Het was toen, dat zij thuis begon te spreken van "veranderen;" ze wou weer een dienst voor dag en nacht.
De moeder, die den een of den anderen tijd ook Ant bij zich weg trekken zag, en die bang was alleen te blijven, trachtte het kind de nieuwe plannen uit het hoofd te praten:—ze wist nou dat ze hier een broodje had, waarom most ze zich in 't onzekere begeven om er een stukje kaas nog bij te halen?
Maar Sprotje keek wantrouwig;—'r brood?.. 'r kaas….? daar zouen ze zich zoo druk niet over maken, of er most wel wat anders achter steken! Twee, drie avonden in de week trok zij een tijdlang op dienst-aanbiedingen uit, zonder ooit te slagen.
Zij had dat najaar een bijna ongunstig voorkomen, iets schrils en flodderigs en een sluike jachtigheid, die dadelijk tegen haar innamen. Haar gezichtje was nog valer geworden en ook grover van vel; de sproetenveegjes aan de bovenwangen kleurden verbleekt-vuil daar doorheen, en onder de dunnige wenkbrauwen lagen de grijze oogen als dicht bijeen getrokken in een vreesachtige belustheid, die gluiperig leek en brutaal. Het armetierigste aan 'r waren nog altijd de haren, de schunnige sliertjes, die achter de ooren langs uit het piekerig knoetje kwamen geschoten, en de soort poney, die haar in den nek hing.
Als zij des avonds op een dienst was uitgeweest en de afwijzing had haar ontmoedigd, dan was zij den volgenden morgen van een schijnheilige voorkomendheid tegen haar Mevrouw.
En toen die haar zoo dikwijls handelbaar en onderdanig zag, begon ze van haar kant berekeningen te maken…. ze was niet zoo kwaad af met dit kind, maar ze gaf vier stuivers meer in de week dan zij aan een nieuweling zou doen… ze was ook wel gevleid, dat Marie al anderhalf jaar bij hen was, maar haar verjaardag kwam, St. Nicolaas kwam, en een meid die je anderhalf jaar had, kon je wel moeilijk minder dan een paar witte schorten geven, als ze daar nog tevreden mee waren….
Toen Sprotje tegen den winter nog eenmaal ziek werd, en, zwak teruggekomen, eerst niet dan met haperingen haar werk kon verrichten, gaf Mevrouw haar de keus: maar liever voor goed weg gaan, of blijven tegen zestien stuivers in de week.
Sprotje, die geen keus hàd, koos het laatste. En zoo worstelde zij een nieuwen winter door.
Maar met het voorjaar dat dan kwam—ze was toen in November zestien geworden—brak ook voor haar schamele lichaam de eindelijke wending ten goede aan. 't Leek wel, of ze nog zwakker was geworden, doch ze werd ook gezonder. En haar gezichtje veranderde opnieuw van uitdrukking; 't werd nog smaller maar ook liever, en het vreemd-schrille en rustelooze was voor tijden soms daarvan verdwenen. Haar oogen vooral, de kleine, grijze, met de teere wimpers, hadden een schroomvalligen neerblik en een opkijken vol zachtheid, en de mond, even vochtig, lag soms fijn geplooid in een vagen, droomerigen glimlach.
Op een zoelen middag in Mei, toen er overal buiten de dwalende geur hing van in bloei staande kastanjes en van wuivende seringeboomen, liep, zoetjes verstrooid, Sprotje den hoek bij de Hanekamp om, waar hun Dijkje was. De zware meidoornhaag rond de uitspanning had hier en daar sprenkels van wit en roze-rood gebloesemte, knopsels nog maar, doch de hooge iepenboom in den hof was als een dicht zomerbosch vol vogelengekweel.
Gesmoord zwart-glanzig van zon lag het kolenwegje recht het land in naar den oliemolen; als van vloeiend licht leek het boordevol vaartje, en de lage, weeke weilanden wemelden van bloemen en golvingen van halmend gras.
Aan de andere zijde, ver over het water, lag het witte, rood-gedaakte badhuisje te blikkeren in de zon, en het ijle olmen-rijtje daarachter was bleekgroen in de grijsblauwe zonnelucht.
"Tjee!" schrok Sprotje plotseling uit haar licht en leeg gemijmer op: daar kwam Hein het kolenpad afgestapt!…. wat deed die hier?…. was die bij hen geweest?…. omdat Sien nou trouwen ging?….
Maar dan herinnerde zij zich de eerste ontmoeting, toen zij nog bij Meester Jonkers diende, en een paar andere, vluchtiger, van maar een knik, en een "bezjoer" naar den overkant der straat: 't was geen kwaje, die Hein…. Haar ontdane gezichtje klaarde weer op, herkreeg zijn schijn van stille vriendelijkheid.
Langzaam, met zware stappen over het knerpend gruispad, kwam de jongen naderbij; dan vertraagde hij aarzelend zijn gang, als zon zijn altijd moeizaam werkend brein op den aanvang van een gesprek. En toen zij nog een pas of tien van elkaar af waren, stond hij stil, hield zijn blakenden kop, bol als van een goedigen bulhond, schuw naar haar heen.
