MVIII.

Om onze welwillendheid ten aanzien van 't kreupele praatje ten top te voeren, willen we nog 'n poging wagen om het te verheffen tot iets begrypelyks. Laat ons aannemen dat wy in de toepassing mogen gebruik maken van mitigeerende bywoordjes.Het gebeurt wel eensdat iemand die … enz. "Somtydsis de man die zich in 't publiek voordoet als … enz.Er zyn voorbeeldenvan moralisten, wier zeden … enz.

Alweer klaag ik hier over gebrek aan diepte. Men zal erkennen, hoop ik, dat al die praatjes neerkomen op depalisse-waarheid dat sommige zaken en personen wel eens anders zyn dan ze schynen. 't Was waarachtig wel de moeite waard, aan dit fysiologisch verschynsel 'n spreekwoord te wyden! En toch, dat spreekwoord heeft 'nzin, 'nreden van bestaan. Waarlyk 't is niet zonder oorzaak—niet zonderbekendeoorzaak ook—dat het leeft, groeit, bloeit, van aanhangers overvloeit, en vruchten draagt. Vruchten en redevoeringen! Die oorzaak, lieve lezer—we willen hopen dat geen kongreslid zich de zaak te veel aantrekke—die oorzaak is … dat er te veel kamerdienaars in de wereld zyn … ziedaar! Hun treurigheid over gebrek aan groote mannen, is gegrond, waarachtig! Men hoeft nu juist geen jakhals te wezen om meetehuilen als men die interessante diertjes hoort janken en redevoeren over de schaarste van leeuwen.

Wiegoedis,isgoed, onverschillig op welken afstand men hem beziet. Want z'n eigenaardigheid ligt in hemzelf, en hangt niet af van 't standpunt des waarnemers. De vraag of men van 'nuitstekendpersoon eischen kan dat-i ook in 't dagelyks leven hoog sta, is kinderachtig. Met of zonder permissie van den jakhals, is de leeuw 'n leeuw. Met of zonder eischen of vergunningen van dien aard, is 'n appel 'n appel, 'n boom 'n boom, en 'n "groot man"—wat dan ook de beteekenis van dit woord moge zyn—'n groot man. Het is hem geheel onverschillig of dit door z'n kamerdienaar gevorderd of erkend wordt. Hy zou niet anders kunnen zyn dan hyis, d.w.z.uitstekend. En dit zou zoo blyven, al stond men hem in kongresverhandelingen genadiglyk toe, in z'n binnenkamertje kleiner te wezen dan op straat. Zoo'n vergunning teekent overigens de aspiratien van 'n knecht, die z'n voorzorgen neemt tegen den tyd dat men ook hem eens—by groote vergissing dan—voor 'n heer zal aanzien.

Wiegoedis,isgoed, binnen'shuis en buiten'shuis. Hy is goed voor z'n medeburgers, voor z'n echtgenoot, voor z'n kinderen, voor z'n vrienden, voor z'n dienstboden. Wie er anders over denkt, mag zich ook wel gaan verbeelden dat 'n goudstuk in 't donker zich amuzeert met in 'n cent te veranderen. Feilen, fouten, vergissingen, dwalingen … wie heeft ze niet? Maar de bewering dat 'n "groot man" in z'n byzonder leven op-eenmaal zou inkrimpen tot iets kleins … dat z'n adel by voorkomende gelegenheid eventjes zou overgaan in gemeenheid … zie, dit is 'n uitvindseltje van den zwerm niet-groote mannen die middel zoeken omhunkleinheid en gemeenheid te doen voorkomen als adel. Ze meenen zich tot Chimborassa's te maken door 't uitkramen van de gissing dat er zeker wel hier of daar 'n spleetje zal wezen in den Montblanc. Hun praatjes, al of niet steunende op 'n zinneloos spreekwoord, zyn oneerlyk, en moeten hoofdzakelyk strekken om den tol van hulde uittewinnen, dien ze hun meerdere schuldig zyn. Wie wat wil afdingen op den roem van COLUMBUS, moet bewyzen dat hy Amerika niet ontdekte. Niet hopen, wenschen of veronderstellen, niet verzinnen of insinueeren, nietlasterenvooral, dat de knecht van dien "grooten man" zeker wel iets kwaads van hem zal geweten hebben. Naar de keuken met zulk gewawel!

* * * * *

Tot m'n groot genoegen neem ik nu afscheid van dat spreekwoord en die huilende kamerdienaars. De zin waarin ik voor die uitweiding 't woordjenal te nabygebruikte, was anders. Ik bedoelde deoptischefout die 't gevolg is van te naby zien. Even als er tot het juist beoordeelen van schilderstukken, zeker punt is waar de toeschouwer zich plaatsen moet, zoo ook behoort demenste worden waargenomen op zekeren afstand, klein of groot naarmate van de breedte der trekken waarmee de Natuur z'n ziel geteekend heeft. Wie dezen regel uit het oog verliest, zou gevaar loopen een Rembrand grof te vinden en miniatuurtjes in 't geheel niet te zien. Maar de hoedanigheden van 'nmenszyn ingewikkelder dan van 'n schilderstuk, en daarom is de bepaling van 't juiste standpunt waarop de beoordeelaar zich te plaatsen heeft, zooveel moeielyker. Bovendien … die beoordeelaar is soms, dikwyls,altydmisschien, eenigszinsmededinger. Z'neigen fouten, en niet altyd die van 't beschouwd voorwerp, staan dikwyls zyn oordeel in den weg.

Met die fouten bedoel ik nu niet den voor 't oogenblik afgehandelden nyd, al blyft het waar dat die pest 'n hoofdrol speelt in de antichambre van de wereld. Neen, met den besten wil en zonder boosaardig opzet, is de meerderheid—die uit den aard der zaaknietuit "groote mannen" bestaat—tot onjuist oordeel gedwongen, omdat zy 'n verkeerden maatstaf aanlegt. De teleurstelling by het vantenaby zien der personen die voor uitstekend doorgaan, behoeft volstrekt niet gegrond te wezen op hun verkeerdheden. Ze is vaak, of kan zyn, 'n gevolg hunner afwyking van 't ideaal dat de beschouwer zich zeer willekeurig van uitstekendheid geliefde te vormen, 'n ideaal dat—vreemd genoeg voor den allergewoonsten bron waaruit het voortvloeit—steeds zondigt door opgeschroefde ongewoonheid. A verneemt, en gelooft voorloopig, dat X 'n "groot man" is. A, geen "groot man" waarschynlyk, eet 'n broodje met z'n mond. Hy krygt X te zien van naby, vantenaby, ontdekt dat X even als hyzelf, z'n mond gebruikt tot het orberen van 'n broodje … weg is de illuzie! De "groote man" had, om op de hoogte van A's kinderachtige voorstelling te blyven, met z'n neus moeten eten, of geen broodje moeten eten, of in 't geheel niet eten … weet ik, 't! De hier bedoelde fout in 't schatten van uitstekende mensen, wordt vry algemeen erkend, zoodra zich die uitstekendheid slechts in maatschappelyken rang openbaart, en dan weet men ze zelfs te gebruiken tot onderhoud of versterking van tucht. Keizers, Koningen, Bevelhebbers houden zich op 'n afstand. Zy vertoonen zich nieten robe de chambre, geenszins altyd omdat ze fouten te bedekken hebben, maar omdat veel ondergeschikten te laag staan om te waardeeren wat natuurlyk en eenvoudig is. De nogal verdachte dood van den laatsten CONDE—wiens nalatenschap in de familie kwam van LOUIS PHILIPPE—had op de stemming van 't groot en klein gemeen, 'n minder nadeeligen invloed dan de burgerlyke paraplui waarmee die Koning zich vertoonde in de straten van Parys. Deepiciersenprud'hommes,de Kappellui, vinden 't vreemd en derogeerend, dat iemand die geenepicierofprud'hommeis, geen Kappelman, in iets op hen gelijkt, en ze wreken zich over hun botheid door den zoodanige alle uitstekendheid te ontzeggen. Wie alzoo door de meerderheid wilde aangezien worden voor 'n "groot man" zou zich op 't voorbeeld van allerlei goden, moeten hullen in 'n wolk van geheimzinnigheid. Hy behoeft niet te vliegen, mits men maar nietzietdat-i loopt. Hy behoeft geen wonderen te doen, mits slechts z'n vader niet bekend zy als timmerman te Nazareth. Neen … hy moet geen vader gehad hebben. Dat is onmogelyk, dat is onmenselyk, dat kan voor "groot" doorgaan, dat is het ware! Arme JEZUS, hoe kondt gy u voorstellen de mensen begeerig te maken naar uw "Koningryk der Hemelen" gy dien men op aarde gezien had, koornaren plukkend met de hand …als 'n mens? Gy die honger en dorst had …als 'n mens? Gy die geschreid hebt… als 'n mens? Neen, neen, 't spreekt vanzelf dat de menigte die brevetten uitreikt van "bevoegdheid" u niet kon aanstellen tot specialiteit in hoogere dingen! Men heeft u gegeeseld en gekruizigd …

Goddank, dat al dat volkjen u nooit zag lachen! Als gy u zoo ver vergeten hadt, lieve JEZUS, waarlyk men had u den verheffenden marteldood op Golgotha niet gegund, en 't ware uw lot geworden gelykenisjes te verzinnen om de kinderen van Schmoel te amuzeeren.

Ik heb in een der vorige hoofdstukken betoogd dat specialiteiten geen nut stichten in de Volksvertegenwoordiging, en dat alzoo het aanpryzen en kiezen der zoodanigen nadeelig werkt. Doch ook meer rechtstreeks dan door niet nuttig te zyn alleen, wordt het gehalte eener Vergadering door dat verderfelyk specialismus verlaagd. Specialiteiten, ten-arbeid gesteld buiten hun bepaalden werkkring, veroorzaken pozitief kwaad.

