.

3. In de hant te kijcken, ende daer yemants geluck ofteongeluck uyt voor te seggen, van wat kracht het zy.

4. Van de Physiognomie; en of uyt yemants wesen ofte1440gelaet syn innerlicken aert te seggen is. En by diegelegenheyt een sonderlingh trou-geval tusschen beyde in-gevoert.

5. Of het geoorloft is op houwelicksche ofte andere toe-komendesaken ondersouck te doen.1445

6. Of het een Christen mensche geoorloft is met een heyden in houwelicke te treden.

Philogamvs. Wel hoe, Sophronisçe? is mijn huys een haven om soo voor-by te zeylen met een loopendespriet?*1450

Soph.Ick en had u niet ghesien, Philogame, danjuyst als ick u stemme hoorde, en recht voor u deure quam.

Phi.Soo was dan u voornemen niet, naer ickhoore, om my de eere van u versouck*te geven.1455Dan ick en wil nu des geen vorder ondersouck doen,behoudens dat ghy met my binnen treet, en dat ghy (naer ons laetste af-scheyt) my nu openinge wiltdoen van uwe in-vallen*op het selsaem houwelick van den Spaenschen edelman met het heydinneken.1460

Soph.Eerlicke lieden zijn ghewoon haer beloften gestant te doen, schoon het haer by wijlen ongelegenis. Wel aen, treet binnen, en seght my daer wat ghy van my versouckt.

Phi.Op de gelegentheyt*van de voornoemde geschiedenisse,1465wilde ick voor eerst (soo het u welgeviele) een weynigh verstaen*, wat ghy hout*vandese lant-loopers, die men heydens noemt, en van waer de selve haer begin en oorspronck hebben genomen; want sulcx dunckt my aenmerckens weert te1470wesen.

Soph.Daer wert verscheydenlick van gevoelt, lievePhilogame. Ghy siet*hier vanE. Pasquierin syn 4. bouck in’t 17. cap. van het Ondersouck van Vrankrijk; die verhaelt uyt d’oude schrijvers, dat1475dese menschen in ’t jaer 1427. in Vrankrijck eerst zijn gesien, en dat de selve alsdoen verklaerden gesprotente zijn uyt het laegh Egypten, onlangs t’onder-gebracht van de Christenen, en gedwongen het Christen geloove aen te nemen: datse sulcx hebbende belooft korts1480daer na weder van de Saraçijnen waren verwonnen,sonder tegens de selve eenigen sonderlingen*tegen-weer te hebben gedaen: vervallende alsoo weder van het Christen gheloove aen de Saraçijnen. Dat sulcx gekomen zijnde tot kennisse van de Christen vorsten,1485dat sy luyden wederom zijn aen-getast ende verwonnen, en de Saraçijnen verdreven; niet willendede Christen vorsten toe-staen (vermits haer lichtveerdigheyt ende ontrouwe) dat de selve in haer landtsouden blijven, ten ware sy haer eerst hadden vervought1490na Roomen, om aldaer van den Paus t’ontfangen soodanigen ordre als daer goet soude gevonden werden hun te geven; dat de selve daer op kleyn en groot na Roomen waren vertrocken, en dat de Paus (alles gehoort ende overwogen hebbende) de selve1495hadde op-geleyt, tot haer boete en beteringe, sevenjaren langh te mogen*gaen dwalen door de werelt,sonder middelertijt op bedden te mogen slapen; lastende*hun even-wel, om eenighsins hun te mogengeneren, dat yder kruys-dragende*Bisschop ofte Abt1500hun soude hebben te geven voor eenmael thien pondentournois.*Datse in den voorsz. jare 1427. in den Oughstmaent tot Parijs komende verhaelden vijfjaren alreede te hebben gedwaelt.Pasquierverhaelt vorder uyt het vertellen van die gene die sulcx1505als doen gesien hebben, dat de mans gansch swart waren, met swart gekrult hayr, hebbende in elckoir een ofte twee silvere ringekens: dat de vrouwen mede voor het meerendeel mismaeckt ende leelick waren, met hayr geheel swart, als een peert-steert,1510gansch slordigh ende ongedaen in haer kleedinge, een lappe lakens om ’t lijf gebonden hebbende met koorden vast gemaeckt; ende in ’t korte een vreemtgespuys van menschen. Noch wijders, datse veel haer werck maeckten van de lieden in de hant te1515kijcken, ende yder te seggen wat hun voor geluck ofte ongeluck gebeuren soude, ofte alreede gebeurt was: datse veel onruste tusschen man ende wijf verweckten ende vreedsame houwelicken vol twist maeckten,de mans in-beeldende*dat de vrouwen quaet1520garen sponnen;*van gelijcken datse door quade kunstenhet gelt uyt de*lieden beurse in de heure kondendoen komen: ende eyntelick dat de Bisschop van Parijs ten lesten sigh tegens de selve stelde, ende eendeftige*predicatie tegens haer bedrijf dede doen door1525een prediker monick geaemtle petit Iacobin, de welcke onder andere seer berispte alle de gene die sigh in de handen van dit volck hadden sien laten, en de selve gheloof waren gevende°: en tot besluytdatse van daer spoedelick mosten vertrecken ende1530haren wegh nemen nae Pontoise.Munsterusverhaelt datse in Duytslant eerst zijn gesien anno 1417.En soo ghy breeder bescheet hier van souckt teweten, mooght den selven met andere schrijvers naesien, soo ’t u gelieft, te wetenCamerar. hist. medit.1535part.I.cap.17.Gesner. in Mitridat. Æneam Sylvium &c.

