De kâama.De kâama.
De kâama.
De kâama.
Livingstone is ongeveer zestig jaar oud; zoodra hij evenwel weder geheel hersteld was, zou men hem niet meer dan vijftig hebben gegeven. Zijn haar, hoewel hier en daar grijzende, is nog altijd bruin. De knevel en de bakkebaarden zijn bijna wit; maar de lichtbruine oogen hebben nog niets van hunne helderheid en levendigheid verloren; zij zien u aan met al de doordringende kracht van den valkenblik. Toen hij in Londa was, moest hij van rauwe maïs leven; dientengevolge zijnzijne tanden losgeraakt: dit is ook het eenige in zijn voorkomen dat aan een grijsaard denken doet. Zijne gestalte is iets boven het middelmatige; hij is stevig en forsch gebouwd; de schouders zijn een weinig gewelfd. Hij heeft den eigenaardigen zwaren gang van iemand, die veel vermoeienissen heeft ondergaan; maar zijn stap is vast. Hij draagt steeds een uniformpet van een engelsch zee-officier; aan dit hoofddeksel is hij overal kenbaar. De kleederen die hij aan had, toen ik hem voor het eerst zag, droegen de sporen van herhaaldelijk hersteld en gelapt te zijn, maar waren onberispelijk netjes.
Krijgsdans der Vouagoog.Krijgsdans der Vouagoog.
Krijgsdans der Vouagoog.
Krijgsdans der Vouagoog.
Naar sommige berichten te oordeelen, moest ik hem voor een menschenhater houden, althans voor iemand van een somber, teruggetrokken karakter. Anderen hadden mij verhaald, dat hij niet wel meer bij het hoofd was, en in niets meer geleek op den Livingstone van weleer. Zijne tochten hadden alle belang verloren; hij maakte geene aanteekeningen meer, deed geene waarnemingen, althans geene, die iets beteekenden. Zelfs had men mij verteld, dat hij met eene afrikaansche prinses in het huwelijk was getreden.
Van al deze geruchten is er, naar mijne overtuiging, geen enkel dat geloof verdient.
Wat zijne werkzaamheid aangaat: het zeer lijvige en uitvoerige dagboek, dat ik aan zijne dochter ter hand heb gesteld, is het beste antwoord op de beweringen van hen, die zeggen dat hij geene aanteekeningen houdt, geene waarnemingen doet. Ik zelf heb gezien, hoe hij iederen avond zorgvuldig zijne aanteekeningen schikte en bijeen verzamelde; en ik weet dat hij in een blikken trommel eene menigte zakboekjes bewaart, waarvan de inhoud te zijner tijd het licht zal zien. Ook zijne kaarten getuigen van veel studie en oplettendheid.
Zijn karakter heb ik, door langdurigen omgang, leeren kennen als boven allen blaam verheven. De Arabieren en de inboorlingen, die hem eerst met groot wantrouwen gadesloegen, hadden hem aanvankelijk op alle mogelijke wijzen tegengewerkt en zich op een afstand gehouden. Maar zijne rechtschapenheid en welwillendheid hadden eindelijk al deze vooroordeelen overwonnen, en aller harten tot hem getrokken. Telkens werd ik getroffen door de bewijzen van achting en eerbied, die hem van alle zijden ten deel vielen; de strengste en ijverigste Mohamedanen gingen zelfs nooit zijne woning voorbij, zonder hem te groeten en den zegen van Allah toe te wenschen. Dat hij nu juist niet Jan en alleman als reisgenoot verlangt, is hem niet kwalijk te nemen: dat overkomt ieder onzer. Er zijn menschen, wier geheele karakter en aanleg zoozeer van de onze verschillen, dat wij niet anders kunnen, dan hen zooveel mogelijk op een afstand houden; maar zoo Livingstone ooit zulke lieden op zijn weg ontmoet heeft, hebben die ontmoetingen toch zijn gemoed niet verbitterd, noch hem tot kwaadspreken verleid.
Men heeft er hem een verwijt van gemaakt dat hij niet best twijfelingen en kritiek kan verdragen, en daar boos om wordt: maar dat is bij een man als hij lichtelijk te verklaren. Wie zijn het toch in den regel, die zijne opgaven in twijfel trekken en zijne berichten aan hunne kritiek onderwerpen? Voor zoover ik weet, geen wetenschappelijke, degelijke reizigers; ik herinner mij niet dat mannen als Burton of Winwood Read tegen zijne berichten zijn opgekomen. En zoudt ge nu meenen, dat het pleizierig is voor een man, die zich zooveel moeite en opoffering getroost heeft, te zien hoe zijne kaarten en waarnemingen worden verknoeid en bedorven door lieden, op wie hij geen vat heeft, of die ze opzettelijk vervalschen ter wille hunner eigene theoriën? Het is zeerwel mogelijk dat hij zich op sommige punten vergist; maar als hij ziet, hoe men eene gansche bergketen van niet minder dan drie graden lengte uitvindt, alleen om het bewijs te leveren dat hem de weg versperd is:—ja, dan heeft hij wel een weinig het recht, zich boos te maken.
Toch laat hij zich ook door zulke miskenning en kleingeestigen naijver niet ontmoedigen; rustig gaat hij zijn gang, onvermoeid de vrijwillig aanvaarde taak volbrengende.
