The Project Gutenberg eBook ofSpecialiteiten

The Project Gutenberg eBook ofSpecialiteitenThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: SpecialiteitenAuthor: MultatuliRelease date: January 1, 2004 [eBook #10664]Most recently updated: December 20, 2020Language: DutchCredits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK SPECIALITEITEN ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: SpecialiteitenAuthor: MultatuliRelease date: January 1, 2004 [eBook #10664]Most recently updated: December 20, 2020Language: DutchCredits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe

Title: Specialiteiten

Author: Multatuli

Author: Multatuli

Release date: January 1, 2004 [eBook #10664]Most recently updated: December 20, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK SPECIALITEITEN ***

Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe.

"Het doet me groot genoegen dat er van dit werkjen 'n tweede druk gevraagd wordt. En, ronduit gezegd, het viel me tegen dat die niet sedert lang noodig was. 't Zal me waarlijk 'n groote voldoening wezen als deze uitgaaf wat spoediger uitgeput raakt dan de eerste, want—zoo onbescheiden als men wil, maar heel oprecht—ik geloof met zekeren my onbekenden recensent in denSpectator,dat er uit deze studie over Specialiteiten wel iets zou te leeren vallen voor Volksvertegenwoordigers, Kiezers en … sommige anderen."

Bovenstaande regelen maakten in 't najaar van 1875 den hoofdinhoud uit van het "Voorbericht" waarmee deze tweede druk van m'n opstel over Specialiteiten in 't licht verschynen zou. Velerlei verdrietige omstandigheden maakten my het afwerken der in datzelfdeVoorberichttoegezegde "Noten" tot-nog-toe onmogelyk.

Bovendien werd me van vele zyden onder 't oog gebracht dat het voor de koopers van den eersten druk myner werken niet aangenaam is, de volgende uitgaven daarvan al te zeer uitgebreid te zien.

Na vriendschappelyk overleg met m'n uitgever, verschynt nu deze tweede druk zonder die noten, en—op weinige min belangryke uitzonderingen na—onveranderd.[1] De toelichtingen die me geschikt voorkomen tot verdere staving van de juistheid der hoofddenkbeelden waaraan dit werkje z'n oorsprong te danken heeft, zullenzoo spoedig mogelijkafzonderlyk worden uitgegeven.

Het is my onmogelyk dit berichtje te sluiten, zonder melding te maken van de echt-humane wyze, waarop ik in deze zaak door den heer WALTMAN[2] behandeld werd.

Met zachtmoedig geduld droeg hy den last en de schade die myn gedurig uitstellen hem berokkenden, zonder ooit de verdrietelykheden die van dat dralen oorzaak waren, te vermeerderen door afdoening te vorderen op 'n wyze als waartoe hy vanzynstandpunt volkomen gerechtigd zou geweest zyn. Hartelyk dank!

Wiesbaden Oktober1878. MULTATULI.

Noten:

[1]Een maand later. Onder 't gereedmaken van m'n werk voor de pers, bleek me dat ik myn hier geuit voornemen maar gedeeltelyk volbrengen kon. De bydrage tot de physiologie van kamerdienaars, is nieuw. Het viel my te zwaar die satyre achtertehouden … er stonden zooveel knechts op 'n spiegeltje te wachten!

Ook op andere plaatsen heb ik my aan eenige toelichting en uitbreiding schuldig gemaakt, zonder nu te spreken van de moeite die ik me gaf om, door 't omwerken van zinsneden die my in 't oorspronkelyke niet korrekt voorkwamen, de uitdrukking beter in overeenstemming te brengen met de gedachte. Of die moeite steeds met goed gevolg bekroond werd, is 'n verdrietige vraag die ik liever niet beantwoord. Het is nu eenmaal zoo, dat ik hier en daar iets veranderd en bygevoegd heb, en daarvoor vraag ik met 'n beroep op IDEE 112 verschooning aan de koopers van de eersten druk.

De uitbreiding en de veranderingen die ik my veroorloofde, zyn evenwel geenszins van dien aard dat zy deNoten en Toelichtingenoverbodig maken, waarvan ik in bovenstaand berichtje gesproken heb. Ik meen ze grootendeels gereed te hebben, maar weet by ondervinding dat ik by 't overgeven van m'n werk aan de pers, gewoonlyk de behoelte aan omwerking inzie. Voor dien arbeid is gezondheid, stemming,loisirnoodig. Zoodra ik kan!

[2] De uitgever van den 2en druk, J. WALTMAN JR., te Delft. (Nota der uitgevers van denvierdendruk).

The right man on the right place.

NaCarnaval de Veniseen Duitsche eenheid, zal men moeielyk afgezaagder thema vinden dan dit arme mishandelde motto. Wanneer ik nu nog bovendien verklaar, niet volkomen zeker te zyn dat ik de zaak van Dr. DIBBETS onaangeroerd zal laten, en zelfs beloof hier-en-daar iets te zeggen over vaderlandsche welzynen, volksheilen en zulke zaken, dan zal men hoop ik inzien ditmaal niet te-doen te hebben met een der "exentrieke stukken, gelyk men gewoon is van dien schryver te lezen." Een kwalifikatie welke ik aanbeveel in de aandacht van referenten die geen kans zien zoodanig stuk van zoodanigen schryver behoorlyk te ontleden. Dit zy gezegd zonder minachting voor andere middelen die niet minder efficace werken, het zwartmaken byv. van des schryvers karakter. In beide gevallen kan men de moeite van 't kennisnemen, doorgronden en beoordeelen der behandelde zaak sparen en, niets zeggende, zich aanstellen alsof men iets gezegd had.

—Wel, kapitein, hoe bevalt u Amboina? vroeg onze goeie majoor HARTZFELD den Hollandschen gezagvoerder van 't schip dat my zou overvoeren naar Europa.

—Wat zal ik je zeggen, m'nheer! Amboina? Och, Amboina is … 'n eiland.

—Wel, referent, wat heeft die schryver geleverd?

—Wat zal ik u zeggen, Publiek. Die schryver is excentriek.

De goede majoor HARTZFELD toonde zich tevreden uit bescheidenheid. Hy eischte van m'n kaptein geen gemotiveerde analyse van den indruk dien 't hoogst-interessante Amboina op hem maakte. En ook "Publiek" is tevreden met z'n referent, al zy 't dan niet heel bescheiden zoo'n armen schryver doodteslaan met een slag.

Hebt ge er wel eens aan gedacht, Nederlanders, hoe excentriek de schoonste stukken uit uw Bybel zyn?

Nu,ikzal 't niet wezen. En daarom de zaak DIBBITS-KEER! En daarom dat versleten motto! En daarom ook die uitweiding over excentriciteit, een der meest afgezaagde minst excentrieke dingen van de wereld … zaak, woord en uitweiding daarover, alle drie.

Wie heden-ten-dage iets te zeggen heeft, waarbythe right man on the right placekan worden te-pas gebracht, maakt zich waarlyk niet schuldig aan ongewoonheid. Men zegt—maar hier moet ik ernstig aandringen op geheimhouding—men zegt dat ergens in ons land zekere redakteur bezig is met het schryven van 'n hoofdartikel, waarin dat testimonium van het hedendaagschsavoir fairemaar driemaal zal voorkomen. Indien 't hem gelukt, zal hy daarna z'n krachten beproeven aan 'n verhandeling zonder klinkers. Daar ziet hy kans toe. Maar 't andere …

Van jongs-af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen "bluf" geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkoope spotterny. Ik heb de woorden "type" "humor" en "genie" in de kindsheid hunner populariteit gekend. "Bepaald" is jonger. Een der nog jongeren is "intens" om nu van "objektief" en "subjektief" niet te spreken …

* * * * *

Tot m'n schaamte moet ik erkennen dat m'n omgeving niet gedistingeerd genoeg was, om my in-staat te stellen tot het genieten derprimeurvanEngelschestopwoorden. Een beetje Fransch, wat school-of studenten-latyn, een tot den huiselyken kring doorgedrongen straatterm—men kan z'n ooren niet sluiten—was alles wat my in m'n jeugd voortgezet werd. De Engelsche praatjes uit dien tyd bepaalden zich totthe devil is an ass take a basket and save the pieces of your soul, en Yankee Doodle's klacht:he couldn't find the town, he saw too many houses. Later, veel later, ontvingen we uit Amerika Jonathan's raadgeving aan z'n zoon: "Be honest my boy, be honest if possible, but … make money!" Maar dat komt hier eigenlyk niet te-pas, want in die les steekt praktisch nut. Vandaar dan ook dat ze zelden wordt aangehaald. Men stopt haar weg om niet uit de school te klappen, waaruit schynt te blyken dat de diepte van den zin den opgang der verraderlyke klanken in den weg staat. Zinledige praatjes als de aangehaalde, hoe flauwer hoe liever, hebben meer kans op populariteit. Ze waren dan ooksans malice. Men gebruikte ze op z'n juffrouw Pieterse's "om zoo iets te zeggen." Men maakte er geen "eerst beginsel" van, waarop—onder andere zaakjes—de heele schepping berustte. Men spon er geen hoofdartikels om heen. Men borduurde er geen tableau van wysheid of moraal op. Men sausde er geen smakeloos krantengerechtje mee …

Onschuldige jeugd!