Phi.Ick sal my derhalven vergenought houden met dat ick van u gehoort hebbe, en wil nu komen tot de geschiedenisse selfs.

Ick hebbe voor eerst gelet in ’t lesen van het1540eerste deel deser geschiedenisse, dat Pretiose (soo hetscheen) behendelick wiste uyt te vinden saken die selfs een doctor in de medeçijnen niet en konde bemercken;te weten, dat Giralde door liefde vervoert moeste wesen, en dat sulcx d’oorsake was van hare1545sieckte. Nu by dese gelegentheyt wilde ick welonder-recht wesen, ofte nae de kunsten der medeçijnen,2ofte van de ondersouckers der naturen,*offer een sekere bysondere slagh van pols zy, of eenige gewisse teyckens in de slagh-ader daer uyt yemant1550(die de kunste verstaet) sekerlick soude konnen wetenofte een jonge deerne verlieft ofte met liefde bevangen is, dan niet. want indien sulcx gheleert konde werden, ick wildet my wel gelt en tijt laten kosten om sulcx te weten, om redenen die ick daer toe meyne1555te hebben. Ten anderen soo ben ick begerigh te weten, of men door waer-seggers, of diergelijcke soorte vanmenschen ondersoeck magh doen op houwelickse ofteandere toe-komende saken.

Soph.Dit is een vrage die het geheym en verborgentheyt1560van de medeçijnen raeckt, en die midtsdien best by de meesters van de selve kunste beslecht soude konnen werden: niet-te-min om u niet verlegen te laten, en vermits ick al somtijts mede een weetgierigh oogh hebbe laten gaen over boucken van die1565gelegentheyt, soo kan ick seggen dat eenige van de ervarenste in die wetenschap, en by namen de geleerdeAvicenna, en met den selvenFranciscus Valesiuslib.3.Controvers. Philos. & medic. cap.14.Iaques Ferrand Argenois de la maladie d’Amour ou melancholie1570Erotique.) een groot Spaens doctor, met verscheydeandere van de gheleerste in die kunste vast stellen, datter geen bysondere ader-slagh en is, oock geen sekere teyckens in de selve, waer door diesieckte eygentlick bekent soude konnen werden. En1575voor reden wort by de selve in-gebracht, dat de liefde, soo lange die in de palen van de redelickheyt blijft,is een genegentheyt die in het breyn haer woonplaetse is houdende°: maer buyten ofte boven reden en regel gaende, dat de selve dan in de lever ende niet1580in het herte sigh onthout, ende dien volgende*dat uytde pols ofte slagh-ader°(die uyt het herte haer beweginge heeft) geen vaste teyckenen en konnen werdengenomen*, om te weten of yemant met de minnekoortsegequelt is, dan niet; en noch min, wie daer1585van d’oorsake mochte wesen.