De man die zich uitsluitend toelegt op een vak, is van het gewicht daarvan doordrongen, en wordt beheerscht door de neiging dat gewicht te overschatten. Een specialiteit is uit den aard der zaak pedant of erger. De zeeman minacht den onnoozele die niet weet dat men "aan" dek zegt, in-plaats van "op" dek. De industrieel staat verbaasd over de hoofdigheid van den militair, die in 't belang van 'n zoogenaamd defensie-stelsel, andere inzichten dan de zynen voorstaat omtrent de richting van 'n spoorweg. De geleerde ergert zich aan den financier wiens bekrompenheid zekere uitgaaf voor 'n wetenschappelyk doel, wil schrappen van de begrooting. De grondeigenaar—specialiteit van ryk-zyn, ryk-blyven en ryker-worden—klaagt over 't Jacobinisme van den staathuishoudkundige die op herziening van 't kadaster aandringt. De fabrikant roept wraak over de voorstanders van lage tarieven. Enz. enz.

Wordt het algemeen belang door dien nayver gebaat? Dit is onmogelyk. We hebben in zulke Vergadering niet meer te doen met de veronderstelde som van opgetelde intelligentien, het Volk moet zich behelpen met de verschillen die er overblyven na wederzydsche neutralizatie van kracht, en ook de waarde van deze restantjes wordt op hare beurt door ongelyksoortigheid en divergentie vernietigd.

* * * * *

Het is ten-onrechte dat men de onderscheiden takken van wetenschap in twee hoofdsoorten verdeelt, waarvan de eene den naamexakte wetenschapdraagt, in-tegenstelling naar 't schynt van de andere welker benaming nog moet worden uitgevonden. Men durft niet zeggen;inexakten deze schroom is te pryzen. Wantinexaktewetenschappen zyn er niet. Alleen onswetenis inexakt, doch het ideaal der wetenschap laat geen onjuistheid, geen transaktie met omstandigheden, geen fiktie, en dus geen parlements-waarheid, toe. Een maatregel omtrent Volksbelangen is evenzeer of goed of niet goed, als 't produkt van twee cyfers al dan niet zeker getal uitmaken. De aan laatstbedoelde slotsom toegekende nauwkeurigheid, heeft slechts 'n uitsluitende beteekenis in-zooverre wy daarmee de wyze aantoonen waarop we tot ons rezultaat geraakt zyn. Elk ander feit,op-zichzelf beschouwd, is even exakt. HetZynliegt niet, onverschillig of wy ons in-staat voelen de bekende eigenschappen daarvan nauwkeurig te schryven, dan of ze ons vermogen van voorstelling en uitdrukking te-boven gaan. Tegenzin in de moeite om ingewikkelder zaken tot klaarheid te brengen, noopte ten- alle-tyde den mens tot het byeenroepen van medewerkers, 'n fout waarvan hy zich niet schuldig maakt zoolang het de oplossing geldt vaneenvoudigevraagstukken. Het doet nu niet ter-zake of deze eenvoudigheid bestaat in 't gering aantal faktoren, in de vanzelf- sprekende geleidelykheid waarmee de syllogismen elkaar opvolgen, of in de stiptheid der terminologie die ons by zoodanige oplossing ten-dienste staat. In de beide laatste gevallen sluit uitgebreidheid geen eenvoud uit.

Vraagstukken nu over maatschappelyke belangen zyn, uit den aard der zaak, in zekeren zinnieteenvoudig. De slotsom moet worden getrokken uit 'n zeer groot aantal faktoren die niet altyd met elkander in 'n verband staan dat terstond in 't oog valt, en welker terminologie gewoonlyk zeer vaag is. Welke dolzinnigheid beweegt nu den mens, ter bereiking van 'n moeilyk doel 'n weg met hindernissen te kiezen, en slechts dan de voorkeur te geven aan gemakkelyker methode, indien er 'n punt moet bereikt worden, waarheen de toegang niet kan worden versperd?

Geen vakman, hoe ook beheerscht door pedanterie, eigenbelang of opgedrongen partygenootschap, heeft het in z'n macht den mathematikus te belemmeren in 't stipt volgen van z'n logischen gedachtenloop. Toch kiest de wiskundige, tot het oplossen van 'n probleem, de eenzaamheid. Kollaboratie komt hem bespottelyk voor, al zy hy dan overtuigd dat niemand in staat is hem te doen wankelen in 't vertrouwen op wiskunstige zekerheid.

Tot het onderzoeken evenwel van die andere problemen, omgeeft men zich met 'n tal van elementen die 't nasporen van waarheid vierkant in den weg staan. Ik meen in IDEE 334 de hoofdoorzaken dezer blykbare ongerymdheid te hebben aangewezen, doch al moeten wy ons in het onvermydelyke schikken, het blyft toch plicht de afwijking van waarheid, die uit dezen dwang voortvloeit, niet noodeloos te vergrooten. En dit doen wy, door aanspecialiteitenplaats te geven in onze Volks- vertegenwoordiging.

Ik zeide: inschynbareafwyking. Werkelyke afwyking van 'n wiskunstige waarheid is onmogelyk. Kan de wiskunde het helpen, dat we gewoon zyn ons nog onjuister uittedrukken dan de gebrekkige taal toelaat? Het geheel zal gelyk zyn aan de som der deelen,indien die deelen op de tot bereiking van dit doel noodige wyze worden samengevoegd. Misschien zou de stiptheid nog nadere omschrijving vorderen, doch ik hoop begrepen te worden door ieder die weigeren zou 'n handvol gebroken glas voor 'n vensterruit, of 'n hoop bouwmaterialen voor 'n behoorlyke woning aantenemen (IDEEN 2, 4). Decohaesieder deelen, en wel 'n bepaaldecohaesie, is noodig tot het vormen van 't gewenscht of bedoeld geheel.

Wat wordt er van dezen eisch, indien de deelen instee van elkaar aantehangen en te kompleteeren, elkander tegenwerken, in den weg staan, vernietigen?

Reeds in den aanvang myner IDEEN betuigde ik gestemd te zyn tegen parlementaire regeeringsvormen (IDEE 2) doch tevens dat ik voorloopig niets beters wist in de plaats te stellen. Zoolang lafhartigheid en wantrouwen 'n hoofdrol spelen in de geschiedenis der mensheid, zal de routine-staatsman zich onwysgeerig tevreden stellen met dergelyke pogingen om by mangel aan waarheid, iets te geven waaruit soms 'n berusting wordt geboren die op rust gelykt (IDEE 7).

Soms. Misschien moest ik zeggen: zelden. Sporadische revolutien en epidemische ontevredenheid—beiden vooral niet minder frekwent onder konstitutioneele regeeringsvormen dan in werkelyke monarchien—bewyzen de ondoelmatigheid van 't vertegenwoordigd stelsel. Zy die dit stelsel voorstaan, gaan uit van 'n stelling die niet alleen hun onaantastbaar voorkomt, maar die evenzeer door de tegenstanders wordt geeerbiedigd:een volk heeft het recht zichzelf te regeeren.

Maar, eilieve, de monarchalen zeggen niet anders. Of althans, waar ze iets anders beweerden, zouden ze slechts blyk te geven hun eigen katechismus niet te kennen. Wel zeker, 't Volk regeert zichzelf! De vraag is maar of het deze macht en dezen plicht delegeert op een persoon, op duumviren, op driemannen, op tetrarchen, op decemviri, op zeventig, op drie-vierhonderd, of op meer? En tevens op welke wys de tot het uitvoeren van den regeerplicht te kiezen personen worden aangewezen? ALEXANDER maakte zich, naar 't fabeltje luidt, op z'n sterfbed wat al te gemakkelyk van de zaak af, door op de vraag wie hem opvolgen zou, heel naif te antwoorden: de waardigste!

Dit zou gewis voor alle belangen het beste zyn, en wie zich tegen zoo'n diepzinnige uitspraak verzet, verdient niet door den waardigste geregeerd te worden.

Maar … wieisde waardigste? Dat is de vraag. Ik stem voorik. Gy voorgy. Hy voorhy. Altemaal ikheden. De heele natie bestaat op eenmaal uit waardigsten.

Dit eenmaal aangenomen, zou er moeten worden uitgemaakt, wie onder al die waardigsten de allerwaardigste is? En daarop volgt weer 'n gelyke stryd, waarin natuurlyk zelfkennis en bescheidenheid de gewone treurige rol spelen.

Van stryden moe, is men bedacht op vergelyk. By-gebrek aan middelen om uittemaken wie van al die allerwaardigsten de meest-allerwaardigste is, wordt er voorgesteld dezen of genendaarvoor te houden. Wien? Den sterksten arm. Den besten schutter. Den snelsten looper. Den langsten. Een dwerg. Den diksten. Een skelet. Den ryksten. Een bedelmonnik. Een man, den oudsten. Een vrouw, de schoonste. Een kind, het onnoozelste, Een waarzegger. Een profeet. Een derwisj. Een fakir. Iemand die raadsels oplost. Een ruiter wiens paard na 'n bepaald oogenblik 't eerst hinnikt …

Nieuwe stryd!

"Mynfakir is haveloozer dan de uwe."

"Mynskelet rammelt uitstekend."

"Ziemynkandidaat eens, hy loopt de zon voorby."

"Gekheid! Ik stel u hier iemand tot koning voor, die twee etmalen achtereen redevoeren kan, zonder neussnuiten of kuchen … hy spreekt over al wat je wilt."

"Alles verkeerd! We moeten 'n koning hebben die tooveren kan, dat is 't ware."

"Ziehier 'n man die wel is met God, en dus baasspeelt over de elementen. Als we hem op den troon zetten, zal 't altyd mooi weer zyn."

Enz. Enz. Neen, nog niet:enz. Eerst volge hier de parabel over koning KRATES in deMinnebrieven, waarnaar ik verwys.