“Voelt ge geen behoefte aan rust? Wenscht ge uwe betrekkingen niet weder te zien?” vroeg ik hem eens; “er zijn nu toch reeds zes jaren verloopen sinds gij Engeland verliet.”
“Ja,” hernam hij: “het zou mij een groot geluk zijn, indien ik mijn vaderland mocht wederzien en mijne kinderen aan het hart drukken; maar ik mag mijne taak niet opgeven, juist nu zij bijna ten einde gaat. Ik heb nog maar vijf of zes maanden noodig om de rivier, die ik ontdekt heb, tot aan de Albert Nyanza of den tak van Petherick te vervolgen. Waarom zou ik tot later uitstellen, hetgeen gevoegelijk nu kan geschieden?”
“Maar waarom hebt ge dan niet dadelijk uw plan volvoerd, alvorens hier terug te komen?”
“Daar was ik toe gedwongen: mijn volk wilde het land in opstand brengen, en van de verwarring gebruik maken om mij te verlaten. In dat geval zou ik onvermijdelijk zijn omgekomen.—Bovendien had ik geen katoen meer. Ik heb een afstand van zevenhonderd mijlen afgelegd om herwaarts te komen, ten einde hier de goederen in ontvang te nemen, die ik vast vertrouwde er te zullen vinden, en om eene nieuwe karavaan te vormen. Maar ik vond niets, en ik bleef verstoken van alles, ziek naar lichaam en geest, hard ziek, bijna tot stervens toe. Ik begon wel weder te herstellen; maar ik werd er niet rijker op: integendeel.—Voorwaar, gij zijt te rechter tijd gekomen; ik had anders misschien welhaast moeten bedelen om niet van gebrek om te komen.”
Eene ontdekkingsreis van zes jaren was hem nog niet voldoende; hij wilde tot den einde volhouden, en niet terugkeeren, dan na zijn taak volkomen te hebben volvoerd. Veeleer scheen het of de geestdrift voor zijn werk met den dag klom. Zijne opgeruimdheid is trouwens onuitputtelijk; aanvankelijk dacht ik dat die vroolijke, blijmoedige stemming het gevolg was onzer ontmoeting: maar weldra kwam ik tot de ontdekking dat zij bij hem gewoon was en in zijne natuur lag. Als hij eene of andere anecdote of vermakelijke ontmoeting vertelde,—en hij had, zooals licht tebegrijpen valt, over een rijken voorraad te beschikken—dan kon hij zoo hartelijk lachen, dat ge onwederstaanbaar medelachen moest. Zijn eenigszins vervallen en verouderd voorkomen verborg een uiterst levendigen, opgewekten geest: deze zooveel beproefde man had eene frischheid, een schat van jeugd overgehouden, die menigeen hem benijden mocht. Wat mij bijkans het meest verwonderde, was zijn wonderbaarlijk geheugen: hij kende gansche gedichten van Byron, Burns, Tennyson, Longfellow en anderen van buiten: en dat, na zooveel jaren in Afrika te hebben doorgebracht, en zonder boeken.
Maar wie van Livingstone spreekt en van zijne vroomheid zwijgt, teekent een zeer onvolkomen beeld van dezen merkwaardigen man. Hij is zendeling: maar zijne godsdienst is hem geen stelsel; hij loopt niet met haar te koop, dringt haar niet op; zijn gedrag en wandel getuigt voortdurend en ieder oogenblik van en voor haar; zij openbaart zich door weldadigheid, door liefde en toewijding. De vroomheid vertoont zich bij hem in hare ware, aanminnigste gedaante: zij heeft deze vurige, hartstochtelijke natuur veredeld en verfijnd, deze ontembare wilskracht gelouterd en aan hooger ondergeschikt gemaakt; zij heeft dezen man van eene alles overwinnende, niets ontziende energie, gemaakt tot een welwillenden, toegevenden, geduldigen meester voor zijne onderhoorigen, tot een innemend vriend voor zijne bekenden. Iederen zondag roept hij zijne kleine gemeente bijeen, leest de voorgeschreven gebeden en een hoofdstuk uit den Bijbel voor, en houdt dan, op den meest natuurlijken toon, eene korte, eenvoudige toespraak naar aanleiding van het gelezene. Blijkbaar worden zijne woorden met aandacht, en eerbied aangehoord.
Op zekeren avond nam ik mijn aanteekeningboekje en begon hem te ondervragen over zijne reizen. Zonder eenige aarzeling toonde hij zich bereid op mijne vragen te antwoorden, en gaf hij mij een volledig overzicht van hetgeen hij in de laatste zes jaren had gedaan en ondervonden. Voorzeker zullen mijne lezers met belangstelling eene korte schets van dit verhaal ontvangen.
Livingstone verliet Zanzibar in Maart 1866; den 7dender volgende maand vertrok hij van de baai van Mikindiny, om het binnenland van Afrika te gaan bezoeken. Zijn gevolg bestond uit twaalf cipayers, negen Anjoehanneezen, zeven vrijgelatenen, en twee inboorlingen van de oevers van den Zambese. Verder behoorden tot de karavaan zes kameelen, drie buffels, twee muilezels en drie ezels.