* * * * *

Toch excentriek!

De inkleeding … misschien! Maar overigens … Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voortebereiden tot het betoog dat de uitdrukking:

the right man on the right place

ten-onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'nscie, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers … tot 'n onwaarheid. Help my de dagen terugwenschen van den goeden Yankee, wiens liedje geen kwaad stichtte. Dat rymloos rympje van den rechten man op de rechte plaats, sticht wel kwaad.

* * * * *

Indien al de hoedanigheden—of de hoogst bereikbare maat daarvan—die 'n veldwachter behooren te versieren, vereenigd worden aangetroffen in de persoon van X, dan juich ik—in de veronderstelling dat ik me verbeeld op de hoogte te zyn—zoo luid als iemand de benoeming van dien X tot veldwachter, toe. Men moet 'n ongeneeslyk melancholikus wezen, of al zeer weinig tyd hebben, om by zoo'n gelegenheid niet meetejuichen. In dezen zin alzoo durf ik 't Engelschdictonniet aanvallen. Ik buig me voor de diepzinnige waarheid, dat'n zwaard past in z'n scheede, en 'n sleutel op 't slot waarbydi behoort. Dat 'n kraamkind in de wieg moet liggen—al blyf ik protesteeren tegen 't schommelen. Dat die X veldwachter wezen moet, en z'n neef Y lid van 'n invloedryk matigheidsgenootschap. Ook dat minister Z verdiende bevorderd te worden tot ambteloos burger … altemaalright things on their right places, ofdisederatadaartoe strekkende.

Maar eilieve, we zullen toch niet van Engelsche wyzen hoeven te leeren dat men geen kraamkind veldwachter maakt, dat minister Z op geen enkel slot past, en dat men Y z'n roes niet kan laten uitslapen in 'n wieg? Dit alles wisten wy reeds in Yankee's tyd, en zelfs voor WILLEM den Veroveraar. Ik bedoel den Normandischen WILLEM.

Er moet dus in dat gezegdeover de juiste plaatsing van personen—tenzy daarin geen zin hoegenaamd ligge—iets verscholen zyn, dat de geestelyk-geringe man niet zoo terstond vat, en deze meening wordt bevestigd door de koppigheid waarmee men die uitspraak handhaaft in 't bezit der bewyzen van haar Engelschen oorsprong.

De uitstekende X is dus veldwachter geworden.

—Dat doet me genoegen. Hy was twaalf jaren lang 'n voorbeeld van dragondertrouw, geloof ik.

—Hm! Dat is nu juist de reden van z'n benoeming niet. Hy reed nooit te-paard.

—Hy heeft veel vrouwen en kinderen …

—'t Kan zyn. Maar niet daarom werd hy aangesteld.

—Hy is "finaal" vry van sterken drank.

—'t Is mogelyk. Maar … je bent er nog niet.

—Hy heeft weinig vrouwen en geen kinderen, maar zal trouwen met de keukenmeid van den burgemeester?

—Dat is zyn zaak. Niet daarom is hy benoemd.

—Hy gebruikte Theophile's wonderbalsem. Z'n knevel zal alle dieven en jachtstroopers schrik inboezemen.

—Mis!

—Ik geef 't op.

—Onnoozele! Raad nog eens!

—Hy, hy, hy … ik weet het waarlyk niet.

—Och, m'n waarde oudmodische gearriereerde allerbeste vriend … je bent honderd jaar ten-achter. X is …the right man on the right place!Dat 's wat anders dan vrouwen, kinderen, knevels en 'n keukenmeid!

Wie nu nog minder Engelsch verstaat dan 'n gepensioneerd Gouverneur- Generaal, zou byna in verzoeking komen te gelooven dat die woorden een onvertaalbaar tooverformulier inhouden, 'n verzekering dat X z'n benoeming aan de wondervolle tusschenkomst van 'n beschermengel te danken had, die in droomgezicht of donderwolk den burgemeester verschenen was …

Niets van dat alles. De heele zaak komt hierop neer, dat X geschikt werd geacht voor die betrekking.

Eilieve, waarom drukken wy zoo'n eenvoudige begrypelyke Hollands- menschelyke zaak in vreemde taal uit?

* * * * *

Ik herinner me hoe in 1842 de vriendin eener dame te Padang, die over haar geringe afkomst werd gehekeld …

"Haar vader was trompetter" had men beweerd.

… hoe die vriendien party-trok voor de gehoonde afwezige, met 'n heftig:

Ja, maar … 'nEngelschetrompetter!

Daarover werd gelachen. Men vond de verdediging even zot als de aanval dom en kwaadaardig was. Doch, ik vraag u, Nederlanders, U die aldus "volkerenwysheid" borgt van den vreemdeling, of ge niet wat al te gastvry zyt in het onthalen van 't Engelsch trompetterskind dat we hier onderhanden hebben genomen om 't 'n fatsoenlyke begrafenis te bezorgen? Komaan, ik stel u voor, alle kinderen even lief te hebben —van trompetters en anderen—maar juist daarom geen onverdiende hoogheid toetekennen aan vreemd kroost, en vooral nietomdater wat trompetterigs bykomt.

Laat ons eenvoudig zyn, en nu-en-dan—als het te-pas komt, waarom niet?—vorderen datiederenallesop de plaats zy, waarvoorhyenhetgeschikt zyn. En laat ons dit doen zonder 'n ophef alsof we de diepzinnigste waarheid van de wereld verkondigen. Laten we daarby deleugenvermyden, klaterwaarde vancitaatoptedringen aan 'n uitspraak, zoo huisbakken-eenvoudig dat er geen geklater, geen Engelsch en vooral geen trompet—ik spreek nu niet van hoofdartikel- schryvery—by te-pas komt.

* * * * *

Indien ik hier m'n uitval tegen de pretentieuze afkomst van die Padangsche dame besluiten mocht, had de heele uitval achterwege kunnen blyven. Ik heb betoogd dat men zeer goed in 't Hollandsch zeggen en doordryven kan, dat het nuttig is, ieder te plaatsen waar hy naar gaven, karakter, fortuin, ouderdom, enz., tehuis behoort. En … dat men zich daarby niet behoeft te beroepen op exotische wyzigheid. Welnu, ik mag na dit allergemakkelykst betoogje,nietvan dat onderwerp afstappen. Want ik hoop opgewekt te hebben tot de vraag:

—Wanneer die Engelsche waarheid zoo eenvoudig voor de hand ligt, vanwaar dan dat ze, alsof 't een diepzinnig spreekwoord was, kracht vantekstheeft gekregen? Er moet daarin toch iets meer liggen dan in sommige andere spreekwyzen—"mooi weer vandaag" "twee maal twee is vier"de Nederlander is braaf, enz. enz.—die we gewoon zyn in 't Hollandsch te zeggen. Beproef gyzelf eens, aan een lauw, dor, banaal hoofdartikel schyn van gewicht te geven …

—Zonder klinkers?

—Neen, zonderscie, zonder stoplap van dien aard.

—Ge erkent dus dat het Engelsch trompetterswicht 'nscieis.

—Ten-naaste-by. Ik erken dat het zich wat te burgerlyk voordoet om pretentie te gronden op vreemdigheid van afkomst. Maar vanwaar dan de ophef? Er moet toch 'n oorzaak zyn waarom zoo'n …praatjefortuin maakte. Men zou toch niet wanen of beproeven 't publiek te imponeeren met elke andere banaliteit in vreemde taal uitgedrukt?

—Spreek toch niet te stout over wat men niet beproeven zou. Ik heb waarlyk wel wanhopiger pogingen zien gelukken, om nog gewonen wysheid, nog onbeduidender wawelpraat, als een onder SIS-tempels opgegraven mysterie binnen-te-smokkelen in de gemoederen van lezers en hoorders. Bron van oneindige kracht, uw naam is kwakzalverij!

Wie by de verheffing eener persoon tot eenig ambt, z'n tevredenheid daarover zou te kennen geven door't aantoonen van de oorzaken die zoodanige benoeming wettigen, heeft minder kans z'n overtuiging over te gieten in de gemoederen der lezers, dan iemand die z'n oordeel onder bescherming stelt van zoo'n als eerwaardig geykten term. En … de methode is gemakkelyker. Even als in de wiskunde met formules, wint men een meestal lastige en daarom eens-vooral als geldig aangenomen redeneering uit. Maar—nietals in de wiskunde—voelt men soms behoefte aan formules—zegge:frazen—om, onder valsch voorgeven van overbodigheid, de aandacht van 'nonjuisteredeneering afteleiden.