Hoe nu ook de stryd eindigde, steeds blyft het waar dat het Volk-zelf altyd beginnen moest met 'n daad van souvereiniteit, al bestond dan ook deze handeling in 'teens-vooral afstaan van gezag. De aanhangers van hetdroit divinvergeten gewoonlyk dat het goddelyk recht zich nooit zou gehandhaafd hebben zonder den eerbied dermeerderheidvoor dat recht, en de voorstanders van stemmen-tellen zien voorby dat hun methode letterlyk dezelfde is als die waardoor hetdroit divinin de wereld werd gebracht. De stembriefjes uit SAMUELS tyd zyn verloren gegaan, doch men mag aannemen dat hy ruggespraak had gehouden met de kiezers van die dagen, toen hy in z'n tiende hoofdstuk—en in 't zestiende nogeens!—den uitslag van 't plebisciet verkondigde met olie. Wie dit betwyfelt, en meent dat SAMUEL 't Volk ditmaal niet raadpleegde, moet aannemen dat hy danstilzwygendzich bewust was depozitaris van den algemeenen wil te zyn, of althans dat-i zich verzekerd hield demeerderheidop z'n zy te hebben. En dit moet hem dan by vorige gelegenheden gebleken zyn, daar 'n politikus van zyn gehalte z'n staatsgreep niet ligtvaardig zou blootstellen aan mislukking. Hoe men 't dus neemt,altydgaat het gezag van 'tVolkuit. Het verschil tusschen de beide hoofdrichtingen der begrippen over Regeeringsvorm, doet denken aan 't onderscheid tusschen thee en koffi, dat—naar thans beweerd wordt—grooter schynt dan 't inderdaad is, daar die dranken volgens chemische onderzoekingen uit dezelfde grondbestanddeelen zouden bestaan.

ALPHONSE KARR heeft 'n gelyksoortige waarheid aangeroerd in z'n uitspraak: "hoe ge ook de zaak keert, wendt, draait, wyzigt, regelt, vormt, of vervormtil y a toujours un monsieur en habit noir qui decide." Zoo is het! Men moet altyd terecht komen by 'nindividu, al zy 't dan dat de zoodanige met meer of min recht verondersteld wordt optetreden in naam vanvelen. De natuur wil niets weten van onze fiktien. Zonderling en inkonsekwent is 't echter dat juist de voorstanders van den parlementairen regeeringsvorm, zy die 'n afschuw voorwenden van alleenheersching, 'n allerzotst individualismus voorstaan by 't aanpryzen van specialiteiten. Verkrachte logika wreekt zich altyd sarkastisch door haren mishandelaar de ongerymdheid voortehouden, waarop z'n vergryp tegen de rede uitloopt, en wy vinden hiervan 'n aardig voorbeeld in de gevolgen der specialiteiten-manie.

A is 'n monarchische herder, en mishandelt z'n schapen. Dat komt van die alleenheersching!

L'Histoire nous apprend Qu'en de tels accidents L'on fit…

On fit… Wat? Wel 'n revolutie! Alle schapen liepen tehoop en maakten 'n grondwet.—Of 't in '48 geschiedde, weet ik niet, maar 't jaar doet niet tot de zaak.—Volgens die grondwet dan, zouden alle schapen verheven worden tot herders, en A gedegradeerd tot schaap. Niet eenprincepsofvoorstezou voortaan de kudde leiden, drenken en scheren, maarallenzoudenallen…

Dat ging niet! Ieder wou voorgaan. Ieder wou 't eerst drinken, of liever nog, alleen. Ieder had lust in scheren, maar niemand wou geschoren worden. Bovendien, alles blaatte door elkaar, en de ooien konden haar eigen lammeren niet verstaan. Men had de regeering van dien eenling A allerdrukkendst gevonden, ondragelyk zelfs, maar bevond zich niet veel beter onder de tirannie van allen over allen. Hier volgt het vertegenwoordigd stelsel:

—Indien we eens niet allen tegelyk blaatten, riep 'n politieke nieuwlichter, doch 't recht daartoe slechts toekenden aan … zeventig?

—Reaktie! riep 'n opgewonden lam dat niet vry was van karbonarisme.

—Geenszins, antwoordde de eerwaardige hamel van wien 't voorstel was uitgegaan, en die veel wol was kwytgeraakt onder 't regime der panarchie. Ik verzeker u op m'n republikeinsche eer, dat het volstrekt niet in m'n bedoeling ligt, terug te keeren tot de alleenheersching. Eens-vooral, weg met A! Hy is ontherderd en blyft ontherderd!

—Weg met A! blaatte de kudde.

—Ik ben 't volkomen met u eens. Dit is dus eens-voor-al afgedaan.Maar, geeerde schapen, indien wy eens …

Zie verder het kiesreglement in alle beschaafde weiden. Het werd onder 't uiten van ontelbareweg met A'senleve de konstitutie'saangenomen. Men adverteerde, kuipte, hemelde op, maakte verdacht of zwart, men prees en vergoodde, al naar de programmen der partyen dit meebrachtten. By 't aanbevelen van kandidaten werd telkens deze of gene byzondere hoedanigheid van 'n schaap onder de aandacht der kiezers gebracht. Mooi blaten en veel wol waren de gewone gronden van predilektie. Maar ach, de kudde prospereerde niet. Ieder was ontevreden.Houletteen hamelbel gingen gedurig over van den een op den ander, en men begon weldra intezien dat niet elke verandering …

—Terugkeeren tot A? Nooit!

—Nooit, nooit, nooit!

—Liever Turksch, dan …

—Weg met A!

Zeker, dit blyft zoo! We houden vast aan 't vertegenwoordigend stelsel. Maar we moeten anderskiezen. Ik stel voor geen schapen aftevaardigen dan die byzonder geacht zyn in hun distrikt.

Akklamatie. Voorts:

—Weg met A!

—Zeker, weg met A! Maar we moesten ons doen vertegenwoordigen door iemand die verstand heeft van scheren. Er zyn leden in ons parlement die nooit 'n schaar in de poten hebben gehad. Dit is 'n groote fout, waarde medeschapen. Sedert de dagen van dien vervloekten A …

—Weg met A!

—Precies, weg met A! Sedert den tyd van dien tiran worden er veel zaken niet behoorlyk behartigd, 't Eene schaap wordt in 't geheel niet geschoren, en 't andere alle weken. Jazelfs worden er sommigen tegen alle recht en rede … gevild. Vanwaar komt dit geachte medeschapen? Doodeenvoudig hiervan dat wy in onze Vertegenwoordiging gebrek hebben aan … deskundigen, aan schapen van 't vak. Op die wys voortgaande, zouden we niets gewonnen hebben door het verdryven van den geweldenaar …

—Weg met A!

—Tot in alle eeuwigheid, weg met A! Om alzoo in ons parlement het ware echte oude onvervalschte scheer-systeem gehandhaafd te zien, heb ik de eer u 'n kandidaat voortestellen, die van 't scheren 'n bepaalde studie heeft gemaakt. In de dagen der dwingelandy …

—Weg met A1!

—Gewis. Onherroepelyk weg met den vervloekten A! Dit ben ik volkomen met u eens … doch laat ons voortgaan, de stembus wacht. Myn kandidaat heeft overvloediglyk bewyzen gegeven dat hy scheren kan. Bovendien is hy zeer geacht in z'n distrikt. Maar dit is nu byzaak. Hoofdzaak is dat hy uw Vertegenwoordiging zal kunnen voorlichten by elke epineuze scheerkwestie. Hy zal de wankelende overtuigingen steunen, de verdwaalden terechtbrengen, de styfhoofdigen overreden, de onwetenden onderrichten, den weerspannigen ontzag inboezemen … alles door 't prestige van z'n eigenaardige kunde. Wat allen te-zamen niet weten, weet hy alleen. Wat der algemeene aandacht ontsnapte, is zyn byzonder eigendom. Wat anderen duister is, ligt hem klaar voor oogen. Kiezers, bedenkt het gewicht uwer stemming! Erkent dat onze weide dringend behoefte heeft aan zulk 'n schaap in de Vertegenwoordiging. Op dus, op! Allen ter stembus, en kiest, blatend uit onbeklemde borsten: leve de konstitutie …

—Weg met A!

—Voorzeker … weg met A! Kiest als uit een bek, onder 't aanheffen van weidelievende kreten, tot uwen parlementsbelhamel …

Wiendenkt ge, lezers? Wel, den ouden weggejaagden A., die de voorpoort was uitgeworpen, maar in hoedanigheid vanSpecialiteitweer wordt binnengesmokkeld door 'n achterdeurtje.

* * * * *

De geschiedenis der meeste dwalingen beweegt zich langs den omtrek van 'n cirkel. Op despotisme volgt ontevredenheid, verzet, omwenteling. Uit dit alles ontstaan allerlei archien die—dikwyls vrij onjuist—den naam van republiek dragen. Hoe ook de vorm zy die de alleenheersching verving, ze wankelt gedurig tusschen dwingelandy en regeeringloosheid. In 't eerste geval is de kring reeds terstond vry geleidelyk gesloten, tenzy men groot onderscheid make tusschen de tirannie van 'n enkele, van eenigen, of van velen. By anarchie werpt men zich in de armen van 'n persoonlykheid die zich byzonder heeft toegelegd op 't stichten van orde, eener gezags-specialiteitdie al zeer spoedignolens volens—want niemand is tiran voor z'n genoegen—het voorbeeld volgt van den despoot dien men wegjaagde.

Moet dit altyd zoo blyven? Wie weet! We trachten naar 't betere. Dittrachtenis onze roeping, en juist daarom is het plicht de middelen ter verbetering met oordeel te kiezen.

De proeven die sedert korten tyd op het vaste land van Europa, en in Engeland sedert eeuwen, genomen werden, leverden gebrekkige rezultaten op. Aannemende dat elk Volk het recht heeft over zichzelf te beschikken, ryzen er ontelbare vragen, welker beantwoording zoo moeielyk is dat wy door de erkenning van dat recht noch zeer weinig gevorderd zyn. Watis'n volk? Vormen de Skandinaviers een Volk? Hebben de Friezen recht op zelfbeschikking als alleenstaande natie? Behooren Schotten en Ieren by Engelschen? Walen by Vlamingers? Vragen van deze soort kunnen er honderden gedaan worden.

Al konden zulke kwestien behoorlyk—d.i. met terzydestelling van diplomatieke fiktien die by den dag veranderen—worden opgelost, dan staan we voor nieuwe moeielykheden. Het is zeer gemakkelyk een natie toeteroepen: gy zyt uw eigen meesteres, beschik, beveel! Wie moet antwoorden op dezen eisch? Wie is gerechtigd tot gebruik-maken van 't geschonken of veroverd voorrecht? Hoeuitzich de wil van de kollektieve menigte die men "Volk" noemt? Of, erger nog,heeftzoo'n Volk wel 'n wil? Een wil zeker niet, en dit komt met geen wil vrywel overeen.