Aanvankelijk volgde het gezelschap den linkeroever van de Rovoema, een der moeilijkste en bezwaarlijkste wegen, die men zich kan denken: een pad, zich midden door het dichtste en ondoordringbaarste bosch heenslingerende, zonder zich in het minst te bekommeren over de richting, die het volgt. De dragers konden hier met eenige moeite nog voortkomen; maar de kameelen konden geen stap doen, wanneer niet eerst de baan met de bijl was geopend. Deze manier van reizen, op zich zelf reeds tamelijk langzaam, werd dit nog te meer omdat de cipayers en de Anjoehanneezen telkens stilhielden en weigerden een hand uit te steken.
Weldra werd het nog erger, en schroomden zij niet tot vijandelijkheden over te gaan. Hopende Livingstone tot den terugkeer te dwingen, mishandelden zij de lastdieren op zoo gruwelijke wijze, dat zij na verloop van eenige dagen allen waren bezweken. Toen dit middel niet hielp, trachtten zij de inboorlingen tegen den doctor op te zetten, en verspreidden het gerucht dat hij over geheime krachten beschikken kon en een toovenaar was. Deze beschuldiging was een zeer bedenkelijken aard, en kon ernstige gevolgen hebben: Livingstone besloot daarom, zonder verwijl de cipayers terug te zenden. Hij voorzag hen evenwel van het noodige, om de kust te kunnen bereiken.
Den 18denJuli bevond zich de karavaan, nu zonder de twaalf soldaten, in een dorp van Voëahihyou, acht dagreizen ten zuiden van de Rovoema. Tusschen deze rivier en het dorp ligt eene woeste, onbewoonde landstreek, waar de reizigers veel van den honger hadden te lijden, en nog ettelijke lieden wegliepen. In het begin van Augustus kwam de karavaan bij Mponda, die dicht bij de Nyassa woonde. Wederom waren twee mannen gedeserteerd.
Zij trok daarop naar den oever van het meer, naar een dorp, aan welks hoofd een Babisa stond. Daar ontmoette Livingstone een arabischen mulat, die van den westelijken oever kwam, en verhaalde dat hij door eene bende van Mazitoes was aangevallen en uitgeplunderd geworden. Moeza, de aanvoerder der Anjoehanneezen, wist zeergoed dat er van deze zoogenaamde bende niets te duchten was; bovendien verklaarde het dorpshoofd en Livingstone beiden, dat het gansche verhaal van dien aanval een fabeltje was. Toch greep Moeza dit als een voorwendsel aan, om met al zijne lieden te kunnen vertrekken. Het waren deze Anjoehanneezen, die na hunne terugkomst te Zanzibar het gerucht verspreidden van Livingstone’s dood, om daardoor hunne desertie te verontschuldigen.
“Gelukkig”, vervolgde Livingstone, “bevond ik mij in eene landstreek, waar de slavenhandelaar nog niet was doorgedrongen; en, zooals altijd in dergelijke gevallen, werd ik door de bewoners met groote gastvrijheid en vriendelijkheid ontvangen. Voor een bagatel waren zij steeds bereid mijne bagage van het eene dorp naar het andere te dragen.”
In het begin van December verliet hij deze gastvrije streek, en kwam nu in een gewest, dat door de rooftochten en invallen der Mazitoes schrikkelijk geleden had. Al het vee, de gansche voorraad van mondbehoeften was verloren; de inwoners waren gevlucht, en hadden gepoogd zich in verwijderde streken tegen de aanvallen dezer woeste roovers te beveiligen. Wederom had de karavaan met honger en gebrek te kampen: men moest zich tevreden stellen met de wilde vruchten, die men hier en daar aantrof. Andermaal liepen er eenigen van het volk weg, sommigen met het linnengoed en andere voorwerpen van waarde van Livingstonezelf: de toestand begon hoogst moeilijk te worden.
Voortdurend met allerlei bezwaren en tegenspoeden worstelende, trok de doctor door Babisa, Lobemba, Maroengoe, Ba-Oeloengoe en Loenda. In dit laatste land woont Cazembé, wiens naam het eerst in Europa bekend werd door den portugeeschen reiziger Lacerda. Cazembé is een zeer verlicht vorst. Hij ontving Livingstone met groote staatsie: gekleed in een korten jurk van rood mousseline met groote bloemen, die zijn galakostuum scheen te zijn, en omringd door zijne voornaamste hovelingen en zijne lijfwachten. Een opperhoofd, die van den koning den last had ontvangen om zooveel mogelijk inlichtingen omtrent den reiziger in te winnen, was bij de audiëntie tegenwoordig, en deed met luider stemme verslag van zijne bevinding. Hij had vernomen dat de blanke man in het land gekomen was, om de beken, de rivieren en de meren te onderzoeken. Hoewel hij niet kon begrijpen, welk belang de blanke man er bij hebben kon om zich bekend te maken met wateren die hem vreemd waren, twijfelde hij er toch niet aan of dit geschiedde met goede bedoelingen.
Souzi, de bediende van Livingstone.Souzi, de bediende van Livingstone.
Souzi, de bediende van Livingstone.
Souzi, de bediende van Livingstone.