Phi.Gewisselick het is my leet dat de kunstesoo verre niet en gaet, en dat de geesten in soo scherp-sinnigen eeuwe, als wy beleven, (daer ’t al schijnt ondersocht te werden) noch soo hooge niet en1590zijn geklommen; te meer vermits ick bemercke, dat al lange in voorlede tijden een groot deel van desekunst is ondeckt°geweest, even by oude vrouwendie wat geslepen waren. Ick sie datCanacein dit gast-huys sieck leggende klaer uyt seyt (alsOvidius1595verhaelt)

Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden,Wt°ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*;Die seyde my in ’t oir: Ick sie het datje mint,1600En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint.

Mijn voester heeft den brant van mijn bedeckte wonden,

Wt°ick en weet niet wat, behendigh ondervonden*;

Die seyde my in ’t oir: Ick sie het datje mint,

1600En dat u jeughdigh hert tot vrijen is gesint.

En dat alsoo zijnde, soo dunckt het my vreemtdat alle onse groote doctoren hier in noch maer als mollen en zijn, daer een oudt wijf al van doen af sooklaer in sagh.

Soph.Al sachtjens, lieve jongelingh. want al ist1605soo, dat ick uyt de getuygenissen van de geleerdehebbe geseyt datter geen eygen pols-slagh en is diejuyst op de liefde past, soo en volcht daer niet uytdat de kunstenaers*uyt andere gelegentheden*(jaeoock uyt de pols selfs) niet al merckelicke*dingen en1610souden konnen ontdecken, daer uyt men yemants gestalte*soude konnen weten. jae ick segge u in tegendeel, datter veel ervaren medeçijns eertijts zijn geweest ende noch zijn, die door middel van de kunstten klaersten hebben weten t’ondervinden*, dat yemant1615van die wespe gesteken was.Avic. lib.3.cap. de amore.En noch meer als dat,Soranusvan Ephesen (als in het leven vanHippocrateste lesen is) ondeckteklaerlick de liefde die de koninghPerdiccasdroughtotPhyla, een by-sit van syn vader; en dat even1620op de selve maniere gelijckErasistratusuyt-vontde brandende genegentheyt vanAntiochustotStratonicesyn stiefmoeder. (Val. Max., l.5cap.7.)Galenusin syn bouck, daer hy handelt van de genedie den sieckaert maken*, beroemt sigh te hebben1625konnen ondervinden den heymelicken minnebrant vaneen Romeynschen ridder, die de selve geset en gewet*hadde op de by-sit van een van de groote aldaer. Vangelijcken roemt de selveGalenuste hebben weten nate sporen de liefde van een voornamelicke*jonckvrouwe1630tot eenen schoonen jongelinghPhiladesgenaemt.Iaques Ferrand, een geleert Frans medeçijn,seyt in den jare 1604. behendelicken ondervonden tehebben de malle minne-driften die een jongh student(een groot edelman zijnde) heymelick drough tot een1635schoone jonge deerne een kamer-maeght in der huysedaer hy sigh onthiel, daer van hy de vordere geschiedenisse breeder verhaelt in syn bouck by hem op dese stoffe beschreven.

