W

Wwacker, helder,43.waen,1929.waer, hoever,469. Kil. ad quem locum.waer nemen, merken, opletten,1025.wagen, dreunen,1010.wassen, groeien,37.weder-klack, echo,1431.weert, lief, passim; vgl. Fr. cher.weerd des,1670.wech dragen, roven; vgl. to carry away,538.wech leyden, meevoeren,663.wech-rucken, wegslepen,656.wegen, schatten,1881. Vgl. Lat. pendere.weyden,breet—in,123: veel doen aan.weynigh,een—,1349; vgl. un peu.wel, heel,320.werden, worden,73, passim;praet.wort, passim; ookpraes.wort(?)384A.werck maken van, hoog lopen met,1785; vgl. Kil.wesen, voorkomen, gelaat,uiterlik,41,86,134,377,469,481,769,1139,1660,1749,1805. —, gestel?205,317.wet, (maatschappelike) instelling,307,738.buyten wetten,958. —, overheid,1405.wetten op,1627: spitsen.wie,relatief,101.wieen, wijden,727.wiens,21A.wijf, huisvrouw,682,743. —,999.wijse, zeden, gebruiken,821,877;plur.,717.wijsen, aanwijzen,1231.wil,om uwen t’—,719.te—zijn,216.willen,191,930,1168: zullen.wil, zin,964.wilde,1849.wind, windhond,353.winnen,740.woelen, zijn best doen,983.woest,869,1917A.wonder,collect. wonderen,998.wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz.69.worden(niet bijparticipia),1791A.wrangh, bitter,965.wrocken,841.wulp,jonge—, jonge kwant, jongmens,96,318.

Wwacker, helder,43.waen,1929.waer, hoever,469. Kil. ad quem locum.waer nemen, merken, opletten,1025.wagen, dreunen,1010.wassen, groeien,37.weder-klack, echo,1431.weert, lief, passim; vgl. Fr. cher.weerd des,1670.wech dragen, roven; vgl. to carry away,538.wech leyden, meevoeren,663.wech-rucken, wegslepen,656.wegen, schatten,1881. Vgl. Lat. pendere.weyden,breet—in,123: veel doen aan.weynigh,een—,1349; vgl. un peu.wel, heel,320.werden, worden,73, passim;praet.wort, passim; ookpraes.wort(?)384A.werck maken van, hoog lopen met,1785; vgl. Kil.wesen, voorkomen, gelaat,uiterlik,41,86,134,377,469,481,769,1139,1660,1749,1805. —, gestel?205,317.wet, (maatschappelike) instelling,307,738.buyten wetten,958. —, overheid,1405.wetten op,1627: spitsen.wie,relatief,101.wieen, wijden,727.wiens,21A.wijf, huisvrouw,682,743. —,999.wijse, zeden, gebruiken,821,877;plur.,717.wijsen, aanwijzen,1231.wil,om uwen t’—,719.te—zijn,216.willen,191,930,1168: zullen.wil, zin,964.wilde,1849.wind, windhond,353.winnen,740.woelen, zijn best doen,983.woest,869,1917A.wonder,collect. wonderen,998.wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz.69.worden(niet bijparticipia),1791A.wrangh, bitter,965.wrocken,841.wulp,jonge—, jonge kwant, jongmens,96,318.

Wwacker, helder,43.waen,1929.waer, hoever,469. Kil. ad quem locum.waer nemen, merken, opletten,1025.wagen, dreunen,1010.wassen, groeien,37.weder-klack, echo,1431.weert, lief, passim; vgl. Fr. cher.weerd des,1670.wech dragen, roven; vgl. to carry away,538.wech leyden, meevoeren,663.wech-rucken, wegslepen,656.wegen, schatten,1881. Vgl. Lat. pendere.weyden,breet—in,123: veel doen aan.weynigh,een—,1349; vgl. un peu.wel, heel,320.werden, worden,73, passim;praet.wort, passim; ookpraes.wort(?)384A.werck maken van, hoog lopen met,1785; vgl. Kil.wesen, voorkomen, gelaat,uiterlik,41,86,134,377,469,481,769,1139,1660,1749,1805. —, gestel?205,317.wet, (maatschappelike) instelling,307,738.buyten wetten,958. —, overheid,1405.wetten op,1627: spitsen.wie,relatief,101.wieen, wijden,727.wiens,21A.wijf, huisvrouw,682,743. —,999.wijse, zeden, gebruiken,821,877;plur.,717.wijsen, aanwijzen,1231.wil,om uwen t’—,719.te—zijn,216.willen,191,930,1168: zullen.wil, zin,964.wilde,1849.wind, windhond,353.winnen,740.woelen, zijn best doen,983.woest,869,1917A.wonder,collect. wonderen,998.wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz.69.worden(niet bijparticipia),1791A.wrangh, bitter,965.wrocken,841.wulp,jonge—, jonge kwant, jongmens,96,318.

wacker, helder,43.

waen,1929.

waer, hoever,469. Kil. ad quem locum.

waer nemen, merken, opletten,1025.

wagen, dreunen,1010.

wassen, groeien,37.

weder-klack, echo,1431.

weert, lief, passim; vgl. Fr. cher.

weerd des,1670.

wech dragen, roven; vgl. to carry away,538.

wech leyden, meevoeren,663.

wech-rucken, wegslepen,656.

wegen, schatten,1881. Vgl. Lat. pendere.

weyden,breet—in,123: veel doen aan.

weynigh,een—,1349; vgl. un peu.

wel, heel,320.

werden, worden,73, passim;praet.wort, passim; ookpraes.wort(?)384A.

werck maken van, hoog lopen met,1785; vgl. Kil.

wesen, voorkomen, gelaat,uiterlik,41,86,134,377,469,481,769,1139,1660,1749,1805. —, gestel?205,317.

wet, (maatschappelike) instelling,307,738.buyten wetten,958. —, overheid,1405.

wetten op,1627: spitsen.

wie,relatief,101.

wieen, wijden,727.

wiens,21A.

wijf, huisvrouw,682,743. —,999.

wijse, zeden, gebruiken,821,877;plur.,717.

wijsen, aanwijzen,1231.

wil,om uwen t’—,719.te—zijn,216.

willen,191,930,1168: zullen.

wil, zin,964.

wilde,1849.

wind, windhond,353.

winnen,740.

woelen, zijn best doen,983.

woest,869,1917A.

wonder,collect. wonderen,998.

wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz.69.

worden(niet bijparticipia),1791A.

wrangh, bitter,965.

wrocken,841.

wulp,jonge—, jonge kwant, jongmens,96,318.


Back to IndexNext