Cazembé vroeg daarop aan den reiziger wat eigenlijk zijn doel was, en waarheen hij zich dacht te begeven.
Livingstone antwoordde, dat het zijn wensch was naar het zuiden te gaan, aangezien hij vernomen had dat daar meren en rivieren waren.
“Het is niet noodig daarvoor naar het zuiden te gaan,” hervatte Cazembé; “er is hier in den omtrek water in overvloed.” Hij beval daarop, dat men den blanken man overal in zijne staten ongehinderd zou laten reizen en onderzoeken, zonder hem iets in den weg te leggen. “Dit is de eerste Engelschman, dien ikooit heb gezien, zeide hij; en ik wil zijn vriend zijn.”
Eene verrassing.Eene verrassing.
Eene verrassing.
Eene verrassing.
Al spoedig na de opening der audiëntie, was de koningin binnengetreden, gevolgd door een aantal amazonen, met lansen gewapend. Jong, schoon en rijzig van gestalte, had zij het er blijkbaar op gezet op den blanken man indruk te maken, want zij had zich in al haar koninklijk prachtgewaad uitgedost, en hield eene groote lans in de hand. Maar hare onverwachte verschijning en haar wonderlijke opschik deden Livingstone in een luid gelach uitbarsten, waardoor de gehoopte uitwerking verloren ging. Doch, wel verre van zich daarover boos te maken, begon de vorstin zelf te lachen, welk voorbeeld straks door hare amazonen en het gansche hof gevolgd werd. Door al deze vroolijkheid zelf van haar stuk gebracht, liep de koningin eensklaps weg, gevolgd door hare vrouwelijke lijfwacht.
Kort nadat hij de grenzen van Londa had overschreden, en nog voor hij het gebied van Cazembé had bereikt, was Livingstone eene groote rivier overgestoken, die men de Chambezi noemde. De gelijkheid van naam had hem aanvankelijk in den waan gebracht, dat hij den Zambèse voor zich had, en dat deze rivier dus in geene betrekking hoegenaamd stond met den Nijl, waarvan hij de bronnen opspoorde. Hij werd nog te meer in die opvatting versterkt, omdat de Portugeezen hem herhaaldelijk gezegd hadden: “De Tsjambesi is onze rivier;—als men van de Nyassa naar Cazembé gaat, moet men den Zambèse oversteken.” Niet alleen hadden zij hem dit gezegd, maar ook hunne boeken en kaarten stemden daarmede overeen.—Deze verkeerde opgave heeft Livingstone veel moeite en tijdverlies veroorzaakt. Van het begin van 1867, toen hij bij Cazembé kwam, tot in Maart 1869, toen hij te Oedsjidsji verscheen, is hij bijna onophoudelijk bezig geweest met het ophelderen en herstellen van deze dwaling.
Toen hij den strijd ontdekte tusschen de berichten zijner voorgangers en wat zijne eigene aanschouwing hem leerde, keerde hij op zijne schreden terug. Ten einde volkomen zekerheid te erlangen, doorkruiste hij in alle richtingen de uitgestrekte landstreek, waardoor deze rivieren, die een zoo zonderling ingewikkeld stelsel vormen, haar loop nemen; voortdurend heen en weder trekkende als een boeteling; overal dezelfde vragen doende, en iedereen aansprekende, tot hij op het gelaat zijner toehoorders de gedachte kon lezen: “Die man is gek; de wateren hebben hem het hoofd op hol gebracht.”
Deze, voor de aardrijkskundige wetenschap zoo uiterst belangrijke en vruchtbare nasporingen, brachten Livingstone ook aan den oever van een meer, ten noordoosten van het gebied van Cazembé, en waaraan de inboorlingen den naam geven van Liemba, naar de landstreek, die ten zuiden en ten oosten aan het meer grenst. Onze reiziger volgde den oever, zijn weg nemende naar het noorden, en nu kwam hij tot de ontdekking dat dit meer hetzelfde was als het meer Tanganjika, waarvan de zuidelijke punt op op ongeveer 8°42′ zuiderbreedte ligt: de groote waterplas heeft mitsdien van het noorden naar het zuiden eene uitgestrektheid van driehonderd-zestig geographische mijlen.
Zich van het meer Tanganjika verwijderende, trok Livingstone door Maroengoe, en bereikte het meer Moéro, dat in de lengte ongeveer zestig mijlen beslaat. Aan het zuidelijk uiteinde van dit meer bevindt zich de mond eener rivier, die van het zuiden komt en de Loeäpoela heet. De doctor voer de rivier op, tot waar zij uit het groote meer Bangouéolo komt, dat in uitgestrektheid weinig voor dat van Tanganjika onderdoet.
Eene nauwkeurige studie van dit meer en de daarin uitloopende rivieren schonk Livingstone de overtuiging, dat de Chambezi daarvan verreweg de voornaamste was. Hij bevond nu, dat de Chambezi, die hij van haar oorsprong gevolgd was, tot aan het meer Bangouéolo, aan de noordelijke punt van dit meer weder daaruit te voorschijn trad, en onder den naam van de Loeäpoela zich in het meer Moéro uitstortte. Hij keerde daarop naar Cazembé terug, nu bij ondervinding wetende wat de portugeesche berichten en kaarten waard waren, en met steeds klimmende belangstelling den loop dezer rivier volgende, die zich tot dusver onafgebroken naar het noorden richtte.