Daarna dwaalt men af op den kinderachtigen uitweg van 't stemmen- tellen, en vervalt in 't zeer onwysgeerig aannemen van 'nverondersteldenVolkswil, dien men tegen beterweten aanvoorgeeftte kunnen opmaken uit stemmingen welker uitslag en beteekenis beheerscht worden door 'n kiesreglement, dat in z'n geheel willekeurige samenstelling geen andere logische oorzaak van bestaan heeft, dan de zucht om zich met 'n Franschen slag aftehelpen van 'n taak die men niet weet te vervullen.

De daaruit voortvloeiende zeer onnauwkeurige—ja,per sevalsche! —manifestatie van den volkswil leidt tot nog onzuiverder rezultaten dan reeds het geval wezen zou indien zekerebepaalde zaakaan 't oordeel der menigte werd onderworpen. Die menigte kiest nu slechtsgeneralegevolmachtigden, tezaam genomen niet den minsten waarborg opleverende dat hun majoriteits-meening met den wil van de Natie, hun lastgeefster, overeenstemt.

Zoo stuiten wy in 't parlementair stelsel overal op onnauwkeurigheid, op genoegen nemen met zeer ruwe benadering, op fiktie, en … opmisleiding.

Ook wanneer wy al de gebreken die uit de aangestipte moeielykheden voortvloeien, nu eens aannemen als onvermydelyk—'n treurige veronderstelling!—dan blyft toch altyd de mogelykheid bestaan om 't voorhanden materiaal van staatkundige gegevens eerlyk toetepassen.

En … dit doet men niet! Dezelfde kiezers die, zoodra 't hunbyzonderbelang gold, zich alleromzichtigst toonen zouden in 't onderzoeken der bevoegdheid en vooral van deintegriteithunner gemachtigden, behandelen depublieke zaakmet 'n slordigheid die aan 't krankzinnige grenst, met 'n gebrek aan konscientie die in 't misdadige overgaat.

Lezen we niet dagelyks in onze couranten dat B, C of D—ik sla nu A over, om den schyn van ondeugende toespeling op m'n schapenparabel te ontgaan—vernemen we dagelyks dat het onze plicht is voordieheeren te stemmen,juist om redenen die hen tot vertegenwoordiging van 't Volk onbevoegd maken?

De een heeft zich byzonder toegelegd op den handel …

Dat zal hem te-pas komen als-i 'n winkel opzet. Goed succes! Maar daarmee heeft 'tVaderlandniets te maken.

De tweede was jaren lang in Indie …

We willen hopen dat-i ryk is, of 'n behoorlyk pensioen heeft, zonder leverziekte. Doch dat gaat hetVolkniet aan.

Een derde is fabrikant. "Het fabriekswezen, myne heeren, het fabriekwezen …

Zeer wel! Ook dat behoort tot denStaat. Maar ook datisde Staat niet.

Een vierde kandidaat is byzonder bekwaam in 't Loods-wezen. Hy weet den weg in de zeegaten …

Dat is juist de weg dien wy 'tVaderlandniet willen opsturen.

"Zie dien vyfde eens. Men aanbidt hem in z'n district …

Wel, laat hem dan blyven waar-i bekend is en aangebeden wordt. HetVolkkent hemniet, aanbidt hemniet.

"Gy zult toch dezen zesden niet afwyzen. Hy behoorde sedert z'n prille jeugd van familiewegen tot de zoo-en-zoo-party. Hy is van-ouder-tot- ouder 'ndit-aan, 'ndat-ist,een van de echte soort!"

Dat zal z'n grootmama plezier doen, van wie hy al die istery en anery geerfd heeft, maar 'tVolksbelangheeft andere eischen. Laat men dien man 'n plaats aanbieden in de een of andere kamer van z'n familie, als daar door 't overlyden van 'n oudtante vakature is. DeStaatis niet gediend met lieden die de oplossing van alle maatschappelyke vraagstukken meebrachten uit hun luiermand.

"Wraakt ge ook den zevenden, die alsSpecialiteitin …

In 't een-of-ander,connu! Ja, wraak ook hem. Ik ontzeg ieder 't recht Volksvertegenwoordiger te zyn die dat recht grondt op iets anders—op wat ook!—dan kennis van de behoefte des Volksin het algemeen, dan toewyding aan de belangen van 't Volkin het algemeen, dan op de gegronde verwachting dat hy nuttig zal wezen voor 't Volkin het algemeen. Het volgen van 'n vooruit bepaalde richting op wetenschappelyk, sociaal of politisch terrein, bewyst of onbekwaamheid of verraad, en dit laatste is immer het geval by 't voorstaan vanbyzondere belangen. De algemeene zaak—res publica—is in de hoogste maatintegraal, en moet als zoodanig behandeld worden.

Ik weet zeer goed dat het vertegenwoordigend stelsel in 't algemeen, ook zonder verkeerde toepassing in de onderdeelen, aan dezen laatsten niet kan voldoen. Doch wie dit toestemt, zal erkennen dat wy de daaraan klevende gebreken niet willens en wetens mogen vermeerderen. Hoe gebrekkig ook de wil des Volks door z'n afgevaardigden wordt kenbaar gemaakt, er is weinig hoop op beterschap indien wy opzettelyk voortgaan,erkend-onbevoegdenmet die moeyelyke taak te belasten. Zien de liberalen niet in, dat ze zich bespottelyk maken in de oogen der behouders, door dagelyks blyk te geven dat zy hun eigen stelsel of niet begrypen, of moedwillig verkrachten? Is er logika in den roep: "weg met Gods genade?" als men te-gelyker-tyd zweert by de genade van Professor X of Dokter Y? Met welk recht rekuzeert men het overwicht van 'n BOURBON of anderenKrates, als men stokstyf beweert dat het leekeplicht is, eerbied te hebben voor de militaire kunde van Luitenant Q? Is het dan alleen om plaats te maken voor katheders dat men zich voor 't omhalen van tronen en bidstoelen zooveel moeite getroostte? Millioenen en millioenen plebisciteeren sedert eeuwen voor 't gezag van den Paus. Weg metdiemeerderheid, zeggen we nu, wy weten beter! Maar … de anderhalve stem uit Schiedam, die den jeneverstoker Z zoo byzonder bevoegd rekent tot het beslissen van industrieele—en alle andere! kwestien, dat is 'n andere heiligheid, daaraan mag niet geschud worden! JOZUA deed de zon stilstaan. Dit werd aangenomen door millioenen stemmen. Vyf-zesduizend jaar lang voteerde 't heele mensdom de onschendbaarheid van JOZUA'S wonder.Diemeerderheid wordt op-eenmaal terzy gezet—en ik doe hartelyk mee!—maar mogen we nu telkens 'n nieuwen JOZUA erkennen in ieder dien 't gelukte zich door 'n paar dozyn kiezers te doen proklameeren voor 'n specialiteit in stilstaan?

Wie de aanbevelingen der kandidaten ontleendt, staat verbaasd over de botheid van lezers en de onbeschaamdheid van dagbladschryvers. Deze heeren geven zich niet eens de moeite hun felonie te verbergen, en dringen brutaal aan op de verkiezing van dezen of genen, om redenen die juist den kandidaat het lidmaatschap in de Kamer zouden onwaardig maken, indien hy inderdaad schuldig ware aan de Kamerdeugden waarvan-i beticht wordt. Laat ons hopen dat er veel gelasterd wordt in die aanbevelingen! Maar in dit geval is 't vreemd dat de betrokkenen zich niet verdedigen. Nooit las ik te-dier-zake 'n rechtvaardiging. Nooit werd 'n dagbladschryver door den kandidaat van z'n krant voor den rechter gedaagd, omdat hy hem in-staat achtte als Kamerlid het algemeen welzyn opteofferen aan ondergeschikte belangen, nu zeer in 't byzonder aan die van z'n distrikt. Nooit eischte een aanstaand vertegenwoordiger des Volks, herstel van eer na de aantyging dat-i gereed-stond dat Volk naar de maat van z'n vermogen te verraden alsSpecialiteit. Integendeel, de Fritsjens leggen vry onnoozel hun schitterendenStaat-van-Dienstover, en schynen heusch te gelooven dat na hun verkiezing,tout sera pour le mieux dans le meilleur des parlements possible.

Het best-mogelyk parlement? Dit verkrygen wy op die manierniet!

Wie alsspecialiteitde Kamer betreedt, voelt zich genoopt z'n kiezers te doen zien dat hy wel terdege de man is waarvoor hy zich … in de societeitGezelligheiduitgaf. Men was gewoon hem daar gekleed te zien in iets dat naar uniform geleek. Ook schoor de barbier z'n nekharen weg. En z'n rok werd geborsteld door 'n gewezen wachtmeester- titulair, 'n krygskameraad uit de dagen van 't oorlogzuchtig garnizoensleven. Zou, na dit alles, het geacht lid uit deGezelligheidmogen zwygen by 't behandelen van de vraag, hoe wy de Pruisen uit het land houden? Dat zy verre!Specialite oblige! Het ruischt hem in de ooren hoe z'n kiezers elkaar toeroepen: 't zal me benieuwen watonzeman zegt over de linie van defensie. Zoo-iets is juist z'nfort.

Nu, die kiezers krygen hun zin. "Onze man" praat terdeeg mee. En waarom zoud-i niet? Hy heeft immers—de gelukkige!—verstand van "linien" waarop zich de vredelievende krygsman terugtrekt, en hy weet wat de rug van 'n leger is … 'n ding, naar 't schynt, waarin iemand vallen kan zonder zich te bezeeren, jazelfs voor z'n plezier. Hy licht dus de vergadering voor, zy 't dan niet met technische kennis, dan toch met wat kennis van de meestal zinledige terminologie der techniek. De kruienier van z'n dorp voelt iets in zich van 'n CAESAR of NAPOLEON by 't verondersteldhear, hear! dat de aandacht scherpt op de oorlogswysheid vanzynafgevaardigde. De geldwisselaar op den hoek is wat huiverig geworden in 't aannemen vanCassenscheine, na die redevoering van "onzen man." 't Is toch maar zeker dat VON MOLTKE, uit het veld geslagen door die fameuze nieuwe linie, geen raad weten zal met z'n armeerug, en dat alzoo de solvabiliteit van den Pruisischen Staat …

"Onderwys? Wacht even, straks zal onze dominee die zaak eens behandelen. We zonden hem naar den Haag omdat het preeken hem wat lastig viel[8]—hy moest zoo, en kan de stovenlucht niet verdragen —maar onderwysz'n stokpaardje, daar kan je-n-op aan! Hy katechizeerde altyd 'n kwartier over den tyd, en op z'n zesde jaar al kon m'n kleine jongen 't heele gebed van MANASSE van-buiten, zoodat nu die reorganizatie van de hooge scholen wel in orde komen zal. Liberaal is-i … van belang! Hy preekte zonder bef, en z'n vrouw heeft 'ncotillonmeegedanst op den zilveren bruiloft van onzen burgemeester."

