DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan ’t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken.Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het kokosbosch voort.De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars, die door het bosch trokken.Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af te halen. Tegen drie uren ’s namiddags kwamen zij met de tweede en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur wasaangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.„Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd, Willem,” zeide de oude Flink. „’t Is ook goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.”„Ha, laat mij ’t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,—ik heb er wel over de dertig geteld.”Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn.Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in het woud.Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink kapte lange balken welke zij van boom tot boombevestigden, en nu reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed noch zoo rasch kunnen verrichten.Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren.Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toende avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot Willem:„Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor ’t invallen van de duisternis of ’s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo moet dus een van ons nog vóór ’t aanbreken van den dag—dat is tusschen twee of drie uren ’s morgens—op de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano’s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij te doen hebben.”„Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór den dag op ben, om den horizon, zoodra ’t begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten.”„Goed, Willem. Wat voor ’t overige dier wacht aangaat, kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij ’s morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik ’s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van mij gewoon.”Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.

DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan ’t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken.Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het kokosbosch voort.De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars, die door het bosch trokken.Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af te halen. Tegen drie uren ’s namiddags kwamen zij met de tweede en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur wasaangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.„Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd, Willem,” zeide de oude Flink. „’t Is ook goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.”„Ha, laat mij ’t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,—ik heb er wel over de dertig geteld.”Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn.Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in het woud.Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink kapte lange balken welke zij van boom tot boombevestigden, en nu reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed noch zoo rasch kunnen verrichten.Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren.Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toende avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot Willem:„Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor ’t invallen van de duisternis of ’s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo moet dus een van ons nog vóór ’t aanbreken van den dag—dat is tusschen twee of drie uren ’s morgens—op de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano’s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij te doen hebben.”„Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór den dag op ben, om den horizon, zoodra ’t begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten.”„Goed, Willem. Wat voor ’t overige dier wacht aangaat, kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij ’s morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik ’s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van mij gewoon.”Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.

DRIE-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.INRICHTING VAN HET BLOKHUIS.

De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan ’t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken.Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het kokosbosch voort.De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars, die door het bosch trokken.Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af te halen. Tegen drie uren ’s namiddags kwamen zij met de tweede en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur wasaangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.„Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd, Willem,” zeide de oude Flink. „’t Is ook goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.”„Ha, laat mij ’t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,—ik heb er wel over de dertig geteld.”Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn.Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in het woud.Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink kapte lange balken welke zij van boom tot boombevestigden, en nu reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed noch zoo rasch kunnen verrichten.Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren.Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toende avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot Willem:„Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor ’t invallen van de duisternis of ’s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo moet dus een van ons nog vóór ’t aanbreken van den dag—dat is tusschen twee of drie uren ’s morgens—op de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano’s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij te doen hebben.”„Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór den dag op ben, om den horizon, zoodra ’t begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten.”„Goed, Willem. Wat voor ’t overige dier wacht aangaat, kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij ’s morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik ’s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van mij gewoon.”Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.

De volgende morgen was zeer druk en onrustig, want nu ging men weer aan ’t inpakken en aan de toebereidselen tot de verhuizing. Juno werd nu hier, dan daar geroepen en moest Carolientje verzoeken op den ketel te letten en haar te waarschuwen, als het water begon te koken.

Thomas was, als naar gewoonte, iedereen in den weg. Hij wilde overal helpen, doch bracht meer van, dan op zijne plaats. Daar hij het evenwel goed meende, werd hij althans ditmaal niet beknord. Eindelijk zond Flink, om hem kwijt te worden, hem met een groot pak naar het strand. Thomas nam den bundel op zijn schouder: maar toen hij, niet weinig hijgende van het verrichte werk terugkwam en Flink hem een tweeden last wilde opladen, zei hij toch, dat hij te moe was, en zette zich stilletjes neer, totdat het ontbijt werd opgedragen, wat echter eerst geschiedde, toen men met alle toebereidselen gereed was.

Terstond na het ontbijt pakte mevrouw Wilson het keuken- en tafelgereedschap in een mand bijelkander. Toen begaf de gansche familie zich eindelijk op weg en trok, in gezelschap van de honden, door het kokosbosch voort.

De kleine Albert kon nu heel goed loopen en moest slechts nu en dan door Juno gedragen worden, die hem anders bij de hand had. Caroline liep naast haar vader en moeder, maar Thomas was te eigenzinnig om met iemand te gaan en stapte in zijn eentje voort.

Willem en Flink verloren geen tijd, om hunne taak af te doen. Tafels, stoelen en verder huisraad was het eerste, dat zij in de boot hadden. Vervolgens werd de eene geit ingescheept en toen stieten zij met volle lading van land en bereikten de baai lang vóór de wandelaars, die door het bosch trokken.

Zij brachten de ingeladen goederen spoedig aan land en stieten toen opnieuw af, om het beddegoed en wat er verder nog was overgebleven af te halen. Tegen drie uren ’s namiddags kwamen zij met de tweede en laatste lading in de baai aan, waar de familie voor ongeveer een uur wasaangekomen. Mijnheer Wilson en Juno waren reeds druk bezig de uitgeladen stukken naar het huis te dragen.

„Dat zal nu hoop ik, onze laatste vaart geweest zijn voor langen tijd, Willem,” zeide de oude Flink. „’t Is ook goed, want onze kleine boot heeft veel geleden en dient, zooals ik u reeds zeide, eens met zorg te worden nagezien.”

„Ha, laat mij ’t niet vergeten, Flink, ik heb onlangs de duiven bij onze erwten gevonden; het wordt dus wel tijd, dat wij ze plukken. De duiven zijn al heel schielijk vermeerderd,—ik heb er wel over de dertig geteld.”