Phi.Wel, na dese exempelen uyt-wijsen, soo en1640soude men door de kunst niet alleen konnen uytvindenof yemant liefde drough, maer oock tot wien. Ick bidde segh my doch hoe dat toe gaet; want mydunckt dat sulcx een jonghman van myne ghelegentheyt*van grooten gebruyeke soude konnen wesen.1645

Soph.Wel aen, dewijle ghy des soo begerigh schijnt te wesen, soo wil ick u seggen ’t gene ickervan bemerckt hebbe. Wilt ghy weten of yemantmet liefde is bevangen, en op wien (’t zy dan man of vrouwe; maer ick sal nu van de persoon van een1650vrouwe spreken) soo siet dat ghy soetelick en behendelick in u hant krijgt de hant van de gene daerghy de preuve°van nemen wilt, ende leght dan u vinger al sachtjens op hare pols, ende daer na soo brenght in u reden te passe den naem van de gene1655die ghy meynt dat haer meest aen ’t herte leyt;spreeckt van den selven, loffelick prijsende des selfsschoonheyt, geestigheyt, ofte andere goede gaven, en t’elcken als ghy dien naem noemt, let dan neerstelickwat veranderingh ghy in haer oogen, wesen,1660ende sonderlinge*aen haren pols-slagh sult gevoelen: daer is geen twijffel aen, soo de minnepijl haer rechtghetroffen heeft, of ghy sult een ongelijcken dril*, ende een veranderlicken pols gewaer worden, diegeen regel of slagh en sal houden. (Paul. Æginet.1665lib.3.cap.17.de amore.) Ghy sult oock meer andere teyckenen uyt haer wesen, en sonderlinghuyt haer oogen, konnen af-nemen*, die eer zijn temercken, als te schrijven. Maer dan loopter noch watop*dat vry aen-merckens weert is, en van grooten1670ghebruycke; maer daer van op beter gelegentheyt.

Phi.Ick bidde u en spaert doch geen broot voor devrienden, ende en laet niet onder u tonge ’tgene ick soo seer begeere te horen als yet dat ick nu ter tijt weet.

Soph.Neen, vrient, soo plagh men een boer syn1675kunst af te vragen: alle dingen en dienen niet uytgeseyt aen soo grage gasten als ghy en uws gelijcken zijt; En dusdanige verborgentheden en willen soo opeen bot*en met eenen adem niet geleert wesen.

Phi.Ghy en hebt even-wel dit geenen dooven1680geseyt; Ende nu ick den draet hebbe, ick hope hetkloen*wel te sullen vinden. Ick kan oock lesen (God danck) en hebbe u schrijvers hooren noemen die tevinden zyn, ick meyne die nae te sien en te letten watter in steeckt. want ick sie alreede wel soo veel,1685dat dit ondersouck niet alleen by de medeçijnen, maer by de gene die wat kennisse van saken hebben,kan gedaen werden. Het komt my nu binnen*datick gelesen hebbe, datErasistratus(daer ghy te vorenvan gewagh deet) de liefde vanAntiochusgewaer1690wiert, vermits hy vernam dat syn ader-slagh t’elcken veranderde alsStratonicesyn stief-moeder in de kamerofte ontrent het bedde quam, daer hy sieck lagh. De poëten hebben daerom wel geseyt,

1695Wie is die heeten°minne-brantBehendigh in syn boesem sluyt?De liefde past op geenen bant;Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.

1695Wie is die heeten°minne-brant

Behendigh in syn boesem sluyt?

De liefde past op geenen bant;

Sy wil, sy sal, sy moeter uyt.

Soph.Dat is tot daer toe goet, soete jongelingh; maer ondertusschen isset geraden u niet te seer te1700willen vergapen aen de beweginge van de slagh-ader, om altijt daer uyt een besluyt te maken (als de selvebuyten gewoonte verandert, en rasser of°harder slaet3op den naem ofte door de aenkomste van eenigh persoon)dat t’elcken een uytmuntende*liefde hier van1705de oorsake ware. Ghy sout lichtelick (soo doende) konnenvervallen in een selsame ongelegentheyt, als ick eens verstont een jonge doctor gheraeckt te zijn, uyt ghelijcke oorsake.