"Accynsen? Nu, dat is 'n kolfje naar de hand van onzen X! Hy is graanhandelaar, en heeft molens ook. Altyd lag-i overhoop met de komiezen van 't gemaal. Hy is door-en-door thuis in die zaken … doorkneed! Alles weet-i "binnen" te krygen, en de ambtenaar die hem iets bewyzen kan, moet nog geboren worden. Lees eens wat onze "provinciale" van 'm zei toen-i gekozen worden zou. De "provinciale" zei, dat … dat … iemand zoo byzonder thuis was in de accynsen als X. De behouders zullen 't hard te verantwoorden hebben als hy begint. Want … praten kan-i … kyk! Verleden by den brand heeft hy 'n toespraak gehouden, wel 'n half uur lang. De spuitgasten stonden perplex, en toen 't dak instortte, had-i nog niet gedaan. Ik verzeker je dat-i niet voor niemendal naar den Haag is gezonden."

't Is nu maar te hopen dat er geen brand ontstaat in den Haag of in Nederland, in de Kamer of onder 't Volk. De welsprekende gemaal-specialiteit mocht de spuitgasten eens roerloos praten![9]

Het doet my overigens genoegen dat die X zoo'n goede spreker is, daar-i me hierdoor aanleiding geeft om terugtekomen op de specialiteit van mooipraters, 'n ras dat ons moest doen gloeien van eerbied voor den uitvinder van 't Persisch-insectenpoeier. De mensenvriend HAKIM HHAFIZ—daar ik niet weet hoe de man heette, willen wy aannemen dat die naam hem is toegekend door de meerderheid van 'n Vergadering die 't ook niet wist—die HHAFIZ heeft aanspraak op onze dankbaarheid, al ontwaren we dan by warm weer en Kamerzittingen, dat z'n pogingen nog altijd gedeeltelyk onbekroond bleven.In magnis voluisse… o edele HAKIM, troost u daarmee!

De specialiteit van mooipraten, publiekspreken, oratorisch talent, welsprekendheid—de frekwentste onder alle specialiteiten—is 'n ware ziekte, 'n besmetting, 'n pest die uitgeroeid behoort te worden, 'n vloek die men bezweren moet.

Ik heb my onlangs in de IDEEN (Bundel III) hiermee te lang bezig gehouden, om daarby nu te blyven stilstaan. De belangstellende lezer wordt naar dat werk verwezen, en ik zal dus hierover nu niet meer zeggen dan noodig is tot het aanwyzen van den nadeeligen invloed dezer soort van specialiteit op de Vertegenwoordiging des Volks.

Welsprekendheid in den zin die men gewoonlyk aan dit woord hecht, behoort te-huis op den kansel. Het opdringen van ongerymdheden kan niet gelukken, zonder zekerflux de bouchedat we aan goochelaars, geestelyken en biologen moesten overlaten. By 't nuchter behandelen van zaken—en dit is zoowel voor de balie als op de Volkstribune een vereischte—komt het aan op de zaken-zelf, en niet op de manier waarop deze of gene praatspecialiteit die zaken weet voortestellen. De aangevoerdefeitenbehooren wel te spreken, en kunnen dan de welsprekendheid van den rhetor zonder scha missen niet alleen, maar worden daardoor in het duister gesteld. Welke waarde heeft de vryspraak van den beschuldigde, indien men daarby de bekwaamheid van z'n verdediger op den voorgrond zet? Welk vertrouwen kan 't Volk stellen in de doelmatigheid van 'n genomen maatregel, wanneer daartoe beslist is onder den indruk der redevoering van 'n mooiprater? Men bedenke dat het by behandeling van zaken niet om overreding te doen is, niet om 'n kinderachtigen triumf over tegenstanders, niet om de problematische eer van van 't laatste woord. De vraag is hoe defeitenzyn. Hoe die van elkander afhangen? Hoe er moet gehandeld worden om ze in de toekomst naar wensch te leiden? En dit doel wordt niet bereikt door oratorische inspanning of overspanning.

Erger nog, op dat doel wordt onder 't regime der mooi-pratery niet eens aangelegd. Het spreken-zelf staat dikwyls 't belang der zaak waarover men spreekt in den weg, zooals in den schouwburg 't luid gesis om stilte,destilte. Het is den specialiteit-prater minder om 't welzyn des Vaderlands te doen, dan om den bloei van z'n redenary. En ook z'n tegenstanders slaan meer acht op de rhetorische waarde van z'n arbeid, dan op den invloed dien z'n redeneering behoorde te hebben op hun oordeel, een invloed die dan ook zeer gering is. Lang voor 't openen der debatten kan men vry nauwkeurig weten hoe de uitslag van de stemming wezen zal, waaruit mag worden opgemaakt dat de advokatery der pleiters geen enkele overtuiging wijzigt. Liever: geen enkelparti pris, want van "overtuiging" kan in zoo'n bedorven kring geen spraak zyn.

De waarde die in-weerwil hiervan, nog byna overal aan publiek-spreken gehecht wordt, legt 'n droevig getuigenis af van den ernst waarmee menwaarheidnaspoort. Als meest eenvoudig geneesmiddel voel ik me alweer genoopt te wyzen op de wiskundige, die in de harmonie van 'tZyn, uitgedrukt in hoeveelheden of uitgebreidheid, de schoonheid van het stipte, de poezie der juistheid najaagt. Hy vindt dit alles niet in 'n byzondere wyze van voorstelling, maar in de eenvoudige vermelding van 't gevondene dat hem uitdrukkingen in den mond legt welke steeds, en in veel hooger zin dan we gewoonlyk dit woord gebruiken, wel-sprekend zyn. Wat daartegen strydt, noemt hyLeugen. En zelfs zonder bepaalde tegenstelling, al wat afwykt van 't eenvoudig ware, is hem onwaarheid, en als zoodanig 'n gruwel.

Mooipraten? In de couranten, die verraderlyke fotografien van onzen maatschappelyken toestand—de oplettende lezer begrypt dat ik nu bepaald van de advertentien spreek, daar fotografien aan iets als juistheid doen denken—in de couranten wordt nu-en-daneine gewandte Verkaeuferinngevraagd. Hoe men zoo'n ding in 't Hollandsch noemt, weet ik niet. De zaak zal wel hierop neerkomen, dat men 'n schepsel zoekt die het talent heeft 'n onbedreven klant verschoten lapjes aantepraten. Heeft de specialiteit van zoo'n winkelmeubel werkelyk voor den patroon eenige waarde? Oefent zoo'n geacht lid van de toonbank inderdaad 'n goeden invloed uit op het geluk des Volks dat wat welvaart komt opdoen uit haar voorraad?

Opmyniet! Ik tart de meestgewandte Verkaeuferinnvan 't heele nieuwe Duitsche Ryk, my 'n kadaster-wetsontwerp of 'n reorganizatie van de Preanger in de hand te stoppen voor 'n waardig antwoord op denHavelaar, en ik zou geen slaapmuts aannemen uit haar hand, al verzekerde ze my op eerewoord dat VAN TWIST—bygestaan dan door andere specialiteiten, omdat hyzelf de specialiteit van volslagen onbekwaamheid beoefent—dat ding had gebreid.

Maar onze kieskollegien en Kamers zyn zoo keurig niet. Indiewinkels stelt men zich met de nieuwe juffrouw tevreden, zoodra zy zeker soort van omstanders tot handgeklap weet te bewegen, en vraagt er zoo weinig naar of ze overigens verstand van de zaken heeftin'talgemeen, dat men ten-laatste die zaken met het effekt van haar praatjes verwart. Dit nu is in 'n winkelier begrypelyk. Hy slyt z'n waren door de gladmondigheid van z'n vertegenwoordigster, en daarom alleen is 't hem te doen. Doch behoorde niet het Volk aan z'n afgevaardigden andere eischen te stellen?

"De redevoering van A, van B, van C, was mooi …

Heel mooi! Maar, eilieve, zyn we daardoor een graad veiliger voor dePruisen?

"Onze D heeft daar eens weer perfekt gesproken!"

"O ja, byna zoo mooi als onlangs in de "Gezelligheid" maar de werkman is ontevreden. Kan hy voedsel koopen voor D's prachtige oratie! Is de kans op algemeene welvaart verbeterd?

"Heb je gelezen hoe onze E dien F op z'n plaats heeft gezet? Dat was taal!"

Zeker, zeker! Maar … de Javaan wordt mishandeld, met of zonder akkompagnement van kamerspeeches, met of zonder deGewandtheitder Bataafsche toko-specialiteit die z'n diepe kennis van Indische zaken te luchten hangt.

Maar niet alle mooipratery riekt juist naar den winkel. Ook, en vooral, debalielevert gewoonlyk 'n kontingent sprekers die de toonbank zouden doen blozen, wanneer 'n toonbank blozen kon.

"De rechten, myne heeren, de rechten …

Nu ja, de rechten. We kennen ze, die vadermoordende bastaarden van hetRecht! De rechten vullen alle plaatsen die openbleven tusschen de bezette botertonnetjes en de vertegenwoordigers van Vlaardingsche haring! Zoo'n man van rechten spreekt, spreekt, spreekt … tot in 't oneindige. En daarna spreekt-i. Dat is z'n vak, z'n roeping, z'n beroep, z'n gewoonte, z'n hebbelykheid, z'n behoefte, z'ntic. Het spreken is z'n zeer specialespecialiteit…

Daartoe werd-i dan ook afgevaardigd!