Op de vraag: "is die benoeming goed, nuttig, oorbaar, rechtvaardig?" stelle men zich niet tevreden met 'n Engelschen deun, en zelfs niet met 'n Hollandschen. De hoorder of lezer heeft recht opaantooning der grondenwaarop de tevredenheid met zulke aanstelling berust. De verzekering: "A, B, C, is de rechte man op de rechte plaats" is geenbetoog. Het is 'n uitspraak die—omietswaard te zyn—betoognoodig heeft.

Dat nu de velen die klank voor zin nemen, uit traagheid met zulke klanken tevreden zyn, heldert nog geenszins op, waarom juist het hier behandeld Engelsch gezegde zooveel onverdiend fortuin maakte. Er moet nog 'n andere oorzaak wezen, die 't arme trompetterskind verhief tot 'n druk bereden stokpaard van krantenschryvers, en tot motto van dit opstel. Een ongewone eer, waarlyk! Want inderdaad, het is na den val der Fransche journalistiek—ieder zal toch nu wel erkennen, dat het ongelukkig Frankrijk aanfrazenbezweken is!—'t is na de schipbreuk der couranten-wysheid zoo gemakkelyk niet 'n redakteur bytestaan in hettelle-quellevertoonbaar maken van 'n hoofdartikel! De "deun" die thans nog altyd, na 't bloedigmene tekelaan de wanden der redaktie-bureaux, moed, lust en kracht levert tot het voorzetten van de ongezonde feestmalen waarop "Publiek" genoodigd wordt door de Belsasars van de pers, moet machtige beschermers hebben … verdedigers van 't nobel gehalte dier Padangsche vriendin.

En … de eer der plaatsing boven 'n stuk van my! Van my, die 't zelfs versmaden zou my op GOeTHE te beroepen ter illustreering van de waarheid dat twee meer is dan een, al zy 't dan dat die bekwamefaiseurin z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd. Van my die m'n weerbarstig gemoed niet kan buigen tot 'n eerbiedig: "hoe koud vandaag … gelyk de groote dichtervorst zoo wel gezegd heeft" of: "kiespyn is onaangenaam … om de kernachtige uitdrukking van een onzer meest onsterfelyke redenaars te bezigen." Waarlyk er behoort iets toe, om—alsright motto on the right place—boven 'n stuk van MULTATULI te staan …

Daar begin ik waarachtig zelf te trompetten!

Het kind dat ik uitkleeden en begraven wilde, heeft zich van my meester gemaakt.

Er moet iets achter steken. Die kracht …

Ik zal 't u zeggen. Om nu over andere oorzaken van meer ondergeschikten aard niet te spreken: 't onnoozel wicht heeft z'n taaie levensvatbaarheid te danken aan ons wanbegrip over SPECIALITEITEN.

Ook dat trompetterskind—van Hollandschen oorsprong ditmaal, of nagenoeg—behoort uitgekleed en ten grave geleid te worden. Als we daarin slagen, zullen we later wat minder last hebben van z'n schreeuwerig kameraadje.

* * * * *

Het is 'n onbetwistbare waarheid dat SOKRATES eenmaal den jongenALCIBIADES 'n duchtig lesje heeft gegeven over z'n onbescheidenheid.

Onbetwistbare waarheden zyn de zoodanigen, die eens ergens als 'n los vertellinkje geboekt werden, en later—liefst in 't Grieksch of Latyn—'n deun geworden zijn, waarbij menclassiquementheel fatsoenlyk zweren mag.

—Ik geloof er niets van … zegt nu-en-dan de waarheidzoeker.

Maar hy vergist zich. Want:

't Is het kind van 'n Griekschen trompetter, roept de hartelijke vriend van buitenlandsche waarheid.

En we buigen 't hoofd voor die deftige afkomst.

't Is dus wel degelyk waar, dat ALCIBIADES door SOKRATES allerjammerlykst werd doodgeslagen met 'n bar: "m'n beste jongen, je ziet wel datjyniet de rechte man op de rechte plaats zoudt zyn voor die betrekking."

Ik heb nu, om SOKRATES te binden aan de ekonomie van m'n prachtig motto—dat wel wat mank gaat aan tautologie[1]—den man iets gebrekkiger doen preken, dan naar we hopen z'n gewoonte was. De vraag is niet of SOKRATES zich beter uitdrukte dan onze hoofdartikelschryvers. De vraag is, wat er ontbrak aan de specialiteit van ALCIBIADES, om hem zoo'n Engelsche behandeling op den hals te halen!

De goeie jongen wou magistraat zijn, en SOKRATES—misschien opgestookt door de Jezuiten, maar PLUTARCHUS verzwygt dit voorzichtig—SOKRATES wilde hem nog wat op-school houden, 't Was nog zoo heel lang niet geleden, dat de kwajongen de straat van Athene met z'n lichaam plaveide. En dan dat schandaal met dien hond!

Ik trek geen party voor ALCIBIADES. Maar … ik protesteer tegen de wijze waarop de ander hem z'n onbevoegdheid, zyn gebrek aanspecialiteit, voor de voeten wierp.

—Jy magistraat … Jy? Komaan, zeg my eens, hoe hoog is het budjet van den Staat?

Daar stond onze pretmaker. Hy had getold, gesold, gedold, gerold, geknikkerd, geknibbeld en gebikkeld, buren geplaagd, nachtwachts dol gemaakt …

En ook by SOKRATES kollegie gehouden, dat is waar. Maar … wat helpt dit, als men na dit alles nog niet weet hoe groot de inkomsten van den Staat zyn?

Gebrek aanspecialiteit!

Ik vraag u, o SOKRATES, indien uw leerling eens, tusschen al z'n guitenstukken in, de Atheensche begrooting had vanbuiten geleerd—'t is niet zoo heel gewaagd, hiervan de mogelykheid te veronderstellen —zoudt ge hem dan uw stem hebben gegeven? Zou dat 'n reden hebben opgeleverd, om z'nspecialiteitaantenemen als behoorlyk gestaafd?

Och, SOKRATES antwoordt niet. Het is onaangenaam spreken met menschen die dood zijn. Maar by-gebreke aan zyn antwoord, vraag ik den lezer, of liever—om niet andermaal vergeefs te vragen—myzelf:

Wat zyn specialiteiten?

Waar behooren ze?

Waar behooren ze niet?

En ik—in weerwil der bemoeienis van "welwillende vrienden" nog steeds niet geheel-en-al dood—zal antwoorden zoo goed ik kan.

Wie 't goede wil, en daarom 't kwade bestrydt, vergist zich vaak—zooals andere geneesheeren—in de keuze der middelen. Ik vrees dat het vorig hoofdstuk niet goed geschreven is. Sommigen zullen 't geestig vinden, en by dezulken heb ik m'n doel gemist, wyl dan de aandacht werd afgeleid van de bestreden kwaal, om die overtebrengen op de eigenaardigheid van den geneesheer. Niet daartoe meldt zich 'n arts by den zieke. En wie m'n betoognietgeestig vindt, heeft nog meer reden om de strekking daarvan te versmaden. Waartoe ik my dan ook by dezulken vriendelyk aanbeveel.

Indien ik my inderdaad vergist heb in de medikatie … men vergeve het my. Evenzeer als m'n vriend AUGUSTE, de advokaat-likdoornsnyder, ben ik 'n voorstander vanemollients. Maar na zoo dikwyls m'n krachten vruchteloos beproefd te hebben aan 't uitroeien der frazenziekte, was ik eindelyk wel genoodzaakt m'n geluk te beproeven metcauteresvan spot. Ik verzeker den lezer, dat ik bedroefd ben over de hardnekkigheid van de kwaal. Ingemoede tracht ik met gezond verstand te dienen. De Rede is m'n godin.

Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart.

Niets natuurlyker alzoo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning aanleiding geeft, of daartoe meewerkt.

Onder de bondgenooten van redelooze Ongodsdienstigheid vinden we steeds in de voorste gelederen:fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaagendeun… altemaal adjudanten van den leugen-duivel, misbruik van het Woord—van denLogos—zonden tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering.

Het eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag trachtte te vergoelyken, was … 'npraatje.

—Ben ik myns broeders hoeder? vroeg KAIN.

—Neen (had het zonderling spook kunnen antwoorden, dat insommige gedeeltenvan den bybel—volstrekt niet overal!—voor "God" wordt uitgegeven) neen, maar die ambteloosheid gaf je geen recht dien broeder doodteslaan.

of:

—Niet daarover loopt onze kwestie. De bedoeling van m'n vraag is, of je hem doodsloeg, en met welk recht?