Aan het hof van Cazembé ontmoette onze reiziger een grijsaard, Mohammed-ben-Selim geheeten, een arabischen kleurling, dien de koning gevangen hield, omdat hij zijne gangen wantrouwde. Livingstone maakte van zijn invloed op den vorst gebruik, om Mohammed in vrijheid te doen stellen; en daar zij beiden denzelfden weg volgden, nam hij het voorstel van den Arabier aan, om te zamen te reizen. De oude kleurling toonde zijn dankbaarheid op zeer zonderlinge wijze: hij ontzag geene middelen, om de bedienden en reisgenooten van den doctor tot ontrouw en desertie te bewegen, en plaagde hem zelf op alle mogelijke wijzen tot hunne komst te Oedsjidsji. In dit vlek, waar Livingstone in Maart 1869 aankwam, schreef hij de brieven, die het gerucht van zijn dood, door de Anjoehanneezen zijner eerste karavaan verspreid, logenstraften.
De doctor bracht drie maanden te Oedsjidsji door. Gedurende zijn verblijf aldaar, wilde hij het noordelijk gedeelte van het meer onderzoeken; hij meende dat vandaar een rivier moest uitgaan, die met den Nijl in verbinding stond. Maar de tegenwerking, die hij van de Arabieren en de inboorlingen ondervond, en de afpersingen, waaraan hij bloot stond, dwongen Livingstone dit plan op te geven. Hij hoopte later eene gunstige gelegenheid te vinden, en stak het meer Tanganjika over, om naar Oegoehha te gaan, een dorp op den westelijken oever.
Toen Burton en Speke zich te Oedsjidsji ophielden, was het land, waarheen de docter zijne schreden richtte, volkomen onbekend; zelfs de Arabieren wisten nauwelijks den naam. De moedigsten hunner, die in het binnenland den ivoorhandel dreven, gingen toch niet verder dan de grenzen van Roeha. Omstreeks het einde van Juni, brak de doctor van den oever van het meer op, en richtte zich naar laatstgenoemde plaats, in gezelschap van eenige kooplieden. Een marsch van vijftien dagen, in westelijke richting, bracht hen teBambarre, de eerste ivoormarkt in Manyema of Manyoeëma, zooals de inboorlingen zeggen. Hier werd hij zes maanden lang opgehouden door eene verzwering aan zijne voeten, die door de vermoeienissen der reis zeer verergerd was.
Zoodra hij genezen was, vertrok onze reiziger in de richting van het noorden. Na verloop van eenige dagen bereikte hij eene ontzaglijk breede rivier, die met tragen stroom en in de zonderlingste slingeringen, nu eens naar het noorden, dan naar het westen, enkele malen zelfs naar het zuiden, liep. Met onbezweken volharding volgde hij die rivier in haar kronkelenden loop, en bevond dat zij zich in een smal en langwerpig meer, Kamolondo genaamd, uitstortte. Toen wendde hij zich ten zuiden, volgde de rivier opwaarts, en kwam eindelijk aan de plek, waar de Loëapoela in het meer Moéro treedt, waaruit zij weder onder den naam van Loeäloeba te voorschijn komt.
Het was een lust, hem dit prachtige landschap te hooren beschrijven. Hooge bergen omgeven aan alle zijden het meer Moéro, en hunne breede hellingen, met den weelderigsten tropischen plantengroei bedekt, dalen tot den oever af. Het overtollige water van het meer baant zich een uitweg door eene diepe spleet; schuimend en kokend stort het zich met donderend geweld door de nauwe opening, om straks bedaard en rustig te worden opgenomen in de breede bedding van de Loeäloeba. Om dit gedeelte der rivier te onderscheiden van andere wateren, die bij de inboorlingen denzelfden naam dragen, heeft de doctor haar de rivier Webb genoemd, ter eere van een zijner oudste en beste vrienden, den eigenaar van Newstead-Abbey.
Ten zuidwesten van het meer Kamolondo, waarin de Webb uitloopt, bevindt zich een ander groot meer, dat mede met eene rivier in verbinding staat door middel van een belangrijken stroom, de Loéki of Lomame. Dit groote meer, bij de inboorlingen als het meer Tsjeboego bekend, ontving van Livingstone den naam van Lincoln, ter herinnering aan den president der Vereenigde-Staten. Een weinig noordwaarts van de plaats waar de Webb het meer Komolondo verlaat, neemt zij de Loefira op, eene aanzienlijke rivier, die van het zuid-zuid-westen komt. Het aantal harer andere nevenstroomen is zoo groot, dat de doctor voor allen geene plaats had op zijne kaart.
Altijd door de eindelooze kronkelingen en wendingen van de Webb volgende, bereikte Livingstone den vierden graad zuiderbreedte, waar hij nog van een ander meer hoorde spreken, meer noordwaarts gelegen, en waarin de Webb uitliep.