Nog vóór den nacht was alles in huis weder op de oude plaats en even gemakkelijk als te voren ingericht. Zij waren dan allen ook recht moede geworden en gingen dus vroegtijdig te bed, nadat men voor den volgenden dag het noodige had afgesproken. Mevrouw Wilson had zich aangeboden om de keuken en het opzicht over de kleinen zelve voor hare rekening te nemen, zoodat Juno de mannen den ganschen dag behulpzaam kon zijn.

Voor dag en dauw gingen Willem en Flink naar de schildpadvijver en vingen er eene uit, want de tijd naderde, dat men weder nieuwe schildpadden vangen en in korten tijd den vijver daarmede vullen kon. Het gevangen dier werd geslacht en een deel daarvan in den pot gestoken, zoodat mevrouw Wilson het slechts had te braden, en zoodra het ontbijt was afgeloopen, ging men onverwijld naar het magazijn in het woud.

Ka een kort beraad met mijnheer Wilson, paalde Flink een van kokosboomen gevormd vierkant rondom het magazijn af, zoodat op elke zijde eene ruimte van ongeveer twintig voet vrij bleef, en dit vierkant moest nu door eene schutting geheel worden ingesloten. De kokosboomen moesten daarbij tot steunbalken dienen, tusschen welke andere boomen, die men eerst vellen wilde, tot eene hoogte van veertien voet zouden worden vastgemaakt. Op deze wijze dachten zij eene palissade tot stand te brengen, die men niet gemakkelijk beklimmen kon, zoodat zij daardoor tegen alle aanvallen der wilden beschut waren.

Zoodra de buitenste reeks van boomen gemerkt was, begonnen zij alle boomen binnen deze en naar buiten tot op een afstand van tien roeden om te hakken, zoodat zij behoorlijk ruimte tot hun arbeid hadden. Flink kapte lange balken welke zij van boom tot boombevestigden, en nu reeds ondervonden zij het voordeel, dat zij van het bewaren der groote spijkers hadden, want zonder dezen hadden zij hun werk noch zoo goed noch zoo rasch kunnen verrichten.

Mijnheer Wilson velde de boomen, Willem en Juno zaagden ze met een groote timmermanszaag op de behoorlijke lengte af en brachten de stammen dan bij Flink. Spoedig hadden zij meer omgekapt dan zij eigenlijk noodig hadden. De kruinen en takken der gevelde boomen werden opgeraapt en als brandhout op een hoop gestapeld, terwijl mijnheer Wilson en Flink de palissaden aan de palen begonnen vast te spijkeren.

Zij hadden den ganschen dag zwaar gearbeid en waren verheugd, toende avond hun eindelijk eenige verademing vergunde. Flink was echter nog niet tevreden, maar zeide tot Willem:

„Daar wij nu weder hier zijn, komt het mij wel noodzakelijk voor, beste jongen, dat wij, om ongeluk te verhoeden, eene soort van nachtwacht houden. Ik ga niet te bed, voordat het geheel donker wordt, wat zoo ongeveer tegen negen uren is: gedurende dien tijd zal ik de zee nauwkeurig opnemen. Wij hebben wel niet te vreezen, dat de wilden midden in den nacht komen; maar even voor ’t invallen van de duisternis of ’s morgens vroeg is dit eer te verwachten, en zoo moet dus een van ons nog vóór ’t aanbreken van den dag—dat is tusschen twee of drie uren ’s morgens—op de been zijn, om te zien of er ook iets van hen te ontdekken is. Is dit niet het geval, dan kunnen wij natuurlijk weer te bed gaan, daar zij dan eerst vele uren later kunnen aankomen. Ook moeten wij op wind en weer acht geven, of die hunne vaart misschien ook begunstigen. Met den wind kan dit niet eer, dan met het begin van den regentijd het geval zijn. Hij kan echter ook zeer zwak worden, en dan moet er den wilden weinig aan gelegen zijn, of hij hun tegen is of niet. Ik heb al veel over de zaak nagedacht, beste Willem, en geloof dat, ingeval wij een bezoek van de wilden krijgen, dit met het begin van den regentijd wezen zal, want dan waait de wind niet regelmatig uit ééne hemelstreek, zooals thans, maar springt gedurig om, zoodat zij in hunne kano’s zeilen opzetten en gemakkelijk hierheen komen kunnen, in plaats van anders veertig of vijftig mijlen ver tegen wind en stroom in te moeten roeien, wat een allesbehalve lichte arbeid is. Hoe dat zij, wij mogen zelven geen voorzorg verzuimen en moeten nu reeds scherp naar de zee uitzien. Ik wil uw vader en moeder liefst voor den tijd niet ongerust maken, maar u moet ik zeggen, hoe ik er over denk en wat ik meen, dat wij te doen hebben.”

„Ik geef u volkomen gelijk, Flink, en zal zorg dragen, dat ik vóór den dag op ben, om den horizon, zoodra ’t begint te schemeren, met den kijker zoo scherp mogelijk op te nemen. Neem gij de avondwacht, dan zal ik mij wel met de morgenwacht belasten.”

„Goed, Willem. Wat voor ’t overige dier wacht aangaat, kon ik zeer goed beide op mij nemen, maar ik geloof, als gij ’s morgens opstaat, zullen de anderen dat niet zoo licht als van mij bemerken, en dat ik ’s avonds nog wat langer dan de familie opblijf, is men meer van mij gewoon.”

Na dit gesprek hielden Flink en Willem dus gestadig de wacht van den morgenschemering af, totdat de volle duisternis was ingevallen.


Back to IndexNext