KAIN gebruikte die zegswyze—hy zal er wel bygevoegd hebben:gelyk de groote dichter zich uitdrukt, of:om 'n oudecht-vaderlandsch spreekwoord te bezigen… dat kleedt 'n fraze!—hy sprak zoo, uit verlegenheid.

Juist. Wie broeders doodstaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt zich verlegen. En 'nfrazeis daarvan de korollaire uiting. Waar we dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't kreupelhout.

En daarom zal men my vergeven dat ik naar helschen steen gryp om "praatjes" uittebranden. "God" deed het ook in diecause selebre. Hy maakte korte metten met den praatjesmakenden moordenaar, en smeet hem zonder veel vorm van proces 't paradys uit.Bien juge!

* * * * *

Toen ik zoo-even de uitdrukking:huurfrazeontdekte, was ik zoo vergenoegd dat ik al m'n vrienden 'n driedaagsche champagneparty gegeven heb. Nog niet geheel bekomen van den roes dien ik me by zulke gelegenheden tot 'n gewoonte heb gemaakt, hoop ik in dit hoofdstuk alle geestigheid te vermyden, en de vraag:wat zyn specialiteiten? zoo burgerlyk-ordinair te behandelen, dat daaruit by geen mogelykheid 'n nieuwe champagneparty zal kunnen voortkomen. Dit vooruitzicht is my te aangenamer omdat ik eigenlyk geen wyn lust, en vooral niet het extrakt van rottekruid dat velen zich opdringen—alsof 't 'n zaagcitaat ware!—zoo byzonder lekker te vinden.

M'n vreugde over 't woordhuurfrazevindt haar grond in de hoop dat dit woord zelf totfrazezal verheven worden, en dat nog na veel eeuwen deze of gene woordenkramer zal worden doodgeslagen met 'n verpletterend: "je redeneering rydt op huurknollen … gelyk de groote MULTATULI zoo wel gezegd heeft."Similia similibus!

Van m'n onsterfelykheid ben ik zeker. Ik heb te veel gezegd dat totzaagkan omgeknoeid worden, om niet heel stevig in leven te blyven na m'n dood. Ik schaam my als ik bedenk hoevelen er gereed staan de skeletten van m'n arme statiepaarden, averechts opgetuigd voor hun huurkarretjes te spannen. Iets eerlyker dan PYTHAGORAS waarschuwde ik reeds voorlang tegen 't vervloekteautosephae… ook 'nfraze!

* * * * *

Specialiteitenzyn … byzondere dingen. Nu weet ge 't.

Generaliteitenzyn … algemeene dingen. Dat weet ge nu ook.

Wanneer men 't laatste van die beide woorden toepast op personen, dan zou men het allergevoeglykst kunnen toelichten door de omschryving: 'n generaliteit is de zoodanige die van alles—of van niemendal—verstand heeft. Iemand die tot alles bekwaam is, of tot niemendal.

Dat deze definitie even volledig en juist, als bondig is, valt in 't oog door vergelyking met het woordgeneraal: een militair die alle vyanden—of geen enkele vyand—doodslaat, in tegenstelling van den soldaat die zeerspeciaalslechts op 'n enkelen tegenstander aanlegt, en dien enkelen maar zelden raakt.

Na deze zoo nauwkeurige en stipte ontleding van den zin dien wy aan 't woordgeneraliteitbehooren te hechten—ik vermeed het heenwyzen naarspeciesengenus, om m'n pedanterie te verbergen—zyn we nu voorbereid tot het wel vatten van de beteekenis der uitdrukking die als uithangbord boven dit vertoogjen in zoo passend gezelschap geplaatst is. Een opschrift alzoo:on its right place.

Eenspecialiteitis …

Lieve lezer, ik weet het waarachtig niet!

Zou ook dat woord misschien 'ndeunzyn, de basnoot waarop armoed aan denkvermogen 't maseurige wysje doedelt van denright man?

* * * * *

Na de duidelyke uiteenzetting van de beteekenis die we aan 't woordspecialiteitmoeten hechten, behandelen wy nu—ik hoop even afdoende—de vraag waar zoo'n specialiteit behoort geplaatst te worden?

Wel … niets eenvoudiger.On the right place, natuurlyk.

Wie daarmee niet tevreden is …

De bakker by z'n oven, de smid voor z'n vuur, de kat achter de kachel, en ROLLET in 't tuchthuis, als 't waar is althans, wat BOILEAU van dien heer zeide.

En waar specialiteitennietbehooren? Allereenvoudigst alweer!ROLLET op 't kussen, enz. enz.

* * * * *

Het doet me waarlyk genoegen de verhandeling in drie deelen zoo goed en kort te hebben afgedaan. Ik gunde me ditmaal den tyd niet, den lezer te vervelen. Daar echter m'n blaadje nog niet vol is, vraag ik 't woord voor 'n klein verhaal. Misschien stelt het den lezer eenigszins schadeloos voor de lankdradigheid van de verhandeling.

Aan 'n table-d'hote in den Haag, sprak ik. Dit moet vermeld worden als 'n uitzondering, dewyl anders gewoonlykmynspecialiteit in zwygen bestaat. Maar 'n zeer byzondere reden drong my … och, ik zeg niet gaarne waarom ik deel nam aan de konversatie.

Er was spraak van handel, winkeliers-smart, kramers-humbug, koopmanstrouw en verdere Nederlandsche volkomenheden. Ik had 'n paar bydragen geleverd, doch met weinig succes. Men vond ze niet pikant. 't Is dus met schroom dat ik die nu herhaal, maar ze kunnen by 't afspinnen van m'n vertelling niet gemist worden.

Ik verhaalde dan hoe 'n gefortuneerd jong-mens middel had weten te vinden om 'n zoogenaamd arbeiders-horloge van koper, voor honderd gulden te verkoopen aan 'n "vriend" die 't ding slechts uit de verte gezien had. De handige verkooper had zorggedragen zich te onthouden van de verzekering dat het van goud was, en op 't schertsend bod van den ander, die meende met 'n tamelyk kostbaar werk te doen te hebben, driemaal gevraagd:meen je 't?

—Ja, ja, ja, was er geantwoord, ik meen het!

—Daar heb je 't dan! werd er gezegd en ernstig volgehouden door den ander, tot de betaling inkluis.

Hierin lag nu depointevan m'n vertelling niet. Maar ik meende die te leggen in 't vervolg van de historie. Een "zeer geacht" groothandelaar, scheepsreeder, diaken, enz. wien ik vroeger dat voorvalletje meedeelde, had me geantwoord: "hoor eens, daarin moet ik je nu tegenspreken. Hy had driemaal gewaarschuwd, en niet gezegd dat het van goud was. De ander had niet zoo onvoorzichtig moeten zyn … je begrypt … in den handel … neen, ditmaal ben ik 't niet met je eens …driemaalgewaarschuwd … wat wil je nog meer?

Ik had staat-gemaakt op wat verontwaardiging. Maar m'n table-d'hote- gezelschap scheen voor 'n goed deel uit groothandelaars, scheepsreeders en kerkvoogden te bestaan. Niemand zei: he!

Nu, 't gebeurt wel meer dat 'n vertelling doorvalt. Ik moest me schikken.

Doch dit verklaarde niet waarom 'n heer die schuins tegenover me zat, my zoo vreeselyk boos aankeek. Ik kende hem niet, en pynigde m'n geheugen te-vergeefs met de vraag of ik dien man ooit kon beleedigd hebben? De table-d'hote was zeer goed, ruim voorzien …

Ik moet er dit by zeggen, om te voorkomen dat men dien zuurkyker verdenke van spysnyd, of my van indiskretie in 't ledigen der schotels. Het stuk speelt in den goedenToelast, waar de voorraad van gerechten waarlyk tegen grooter onbescheidenheid bestand is, dan ik noodig heb me te veroorlooven.

De man keek zuur, en was deftig.

Het uitvaren tegen witte dassen is wat zagerig geworden, en 't spyt me dus veroordeeld te zyn tot geschiedschryver der verblindende kleurloosheid van z'n keelbedervend halsgewaad. In 's hemelsnaam … dat is nu eenmaal zoo. En ook overigens zat de man vol witte dassen. Z'n zwarte rok was 'n witte das. Z'n welgedaan zachtblozend gelaat was 'n witte das. Z'nembonpointwas 'n witte das. En z'n zuurkyken … 'n luiermand vol witte dassen!

Na den diepen val van m'n vertelling, oogstte eencommis voyageurgrooten byval met oneindige "he!" 's in, over 'n verhaal dat met 'n "mooien slag in de amerikanen" eindigde.