Ook had men hem gesproken van vier bronnen, waarvan de wateren zich deels in de Loeäloeba, dat wil zeggen de Webb, en deels in den Zambèse stortten. Bij herhaling hadden de inboorlingen hem over deze bronnen gesproken, menigmaal was hij zelf ze tot op honderd mijlen genaderd; maar telkens was er iets in den weg gekomen, dat hem verhinderde ze te bereiken. Naar de berichten van lieden, die deze fonteinen hadden gezien, kwamen zij te voorschijn uit een kleinen heuvel van aarde, dien sommigen een mierenhoop noemden. Een dezer bronnen of bekkens was, naar het zeggen, zoo breed, dat men te nauwernood de overzijde kon zien.
Livingstone zegt dat deze bronnen niet zuidelijker liggen dan die van het meer Bangoeëlo; in den brief, door hem aan denNew-York Heraldgeschreven, merkt hij op, dat deze vier vijvers, waaruit het water te voorschijn treedt en zich in vier groote rivieren splitst, die van hetzelfde punt uitgaan, tot op zekere hoogte overeenkomen met de beschrijving der bronnen van den Nijl, zooals wij die bij Herodotus vinden en die hij te Saïs had opgeteekend uit den mond der egyptische priesters.
In ieder geval, sprak Livingstone tot mij, moeten deze bronnen en hare ligging nauwkeurig opgenomen worden. Dat meer, ten noorden van den vierden graad gelegen, en waarin de Webb uitliep, met welk water stond dat in gemeenschap? Juist toen hij hieromtrent zekerheid hoopte te erlangen, zag Livingstone zich gedwongen naar Oedsjidsji terug te keeren: eene lange en treurige reis, vol gevaren en ontberingen, en die hem met iederen stap verder verwijderde van het doel, dat hij bijna bereikt had. In plaats van de blijde hoop, den opgewekten moed, die bij den tocht voorwaarts, over alle bezwaren en hinderpalen doet triomfeeren—de moedeloosheid van den eentonigen terugtocht; in plaats van de spanning, die de aanstaande ontdekking als vooruitgrijpt—de teleurstelling der bedrogen verwachting, de terugkeer na een nederlaag.—Wat wonder dat de oude reiziger bijkans den moed liet zinken, dat zijne krachten hem bijna begaven?
Den 16denOctober kwam hij te Oedsjidsji, doodkrank en uitgeput. Gedurende de reis trachtte hij zich zelf moed in te spreken. “Het is slechts, zoo sprak hij bij zich zelf, een uitstel van vijf of zes maanden: dat beteekent niet veel. Te Oedsjidsji vind ik mijne goederen; daar zal ik manschappen in dienst nemen, en onmiddellijk weder op reis gaan.” Men verbeelde zich zijne teleurstelling, toen hij vernam dat de persoon, die hem zijne goederen ter hand moest stellen, daarover op andere wijze had beschikt!
Des avonds na zijne terugkomst ontmoette hij Shouma en Sousi, die bitterlijk weenden; toen hij hen naar de reden hunner droefheid vroeg, ontving hij het antwoord: “Er is niets meer, mijnheer. Sherif heeft alles verkocht!”—Een oogenblik later verscheen Sherif zelf, en had de onbeschaamdheid, Livingstone de hand te reiken. Deze wees hem af, zeggende dat hij geen dief de hand gaf; waarop Sherif ter verontschuldiging aanvoerde dat hij den Koran had geraadpleegd, en daaruit vernomen had dat de doctor dood was. Aangezien nu de goederen heerloos waren geworden, had hij ze tegen ivoor ingeruild. Dat ivoor had hij weder verkocht, en het daarvoor ontvangen geld verbruikt:—in één woord, Livingstone had niets meer.
Ook dit zeer beknopte overzicht van Livingstone’s laatste ontdekkingen zal eenigermate doen beseffen van hoe groot gewicht zij voor de wetenschap zijn. Livingstone houdt zich overtuigd dat die rivier, die, onder verschillende namen, van het eene meer naar het ander loopt, steeds hare richting noordwaartsnemende, de Boven-Nijl is. De groote bochten, die deze stroom naar het westen en zuidwesten maakt, hadden hem aanvankelijk aan het twijfelen gebracht. Eerst dacht hij dat het de Congo was; maar later heeft hij ontdekt dat deze stroom wordt gevormd door de samenvloeiing van de Kassaï en de Koeango, twee rivieren, die aan de westelijke helling ontspringen van den hoogen rug, welke de beide bekkens scheidt. Na herhaalde en nauwkeurige onderzoekingen der streek, na de overtuiging verkregen te hebben dat de Webb, ondanks hare afwijkingen, toch haar loop naar het noorden richtte, en wel door een dal, ter wederzijde door hooge bergen ingesloten, meende Livingstone te mogen vaststellen dat deze rivier de zuidelijke tak van den Nijl was. De aloude heilige rivier van Egypte zou daardoor eene lengte verkrijgen van twee-en-veertig graden, en dus, na den Mississippi, de grootste rivier der wereld zijn.
Het spreekt van zelf, dat latere nasporingen de juistheid dezer meening zullen moeten staven; Livingstone zelf heeft zich ten taak gesteld, dit punt tot zekerheid te brengen.