Waarover spreekt hy? 't Is hem om 't even. Hoe? Het scheelt hem niet. Hy spreekt niet om iets op tehelderen, iets meetedeelen, hy spreekt om te spreken. Z'n kiezers wachten van hem zooveel kolommen Byblad in de week. Levert-i minder, ze fronzen het voorhoofd: hm, hm, onze Z gaat achteruit. Draaft hy z'npenmus'n paar regels voorby: "zie zoo, Z is terdeeg op z'n dreef geweest".

De arme Z wordt martelaar van z'n dorpsroem. 't Is met hem: "spreken kunt ge, spreken wilt ge, spreken zult ge … tot er de dood na volgt, en dan wachten wy uit uw eigen mond de lykrede." De ongelukkige allemans-babbelaar is nog rampzaliger dan z'n mede-specialiteiten in andere vakken. Deze toch behoeven zich slechts op den voorgrond te stellen wanneer hunmetierwordt aangeroerd. Maar Mr. Z is van alle vakken, juist omdat de eigenaardigheid van z'n welspreken meebrengt dat-i redevoeren kan over zaken waarvan hy of weinig weet, of byna niets, of volstrekt niemendal. Waartoe zou de gaaf van spreken dienen, als men daarby nog verstand noodig had van 't behandelde ook? De zeeman mag zwygen over tienden … al doet hy 't niet immer. De bankier kan neutraal blyven by 't kibbelen over armenverzorging … al doet hy 't niet immer. De afgevaardigde uit de veenen mag op z'n lauwren rusten zoodra de turf afgehandeld is … al doet hy 't niet immer. De kiezers gunnen al die heeren den tyd tot kraamuitleggen na 't verlossen van hun vakwysheid. Maar de praatspecialiteit is gedoemd zich te laten braden op elken rooster. Hy heeft na 't afhandelen van eenig onderwerp, nauwelyks den tyd zich als St. Laurens, op z'n andere zy te leggen. Turf, armenbederf, eeredienst, verstopte zeegaten, koninklyk prerogatief, volkenrecht, buitenlandsche zaken, vrye-arbeid, pensioenen, strafwet, onderwys … alles is van z'n gading. Of liever, alles is van de gading zyner kiezers die "onzen manook wel eens over dat onderwerp willen hooren."

We zullen niet toegeven in ziekelyk medelyden met het praatorgel, dat veroordeeld is tot het afspelen van meer deunen dan er op een cylinder kunnen gezet zyn. Wie zich voor universeele deunmachine uitgaf, moet dan maar de bittere gevolgen van z'n triumf dragen. Maar we vragen wat er terecht komt van dezakendie op zulke wys worden behandeld? We vragen of 'tVolkgebaat wordt door de mondknapheid van zoo'n babbelaar?

Misschien werpt men my tegen dat ik die aanspecialiteitenhun bekrompenheid verwyt, genoegen moest nemen met de …generaliteitvan iemand die overallesmeespreekt, en dien men dus niet verwyten kan dat de kring waarin hy zich beweegt, te nauw is. Die ruimte moge wyder zyn dan van anderen, ze is—grootendeels ten-gevolge van 't eigenaardig hersenbederf dat de studie der zoogenaamde "Rechten" meebrengt—gewoonlyk minder goed gevuld. Heeft men by vakmannen te klagen overpenurie van zakenhier hebben we metprofuzie van woordente doen. Het is de eersten onmogelyk zekere enge grenzen te overschryden, maar praters kunnen zich binnen geen enkele grens tot iets wezenlyks bepalen, en wanneer men de zaakkennis van dezulken, en 't licht dat ze verspreiden, kondenseert, voelt men iets als sympathie voor de andere specialiteiten, die wel-is-waar slechts een zaak reprezenteeren, maar zich daarover dan ook niet behoorlyk weten uittedrukken en dus meer kans hebben om door zwygen tot 'n schyntje van iets degelyks te geraken. In dit laatste geval blyft hun tenminste de verdienste, het woord te laten aan den enkele die inderdaad iets te zeggen heeft waardoor misschien het Volk kan worden gebaat.

Uit m'n IDEEN kan men weten hoe ik de staatkundige waarde van den heer THORBECKE beoordeel. Toch heb ik onlangs z'n handelwyze in zekeren zin goedgekeurd, toen hy zich onttrok aan het praatduel waartoe 'n debatteer-specialiteit van de ergste soort hem aanhoudend dwingen wilde. De poging van den aanvaller om zich tot "iets" te maken, door 't voortdurend mikken op 'n persoon die naar de meening van 'n groot deel des Volks sedert langen tyd ietsis, noem ik … kwajongensachtig. Ik moet gelooven dat de man by z'n kiezers eer heeft ingelegd met z'n sarren, daar de rol die hy spelen zou, te voorzien, en waarschynlyk een der voorwaarden van z'n verkiezing geweest was. Het is dan ook mogelyk dat-i nu-en-dan z'n tegenstander gekwetst heeft. Maar de grootere eer, door dien tegenstander gekwetst te worden, is hem ontgaan. De in dit geval door de liberale specialiteit in-achtgenomen terughouding zou ons byna stemmen tot wat vergevensgezindheid voor de zotternyen van '48, indien hier aan iets anders dan zeer persoonlijke beweegredenen te denken viel. DepersoonTHORBECKE wilde niet tournooien met het individu dat zich als "geacht lid" uit … een-of-ander, zoo indiskreet opdrong in z'n vyandschap, maar 'tKamerlidTHORBECKE gaf te dikwyls bewyzen van onkunde omtrent de ware roeping der Volksvertegenwoordigers, dan dat z'n terughouding aan staatkundigbon sensmag worden toegeschreven. Dit is dan ook niet te verwachten in den schepper onzer kieswet, die volgens zyn beginselen,als lid der Kamerhet recht niet had zich te ontrekken aan de noodzakelyke gevolgen van z'n eigen werk. Zulke verkiezingen brengen zulke geachte leden voort!Patere legum quam fecisti!

Of 't overigens waar is, dat het bedoeldad hocafgevaardigd kemphaantje z'n kiezers behaagd hebbe? Ik gis ja. Waarschynlyk zyn z'n herhaalde provokatien met innig welgevallen gelezen. Me dunkt ik hoor zeggen: "dat isonzeman!" Welnu, deze ingenomenheid vloeit voor 'n deel uit onkunde voort. De meerderheid der kiezers nog altyd van meening dat praten, spreken, publiekspreken, redevoeren, enz. uitstekende zaken zyn. Men schynt nog altyd niet te weten dat niets gewoner is dan dit talentje. 't Gaat daarmee als met muskaatnoten, versenmaken en speciaalkennis van "de-n-oost" altemaal kruieryen die eens tegen goud werden opgewogen, en tegenwoordig in 't burgerlykst huishouden tot vervelens toe worden voortgezet. Voedsel zit er in al die dingen niet, en overvoer deed den prys dalen. Dat is gelukkig. Want al vloeit hieruit verhooging van konsumtie voort, het stemt de waardeering van 't gebruik wat lager, en dit isietsgewonnen.

Maar zoover zyn we nog altyd niet met debatspecery. Nog immer vinden mensen en … kiezers, 'nhaut goutvan talent in de hebbelykheid van frazenlymen. Ze schynen niet te weten dat de prys van dit artikel sedert de afschaffing van 't monopolie zoo verbazend gedaald is. Wat onbevangenheid, 'n beetje gewoonte z'n eigen stem te hooren,le desir de se voir imprime, 'n twintigtal gelegenheids-frazen, 'n wel geprepareerd slotwoord,et le tour est fait!

Voedsel zit er in dat alles niet, zei ik zoo-even, toen ik van andere goedkoope produkten sprak. Zit er voedsel in wat we zien voortbrengen door zulke publieksprekers? Om te blyven by 't voorbeeld dat ik aanhaalde, durf ik vragen of er in al die aanvallen van 't geacht lid KOORDERS tegen den heer THORBECKE, een nieuw denkbeeld is ontwikkeld? Of er een oud denkbeeld in nieuw licht werd gesteld? Of erietsis overgebleven van die telkens tevergeefs afgestoken vuurwerkjes? Werd er in 't grenzeloos ryk der IDEEN 'n nieuw werelddeel ontdekt? Een vreemde kust? Een onbekenden klip? Een dorp, 'n rots, 'n zodenbankjen, 'n zandkorrel? Niets van dat alles! Niet eenmaal 'n nieuw kiesdistrikt. Geenmotzelfs is blyven bestaan van al de projektielen waarmee de arme THORBECKE uit z'n eigenkies-mitrailleusebeschoten werd. Wind zyt ge, o praat-specialiteit, tot wind zult ge wederkeeren. Dat zy zoo!

De wensch is vroom. Van alle specialiteiten is de redevoerspecialiteit de verderfelykste, de onuitroeibaarste! In-weerwil der uitvinding van den beroemden HAKIM HHAFIZ, is de kans op genezing van de ziekte nog zeer gering. Ge moet weten, lezer, dat die man te stryden heeft met boosaardige vyanden. Venynige tegenstanders hebben in Perzie z'n pogingen verydeld door 't oprichten van dispuut-kollegien en debatings-klubs. Men ziet het, iemand die z'n tyd vooruit is, stuit gewoonlyk op boosaardige tegenwerking. Ook ik heb 'n uitvinding gedaan. Ik wilde de publieksprekers inenten met de tranen van 'n berouwhebbenden ekster. Maar ik houd de ontdekking geheim, uit vrees dat broodnyd en zucht tot zelfbehoud zich zullen wreken door 't oprichten van instituten als die in Perzie den armen HHAFIZ het leven verbitteren. Ik denk dat-i naar Wiesbaden vluchten zal.