M'n tweede neerlaag liet zich niet lang wachten. Ik verhaalde hoe 'n eerlyk man te … Groningen gebukt ging onder gewetenswroeging, omdat hy—door fielten meegesleept in "handelszaken"—zich 'n tyd lang …

l'occasion, la faim, l'herbe tendre, Et quelque diable aussi le poussant…

Och, m'n goeie beste LAFONTAINE, diediablehad best achterwege kunnen blyven! Honger, gelegenheid en … essenbladen zyn ruim voldoende om 'n afgetobden gebreklyder op 'n dwaalspoor te helpen. De man had meegedaan in 't maken vantheedie in Gelderland langs de wegen groeit. En hy leed onder 't besef van die fout …

Ga heen in vrede, roep ik hem by dezen toe, en maak geen valsche thee meer. Uw zonden zyn u vergeven.Ikweet wat gy gedragen hebt. En daarover, en omdat ge overigens uw geheel moeilijk leven offerdet aan de waarheid!

Maar niet dat vertelde ik aan m'n table-d'hoters. De tot 'n rampzalig einde veroordeeldepointevan m'n verhaal kwam hierop neer, dat ik—natuurlyk zonder namen te noemen—iets over die Geldersche- theekultuur gezegd had aan … 'n industrieel die allerliberaalst was. De man had me—daar gaat depointe!—ouwerwetsch en dom gevonden, en geantwoord "dat zulke dingen overal gebeurden, en dat hyzelf 'n fabriek had van koffiboonen."

De gasten praatten door alsof ik niets interessants gezegd had. De witte dassen bleven zuurkyken.

M'n ouderling—hy was dit inderdaad—scheen verstand van wyn te hebben. Gedurig hield hij z'n glas tegen 't licht, en doorboorde het met kennersblikken. Hy dronk echter zeer weinig, waaruit ik opmaakte dat de wyn niet deugde. Ik bedroog me. Hy verzekerde z'n buurman die hem daarnaar vroeg, dat de wyn uitstekend was. Maar … zonderling, hy zei dit op ontevreden toon, en als iemand die 'n onaangename waarheid verkondigt.

Met bliksemsnelheid nam ik die byzonderheid aan als opheldering van z'n zuurkyken. De wyn is goed, hy is er boos om. My ziet-i boos aan, dus is hy goed op me … zoo zal 't wezen!

Weer mis! Hy was me volstrekt niet welgezind. Integendeel. Z'n heele linnenkast was hevig op me verstoord. Dit bleek uit de wys waarop hy 't zoutvat niet zien wilde, dat ik hem toeschoof toen hy dit scheen te zoeken. Hy wou van my en m'n zout niet gediend zyn, en voorzag zich elders, uittartend-duidelyk met opzet.

Tweepointesin 't water, zout versmaad … och, 't was zoo bitter!

—Wie is toch die … heer, vroeg ik aan iemand naast me. "Man" durfde ik niet zeggen, om de witte dassen.

En er werd my 'n naam genoemd, dien ik kende.

—Dat is 'n vrome familie, zei ik.

—Zeker! En hyzelf is vooral niet minder vroom dan de rest. Hy is …

—Ouderling, wil ik wedden.

—Geraden! En hy is boos op je, omdat je … nu dan, omdat je 'n "vrydenker" bent.

't Was zoo! De witte dassen gloeiden van heiligen toorn "omdat ik den CHRISTUS smaade, versmaadde" enz. Hy zou liever sterven dan een myner werken lezen, en had z'n kinderen verboden m'n naam te noemen, of zelfs van me te droomen. Hoe ik dit later zoo precies te weten kwam, doet nu niets ter zake. Ik begreep eenigszins hoe laag hy op my moest neerzien, en op al de fameuze werken die hy uit afschuw niet gelezen had.

—Ouderling alzoo? Gut, ik dacht dat-i nog meer was dan dat. Z'n heele voorkomen kan dominee wezen.

—O neen! Van beroep is hy fabrikant …

Weer doorboorden de blikken van den christelyken zuurkyker z'n wynglas. Ontevredenheid met den wyn—diegoedwas, had-i gezegd—lag op z'n wezen.

Zou die wyn ook den CHRISTUS gesmaad hebben? dacht ik.

—Ah zoo … fabrikant! En wat fabriceert de man?

—Hy is 'n specialiteit …

Genade ditmaal voor m'npointe, lezer! Een derde nederlaag overleef ik niet!

—Hy isspecialiteit in wynvervalschingsmiddelen!

* * * * *

Gy die zweert bij 't prachtigeright men on right places, eilieve, waar plaatst ge:

m'nhorlogeverkooper?

m'nscheepsreeder-groothandelaar?

m'nliberalen koffiboonenfabrikant?

m'ngodvreezenden ouderling-wynvervalscher?

* * * * *

Nog altyd zit de kat achter de kachel, en spint. Het beest is op z'n plaats.

De bakker staat voor z'n oven, en bakt. De man is op z'n plaats.

De zon schuilt achter mist en nevel. En al verwarmt ze niemendal … ze staat op haar plaats.

Vuurpook en tang leunen tevreden tegen hun standertje, de kolen liggen rustig in den bak, de asch valt melancholisch door den rooster, de sneeuw op het dak wacht met geduld den tyd van smelten …all things on their right places…

Maar de eerlyke JACOB DE VLETTER zit in het tuchthuis.

En heel veel boeven, die daar wezen moesten, zitten er nog altydniet.

En DUYMAER VAN TWIST zit in de Eerste-Kamer, en vertegenwoordigt daar 'n brok van 't Nederlandsche Volk, en praat mee overRecht, Menschelykheid, Staatkunde, Indische belangen…

En CHRESOS schrijft vertellingen over witte dassen, voor 't publiek van Nederland.

* * * * *

Met uw verlof … staat ook dit hoofdstuk wel opthe right place?

Wel zeker! 't Is 'n brandmerk, en hoort van rechtswege thuis in eenIetsjenover SPECIALITEITEN.

Komaan, vertel ons nu eens zonder scherts wat 'nspecialiteitis?

Ik schertste niet, en zal dit ook niet doen. 't Onderwerp is er te treurig toe. Een specialiteit is 'n zoodanige die levenslang veel dingen verwaarloosd heeft, om den prys der middelmatigheid te behalen in den wedloop der beoefenaars van 'n bepaald vak. Een specialiteit is iemand die door zich blind te staren op een punt, het recht meent te hebben byziende te wezen voor wat anders, of zich zoo voortedoen Een specialiteit …

En weer verander ik van medikatie. Hebt ge wel eens zien straatvegen?

—Niet zoo vaak als ik in 't belang der zindelykheid wenschen zou.Maar toch nu-en-dan.

Voelde je niet soms den lust in u opkomen, zoo'n hem of haar den bezem uit de hand te rukken, en eens te wyzen,hoemen behoort te vegen?

—Dikwyls.

Veegden alzoo, naar 't ideaal dat gy u schept van straatvegen, die mensengoed?

—Met de hand op 't hart, by m'n ziel en zaligheid, op eer en geweten, in tegenwoordigheid van goden en mensen … neen!

Zeer wel. Dit gekonstateerd zynde, vraag ik u of ge zoo'n straatveger in-staat oordeelt u 'n rechtskundig advies te geven, uw kinderen van kinkhoest te genezen, de schulden van den Staat te delgen, boekdrukkunsten uittevinden, Amerika's te ontdekken, enz. enz.?

—Met hand, hart, ziel, enz … allesals-voren: neen!

Welnu, zoo'n veger die niet vegen kan, en geen ander vak verstaat dan niet te kunnen vegen, is 'nspecialiteit.

* * * * *

We zyn dom, klein en koppig. Waarachtig, lezer, we zyn koppig, dom en klein. Wees nu eens niet te klein, te koppig en te dom, om dit toetestemmen. We weten weinig. We kennen weinig. We kunnen weinig. En we willen ons voordoenalsofwy iets wisten, kenden en konden. Telkens komt het voor, dat de omstandigheden deze of gene hoedanigheid in ons vereischen zouden. Telkens schieten wy te-kort in 't leveren van wat wy eigenlyk moesten kunnen leveren. Dan zyn we beschaamd over deze domheid, onmacht en onnoozelheid, te klein om edele wraak te nemen door verheffende inspanning, te hoofdig om dat alles te erkennen, en:

—Och … ik ben eigenlyk straatveger, zeggen ze dan. Dat is m'n vak, m'n roeping. Daarin munt ik uit. Daarin zoek ik myn meester …

Die ligt te vinden is, dat zagen we! Want ze vegen slecht, de specialiteiten die den "marmottenwinter van hun vakje gebruiken als voorwendsel om niets te weten van wat daarbuiten omgaat." Nu straatvegen doen ze juist allen niet. Waarachtig niet! En dit is van sommigen jammer genoeg.