Phi.Hoe gingh dat toe, weerde Sophronisçe?1710

Soph.De selve jongen doctor onder andere hebbende een wijle vergeselschapt een vermaerden medeçijn, als hy by de siecken gingh (als in Italien totbericht*van de studenten veel geschiet) en gewaer zijnde gheworden, dat de doctor (als hy de pols van1715de siecken getast hadde) wiste te seggen waer door de sieckte was veroorsaeckt, als door eten van meloenen, noten, appelen, vijgen, ofte diergelijcken fruyt,bad ernstelick den man, hem te willen openbaren waeruyt hy sulcx wist, als hy seyde. De doctor, na des1720hem te hebben laten bidden, seyde hem, dat hy ontrent de siecken komende neerstelick was gewoon achtte nemen, of hy in of ontrent de kamer van desiecken niet eenige schellen van noten, meloenen, of diergelijcke vruchten en vernam; en die siende,1725dat hy daer op dan aengingh. De nieuwe doctor, dese lesse wel meynende onthouden te hebben, ende die willende in ’t werck stellen, was korts daer nageroepen over eenen schamelen arbeyder, sieck te bedde leggende; voor wiens hutte hy een vers eselsvel1730siende leggen, hadde daer op den patjent syn pols geraeckt, ende geseyt dat hy gansch swaerlick sieck was, en dat sulcx hem niet vreemt en docht, dewijle hy soo harden ende onverdouwelicken kost, te weten esels vleesch, hadde bestaen te eten. De1735siecke, des verwondert zijnde, seyde, dat de doctor geheel van den wegh was want (seyde hy) ick en hebbe in acht dagen en langer geen esel gesien, ten ware mijn heere den doctor. De misslagh van dejongelingh quam daer uyt, dat hy den regel dien1740hy gehoort hadde al te breet en sonder bescheydentheyt*in ’t werck stelde. En voor u, lieve Philogame,staet te letten, dat ghy niet in gelijcke dwalingen en valt.

Phi.Is daer voor te vreesen Sophronisçe? Ghy1745hebt my verklaert dat veel gheleerde medeçijnenvast stellen, dat indien op den naem van eenighpersoon de pols van een jonge juffer, en oock haerwesen, seer verandert, dat daer uyt vastelick te besluytenis datse van desselfs liefde bevangen is.1750

Soph.Maer of het gebeurde dat yemant een jonge deerne onteert, en haer daer na verlaten, ofte andereschamperheyt*aengedaen hadde, ende dat sy daer uyt in quellinge zijnde gevallen, een doctor (als ghy) haer daer op quame te besoucken, en dat de selve1755sprekende van den voorsz. persoon, gevoelde de slagh-adervan de voorsz. jonghe deerne heftiger slaen, als te voren; soude hy niet een grooten misslagh doen daer uyt te besluyten, dat sulcx uyt liefde geschiede, daer het uyt het tegen-deel, dat is, uyt louteren1760haet, syn oorspronck soude hebben? ’T is seker,dat jae. Want dewijle het voren is vast gestelt,datter geen bescheyden*en eygen beweginge in deslagh-ader te vinden is die juyst alleen past op deminne-sieckte, en dat daerom met omsichtigheyt en1765vernuft alle omstandigheden moeten werden overwogen,eer men yet sulcx besluyten kan, soo sietghy wel hoe los*u op-genomen*kunste gaet.

Phi.Ick sie wel ghy sout my geerne wederom van ’t stuck leyden; maer ick en meyn het daer by1770niet te laten, maer moet het vogeltjen (soo men seyt)onder de steert sien, en dan dagh en raet.*Maerwat is u gevoelen, of men uyt yemants hant ofte andere leden, uyt de strepen en linien van de selve,yet sulcx ofte andere saken, rakende yemants innerlicken1775aert, nae de kunste kan uyt-vinden? en of het een Christen geoorloft is syn handen te laten sien om eenige voorsegginge in ’t stuck van synhouwelick daer uyt te mogen verstaen*? of dat hyandere middelen vermagh te gebruycken, om van1780toekomende dingen de uyt-komste te weten?Mart. Delrio disq. Mag. lib.4.cap.5. Hier op wat berichts, weerde Sophronisçe.