De twee gewesten, waardoor de Webb stroomt en een aantal meren vormt, heeten Roêa en Manyoeëma. In deze uitgestrekte landstreek—tusschen het meer Tanganjika en de gewaande bronnen van den Congo—leven millioenen menschen, die niets wisten van het bestaan der blanken, en waarvan ook de Europeanen nooit hadden hooren spreken, voor Livingstone deze onbekende streken bezocht. Deze onmetelijke landen, wier uitgestrektheid nog zelfs niet bij benadering kan worden bepaald, zijn niet in eenige groote staten of koninkrijken gesplitst: ieder dorp staat geheel op zich zelf en gehoorzaamt aan een eigen opperhoofd. Ook de meest ontwikkelden van deze dorpshoofden zijn volslagen onbekend met hetgeen dertig mijlen buiten hunne grenzen ligt: eene onwetendheid, die de taak van Livingstone oneindig verzwaarde. In dat opzicht mochten de volksstammen, die hij elders ontmoet had, vergelijkenderwijze zeer beschaafd worden genoemd; maar wat het persoonlijk karakter betrof, stonden de inboorlingen van Manyoeëma hooger dan hunne broeders van elders. Zij hebben het tamelijk ver gebracht in de kunst van wapens te vervaardigen, en weven uit zeer fijn gras eene soort van stof, die met indische weefsels van gelijken aard wedijveren kan; deze stoffen verwen zij met verschillende kleuren, zooals zwart, geel, donkerblauw.
Deze landstreken zijn overrijk aan ivoor, waarvan de inboorlingen de waarde volstrekt niet kenden, en dat zij voor allerlei huiselijk gebruik aanwenden. Nu ongeveer vier jaar geleden, ontdekte een Arabier voor het eerst dezen schat, en sedert dien tijd stroomen de kooplieden naar Manyoeëma, om ivoor machtig te worden. De komst der Arabieren deed de inboorlingen begrijpen, welk eene waarde dit bij hen zoo weinig geachte artikel had, en weldra steeg de prijs dan ook aanmerkelijk, hoezeer nog altijd laag genoeg blijvende om den kooplieden eene enorme winst te verzekeren.
Jammer slechts dat de vredelievende bevolking dezer streken door de gruweldaden der slavenhandelaars verwilderd, en tot haat en weerwraak geprikkeld wordt. De slaven uit Manyoeëma worden, om hun schoonen lichaamsbouw en hun zachtaardig karakter, boven de anderen geschat; de vrouwen vooral zijn zeer schoon; heur haar uitgezonderd, hebben zij zeer weinig van het negerras; de kleur van haar huid is zeer licht, dikwijls niet veel donkerder dan die van eene portugeesche. Deze schoone vrouwen vinden veel aftrek bij de mestiezen langs de kust, en zelfs bij de Turken en Arabieren, die ze gaarne in hunne harems opnemen. De handel in slaven en slavinnen is dan ook nog wel zoo winstgevend als die in ivoor: want de eersten worden eenvoudig met geweld weggevoerd. Wie zou het beletten? De arme inboorlingen, die geen vuurwapenen bezitten, zijn weerloos tegenover de slavenhalers, die de dorpen overvallen, onder de machtelooze bewoners een bloedbad aanrichten en eenige honderde gevangenen medevoeren. Geen wonder voorwaar, dat de Arabieren hier overal zoo gehaat zijn; dat door hunne schuld de naam van blanken een vervloeking is geworden; en dat van tijd tot tijd de getergde stammen, zich vereenigende of bij hunne meer ontwikkelde en beter gewapende broeders aansluitende, eene vreeselijke weerwraak oefenen. Livingstone zelf, hoezeer hij, eenmaal bekend zijnde, over geene kwade bejegening te klagen had, liep meer dan eens gevaar vermoord te worden, omdat men hem voor een Arabier hield.
Het ligt buiten ons bestek, verder den heer Stanley te volgen op den tocht, dien hij met Livingstone op het meer Tanganjika en door een deel der aangrenzende landstreek ondernam. Wij hebben hem alleen willen vergezellen op zijn weg, tot hij den beroemden reiziger had gevonden en het groote vraagstuk omtrent diens leven of dood opgelost. Want dat hij dit werkelijk gedaan heeft, is wel aan geen redelijken twijfel onderhevig, al moge de waarheid der verdere beweringen van den heer Stanley en de juistheid zijner mededeelingen omtrent zijne ontdekkingen, van zeer ernstige zijde tegenspraak hebben uitgelokt. Trouwens, indien er geen goed deelhumbugonder zijne verhalen en mededeelingen liep, zou hij zeker zijn karakter als Amerikaan, en nog wel als amerikaansch journalist, geheel hebben moeten verloochenen. Het is ook uit dien hoofde veiliger, de berichten van Livingstone zelf, wanneer deze van zijne nog niet geëindigde reis zal zijn teruggekeerd, af te wachten.
Naar het zich laat aanzien is thans aan Khiwa, betrekkelijk het kleinste en onaanzienlijkste der khanaten of vorstendommen van Turkestan, de beurt gekomen om door de steeds meer naar het zuiden voortdringende russische macht te worden verzwolgen, en zijne eeuwenoude onafhankelijkheid te verliezen. Aan de oevers van den Oxus (Amoe-Darja) gelegen, waar deze rivier zich noordwestelijk naar het meer Aral richt, bedraagt de geheele lengte van het khanaat ternauwernood vijftig geographische mijlen; de grootste breedte van het meestal aan den linkeroever gelegen bebouwde land zal in de omstreken van Koektshek, niet veelmeer dan zes mijlen bedragen. De voor bebouwing vatbare streek is niet groot: het eigenlijke Khiwa strekt zich niet verder uit, dan het water van den Oxus, hetzij door natuurlijke, hetzij door kunstmatig aangelegde kanalen, in het binnenland kan doordringen en den grond vruchtbaar maken. Verder op begint de woestijn.