—Van "Rechten" heb ik geen verstand, roept de een, ik ben genie- officier, architekt, artist, arbeidsman, pruikenmaker …

Heel wel. Ge zyt er niet minder om. Maar verschuil u niet achter die specialiteit, om by voorkomende gelegenheid niet te weten watRechtis.

—Ik ben jurist, verzekert 'n ander. Ik slaap, leef en sterf metcodicesen de H. Boeken van 'tcorpus juris, nec nonmet 'n beetje toevoegsel van hedendaagsche parlementery.

Best, opperbest! Maar meen niet dat die specialiteit u vrystelt van eerbied voor gezond verstand.

—Ik "ben"inkoffi, reedery, assurantie. Ik "doe" in vetwaren, kurken, vleeschextrakt, oesters, eau-de-cologne …

"Wees" en blyf in augurken, als ge verkiest. Maar eilieve,gedraagu niet, alsof gyzelf 'n komkommer waart, wanneer er gesproken wordt van andere dingen dan "waarin ge zyt." "Doe" in wat ge wilt, maar toon dat ge ook ietsdoenkunt, als het te pas komt. Koop en verkoop oesters … goed! Maar kruip niet zelf in 'n schulp, zoodra er behoefte is aan eigenschappen die uw broodwinning niet raken. Dat opgaan in de specialiteit van 'n vak, van een vak, is dom schandelijk en nadeelig. Een is dikwijls geen, in dit geval.

—Dit alles belet niet dat de man die levenslang brood bakte, waarschynlyk beter brood leveren zal dan iemand die nooit gebakken heeft.

Ja en neen. Gewoonte maakt wel handig, maar niet altyd bekwaam. Er kan bovendien verschil van gevoelen bestaan over de vraag welk broodgoedis? Wat de een goed noemt, kan den ander middelmatig of slecht voorkomen. Meen niet dat deze opmerking …

O, bitter wreed vermoeden dat ik me hier op den hals haal! Zullen niet sommigen meenen dat deze bedenking 'n advokatige scheenworp is, een pleiterig vulsel dat by elke gelegenheid heel oppassend kan worden te-pas gebracht, 'n …scie? 't Woord is er uit.

Neen, ik moet en ik wil werkelyk zeggen dat het oordeel over de deugdelykheid van brood zeer verschillend is. Naarmijnmeening—waarin ik by-uitzondering 1497 millioen min een, smaakverwanten heb—is 't Hollandsche brood over 't algemeenzeer slecht, en wel geproefd:geenbrood. Op weinig uitzonderingen na, komt het iemand die geen byzonderen eerbied voelt voor de levenslankheid der bakkers, waarop gy u beroept, oneetbaar voor. De Franschen die men 't voorzet, noemen het, als ze zich beleefd willen aanstellen,gateau, en vragen wat anders. Ook ik vraag wat anders, en noem het, onbeleefd, half-gaargebakken watten met kryt, koper, aluin, geile melk, vitriool en oudsche eieren. Niets bewyst echter dat de Franschen, ik, en de overige 1497 millioen mensen die geen Hollandsen brood lusten, gelyk hebben. De mogelykheid bestaat dat 'n hemelsche jury, by 'n algemeene Paryzer heelal-tentoonstelling van vierduitsbroodjes, aan onze bakkers de gouden medaille zou toekennen. Maar … zoolang die jury zoodanige uitspraak niet gedaan heeft, is 't niet zeker, en zelfs nietwaarschynlykdat de Hollandsche bakkers goed gebakken hebben, in weerwil hunner altyd doorbakkende levenslankheid. Ook de Fransche bakker isspecialiteit. Ook hy bakte gisteren reeds, verleden week, voor jaren, van kindsbeen af. Enhybeweert dat 'n Hollandsche broodmaker de zaak niet verstaat.

Ik had in 1850, 51 nog geen bakken geleerd. De admiraal JURIEN DE GRAVIERE … ach, hy kommandeert als zoetwaterzeeman, op dit oogenblik (Voorjaar1871) de flotille "du parti de l'ordre" op deSeine! Wie had gedacht dat hy zoo laag vallen zou, de achtenswaardige kommandant van deBayonnaise, die me leeren wilde hoe men goed brood bakt!

Van hem namelyk heb ik 't woordgateau, dat ik zoo-even aanhaalde.

Na veel vruchtelooze pogingen van m'n kok om dien hoofdofficier iets voortezetten dat hyals broodgebruiken kon, noodigde deze my aan boord van z'n korvet, niet aan z'n tafel ditmaal, maar in de kombuis. Daar toonde hy my hoe men vochtig meel deed verzuren door wat warmte met geduld. En dat men geen byvoegsel van gist noodig had. En hoe telkens een gespaard deel van 't gebruikte deeg, morgen oud geworden, het nieuwe zou doorzuren en doen "ryzen" in weinig tyds, zonder daaraan den vuilen bysmaak te geven waarop de Hollanders zoo gesteld schynen. En hoe brood—"dupain,m'sieurDEKERR,dupain,ce qu'on peut nommer dupain!"—hoe brood alleen moet bestaan uitgaar meel, zonder meer. Zonder aluin, zonder kryt, zonder suiker, zonder melk, zonder eieren, zonder koper en vitriool, zonder vuiligheid, zondervergif.

Ik erken dat ik op dit oogenblik met de handen verkeerd zou staan, en dat ik me waarschynlyk eenige vergeefsche proeven zou moeten getroosten, waar ik in-staat ware brood te leveren datvolgens het oordeel van verreweg 't grootste deel onzer medemensen, beter voldoet aan de eischen die men aanbroodstellen mag, dan dat onzer levenslange Hollandsche bakkers. Ik heb er de hand niet aan gehouden, en de juiste methode is my ontgaan.

En … wonder is 't niet! Ik deed zooveel andere dingen sedert 1850! Daar ligt zooveel tusschen die kombuis van deBayonnaiseen deze verhandeling! Zooveel arbeids! Zooveel vermoeienis! Zooveel teleurstelling! Zooveel onbekroond streven! Zooveel smart!

En wat al slecht gebakken brood at ik sedert dien tyd!

En hoe bitter was 't meestal, ook zonder misselyk gesuikerd te zyn!

En hoe vaak rees de gedachte in my op: als ik eens, om brood te hebben, mezelf maakte tot zoo'n levenslange bakker?

Maar er is niets van gekomen. Gedurig had ik wat anders te doen. Op dit oogenblik, by-voorbeeld, moet ik voortgaan met m'n stuk overSpecialiteiten.

* * * * *

Het is alzoo niet uitgemaakt dat iemand die zich aan 'n bepaald vak wydt, in dat bepaald vak iets beters levert, dan te verwachten is van anderen, vanniet-specialiteiten. Er bestaan zelfs gegevens die zouden doen besluiten tot het tegendeel, of—om korrekt te redeneeren —gegevens die het tegendeel mogelyk, en zelfs waarschynlyk maken.

Een bakker—de scherpzinnige lezer zal wel de goedheid hebben de bakkery overtezetten in den algemeen-maatschappelyken toonsleutel die op m'n kompozitie past—'n bakker die onder kryt, aluin, eieren, melk, gist, koper, vitriool en bedorven klanten is opgegroeid, heeft, juist tengevolge van z'n levenslankheid, meer moeite zich te ontdoen van al deze ingegroeide dingen, dan de onschuldige die—als ik in de kombuis van deBayonnaise—nuchter is van alle verkeerde kennis der zaak. Zoo'n bakker is …

—Wat al divagatien!

Ge vergist u. Ik divageer niet. En 't bewys? Zoo'n bakker is 'nspecialiteit.

* * * * *

En nu lezer—tenzy gyzelf behoort tot de specialiteit van de velen die niet lezen kunnen—transponeer!

Ach, er wordt zooveel slecht voedsel geleverd uit heel andere bakkeryen, dan waar die gesofistikeerde miniatuur-lendekussentjes als brood worden uitgevent!

Specialiteitvan rechtkennis … bedorven melk!

Specialiteitvan staatsmanswysheid … taaie watten!

Specialiteitvan broederliefde, mensenmin, vrede op aarde met obligaat-welbehagen, roode kruizen, filantropie, dierenbescherming, neger-wintersokjes, Javaannut-maatschappyen, weldadigheidskommissien … sterke boter!

En, by al die specialiteiten, de zeer speciale specialiteit derfrazen… vuile eieren!

Alles saamgenomen!vergif!

Ik ben terdeeg aan 't komponeeren. Zie eens hoequite rightik al die stinkende dingenon their right placesheb gezet, om de oneetbaarheid van de broodjes te betoogen, waarop de maatschappy zich maagbedervend het gebit slee kauwt.