Soph.Wat het eerste aengaet, ick weet dattergeleerde gevonden werden die hier van groot werck1785maken*, en dese kunste (indiense weerdigh is soogenaemt te werden) oock met de schrifture willen bevestigen,daer toe treckende de plaetsenIob.37. 7. mitsgadersExod.13. 9. Dan de oversettinge vanHieronymus*spreeckt hier klaerder af als de onse1790doet, en dient daerom na-gesien. Even-welMonsr.Pasquier°de recher. de Franc. lib.17.cap.39. verhaelteenige sonderlinge dingen van dese gelegentheyt. Doch wat my aengaet (uyt-genomen alleen het gene dat in dese gelegentheyt uyt natuerlicke redenen duydelick1795kan besloten en bevestight werden) soo meyne ick dattet°al beuselingen zijn, daer ick geen tijt inen soude willen besteden, als alleenlick om de ydelheyt*van de menschelicke verstanden daer in te bemercken:anders*weet ick dat onder dit bejagh quade1800kunsten worden gepleeght, en daerom en wil ick niemant raden sich hier toe te begeven.

Phi.Maer sout ghy dan geheelick verstaen te verwerpen de kunste vanPhisiognomie, dat is, dewetenschap om uyt het wesen, gestalte, ofte gelaet1805van een mensche, syn innerlicken aert te kennen? daer nochtans verscheyde wijse lieden veel van zijnhoudende*°, daer oock d’ervarentheyt*vry wat van getuygen kan.

Soph.Dat is een geheel ander werck, als het1810gene waer van wy nu gesproken hebben, en ick enben jegenwoordelick*niet gesint om in het ondersouckvan het selve te treden. Maer in plaetse van sulcx4soo hebbe ick juyst hier nu by my een bysonder trougeval van onsen tijt, my onlanghs by een vrient1815ter hant gestelt, daer in te sien is datter lieden zijndie alleen op het gevoelen van de uyterlicke gestalte des lichaems, selfs sonder behulp van oogen, een vrouwe weten te verkiesen. . . . . . . . . . . . . . . .

[Onderhand Philogamus dit geval “bij hem selven” overleest,1820gaat Sophroniscus zijn zaken doen bij een vriend in de buurt. Het verhaal “Liefde sonder sien verweckt, en schoonheyt blindelinghs verkoren” (door Cats hier ingelast) is nauweliks uitgelezen of Sophroniscus is reeds terug, en vervolgt:]1825

Wel aen dan, wat uwe vordere vrage belanght;te weten, of het geoorloft is op de uyt-komste van5toekomende dingen ondersouck te doen, en tot dien eynde aen waerseggers ofte hant-kijcksters raet tevragen, daer op segh ick rondelick, dat neen. Ick1830stae u toe*dat wijse en kloucke mannen, uytervarentheyt met lanckheyt van tijde*verkregen,door voor-teyckenen ende sonderlinge op-merckingeyet wes in dese gelegentheyt vermogen. Maer sulcxby spokers*, toovenaers, waer-seggers, of diergelijcken1835slagh van volck te willen gaen onder-vragen, is beyde by Goddelicke en menschelicke wetten opentlick verboden. Gods woort spreeckt klaerDeut.18.De gemeene Rechten*van gelijcke: ende de redenen zijn, vermits het volck lichtelick door dusdanige1840voor-segginge gaende*wert gemaeckt, ende tot nieuwigheyt genegen zynde tot onruste van de staet wert gedreven. Doch soo ghy meer hier van begeert telesen, soo sietLips. in Exemplis & Monitis Polit. cap.4.quæst. liceatne in eventus inquirere.1845

Phi.Maer het bysonderste dat uyt dese gheschiedenissein bedencken behoort te komen, is de vraghe,of yemant behoort, ofte vermagh een houwelick aente gaen met wilde, woeste, ende rauwe menschen, ofte6met de gene die buyten het verbont wesende, afghesondert1850zijn van het ware Christelick geloove.*Op dit gewichtigh point u oordeel, weerde man.