Wie overigens nog niet voldoende doordrongen is van den noodlottigen invloed der praatspecialiteiten, sla het oog op 't ongelukkig Frankryk waar men, na al de bittere ondervinding van 't laatste jaar, nog altyd niet van de kwaal genezen is. Toen dezer dagen de generaal VINOY met al de duizende vechtmannen die hy onder z'n bevelen had, gevlucht was voor de opstandelingen te Parys, gaf 'n frazensmid van die gebeurtenis aan deAssemblee Nationalekennis met de woorden:le general a concentre ses forces a Versailles. Indien de Fransche afgevaardigden Duitsch lazen, zouden ze weten dat sedert maanden hun vechtende en gevechtbeschryvende landgenooten door den vyand over zulke frazen worden bespot, en dat de uitdrukking:sich rueckwaerts konzentriren, op Franschen toegepast, in den mond der opgeblazen onderdanen van Keizer WILHELM—die op hun beurt ook met frazen weten omtegaan! —identiek is geworden met schandelyk wegloopen. De vaderlandredders in deAssembleeslikken nog altyd zulke woorden, en zetten daarby een gezicht alsof ze doordrongen zyn van 't besef der strategische waarde van zoo'n militaire retrovolutie. JULES FAVRE, een pleit-en praatman, spreekspecialiteit van den eersten rang, vond 'n andere manier uit om lafhartige vlucht te eufonizeeren. Hy, lid van de Regeering, had—even als al z'n ambtgenooten trouwens—'t hazenpad gekozen voor de oproerlingen van 't Hotel de Ville, en met majestueuze deftigheid stelde hy die rugwaartsche koncentratie aan de Volksvertegenwoordiging voor, als 'n heroische poging om den vyand te verdelgen:en creant autour de lui le vide le plus absolu. 't Doet waarlyk denken aan 'n muisjen onder de luchtpomp. Maar … als nu eens die vyand, aangetrokken door 't zoo heldhaftig geschapenvacuum, zich liet voorttrekken naarVersailles, en verder, verder, zoo ver de door voortdurende vlucht veroorzaakte ylheid toelaat of eischt … wat dan?Que usque, o dappere JULIUS FRAZE? Hoe lang wilt ge den vyand op u toe zuigen? Ik heb ongelyk. Er staat:autour, luchtledige zuiging dus aan alle kanten tegelyk … 't is om te bersten.

DeAssembleeneemt genoegen met zulkecant, zy die optreedt als redster van 't bedrogen Frankryk dat te-gronde werd gericht door praatjes van gelyke soort. Die mensen hebben niets geleerd en niets afgeleerd. Doch waarom 't hun te wyten? Werden ze niet door 'nwettelyk bevoegd verklaard deel des Volkswaardig en bekwaam gekeurd, de belangen van dat Volk te behartigen?

Tot-nog-toe ging het ten-onzent niet beter. En 't is te betwyfelen of dit veranderen zal. Maar, in-weerwil myner moedeloosheid zal ik blyven waarschuwen zoo goed ik kan. Wie meenen mocht dat ik by veel gelegenheden, en ook nu weer in deze bladen, onze Volksvertegenwoordiging te hard val, vrage zich of de Kamers by 't Volk in aanzien zijn? Dit is het gevalniet. De kiezers minachten hun eigen werk. Vreemd is 't zeker, dat koks de spijzen niet lusten die zij anderen voorzetten. Reeds het bywonen van 't vuil geknoei in de keuken, maakt het onmogelijk die met smaak te nuttigen, hoe veel te meer moet dit het geval zyn als men heeft deelgenomen aan dat gemors.

En … 't oordeel der Kamerleden-zelf! Wie slechts eenmaal gelet heeft op den toon waarop buiten 's kamers zoo'n uitverkorene zijn mede-uitverkorenen "ze" noemt, zal my ten-goede houden dat ik met die heeren weinig omslag maak, waartoe geen groote moed vereischt wordt, daar ieder hunner in 't byzonder volkomen instemt met m'n oordeel over z'n "geachte" kollegaasen-bloc. Dagelyks hoort men:

"Dat begrypenzeniet … daartoe zynzeniet te bewegen … zoo-iets ishunte hoog!"

En de eenling die aldus spreekt en accentueert, heeft gelyk. Er ligt niet de minste verwaandheid in, dat hy zich alsindividuhooger stelt dan al z'n ambtgenootente-zamen genomen.Hy voelt inderdaad het overwicht van z'n onverbrokkelde individualiteit tegenover de poespas van kennis en kunde, die door gebrek aan affiniteit nooit 'n dergelyk geheel kan uitmaken. Een verzameling van mensen bezit als zoodanig nooit een der eigenschappen die 'n mens kunnen versieren. Ze heeft geen konsekwenten wil, geen overtuiging, geen bekwaamheid, geen geweten, geen eergevoel, geen schaamte en geen moed. Elkindividu, hoe schitterend middelmatig ook, staat boven 'nVergadering, (IDEE 9 en 336).

Wie na al 't aangevoerde nog verder bewys verlangt van de laagte waarop onze Volksvertegenwoordiging staat, legge zich de vragen voor:

Welk werkstuk heeft ooit onze Kamer voortgebracht? Welk belangryk denkbeeld is uit haar voortgekomen? Welke blyken gaf zy dat ze besef had van haar verplichtingen? Op welk gebied leverde zy voorbeelden ter navolging? In welk opzicht was zy uitstekend? Wat heeft het Vaderland aan z'n vertegenwoordiging te danken?

Uit overvloed van individueele specialiteiten in allerlei vakken, werd zy altyd verhinderd kollektief te zyn wat ze uit den aard der zaak wezen moest:algemeeneSPECIALITEITter behartiging van de belangen desVOLKS.

Ziedaar alzoo wat de in willekeurige brokstukken verdeelde opinie der menigte oplevert!Vox populi Vox Dei, zegt men, zonder te bedenken dat men daarmee z'n God 'n vreemd kompliment maakt. Een zonderlinge eer voorwaar—en voor 'n God nogal!—homogeen te worden verklaard met kannibalen, roovers, heksenbranders, stommerikken, aanhangers van oudwyvenpraatjes, geloovers, verstandmoorders, enz. enz. Hadden niet al die specialiteiten van beroerdheid eenmaal—en hebben ze niet nog, in zekere landen—zoo'nVoxop haar hand? Doch, dit daargelaten, ik vraag of zy die den wil van hun God vereenzelvigen met den Volkswil, geen zonde doen door die eensluidende voxen doorteknippen als 'n poliep? Me dunkt: ge zult den Heere uwen God niet distriktifieeren. Zeker is 't datmyngodin, deRede, geen genoegen neemt met zulke kinderachtige en misdadige kunstjes.

"Een veger die niet vegen kan, en geen ander vak verstaat dan niet te kunnen vegen, is 'nSpecialiteit."

—Myn vak is dat … dat … of dat!

Zeer wel! Wat hebt gy die aldus spreekt, tot stand gebracht op het terrein dat ge 't uwe noemt? Gy geneeskundige, hoeveel gezondheid bracht ge voort? Gy rechtsman, werd hetRechtgebaat door uwen arbeid? Gy specialiteit van moed, strategie en taktiek, beeft de vyand voor uw dapperheid en vechtkunst? Gy publiekspreker, preekheer, redenaar, welke dwaling hebt gy uitgeroeid?

Laat ons nogeens 't oog slaan op Frankryk, het land waar sedert onheugelyke tyden de laatstgenoemde specialiteit byzonder in eere was. Om nu niet te spreken van de treurige rol die veldheeren en diplomaten speelden tegenover den buitenlandschen vyand, welkemaarschalkvan het Woord, welkehoogleeraarin verdelgkunde, bezweert het oproer te Parys? Ze beproeven dit niet eens. Het gepraat der THIERSEN en FAVRES in deAssemblee Nationalekonkludeert gewoonlyk tot wachten, afwachten, niet-doen.

De helden die telkens onder verpanding van eer en leven beloven "het monster der anarchie den kop intedrukken" komen gedurig onverrichter-zake terug en brengen hun dierbaar leven ongedeerd weer thuis. De inderdaad zwaar geblesseerde eer wordt met 'n praatje gekalfaterd want de vechtspecialiteit gaat zeer geleidelyk in de praatspecialiteit over. De helden van 't slagveld kyken den doodslager van de balie de kunst af, en frazeerena qui mieux mieux. En de leden van zoo'nassembleenemen daar genoegen mee. Toen onlangs de overwinner-of-sterver DUCROT tegen alle afspraak aan, onverwinnend in 't leven was gebleven, werd er nog even geprotesteerd tegen 's mans wederrechtelyke existentie. Maar nu dezer dagen de admiraal SAISSET, de specialiteit die gezworen had:de donner sa vieenz., springlevend wederkeerde zonder de straten van Parys te hebben schoongeveegd, neemt men genoegen met … zoo'n veger die niet vegen kan. Wie nu zulke DUCROTS en SAISSETTEN aan 't breien, stoppen, stikken of koekbakken zetten wilde, zou van die heeren ten antwoord krygen: "dat is m'n vak niet … van beroep ben ik held!" Maar zoodra er iets te doen valt waarby hun vakheldhaftigheid eens terdeeg zou te-pas komen, gedragen zy zich als specialiteiten van de naaischool.

En de praters! Mr. THIERS, Mr. FAVUE. Mr…. Watjewilt, heeft 'nspeechgehouden! Dat was nu eens prachtig! Dat deed effekt …

Och ja, als de ontboezeming van den accynsman op de roerlooze brandblussers van pagina zooveel!

Indien zulke babbelaars-zelf het minste vertrouwen stellen op den indruk van hun gepraat, op hun waarde alsspecialiteit, waarom, dan niet van die kracht gebruik gemaakt tegen 't oproer! Waarom niet hetHotel-de-Villegebombardeerd met 'n Kamerspeech van THIERS? Waarom mitrailleert FAVRE de opstandelingen niet met z'n mond?

Bisschop HERBERT van Utrecht gaf in de twaalfde eeuw bewys van meer oprechtheid. Toen de Hollandsche graaf DIRK hem kwam aanvallen, begreep de eerlyke man dat het nu de rechte tyd was om z'n specialiteit op den voorgrond te stellen. Zyn vak was heiligheid, en met heilighedens trok hy den vyand te-gemoet. Dat hielp. Onze DIRK vroeg exkuus, en beloofde beterschap. Ook deze toonde hierdoor dat het hem ernst was met z'n specialiteit van geloover. Maar in onze dagen … zie VICTOR EMANUEL die 't erfdeel van PETRUS inslikt. TochZoon der Kerk! Zie al de protesten tegen pauselyke Onfeilbaarheid—tegen de vochtigheid van water—tochkatholiek! Zie de modernen die 't bybelgeloof hebben afgezworen … toch aanhangers van de leer die op bybelvertellingen gegrond is!