Ik hoop lezers te treffen die me hier verwyten dat ik onrechtvaardig ben. 't Zou me aangenaam zyn aanleiding te vinden tot dupliek op de beschuldiging:

—Ge kunt niet waar zyn, dat ge allen over een kam scheert.

De opmerking is onjuist, maar welgemeend. Wie naar waarheid zoekt, mag en moet zoo spreken. Welnu, ik veroordeel niet allen. Ik sprak ditmaal niet van personen. M'n uitval geldt noch rechter, noch pruikenmaker, noch jurist, noch minister, noch preeker, noch dierenbeschermster, noch sokjesbreister, nochSchlachtenbummler, noch zelfs die onzalige broodbakkers … in een woord: niemandpersoonlyk.

Ik maakte me driftig tegen de domme afgodery met hetbegrip: specialiteit, in 't algemeen. Dat is het onkruidje …

We zullen te-zamen voortwieden in 'n volgend hoofdstuk. En dan geen woord meer over bakkers.

Een vertelling.

—'t Wordt tyd dat onze FRITS 'n beroep kiest, zei m'nheer Van … 't EEN-OF-ANDER tot z'n echtgenoot. Om 't geld is 't ons goddank niet te doen, maar toch …

En m'nheer Van … 't EEN-OF-ANDER streelde z'n buik.

In deze hartelykheid jegens zichzelf, lag iets als bevestiging van z'n innige overtuiging dat het hem goddank om 't geld niet te doen was, en tevens 'n voorspellende bezwering dat het ook z'n veelgeliefden FRITS goddank nooit zou te-doen zyn om 't geld. Mevrouw van 'T EEN-OF-ANDER was het—zonder de minste indecentie in gebaren, dit moet ik tot haar eer verzekeren—volkomen met m'nheer haar gemaal eens. FRITS zou 'n beroep kiezen. Want:

—Een mens moet tochietswezen in de wereld.

—Zoo had m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd.

Het is den lezer bekend hoe geleidelyk ik gewoon ben m'n vertellingen af te vertellen. Nooit 'n zysprong. Nooit 'n byweg. Nooit 'n uitweiding.

Zie eens dien CERVANTES in z'nDon Quichot… 'n boek dat ik liever zou wenschen geschreven hebben dan denFaust! Ik, in m'n hoedanigheid van schryfspecialiteit—ik moet toch "iets" zijn, niet waar?—ik verzeker u, lezer, met verwyzing naar m'n IDEE 30, dat deDon Quichotmeerzielgekost heeft dan GOeTHE ooit bezat. Wat hy gespleten, en gebersten moet geweest zyn, de vertrapte graankorl CERVANTES, om dat boek te schryven, een der treurigste gedenkstukken van wat 'n mens lyden kan!

Dit wist ge niet, lezer! Ge meende—van den weg gebracht door de specialiteit die menschoolnoemt, dat het 'n grappig werk was? Gy, zelf tranenlachend om zooveel koddigheid, hebt de tranen van smart niet gezien, die er druipen van dat boek. Misschien zal ik u die later eens aanwyzen.

Arme levenslange martelaar CERVANTES, gij de byna eenige schryver voor wien ik byna eerbied heb!

En daarby behoort … m'n vonnis dat uw schryvery, als zoodanig, hier-en-daar beneden 't nulpunt staat. Wat drommel hebben wy te maken met al die malle vertellingen van herders en herderinnen, van liefdegekken en gekke liefden, waarnaar ge telkens uw held laat luisteren op z'n doornigen weg ter kruiziging?

Zooveel voor 't vel?

Arme arme lieve CERVANTES. De tranen die uw boek bevlekken, zyn er niet minder kostbaar om. Integendeel!

—Ah, zegt de lezer die hier gevatter wil zijn dan hem past, het afbreken van de jonker-FRITSgeschiedenis heeft dus ten doel …

De kat die nog altyd achter de kachel ziton her right place—allons, Roletten en Van Twisten, neemt er 'n voorbeeld aan! —de kat is m'n getuige dat m'n pen krast als 'n raaf. Dat ik voortschryf met de snelheid van twintig knoopen in de sekonde. Sneller, sneller, ik schrijf als de bliksem, 't papier siddert, de inkt spat … vooruit … vooruit! Wat al letters noodig om dat woord te spellen, wat al woorden om dien zin te ronden … geen tyd, geen tyd … vooruit! De gedachten dringen my, stuwen my, overstelpen my. Er woelen en tournooien meer Don Quichotten in m'n hoofd, dan ooit werden afgeranseld door 'n onridderlyke wereld.

Waarachtig, ik heb geen uitweiding noodig om m'n blaadjes te vullen!

En—praktisch-overtuigend, naar ik hoop!—indien dit het geval ware, zou ik me wel wachten m'n fabriekmerk te bederven door u zoo'n denkbeeld in 't hoofd te zetten. Waar ik uitweid, doe ik dit omdat het me lust. Eenvoudiger reden zal er wel niet kunnen bestaan. Maar ik wyknietaf van m'n onderwerp, al schynt het zoo. Er is nauw verband tusschen m'n sympathie met den lyder van denDon Quichot—"schryver" noemen ze dat!—en deze filippika tegen specialiteiten. Ook my zal men hier-en-daar koddig vinden …

Bovendien, de verhandeling die nu volgt over de aller-scherpste kausticiteit van den baron 'T EEN-OF-ANDER, behoort integraal:

tot de geschiedenis van jonkerFRITS,tot de geschiedenis van 't parlementarismus,tot de geschiedenis van onze eeuw,tot de geschiedenis van zaagdeuntjes,tot de geschiedenis van den Baaels-dienst derSPECIALITEITEN.

tot alle mogelyke geschiedenissen alzoo …

"Vermaakt er u mee" gelyk de groote kinderdichter HIERONYMUS VANALPHEN, enz.

* * * * *

De baron van 'T EEN-OF-ANDER ging by buren, vrienden, magen, huis- stad-land-provincie-stand-en geloofsgenooten, voor 'n goed mens door. En ook hyzelf hield zich daarvoor. Maar hy werd door zichzelf en anderen miskend. De man was meer dan 'n goed mens. Hy was 'n diepdenkend wysgeer. Een ware Amerikaansche padvinder in de geheimenissen van hetZyn. Hy was 'n speurhond, 'n jagtvalk, 'n fret op de jacht naar waarheid. En wat-i vond, wist hy geestig te uiten. CERVANTES was niets by hem. Zelfs ik niet.

En—dit verheft hem nog hooger, indien er hooger standpunt denkbaar is—hy was zoo fondamenteel-ingekankerd nederig, zoo evangelisch- kinderlyk onnoozel, dat de rechterhand van z'n oordeel niet wist welke paarlen de linkerhand van z'n welsprekendheid te-grabbel gooide. Als gy en ik, lezer, zeggen dat we onszelf als dom of onwetend beschouwen, houden we ons maar zoo. We beweren, eigenlyk op den keper beschouwd, heel intelligent te wezen. Ik noem dus zoo'n voorgeven maar nederigheid aan den buitenkant. Maar onze baron was inderdaad even sterk overtuigd van z'n intellektueele onwaarde, als anderen van de fatsoenlyke noodzakelykheid om zich nederig voortedoen.

Lang leve dus de baron 'T EEN-OF-ANDER.

Maar, nogeens, hy werd miskend. Indien gy me nu al hierin op m'n woord gelooft, lezer, zult ge toch zeker verwonderd zyn te vernemen dat onder al die miskenners iemand is die u van naby bestaat, of dien ge, volgens het opschrift van den Delfi-tempel—ook al tot deun verlaagd! —iemand dien 't uwplichtwas van zeer naby te kennen. Ik bedoel uzelf, lezer. Gy,gy, gaaft onzen baron van 't E.O.A. niet wat hem toekomt. En ook omtrent my hebt ge misdreven. Ik stelde u goedmoedig in-staat den man te beoordeelen, te vereeren, te aanbidden, en ge gaat voorby alsof er niets geschied ware! Ik zal me moeten getroosten de geschiedenis van jonker FRITS nogeens te vertellen, in de hoop dat ge ditmaal wat minder … lieve hemel, hoe moet ik zeggen om niet bybelsch- onbeleefd te zyn? Ik bedoel dat ge 't parelsnoer in eere houdt, dat ik u—'t is 'n geschenk van den baron—zoo edelmoedig toewierp.

Ik sla nu den buik over. Ook 't geld "waarom 't goddank niet te doen is." En we stappen rechtstreeks toe op de schatkamer der wysheid …

Zie, gierig is-i niet. Daar geeft hy ons dezelfde kostbaarheid nogeens:

—Een mens moet tochietszyn, hooren we hem andermaal zeggen.