Soph.Ick en wil my geensins ontrecken, goedejongelingh, hier op myn gevoelen rondelick te verklaren, alsoo het selve onder al dat wy te samen1855gesproken hebben als een hooft-stuck*behoort gerekentte werden. Ick segge daerom, nademael dathet houwelick is een onverbroken*bant, ende dat niet alleen de menschen, maer oock God door het selve kinderen werden verweckt: dat mede selfs de1860onderlinge verbintenisse tusschen den Heere Christum ende de Kercke, mitsgaders alle geloovige zielen,door het houwelick wert af-gebeelt;*soo moet noodelick*des Heeren mont in die gelegentheyt niet alleenlick om raet werden gevraeght, maer behoort oock1865de selve raet volkomelick te werden gevolght, ten eynde Godes vrede ons mochte by-woonen in onsehuyshoudinge. ’T is nu kennelick dat in Godes woort (1.Corint.7.) klaerlick wert bevonden ons te zijn bevolen te trouwen in den Heere: dat is, in de vreese1870des Heeren, ende volgens desselfs in-settinge: gelijckby het selve mede geboden wert geen jock te trecken*met den ongeloovigen, dewijle het licht met de duysternisse niet gemeens en heeft, noch Christus met Belial 2.Corint.6. 14.15. Maer hoe kan yemant in den1875Heere geseyt werden te trouwen, die met syn trouwen selfs toont dat hy een verachter Gods is, ende als tot syne vyanden over-gaet? voorwaer indien men op eenige gelijckheyt in de saken van trouwen behoort te letten, de gelijckheyt in het stuck van den1880Gods-dienst is verre boven al te wegen, sonder eenigheytin de welcke geen soetigheyt, ware vreughde,of vrede tusschen de getroude en is te verhopen*,geen over-een-komste in ’t op-voeden van de kinderen,maer dagelicx stoffe tot onruste ende oneenigheyt;1885alsoo dwalingen en waerheyt met den anderen*alserf-vyanden zijn, en staegh onderlinge gewoon zijn te worstelen; (Licet vir non oderit uxorem, errortamen odit veritatem. Salvianus.)*en in dien gevalle siet men dat den haet van de sake op de personen1890selfs koomt te vallen, dewijle elck het syne pooghtvoor te spreken.Arnis eus de jur. connub cap.6.sect.5. Heeft men niet gesien dat in dusdanigehouwelicken de vrouwen zijn af-geraden geweest vande houwelickse gemeenschap met haren man te plegen,1895als aen de selve onreyn ende niet geoorloft zijnde? en dat de vrouwen oock sulcx in ’t werck hebbengepooght te stellen? en hoe kan in soodanigen huys-houdingeeen kleyne kercke door gemeene gebeden en het lesen van Gods woort gehouden werden, gelijck1900sulcx onder de Christenen betaemt, en vanPaulus in ’t huys van Philemon wert gepresen?*en hoe kan doch soodanigen houwelick (tot troost van de gehouden) geseyt werden te wesen een beelt en gelijckenisse van het verbont met den Salighmaker?1905(Molin au Traicté des Mariages illicites.) sekerlick in geender manieren. Ick segge daerom, indien yemantvan edelen huyse wesende sigh tot kleynheyt*toerekent,indien men hem een houwelick soude vergen beneden de weerdigheyt van syn geslachte, dat des1910te meer in desen gevalle behoort in achtinge te komen, dat men dien geestelicken adel in de gemeenschap der heyligen niet en verkorte.