En zie rond op zooveel ander gebied. Klapperende vensters, mismakende schoorsteenen, gebrekkige ventilatie, onpraktische daken! smakelooze gevels … al die dingen protesteeren tegen de bekwaamheden onzer bouw-specialiteiten. Een ingenieur dien ik eens deze opmerking meedeelde, antwoordde my dat de meeste zaken van dien aard tot het timmermans-of metselvak behoorden. Precies 't antwoord van 'n Franschen generaal dien men aan 't breien zetten wou.Hoogerebouwkunde? Wat is dat? Engelen wonen niet. We zynmensen, moeten voldoen aanmenselykebehoeften. Gaarne wil ik gelooven dat het diepe studie vereischt, de verhouding te berekenen tusschen de kapiteelen van 'n Minervatempel en de emolumenten van 'n hedendaagschen koster, maar we hebben andere kunde noodig. De huishouding van 'n Hollandsche stovenzetster wordt niet geregeerd naar de wetten van 't Grieksche schoonheidsgevoel, en we zullen geen schoorsteenen leeren maken, zoolang wy 't beproeven uitstellen tot we bruikbare modellen aantreffen in 'n opgedolvenatrium, waar de rook gewoon was naar bevind van zaken zich 'n uitweg te zoeken, of niet-eens te zoeken.

De eigenaardige fout der specialiteiten bestaat inafkeer van oorspronkelykheidofvrees voor oorspronkelykheid, aandoeningen die voortkomen uit een door luiheid veroorzaakte onmacht. Te traag om op eigen beenen te staan, te schuw voor inspanning zelfs om dat te beproeven, richt men zich naar meesters in de kunst, en vergeet dat zy hun waarde juist daaraan ontleenden, dat ze zichnietrichtten naar 'n meester. De eenige leermeesteres, deartis magistra, die 't recht heeft haar discipelen 'n geldig doktors-diploom uittereiken, isde aard der dingen. Wie 't versmaadde opdiehoogeschool te studeeren, zal ten-allen-tyde een brekebeen blyven, een … veger die niet vegen kan.

Terloops doelde ik op de gebrekkige wyze waarop bouwspecialiteiten beantwoorden aan den naam dien zy zich geven. De uitvlucht van den ingenieur, die sommige door my gemaakte aanmerkingen beneden de waardigheid van z'n "vak" rekende, gaat niet op. Hy had me moeten meedeelen aan welke bouwstukken de kunst haar inspanning wel besteden mag? Zyn onze kerken goed? Onze spoorstations? Heeft ooit 'n leek, onverwachts geroepen tot uitvoering van eenigen arbeid waaraan-i niet gewoon was, iets bespottelykers voortgebracht dan de Amsterdamsche Beurs? Dan 't Paleis van Volksvlyt, die enorme ruimte op de leelykst-mogelyke manier in glas en yzer gezet?

De verdeeling in hoog en laag is willekeurig. De heele Natuur is adelyk, en we hebben noch 't recht noch de macht, haar Kappelmannig te verdeelen in standen. Juistheid, bruikbaarheid, doelmatigheid … al deze eigenschappen toegepast op't geringste voorwerp, bekleeden gelyken rang als dezelfde verdiensten in zaken die ons—slechts in betrekkelyken zin altyd—belangryker voorkomen, en wie voorgeeft de studie van 't schynbaar geringe te minachten verdient minachting voor de geringheid zyner studie.Deugdis zedelyke schoonheidszin, inlogikaopenbaart zich de vroomheid van den denker, en aesthetische ontwikkeling brengt derechtvaardigheidmee, die ook omtrent zaken en begrippen hetsuum cuiqueweet in-acht te nemen, dat we zoo gewoon zyn niet toetepassen op personen. Alzoo lossen zich de eigenschappen van hart en verstand, samengaande met kunstgevoel, harmonisch op in dit eene:streven naar waarheid. De plompe gestalte van zoo'n Amsterdamsche beurs liegt evenzeer tegen de eischen van schoonheid en doelmatigheid, als 't gebabbel in onze Kamers tegen de belangen van 't Volk. De lynen van dat glasgebouw vloeken en waggelen als beschonken nachtloopers. Die koepel schynt 'n wen te hebben als 'n Zwitsersche berg-cretin.[10] 't Een is zoo onzedelyk, zoo onbeschaafd, zoo ongezond als 't ander.

En onze kerken! Men preekt daarin op z'n protestants, en de galm is … onfeilbaar. De gewelven roepen:O salataris hostia, en de dominee maseurt in 't Hollandsch of nagenoeg.

Wie zich gewoon maakte zulke snydende kontrassen niet optemerken, wie zich verhardde tegen de pyn die dit gebrek aan harmonie uitwerkt op 'n onbedorven gemoed, verwaarloosde z'n zedelyk tastvermogen, en verliest het oordeel des onderscheids, ook aangaande zaken die schynbaar niets te maken hebben met de dingen door welker aanraving hy zich liet vereelten. We gelyken hierin veelal op den verloskundige, die meende zonder schade voor z'n vak in z'n vryen tyd te mogen houtzagen en citerslaan. Dat gaat niet! Wie z'n gereedschap bederft is 'n slecht werkman.

Het was niet zonder doel, dat ik zoo-even de wanstaltigheid van 'n paar Amsterdamsche gebouwen vergeleek met zeer uiteenloopende onderwerpen. Ik wensch te doen in 't oog vallen dat deoorzaakder bedoelde fouten dezelfde is, onverschillig of daaraan wordt vorm gegeven in metselwerk, dan of ze zich openbaren in Volksbedrog. Men kan verzekerd zyn dat menige ministerspeech, in yzer overgezet, 'n scheeven indruk maken zou, en dat er o.a. geen behoorlyke trap zou wezen om zich naar-boven te werken in 't gebouw van ons publiek rechtsgevoel[11] indien men dat ongelukkig voorwerp in steen vertaalde. Onwaarheid, onjuistheid, gebrek aan harmonie tusschen eisch en voldoening, werken alom op gelyke wyze storend, bedervend, onzedelyk.

Dat hebben wy aan de speciaal-mannen te wyten! Buiten den tempel van hun vak nemen zij de hulde van den leek aan, die hun voorgewende priesterwyding eerbiedigt. Binnen dien tempel maken ze niemand zalig. Dat is oneerlyk!

Zeg eens, gy, baas of m'nheer, gy noemt u metselaar,meestermetselaar … is uw cement zoo goed als 't Romeinsche? En gy, timmerman,meestertimmerman, meent ge in-staat te zyn tot het maken van 'n behoorlyke …

Ik heb hier iets te noemen dat ik niet noemen mag in 't Hollandsch, en in 't Latyn of Grieksch niet noemen kan omdat de Romeinen en Grieken—die, evenals hun nazaten, en de meeste volkeren der oudheid, zeer vuil waren—het ding dat ik bedoel in 't geheel niet gebruikten. Neen, ik kan 't niet noemen. Er blykt dus dat myn schryfspecialiteit ook te wenschen overlaat. Men vergeve het my, en bedenke dat ik me nooit voor schryver uitgaf. Ik bezit daartoe niet het minste diploom, en ben zelfs geen dokter of professer in de letteren.

Maar zy die dit wel zyn, de litteratuur-specialiteiten, wat brengenzyvoort? Mogen we zoo laag neerzien op den timmerman die van ouder tot voorouder 't wanbegrip aanhangt dat de opening van 'n bril cirkelvormig moet zyn, alsof 't rondom-aanraken de eisch ware!—kyk, daar heb ik toch 't verboden woord genoemd, en in 't Hollandsch nogal!—mogen wy den onontwikkelden ambachtsman hard vallen, als we zien dat voorgangers inhumaniorazoo bitter slecht timmeren? Sedert 'n eeuw of drie hebben of hadden wy akademien en atheneen in menigte. De eene professor volgde den anderen. Ze richtten hun leerlingen af, en maakten die tot doktoren—totspecialiteitenalzoo!—in letterkunde. Allesprofesseerdeom 't hardst. Wat leverde dit op? Me dunkt, 'n volk dat sedert twee-driehonderd jaar zooveel betaalde voor de beoefening van 'n speciaal vak, zou recht hebben iets uitstekends in dat vak te verwachten, neen:zeer veeluitstekends. In plaats daarvan wedyveren de produkten onzer officieele lettermannen met den mismaakten koepel van 't glaspaleis in wanstaltigheid, vooral wanneer zy de ongehoorde poging wagen om zich te verheffen boven 't peil der middelmatigheid waarin zy hun eerlyk verdiendsumma cum laudebehaalden.

We mogen aannemen dat de strandbewoners onzer Nederlanden ten-allen-tyde gevischt hebben. Een groot gedeelte van de Natie beoefende alzoo de vischvangst sedert … ja, wie zegt ons hoe lang reeds voor de zoogenaamde aankomst der Batavieren? Hoe dit zy, er waren ten-allen-tyde meer visschers dan officieele letterkundigen. Het wel beoefenen van de visschery werd nadrukkelyk gevorderd door 'n gebiedende meesteres: de maag. Toch verklaarde onlangs een Noorsch vischgeleerde, die voor eenige jaren in 't belang van z'n vak 'n reis deed langs de stranden van Europa, dat de Hollandsche visschers volstrekt niet op de hoogte hunner kunst stonden. Ik nu kan niet beoordeelen of deze man gelyk had. By analogie met andere vakken welker beoordeeling wel eenigszins onder m'n bereik valt, mag ik gissen dat-i de waarheid zei. Maar als ik den uitslag der studien van onze strandbewoners vergelyk met de litterarische rezultaten onzer akademien, dan voel ik iets als eerbied voor declarissimivan Scheveningen en Katwyk, en ik zou lust hebben dien Noordschen betweter naar Utrecht en Leiden te verwyzen ten-fine van klement oordeel over de Hollandsche botboeren. Men zegt dat er eens in den Haag drie kabeljauwen te-gelyk op de markt zyn geweest. In een heel jaar levert onze aan de akademien uitgebroeide letterkunde zooveel spieringen niet.


Back to IndexNext