Eigenlyk is m'n geschiedenis van jonker FRITS hier uit. Of althans ik behoefde, wel beschouwd, niet voorttegaan die te schryven. Want, of de lezer valt flauw van bewondering voor 't genie dat ik sprekend invoerde, of hy valt niet flauw, en is dan niet waardig de schoenen van den flauw-gevallen lezer te poetsen, laat staan 't slot van deze vertelling te vernemen.

Ik schryf dus nu 'n tijdje voort, voor m'n eigen liefhebbery.

—Juist, edele man, juist! De mens moet, om nietnietste zyn,ietswezen! En gyzelf?

—Dykgraaf, lid van …

—Precies! Lid van … een-en-ander. Baron van … 'T EEN-OF-ANDER. Welnu, ik heb u—de eene helft van m'n lezers ligt in zwym, 't is uw schuld, verheven wreedaard! De andere helft is bezig met geen schoenen te mogen poetsen—ik heb u, dykgraaf, baron, en lid van … een-en-ander …

—Ook van 't Bybelgenootschap …

—Ook van 't bybelgenootschap! Ik heb u … een-en-ander te zeggen. Ik groet u met den naam van … een-of-ander.

—Niet waar, 'n mens moetietszyn?

—Heel juist! En niet alleen iets, maar zelfs … een-en-ander.

Ge zyt dus … Dykgraaf? Ge zyt lid …

—Van een-en-ander. En van 'tZendelinggenootschap! En van deSchoolkommissie! En van denVredebond! En van 'tRoode Kruis! En van 'tBlauwe! En van …

—Om der liefde wil, overstelp me niet! 't Is om te bezwyken.

—En van deJavaannut-maatschappy!

—Hou op! Het duizelt me. Maak m'n lofzang niet onmogelyk door overkoking van de stof. Ge zyt, omietste zyn …

—Och, ik beroem er me volstrekt niet op. Reeds m'n papa was regent van 'n oude-mannenhuis. En hy zei altyd dat 'n mens …

—Een mens moetietswezen. En uwe zaligepapawas iets.

—Hy was regent van 'n oude-mannenhuis. Ook gewezen oud-garde-noblevan koning LOUIS. Want, 'n mens, zoo zeid-i altyd, 'n mens …

—Een mens moetietszyn. Ik zie het, ge zoogt met moedermelk der vadren wysheid in. Om uwen lof …

—Lieve hemel, ik wist niet …

—Dat ge zoo verdienstelyk waart? Zoo-even vertelde ik reeds een-en-ander …

—Zoo heet ik.

—Ja zoo heet ge, en dat zyt ge! Nu, ik deelde iets over uwe nederigheid aan m'n lezers mee. We zullen haar echter niet ontzien. Ik schroom niet u te zeggen dat ge reeds voor uw geboorte een groot man waart door de verdienste van uw vader die, om nietnietste zyn, zichgarde-noblehad laten maken, en regent van een besjes-gesticht …

—Van 'n oude-mannenhuis!

—Van 'n oude-mannetjeshuis! Ge waart voorbeschikt … een-en-ander te zyn. Ge voeldet uw roeping, gy ruimdet alle hindernissen uit den weg, ge verhieft u boven stof en onstof, ge zweefdet en doorvleugeldet …

—Gut, ik wist niet dat ik zooveel byzonders uitrichtte. Ik ben dykgraaf geworden, en lid van …

—Van een-en-ander!

—Ja, omdat m'n vrouw zei dat het rondslenteren van 'n man in huis, zoo lastig was voor de booien, en dat m'n gekibbel met de tuinknechts 't humeur bederft. Ook heb ik aanleg tot zwaarlyvigheid.

Dit was zoo. We zagen dien buik reeds optreden als getuige tegen de mogelykheid van geldgebrek.

—Ik werd wat dik. En als dykgraaf doe ik nu eens in de maand 'n toertjen om de zitting van 't kollegie by te wonen. Want ik zeg maar, 'n mens moet …

—Een mens moetietszyn. Juist daartoe heeft de goede Voorzienigheid ons hoog-water gegeven, om 't mensdom instaat te stellen tot het voortbrengen van dykgraven. Neem 't water weg, geen dyken. Zonder dyken, geen Graven. Zonder Graven … 'n man te veel over den vloer, en gekibbel met de tuinlui.Allah akbar… m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER,allah akbar! gelyk de groote Profeet zoo wel gezegd heeft, zonder nog iets te weten van dykgraven en hoog-water. Ge moetietszyn. Gy hebt het gezegd. Niet de waanwyze PYTHAGORAS heeft ditmaal gesproken, maargy, gy, gy! Wat hebt ge gezegd? De mens moetietszyn.Hoehebt ge dat gezegd? Met de daad bewyzende dat ge oprecht waart. Gy werd iets, dykgraaf en … een-en-ander.Waaromhebt ge 't gezegd? Omdat uw verheven vader lid was in 'n besjeshuis …

—Regent van 'n oude-mannenhuis …

—Regent van 'n ouwe-mannenhuis! In welke omstandigheden hebt ge 't gezegd? Te midden van "booien" dien ge in den weg liep, en kibbelend met 'n tuinknecht. We kunnen nu overgaan tot de schepping der wereld. In Genesis I vers 27, zien we den mens verschynen. Dat was zoo'n groote kunst niet, en wel beschouwd is Adams verdienste in dit opzicht bitter klein. Gy, Adam II, vergenoegdet u niet met de verschyning … ge zaagt in, dat men ietswezenmoest, en liet u dykgraaf maken, en lid van … een-en-ander.

—Maar ik wist inderdaad niet …

—Verheven onkunde! Schitterend wanbesef van eigen volkomendheid! Nederigheid in oneindige machtsverheffing! Ge wist het niet? Welnu dan, ik zal u eens al uw verdiensten terdeeg onder 't oog brengen. Ryk was uw vader, en ryk zyt gy …

—Ja, om 't geld is het me goddank niet te-doen.

—Dat hoorden we zoo-even, toen gy uwen buik streeldelt. Ge waart ryk, maar met uw scherpzinnigheid zaagt ge in dat alle boeren achter uw rug u uitmaakten voor 'n stommerik, die geld had … maar ook niets dan dat.

—'t Is waar, er is lomp volk onder die boeren.

—Toch niet, Lomp zouden ze geweest zyn, indien ze u zoo-iets in 't gezicht hadden gezegd. Laat ons voortgaan. Straks zal de eene helft van m'n lezers ontwaken uit z'n flauwte, en dan moet ik u verlaten. Ge hebt gevoeld … eigenlyk … wel beschouwd … van zeer naby bezien … niemendal te wezen! Sjt … sjt … spreek me niet tegen, uit nog verder gedreven nederigheid. Uw scherpzinnigheid en zelfkennis is buiten twyfel en buiten debat. Uw vader in 't besjeshuis …

—Regent van 't oude-mannenhuis.

—Uw vader, de regent van 't ouwe-mannetjeshuis, was in den hemel. Om daar te komen moet men iets zyn. En hy werd toegelaten als gewezen oud-garde-noblevan koning LODEWIJK. Ge hoopt uw vader weertezien, en wilt niet beschaamd staan op de vraag: wie klopt daar? Uw adreskaart moest boeren, tuinlui, huisbedienden en hemelwachters eerbied inboezemen. Het besef uwer onwaarde deed uw omzien naar allerlei lidmaatschappen waartoe men nullen gebruiken kan. Uit schaamte over uw nutteloosheid zocht ge naar gelegenheid om iets te schynen. Gy eet, drinkt, slaapt, als 'n beest. Gy geniet en verteert als 'n beest … maar veel meer dan 'n beest. Als 'n rivierpaard scheert ge de oevers kaal, en bracht niets voort …

Ja toch! Hy bracht wel iets voort: FRITS!

FRITS, die sedert het begin myner vertelling 'n knappe jongen van twee-en-twintig jaar is geworden, stapt de kamer in. De lezers, die tot straf van hun botheid geen schoenen mochten poetsen, worden weer ten-gehoore toegelaten. Ook de anderen zyn weer by-de-hand.

In 'n jaar of acht kan veel gebeuren, en zoolang duurde het meegedeeld gesprek.

FRITS was na de vaderlijke ontdekking dat 'n mensietswezen moet, naar 'n schoolmeester gezonden die despecialiteitbeoefende jongens "klaartemaken" voor Medemblik en Breda. Als adelborst had hy niet slechter opgepast dan de anderen, was naar zee gezonden, maakte een reisje naar de Middellandsche zee, een naar de West, een naar Indie, vond daar z'n aanstelling tot luitenant tweede klasse, en was onlangs "thuis-gevaren."


Back to IndexNext