Phi.Ick bevinde uwe redenen van gewichte te wesen, weerde Sophronisçe; maer hoort men niet1915sodanigen houwelick goet te vinden, immers*telijden, op hope dat een woest*en ongeloovigh mensche,door syn partuyr*tot sedigheyt*en tot het geloove sal werden gebracht, en datter alsoo winstevan een ziele sal gedaen mogen werden?*1920

Soph.Dit wort veel tot verschooninge van dusdanige houwelicken by gebracht, lieve Philogame:Maer segh my doch een reys, plagh men wel een houwelick aen te gaen met yemant die kael en beroytis, op hope dat hy wel eens rijck soude mogen1925werden?

Phi.Neen sekerlick, weerde Sophronisçe, de lieden gelooven in dien deele datse sien en tasten, enanders niet: de hope wert maer waen geacht in desegelegentheyt. men moet hier vry al vaster gaen.1930

Soph.Wel indien men op hope van toekomenden tijdelicken rijckdom geen houwelick en wil gronden, naer onse maniere van leven; dient men dan welsulcx te doen op hope van dien onwaerdeerlicken rijckdom in ’t geestelicke?1935

Phi.Ick was daer gevat, weerde Sophronisçe, eer ick ’t recht gewaer wert. En, om de waerheyt te seggen, my dunckt dat uwe redenen al vry watslots hebben.*Maer onderentusschen soude ick misschien wel by exempelen konnen bewijsen, dat de1940man het wijf, ende het wijf den man tot den waren geloove eyndelick heeft gebracht; het welck dan nootsakelickeen groot vernugen*°moet geven ter wederzijden.

Soph.Ick en wil niet ontkennen, weerde Philogame,1945sulcx niet somwijlen geschiet te zijn, maer als hetgebeurt soo doet God even het selve dat hy in deeerste scheppinge*gedaen heeft, treckende het lichtuyt de duysternisse. Maar hier tegen is te bedencken,dat niet eenige voor-vallende saken, die somwijlen1950eens gebeuren, maer Gods gebodt een regel moetwesen van ons bedrijf. Het quaet en is niet te doen op datter goet van kome; en wat segen Gods heeftdie te verwachten die Godes raet niet en volght? Waer by ick dan noch vrage, nademael het quaet1955(God betert) soo vruchtbaer is, als de ervarentheyt leert; of het niet te vreesen en staet, dat de geloovigevan de ongeloovige eer beschadight soude mogen werden, als dat de ongeloovige door den geloovigen soude werden gebetert? Is sulcx niet gebeurt1960den wijsen ende machtigen koningh Salomon? (1.Reg.11.) ghy weet dat wel, jongelingh, en watsal dan gemeene*ende geringe verstanden niet konnenover-komen? De eerste eertzvaders die om hare uyt-nementheytswille kinderen Gods van*Moyses genaemt1965waren, siende de dochteren der menschen datseschoon waren, onderstonden die ten wijve te nemen (Genes.6. 3) en zijn alsoo vleeselick, ja vleesch geworden,en hebben na hen getogen den onder-ganck van den geheelen aert-bodem. En Iacob, die groote1970helt en Gods worstelaer, hebbende getrout de dochtersLaban°, heeft hy niet gewaer geworden dat eendeel van de afgoderije van de selve de syne heeft aengekleeft?Gen.35. 4.

Phi.Ick vernoughe my uwer°redenen, weerde1975Sophronisçe, en ’tis (mijns oordeels) onnoodigh hier toe meer te seggen: het out spreeck-woort is hier en elders niet dan al te waerachtigh.

’T nachtegaeltjen op de peul1980Dat vermagh te bijster veul.

’T nachtegaeltjen op de peul

1980Dat vermagh te bijster veul.

Efficaces preces mulierum.*

Ick daerom uwe aen-merckinge op mijne gedaene vrage vast stellende*, sal u des ten hooghstenbedancken, en de selve in mijn boesem op-schrijven, ende door Godes genade sien in ’t werck te stellen.1985


Back to IndexNext