"'k Ben nou vaste knecht aan de oliemolen," zei hij, als een uitleg waarom hij daar liep.
"Zoo….," verwonderde zich Sprotje, belangstellend.
"Sinds verleje week al…."
Sprotje had in de hand een kleine blauw-gazen vliegen-dekker, die gerepareerd was, en die zij des middags mee terug naar haar dienst moest nemen.
De jongen, zijn naakte oogen neergeslagen naar het voorwerp, dat hij niet thuis wist te brengen, vroeg, fel op eens:
"En wanneer trouwt ze?"
"Vrijdag," zei Sprotje.
De jongen gromde iets binnensmonds. "Was de Donderdag niet deftig genoeg voor 'r?" smaalde hij.
"Mijn moeder is op de bruiloft gevraagd, maar ze zal wel niet gaan," vertelde Sprotje.
"Of ze gelijk het," zei de jongen…. "'t Is een kanjer, die zuster van jou."
Sprotje knikte onwillekeurig, maar dan weerlei ze toch:
"Hoef jij je daar anders niet zoo dik over te maken… jij hebt toch ook al weer verkeering met een ander gehad…."
Spannend rood kleurde de jongen over zijn gave, blinkende koonen.
"'t Was heel wat anders als met je zuster, hoor," zei hij heftig; "nou wouzijwel, maarikniet…. nou heb ik háár laten schieten…."
"'k Mócht 'r niet," kwam hij nog uitleggend achterna, kalmer al weer.
"Hei je nog altijd sjagrijn over Sien?" vroeg Sprotje met een zacht-goedig meelij in haar stille stem, en steelswijs zag zij den jongen aan.
"O!…. dat…. nee…. mot je niet denken," zei die wegwerpend; "had ik ommers geen andere meid genomen…."
"En waar dien jij nou?" vroeg hij dan, om op een ander onderwerp te geraken.
"Ikke….?" zei Sprotje, gevleid over de belangstelling, "op deWaterveldsche Weg."
"Daar diende dat andere meissie van mijn ook," kwam de jongen, met een naïeve verwondering.
Sprotje voelde zich een kleur krijgen, maar zij begreep niet waarom.
Toen lachte zij. Sinds zij nu zooveel grooter was, hield zij dat lachen ook beter in bedwang, en 't stond zoo mal niet meer.
"En wat jij groot ben geworden!" zei de jongen; "maar mager genog…. hei je een goeie dienst?"
"Voor mijn niet kwaad," zei Sprotje, berustend; "meissies as ik motte lang geduld hebbe, voor ze wat goeds krijgen…. maar 'k ben er nou al twee jaar…. met goeie getuigen zal 'k nog wel eens beter terecht komme…."
De jongen zag haar met een stille vertrouwelijkheid aan. "Voor je zoover ben, mot je heel wat doormaken, hé?" vroeg hij.
"Ja…. jij ben ook al net as ik…." zei hij even later, nadenkend….; "heb ik een tijd voor vijf gulden in de week motte ploeteren…. jessis, as 'k daar an denk…. nou krijg 'k er zeven…. nou ben ik vijfentwintig…."
"Dat komt," zei hij weer, na een ogenblik van moeizamen gedachte-arbeid, "as je geen vast ambacht kent…."
"As ze van je thuis niks voor je doen….?" vroeg Marie; haar gezichtje was één zachtheid van begrijpen en beklag.
"Ja, ook al….." zei de jongen vaag; daar scheen bij hem de schoen niet te wringen.
"'t Ergste is maar, as je 't zoo treft," viel hij dan weer bij, "jij zoo goed als ik, hé….?" En met dezelfde ondergrondsche vertrouwelijkheid in zijn goedig vervaarde oogen zag hij haar aan.
"Nou….," zei het meisje op eens, verlegen, "'k mot naar huis, hoor!"
"Weet je wat zoo mal is….?" kwam plotseling de jongen met een goedigen grinnik, en als buitengewoon vermaakt over iets potsierlijks, dat hem eensklaps opviel: "Sien is een mooie meid…. en jij ben heelemaal niet mooi, Merie…. God bewaar me, nee, je heb 'r niks van…. en toch lijken je op 'r…."
Even keek het meisje verrast; dan overtoog een donker schaamrood haar verschrikte gezichtje, en haar mond, om de kleine, groene tanden, trok in een bevende zenuwsperring omhoog.
"Je houdt me voor de gek," stamelde ze dan;…. "ik op Sien lijken….!"
"Werachtig!" kwam de jongen nog eens, "'t is de waarheid, wat dat 'k je zeg…. vooral nou je zoo rood ziet…."
Hij had zelf een kleur gekregen, tot hoog over zijn voorhoofd en met een beschaamden en toch vertrouwelijken knik ging hij eensklaps door.
In een duizel van blakende warmte en bloedgebons, geheel verward, liep Sprotje door den zoelen lentedag hun Dijkje af.
In de verte, als in een damp van zon, schemerde de oliemolen klein weg onder de hooge lucht….
End of Project Gutenberg's Sprotje heeft een dienst, by M. Scharten-Antink