De rechteroever van den Oxus ligt veel hooger dan de linker, en grenst onmiddellijk aan een onafzienbaar steppenland, eene onbeheerde wildernis; vandaar dat, voor zoover wij weten, aan dien rechteroever nooit beschaafde bevolkingen hebben gewoond, en dat land ook nu alleen door nomaden wordt bezocht, die er hunne kudden laten weiden. Als wij van Khiwa spreken, denken wij daarbij altijd aan den linkeroever, waar landbouw, welvaart en ontwikkeling in de eerste plaats afhankelijk zijn van den ijver en de kunst, waarmede de bewoners de levenbrengende wateren door het land weten te verspreiden. In de middeleeuwen moet Khiwa of Kharesm, zooals het toen heette, een veel uitgebreider en beter onderhouden net van kanalen en waterleidingen hebben gehad dan tegenwoordig: want niet alleen bezat het destijds eene driemaal sterker bevolking, maar het was ook wegens zijne hooge beschaving door geheel het Oosten beroemd. Nog vroeger, in de vóór-islamitische tijden, was het oude Kharesm een brandpunt van geestelijk leven en ontwikkeling.
Nadat de landen aan den Beneden-Oxus met geweld tot den islam waren bekeerd geworden, openbaarde zich met den triomf der vreemden, weldra de innerlijke tweespalt. De Tahiriden, die tot het einde der negende eeuw als vreemde dynastie den troon bekleedden, hadden maar al te dikwijls het welzijn des lands aan hunne eigene heersch- en hebzuchtige plannen opgeofferd; onder de opvolgende vorstenhuizen werd dit nog erger. Weldra begon eene onafzienbare reeks van oorlogen. De horden der Mongolen overstroomden het land, alles te vuur en te zwaard verwoestende, overal dood en verderf verspreidende. En ook nadat de wateren van dezen zondvloed waren afgetrokken, keerde de vrede niet. Nu eens kwamen de verwoestende oorlogen van buiten, zooals van Bokhara, toen dit machtig genoeg geworden was om de verovering van den westelijken nabuur te beproeven; of wel innerlijke verdeeldheden en burgerkrijgen verscheurden het ongelukkige land. Waar eene landbouwende bevolking, aan bijna alle zijden, door talrijke roof- en krijgslustige nomaden is ingesloten, daar kan eigenlijk van rust en vrede geen sprake zijn. De nomaad, die huis noch hof bezit, geen arbeid of bestendige bezigheid kent, is uit den aard der zaak hebzuchtiger dan de vreedzame landbouwer; en daar hij zich voor de ontberingen van zijn werkeloos leven schadeloos tracht te stellen met de vruchten van den arbeid zijns buurmans, zoo zijn rooftochten, plunderingen en veroveringen van gansche landstreken telkens voorkomende zaken. Niet zelden is het den roofzieken nomaden gelukt, de gezeten bevolking geheel aan zich te onderwerpen: en zoo zien wij dan ook, gedurende de drie laatste eeuwen, de stammen der Kalmukken, Kasaken, Karakalpaken, Jomoeten en Oezbeken achtereenvolgens den schepter over Khiwa zwaaien.
Het thans heerschende ras, de Oezbeken, is een eenvoudig, werkzaam, verstandig volk, dat zich in menig opzicht gunstig van zijne naburen onderscheidt. Hunne gelaatskleur is zeer blank, vooral bij de vrouwen, die, de ovale oogen uitgezonderd, wel eenigszins op hare zusters uit zuidelijk Duitschland gelijken. De mannen zijn krachtig en gespierd, met een groot hoofd, een breed voorhoofd en dunnen baard. In hun voorkomen hebben zij iets plomps en slaperigs, waartoe ook de kleeding—een groote pelsmuts, een dik gewatteerde lange jas of kaftan, en een paar groote hooge laarzen, met linnen of stroo opgevuld—veel bijdraagt. Eene zekere deftigheid, een onverstoorbare ernst en kalme waardigheid kenmerkt de Oezbeken in den omgang, vooral met vreemden; in denk- en spreekwijze openbaren zij het echte oostersche karakter, hier te sterker uitkomende, daar deze stammen in het hart van Azië tot dusverre nooit den invloed der europeesche beschaving, van westersche begrippen en zeden, ondervonden.
Waarschijnlijk is de dag niet meer verre, dat het Westen, door Rusland vertegenwoordigd, hier zijne heerschappij zal vestigen. En wanneer de Tartaren van Khiwa voor het verlies hunner onafhankelijkheid schadeloos worden gesteld door de vestiging eener rechtvaardige en verlichte regeering, in de plaats van het grenzenloos willekeurig despotisme, dat thans het land ten geesel is:—wie zal zeggen, dat het volk bij dien ruil verloren heeft?